<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2024)0020</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Irak, met name de situatie van de vrouwenrechten en het recente voorstel om de wet inzake het personenrecht te wijzigen</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(B10-0089, 0091, 0092, 0093 en 0094/2024)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2024 over Irak, met name de situatie van de vrouwenrechten en het recente voorstel om de wet inzake het personenrecht te wijzigen (2024/2858(RSP))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn eerdere resoluties over Irak,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 150, lid 5, en artikel 136, lid 4, van zijn Reglement,</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het Iraakse parlement zeer restrictieve amendementen uitwerkt op wet 188/1959 (de wet inzake het personenrecht), die gevolgen hebben voor de rechten van vrouwen; overwegende dat familieaangelegenheden, onder meer huwelijk, echtscheiding en voogdij over kinderen, feitelijk onder de bevoegdheid van religieuze rechtbanken, en niet van civiele rechtbanken, komen te vallen, wat volgens VN-deskundigen verontrustende discrepanties langs religieuze scheidslijnen tot gevolg zou hebben; overwegende dat de wettelijke minimumleeftijd voor het sluiten van een huwelijk voor meisjes negen jaar en voor jongens vijftien jaar zou zijn, en dat gevreesd wordt dat geweld tegen vrouwen in de toekomst toeneemt; overwegende dat 22 % van de niet-geregistreerde huwelijken meisjes onder de veertien jaar betreffen; overwegende dat de ontwerpamendementen vrouwelijke kinderen, met name wezen en kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, kwetsbaarder maken en het risico vergroten dat zij het slachtoffer worden van mensenhandel en uitbuiting door voogden en/of familieleden; overwegende dat het Hooggerechtshof de grondwettelijkheid van de meest problematische amendementen heeft bekrachtigd voordat een derde lezing plaatsvond, die tot 2 oktober 2024 werd uitgesteld; overwegende dat de situatie op het gebied van vrouwenrechten in Irak reeds heftig bekritiseerd is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de VN-missie UNITAD, die onderzoek deed naar de door Da’esh begane seksuele misdrijven tegen vrouwen, met name jezidi-vrouwen, op 17 september 2024 moest worden beëindigd nadat vorig jaar met steun van Rusland en China werd besloten om het mandaat van de VN-Veiligheidsraad niet te verlengen; overwegende dat UNAMI, de VN-missie voor Irak, ook zal moeten worden beëindigd in 2025;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de Sacharovprijs voor de vrijheid van meningsuiting in 2016 is toegekend aan Nadia Murad en Lamiya Aji Bashar, twee Iraakse jezidivrouwen die strijden tegen conflictgerelateerd seksueel geweld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat in artikel 14 van de Iraakse grondwet is bepaald dat “de burgers van Irak gelijk zijn voor de wet, zonder discriminatie op grond van geslacht”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat 73 % van de door een Iraaks enquêteteam ondervraagde personen “sterk gekant zijn” tegen de wijzigingen van wet 188/1959;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>dringt erop aan dat het Iraakse parlement de voorgestelde wijzigingen van wet 188/1959 (de wet inzake het personenrecht) volledig en onmiddellijk verwerpt; onderstreept met grote bezorgdheid dat de wetswijzigingen in strijd zijn met de internationale verplichtingen van Irak met betrekking tot de grondrechten van vrouwen, een aanzienlijke achteruitgang vormen, negatief zullen uitwerken op de internationale reputatie van het land en het onthouden van bepaalde hulp uit het buitenland van bilaterale en multilaterale organisaties tot gevolg zullen hebben;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>prijst de vrouwen, waaronder leden van het Iraakse parlement, die de hervorming hebben veroordeeld, en de ngo’s, activisten en leden van het maatschappelijk middenveld die sinds 1959 hebben gestreden voor het behoud van een van de meest progressieve wetten in de regio;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt de VV/HV en de lidstaten de voorgestelde wijzigingen te veroordelen; verzoekt de EU-delegatie in Irak alleen ontwikkelingssubsidies te verstrekken wanneer voorzien wordt in een justitiële opleiding op het gebied van seksueel en gendergerelateerd geweld en in opvangcentra voor vrouwen; verzoekt Irak nadrukkelijk een nationaal actieplan aan te nemen om kindhuwelijken uit te bannen, verkrachting binnen het huwelijk strafbaar te stellen, huiselijk geweld te bestrijden en de rechten van vrouwen en meisjes te versterken, in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen; dringt aan op een intensiever partnerschap met de mensenrechtencommissie in het Iraakse parlement, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van Irak;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>herinnert eraan dat de huidige wet inzake het personenrecht vereist dat kinderen met ten minste één tot de islam bekeerde ouder zelf moslim worden; betreurt dat de voorgestelde wetswijzigingen, indien deze worden aangenomen, tot een nog radicalere toepassing van de sharia zouden leiden; stelt dat deze nieuwe bepalingen ook de Iraakse staat ondermijnen en de minderheden in het land treffen; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de gevolgen van deze wetswijzigingen voor de christelijke gemeenschappen in Irak;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>verzoekt de lidstaten meer steun te verlenen aan de voorvechters van vrouwen- en kinderrechten in Irak;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>is uitermate bezorgd over het feit dat het wetboek van strafrecht niet voorziet in rechtsbescherming bij huiselijk geweld tegen vrouwen en kinderen en dringt aan op verbeteringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie in het Arabisch te laten vertalen en te doen toekomen aan het parlement en de regering van Irak, de VV/HV en de lidstaten.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>