<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2024)0026</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Kwijting 2022: Algemene begroting van de EU - Europese Raad en Raad</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0003/2024 - Rapporteur: Jonas Sjöstedt)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><NR>1.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 22 oktober 2024 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling II – Europese Raad en Raad (2023/2131(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB L 45 van 24.2.2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0391 – C9‑0250/2023)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/2, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Raad aan de kwijtingsautoriteit over de in 2022 uitgevoerde interne controles,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2022, vergezeld van de antwoorden van de instellingen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/103, 4.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/112, 12.10.2023.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2022 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluit van 23 april 2024<FOOTNOTE><FIELD>Aangenomen teksten, P9_TA(2024)0288.</FIELD></FOOTNOTE> tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2022, alsmede de bijbehorende resolutie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 59, 118, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 59, 118, 266, 267 en 268 daarvan,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 102 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0003/2024),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de secretaris-generaal van de Raad geen kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Raad en de Raad voor het begrotingsjaar 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><RESOL><TI><NR>2.</NR> <STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2024 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling II – Europese Raad en Raad (2023/2131(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2022, afdeling II – Europese Raad en Raad,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 102 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0003/2024),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure wenst te benadrukken dat het bijzonder belangrijk is de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie verder te versterken door de transparantie en de verantwoordingsplicht te verbeteren en door het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer ten uitvoer te leggen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat overeenkomstig artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) het Europees Parlement als enige verantwoordelijk is voor het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie, en overwegende dat de begroting van de Europese Raad en de Raad deel uitmaakt van de begroting van de Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de Europese Raad overeenkomstig artikel 15, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie geen wetgevingstaken mag uitvoeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat overeenkomstig artikel 317 VWEU de Commissie de begroting van de Unie uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en volgens de beginselen van goed financieel beheer, en overwegende dat overeenkomstig het toepasselijke kader de Commissie de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toekent die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat overeenkomstig artikel 235, lid 4, en artikel 240, lid 2, VWEU de Europese Raad en de Raad (hierna de “Raad”) worden bijgestaan door het secretariaat-generaal van de Raad, en overwegende dat de secretaris-generaal van de Raad geheel verantwoordelijk is voor het goede beheer van de op afdeling II van de begroting van de Unie opgevoerde kredieten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het Parlement in de loop van bijna twintig jaar de gevestigde en gerespecteerde praktijk heeft gehanteerd om kwijting te verlenen aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie, en overwegende dat de Commissie het ermee eens is dat het aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie verlenen van kwijting voor hun administratieve uitgaven wordt voortgezet;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 59, lid 1, van het Financieel Reglement de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toekent die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat sinds 2009 het gebrek aan medewerking van de Raad tijdens de kwijtingsprocedure het Parlement ertoe heeft genoodzaakt geen kwijting te verlenen aan de secretaris-generaal van de Raad;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de Europese Raad en de Raad, als instellingen van de Unie en ontvangers van middelen uit de algemene begroting van de Unie, transparant moeten zijn, een democratische verantwoordingsplicht moeten hebben tegenover de burgers van de Unie en onderworpen moeten zijn aan democratische controle op de uitgave van overheidsmiddelen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de Europese Ombudsman (hierna de “Ombudsman”) in haar aanbeveling inzake strategisch onderzoek OI/2/2017/TE naar de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad aangaf dat de werkwijzen van de Raad met betrekking tot transparantie in het wetgevingsproces neerkomen op wanbeheer en moeten worden gewijzigd om de burgers in staat te stellen het wetgevingsproces van de Unie te volgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie het recht van belastingbetalers en van het publiek wordt bevestigd om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten, en dat het Gerecht in zijn arrest van 25 januari 2023 in zaak T-163/21<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Gerecht van 25 januari 2023, De Capitani/Raad, T‑163/21, ECLI:EU:T:2023:15.</FIELD></FOOTNOTE>, De Capitani/Raad, met betrekking tot transparantie binnen het wetgevingsproces van de Unie heeft verklaard dat de documenten die de Raad in zijn werkgroepen opstelt, niet van technische maar van wetgevende aard zijn en bijgevolg onderworpen zijn aan verzoeken om toegang tot documenten;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>betreurt ten zeerste dat de Raad sinds 2009 en opnieuw voor het begrotingsjaar 2022 blijft weigeren met het Parlement samen te werken aan de kwijtingsprocedure, waardoor het Parlement geen gefundeerd besluit kan nemen op basis van een serieuze en grondige controle van de uitvoering van de begroting van de Raad en waardoor het Parlement genoodzaakt is geen kwijting te verlenen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>merkt op dat de betrokken diensten van het Parlement op 28 september 2023, namens de rapporteur voor de kwijtingsprocedure, een vragenlijst aan het secretariaat van de Raad hebben toegezonden met 74 vragen die voor het Parlement belangrijk zijn om een grondige controle van de uitvoering van de begroting van de Raad en van het beheer van de Raad mogelijk te maken; merkt verder op dat soortgelijke vragenlijsten zijn toegezonden aan alle andere instellingen, die het Parlement uitgebreid antwoord op alle vragen hebben gegeven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>betreurt dat het secretariaat-generaal van de Raad het Parlement op 12 oktober 2023 opnieuw heeft meegedeeld dat het de vragenlijst van het Parlement niet zou beantwoorden en dat de Raad niet zou deelnemen aan de hoorzitting van 25 oktober 2023 in het kader van de kwijtingsprocedure waaraan alle andere uitgenodigde instellingen wel hebben deelgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>wijst op het prerogatief van het Parlement om kwijting te verlenen overeenkomstig artikel 319 VWEU en de toepasselijke bepalingen in het Financieel Reglement en het Reglement van het Parlement, in overeenstemming met de tot nu toe gehanteerde interpretatie en praktijk, namelijk de bevoegdheid om kwijting te verlenen teneinde transparantie te bieden en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>onderstreept dat in artikel 59, lid 1, van het Financieel Reglement is bepaald dat de Commissie de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toekent die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting, en vindt het bijgevolg onbegrijpelijk dat de Raad het passend acht dat de Commissie kwijting wordt verleend voor de uitvoering van de begroting van de Raad;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>wijst op de gevestigde en erkende praktijk die het Parlement gedurende bijna twintig jaar heeft gevolgd om kwijting te verlenen aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie; herinnert eraan dat de Commissie heeft verklaard dat zij niet in staat is toezicht te houden op de uitvoering van de begroting van de andere instellingen van de Unie; beklemtoont dat de Commissie meermaals te kennen heeft gegeven dat de praktijk om aan alle instellingen van de Unie kwijting te verlenen voor hun administratieve uitgaven door het Parlement moet worden voortgezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>benadrukt dat de huidige situatie enkel toelaat dat het Parlement de verslagen van de Rekenkamer en de Ombudsman controleert, alsmede de openbaar beschikbare informatie op de website van de Raad, aangezien de Raad zijn wanpraktijk om niet samen te werken met het Parlement voortzet, waardoor het voor het Parlement onmogelijk is zijn taken goed uit te voeren en een gefundeerd besluit te nemen over het verlenen van kwijting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>betreurt het dat de Raad al meer dan tien jaar geen enkele politieke wil toont om in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure samen te werken met het Parlement; beklemtoont dat deze houding een blijvend negatief effect heeft op beide instellingen en op het vertrouwen van burgers in de Unie als transparante organisatie, en het beheer van en de democratische controle op de begroting van de Unie in diskrediet heeft gebracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>wijst nogmaals op zijn diepe frustratie over de houding van de Raad ten aanzien van de kwijtingsprocedure, waarmee een verkeerde boodschap wordt gegeven aan de burgers van de Unie in een tijd waarin meer transparantie van essentieel belang is; onderstreept dat voor de Raad dezelfde standaarden op het vlak van de verantwoordingsplicht moeten gelden als die waarvan de Raad verwacht dat andere instellingen van de Unie zich eraan houden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>benadrukt dat alle andere instellingen van de Unie het beginsel erkennen en begrijpen dat het Parlement, gezien de bevoegdheidsdelegatie betreffende de uitvoering van de begroting, zowel het recht als de plicht heeft om hun begrotingen en de uitvoering daarvan te controleren in het kader van de kwijtingsprocedure; spreekt in die context zijn sterke afkeuring uit over het feit dat de Raad volhardt in zijn weigering om in dit verband met het Parlement samen te werken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>herhaalt dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie steun te vinden is voor het recht van belastingbetalers en het publiek om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten; eist daarom volledige eerbiediging van het prerogatief van het Parlement en zijn rol als hoeder van het beginsel van democratische verantwoordingsplicht; verzoekt de Raad naar behoren gevolg te geven aan de aanbevelingen die het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure heeft aangenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>benadrukt dat een herziening van de Verdragen de kwijtingsprocedure duidelijker en transparanter zou kunnen maken door het Parlement de uitdrukkelijke bevoegdheid te geven om aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie afzonderlijk kwijting te verlenen; onderstreept echter dat, in afwachting van een dergelijke herziening, de huidige situatie moet worden verbeterd door middel van betere interinstitutionele samenwerking binnen het huidige kader van de Verdragen, en dringt er bij de Raad op aan actief samen te werken met het Parlement om de huidige situatie recht te zetten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>verzoekt de Raad de onderhandelingen met het Parlement op het hoogste niveau zo snel mogelijk te hervatten en daarbij de secretarissen-generaal en de voorzitters van beide instellingen te betrekken, om de impasse te doorbreken en een oplossing te vinden met inachtneming van de respectieve rollen van het Parlement en de Raad in de kwijtingsprocedure en met waarborging van transparantie en behoorlijke democratische controle op de uitvoering van de begroting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>betreurt dat de Raad geen voorbereidingen heeft getroffen om te voorkomen dat het voorzitterschap van de Raad zou worden overgenomen door een lidstaat waartegen een artikel 7-procedure loopt, met als gevolg dat het voorzitterschap van de Raad door de Hongaarse regering wordt misbruikt en dat het beginsel van loyale samenwerking wordt geschonden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>benadrukt dat de opmerkingen van het Parlement over politieke prioriteiten (waaronder het gebrek aan bindende richtlijnen voor commerciële sponsoring van het roterend voorzitterschap van de Raad), begrotings- en financieel beheer, intern beheer, prestaties en interne controle, personele middelen, gelijkheid (bijvoorbeeld scheve genderverhoudingen) en personeelswelzijn, ethisch kader en transparantie, digitalisering, cyberbeveiliging en gegevensbescherming, gebouwen, milieu en duurzaamheid, interinstitutionele samenwerking en communicatie uit zijn kwijtingsresolutie van 23 april 2024 nog steeds relevant zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>wijst er nogmaals op dat het gebruik van de stemprocedure met eenparigheid van stemmen in de Raad op bepaalde beleidsterreinen het besluitvormingsproces van de Unie verlamt en het dus ook vatbaar maakt voor chantage door lidstaten, met name door lidstaten die de rechtsstaat niet eerbiedigen.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>