<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF2" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2024)0035</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">VN-klimaatconferentie 2024 in Bakoe, Azerbeidzjan</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(B10-0156/2024)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2024 over de VN-klimaatconferentie 2024 in Bakoe, Azerbeidzjan (COP29) (2024/2718(RSP))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Kyotoprotocol,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP21) van 12 december 2015 in Parijs werd aangenomen (de Overeenkomst van Parijs),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de 28e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP28), de 18e bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen fungerend als de vergadering van de Partijen bij het Kyotoprotocol (CMP18), de 5e bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen fungerend als de vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs (CMA5), en het klimaatpact van Glasgow dat op de 26e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP26) van 13 november 2021 werd aangenomen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst die tijdens de 27e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP27) is bereikt om een specifiek verlies- en schadefonds op te richten (“loss and damage” – L&amp;D), de oprichting tijdens de COP28 van een overgangscomité met betrekking tot de operationalisering van de nieuwe financieringsregelingen in het kader van L&amp;D, en het netwerk van Santiago voor verlies en schade,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 21 november 2023 over de VN-klimaatconferentie 2023 in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten (COP28)<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/4210, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4210/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 25 april 2024 over Azerbeidzjan, met name de repressie van het maatschappelijk middenveld en de zaken van dr. Gubad Ibadoghlu en Ilhamiz Guliyev<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P9_TA(2024)0369.</FIELD></FOOTNOTE>, en alle andere resoluties die het al over Azerbeidzjan heeft aangenomen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 juni 2023 over de tenuitvoerlegging en verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/493, 23.1.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/493/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het speciaal rapport van 2018 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over de opwarming van de aarde met 1,5 °C, het speciaal IPCC-rapport over de klimaatverandering en de bodem, het speciaal IPCC-rapport over de oceanen en de cryosfeer in een veranderend klimaat, en het zesde IPCC-evaluatierapport (AR6),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering van 18 januari 2024 getiteld “Naar klimaatneutraliteit in de EU: voortgang, beleidshiaten en kansen” en haar rapport van 15 juni 2023 getiteld “Wetenschappelijk advies ten behoeve van de vaststelling van een klimaatdoelstelling voor de hele EU voor 2040 en een broeikasgasbegroting voor 2030‑2050”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de onlangs aangenomen EU-wetgeving waarin de doelstelling van de EU is opgenomen om de netto-uitstoot voor het einde van 2030 met ten minste 55 % terug te dringen ten opzichte van het niveau van 1990, en om de bindende doelstelling van de EU om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken (het “Fit for 55”-pakket), te vertalen naar concreet beleid voor verschillende sectoren,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030 (“8e MAP”), alsmede het monitoringverslag van 2023 van het Europees Milieuagentschap over de voortgang met betrekking tot de doelstellingen van het 8e MAP en de tussentijdse evaluatie van het 8e MAP door de Commissie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu<FOOTNOTE><FIELD> PB C 232 van 16.6.2021, blz. 28.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2024 getiteld “Onze toekomst veiligstellen — De klimaatdoelstelling voor Europa voor 2040 en de weg naar klimaatneutraliteit tegen 2050 met het oog op de totstandbrenging van een duurzame, rechtvaardige en welvarende samenleving” (COM(2024)0063),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 12 maart 2024 getiteld “Klimaatrisico’s beheren — De bevolking en de welvaart beschermen” (COM(2024)0091),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 24 februari 2021 getiteld “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen – de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering” (COM(2021)0082),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 17 december 2020 over de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering<FOOTNOTE><FIELD> PB C 445 van 29.10.2021, blz. 156.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Emissions Gap Report 2023 van het milieuprogramma van de VN (UNEP) van 20 november 2023 getiteld “Een plaat die blijft hangen — Temperaturen waren nog nooit zo hoog, maar de wereldwijde emissies zijn (opnieuw) niet afgenomen”, het Adaptation Gap Report 2023 van het UNEP van 2 november 2023 getiteld “Gebrek aan financiering, gebrek aan voorbereiding — Ontoereikende investeringen en planning voor klimaatadaptatie behelzen wereldwijd een risico” en het Production Gap Report 2023 van het UNEP van 8 november 2023 getiteld “Afbouwen of opvoeren? De grootste fossiele-brandstofproducenten maken plannen voor nog meer fossiele-brandstofwinning, ondanks klimaatbeloftes”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het samenvattend rapport van 14 november 2023 in het kader van het UNFCCC over nationaal bepaalde bijdragen (NDC’s) uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de samenvatting van het tweede rapport van de Independent High Level Expert Group on Climate Finance van november 2023 getiteld “Een kader voor klimaatfinanciering: resoluut handelen om resultaat te boeken op basis van de Overeenkomst van Parijs”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het UNEP-rapport van 1 december 2023 getiteld “Blik op methaan: International Methane Emissions Observatory — Rapport 2023” en het UNEP-rapport van 6 mei 2021 getiteld “Global Methane Assessment: Voordelen en kosten van het beperken van de methaanuitstoot”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport Global Methane Tracker 2024 van maart 2024, gepubliceerd door het Internationaal Energieagentschap,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 over een EU-strategie om methaanemissies terug te dringen (COM(2020)0663),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag over de resultaten van de strategische dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU, getiteld “A shared prospect for farming and food in Europe”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 21 oktober 2021 over een EU-strategie om methaanemissies terug te dringen<FOOTNOTE><FIELD> PB C 184 van 5.5.2022, blz. 105.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van de Wereld Meteorologische Organisatie van 19 maart 2024 over de toestand van het klimaat in de wereld in 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport Global Climate Highlights 2023 van de dienst van Copernicus voor klimaatverandering,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het wereldregister van uitstoot en reserves van fossiele brandstoffen (Global Registry of Fossil Fuel Emissions and Reserves),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het UNEP-rapport van 18 februari 2021 getiteld “Making Peace with Nature: a scientific blueprint to tackle the climate, biodiversity and pollution emergencies” (Vrede sluiten met de natuur: een wetenschappelijke blauwdruk om de noodsituaties op het gebied van klimaat, biodiversiteit en verontreiniging aan te pakken),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het mondiaal evaluatierapport van 25 november 2019 over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming‑Montreal, overeengekomen tijdens de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van de VN inzake biologische diversiteit (COP15),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen<FOOTNOTE><FIELD> PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de door het IPBES-IPCC medegefinancierde workshop van 10 juni 2021 over biodiversiteit en klimaatverandering,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 6 oktober 2022 over het momentum om oceaangovernance en biodiversiteit te versterken<FOOTNOTE><FIELD> PB C 132 van 14.4.2023, blz. 106.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de in het kader van het VN-Verdrag inzake het recht van de zee gesloten overeenkomst van 19 juni 2023 inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (“Biodiversity Beyond National Jurisdiction Agreement”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 28 april 2021 over bodembescherming<FOOTNOTE><FIELD> PB C 506 van 15.12.2021, blz. 38.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van het Europees Milieuagentschap (EEA) van 4 december 2019 getiteld “Het milieu in Europa — Huidige staat en prognose 2020”, de EEA-evaluatie van 8 september 2022 van het potentieel van Europese bodems voor krachtigere klimaatactie, en de eerste Europese klimaatrisicobeoordeling van het EEA van 11 maart 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 16 september 2020 over maatregelen van de EU om de bossen wereldwijd te beschermen en te herstellen<FOOTNOTE><FIELD> PB C 385 van 22.9.2021, blz. 10.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 september 2022 over de gevolgen van droogte, branden en andere extreme weerfenomenen: meer inspanningen van de EU om klimaatverandering tegen te gaan<FOOTNOTE><FIELD> PB C 125 van 5.4.2023, blz. 135.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het World Water Development Report van de VN van 9 mei 2023 over partnerschappen en samenwerking op het vlak van water en de VN-Waterconferentie die werd gehouden van 22 tot 24 maart 2023 en die sinds 1977 de eerste grote conferentie van de VN was die geheel in het teken stond van water,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de resolutie van de Milieuvergadering van de VN van 1 maart 2024 over doeltreffende en inclusieve oplossingen voor de versterking van het waterbeleid met het oog op duurzame ontwikkeling in de context van klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en verontreiniging,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 5 oktober 2022 over toegang tot water als mensenrecht – de externe dimensie<FOOTNOTE><FIELD> PB C 132 van 14.4.2023, blz. 54.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het World Water Development Report van de VN van 2019, getiteld “Leaving No One Behind”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het World Water Development Report van de VN van 2024 van de VN getiteld “Water for prosperity and peace”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2020 getiteld “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie Voor een schoner en concurrerender Europa” (COM(2020)0098),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 10 februari 2021 over het nieuwe actieplan voor de circulaire economie<FOOTNOTE><FIELD> PB C 465 van 17.11.2021, blz. 11.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het mondiaal kader voor chemische stoffen – voor een planeet zonder schade door chemische stoffen en afval van het UNEP, gepubliceerd in maart 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 23 november 2020 getiteld “Bijgewerkte analyse van de niet-CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>‑klimaateffecten van de luchtvaart en mogelijke beleidsmaatregelen uit hoofde van artikel 30, lid 4, van de richtlijn betreffende het EU-systeem inzake emissiehandel” (COM(2020)0747),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van juni 2023 van het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie, getiteld “Mondiale energietransities — Prognose 2023. De 1,5 °C‑route”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van het Internationaal Energieagentschap (IEA) van mei 2021 getiteld “Netto-nul in 2050 — een routekaart voor de mondiale energiesector” en de geactualiseerde versie van september 2023 getiteld “Routekaart naar netto-nul: een mondiale route om de 1,5 °C‑doelstelling binnen bereik te houden”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het speciaal rapport van de IEA van mei 2024 getiteld “Strategieën voor betaalbare en eerlijke schone-energietransities” en het IEA-rapport van juni 2024 getiteld “De COP28-belofte van een verdriedubbeling van de capaciteit voor hernieuwbare energie. Ambities van de landen en beleid waarmee de kloof kan worden overbrugd”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het VN-kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015‑2030,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van 2023 van het Bureau van de Verenigde Naties voor rampenrisicovermindering (UNDRR) over de tussentijdse evaluatie van de uitvoering van het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Global Assessment Report van het UNDRR van 2023 over de beperking van het risico op rampen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 20 december 2023 over klimaatverandering en gezondheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 juni 2023 over een Europese dag voor de slachtoffers van de mondiale klimaatcrisis<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/488, 23.1.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/488/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van 7 juni 2023 getiteld “Gevolgen van klimaatverandering voor defensie-gerelateerde kritieke energie-infrastructuur”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het strategisch kompas voor veiligheid en defensie dat op 21 maart 2022 door de Raad werd goedgekeurd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de routekaart voor klimaatverandering en defensie van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van november 2020,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 7 juni 2022 over de routekaart van de EDEO voor klimaatverandering en defensie<FOOTNOTE><FIELD> PB C 493 van 27.12.2022, blz. 19.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies die op 25 maart 2022 tijdens de 66e zitting van de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw zijn aangenomen, getiteld “Gendergelijkheid en de empowerment van alle vrouwen en meisjes in de context van klimaatverandering, beleid en programma’s voor milieu- en rampenrisicovermindering”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van de speciale rapporteur van de VN van 26 juli 2022 over de bevordering en bescherming van de mensenrechten in de context van klimaatverandering,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien resolutie 41/21 van de VN-Mensenrechtenraad van 12 juli 2019 getiteld “Mensenrechten en klimaatverandering”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 en algemene opmerking nr. 26 van 22 augustus 2023 van het VN-Comité inzake de rechten van het kind over kinderrechten en het milieu, met een speciale focus op klimaatverandering,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de EU-strategie inzake de rechten van het kind van 2021,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van de speciale rapporteur van de VN voor de rechten van inheemse volken van 1 november 2017 over de gevolgen van klimaatverandering en klimaatfinanciering voor de rechten van inheemse volken en de verklaring van Stockholm +50 over inheemse volken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het tweede verslag van het UNFCCC van 29 januari 2024 betreffende het vaststellen van de behoeften van Partijen die ontwikkelingslanden zijn met betrekking tot de uitvoering van het Verdrag en de Overeenkomst van Parijs,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de resultaten van de top voor een nieuw mondiaal financieringspact van juni 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het gemeenschappelijk kader voor schuldbehandeling van de G20 in aanvulling op het Debt Service Suspension Initiative,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Speciaal verslag 04/2023 van de Europese Rekenkamer van 15 februari 2023 getiteld “Het Wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering + — De resultaten bleven achter bij de ambities” en Speciaal verslag 18/2023 van 26 juni 2023 getiteld “De klimaat- en energiedoelstellingen van de EU — De streefcijfers voor 2020 zijn verwezenlijkt, maar weinig wijst erop dat de maatregelen voor het bereiken van de streefcijfers voor 2030 volstaan”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 17 oktober 2023 over de voorbereidingen voor de 28e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP28) in Dubai, 30 november-12 december 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 14 oktober 2024 over de voorbereidingen voor de 29e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP29) in Bakoe, 11-22 november 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 8 oktober 2024 over klimaatfinanciering met het oog op de VN-klimaatconferentie van 2024 (COP29) van 11 tot en met 22 november 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de vragen aan de Commissie en aan de Raad over de VN-klimaatconferentie 2024 in Bakoe, Azerbeidzjan (COP29) (O‑0010/2024 – B10‑0104/2024 en O‑0009/2024 – B10‑0105/2024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 142, lid 5, en artikel 136, lid 2, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het Europees Parlement een noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu heeft afgekondigd en zich ertoe heeft verbonden deze dreiging met spoed te bestrijden en beheersen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de Overeenkomst van Parijs op 4 november 2016 in werking is getreden; overwegende dat tot op heden 193 staten plus de EU zich hebben aangesloten bij de overeenkomst, die meer dan 98 % van de wereldwijde uitstoot vertegenwoordigen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat, volgens het Emissions Gap Report 2023 van het UNEP een volledige uitvoering van de onvoorwaardelijke NDC’s die in het kader van de Overeenkomst van Parijs voor 2030 werden vastgesteld, de wereld op koers zou zetten om de temperatuurstijging deze eeuw te beperken tot 2,9 °C; overwegende dat een volledige uitvoering van de voorwaardelijke NDC’s de temperatuurstijging zou verlagen tot 2,5 °C;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat in het samenvattend rapport van het UNFCCC van 2023 over NDC’s wordt gesteld dat de totale wereldwijde uitstoot van broeikasgassen in 2030 naar verwachting 2 % onder het niveau van 2019 zal liggen; overwegende dat de eerste mondiale inventarisatie (GST) die in 2023 tijdens de COP28 is afgerond, benadrukt dat het van cruciaal belang is de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 ºC om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering aanzienlijk te beperken; overwegende dat de kans om onder 1,5 °C te blijven in een alarmerend tempo kleiner wordt; overwegende dat de emissies nog steeds stijgen en dat de emissiekloof groter wordt; overwegende dat de IPCC concludeert dat in scenario’s waarin de opwarming beperkt blijft tot 1,5 °C, de broeikasgasemissies tegen 2030 43 % onder het niveau van 2019 moeten liggen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat zes van de negen planetaire grenzen, zoals gedefinieerd door het Stockholm Resilience Centre, zijn overschreden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in de mededeling van de Commissie COM(2024)0063 een klimaatdoelstelling voor 2040 is vastgesteld; overwegende dat nieuwgekozen voorzitter Ursula von der Leyen heeft toegezegd om in haar politieke richtsnoeren voor de nieuwe Commissie een klimaatdoelstelling voor 2040 voor te stellen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de EU en haar lidstaten op 16 oktober 2023 hun geactualiseerde NDC hebben ingediend waarin zij zich ertoe verbinden hun netto-broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van 1990, waarmee zij een van de mondiale leiders op het gebied van klimaatactie blijven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de Verenigde Staten goed zijn voor 24,1 % van de wereldwijde cumulatieve CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-emissies, de EU‑27 voor 16,7 %, China voor 14,7 %, Rusland voor 6,7 % en het VK voor 4,5 %;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat een collectieve inspanning van alle Partijen nodig is om de mondiale klimaatdoelstellingen te halen; overwegende dat de emissies van de EU goed zijn voor ongeveer 6,1 % van alle emissies wereldwijd, terwijl het aandeel van de EU in de wereldbevolking 5,7 % bedraagt<FOOTNOTE><FIELD> Mededeling van de Commissie van 31 oktober 2024 getiteld “Voortgangsverslag 2024 over klimaatactie in de EU” (COM(2024)0498)</FIELD></FOOTNOTE>, <FOOTNOTE><FIELD> Milieuprogramma van de VN, “Emissions Gap Report 2024”.</FIELD></FOOTNOTE>, <FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, Emissions Database for Global Atmospheric Research (Edgar), <STRING ITALIC="on">Broeikasgasemissies van alle landen ter wereld – 2024</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat decarbonisatie in de EU alleen niet zal volstaan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de communautaire databank voor broeikasgassen, de Emissions Database for Global Atmospheric Research (EDGAR), laat zien dat de grootste opkomende economieën, zoals China, India en Brazilië, in 2023 meer zijn gaan uitstoten, terwijl alle sectoren in de EU27 een daling van hun broeikasgasemissies ten opzichte van 2022 lieten optekenen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat in de eerste mondiale inventarisatie (“global stocktake” – GST), die in 2023 tijdens de COP28 werd afgerond, werd benadrukt dat de onderling verbonden mondiale crises van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies dringend moeten worden aangepakt in de bredere context van de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, en dat het voor duurzame klimaatactie van vitaal belang is om natuur en ecosystemen te beschermen, in stand te houden, te herstellen en duurzaam te gebruiken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat water een fundamentele hulpbron is voor het menselijk leven, economische activiteiten, waaronder landbouw, en ecosystemen; overwegende dat watergerelateerde uitdagingen, waaronder waterverontreiniging en waterschaarste, toenemen; overwegende dat water een belangrijk medium is waardoor de klimaatverandering gevolgen heeft voor samenlevingen en ecosystemen, en omgekeerd, onder meer door droogte, overstromingen, waterschaarste en veranderende neerslagpatronen die sterker worden en vaker voorkomen; overwegende dat dit de gevolgen van de klimaatverandering en de risico’s ervan voor de biodiversiteit, de veerkracht van ecosystemen, de landbouw, de voedsel- en energiezekerheid en de menselijke basisbehoeften verergert en tegelijkertijd een bedreiging vormt voor de moeizaam bereikte ontwikkelingsresultaten en voor de groene transitie, alsook voor de mensenrechten en de vrede; overwegende dat 1,42 miljard mensen wonen in gebieden met een hoge of extreem hoge kwetsbaarheid op het gebied van water; overwegende dat een klimaatbestendig beheer van water en sanitaire voorzieningen een fundamenteel onderdeel is van de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering; overwegende dat de talrijke ecosysteemdiensten die water levert, moeten worden gewaarborgd, onder meer door waterplanning en ‑beheer, investeringen in watergerelateerde innovatie, met inbegrip van energie- en waterefficiëntie, hergebruik en het herstel en de bescherming van zoetwaterecosystemen; overwegende dat waterbeheer nauw verband houdt met ander beleid, hetgeen vraagt om beleidscoherentie en maatregelen op het niveau van hele stroomgebieden, met de toepassing van op de natuur gebaseerde oplossingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat bodems het grootste terrestrische koolstofreservoir vormen en dat gezonde bodems de veerkracht versterken en de kwetsbaarheid voor klimaatverandering verminderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat bossen een essentiële rol spelen bij de aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering; overwegende dat het stoppen van ontbossing, het intensiveren van bosbescherming, bebossing en herbebossing, en een verantwoord gebruik van grondstoffen tot de belangrijkste mitigatiemaatregelen behoren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat de gevolgen van hitte erger kunnen zijn in steden, waar meer dan de helft van de wereldbevolking woont, als gevolg van het stedelijk warmte-eilandeffect; overwegende dat hittegolven leiden tot een hoger energieverbruik, een lagere arbeidsproductiviteit en grotere gezondheidsrisico’s, waardoor het aantal sterfgevallen als gevolg van hittegolven toeneemt; overwegende dat natuurlijke oplossingen, de integratie van groene infrastructuur en de installatie van natuurlijke beschaduwing de temperaturen in steden helpen te verlagen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat in het zesde evaluatierapport van de IPCC en het wetenschappelijk advies van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering ten behoeve van de vaststelling van een klimaatdoelstelling voor de hele EU voor 2040 en een broeikasgasbegroting voor 2030-2050 duidelijk wordt gesteld dat de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs en het bereiken van broeikasgasneutraliteit in de eerste plaats een ingrijpende, snelle en duurzame vermindering van de CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-, methaan- en andere broeikasgasemissies vereisen, alsook grootschalige koolstofverwijderingen, zowel op land gebaseerde als technologische;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat slechts 14 landen het non-proliferatieverdrag inzake fossiele brandstoffen hebben onderschreven, waaronder niet één EU-lidstaat;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat volgens het IEA-rapport getiteld “Tripling Renewable Capacity Pledge: Tracking countries’ ambitions” de in de NDC’s opgenomen toezeggingen voor de uitrol van hernieuwbare energie tegen 2030 slechts zullen leiden tot de verwezenlijking van 12 % van de doelstelling om de capaciteit voor hernieuwbare energie te verdrievoudigen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat de oceaan de grootste koolstofput ter wereld is en de overtollige warmte en energie absorbeert die vrijkomen als gevolg van de toenemende uitstoot van broeikasgassen; overwegende dat de mariene biodiversiteit ernstig in gevaar is, ondanks het feit dat de oceaan een unieke rol speelt en van vitaal belang is als klimaatregulerend mechanisme; overwegende dat de aantasting van mariene ecosystemen zoals koraalriffen, mangroven en zeegrasvelden het vermogen van de oceaan om koolstof vast te leggen en zich aan te passen aan de klimaatverandering verzwakt, waardoor de gevolgen voor het klimaat verergeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat methaan verantwoordelijk is voor ongeveer 30 % van de stijging van de mondiale temperaturen sinds de industriële revolutie; overwegende dat een snelle en duurzame vermindering van de methaanemissies van cruciaal belang is om de opwarming van de aarde op korte termijn te beperken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat het IEA heeft geraamd dat, om onder een temperatuurstijging van 1,5 °C te blijven, de methaanemissies van fossiele brandstoffen tegen 2030 met 75 % verminderd moeten zijn, en erop heeft gewezen dat de toezeggingen die landen en bedrijven tot nu toe hebben gedaan, slechts zouden leiden tot een vermindering van 50 %, waarbij de meeste toezeggingen nog niet door uitvoeringsplannen worden ondersteund;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat uit de zevende OESO-beoordeling van de vooruitgang in de richting van de UNFCCC-doelstelling inzake klimaatfinanciering blijkt dat de ontwikkelde landen in 2022 in totaal 115,9 miljard USD aan klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden hebben verstrekt, hetgeen nog steeds veel minder is dan nodig;</P></CONS><CONS><P><NO.P>W.</NO.P>overwegende dat in het eerste verslag van het UNFCCC betreffende het vaststellen van de behoeften van Partijen die ontwikkelingslanden zijn, staat dat uit de door deze partijen ingediende nationale verslagen blijkt dat de kosten om te voorzien in hun behoeften in verband met de uitvoering van het Kaderverdrag en de Overeenkomst van Parijs, cumulatief 5,8 tot 5.9 biljoen USD bedragen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>X.</NO.P>overwegende dat in het Adaptation Gap Report 2023 van het UNEP wordt benadrukt dat de huidige financieringskloof voor aanpassing wordt geraamd op 194 tot 366 miljard USD per jaar, een kloof die groter zal worden naarmate de klimaateffecten verergeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Y.</NO.P>overwegende dat de huidige klimaatfinancieringsdoelstelling van 100 miljard USD per jaar tot 2025 wordt gefinancierd door Partijen die bij de ondertekening van het UNFCCC in 1992 als geïndustrialiseerd werden aangemerkt; overwegende dat deze classificering niet langer op adequate wijze de respectieve financiële capaciteiten van landen en hun cumulatieve historische emissies weerspiegelt, die sindsdien aanzienlijk zijn geëvolueerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Z.</NO.P>overwegende dat het in overeenstemming brengen van de wereldwijde financieringsstromen met een traject naar een klimaatneutrale en klimaatbestendige economie een essentieel doel is voor de groene transitie in overeenstemming met artikel 2 van de Overeenkomst van Parijs;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AA.</NO.P>overwegende dat in het eerste verslag in het kader van de Europese klimaatrisicobeoordeling (EUCRA) wordt geconcludeerd dat sommige klimaatrisico’s in Europa zich nu al op een kritiek niveau bevinden, terwijl vele andere risico’s in de loop van deze eeuw een kritiek of zelfs catastrofaal niveau kunnen bereiken, met als gevolg schade aan het concurrentievermogen van economieën en bedrijven, het geopolitieke landschap, de beroepsbevolking en de sociale cohesie; overwegende dat in het EUCRA-verslag wordt aanbevolen de huidige en toekomstige klimaatrisico’s in vrijwel alle beleidsterreinen te integreren, met maatregelen op zowel EU- als nationaal niveau;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AB.</NO.P>overwegende dat de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering benadrukt dat schadelijke subsidies voor fossiele brandstoffen in de hele EU dringend en volledig moeten worden afgeschaft; overwegende dat in het 8e MAP de vaststelling wordt geëist van een deadline voor de afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen, conform de ambitie om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graden; overwegende dat in het monitoringverslag van 2023 van het Europees Milieuagentschap over de voortgang met betrekking tot de doelstellingen van het 8e MAP wordt benadrukt dat de meeste lidstaten geen concrete plannen hebben over hoe en wanneer ze de subsidies voor fossiele brandstoffen willen afschaffen; overwegende dat dit van cruciaal belang is om de overgang naar hernieuwbare energie te versnellen, te zorgen voor een eerlijke toewijzing van middelen en de klimaatdoelstellingen van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs te halen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AC.</NO.P>overwegende dat er een wetenschappelijk aangetoond verband bestaat tussen gezondheid en de milieu- en de klimaatcrisis; overwegende dat de meest kwetsbare bevolkingsgroepen onevenredig zwaar worden getroffen door de gevolgen van de klimaatverandering en een groter risico lopen op voedsel- en wateronzekerheid, gezondheidsbedreigingen, ontheemding en verlies van bestaansmiddelen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AD.</NO.P>overwegende dat de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne niet alleen een grove schending van het internationaal recht inhoudt, massaal verlies van mensenlevens veroorzaakt en enorme schade berokkent aan burgers, maar ook de broodnodige actie tegen klimaatverandering vertraagt en tot onmiddellijke en langdurige aantasting van het milieu leidt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AE.</NO.P>overwegende dat klimaatverandering steeds meer een belangrijke oorzaak is van migratie en ontheemding, waarbij miljoenen mensen gedwongen worden hun huizen te ontvluchten vanwege de stijgende zeespiegel, extreme weersomstandigheden, droogte en schaarste van hulpbronnen; overwegende dat tegen 2050 mogelijk tot wel 216 miljoen mensen interne klimaatmigranten zullen zijn in de regio’s Afrika, Latijns-Amerika, Azië en het Stille Oceaangebied en Oost-Europa<FOOTNOTE><FIELD> Wereldbank, <STRING ITALIC="on">Groundswell Part 2: Acting on Internal Climate Migration</STRING>, Washington, DC, 2021.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De mondiale inventarisatie en COP29 in Bakoe</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is tevreden met het resultaat van de eerste GST tijdens de COP28, waarin wordt erkend dat trajecten die de opwarming van de aarde beperken tot 1,5 °C zonder of met een beperkte overschrijding en tot 2°C vereisen dat de wereldwijde broeikasgasemissies uiterlijk in 2025 pieken, en waarin wordt erkend dat het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C zonder of met een beperkte overschrijding een grondige, snelle en duurzame vermindering van de wereldwijde broeikasgasemissies met 43 % tegen 2030 en 60 % tegen 2035 ten opzichte van het niveau van 2019 vereist, waarbij de broeikasgasemissies tegen 2050 tot nul moeten zijn teruggebracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>is verheugd over de belangrijkste toezeggingen en maatregelen die de EU op de COP28 heeft aangekondigd om de mondiale klimaatambitie aanzienlijk op te voeren; dringt er bij alle partijen op aan te zorgen voor follow-up door middel van een ambitieuze uitvoering en door opschaling van de nationaal bepaalde maatregelen; benadrukt dat alle grote uitstoters en de G20-landen bijzondere verantwoordelijkheid dragen en het voortouw moeten nemen; benadrukt dat collectieve inspanningen en verdere maatregelen van alle landen nodig zijn, met name van alle grote en opkomende economieën; dringt er bij de EU en gelijkgestemde partners op aan met alle partijen samen te werken om tijdens de COP29 tot een succesvol resultaat te komen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>steunt de oproep van de COP28 aan de Partijen bij het UNFCCC om bij te dragen aan de wereldwijde inspanningen om tegen 2030 de capaciteit voor hernieuwbare energie wereldwijd te verdrievoudigen en het wereldwijde gemiddelde jaarlijkse verbeteringspercentage van de energie-efficiëntie te verdubbelen; dringt er bij alle Partijen op aan om concrete streefcijfers en beleidsmaatregelen vast te stellen om deze doelstellingen te halen en deze in hun NDC’s tot uiting te laten komen; onderstreept hoe belangrijk het is dat de EU en de lidstaten een leidende rol spelen door de uitrol te versnellen en meer te investeren in infrastructuur voor hernieuwbare energie en door innovatie op het gebied van technologieën voor energieopslag te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>steunt de oproep van de COP28 aan de Partijen om de inspanningen voor de uitfasering van steenkoolenergie zonder emissiereductie te versnellen en op een rechtvaardige, ordelijke en billijke manier af te stappen van fossiele brandstoffen in energiesystemen, met het oog op versnelde actie in dit kritieke decennium, teneinde in overeenstemming met de wetenschap uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken; betreurt dat de wereldwijde energiegerelateerde CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-emissies in 2023 een nieuw recordniveau hebben bereikt; wenst dat tijdens de dialoog over de algemene inventarisatie een zitting wordt gewijd aan de uitdagingen waarmee landen worden geconfronteerd bij het beëindigen van de expansie van fossiele brandstoffen; herhaalt zijn oproep aan alle Partijen om te werken aan de ontwikkeling van een verdrag inzake de non-proliferatie van fossiele brandstoffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>merkt op dat de temperatuur van de oppervlaktelucht wereldwijd al met bijna 1,3 °C is gestegen ten opzichte van het pre-industriële niveau en dat 2023 en de zomer van 2024 wereldwijd en in Europa het warmste jaar, respectievelijk de warmste zomer ooit waren<FOOTNOTE><FIELD> Europees Milieuagentschap, “Economic losses from weather- and climate-related extremes in Europe”, oktober 2023.</FIELD></FOOTNOTE>; onderstreept dat door hittegolven, droogteperioden en bosbranden die alle records breken, in 2023 al ongeveer 0,6 % van het wereldwijde bruto binnenlands product verloren is gegaan, en dat extreme weer- en klimaatgebeurtenissen in Europa in de periode 1980-2022 tot een verlies van 650 miljard EUR hebben geleid; benadrukt dat de klimaatrisico’s nog groter zullen worden als de uitvoering van doeltreffende maatregelen voor de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering vertraging oploopt, wat zal leiden tot meer nog verlies en schade;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over de bevindingen in het Emissions Gap Report 2023 van het UNEP, namelijk dat een volledige uitvoering van de huidige onvoorwaardelijke NDC’s de wereld op schema zou brengen voor opwarming van de aarde met 2,9 °C, en dat een aanvullende uitvoering en voortzetting van voorwaardelijke NDC’s zou leiden tot een opwarming van de aarde met 2,5 °C tijdens deze eeuw; wijst erop dat dit traject ver verwijderd is van de doelstelling van 1,5 °C die alle Partijen bij de GST tijdens de COP28 zijn overeengekomen, waardoor de wereld op weg is naar een onomkeerbare klimaatverandering en de overschrijding van kritieke kantelpunten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>merkt op dat de huidige NDC’s van de Partijen gezamenlijk lang niet voldoen aan wat nodig is om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken; verzoekt alle Partijen zich aan het COP26-besluit betreffende gemeenschappelijke tijdschema’s te houden en in 2025 een NDC voor 2035 bekend te maken, en deze NDC binnen de in de Overeenkomst van Parijs vastgestelde termijn in te dienen; herinnert eraan dat alle Partijen dringend hun klimaatdoelstellingen en flankerende beleidsmaatregelen moeten opschalen om een snelle en rechtvaardige transitie naar klimaatneutrale economieën te bewerkstelligen en zich moeten blijven inspannen om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C, overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs en de resultaten van de eerste GST; verwelkomt de door de trojka van COP-voorzitters gelanceerde “Routekaart naar missie 1,5 °C”, die tot doel heeft de ambitie in de volgende ronde van NDC’s te stimuleren; wenst dat de dialoog over de algemene inventarisatie de Partijen ondersteunt bij de actualisering van hun NDC’s door instrumenten, methoden en sectorspecifieke richtsnoeren aan te reiken; benadrukt dat het belangrijk is dat de zevende beoordelingscyclus voor de volgende GST volledig en tijdig wordt afgerond;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>dringt er bij alle Partijen op aan om in hun volgende NDC’s voor 2035 ambitieuze, gekwantificeerde absolute – en dus geen relatieve – emissiereductiedoelstellingen voor de hele economie op te nemen, die alle broeikasgassen, sectoren en categorieën omvatten en afgestemd zijn op de doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C, op basis van de meest recente wetenschappelijke gegevens en in het licht van de verschillende nationale omstandigheden; benadrukt dat deze herziene NDC’s transparante mechanismen voor monitoring en verantwoording moeten omvatten om ervoor te zorgen dat de vooruitgang met betrekking tot nationale klimaatverbintenissen en streefcijfers per sector doeltreffend wordt gevolgd; onderstreept dat alle klimaatdoelstellingen duidelijk en transparant moeten zijn en verzoekt de Commissie als onderdeel van de doelstelling voor 2040 afzonderlijke subdoelstellingen voor te stellen voor bruto-emissiereducties, verwijderingen op het land en technologische verwijderingen; verzoekt ook alle andere Partijen in hun NDC’s dezelfde duidelijkheid te verschaffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>dringt er bij alle Partijen op aan om tijdens de COP29 constructief het gesprek aan te gaan om overeenstemming te bereiken over robuuste en strenge regels voor samenwerkingsmechanismen in het kader van artikel 6, dat bijdraagt tot de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, betrokkenheid van de particuliere sector bevordert en meer financiële en niet-financiële middelen voor klimaatactie helpt mobiliseren, waaronder maatregelen op het gebied van een vrijwillige koolstofmarkt en niet op de markt gebaseerde benaderingen; verzoekt de EU en haar lidstaten tijdens de onderhandelingen strikt een hoog niveau van klimaatintegriteit te verdedigen, op basis van de best beschikbare wetenschappelijke gegevens; benadrukt dat samenwerkingsmechanismen in het hoogste niveau van verantwoordingsplicht, monitoring en transparantie moeten voorzien, dubbeltellingen en mazen in de wetgeving die de klimaatambitie zouden kunnen uithollen, moeten voorkomen, reële en verifieerbare emissiereducties moeten bewerkstelligen en de transitie naar hernieuwbare energie moeten ondersteunen, met name in ontwikkelingslanden; benadrukt dat de verstrekking van financiering en andere niet op de markt gebaseerde steun voor de uitvoering van NDC’s herverdelend, duurzaam en op lange termijn voorspelbaar moet zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>dringt erop aan dat regels uit hoofde van artikel 6 met betrekking tot koolstofverwijdering de milieu-integriteit moeten waarborgen door strikte criteria vast te stellen voor kwantificering, additionaliteit en uitgangswaarden, aansprakelijkheid, bestendigheid, duurzaamheid en eerbiediging van de mensenrechten, en dat deze moeten worden toegepast met behulp van onafhankelijke certificering en controle, zoals bij het onlangs aangenomen certificeringskader van de EU; benadrukt dat er overeenkomstig het EU-kader een strikte scheiding moet worden aangebracht tussen tijdelijke en permanente verwijderingen; is verheugd dat er is overeengekomen dat het vermijden van emissies niet in aanmerking komt voor het genereren van kredieten uit hoofde van artikel 6 en dringt erop aan dat deze regel strikt wordt nageleefd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Internationale klimaatfinanciering en duurzame financiering</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>stelt vast dat de EU, haar lidstaten en de EIB samen de grootste verstrekkers van publieke klimaatfinanciering zijn en grofweg een derde van de wereldwijde publieke klimaatfinanciering voor hun rekening nemen, dat de totale Europese klimaatfinanciering in 2022 een recordbedrag van 28,5 miljard EUR uit publieke bronnen heeft bereikt – de helft via subsidies en de helft via andere instrumenten dan subsidies, met name leningen – en dat in totaal nog eens 11,9 miljard EUR aan particuliere financiering is gemobiliseerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>merkt op dat de ontwikkelde landen in 2022 in totaal 115,9 miljard USD aan klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden hebben verstrekt en gemobiliseerd, waarvan 69 % in de vorm van leningen en 28 % in de vorm van subsidies, en dat de jaarlijkse klimaatfinancieringsdoelstelling van het UNFCCC van 100 miljard USD daarmee voor het eerst is overschreden<FOOTNOTE><FIELD> OESO, “Climate Finance Provided and Mobilised by Developed Countries in 2013-2022”, 29 mei 2024.</FIELD></FOOTNOTE>; verzoekt de landen ervoor te zorgen dat de doelstelling van 100 miljard USD ook in 2025 wordt gehaald; herinnert aan het resultaat van de COP26, toen de ontwikkelde landen werden opgeroepen om hun collectieve financiering voor adaptatie tegen 2019 minstens te verdubbelen ten opzichte van 2025 teneinde in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs een evenwicht te bereiken tussen aanpassing en mitigatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>verzoekt alle Partijen tijdens de COP29 overeenstemming te bereiken over een nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling (new collective quantified goal – NCQG) inzake klimaatfinanciering voor de periode na 2025, die gebaseerd moet zijn op een wereldwijde inspanning en een verscheidenheid aan bronnen, instrumenten en kanalen, waaronder publieke, private en innovatieve financieringsbronnen; vraagt alle Partijen ervoor te zorgen dat in de NCQG op evenwichtige wijze aandacht wordt besteed aan mitigatie, adaptatie en verlies en schade, wat ook zou kunnen inhouden dat er afzonderlijke streefcijfers worden onderzocht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>herinnert eraan dat de NDC’s van veel ontwikkelingslanden afhankelijk zijn van internationale klimaatfinanciering; benadrukt daarom dat het verstrekken van adequate klimaatfinanciering essentieel is om de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken; stelt vast dat de behoefte aan klimaatfinanciering aanzienlijk toeneemt en dat de door de vaste commissie Financiën van het UNFCCC geraamde kosten steevast ruim boven het huidige doel van 100 miljard USD liggen en tot 2030 gemiddeld meer dan 1 biljoen USD per jaar bedragen, waarbij de ramingen variëren naargelang van de soort behoeften en de subgroep ontwikkelingslanden; onderstreept daarom dat in de NCQG duidelijk rekening moet houden met de toegenomen behoefte aan klimaatfinanciering wereldwijd, in het bijzonder als het gaat om kleine eilandstaten in ontwikkeling en de minst ontwikkelde landen, en dat de NCQG op een wetenschappelijk onderbouwde manier moet worden vastgesteld, nieuw moet zijn en een aanvulling moet vormen op officiële ontwikkelingshulp;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>is van mening dat de verantwoordelijkheid voor de verwezenlijking van de NCQG voor de periode na 2025 een bredere bijdragebasis moet omvatten die de veranderende financiële mogelijkheden en historische emissieniveaus van de Partijen weerspiegelt; benadrukt dat opkomende economieën met hoge emissies en een hoog bbp aan de nieuwe doelstelling moeten bijdragen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is dat in de NCQG verschillende financieringsniveaus worden onderscheiden op een manier die beter aansluit bij de behoeften en prioriteiten van de landen die het meest kwetsbaar zijn voor de opwarming van de aarde en over beperkte capaciteiten beschikken, met name de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>pleit nogmaals voor een voorspelbaar financieringsmechanisme van de EU dat aanvullende en adequate steun verstrekt en ervoor zorgt dat de EU een billijke bijdrage levert aan de internationale doelstellingen voor klimaatfinanciering; wenst dat de onderhandelaars van de EU-lidstaten voor klimaatfinanciering van hun respectieve ministeries van Financiën een duidelijk mandaat krijgen om betekenisvolle financiële bijdragen te leveren aan de NCQG;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>is van mening dat de kerndoelstelling van de NCQG duidelijk prioriteit moet geven aan financiering op basis van subsidies; benadrukt dat er nieuwe en innovatieve financieringsbronnen moeten worden gevonden; benadrukt dat die bronnen sociaal rechtvaardig moeten zijn en moeten stroken met het beginsel dat de vervuiler betaalt, zodat de kosten van klimaatverandering worden gedragen door degenen die het meest in staat zijn om te betalen en ook de grootste verantwoordelijkheid dragen voor het veroorzaken van klimaatverandering; wijst op mogelijke financiële bijdragen van de toeleveringsketen voor fossiele brandstoffen; wenst dat de NCQG een structuur krijgt die aansluit bij de lering die is getrokken uit de doelstelling van 100 miljard USD per jaar en wordt toegerust met solide transparantie- en verantwoordingsmechanismen om te volgen of het overeengekomen bedrag binnen de overeengekomen termijnen is bereikt en om dubbeltelling en greenwashing te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat veel klimaatgevoelige landen in schuldennood verkeren of dreigen te raken en dat ze te lijden hebben onder een dubbele crisis van toenemende schulden en escalerende gevolgen van klimaatverandering; stelt ook met bezorgdheid vast dat de kosten en behoeften op het vlak van mitigatie en aanpassing toenemen, wat leidt tot een groeiende financieringskloof, terwijl de ontwikkelingslanden met bijzondere budgettaire beperkingen te kampen hebben; onderstreept daarom dat de klimaatcrisis en de schuldencrisis samen moeten worden aangepakt; wenst dat bij de internationale klimaatfinanciering voorrang wordt gegeven aan instrumenten en maatregelen die op subsidies gebaseerd zijn en niet tot schulden leiden, zodat deze landen de nodige mitigatie- en aanpassingsmaatregelen kunnen uitvoeren zonder dat hun schuldenlast toeneemt, ook bij het ontwerp van de NCQG; pleit voorts voor een doeltreffend schuldverlichtingsmechanisme waarbij het beginsel van vergelijkbare behandeling van schuldeisers wordt gehanteerd, en voor de opname van schuldclausules inzake klimaatbestendigheid in de toekomstige leningen van multilaterale ontwikkelingsbanken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>herinnert aan de conclusies van de COP27, waarin staat dat voor de noodzakelijke financiering van de klimaattransitie een transformatie van het financiële systeem en de structuren en processen daarvan nodig zal zijn en dat overheden, centrale banken, commerciële banken, institutionele investeerders en andere financiële actoren daarbij moeten worden betrokken; is van mening dat bij het wereldwijd faciliteren van klimaatveranderingsinspanningen binnenlandse en internationale financiële systemen betrokken moeten worden om belemmeringen voor de toegang tot financiering voor schone technologieën weg te nemen en publieke en particuliere financieringsstromen weg te leiden van emissie-intensieve activiteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>acht het van essentieel belang dat onverwijld vooruitgang wordt geboekt met het initiatief van Bridgetown; is van mening dat de NCQG een cruciale kans biedt om de hervorming van de internationale financiële architectuur te versnellen door de beginselen van het initiatief van Bridgetown over te nemen; verzoekt alle grote internationale financiële instellingen en multilaterale ontwikkelingsbanken hun portfolio’s en kredietbeleid af te stemmen op de Overeenkomst van Parijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>herinnert aan de rol van de Europese Investeringsbank (EIB) als klimaatbank van de EU, haar routekaart voor het klimaat en haar geactualiseerde beleid inzake kredietverstrekking voor energie, alsook aan de extra inspanningen van het Europees Investeringsfonds om klimaatinvesteringen te bevorderen; is verheugd dat de Europese Centrale Bank heeft toegezegd om overwegingen met betrekking tot klimaatverandering te integreren in haar monetaire beleidskader;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>merkt op dat het hoge risicoprofiel van veel landen een belemmering vormt voor hun vermogen om particuliere investeringen in klimaatmitigatie- en ‑adaptatie aan te trekken en te mobiliseren; verzoekt de internationale financiële instellingen, multilaterale ontwikkelingsbanken en regeringen om in het kader van de COP29 adequate financiële plannen voor te stellen om de risico’s van klimaatmitigatie- en ‑adaptatieprojecten te verminderen; vraagt landen en multilaterale ontwikkelingsbanken, waaronder de EIB, om bij toekomstige leningen schuldclausules voor klimaatbestendigheid op te nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>herinnert eraan dat fossiele brandstoffen verantwoordelijk zijn voor meer dan 75 % van alle broeikasgassen en daarmee de grootste bijdrage leveren aan de klimaatverandering, en dat de uitstoot ervan nog steeds toeneemt; merkt op dat fossiele brandstoffen nog steeds worden gebruikt om te voorzien in meer dan 80 % van de wereldwijde energiebehoeften; benadrukt dat de uitfasering van fossiele brandstoffen zowel noodzakelijk als technologisch haalbaar is; merkt op dat het traject van de “Net Zero by 2050 Roadmap” van het IEA om de wereldwijde temperatuurstijging onder de 1,5 °C te houden, inhoudt dat er geen nieuwe ontwikkeling van olie-, gas- of steenkoolwinning mag plaatsvinden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>benadrukt dat een van de doelstellingen van de COP29 moet bestaan in het coördineren van een ondubbelzinnig signaal dat gevolg geeft aan de resultaten van de eerste algemene inventarisatie tijdens de COP28 om op een rechtvaardige, ordelijke en eerlijke manier van fossiele brandstoffen over te stappen op hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie; benadrukt het belang van de invoering van duidelijke kwantificeringen en tijdschema’s om de actie in dit decennium te versnellen; verzoekt alle Partijen, inclusief de EU, plannen vast te stellen om fossiele brandstoffen uit te faseren in overeenstemming met de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; verzoekt alle Partijen mogelijkheden te onderzoeken om bedrijven die fossiele brandstoffen produceren, meer te laten bijdragen aan de doelstellingen van Parijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>benadrukt het belang van een zo snel mogelijke uitfasering van fossiele brandstoffen; merkt op dat de EU er bij de verwezenlijking van deze doelstelling naar moet streven haar energiezekerheid, haar industriële concurrentievermogen en het welzijn van haar burgers te maximaliseren door de energierekeningen te verlagen, en een energie-efficiënte en op hernieuwbare energie gebaseerde economie tot stand te brengen; merkt met name op dat er dringend een einde moet worden gemaakt aan de invoer in de EU van Russische fossiele brandstoffen, met inbegrip van aardgas, waarmee de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne wordt gesubsidieerd; vraagt de G7-landen het goede voorbeeld te geven bij de energietransitie en vraagt alle Partijen hun energiesysteem koolstofvrij te maken en alle nieuwe investeringen in de winning van fossiele brandstoffen stop te zetten; verwelkomt alle initiatieven om de EU minder afhankelijk te maken van fossiele brandstoffen en de diversiteit van haar energieleveranciers te vergroten; neemt nota van de lopende werkzaamheden van de EU met internationale partners om de energievoorziening te diversifiëren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de subsidies voor fossiele energie in de EU tussen 2010 en 2020 stabiel zijn gebleven op ongeveer 50 miljard EUR per jaar, en in 2022 zelfs zijn gestegen tot 123 miljard EUR; benadrukt dat de Commissie en de lidstaten uitvoering moeten geven aan het vereiste in het achtste milieuactieprogramma om “een deadline [vast te stellen] voor de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen, in overeenstemming met de ambitie om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C”; verzoekt de Commissie en alle lidstaten hun nationale rapportage over alle directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen te verbeteren en plannen te maken voor de geleidelijke afschaffing ervan door middel van concreet beleid, tijdschema’s en maatregelen op een wijze die de energie- en voedselzekerheid van de Unie, het concurrentievermogen van de industrie en het welzijn van de burgers maximaliseert en de energierekeningen verlaagt; verzoekt de Commissie in dit verband een kader te ontwikkelen dat in overeenstemming is met dit vereiste in het achtste milieuactieprogramma;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>is bezorgd over het feit dat regeringen in 2023 wereldwijd meer dan 620 miljard USD hebben uitgegeven aan subsidies voor fossiele brandstoffen, aanzienlijk meer dan de 70 miljard USD die is uitgegeven om schone energie te ondersteunen; moedigt alle Partijen aan om alle directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen zo snel mogelijk af te bouwen en de middelen voor deze schadelijke subsidies te herbestemmen voor klimaatactie, waaronder internationale klimaatfinanciering voor de meest kwetsbare ontwikkelingslanden; verzoekt alle Partijen te zorgen voor transparante rapportage over hun subsidies voor fossiele brandstoffen en zo snel mogelijk concrete plannen vast te stellen voor de geleidelijke afschaffing ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>spreekt nogmaals zijn steun uit voor de werkzaamheden van de coalitie van ministers van Financiën voor klimaatactie en moedigt alle regeringen aan om zich aan te sluiten bij de toezeggingen van de coalitie om alle onder de bevoegdheid van de ministeries van Financiën vallende beleidsmaatregelen en praktijken in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en een effectieve koolstofbeprijzing in te voeren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Aanpassing</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>onderstreept dat de aanpassingsmaatregelen binnen de EU en wereldwijd moeten worden opgevoerd om de negatieve gevolgen van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies zoveel mogelijk te beperken; wijst erop dat er weliswaar vooruitgang is geboekt met de financiering en uitvoering van mitigatiemaatregelen, maar dat de aanpassingsinspanningen achterblijven, met een groeiende kloof op het gebied van zowel financiering als concrete actie; benadrukt dat de financieringsstromen voor aanpassing sinds 2020 zijn afgenomen en dat de kloof groter wordt; erkent dat als er niet onmiddellijk actie wordt ondernomen, de kosten van aanpassing zullen blijven stijgen als gevolg van extreme weersomstandigheden en klimaatgerelateerde extreme gebeurtenissen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>verwelkomt het eerste EUCRA-verslag<FOOTNOTE><FIELD> Verslag nr. 1/2024 van het Europees Milieuagentschap, “European Climate Risk Assessment”, 11 maart 2024.</FIELD></FOOTNOTE> en de mededeling van de Commissie van 12 maart 2024 over “Klimaatrisico’s beheren”, waarin de noodzaak van veerkracht in het licht van toenemende klimaatrisico’s wordt benadrukt; verzoekt de Commissie daarom een Europees klimaataanpassingsplan voor te stellen, met concrete wetgevingsvoorstellen en maatregelen, met name met betrekking tot de veerkracht van infrastructuur, waterbeheer en op de natuur gebaseerde oplossingen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan de bescherming van kwetsbare gemeenschappen, teneinde de EU veerkrachtiger te maken en het goede voorbeeld te geven; benadrukt het belang van de ontwikkeling, uitvoering en regelmatige actualisering van nationale aanpassingsplannen, onder meer met een focus op financiële en technische bijstand; roept de Partijen die dit nog niet hebben gedaan op om hun nationale aanpassingsplannen uiterlijk in 2025 op te stellen en voortgang te maken met de uitvoering ervan tegen 2030;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>pleit voor de integratie van op de natuur gebaseerde oplossingen in stedelijke gebieden om de luchtkwaliteit te verbeteren, de stijgende temperaturen te beteugelen, het warmte-eilandeffect in de stad aan te pakken en de luchtkwaliteit te verbeteren teneinde het publiek te beschermen en de energiekosten te verlagen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>is ingenomen met het akkoord over het kader voor de mondiale doelstelling inzake aanpassing dat tijdens de COP28 is bereikt, namelijk het Kader van de VAE voor wereldwijde klimaatbestendigheid; benadrukt dat het kader moet worden omgezet in meetbare resultaten, met robuuste volgsystemen om de voortgang bij de verwezenlijking van de streefdoelen te monitoren; moedigt alle Partijen aan om het snel eens te worden over indicatoren voor het meten van de voortgang bij de verwezenlijking van de streefdoelen, als onderdeel van het tweejarige VAE-Belém-werkprogramma dat tijdens de COP28 is vastgesteld; benadrukt het belang van inclusieve indicatoren om ervoor te zorgen dat de aanpassing op een sociaal rechtvaardige manier plaatsvindt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>benadrukt dat systemen voor vroegtijdige waarschuwing cruciaal zijn voor effectieve aanpassing en vraagt dat zowel het initiatief “Climate Risk and Early Warning Systems” (Crews), dat zich concentreert op kwetsbare landen zoals de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling, als het initiatief “Early Warnings for All”, dat ervoor moet zorgen dat er tegen 2027 wereldwijd toegang is tot systemen voor vroegtijdige waarschuwing, snel ten uitvoer worden gelegd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>is ernstig bezorgd over de toenemende intensiteit en frequentie van extreme weersomstandigheden in de EU en wereldwijd, waaronder bosbranden, droogtes, hittegolven en overstromingen, de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het toenemende aantal doden dat ze veroorzaken, zoals bleek uit de bevindingen van het eerste EUCRA-verslag; benadrukt dat het dringend noodzakelijk is de collectieve wereldwijde reactie op de klimaatverandering in dit kritieke decennium te versterken door middel van ambitieuze mitigatie- en aanpassingsmaatregelen van alle Partijen, teneinde mensen, hun bestaansmiddelen, de economie en onze ecosystemen te beschermen; herinnert eraan dat bij investeringen in infrastructuur en voorzieningen rekening moet worden gehouden met toekomstige klimaatomstandigheden;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Verlies en schade</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>is verheugd dat tijdens de COP28 is besloten om het verlies- en schadefonds op te richten om de economische en niet-economische gevolgen van klimaatverandering voor bijzonder kwetsbare ontwikkelingslanden aan te pakken; waardeert de vooruitgang die is geboekt bij het operationeel maken van het fonds sinds de COP28, onder meer door de aanvaarding van het aanbod van de regering van de Filipijnen om het fonds daar onder te brengen; benadrukt dat het noodzakelijk is dat het fonds op gecoördineerde wijze financiering ontvangt uit verschillende bronnen, ook nieuwe en innovatieve bronnen; is stellig van mening dat bij de financiering van verlies en schade prioriteit moet worden gegeven aan subsidies en dat die financiering een aanvulling moet vormen op en los moet staan van officiële ontwikkelingshulp;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>verzoekt de raad van bestuur van het verlies- en schadefonds overeenstemming te bereiken over alle noodzakelijke regelingen, zodat het fonds de getroffen gemeenschappen al in 2024 of uiterlijk begin 2025 financiering kan verstrekken; vraagt dat er vóór de COP29 een eerste kapitalisatie-inspanning en een fondsenwervings- en aanvullingsstrategie voor de lange termijn wordt voorbereid; wenst dat vertegenwoordigers van getroffen lokale gemeenschappen kunnen bijdragen aan de opzet van het fonds en dat het fonds snel en op gerichte wijze steun verleent aan lokale gemeenschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>dringt er bij alle grote uitstoters op aan om een billijke bijdrage aan het fonds te leveren teneinde voor wereldwijde klimaatrechtvaardigheid te zorgen; is verheugd dat de EU en haar lidstaten ruim 400 miljoen EUR hebben toegezegd voor de initiële kapitalisatie van het fonds, waarmee meer dan de helft van de initiële totale financieringstoezeggingen wordt gedekt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>dringt er nogmaals op aan dat verlies en schade een vast agendapunt van de COP-bijeenkomsten wordt, om dit thema te monitoren en er vooruitgang mee te boeken, en dat het netwerk van Santiago ten volle wordt benut om technische bijstand op doeltreffende wijze te gebruiken als katalysator voor een adequate aanpak van verlies en schade;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>verzoekt alle Partijen hun kwetsbaarheden en behoeften op het gebied van verlies en schade te beoordelen en te kwantificeren om in de volgende ronde van NDC’s te reageren op de ernstigste gevolgen van klimaatverandering; verzoekt alle Partijen regels op te stellen en uit te voeren voor de transparantie van uitgaven in het kader van verlies en schade om het effect en de doeltreffendheid van de financiële steun te waarborgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Deelname van belanghebbenden aan COP29</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>herinnert eraan dat het belangrijk is om alle Partijen volledig te betrekken bij het besluitvormingsproces in het kader van het UNFCCC; verzoekt het voorzitterschap van de COP29 en de toekomstige voorzitterschappen meer te doen om de deelname van ontwikkelingslanden en afgevaardigden van de minst ontwikkelde landen mogelijk te maken en hiervoor extra middelen uit te trekken; moedigt de Partijen aan om jongeren in hun delegaties op te nemen om ervoor te zorgen dat de toekomstige generaties een actieve rol spelen bij het vormgeven van beslissingen over hun toekomst; vraagt dat er bij COP’s meer gebruik wordt gemaakt van virtuele platforms met het oog op een grotere inclusiviteit en deelname van afgevaardigden en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld wereldwijd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>benadrukt dat klimaatdoelstellingen niet kunnen worden bereikt zonder de steun en betrokkenheid van het publiek; verzoekt alle Partijen het publiek beter bewust te maken van en meer inzicht te geven in klimaatverandering en aanverwante kwesties, misinformatie en desinformatie tegen te gaan en samen te werken met vertegenwoordigers van het publiek om steun van het publiek te krijgen voor mitigatie- en aanpassingsmaatregelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>herinnert aan zijn resolutie van 25 april 2024 over Azerbeidzjan; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan; roept Azerbeidzjan op om de rechten van alle politieke gevangenen, mensenrechtenverdedigers en journalisten te eerbiedigen en ze onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, en dringt erop aan dat partnerschapsovereenkomsten daarvan afhankelijk worden gesteld, alsook van de verbetering van de algemene mensenrechtensituatie in het land; is van mening dat de aanhoudende schendingen van de mensenrechten in Azerbeidzjan onverenigbaar zijn met de rol van het land als gastland van de COP29; dringt er bij de EU op aan om de COP29 aan te grijpen als gelegenheid voor de internationale gemeenschap om het land in alle gesprekken met de Azerbeidzjaanse autoriteiten tijdens de COP29 in Bakoe aan zijn internationale verplichtingen te herinneren en om de mensenrechtenschendingen in Azerbeidzjan te veroordelen en daadwerkelijk aan de orde te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>eist dat de organisatoren ervoor zorgen dat mensenrechten, fundamentele vrijheden, volledige en onbeperkte participatie van burgers en maatschappelijke organisaties, en billijke toegang tot deze en toekomstige COP’s volledig worden vastgelegd en gewaarborgd in de overeenkomst met het gastland, die zo spoedig mogelijk na de ondertekening openbaar moet worden gemaakt; verzoekt het secretariaat van het UNFCCC toezicht te houden op de naleving van dergelijke mensenrechtencriteria en actie te ondernemen in het geval van inbreuken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Belangenconflict, transparantie en integriteit</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>is ingenomen met de opstelling van de eerste tweejaarlijkse transparantieverslagen in het kader van de Overeenkomst van Parijs; wijst op het belang van gedetailleerde en transparante verslaglegging om de vooruitgang met betrekking tot de NDC’s te beoordelen; neemt kennis van de introductie van het mondiale platform voor klimaattransparantie van Bakoe;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over het feit dat op de COP28 meer dan 2 400 lobbyisten voor fossiele brandstoffen als geaccrediteerd deelnemer aanwezig waren; verzoekt het UNFCCC en de Partijen ervoor te zorgen dat het besluitvormingsproces wordt beschermd tegen belangen die indruisen tegen het doel van de Overeenkomst van Parijs; dringt er bij het UNFCCC op aan om het voortouw te nemen bij het voorstellen van een ambitieus verantwoordingskader dat de werkzaamheden van het UNFCCC zou beschermen tegen ongepaste beïnvloeding door actoren met aangetoonde gevestigde belangen, op basis van het model dat is opgenomen in de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik met betrekking tot de tabaksindustrie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>uit zijn grote bezorgdheid over het feit dat de Azerbeidzjaanse minister van Ecologie en Natuurlijke Hulpbronnen, Mukhtar Babayev, die voordat hij minister werd, gedurende 26 jaar voor de staatsoliemaatschappij van de Republiek Azerbeidzjan (Socar) heeft gewerkt, tot voorzitter van COP29 is benoemd; is zeer bezorgd over de verklaring van de Azerbeidzjaanse president Ilham Aliyev dat hij de belangen van de landen die veel fossiele brandstoffen hebben, zal verdedigen zodat zij verder kunnen investeren en produceren; is van mening dat dit een ernstig risico op belangenconflicten inhoudt; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de komende COP-voorzitterschappen vrij zijn van belangenconflicten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Afstemming van het klimaatbeleid van de EU op de Overeenkomst van Parijs</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>neemt kennis van de geactualiseerde NDC van de EU, als antwoord op het verzoek in het klimaatpact van Glasgow om de NDC’s van de partijen voor 2030 te herzien en op te schroeven; benadrukt dat de huidige klimaatwetgeving van de EU de netto-broeikasgasemissies van de EU tegen 2030 naar verwachting met ongeveer 57 % zal verminderen ten opzichte van 1990, indien zij volledig ten uitvoer wordt gelegd; benadrukt daarom dat het bestaande rechtskader voor 2030 de komende jaren op een eenvoudige, eerlijke en kostenefficiënte manier moet worden uitgevoerd, en dat burgers en economische sectoren tijdens deze transitie ondersteund moeten blijven worden; wijst op het belang van een stabiel en voorspelbaar beleidskader om duidelijkheid te verschaffen voor investeerders, bedrijven en burgers; merkt op dat extra inspanningen van meer dan 55 % de cumulatieve emissies van de Unie tegen 2050 aanzienlijk zouden doen dalen; dringt er daarom met klem bij de lidstaten en de particuliere sector op aan alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de doelstelling wordt gehaald; uit in dit verband zijn bezorgdheid over het gebrek aan ambitie in de huidige nationale energie- en klimaatplannen die door de lidstaten zijn ingediend en verzoekt alle lidstaten hun klimaatactie op te schroeven; verzoekt de lidstaten en de Commissie in dit verband ervoor te zorgen dat de nationale energie- en klimaatplannen en de langetermijnstrategieën van de lidstaten voldoende maatregelen en financiële middelen omvatten om de doelstellingen van de EU voor 2030 en haar langetermijndoelstellingen te halen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is dat de NDC’s voor 2035 in de voorbereidende fase van de COP30 worden voorgesteld, in overeenstemming met de gemeenschappelijke tijdschema’s van vijf jaar van het UNFCCC en met de indieningstermijn die is vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs; verzoekt de Commissie te zijner tijd op basis van een gedegen beoordeling een NDC voor 2035 voor te stellen, en de EU op koers te houden naar de doelstellingen voor 2040 en naar klimaatneutraliteit in 2050;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>onderstreept dat er een wetenschappelijk onderbouwde EU-klimaatdoelstelling voor 2040 moet worden vastgesteld, in overeenstemming met de Europese klimaatwet en de conclusies van de eerste algemene inventarisatie, en herinnert aan de aanbevelingen van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om een klimaatdoelstelling voor 2040 voor te stellen, vergezeld van ondersteunend beleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>acht het belangrijk dat de EU het voortouw blijft nemen in internationale klimaatonderhandelingen en verzoekt de EU haar groene diplomatie op te voeren om andere partijen aan te sporen hun klimaatactie op te schroeven met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, wat ook zal bijdragen tot het creëren van een internationaal gelijk speelveld, het voorkomen van koolstoflekkage en het vergroten van de publieke steun voor klimaatactie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>herhaalt dat het noodzakelijk is klimaatambities te integreren in al het beleid van de EU, evenals in alle maatregelen tot omzetting daarvan, en benadrukt dat artikel 6, lid 4, van de Europese klimaatwet de Commissie verplicht voor alle ontwerpmaatregelen of wetgevingsvoorstellen, waaronder begrotingsvoorstellen, een beoordeling uit te voeren van de consistentie ervan met de klimaatdoelstellingen van de EU; dringt er bij de Commissie op aan deze bepaling volledig ten uitvoer te leggen, op dezelfde wijze waarop zij op alle beleidsterreinen van de EU effectbeoordelingen uitvoert;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>wijst nogmaals op het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, waartoe de EU en haar lidstaten zich hebben verbonden en dat tot doel heeft tegenstrijdigheden tot een minimum te beperken en synergieën tussen de verschillende beleidsterreinen van de EU tot stand te brengen; dringt aan op een coherente aanpak van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling in het kader van zowel het intern als extern beleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>benadrukt dat de huidige geopolitieke situatie des te meer laat zien dat er dringend een einde moet worden gemaakt aan de afhankelijkheid van de EU van fossiele brandstoffen, dat moet worden afgestapt van een op fossiele brandstoffen gebaseerde economie en dat de uitrol van hernieuwbare en koolstofarme energiebronnen moet worden bevorderd; benadrukt dat de EU energieafhankelijkheid van niet-EU‑landen moet vermijden; is ingenomen met de vooruitgang die sinds de introductie van REPowerEU op deze gebieden is geboekt; verzoekt de EU en haar lidstaten de transitie te versnellen; onderstreept dat de streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie binnen het kader voor de periode na 2030 daartoe moeten worden verhoogd; verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de aanbeveling van de wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering van de EU om ervoor te zorgen dat het EU-beleid in overeenstemming is met de noodzaak om af te stappen van een op fossiele brandstoffen gebaseerde economie, waarbij koolstofafhankelijkheid en gestrande activa worden vermeden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>herinnert eraan dat het op 24 april 2024 zijn goedkeuring heeft gehecht aan het besluit van de Raad betreffende de goedkeuring van de terugtrekking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie uit het Verdrag inzake het Energiehandvest<FOOTNOTE><FIELD> Besluit (EU) 2024/1677 van de Raad van 30 mei 2024 betreffende de goedkeuring van de terugtrekking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie uit het Verdrag inzake het Energiehandvest (PB L, 2024/1677, 13.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2024/1677/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De drievoudige planetaire crisis: klimaatverandering, verontreiniging en biodiversiteitsverlies</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>onderstreept dat de crises in verband met klimaatverandering, verontreiniging en biodiversiteitsverlies met elkaar samenhangen en dat de reacties op deze crises op elkaar moeten worden afgestemd; wijst op de ernstige gevolgen van deze crises, zoals woestijnvorming, waterschaarste, aantasting van de oceanen en droogte; benadrukt hoe belangrijk het is de biodiversiteit en ecosystemen te beschermen, behouden en herstellen en natuurlijke hulpbronnen duurzaam te beheren, zodat de natuur een grotere rol kan spelen bij het beperken van en aanpassen aan de klimaatverandering, extreme weersomstandigheden worden voorkomen en veerkracht wordt opgebouwd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>benadrukt dat meer en efficiënter moet worden geïnvesteerd in innovatieve en op de natuur gebaseerde oplossingen, zoals bebossing, herbebossing, landschappen met natuurlijke sponsfunctie, herstel van wetlands en regeneratieve landbouwgebruiken, om de aanpassing aan de klimaatverandering te verbeteren en met name om overstromingen en droogte te beperken; benadrukt dat dergelijke benaderingen waar mogelijk een positief effect op de biodiversiteit moeten hebben en de koolstofemissies van de bodem, de gevolgen voor waterlichamen op andere locaties en bodemverdichting moeten verminderen, en de aanpassing van bossen aan de klimaatverandering moeten vergemakkelijken; neemt in dit verband kennis van de rol van de voorstellen van de Commissie op het gebied van bosgovernance en bosmonitoring; is bezorgd over de aanzienlijke kloof tussen het streefcijfer voor de verbetering van koolstofputten voor 2030 dat in de verordening inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en ‑verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/841/oj).</FIELD></FOOTNOTE> is vastgesteld en de maatregelen om de streefcijfers in nationale energie- en klimaatplannen te halen; dringt er bij de lidstaten op aan hun ambities te verhogen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>erkent dat gezonde ecosystemen en een rijke biodiversiteit diensten leveren die van kritiek belang zijn voor het leven op aarde, en benadrukt dat klimaatverandering een van de directe oorzaken van biodiversiteitsverlies is; wijst erop dat de klimaatverandering overal ter wereld reeds veranderingen in terrestrische, zoetwater- en mariene ecosystemen teweeg heeft gebracht, wat heeft geleid tot het uitsterven van soorten en de achteruitgang van belangrijke ecosysteemdiensten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>onderstreept dat de instandhouding en het herstel van koolstofrijke ecosystemen zoals veengebieden, wetlands, bossen (met inbegrip van oerbossen), traditionele boslandbouwsystemen, weidegronden en blauwe koolstofecosystemen zoals zoutmoerassen, zeegrassen en mangroven, alsook de soorten die deze ecosystemen in staat stellen te functioneren, een breed scala aan mitigatie- en aanpassingsvoordelen bieden; verzoekt de Commissie deze ecosystemen in kaart te brengen en methoden te ontwikkelen voor de nauwkeurige, solide en transparante boekhouding van koolstofverwijderingen en ‑emissies uit die ecosystemen op een manier die biodiversiteitsdoelstellingen niet ondermijnt, en onderstreept dat de kwaliteit van de beschermde gebieden geëerbiedigd moet worden; waarschuwt dat tegenstrijdige investeringen en stimulansen – zoals het financieren van de drooglegging van wetlands om vervolgens het herstel van die gebieden te financieren – de doeltreffendheid van de financiële middelen van de EU ondermijnen en onzekerheid creëren voor landbouwers en de landbouwsector;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>dringt er bij alle partijen op aan om zich, bij het nemen van maatregelen tegen klimaatverandering, toe te leggen op het beschermen, eerbiedigen, bevorderen en nakomen van hun verplichtingen op het gebied van de mensenrechten, met inbegrip van het recht op een schoon, gezond en duurzaam milieu, de rechten van inheemse volkeren zoals uiteengezet in de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren, en de rechten van lokale gemeenschappen; benadrukt dat milieuactivisten moeten worden gesteund en beschermd en dat degenen die hen bedreigen ter verantwoording moeten worden geroepen; benadrukt het belang van gendergelijkheid en rechtvaardigheid tussen de generaties bij de aanpak van de klimaatcrisis; verzoekt alle partijen deze waarden hoog te houden en te zorgen voor zinvolle inspraak van het publiek, toegang tot informatie en vrijwillige, voorafgaande en geïnformeerde toestemming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>roept alle partijen op om tijdens de COP29 toe te werken naar besluitvorming waarbij een evenwicht wordt gevonden tussen de sociale, de ecologische en de economische pijler;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>benadrukt hoe belangrijk het is het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal toe te passen op het Verdrag inzake biologische diversiteit, onder meer wat betreft de noodzaak om het vermogen van de natuur om de klimaatverandering te helpen beperken en zich eraan aan te passen te optimaliseren, en om de nadelige gevolgen van klimaatactie voor de biodiversiteit tot een minimum te beperken; herinnert eraan dat het behoud van intacte ecosystemen met grote biodiversiteit op het land en in de oceaan de meest kosteneffectieve, op de natuur gebaseerde maatregel is om de klimaatverandering aan te pakken; verzoekt alle partijen hun inspanningen op te voeren om hun internationale verplichtingen op het gebied van biodiversiteit na te komen, en herinnert er daarbij aan dat de Aichi-biodiversiteitsdoelen niet zijn verwezenlijkt; juicht toe dat er binnen dit kader EU-doelstellingen zijn ingediend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>benadrukt dat de bodem de grootste terrestrische koolstofopslagplaats is en een onmisbare rol speelt in de mondiale klimaatcyclus; wijst met klem op de grensoverschrijdende gevolgen van bodemaantasting; is ingenomen met alle inspanningen van regeringen en niet-gouvernementele actoren om optimaal gebruik te maken van het potentieel van de bodem om klimaatverandering te beperken en om de beschikbaarheid van water te verbeteren; neemt nota van de rol van het EU-voorstel voor de richtlijn inzake bodemmonitoring en ‑veerkracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>wijst op de verwoestende sociale, economische, milieu-, en landbouweffecten van woestijnvorming, watervervuiling, droogte, overstromingen en bosbranden die door de klimaatverandering worden verergerd; benadrukt dat het belangrijk is water- en watergerelateerde ecosystemen als essentiële elementen van de klimaatbestendigheid en het behoud van de biodiversiteit te beschermen, in stand te houden en te herstellen; bevestigt dat alle beschikbare waterbronnen zodanig moeten worden beheerd dat waterschaarste en ‑verontreiniging worden vermeden, waarbij de water- en de hulpbronnenkringloop grotendeels worden gesloten om een circulaire economie, een optimale hulpbronnenefficiëntie en terugwinning te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>is ingenomen met de aandacht van het COP29-voorzitterschap voor de waterproblematiek, in de zin dat tijdens de COP29 wordt voorzien in een mondiaal platform voor partijen om samen te werken en oplossingen op het gebied van water aan te dragen; is ingenomen met de lancering van de eerste systeembrede VN-strategie voor water en sanitaire voorzieningen als een belangrijk instrument om gemeenschappen beter bestand te maken tegen klimaatverandering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>Dringt aan op nauwere internationale samenwerking, ook op het niveau van stroomgebieden, om de groeiende watercrisis aan te pakken, schoon en hoogwaardig water te waarborgen, duurzaam waterbeheer te bevorderen en op de natuur gebaseerde oplossingen toe te passen; verzoekt alle partijen in overeenstemming met hun klimaatbeleid waterstrategieën vast te stellen, met het oog op zekerheid, duurzaamheid en veerkracht op het gebied van water, en tegelijkertijd te zorgen voor universele toegang tot water en sanitaire voorzieningen, te waarborgen dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten en prioriteit te geven aan de bescherming van kwetsbare gemeenschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>is ingenomen met de aankondiging van een Europese strategie voor waterweerbaarheid en verzoekt de Commissie deze strategie snel uit te voeren om ervoor te zorgen dat bronnen goed worden beheerd, schaarste wordt aangepakt en de concurrentie- en innovatiekracht van onze watervoorziening en ‑technologie wordt vergroot; dringt er bij de EU op aan het voortouw te nemen bij de inspanningen om waterecosystemen te beschermen en te herstellen, overeenkomstig de kaderrichtlijn water, de EU-biodiversiteitsstrategie en de Europese Green Deal;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>erkent de universaliteit van water als hulpbron voor alle sectoren, met inbegrip van de sectoren die verantwoordelijk zijn voor energie, voedselzekerheid en kritieke digitale diensten; erkent de rol van digitale instrumenten bij alle maatregelen voor het beperken van de klimaatverandering, als onderdeel van een waterbestendige samenleving;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>verzoekt de lidstaten en de Commissie te zorgen voor een doeltreffende waterinfrastructuur, als instrument om klimaatverandering tegen te gaan en de veerkracht te vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>is ingenomen met de aanneming van het VN-verdrag inzake de volle zee (“Biodiversity Beyond National Jurisdiction Agreement”); verzoekt de partijen hun werkzaamheden in het kader van de VN-dialoog inzake oceanen en klimaatverandering voort te zetten; benadrukt dat klimaatmechanismen afhankelijk zijn van een gezonde oceaan en gezonde mariene ecosystemen, die op dit moment de gevolgen ondervinden van de wereldwijde opwarming van het klimaat, verontreiniging, overexploitatie van de mariene biodiversiteit, verzuring, zuurstofverlies en kusterosie; verzoekt alle partijen om de veerkracht en bescherming van koolstofputten in de oceaan te verbeteren, en daarbij ook toe te zien op de bescherming van mariene ecosystemen zoals mangroven, zeegrasvelden en koraalriffen; is ingenomen met de toezegging van Commissievoorzitter Von der Leyen om een Europees oceaanpact in het leven te roepen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>benadrukt dat alle sectoren moeten bijdragen aan de emissiereductie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>wijst erop dat dringend de strijd moet worden aangebonden met plasticverontreiniging, aangezien die een ernstige bedreiging vormt voor mariene ecosystemen, de biodiversiteit en de menselijke gezondheid, en er naar schatting 8 miljoen ton plastic per jaar in de oceaan terechtkomt; benadrukt dat het belangrijk is microplastics aan te pakken, met name in oceaan- en zoetwaterecosystemen; is ingenomen met de lopende werkzaamheden met betrekking tot een mondiaal verdrag inzake plastics; dringt er bij de EU op aan het voortouw te nemen bij het bepleiten van een verdrag waarmee duurzame niveaus van plasticproductie worden bereikt, schadelijke plastics voor eenmalig gebruik worden uitgefaseerd, innovatie op het gebied van duurzame alternatieven en beginselen van de circulaire economie worden bevorderd en een grotere verantwoordelijkheid van producenten wordt gestimuleerd, om ervoor te zorgen dat de volledige levenscyclus van plastics wordt aangepakt en voorrang te geven aan de gemeenschappen die het zwaarst door plasticvervuiling worden getroffen; pleit voor een mondiale doelstelling om uiterlijk in 2040 een einde te maken aan plasticverontreiniging in het milieu;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>benadrukt dat verontreiniging door chemische stoffen moet worden bestreden; dringt aan op versnelde actie om het alomvattende plan dat is vastgesteld in het mondiaal kader voor chemische stoffen met het oog op een “planeet vrij van schade door chemische stoffen en afval” te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>benadrukt dat de gezondheid en het welzijn van mensen en gemeenschappen die getroffen worden door de negatieve gevolgen van de klimaatverandering moeten worden beschermd; benadrukt dat moet worden gezorgd voor gelijkwaardige toegang tot een duurzaam, veerkrachtig en gezond milieu voor toekomstige generaties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>is van mening dat het milieubeleid volledig in overeenstemming moet worden gebracht met de “één gezondheid”-benadering; herinnert eraan dat het belangrijk is om tijdens de COP29 een gezondheidsdag te houden om te werken aan oplossingen voor gemeenschappelijke gezondheidsuitdagingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>wijst op het nauwe verband tussen luchtverontreiniging en klimaatverandering; is ingenomen met de internationale inspanningen om zowel de klimaatverandering als de luchtkwaliteit aan te pakken door middel van initiatieven zoals het VN/ECE-Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand en de Climate and Clean Air Coalition; verzoekt alle partijen de samenwerking op dit gebied te versterken en het luchtkwaliteitsbeleid af te stemmen op klimaatactie om de volksgezondheid en het milieu wereldwijd te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>wijst erop dat de klimaatverandering zal bijdragen tot een grotere resistentie tegen antibiotica; benadrukt in dit verband dat er dringende maatregelen nodig zijn tegen resistentie tegen antimicrobiële stoffen en dringt aan op een mondiale overeenkomst tussen de partijen om het gebruik van antimicrobiële stoffen te verminderen en het risico op resistentie te bestrijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>herinnert eraan dat steden wereldwijd verantwoordelijk zijn voor 70 % van de CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-emissies<FOOTNOTE><FIELD> Shukla, P. R. en Skea, J. (red.), <STRING ITALIC="on">Climate Change 2022: Mitigation of Climate Change – Working Group III Contribution to the Sixth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change</STRING>, Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, 2022.</FIELD></FOOTNOTE>; benadrukt dat lokale en regionale overheden belangrijke actoren zijn op het gebied van klimaatactie; onderstreept daarom dat zij makkelijker toegang moeten krijgen tot financiële mechanismen en wijst op de noodzaak van nauwere samenwerking met lokale en regionale overheden bij de voorbereiding, financiering en uitvoering van NDC’s voorafgaand aan de COP30, alsook van nationale adaptatieplannen, nationale strategieën en actieprogramma’s op het gebied van biodiversiteit en langetermijnstrategieën;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Inspanningen in alle sectoren</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>is ingenomen met het feit dat 158 landen het mondiale methaanpact hebben ondertekend; verzoekt de ondertekenaars van het mondiale methaanpact sneller actie te ondernemen om de methaanemissies tegen 2030 te beperken en te bestrijden en de governance op het gebied van methaan te verbeteren door een overkoepelend kader op te stellen met het oog op voortgang wat betreft deze collectieve verbintenis; dringt er met name op aan dat de partijen met een hoge methaanuitstoot die zich nog niet hebben aangesloten bij het pact dit zo snel mogelijk doen; dringt aan op een gekwantificeerde, wetenschappelijk onderbouwde beoordeling van de geboekte voortgang sinds de aanneming van dat pact tijdens de COP26;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>verzoekt alle partijen op om in hun NDC’s ook specifieke streefcijfers op te nemen voor het terugdringen van de methaanemissies;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>herinnert aan de EU-verordening inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2024/1787 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/942 (PB L, 2024/1787, 15.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1787/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, die vanaf 1 januari 2027 ook van toepassing zal zijn op EU-importeurs van ruwe olie, aardgas en steenkool; benadrukt dat de methaanemissies in alle sectoren in de EU moeten worden teruggedrongen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>benadrukt dat de vervoerssector de enige sector is waarin de emissies op EU-niveau sinds 1990 zijn gestegen en dat dit niet verenigbaar is met de klimaatdoelstellingen van de EU; wijst erop dat voor de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU grotere en snellere emissiereducties van alle vervoerssectoren nodig zijn, met inbegrip van de lucht- en scheepvaartsector; is ingenomen met de opname van scheepvaartemissies in het EU-emissiehandelssysteem (EU-ETS); benadrukt dat het belangrijk is de modal shift en intermodaal vervoer te ondersteunen en schone vervoersopties aantrekkelijker te maken door een betere internalisering van externe kosten, waarbij de beschikbaarheid van passende alternatieven moet worden gewaarborgd, maatregelen voor vraagbeheersing moeten worden genomen en voorschriften moeten worden vastgesteld op het gebied van efficiëntie en circulariteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>verzoekt de Commissie toe te zien op de sociale rechtvaardigheid van maatregelen voor het koolstofvrij maken van het vervoer, onder meer door emissies van superjachten, privévliegtuigen en zakenvliegtuigen op te nemen in het klimaatbeleid van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>verzoekt de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) maatregelen te nemen met het oog op een reductie van de scheepvaartemissies in overeenstemming met de op wetenschap gebaseerde doelstellingen en de in de Overeenkomst van Parijs vastgestelde opwarmingslimiet van 1,5 °C; is bezorgd over de geringe vooruitgang die de IMO heeft geboekt bij de aanpak van de emissies van de internationale scheepvaart; dringt er bij de EU op aan te pleiten voor de vaststelling van strengere mondiale doelstellingen en tijdschema’s; herinnert eraan dat de EU, in overeenstemming met de bepalingen van de ETS-richtlijn<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, het toepassingsgebied van de EU-ETS-wetgeving met betrekking tot de scheepvaart moet herzien indien de IMO-onderhandelingen niet leiden tot maatregelen in lijn met de Overeenkomst van Parijs; verzoekt de Commissie en de lidstaten de UNFCCC-onderhandelingen over de toewijzing van emissies van de internationale scheepvaart aan nationale inventarissen te hervatten, op basis van het toepassingsgebied van het EU-ETS en de FuelEU Zeevaart-verordening<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2023/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende het gebruik van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen in het zeevervoer, en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 234 van 22.9.2023, blz. 48, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1805/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>wijst erop dat de luchtvaartsector dringend moet worden afgestemd op de mondiale klimaatdoelstellingen, met name de doelstelling van het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C van de Overeenkomst van Parijs; is bezorgd over de geringe vooruitgang die de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) heeft geboekt bij de aanpak van de emissies van de internationale luchtvaart; verzoekt de ICAO in het kader van haar regeling voor koolstofcompensatie en ‑reductie voor de internationale luchtvaart ambitieuzere maatregelen te nemen om deze emissies te verminderen; herinnert eraan dat de Commissie, indien de ICAO geen emissiereducties oplevert die in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs, verplicht is onderzoek te doen naar de uitbreiding van het toepassingsgebied van het EU-ETS tot vluchten naar luchtvaartterreinen buiten de Europese Economische Ruimte, in overeenstemming met de bepalingen van de ETS-richtlijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>herinnert eraan dat het niet-CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-klimaateffect van luchtvaartactiviteiten naar schatting twee keer zo groot is<FOOTNOTE><FIELD> Transport &amp; Environment, Murphy, A. en Simon, V., “Private jets: can the super rich supercharge zero-emission aviation?”<STRING ITALIC="on">,</STRING> European Federation for Transport and Environment, Brussel, 2021.</FIELD></FOOTNOTE> als het effect van CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING> alleen; benadrukt dat het belangrijk is kennis te vergaren over het niet-CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-effect van zowel vluchten binnen de EU als vluchten van en naar niet-EU-bestemmingen, en maatregelen vast te stellen om dat effect te verminderen overeenkomstig de in het EU-ETS vastgestelde regels en tijdschema’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>dringt aan op een versnelde ontwikkeling en toepassing van duurzame brandstoffen in de lucht- en scheepvaartsector;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>herhaalt zijn verzoek aan alle partijen, met inbegrip van de EU-lidstaten, om maatregelen te nemen om het gebruik van privéjets te ontmoedigen; wijst op de onevenredige klimaateffecten van privéjets, die per passagier tot 14 keer meer vervuilend zijn dan commerciële vluchten; benadrukt hoe belangrijk het is het goede voorbeeld te geven en dringt er bij alle deelnemers aan de COP29 – met inbegrip van de EU-instellingen – op aan af te zien van het gebruik van privéjets en te kiezen voor de minst vervuilende vervoersoptie om hun bestemming te bereiken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>merkt op dat de landbouwsector in 2020 goed was voor 10 tot 12 % van de antropogene emissies wereldwijd, en voor 11 % van de totale EU-emissies<FOOTNOTE><FIELD> Europees Milieuagentschap, “Progress and prospects for decarbonisation in the agriculture sector and beyond”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2022.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat de landbouwemissies op EU-niveau sinds 1990 met 25 % zijn gedaald<FOOTNOTE><FIELD> Europees Milieuagentschap, “EEA greenhouse gases – data viewer”, 13 augustus 2024.</FIELD></FOOTNOTE>, maar de afgelopen twee decennia relatief stabiel zijn gebleven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>benadrukt echter dat landbouwers en de landbouwsector tegelijkertijd steeds meer onder druk komen te staan door de gevolgen van de klimaatverandering, waaronder stijgende temperaturen, droogte, grillige regenval en overstromingen, en erkent dat zij onmisbare partners zijn bij het waarborgen van voedselzekerheid, het in stand houden van vitale plattelandsgebieden en het verwezenlijken van doelstellingen op het gebied van klimaatneutraliteit; onderstreept in dit verband dat we moeten blijven werken aan duurzame en veerkrachtige voedselsystemen, en erkent zowel het potentieel voor broeikasgasemissiereducties in de landbouwsector als de potentiële bijdrage van landbouwers en bosbouwers aan natuurlijke koolstofverwijdering en ‑opslag in bodems en bossen; benadrukt hoe belangrijk het is dat landbouwers de kans krijgen om actief bij te dragen en deel te nemen aan de ontwikkeling van beleid voor beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering en het behoud van ecosystemen; is in dit verband ingenomen met de strategische dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU en de toezegging van Commissievoorzitter Ursula von der Leyen om in de eerste honderd dagen van de nieuwe ambtstermijn van de Commissie een visie voor landbouw en voedsel te presenteren met het oog op het waarborgen van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Europese landbouwsector op lange termijn binnen de grenzen van onze planeet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>wijst erop dat een transitie naar duurzamere landbouwpraktijken en kortere toeleveringsketens, verschuivingen naar gezondere voeding, eetgewoonten en levensstijlen en vermindering van voedselverspilling zullen leiden tot een aanzienlijke verlaging van de landbouwemissies, betere beperking en aanpassing, verlichting van de druk op de biodiversiteit en de bodem, en beperking van de lucht- en waterverontreiniging, en zullen bijdragen tot het herstel van de bodemkwaliteit en ecosystemen; herhaalt dat de overconsumptie van ultrabewerkte producten moet worden aangepakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>benadrukt dat er behoefte is aan beleidskaders die landbouwers, en in het bijzonder kleinschalige landbouwers, ondersteunen bij de omschakeling naar duurzame landbouwgebruiken door te voorzien in instrumenten, mechanismen, technieken, kansen, opleiding en financiële stimulansen voor de invoering van klimaatslimme landbouwgebruiken die de productiviteit verbeteren en tegelijkertijd bijdragen tot de aanpassing aan en beperking van de klimaatverandering, en die een beloning bieden voor landbouwers en bosbouwers die helpen de economie koolstofvrij te maken en met de natuur werken, en de biodiversiteit en natuurlijke ecosystemen zo in stand houden; onderstreept dat het belangrijk is de landbouwsector te voorzien van alomvattende methoden om een boekhoudsysteem voor broeikasgasemissies op te zetten waarin rekening wordt gehouden met verschillende soorten landbouw; verzoekt de EU meer te investeren in groene technologieën en innovaties in de landbouwsector, zoals precisielandbouw, duurzame irrigatiesystemen, klimaatslimme landbouwgebruiken en agro-ecologische werkwijzen die een efficiënter gebruik van hulpbronnen zoals water en energie mogelijk maken; onderstreept voorts dat er sprake moet zijn van beleid dat de toegang tot dergelijke innovatieve oplossingen en digitale instrumenten vergemakkelijkt; benadrukt hoe belangrijk het is duurzamere landbouw te ontwikkelen door landbouwers alternatieven te bieden om het gebruik en de daarvoor benodigde productie van kunstmest en pesticiden te verminderen; merkt op dat deze maatregel, samen met het verhogen van de natuurlijke koolstofvastlegging in de bodem en organisch bodemmateriaal, diverse voordelen met zich mee kan brengen, zoals een betere bodemvruchtbaarheid, herstel van de biodiversiteit en een aanzienlijk mitigatiepotentieel; benadrukt dat doelgerichter aandacht moet worden besteed aan veerkracht door steun te verlenen voor het beheer van het risico op langdurige droogte, minder waterintensieve gewassen te bevorderen en in te zetten op duurzame werkwijzen die de veerkracht van ecosystemen vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>verzoekt alle partijen te blijven werken aan de uitvoering van de verklaring van de COP28 in de VAE over duurzame landbouw, veerkrachtige voedselsystemen en klimaatactie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>benadrukt dat moet worden gezorgd voor een wereldwijd gelijk speelveld voor landbouwproductie dat gebaseerd is op hoge normen voor milieubescherming, dierenwelzijn en toezicht op de naleving;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>benadrukt dat de defensiesector – met behoud van operationele doeltreffendheid – moet bijdragen aan de emissiereductie en dat de ontwikkeling van koolstofarme technologieën en strategieën in de defensiesector moet worden versneld; merkt op dat de opname van uitgesplitste gegevens over militaire emissies in UNFCCC-mededelingen vrijwillig is en dat er op dit moment geen mogelijkheid bestaat om gerapporteerde militaire emissies van broeikasgassen uit de aan het UNFCCC gemelde gegevens te identificeren; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie en de Raad een voorstel te formuleren met het oog op transparante verslaglegging aan het UNFCCC over de militaire emissies, en daarbij de goedkeuring van het strategisch kompas voor veiligheid en defensie te erkennen en de routekaart voor klimaatverandering en defensie volledig uit te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>benadrukt dat het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (CBAM) van de EU een essentieel instrument is om de emissies van in de EU ingevoerde producten doeltreffend te beprijzen, deze emissies te beperken en koolstoflekkage aan te pakken, en tegelijkertijd de wereldwijde invoering van koolstofbeprijzing te ondersteunen met begeleidende maatregelen voor het koolstofvrij maken van de industrie in de minst ontwikkelde landen; verzoekt de Commissie te werken aan de uitbreiding van het toepassingsgebied van het CBAM overeenkomstig de bepalingen van de CBAM-verordening<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, en tegelijkertijd met niet-EU-landen samen te werken om de correcte uitvoering van het mechanisme te vergemakkelijken en de invoering van koolstofprijzen aan te moedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>is ingenomen met het feit dat volgens de Wereldbank 24 % van de wereldwijde emissies nu door koolstofbeprijzing wordt gedekt<FOOTNOTE><FIELD> Wereldbank, “State and Trends of Carbon Pricing 2024”, Wereldbank, Washington DC, 21 mei 2024.</FIELD></FOOTNOTE>; betreurt niettemin dat zowel de dekking als de prijsniveaus veel te laag blijven om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te halen; is ingenomen met het feit dat verscheidene handelspartners van de EU een koolstofhandel- of andere koolstofbeprijzingsmechanismen hebben ingevoerd; verzoekt de Commissie andere partijen verder aan te moedigen soortgelijke koolstofbeprijzingsmechanismen in te voeren of te verbeteren en ze daarbij te ondersteunen, en verbanden en andere vormen van samenwerking met bestaande koolstofbeprijzingsmechanismen in niet-EU-landen te onderzoeken; verzoekt de Commissie in dit verband te voorzien in waarborgen om ervoor te zorgen dat koppelingen met de EU ETS-regeling extra en permanente mitigatiebijdragen blijven opleveren en de verbintenissen van de EU op het gebied van de binnenlandse uitstoot van broeikasgassen niet ondermijnen; is ingenomen met de oprichting van de taskforce van de Commissie voor internationale koolstofbeprijzing en marktdiplomatie en verzoekt de Commissie erop toe te zien dat deze taskforce tijdig volledig operationeel is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>merkt op dat in de GST wordt gewezen op het belang van de overgang naar een duurzame levenswijze en duurzame consumptie- en productiepatronen bij inspanningen om de klimaatverandering aan te pakken, onder meer door middel van benaderingen van de circulaire economie, en dat dit benadrukt dat de circulaire economie in de EU verder moet worden ontwikkeld, onder meer door innovatie en investeringen in circulaire oplossingen en bedrijfsmodellen en markten voor secundaire grondstoffen te ondersteunen, en vestigt de aandacht op het belang van afvalvermindering en meer recycling; herinnert aan de in het kader van het 8e MAP gedane toezegging om de materiaal- en consumptievoetafdruk van de EU aanzienlijk te verminderen teneinde deze zo snel mogelijk binnen de grenzen van de planeet te brengen; verzoekt de Commissie maatregelen te ontwikkelen om de overgang naar een circulaire economie en een duurzaam gebruik van hulpbronnen te versnellen en tegelijkertijd een rechtvaardige en inclusieve transitie te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>beklemtoont dat de impact van de textielsector op het klimaat en het milieu geadresseerd moet worden, aangezien de sector verantwoordelijk is voor ongeveer 8 tot 10 % van de wereldwijde broeikasgasemissies en een aanzienlijk verbruik van hulpbronnen, met name water en energie<FOOTNOTE><FIELD> International Finance Corporation, “Strengthening sustainability in the textile industry”, International Finance Corporation, Washington, 2023.</FIELD></FOOTNOTE>; erkent dat de textielindustrie een belangrijke rol moet spelen bij de overgang naar een circulaire economie en uitdagingen moet aanpakken die onder meer verband houden met kwesties op het gebied van afvalpreventie, afvalbeheer, het afwerpen van microplastics, watergebruik, overproductie, de algemene duurzaamheid en niet-giftigheid van het productieproces en de recyclebaarheid van textielproducten, onder meer door ervoor te zorgen dat textiel zo wordt ontworpen dat het duurzaam en recyclebaar is; wijst erop dat het noodzakelijk is te werken aan wereldwijde normen om te bepalen wanneer merken groene claims mogen maken over een product;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>beklemtoont dat greenwashing moet worden tegengegaan door te werken aan consistente en transparante mondiale normen om consumenten te helpen doordachte keuzes te maken en greenwashing te voorkomen door ervoor te zorgen dat duurzaamheidsclaims worden ondersteund door verifieerbaar bewijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>benadrukt dat klimaatverandering, waterschaarste en de aantasting van het milieu leiden tot schaarste van natuurlijke hulpbronnen, conflicten en spanningen kunnen verergeren, evenals voedseltekorten en natuurrampen, en belangrijke aanjagers van menselijke ontheemding alsook dreigingsvermenigvuldigers zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>benadrukt dat het Middellandse Zeegebied een van de regio’s is die het zwaarst door de klimaatverandering wordt getroffen en 20 % sneller opwarmt dan het mondiale gemiddelde, met prognoses die voorspellen dat 250 miljoen mensen binnen twintig jaar met waterschaarste zullen worden geconfronteerd<FOOTNOTE><FIELD> Mediterranean Experts on Climate and environmental Change (MedECC), “Risks associated to climate and environmental changes in the Mediterranean region: A preliminary assessment by the MedECC network 	science-policy interface – 2019”, 2019.</FIELD></FOOTNOTE> en steeds vaker te maken zullen krijgen met bosbranden, wat ernstige gevolgen heeft voor de bestaansmiddelen van kustgemeenschappen, economische sectoren en de biodiversiteit; verzoekt de Commissie en de lidstaten dringend actie te ondernemen en de handen ineen te slaan met de partners in het Middellandse Zeegebied om ambitieuze aanpassingsmaatregelen uit te voeren en mitigatiemaatregelen te leiden, met bijzondere aandacht voor waterbeheer, het herstel van ecosystemen en duurzame economische transities;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>benadrukt dat de klimaatverandering cultureel erfgoed met een ongekende snelheid en op ongekende schaal aantast; wijst erop dat de inspanningen om het wereldwijde cultureel en natuurlijk erfgoed te beschermen en in stand te houden, moeten worden opgevoerd, waarbij de nadruk moet liggen op het verbeteren van de risicoparaatheid en het versterken van de klimaatveerkracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>104.</NO.P>wijst erop dat de inspanningen van de EU op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering en klimaatveerkracht en ‑paraatheid moeten worden opgevoerd door middel van de versterking van het EU-mechanisme voor civiele bescherming, om de EU beter in staat te stellen grootschalige en grensoverschrijdende natuurrampen, die zich steeds vaker voordoen, te voorkomen en te beheren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>105.</NO.P>merkt op dat er vanuit de wetenschap en de politiek een toenemende belangstelling is voor zonnestralingsbeheer, een aantal vormen van klimaatengineering, zoals stratosferische aerosolinjectie, waarbij zonlicht weerkaatst wordt om daarmee de opwarming van de aarde tegen te gaan; wijst erop dat met zonnestralingsbeheer de onderliggende oorzaken van de klimaatverandering niet worden aangepakt en dat er nog geen wetenschappelijke zekerheid bestaat over de effecten ervan en dat zonnestralingsbeheer de klimatologische en geopolitieke stabiliteit in gevaar kan brengen, mogelijk met catastrofale gevolgen; herinnert eraan dat een VN-resolutie over mondiale governance met betrekking tot klimaatengineering is geblokkeerd; verzoekt de Commissie actie te ondernemen met betrekking tot zonnestralingsbeheer en de aanzet te geven tot een akkoord op grond waarvan zonnestralingsbeheer niet wordt toegepast en de ontwikkeling ervan aan banden wordt gelegd, en zich te verzetten tegen verdere institutionalisering van zonnestralingsbeheer in het kader van internationale instellingen, in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel en bij gebrek aan bewijs met betrekking tot de veiligheid ervan en volledige wereldwijde consensus over de aanvaardbaarheid ervan;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Klimaatverandering en gender</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>106.</NO.P>benadrukt het belang van inclusieve benaderingen in het UNFCCC-proces, met inbegrip van het werkprogramma voor een rechtvaardige transitie; verzoekt alle Partijen, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, meer inspanningen te leveren om gendergelijkheid te integreren in hun herziene NDC’s en nationale aanpassingsplannen, alsmede in hun klimaat- en milieubeleid, met name op het gebied van mitigatie, aanpassing, verlies en schade; benadrukt dat alle Partijen concretere maatregelen moeten nemen om de toezeggingen van het tijdens de COP25 overeengekomen genderactieplan na te komen en om een nieuw genderwerkprogramma en een bijbehorend actieplan voor de periode na 2024 overeen te komen; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan dat zij meer inspanningen leveren om de doelstellingen van het EU-genderactieplan III te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>107.</NO.P>is van oordeel dat de toegang van vrouwen tot klimaatfinanciering moet worden verbeterd en vergemakkelijkt, en merkt op dat vrouwen naar verhouding aanzienlijk minder toegang krijgen tot financiële middelen voor projecten op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering en klimaatmitigatie; verzoekt de EU en de lidstaten met klem verslag uit te brengen over de genderresponsiviteit van hun klimaatfinancieringsbijdragen en de samenhang tussen gender- en klimaatsteun te vergroten via instrumenten voor extern optreden en de EIB;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>108.</NO.P>benadrukt het belang van een grotere deelname van vrouwen aan de besluitvorming in de context van klimaatdiplomatie, waaronder in COP-delegaties en leiderschap op alle niveaus van klimaatactie; verzoekt alle Partijen te streven naar genderpariteit in hun delegaties en op alle niveaus van de besluitvorming en onderhandelingen over de klimaatverandering; dringt er bij alle Partijen op aan een nationaal contactpunt voor gender en klimaatverandering aan te wijzen en de bijbehorende middelen, opleiding en ondersteuning uit te breiden, ook binnen de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>109.</NO.P>wijst erop dat het aanpassingsvermogen en de kwetsbaarheid per geslacht, leeftijd, vaardigheid, ras en beroep verschillen; verzoekt daarom alle Partijen in hun nationale aanpassingsplannen, aanpassingsmededelingen en NDC’s de behoeften van kwetsbare bevolkingsgroepen te beoordelen, daarop in te spelen en er prioriteit aan te geven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>110.</NO.P>benadrukt de noodzaak van versnelde actie voor genderresponsieve rampenrisicovermindering en daarmee voor een genderresponsieve uitvoering van het Sendai-kader; pleit ervoor verdere inspanningen te leveren om rekening te houden met en een prioriteit te maken van gender in rampenparaatheid, met name aan de hand van uitgesplitste gegevensreeksen over rampenrisicovermindering;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Industrie, kleine en middelgrote ondernemingen en concurrentievermogen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>111.</NO.P>beschouwt de COP29 als een belangrijke stap sinds de ondertekening van de Overeenkomst van Parijs in 2015; benadrukt dat de inspanningen ter bestrijding van de klimaatverandering gericht moeten zijn op het terugdringen van energiearmoede, het versterken van de veerkracht en het concurrentievermogen van de industrie en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) in de EU, en het bieden van kansen voor de industrie en kmo’s in de EU die kunnen worden verwezenlijkt als wetgevers zich verbinden tot tijdige, op maat gesneden, solidaire en adequate beleidsreacties en tot een stabiel en voorspelbaar transitiekader; verzoekt alle Partijen bij het UNFCCC deze passende beleidslijnen en maatregelen vast te leggen en uit te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>112.</NO.P>benadrukt dat een goed ontworpen, faciliterend beleid ervoor kan zorgen dat klimaatactie, innovatie, decarbonisatie, het scheppen van banen en concurrentievermogen hand in hand gaan; wijst erop dat ons klimaat, onze economie, de hoogwaardige werkgelegenheid en het sociaal welzijn allemaal zullen gedijen dankzij investeringen in innovatieve, duurzame industrieën en technologieën, in overeenstemming met de schone en rechtvaardige transitie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>113.</NO.P>acht het van het grootste belang dat de EU zorgt voor een rechtvaardige, snelle en eerlijke transitie om de publieke steun voor klimaatactie te behouden en het goede voorbeeld te geven, alsook om te zorgen voor een pioniersvoordeel, waarbij de interne markt wordt beschermd tegen oneerlijke concurrentie van niet-EU-landen en een gelijk speelveld voor Europese industrieën op internationaal niveau wordt gewaarborgd, met name door de hoge energieprijzen die momenteel het concurrentievermogen van deze industrieën belemmeren, aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>114.</NO.P>is van oordeel dat in de meeste sectoren ingrijpende industriële transformatie en aanpassing nodig zullen zijn om uiterlijk in 2050 het eerste klimaatneutrale continent te worden en tegelijkertijd ons concurrentievermogen te vergroten; is van mening dat er enorme investeringen nodig zullen zijn om de transformatie van het energiesysteem te ondersteunen, rekening houdend met de uiteenlopende uitgangsposities van de lidstaten; verzoekt de EU te overwegen het financieel kader beter af te stemmen op de Overeenkomst van Parijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>115.</NO.P>benadrukt dat de EU alles in het werk moet stellen om in de transitie naar een broeikasgasneutrale economie de leidende positie en het mondiale concurrentievermogen van haar industrieën en kmo’s in stand te houden; wijst op de noodzaak van innovatief beleid om het leiderschap van de EU herstellen, in stand te houden en uit te breiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>116.</NO.P>beklemtoont dat industrieën en kmo’s een ingrijpende transformatie doormaken in de richting van een broeikasgasneutrale economie; onderstreept dat passende instrumenten en steun moeten worden geboden in de overgangsfase, waarbij innovatie moet worden gestimuleerd en het concurrentievermogen moet worden gewaarborgd; wijst erop dat kmo’s in deze transitie moeten worden ondersteund en gestimuleerd door wetgevers, met name door te zorgen voor toegang tot financiering voor duurzame technologieën, diensten en processen, door administratieve procedures te vereenvoudigen en door gelijke kansen te bieden bij overheidsopdrachten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>117.</NO.P>onderstreept dat de Europese industrie snel verder koolstofvrij moet worden gemaakt en tegelijkertijd haar concurrentievermogen moet versterken, en dat de EU-steun voor dit streven moet worden gehandhaafd; herinnert in dit verband aan de goedkeuring van de verordening voor een nettonulindustrie en neemt kennis van de aankondiging van een toekomstige wetgeving inzake de versnelling van industriële decarbonisatie en een nieuwe “Clean Industrial Deal”, die gericht is op het kanaliseren van investeringen in infrastructuur en industrie, met name in energie-intensieve sectoren, alsmede op het ondersteunen van leidende markten op het gebied van de ontwikkeling, productie en verspreiding van schone technologieën in de industrie; is van mening dat de opschaling van schone en innovatieve technologieën en de bijbehorende toeleveringsketens verder moet worden ondersteund door het Innovatiefonds van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>118.</NO.P>benadrukt dat koolstofbeheer een rol kan spelen bij de beperking van procesemissies in moeilijk koolstof vrij te maken industrieën, alsmede bij de verlaging van onvermijdelijke emissies; wijst in dit verband op de recente strategie voor het beheer van industriële koolstof, waarmee wordt beoogd een EU-actieplan te ontwikkelen om de afvang, de opslag, het vervoer en het gebruik van CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-emissies van industriële en energieproductiefaciliteiten te vergroten en CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING> uit de atmosfeer te verwijderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>119.</NO.P>onderstreept dat er voldoende financiële middelen moeten worden ingezet om de transitie in het kader van het volgende meerjarig financieel kader te ondersteunen, onder meer door middel van specifieke financieringsinstrumenten die doeltreffend tegemoetkomen aan de financieringsbehoeften van de Europese industrie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>120.</NO.P>erkent de essentiële rol die kmo’s, en met name micro-ondernemingen en start-ups, spelen bij het aansturen en verwezenlijken van innovatie, werkgelegenheid en groei, alsook bij het leiden van de digitale en de groene transitie door middel van innovatie en geavanceerde technologische oplossingen; benadrukt dat kmo’s duidelijke, consistente en voorspelbare wetgeving nodig hebben om te kunnen groeien en banen te kunnen creëren; wijst op de specifieke belemmeringen waarop dergelijke ondernemingen stuiten wanneer ze toegang trachten te krijgen tot financiële instrumenten en publiek en particulier kapitaal;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>121.</NO.P>benadrukt dat concurrerende markten voor grondstoffen en zeldzame metalen die essentieel zijn voor de groene transitie, moeten worden bevorderd; benadrukt dat de aanhoudende afhankelijkheid van slechts enkele leveranciers negatieve gevolgen heeft voor de Europese industrie en dringt aan op diversificatie van leveranciers; is in dit verband ingenomen met de goedkeuring van de verordening kritieke grondstoffen en het voornemen van de Commissie om met een voorstel te komen voor nieuwe wetgeving op het gebied van circulaire economie; benadrukt dat een circulaire economie van cruciaal belang is om de grootst mogelijke hulpbronnenefficiëntie en onafhankelijkheid met betrekking tot kritieke grondstoffen te bereiken; wijst op de noodzaak om de internationale voorziening te verbeteren, onder meer met behulp van de komende partnerschappen voor schone handel en investeringen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat dezelfde sociale, milieu- en mensenrechtennormen worden gehanteerd als in de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>122.</NO.P>vestigt de aandacht op de noodzaak van specifieke kwalificatieprogramma’s, met inbegrip van om- en bijscholingsprogramma’s die essentieel zijn om de beroepsbevolking te versterken en tegemoet te komen aan de toenemende vraag naar arbeid op het gebied van schone en innovatieve technologieën, energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen, renovatie van gebouwen en energieopslag; wijst in dit verband op het belang van de academies voor nettonultechnologie; benadrukt dat er geïnvesteerd moet worden in onderwijs op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) om aan de eisen van de arbeidsmarkt te voldoen en het innovatiepotentieel van de EU te bevorderen; benadrukt dat het belangrijk is alle sociale partners te raadplegen om tekorten aan vakmensen in kaart te brengen en een beleidsinstrumentarium te ontwikkelen waarmee deze tekorten kunnen worden aangepakt;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Energiebeleid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>123.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de subsidies voor fossiele brandstoffen de afgelopen jaren wereldwijd sterk zijn toegenomen<FOOTNOTE><FIELD> IEA, <STRING ITALIC="on">“Fossil Fuels Consumption Subsidies 2022”</STRING>, februari 2023.</FIELD></FOOTNOTE>; betreurt dat de subsidies voor fossiele brandstoffen in de EU sinds 2008 stabiel zijn gebleven op ongeveer 55-58 miljard EUR per jaar, en in 2022 zijn gestegen tot 123 miljard EUR; merkt in dit verband op dat de huidige investeringstrends niet in overeenstemming zijn met de niveaus die de wereld nodig heeft om de tijdens de COP28 overeengekomen doelstellingen te verwezenlijken teneinde de hernieuwbare capaciteit te verdrievoudigen en het tempo van de verbeteringen op het gebied van energie-efficiëntie te verdubbelen, en dat een verdubbeling van de huidige jaarlijkse uitgaven voor de opwekking van hernieuwbare energie, netwerken en opslag in 2030 noodzakelijk is<FOOTNOTE><FIELD> IEA, <STRING ITALIC="on">“World Energy Investment 2024: Overview and key findings”</STRING>, juni 2024.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>124.</NO.P>vestigt de aandacht op het onbenutte potentieel van geothermische energie, die een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het energiebeleid van de EU; spoort de Partijen ertoe aan beste praktijken, technologische knowhow en resultaten van onderzoek en innovatie op het gebied van geothermische technologieën uit te wisselen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>125.</NO.P>wijst op de energieaspecten van de resultaten van de eerste mondiale inventarisatie in het kader van de consensus van de VAE, en met name op de afbouw van het gebruik van fossiele brandstoffen met het oog op de verwezenlijking van broeikasgasneutraliteit in 2050, in overeenstemming met de wetenschap, de verdrievoudiging van de wereldwijde capaciteit voor hernieuwbare energie en de verdubbeling van het wereldwijde gemiddelde jaarlijkse percentage verbeteringen van de energie-efficiëntie in 2030, en herinnert daarnaast aan de oproep om de uitrol van en investeringen in schone, duurzame, veilige en energie-efficiënte technologieën en systemen te versnellen; dringt aan op een doorlopende beoordeling van de vooruitgang die wordt geboekt bij de verwezenlijking van deze doelstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>126.</NO.P>merkt op dat het wenselijk is een aanvullende mondiale doelstelling vast te stellen, namelijk de zesvoudige verhoging van de energieopslag in de energiesector tot 1 500 GW, en meer in het algemeen de verhoging van de systeemflexibiliteit tegen 2030, in overeenstemming met de doelstellingen die in april 2024 door de ministers van Energie van de G7 zijn overeengekomen; beklemtoont dat er meer aandacht moet worden besteed aan technologische oplossingen die gericht zijn op de vermindering van broeikasgassen in de atmosfeer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>127.</NO.P>wijst op het belang van een wereldwijde vermindering van de methaanemissies in de toeleveringsketens voor fossiele brandstoffen tijdens de transitie naar schone energiesystemen met het oog op de verlaging van het mondiale niveau van methaanemissies met 75 % in 2030, in overeenstemming met het scenario uit de “Net Zero by 2050 Roadmap” van het IEA; vraagt de ondertekenaars van het mondiale methaanpact sneller actie te ondernemen om de methaanemissies uiterlijk in 2030 terug te dringen; stelt vast dat in de methaanverordening<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2024/1787 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/942 (PB L, 2024/1787, 15.7.2024, ELI: https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1787/oj?locale=nl).</FIELD></FOOTNOTE> mondiale monitoringinstrumenten worden geïntroduceerd ter verbetering van de transparantie van methaanemissies die afkomstig zijn van de invoer van olie, gas en steenkool in de EU en ter waarborging van een gelijk speelveld voor exploitanten uit zowel de EU als niet-EU-landen, rekening houdend met de voorzieningszekerheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>128.</NO.P>benadrukt dat klimaatverandering en extreme weersomstandigheden steeds ernstigere gevolgen hebben voor onze energiesystemen, waaronder voor de productie van waterkracht, de bio-energieopbrengsten, de efficiëntie van thermische centrales en de vraag naar verwarming en koeling; merkt op dat hernieuwbare energie vaak wisselende productieniveaus kan hebben en beklemtoont dat er opslagcapaciteit moet worden ontwikkeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>129.</NO.P>wijst op de grondige herziening van de energiewetgeving van de EU in het kader van het “Fit for 55”-pakket, waarmee de wetgeving in overeenstemming is gebracht met de verhoogde EU-doelstelling om de emissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen teneinde uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te verwezenlijken; benadrukt dat de verwezenlijking van onze klimaat- en energiedoelstellingen afhangt van de doeltreffende uitvoering van het “Fit for 55”-pakket; meent dat andere partijen soortgelijke, relevante inspanningen moeten leveren met aanmoediging van en in samenwerking met de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>130.</NO.P>dringt erop aan dat de aangekondigde “Clean Industrial Deal” het concurrentievermogen van de industrie waarborgt en hoogwaardige banen bevordert met sectorspecifieke en sectoroverschrijdende maatregelen door resultaten te boeken op het gebied van de vereenvoudiging van, investeringen in en toegang tot betaalbare, duurzame en zekere energievoorziening en grondstoffen, in partnerschap met de industrie, sociale partners, financiële instellingen en alle belanghebbenden, om onze industrieën met een zakelijk argument te ondersteunen bij de transitie naar een klimaatneutrale toekomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>131.</NO.P>wijst op de centrale rol die energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen, een gediversifieerd energiesysteem en koolstofarme energiebronnen spelen bij de transitie naar een klimaatneutrale economie; ziet niettemin het belang in van het op elkaar afstemmen van beleid en maatregelen op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, zoals de EU tevens in het kader van het “Fit for 55” -pakket heeft gedaan, om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken en de Overeenkomst van Parijs na te leven, en merkt daarbij op dat de huidige daling van de kosten van technologieën voor hernieuwbare energie en energieopslag moet worden aangegrepen; is in dit verband ingenomen met de goedkeuring van de dringende, gerichte hervorming van de opzet van de elektriciteitsmarkt, die onder meer de opwekking van hernieuwbare energie moet stimuleren, de positie en bescherming van consumenten moet versterken en de energierekeningen van consumenten en bedrijven minder afhankelijk moet maken van prijsschommelingen op korte termijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>132.</NO.P>brengt in herinnering dat de EU waarde hecht aan het energie-efficiëntie-eerstbeginsel, waarbij rekening wordt gehouden met kostenefficiëntie, systeemefficiëntie, opslagcapaciteit, flexibiliteit aan de vraagzijde en voorzieningszekerheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>133.</NO.P>beklemtoont dat er aanzienlijke publieke en particuliere middelen moeten worden geïnvesteerd in het energienet van de EU en de bijbehorende infrastructuur om de modernisering en uitbreiding ervan, alsmede de verdere flexibele integratie van hernieuwbare energiebronnen, efficiëntiemaatregelen en opslagoplossingen mogelijk te maken teneinde onze burgers en industrie schone, toereikende, veilige en betaalbare energie te bieden; onderstreept met name dat het elektriciteitsnet van de EU moet worden opgewaardeerd opdat rekening kan worden gehouden met de aanzienlijke toename van de hernieuwbare capaciteit, de variabiliteit bij de opwekking, veranderende elektriciteitsstroompatronen in heel Europa en nieuwe vraag; herinnert eraan dat het belangrijk is belemmeringen weg te nemen, waaronder complexe vergunningsprocedures voor elektriciteitsinfrastructuur, de energiesystemen van de lidstaten verder te integreren, waardoor het potentieel van de EU met betrekking tot de productie van schone energie zal toenemen, en de uitrol van interconnecties te stimuleren; onderstreept dat de lidstaten uiterlijk in 2030 het streefcijfer van 15 % elektriciteitsinterconnectie moeten halen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>134.</NO.P>benadrukt dat de verwezenlijking van wereldwijde broeikasgasneutraliteit in 2050 gecoördineerde mondiale maatregelen vereist en dat ontwikkelingslanden internationale bijstand nodig zullen hebben om hun groene transitie te verwezenlijken; beklemtoont dat nauwere grensoverschrijdende samenwerking nodig is, alsook uitwisseling van beste praktijken met internationale partners op het gebied van beleidsvorming en wetenschappelijke en technologieoverdracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>135.</NO.P>benadrukt dat partnerschappen met niet-EU-landen op het gebied van de externe dimensies van energiebeleid moeten worden bevorderd; neemt kennis van de inspanningen van de EU om energie-allianties met een perspectief van duurzame ontwikkeling tot stand te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>136.</NO.P>neemt kennis van de tijdens de COP28 door meer dan twintig landen, waaronder twaalf EU-lidstaten en Oekraïne, gedane verklaring betreffende de verdrievoudiging van de wereldwijde kerncapaciteit tegen 2050<FOOTNOTE><FIELD> Ministeriële verklaring betreffende de verdrievoudiging van de kernenergie, ondertekend op 2 december 2023.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>137.</NO.P>wijst op de centrale rol die voor burgers en lokale gemeenschappen is weggelegd met het oog op een succesvolle wereldwijde energietransitie, alsmede op de specifieke belemmeringen waarop zij stuiten wanneer ze toegang trachten te krijgen tot financiële instrumenten en publiek en particulier kapitaal; onderstreept het belang van EU-wetgeving, die het kader vaststelt waarbinnen hernieuwbare energie kan worden geproduceerd, verbruikt, opgeslagen en verkocht en waarbinnen vraagrespons- en energie-efficiëntiediensten kunnen worden aangeboden aan onder meer burgers; benadrukt dat het wetgevingsacquis van de EU een overdraagbare goede praktijk is voor internationale partners die hun milieutransitie op een sociaal rechtvaardige en democratische manier willen versnellen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Beleid inzake onderzoek, innovatie, digitale technologieën en ruimtevaart </STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>138.</NO.P>is ingenomen met de rol die het Copernicus-programma en het nieuwe EU-kenniscentrum voor aardobservatie spelen bij land-, atmosfeer- en marienemilieumonitoring; onderstreept het belang van satellietobservatiecapaciteiten voor het monitoren, modelleren, voorspellen en ondersteunen van de beleidsvorming op het gebied van klimaatverandering, alsook voor het monitoren van de methaanemissies, voorvallen waarbij veel emissies worden uitgestoten en koolstofputten; benadrukt dat gezamenlijke onderzoeksprogramma’s moeten worden bevorderd om technologieën en infrastructuur te ontwikkelen die gericht zijn op de bescherming van zowel de ruimte als het klimaat; vestigt de aandacht op het belang van publiek-private partnerschappen voor de bevordering van de samenwerking tussen overheids- en commerciële ruimteagentschappen; beklemtoont dat de EU echte strategische autonomie moet verkrijgen op het gebied van satellieten en meer moet investeren in de ruimtevaarteconomie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>139.</NO.P>herinnert aan het belang van de bijdrage van onderzoek en innovatie tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de Europese Green Deal; onderstreept dat het overgrote deel van het onderzoek en de innovatie die nodig zijn om in 2050 broeikasgasneutraliteit te verwezenlijken, nog voor ons ligt; betreurt dat de EU haar reeds lang bestaande doelstelling om jaarlijks 3 % van het bbp te investeren in onderzoek en ontwikkeling nog altijd niet heeft gehaald, en pleit voor nieuwe benaderingen om de uitgaven voor industrieel onderzoek en ontwikkeling te stimuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>140.</NO.P>is in dit verband met name ingenomen met de rol die Horizon Europa en de partnerschappen die in het kader van het programma zijn gesloten, zoals de gemeenschappelijke ondernemingen en de kennis- en innovatiegemeenschappen onder de paraplu van het Europees Instituut voor innovatie en technologie, spelen bij de bevordering van de samenwerking tussen de publieke en de particuliere sector, teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van klimaatneutraliteit en de groene transitie en er tegelijkertijd voor te zorgen dat innovaties duurzaam, beschikbaar, toegankelijk en betaalbaar zijn voor iedereen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>141.</NO.P>benadrukt dat er meer publieke en private investeringen moeten worden aangetrokken in onderzoek, innovatie en de toepassing van nieuwe duurzame technologieën, onder meer in arbeidsintensieve industrieën, en in de opwaardering van bestaande en, waar nodig, nieuwe infrastructuurnetwerken en projecten die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal en de Overeenkomst van Parijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>142.</NO.P>onderstreept dat het van belang is te zorgen voor samenhang tussen en consistentie in stimuleringsmaatregelen ter bevordering van schone en innovatieve technologieën om de doelstellingen voor 2030 en 2050 te halen, en daarbij aandacht te besteden aan de inzet van reeds volgroeide technologieën en investeringen in nieuwe technologieën die wellicht moeten worden ontwikkeld om de doelstelling van de EU om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>143.</NO.P>beklemtoont dat de EU moet samenwerken bij onderzoek op het gebied van technologie, industrie en innovatieve wetenschap om belangrijke bijdragen te leveren aan de Overeenkomst van Parijs; dringt aan op de uitvoering van de aangekondigde strategie voor Europese biowetenschappen; verzoekt de Commissie strategische onderzoekspartnerschappen te bevorderen om een gelijk speelveld in Europa mogelijk te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>144.</NO.P>onderstreept dat digitalisering een van de sleutelfactoren is die de integratie van energiesystemen aandrijven, aangezien ze dynamische en onderling gekoppelde stromen van energiedragers mogelijk kan maken, de mogelijkheid biedt meer diverse markten onderling te koppelen, en de nodige gegevens kan opleveren om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen en het netbeheer te optimaliseren; wijst op het potentieel van digitale technologieën om de energie-efficiëntie te vergroten en zo de algehele broeikasgasemissies te verminderen, maar ziet niettemin in dat er dringend duurzame praktijken moeten worden ingevoerd om de steeds grotere koolstof- en hulpbronnenvoetafdruk van digitalisering en van de sector informatie- en communicatietechnologie, en met name die van datacentra en andere computerinfrastructuur, tot een minimum te beperken; herinnert aan de EU-doelstelling om ervoor te zorgen dat datacenters uiterlijk in 2030 klimaatneutraal en uitermate energie-efficiënt zijn, in overeenstemming met de digitale strategie van de EU;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De rol van het Europees Parlement bij de COP29</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>145.</NO.P>is van mening dat het Parlement een integraal onderdeel moet uitmaken van de EU-delegatie op de COP29, aangezien het zijn goedkeuring moet hechten aan internationale overeenkomsten en, als een van de medewetgevers van de EU, een centrale rol speelt bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs binnen de EU; verwacht dan ook te worden toegelaten tot de coördinatiebijeenkomsten van de EU op de COP29 in Bakoe en inzage te krijgen in alle voorbereidende documenten; verbindt zich ertoe onafhankelijk en zonder belangenconflicten te zullen handelen;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>146.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, met het verzoek deze resolutie eveneens te doen toekomen aan alle niet-EU-Partijen bij het Verdrag.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>