<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0021</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek om opheffing van de immuniteit van Adam Bielan</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0015/2025 - Rapporteur: Dainius Žalimas)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 11 maart 2025 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Adam Bielan (2024/2045(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek tot opheffing van de immuniteit van Adam Bielan, dat op 5 juli 2024 werd ingediend door de rechtbank in eerste aanleg bevoegd voor strafzaken (vijfde kamer) van Warschau‑Śródmieście in Warschau, in verband met een strafrechtelijke procedure die tegen hem werd ingeleid door middel van een particuliere aanklacht ingediend door de wettelijke vertegenwoordiger van de particuliere aanklagers, en van de ontvangst waarvan op 16 september 2024 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Adam Bielan op 23 januari 2025 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement, en gezien het door de heer Bielan tijdens de hoorzitting overgelegde document,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013, 19 december 2019 en 5 juli 2023<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, ECLI:EU:C:2019:1115; arrest van het Gerecht van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement, T-272/21, ECLI:EU:T:2023:373.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 105, leden 2 en 5, van de Grondwet van de Republiek Polen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0015/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de rechtbank in eerste aanleg bevoegd voor strafzaken (vijfde kamer) van Warschau‑Śródmieście in Polen op 5 juli 2024 een verzoek tot opheffing van de parlementaire immuniteit van Adam Bielan (in Polen verkozen lid van het Europees Parlement) heeft ingediend naar aanleiding van een aanklacht van een particuliere partij in verband met door Adam Bielan tijdens een interview op de radio op 10 maart 2023 gemaakte opmerkingen; overwegende dat overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het Reglement verzoeken tot opheffing van de immuniteit van een lid ingediend moeten worden door “een daartoe bevoegde autoriteit van een lidstaat” en dat dergelijke verzoeken overeenkomstig artikel 9, lid 12, doorgezonden moeten worden door de gerechtelijke autoriteiten, en dat het daarbij gaat om verschillende concepten; overwegende dat als in Polen een procedure wordt ingeleid door een particuliere partij zonder dat daarbij een openbaar aanklager een rol speelt, de rechtbank de instantie is die bevoegd is om het verzoek van de particuliere partij tot opheffing van de parlementaire immuniteit door te sturen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het verzoek tot opheffing van de immuniteit werd ingediend in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen Adam Bielan wegens smaad/laster, strafbare feiten in de zin van artikel 212, leden 1 en 2, van het Poolse wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Adam Bielan ervan beschuldigd wordt lasterlijke uitlatingen te hebben gedaan tijdens een interview in een programma van het radiostation RMF FM, dat op 10 maart 2023 in Polen werd uitgezonden, in verband met het functioneren en het beheer van het Nationale Centrum voor onderzoek en ontwikkeling van Polen, een uitvoerend agentschap van het Poolse Ministerie van Wetenschap en Hoger Onderwijs; overwegende dat dit agentschap onder toezicht staat van de minister van Ontwikkelingsfondsen en Regionaal Beleid en dat een van de belangrijkste taken van het agentschap is het toewijzen van overheidsmiddelen aan projecten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat Adam Bielan volgens de particuliere aanklacht lasterlijke uitlatingen zou hebben gedaan met de bedoeling de reputatie van twee personen en een onderneming met hoofdkantoor in Warschau te schaden, waardoor het waarschijnlijk was dat het vertrouwen in de capaciteiten van deze personen en hun vermogen om hun taken uit te voeren zou worden aangetast, waarbij het zou gaan om belastering via een massacommunicatiemiddel, een strafbaar feit naar aanleiding waarvan op grond van artikel 212, lid 4, van het Poolse wetboek van strafrecht vervolging op aanklacht van een particulier kan worden ingesteld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat Adam Bielan bij de Europese verkiezingen van 2019 werd verkozen tot lid van het Europees Parlement en ten tijde van het hem ten laste gelegde strafbare feit lid van het Europees Parlement was;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat in artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie wordt bepaald dat tegen leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en dat zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben geuit of uitgebracht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat een door een EP-lid buiten het Europees Parlement afgelegde verklaring aangemerkt kan worden als een in de uitoefening van zijn of haar ambt uitgebrachte mening in zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, als die verklaring een subjectieve beoordeling bevat die rechtstreeks en duidelijk verband houdt met de uitoefening door het EP-lid van dat ambt; overwegende dat de vraag of dit het geval is derhalve moet worden beantwoord aan de hand van de aard en de inhoud van de verklaring;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat in het licht hiervan en gezien de in het verzoek tot opheffing van de immuniteit beschreven omstandigheden, de context en de inhoud van de vermeende lasterlijke uitlatingen van Adam Bielan, er geen sprake lijkt te zijn van een rechtstreeks en duidelijk verband tussen de uitlatingen en het mandaat van de heer Bielan als lid van het Europees Parlement;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de desbetreffende uitlatingen dus niet aangemerkt dienen te worden als een mening die door Adam Bielan is geuit of stem die door Adam Bielan is uitgebracht in de uitoefening van zijn ambt in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat in artikel 105, leden 2 en 5, van de Poolse grondwet wordt bepaald dat een Pools parlementslid vanaf de dag waarop de verkiezingsuitslag bekend wordt gemaakt tot de dag waarop het mandaat verstrijkt niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld zonder toestemming van de <STRING ITALIC="on">Sejm</STRING> (het Poolse lagerhuis) en dat een Pools parlementslid niet kan worden aangehouden of gearresteerd zonder toestemming van de <STRING ITALIC="on">Sejm</STRING>, tenzij het lid op heterdaad wordt betrapt en als aanhouding noodzakelijk is voor het goede verloop van de procedure;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijzen heeft gevonden die duiden op fumus persecutionis, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement te schaden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet als een rechtbank kan worden beschouwd en dat het lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden beschouwd<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Adam Bielan op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van Polen en aan Adam Bielan.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>