<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0031</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid 2025</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0022/2025 - Rapporteur: Fernando Navarrete Rojas)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2025 over het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid 2025 (2024/2112(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 121, 126 en 136,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Protocol nr. 1 bij het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het VWEU betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Protocol nr. 2 bij het VEU en het VWEU betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Protocol nr. 12 bij het VEU en het VWEU betreffende de procedure bij buitensporige tekorten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/1263, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1263/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1264 van de Raad van 29 april 2024 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/1264, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1264/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn (EU) 2024/1265 van de Raad van 29 april 2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/85/EU betreffende voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten<FOOTNOTE><FIELD>OJ L, 2024/1265, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1265/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied<FOOTNOTE><FIELD>PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/1173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied<FOOTNOTE><FIELD>PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/1174/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden<FOOTNOTE><FIELD>PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/1176/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit<FOOTNOTE><FIELD>PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/472/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone<FOOTNOTE><FIELD>PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/473/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2092/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (de “verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit<FOOTNOTE><FIELD>PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/241/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (de RRF-verordening),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de economische voorjaarsprognose 2024 van de Commissie van 15 mei 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de economische najaarsprognose 2024 van de Commissie van 15 november 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Debt Sustainability Monitor 2023 van de Commissie van 22 maart 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 17 december 2024 getiteld “Waarschuwingsmechanismeverslag 2025” (COM(2024)0702) en de aanbeveling van de Commissie van 17 december 2024 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2024)0704),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 17 december 2024 voor een gezamenlijk verslag van de Commissie en de Raad over de werkgelegenheid (COM(2024)0701),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2023 getiteld “Richtsnoeren voor het begrotingsbeleid voor 2024” (COM(2023)0141),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 19 juni 2024, opgesteld overeenkomstig artikel 126, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (COM(2024)0598),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 12 april 2024 over het economisch beleid van de eurozone<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/2807, 23.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/2807/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de beoordeling van het Europees Begrotingscomité van 3 juli 2024 van de begrotingskoers die in 2025 voor de eurozone passend is,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Eurogroep van 15 juli 2024 over de begrotingskoers voor de eurozone in 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag 2024 van het Europees Begrotingscomité, dat op 2 oktober 2024 is bekendgemaakt,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 19 juni 2024 getiteld “Europees Semester 2024 – Voorjaarspakket” (COM(2024)0600),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 17 december 2024 getiteld “Europees Semester 2025 – Najaarspakket” (COM(2024)0700),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640), de Overeenkomst van Parijs, die op 12 december 2015 is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het achtste milieuactieprogramma tot en met 2030,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de interinstitutionele proclamatie van 17 november 2017 betreffende de Europese pijler van sociale rechten<FOOTNOTE><FIELD>PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10.</FIELD></FOOTNOTE> en de mededeling van de Commissie van 4 maart 2021 getiteld “Het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten” (COM(2021)0102),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting voor iedereen<FOOTNOTE><FIELD>PB C 456 van 10.11.2021, blz. 145.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het document van Ursula von der Leyen, kandidaat voor het voorzitterschap van de Europese Commissie, van 18 juli 2024 getiteld “De keuze van Europa – Politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2024-2029”, en de verklaring die Valdis Dombrovskis, commissaris voor Economie en Productiviteit en commissaris voor Uitvoering en Vereenvoudiging, heeft afgelegd tijdens zijn aan de benoeming voorafgaande hoorzitting op 7 november 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien werkdocument 24/181 van het Internationaal Monetair Fonds van augustus 2024, getiteld “Taming Public Debt in Europe: Outlook, Challenges, and Policy Response” (Het beteugelen van de overheidsschuld in Europa: vooruitzichten, uitdagingen en beleidsrespons),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Fiscal Monitor van het Internationaal Monetair Fonds van oktober 2024, getiteld “Putting a Lid on Public Debt” (De overheidsschuld een halt toeroepen),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Speciaal verslag 13/2024 van de Europese Rekenkamer, getiteld “Absorptie van middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit – Vooruitgang vertraagd en nog steeds risico’s voor de verwezenlijking van maatregelen en dus van de RRF-doelstellingen”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de uitgebreide analyse getiteld “The new economic governance framework: implications for monetary policy” (Het nieuwe kader voor economische governance: gevolgen voor het monetaire beleid), die het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement op 20 november 2024 heeft gepubliceerd<FOOTNOTE><FIELD>Monetary Dialogue paper – “The new economic governance framework: implications for monetary policy”, Darvas, Z. e.a. voor het Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, afdeling Toezicht economische governance en EMU, 20 november 2024.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de uitgebreide analyse getiteld “ Economic Dialogue with the European Commission on EU Fiscal Surveillance” (Economische dialoog met de Europese Commissie over het begrotingstoezicht in de EU), die het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement op 1 december 2024 heeft gepubliceerd<FOOTNOTE><FIELD>Uitgebreide analyse – “Economic Dialogue with the European Commission on EU Fiscal Surveillance”, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, afdeling Toezicht economische governance en EMU, 1 december 2024.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van Mario Draghi van 9 september 2024 over de toekomst van het Europese concurrentievermogen (het verslag-Draghi),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A10-0022/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het Europees Semester een essentiële rol speelt bij de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid van de lidstaten en aldus de macro-economische stabiliteit van de economische en monetaire unie vrijwaart;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het Europees Semester tot doel heeft duurzame, inclusieve en concurrerende groei, werkgelegenheid, macro-economische stabiliteit en gezonde overheidsfinanciën in de hele EU te bevorderen, teneinde de aanhoudende opwaartse convergentie van de economische, sociale en milieuprestaties van de lidstaten te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat het Europees Semester 2024 de eerste uitvoeringscyclus inhield van het nieuwe kader voor economische governance, dat op 30 april 2024 in werking is getreden, waarmee de EU en haar lidstaten door een overgangsfase worden geloodst;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de lidstaten in de aanbeveling van de Raad van 2024 over het economisch beleid van de eurozone worden opgeroepen om zowel individueel als collectief actie te ondernemen om het concurrentievermogen te versterken, de economische en sociale veerkracht te stimuleren, de macrofinanciële stabiliteit veilig te stellen en een hoog niveau van overheidsinvesteringen in stand te houden ter ondersteuning van de groene en de digitale transitie; overwegende dat begrotingsstabiliteit een basis vormt voor zowel duurzame hoge sociale normen in de EU als het concurrentievermogen van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de belangrijkste doelstellingen van het nieuwe kader voor economische governance erin bestaan in alle lidstaten de schuld houdbaarder te maken en duurzame en inclusieve groei te bevorderen en alle lidstaten in staat te stellen de nodige hervormingen door te voeren en te investeren in de gemeenschappelijke prioriteiten van de EU, waaronder i) een eerlijke groene en digitale transitie, ii) sociale en economische veerkracht, met inbegrip van de Europese pijler van sociale rechten, iii) energiezekerheid, en iv) de opbouw van defensievermogens; overwegende dat de uiteenlopende begrotingscapaciteit van de lidstaten billijke investeringen in strategische prioriteiten in de weg staat en de cohesie binnen de eengemaakte markt verzwakt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in het VWEU de volgende referentiewaarden zijn vastgesteld: maximaal 3 % van het bbp voor het overheidstekort en maximaal 60 % van het bbp voor de overheidsschuld; overwegende dat het nominale tekort en de overheidsschuldquote van de EU boven de referentiewaarden blijven; overwegende dat zowel het nominale tekort als de overheidsschuldquote variëren in de EU, met sterk uiteenlopende situaties in de verschillende lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat in 2024 ten aanzien van acht lidstaten buitensporigtekortprocedures zijn opgestart of voortgezet; overwegende dat ten aanzien van sommige lidstaten geen buitensporigtekortprocedure is opgestart, ondanks het feit dat zij in 2023 een tekort van meer dan 3 % van het bbp hadden, zoals besloten door de Raad en de Commissie na een evenwichtige beoordeling van alle relevante factoren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de Raad sinds de instelling van de procedure inzake macro-economische onevenwichtigheden in 2011 geen dergelijke procedure heeft ingeleid; overwegende dat de Commissie in overeenstemming met haar waarschuwingsmechanismeverslag een diepgaande evaluatie zal uitvoeren van tien landen waarvan is vastgesteld dat er voor 2025 sprake is van macro-economische onevenwichtigheden of buitensporige onevenwichtigheden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het succes van een kader sterk afhankelijk is van de correcte, transparante en doeltreffende uitvoering ervan vanaf het begin, rekening houdend met de uitgangsposities van de lidstaten en de individuele uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de tijdige indiening van de nationale budgettair-structurele en ontwerpbegrotingsplannen voor de middellange termijn een voorwaarde is voor de doeltreffende uitvoering en geloofwaardigheid van de nieuwe regels; overwegende dat de eerste nationale begrotingsplannen reeds door de Raad zijn beoordeeld; overwegende dat de gelijke behandeling van de lidstaten en de naleving van de vereisten van Verordening (EU) 2024/1263 met betrekking tot de begrotingsplannen noodzakelijk zijn voor de doeltreffende uitvoering van het kader;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de economische vooruitzichten voor de EU zeer onzeker blijven en dat het risico toeneemt dat toekomstige gebeurtenissen of situaties de economie negatief zullen beïnvloeden; overwegende dat de agressie van Rusland jegens Oekraïne en de conflicten in het Midden-Oosten de geopolitieke risico’s aanwakkeren en de kwetsbaarheid van Europa inzake energie laten zien; overwegende dat de toename van protectionistische maatregelen van handelspartners de wereldhandel kunnen beïnvloeden, met negatieve gevolgen voor de economie van de EU; overwegende dat uit de huidige geopolitieke spanningen is gebleken dat de EU haar open strategische autonomie verder moet versterken en concurrerend moet blijven op de wereldmarkt, en er tegelijkertijd voor moet zorgen dat niemand wordt achtergelaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de uitvoering van het herziene kader voor economische governance naar verwachting zal leiden tot een restrictief begrotingsbeleid voor de eurozone als geheel, van 0,5 % van het bbp in 2024 en 0,25 % van het bbp in 2025; overwegende dat er politiek overleg nodig is om passende niveaus van overheidsinvesteringen te waarborgen na afloop van de herstel- en veerkrachtfaciliteit in 2026;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat in het verslag-Draghi wordt opgemerkt dat de kloof tussen de EU en de Verenigde Staten op het vlak van het bbp tegen prijzen van 2015 geleidelijk is toegenomen, van iets meer dan 15 % in 2002 tot 30 % in 2023, en dat de EU jaarlijks naar schatting 800 miljard EUR meer zou moeten investeren, waaronder 450 miljard EUR voor de energietransitie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat de nieuwe Commissie zich ten doel heeft gesteld een “investeringscommissie” te zijn; overwegende dat er in de EU besprekingen nodig zijn over het aanpakken van de aanzienlijke investeringskloof en het verlagen van de financieringskosten; overwegende dat het kader in voorkomend geval moet worden versterkt met investeringsinstrumenten op EU-niveau die zijn ontworpen om de kosten voor de belastingbetalers in de EU tot een minimum te beperken en Europese collectieve goederen zo efficiënt mogelijk te leveren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat de lidstaten over de nodige controle- en auditmechanismen moeten beschikken om de eerbiediging van de rechtsstaat te waarborgen en de financiële belangen van de EU te beschermen, met name om fraude, corruptie en belangenconflicten te voorkomen, en transparantie te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat het belangrijk is het percentage “volledig opgevolgde” landspecifieke aanbevelingen te verhogen en ze beter te laten aansluiten op de respectieve landenverslagen om bij te dragen tot een doeltreffender economisch bestuur;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>merkt op dat de EU de afgelopen jaren blijk heeft gegeven van een hoge mate van veerkracht en eenheid bij grote schokken, onder andere dankzij een gecoördineerde beleidsrespons van alle EU-instellingen, met inbegrip van flexibiliteit bij de toepassing van nieuwe en bestaande instrumenten; wijst er voorts op dat het bevorderen van duurzame groei op lange termijn betekent dat een evenwicht moet worden gevonden tussen verantwoord begrotingsbeleid, structurele hervormingen en investeringen die samen de efficiëntie, productiviteit, werkgelegenheid en welvaart verhogen, en dat dit ook inhoudt dat het concurrentievermogen wordt versterkt, de eengemaakte markt wordt bevorderd, een beleid voor economische groei wordt ontwikkeld en het regelgevingskader wordt herzien om investeringen aan te trekken; benadrukt dat het van fundamenteel belang is om duurzame, inclusieve en concurrerende economische groei tot stand te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>merkt op dat coördinatie van het economisch beleid fundamenteel noodzakelijk is voor een succesvolle economische en monetaire unie; wijst erop dat het Europees Semester het vaste kader is voor de coördinatie van het economisch, sociaal, begrotings- en werkgelegenheidsbeleid in de hele EU overeenkomstig de Verdragen, met inachtneming van de vastgestelde nationale bevoegdheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>neemt kennis van de toezegging van de Commissie om ervoor te zorgen dat het Europees Semester een drijvende kracht is achter beleidscoördinatie voor concurrentievermogen, duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid, alsook voor de integratie van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en de Europese pijler van sociale rechten; merkt op dat de Europese Green Deal een speerpunt blijft voor de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt dat een geïntegreerd, gecoördineerd, doelgericht en horizontaal industriebeleid van vitaal belang is om de investeringen in de innovatiecapaciteit van de EU te verhogen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de integriteit van de eengemaakte markt te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>benadrukt dat publieke en particuliere investeringen cruciaal zijn om de EU in staat te stellen het hoofd te bieden aan bestaande uitdagingen, waaronder het ontwikkelen van de innovatiecapaciteit van de EU en het uitvoeren van de rechtvaardige groene en digitale transitie, en dat zij de veerkracht, het concurrentievermogen op de lange termijn en de open strategische autonomie van de EU zullen vergroten; wijst erop dat er strategische investeringen nodig zijn in energie-interconnecties, koolstofarme energie (zoals hernieuwbare energiebronnen) en energie-efficiëntie, onder meer om i) de EU onafhankelijk te maken van ingevoerde fossiele brandstoffen en de mogelijke inflatoire effecten van afhankelijkheid daarvan te voorkomen, ii) de productiesystemen te moderniseren en iii) de sociale cohesie te bevorderen; merkt op dat fysieke risico’s in verband met klimaatverandering, wanneer ze zich voordoen, grote gevolgen voor de overheidsfinanciën kunnen hebben, zoals is gebleken bij de overstromingen in Valencia in oktober 2024 en de cycloon op Mayotte in december 2024; verzoekt de lidstaten de nodige investeringen te doen om de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering te verbeteren en de EU-economie veerkrachtiger te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>verzoekt de Commissie op basis van de Verklaring van Boedapest initiatieven te nemen om de EU concurrerender, productiever, innovatiever en duurzamer te maken, door voort te bouwen op economische, sociale en territoriale cohesie en te zorgen voor convergentie en een gelijk speelveld, zowel binnen de EU als wereldwijd; neemt kennis van de ontwikkeling van een nieuw instrument voor de coördinatie van het concurrentievermogen; verwacht van de Commissie dat zij verduidelijkt hoe dit instrument zal interageren met het Europees Semester; wijst erop dat het van belang is micro-, kleine en middelgrote ondernemingen te ondersteunen als drijvende krachten achter economische groei en werkgelegenheid in de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>wijst erop dat een dynamisch ecosysteem voor ondernemerschap moet worden bevorderd dat innovatoren ondersteunt, waarbij wordt erkend dat zij een cruciale rol spelen bij het stimuleren van het mondiale concurrentievermogen, economische veerkracht, banencreatie en open strategische autonomie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>is ingenomen met de aanbevelingen van de Commissie in verband met het economisch beleid van de eurozone, waarbij zij de lidstaten ertoe oproept het concurrentievermogen te vergroten en de productiviteit te bevorderen door middel van betere toegang tot financiering voor bedrijven, minder administratieve lasten, en publieke en particuliere investeringen op gebieden die gemeenschappelijke prioriteiten van de EU vormen, waaronder i) een eerlijke groene en digitale transitie, ii) sociale en economische veerkracht, met inbegrip van de Europese pijler van sociale rechten, iii) energiezekerheid, en iv) de opbouw van defensievermogens;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>is ingenomen met de aanbeveling van de Commissie dat de lidstaten van de eurozone bij het vaststellen van begrotingsstrategieën ernaar moeten streven de kwaliteit en efficiëntie van overheidsuitgaven en ‑inkomsten te verbeteren, daar die van essentieel belang zijn om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te waarborgen en tegelijkertijd schadelijke en verstorende gevolgen voor de economische groei tot een minimum te beperken; benadrukt dat dit onder meer kan worden bereikt door de Europese coördinatie te verbeteren en belastingontwijking en -ontduiking terug te dringen; is ingenomen met de conclusie in het verslag-Draghi dat een gecoördineerde verlaging van de belasting op inkomen uit arbeid voor werknemers met een laag tot gemiddeld inkomen nodig is om het concurrentievermogen van de EU te bevorderen; wijst erop dat de lidstaten bevoegd zijn voor belastingbeleid; verzoekt de lidstaten de belastingdruk te verleggen van inkomen naar minder verstorende belastinggrondslagen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>benadrukt dat er begrotingsbuffers moeten worden gecreëerd om uitdagingen op het gebied van houdbaarheid van de overheidsfinanciën aan te pakken, voldoende middelen voor investeringen te waarborgen en potentiële toekomstige schokken en crises op te vangen; vindt het belangrijk concurrerende, duurzame en inclusieve groei te bevorderen ter ondersteuning van begrotingsstabiliteit en budgettaire veerkracht op lange termijn;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Economische vooruitzichten voor de EU</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>vindt het verontrustend dat volgens de economische najaarsprognose 2024 van de Commissie het bbp van de EU in 2024 met 0,9 % zal groeien (0,8 % in de eurozone), in 2025 met 1,5 % (1,3 % in de eurozone) en in 2026 met 1,8 % (1,6 % in de eurozone); herinnert eraan dat deze cijfers blijk geven van een geleidelijk herstel, maar ook van een beperkte economische groei in vergelijking met vorige economische cycli; merkt op dat de economische vooruitzichten voor de EU zeer onzeker blijven, met risico’s die de economische groei negatief dreigen te beïnvloeden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>stelt vast dat de overheidsschuldquote naar verwachting zal stijgen tot 83,0 % in de EU en 89,6 % in de eurozone in 2025 en tot 83,4 % in de EU en 90 % in de eurozone in 2026, wanneer de outputkloof zowel in de EU als in de eurozone vrijwel gedicht zal zijn, en dat dit cijfer daarmee hoger ligt dan in 2024 (82,4 % voor de EU en 89,1 % voor de eurozone);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>wijst erop dat de ontwikkeling van de overheidsschuldquote van land tot land verschilt; wijst erop dat beleidsonzekerheid en geopolitieke risico’s de kosten van leningen op de financiële markten aanzienlijk kunnen doen toenemen voor de lidstaten; merkt op dat onhoudbare schuldniveaus ten koste kunnen gaan van de economische stabiliteit en afbreuk kunnen doen aan de economische veerkracht van de lidstaten en hun vermogen om te reageren op crises; benadrukt dat de schuldquotes van elf lidstaten van de eurozone in 2024 en 2025 naar verwachting boven de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 % zullen liggen en dat ze in vijf lidstaten boven 100 % zullen blijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>neemt er kennis van dat volgens de economische najaarsprognose 2024 van de Commissie het overheidstekort in de EU en de eurozone zal dalen tot respectievelijk 3,1 % en 3 % van het bbp in 2024 en verder zal dalen tot 3 % en 2,9 % van het bbp in 2025 en tot 2,9 % en 2,8 % van het bbp in 2026; benadrukt dat in 2024 naar verwachting tien lidstaten een tekort van meer dan de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp zullen hebben; wijst erop dat dit aantal in 2025 stabiel zal blijven en dat de meeste lidstaten in 2026 naar verwachting nog steeds een zwakkere begrotingssituatie zullen hebben dan vóór de pandemie (2019), waarbij negen lidstaten nog steeds een tekort van meer dan 3 % zullen hebben;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>merkt op dat acht lidstaten buitensporige tekorten hebben; wijst erop dat de Raad corrigerende maatregelen heeft genomen en verzoekt de betrokken lidstaten maatregelen te nemen om buitensporige tekorten terug te dringen en tegelijkertijd de sociaal-economische gevolgen tot een minimum te beperken; acht het belangrijk de buitensporigtekortprocedure consistent op de lidstaten toe te passen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>neemt er kennis van dat volgens de economische najaarsprognose 2024 van de Commissie de inflatie zal dalen van 2,6 % in 2024 tot 2,4 % in 2025 en tot 2 % in 2026 in de EU, en van 2,4 % in 2024 tot 2,1 % in 2025 en 1,9 % in 2026 in de eurozone; herinnert eraan dat, hoewel deze daling positief is, de kerninflatie relatief hoog blijft, hetgeen duidt op aanhoudende inflatiedruk; merkt op dat het begrotingsbeleid de houdbaarheid van de overheidsfinanciën moet waarborgen maar ook het monetaire beleid kan ondersteunen bij het verminderen van de inflatie, en dat het voldoende ruimte voor aanvullende investeringen moet laten en langetermijngroei moet ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>merkt op dat de Commissie de jaarlijkse duurzamegroeianalyse, het waarschuwingsmechanismeverslag, de ontwerpaanbeveling voor de eurozone en het ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid niet gelijktijdig heeft kunnen presenteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>merkt op dat, volgens het waarschuwingsmechanismeverslag 2025 van de Commissie, in 2025 diepgaande evaluaties zullen worden voorbereid voor de negen landen waarvan is vastgesteld dat zij in 2024 met onevenwichtigheden of buitensporige onevenwichtigheden te kampen hebben gehad, terwijl een nieuwe diepgaande evaluatie moet worden uitgevoerd voor een andere lidstaat, aangezien die bijzondere risico’s op nieuwe onevenwichtigheden vertoont;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>onderstreept dat huisvesting rechtstreeks samenhangt met de macro-economische onevenwichtigheden in de eurozone, met schadelijke gevolgen voor de economische veerkracht, de dynamiek en de sociale vooruitgang en voor de regionale mobiliteit en de mobiliteit binnen de EU; vindt het zorgwekkend dat de huizenprijzen in sommige lidstaten waarschijnlijk zullen stijgen en bij gebrek aan een holistische strategie moeilijk te beteugelen kunnen worden;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Herzien EU-kader voor economische governance en de doeltreffende uitvoering daarvan</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>wijst erop dat de hervorming tot doel heeft het kader eenvoudiger, transparanter en doeltreffender te maken, met meer nationale verantwoordelijkheid en betere handhaving, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de lidstaten op basis van hun individuele uitgangsposities, hetgeen een stap voorwaarts betekent om een einde te maken aan de uniforme aanpak in het licht van de landspecifieke overwegingen met betrekking tot de houdbaarheid van de overheidsfinanciën die zijn opgenomen in het netto-uitgavenpad; herinnert er voorts aan dat met de hervorming wordt beoogd de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te versterken door middel van geleidelijke en op maat gesneden aanpassingen, in combinatie met hervormingen en investeringen, en anticyclisch begrotingsbeleid te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>erkent dat de nieuwe begrotingsregels voorzien in meer flexibiliteit en stimulansen in verband met de investeringen en nationale hervormingen die nodig zijn om de economische, sociale en geopolitieke uitdagingen waarmee de EU wordt geconfronteerd, aan te pakken; erkent dat de financiële middelen en bijdragen uit de nationale begrotingen per lidstaat verschillen; is ingenomen met het feit dat de indicator voor netto-uitgaven alle nationale medefinanciering in door de EU gefinancierde programma’s uitsluit, waardoor de lidstaten meer begrotingsruimte krijgen om te investeren in de gemeenschappelijke prioriteiten van de EU, zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2024/1263, en zo de synergieën tussen de EU-begroting en de nationale begrotingen helpen versterken, waardoor de versnippering wordt verminderd en de algemene efficiëntie van overheidsuitgaven op sommige gebieden, zoals defensie, wordt vergroot;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>benadrukt dat de schuldhoudbaarheidsanalyse van essentieel belang is voor de hervormde begrotingsregels van de EU; is van mening dat de discretionaire rol van de Commissie in de schuldhoudbaarheidsanalyse vereist dat de desbetreffende beoordelingen volledig transparant, voorspelbaar, reproduceerbaar en stabiel zijn; verzoekt de Commissie mogelijke methodologische verbeteringen aan te pakken, zoals het beoordelen van overloopeffecten tussen de lidstaten, en het Parlement hierover naar behoren te informeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>wijst erop dat de Commissie het kader voor begrotingsregels in het verleden inconsistent heeft toegepast en dat de lidstaten de regels ongelijk hebben nageleefd; benadrukt dat het van essentieel belang is dat het nieuwe kader de gelijke behandeling van de lidstaten waarborgt; stelt dat een succesvol kader sterk afhankelijk is van een correcte, transparante en doeltreffende uitvoering vanaf het begin, rekening houdend met de uitgangsposities van de lidstaten en de individuele uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd; neemt kennis van de wijzigingen die in het nieuwe kader zijn aangebracht om de geloofwaardigheid van de financiële sanctieregeling te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>moedigt de lidstaten aan de technische definitie van hun nationale operationele indicator af te stemmen op de Europese indicator voor primaire netto-uitgaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>benadrukt de rol van het Parlement en onafhankelijke begrotingsautoriteiten bij het EU-kader voor economische governance; onderstreept de discretionaire bevoegdheid van de Commissie bij de ontwikkeling van de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn; benadrukt dat het Parlement en het Europees Begrotingscomité nauwer moeten toezien op de Commissie, zoals beoogd met Verordening (EU) 2024/1263, en dat het Parlement beter moet worden geïnformeerd om doeltreffend toezicht mogelijk te maken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Nationale budgettair-structurele en begrotingsplannen voor de middellange termijn</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>merkt op dat niet alle lidstaten hun nationale budgettair-structurele en ontwerpbegrotingsplannen voor de middellange termijn tijdig konden indienen; merkt op dat vijf lidstaten als gevolg van parlementsverkiezingen en de vorming van nieuwe regeringen hun nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn nog niet hebben ingediend en dat twee lidstaten hun ontwerpbegrotingsplannen nog niet hebben ingediend, terwijl één lidstaat zijn ontwerpbegrotingsplan om andere, niet nader bepaalde redenen niet heeft ingediend; roept deze lidstaten op de desbetreffende plannen zo spoedig mogelijk in te dienen; onderstreept dat de tijdige indiening van deze plannen een voorwaarde is voor de doeltreffende uitvoering en de geloofwaardigheid van de nieuwe regels; wijst nogmaals op het belang van de tijdige indiening van ontwerpbegrotingsplannen zodat de toezeggingen in de begrotingsplannen, na de goedkeuring van de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn, kunnen worden omgezet in concreet beleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>herinnert eraan dat de hervormingen en investeringen in de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn moeten stroken met de gemeenschappelijke prioriteiten van de EU zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2024/1263; benadrukt dat de Commissie in het nieuwe kader bijzondere aandacht moet besteden aan deze prioriteiten wanneer ze de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn beoordeelt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>erkent dat 21 van de 22 nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn die tot dusver zijn beoordeeld, een positieve evaluatie hebben gekregen; stelt vast dat de lidstaten in het nieuwe kader kunnen uitgaan van aannames die afwijken van de schuldhoudbaarheidsanalyse van de Commissie indien deze verschillen op transparante wijze worden toegelicht, naar behoren worden gemotiveerd en berusten op solide economische argumenten in de technische dialoog met de lidstaten; merkt echter op dat de Commissie in de door vijf lidstaten ingediende plannen onvoldoende gerechtvaardigde inconsistenties en afwijkingen van het kader voor de schuldhoudbaarheidsanalyse heeft vastgesteld in macro-economische aannames met betrekking tot het potentiële bbp en/of de bbp-deflator; benadrukt dat dergelijke afwijkingen en risico’s op uitstel van inspanningen de toekomstige houdbaarheid van de overheidsfinanciën in gevaar kunnen brengen; merkt op dat de Commissie erkent dat in de plannen die drie lidstaten hebben ingediend, de begrotingsaanpassing tegen het einde van de periode geconcentreerd is; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat een dergelijke concentratie van de aanpassing voldoet aan de vereisten van de verordening, en roept de Commissie op procyclisch beleid te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>constateert dat slechts zeven lidstaten hun relevante onafhankelijke begrotingsinstelling om advies hebben verzocht, terwijl dat het toezicht extra kracht bijzet; stelt bezorgd vast dat sommige onafhankelijke begrotingsinstellingen een negatief oordeel hebben gegeven over het nationale begrotingsplan van hun lidstaat; benadrukt dat negen lidstaten niet hebben voldaan aan hun verplichting om het maatschappelijk middenveld, sociale partners, regionale autoriteiten en andere relevante belanghebbenden te raadplegen voordat zij hun nationale plannen indienden; betreurt tevens dat verschillende lidstaten hun nationale parlementen niet hebben betrokken bij het goedkeuringsproces voor de plannen en niet hebben gemeld of de vereiste raadplegingen met de nationale parlementen hebben plaatsgevonden, zoals bepaald in het nieuwe kader;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>merkt op dat vijf lidstaten om een verlenging van de aanpassingsperiode hebben verzocht; benadrukt dat een dergelijke verlenging gebaseerd moet zijn op een reeks investerings- en hervormingstoezeggingen die samen de potentiële groei en veerkracht van de economie verbeteren, de houdbaarheid van de overheidsfinanciën ondersteunen, de gemeenschappelijke prioriteiten van de EU en de relevante landspecifieke aanbevelingen aanpakken en in overeenstemming zijn bevonden met de in de verordening uiteengezette voorwaarden voor een dergelijke verlenging; neemt er nota van dat de hervormingen en investeringen die zijn aangehaald om deze verlenging te rechtvaardigen, grotendeels gebaseerd zijn op hervormingen die reeds zijn goedgekeurd in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; benadrukt het belang en de noodzaak van hervormingen en investeringen die een positieve bijdrage leveren aan de potentiële bbp-groei van de lidstaten; verzoekt de Commissie achteraf te evalueren of de overeengekomen investeringen en hervormingen daadwerkelijk hebben bijgedragen tot het ondersteunen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, het versterken van het groeipotentieel van de economie, het aanpakken van de gemeenschappelijke prioriteiten van de EU en de landspecifieke aanbevelingen en het waarborgen van het vereiste niveau van nationaal gefinancierde overheidsinvesteringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>neemt kennis van de beoordeling door de Commissie dat slechts acht van de 17 ingediende ontwerpbegrotingsplannen in overeenstemming zijn met de begrotingsaanbevelingen die voortvloeien uit de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn; betreurt dat volgens de beoordeling zeven plannen niet volledig stroken met de aanbevelingen, één niet-conform is en één niet dreigt te stroken met de aanbevelingen; is bezorgd over het feit dat zes lidstaten ontwerpbegrotingsplannen hebben ingediend met een jaarlijkse of cumulatieve groei van de uitgaven boven hun voorgeschreven plafonds;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Begrotingskoers en de rol van het begrotingsbeleid bij de levering van Europese collectieve goederen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>neemt kennis van de prognose van de Commissie dat de uitvoering van het herziene governancekader het structureel primair saldo voor de eurozone als geheel zal doen dalen met 0,5 % van het bbp in 2024 en met 0,25 % van het bbp in 2025; neemt kennis van de beoordeling door de Commissie dat dit in overeenstemming is met de inspanningen om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verbeteren en het lopende desinflatieproces te ondersteunen, aangezien de economische onzekerheid hoog blijft; merkt op dat de groei van het bbp de consolidatie van de overheidsfinanciën in de hele EU zal blijven ondersteunen; dringt aan op een begrotingsbeleid dat de stabiliteit herstelt en tegelijkertijd innovatie, het concurrentievermogen van de industrie en economische groei op lange termijn bevordert; benadrukt dat er extra begrotingsruimte moet worden gecreëerd om toekomstige uitdagingen en potentiële crises aan te pakken, met behoud van voldoende investeringen om duurzame en inclusieve groei, industrialisering en welvaart voor iedereen te ondersteunen en te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>is van mening dat de doeltreffende uitvoering van de begrotingsregels noodzakelijk is maar op zich niet volstaat om te allen tijde een optimale begrotingskoers te verwezenlijken en een hoge levensstandaard voor alle Europeanen te waarborgen; merkt op dat de begrotingskoers in 2025 naar verwachting nog steeds aanzienlijk zal verschillen van lidstaat tot lidstaat; verzoekt de Commissie ideeën te onderzoeken voor een mechanisme waarmee ervoor kan worden gezorgd dat de conjunctuur in de EU als geheel te allen tijde is afgestemd op de macro-economische vooruitzichten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>wijst erop dat de fiscal-drag in 2025 volgens de Commissie gedeeltelijk zal worden gecompenseerd door een lichte toename van investeringen, die zowel uit de nationale begrotingen als uit subsidies uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen worden gefinancierd; benadrukt de rol van de herstel- en veerkrachtfaciliteit bij het aanpakken van de investeringsbehoeften in de EU, en merkt op dat de faciliteit eind 2026 afloopt, wat zou kunnen leiden tot een daling van de overheidsinvesteringen in gemeenschappelijke Europese prioriteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>verzoekt de Commissie besprekingen over het aanpakken van de aanzienlijke investeringskloof in de EU op gang te brengen en de financieringskosten te verlagen, de financiële stabiliteit te versterken en strategische investeringen mogelijk te maken in overeenstemming met de doelstellingen van de EU en met het oog op de levering van Europese collectieve goederen, zoals defensievermogens, om tegemoet te komen aan de behoeften in een context van toenemende dreigingen en veiligheidsuitdagingen; dringt erop aan ten volle gebruik te maken van de efficiëntiewinsten die kunnen voortvloeien uit de levering van Europese collectieve goederen op EU-niveau door middel van een doeltreffende coördinatie van de investeringsprioriteiten tussen de lidstaten; is van mening dat dit kader in voorkomend geval moet worden versterkt met investeringsinstrumenten op EU-niveau die zijn ontworpen om de kosten voor de belastingbetalers in de EU tot een minimum te beperken en Europese collectieve goederen zo efficiënt mogelijk te leveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>wijst erop dat EU-uitgaven gepaard moeten gaan met robuuste controles om transparantie, verantwoordingsplicht en efficiënt gebruik van middelen te garanderen, opdat ze niet leiden tot een ongerechtvaardigde toename van de overheidsuitgaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>moedigt de lidstaten aan investeringsuitgaven te bevorderen die een positief rendement opleveren; neemt kennis van de inschatting in het verslag-Draghi dat ongeveer vier vijfde van de productieve investeringen door de particuliere sector in de EU zal worden gedaan, terwijl overheidsinvesteringen als katalysator zullen fungeren; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om in het kader van het nieuwe meerjarig financieel kader een fonds voor concurrentievermogen voor te stellen en verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van financiële garanties om particuliere investeringen aan te trekken; benadrukt dat de lidstaten hun inspanningen, met name hun begrotingsinspanningen, moeten opvoeren om innovatie, digitalisering, onderwijs, opleiding en decarbonisatie te versnellen, het Europese concurrentievermogen te versterken en afhankelijkheden te verminderen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Landspecifieke aanbevelingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>stelt vast dat het percentage “volledig opgevolgde” landspecifieke aanbevelingen is gedaald van 18,1 % (in de periode 2011-2018) tot 13,9 % (in de periode 2019-2023); herinnert eraan dat het opvolgen van landspecifieke aanbevelingen, ook in verband met de efficiëntie van de overheidsuitgaven, van fundamenteel belang is om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te waarborgen en macro-economische onevenwichtigheden aan te pakken; pleit voor een efficiëntere opvolging van de landspecifieke aanbevelingen en de desbetreffende hervormingen; dringt erop aan na te gaan hoe het percentage “volledig opgevolgde” landspecifieke aanbevelingen kan worden verhoogd; verzoekt de Commissie de landspecifieke aanbevelingen beter te laten aansluiten op de respectieve landverslagen; dringt erop aan het effect van de hervormingen en de vooruitgang bij het verkleinen van de vastgestelde investeringstekorten te evalueren; dringt aan op meer transparantie bij de opstelling van landspecifieke aanbevelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>herhaalt in dit verband dat de landspecifieke aanbevelingen moeten worden versterkt door de nadruk te leggen op een beperkt aantal uitdagingen, met name specifieke structurele uitdagingen voor de lidstaten en de gemeenschappelijke prioriteiten van de EU, met het oog op het bevorderen van gezonde en inclusieve economische groei, het versterken van het concurrentievermogen en de macro-economische stabiliteit, het bevorderen van de groene en de digitale transitie en het waarborgen van sociale en intergenerationele rechtvaardigheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>herinnert aan de toezegging van de lidstaten om in hun nationale begrotingsplannen rekening te houden met zowel de economische als de sociale dimensie van de relevante landspecifieke aanbevelingen, zoals aangegeven in het kader van het Europees Semester; stelt vast dat de Commissie in de nationale begrotingsplannen landspecifieke aanbevelingen heeft aangetroffen waar geen rekening mee is gehouden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>benadrukt dat de landspecifieke aanbevelingen belangrijk zijn voor het aanpakken van de factoren die op langere termijn de houdbaarheid van de overheidsfinanciën bepalen, met inbegrip van de houdbaarheid en de goede werking van openbare pensioenstelsels, de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg in het licht van demografische uitdagingen zoals de vergrijzing, en de paraatheid voor ongunstige ontwikkelingen, met inbegrip van fysieke risico’s in verband met klimaatverandering; benadrukt het belang van landspecifieke aanbevelingen voor het aanpakken van de stabiliteit van de woningmarkt om bij te dragen tot de economische veerkracht van de EU;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>