<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0032</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid: prioriteiten voor 2025 op het vlak van werkgelegenheid en sociaal beleid</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0023/2025 - Rapporteur: Maravillas Abadía Jover)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2025 over het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid: prioriteiten voor 2025 op het vlak van werkgelegenheid en sociaal beleid (2024/2084(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 9, 121, 148 en 149 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Europese pijler van sociale rechten (EPSR), die op 17 november 2017 door het Parlement, de Raad en de Commissie is afgekondigd en ondertekend,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 4 maart 2021 getiteld “Het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten” (COM(2021)0102) en de daarin voorgestelde kerndoelen voor 2030 inzake werkgelegenheid, vaardigheden en armoedebestrijding,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 17 december 2024 getiteld “Europees Semester 2025 – Najaarspakket” (COM(2024)0700),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2024 getiteld “Europees Semester 2025: het nieuwe kader voor economische governance gaat van start” (COM(2024)0705),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 17 december 2024 voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad (COM(2024)0701),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Commissie van 17 december 2024 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2024)0704),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 17 december 2024 getiteld “Waarschuwingsmechanismeverslag 2025” (COM(2024)0702),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 november 2024 getiteld “Fiscal statistical tables providing relevant background data for the assessment of the 2025 draft budgetary plans” (SWD(2024)0950),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 17 december 2024 getiteld “The changes in the scoreboard of the Macroeconomic Imbalance Procedure” in het kader van het reguliere evaluatieproces (SWD(2024)0702),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 22 oktober 2024 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2024 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024 – actualisering van de ontvangsten (eigen middelen) en aanpassingen met betrekking tot sommige gedecentraliseerde agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2025/491, 29.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/491/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van Mario Draghi van 9 september 2024 getiteld “The future of European competitiveness” (De toekomst van het Europese concurrentievermogen),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van Enrico Letta van april 2024 over de toekomst van de interne markt<FOOTNOTE><FIELD>Letta, E., <STRING ITALIC="on">Much more than a market</STRING> – <STRING ITALIC="on">Speed, security, solidarity – Empowering the Single Market to deliver a sustainable future and prosperity for all EU Citizens</STRING>, april 2024.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Verklaring van Terhulpen over de toekomst van de Europese pijler van sociale rechten, die op 16 april 2024 door het Parlement, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Raad is ondertekend,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2023/955 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot oprichting van een sociaal klimaatfonds en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1060<FOOTNOTE><FIELD>PB L 130 van 16.5.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/955/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/1263, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1263/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 3, 4, 13 en 27,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 17 januari 2023 getiteld “Het benutten van talent in Europa’s regio’s” (COM(2023)0032),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2024 getiteld “Tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden in de EU: een actieplan” (COM(2024)0131),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Europese vaardighedenagenda 2020,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 7 september 2022 over de Europese zorgstrategie (COM(2022)0440),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad over toegang tot betaalbare en hoogwaardige langdurige zorg<FOOTNOTE><FIELD>PB C 476 van 15.12.2022, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het sociaal scorebord van de EU en de daarin opgenomen kern- en secundaire indicatoren,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2021 getiteld “Unie van gelijkheid: strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030” (COM(2021)0101),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 19 september 2024 getiteld “Employment and Social Developments in Europe (ESDE): upward social convergence in the EU and the role of social investment”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het besluit van de Raad betreffende richtsnoeren voor de werkgelegenheid, aangenomen door de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken op 2 december 2024, waarin werkgelegenheids- en sociale prioriteiten worden vastgesteld die zijn afgestemd op de beginselen van de EPSR,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Tripartiete verklaring voor een bloeiende Europese sociale dialoog en het komende pact voor de sociale dialoog,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L 275 van 25.10.2022, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (de “richtlijn minimumlonen”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Europees Sociaal Handvest, waarnaar wordt verwezen in de preambule van de EPSR,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het strategisch EU-kader voor gelijkheid, integratie en participatie van de Roma voor 2020-2030,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het EU-actieplan tegen racisme 2020-2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers 2020-2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A10-0023/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat er vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de werkgelegenheidsdoelstellingen van de EU, namelijk dat ten minste 78 % van de mensen tussen 20 en 64 jaar tegen 2030 een baan moet hebben, ondanks de onzekerheid als gevolg van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en de gevolgen van de hoge inflatie; overwegende dat de werkgelegenheidsgraad in de EU volgens de economische najaarsprognose 2025 van de Commissie 75,3 % bedraagt; overwegende dat de werkgelegenheid in de EU ook in 2023 flink is toegenomen; overwegende dat de werkgelegenheidsgroei in 2023 in twee derde van de lidstaten op schema lag om de nationale doelstellingen tegen 2030 te halen; overwegende dat er echter nog steeds aanzienlijke uitdagingen zijn, waaronder de hoge werkloosheidscijfers in sommige lidstaten, met name onder jongeren en personen met een handicap, en dat er ook nog steeds een aanzienlijke ongelijkheid bestaat tussen sectoren en regio’s, die de sociale cohesie en het welzijn van de Europese burgers op de lange termijn negatief kan beïnvloeden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het Europees Semester verschillende instrumenten combineert in een geïntegreerd kader voor multilaterale coördinatie van en toezicht op het economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid binnen de EU en dat het een belangrijk instrument moet worden om opwaartse sociale convergentie te bevorderen; overwegende dat het kader voor sociale convergentie een belangrijk instrument is om sociale uitdagingen en opwaartse convergentie binnen het Europees Semester te beoordelen en om sociale verschillen tussen de lidstaten te monitoren, en dat met dat kader ook de uitdagingen worden aangepakt die in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid zijn vastgesteld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de Unie voor 2030 de doelstelling heeft aangenomen om het aantal mensen dat in armoede en sociale uitsluiting dreigt te vervallen ten opzichte van 2019 met ten minste 15 miljoen te verminderen, waaronder ten minste 5 miljoen kinderen; overwegende dat de trend in bijna de helft van de lidstaten de andere kant op gaat; overwegende dat een op de vier kinderen in de Unie nog steeds risico loopt op armoede en sociale uitsluiting; overwegende dat het met de huidige trend niet mogelijk zal zijn de doelstelling van 2030 te halen; overwegende dat overheidsuitgaven voor kinderen en jongeren niet alleen als sociale uitgaven moeten worden beschouwd, maar ook als een investering in de toekomst; overwegende dat sterke, duurzame en inclusieve economische groei alleen kan worden bevorderd als de volgende generatie haar volledige onderwijspotentieel kan ontwikkelen zodat ze voorbereid is op de veranderende arbeidsmarkt; overwegende dat de EU, om de Barcelona-doelstellingen voor voorschoolse en vroegschoolse educatie van 2030 te halen, nog eens 11 miljard EUR per jaar moet investeren<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie, “Employment and Social Developments in Europe (ESDE) 2024”, september 2024.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat, ondanks een minimale vermindering van het aantal mensen dat in 2023 risico liep op armoede of sociale uitsluiting in de EU, ongeveer een op de vijf nog steeds met deze uitdaging wordt geconfronteerd, met opvallende uitschieters bij kinderen, jongeren en ouderen, personen met een handicap, lhbti’ers, niet in de EU geboren personen en Romagemeenschappen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat er aanzienlijke verschillen blijken te bestaan bij kinderen met een etnische of migratieachtergrond en kinderen met een handicap; overwegende dat 83 % van de Romakinderen in een huishouden woont dat met armoede wordt bedreigd; overwegende dat de Europese en nationale middelen die momenteel worden ingezet in geen geval volstaan om de uitdaging van kinderarmoede in de EU aan te pakken en dat daarom een specifiek financieringsinstrument voor de Europese kindergarantie en synergieën met andere Europese en nationale fondsen van het grootste belang zijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de EPSR richtinggevend voor het sociaal en economisch beleid van de EU moet zijn; overwegende dat de Commissie aan de hand van het sociaal scorebord en het kader voor sociale convergentie in de gaten moet houden in welke mate er bij de uitvoering van de EPSR vooruitgang wordt geboekt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat onevenredig veel zelfstandigen een laagwaardige baan hebben en het percentage zelfstandigen bovendien afneemt, ook onder jongeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat in de EU nog altijd 1,4 miljoen mensen in instellingen verblijven; overwegende dat bewoners van instellingen geïsoleerd zijn van de rest van de gemeenschap en onvoldoende controle hebben over hun leven en de beslissingen die hen aangaan; overwegende dat de Europese Unie zich al geruime tijd inzet voor de-institutionalisering, maar dat er zowel op Europees als op nationaal niveau nog steeds inspanningen nodig zijn om kwetsbare groepen in staat te stellen zelfstandig in een gemeenschapsomgeving te leven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat demografische uitdagingen, waaronder de vergrijzing, lage geboortecijfers en ontvolking van het platteland – waarbij met name jongeren naar de steden trekken –, de economische levendigheid en aantrekkelijkheid van gebieden in de EU, de arbeidsmarkten en bijgevolg de houdbaarheid van de socialezekerheidsstelsels ernstig in gevaar brengen en de regionale verschillen in de EU verder verergeren, en daarom een structurele uitdaging vormen voor de economie van de EU; overwegende dat, zoals in het verslag-Draghi wordt benadrukt, duurzame groei en concurrentievermogen in Europa in grote mate afhankelijk zijn van de aanpassing van de onderwijs- en opleidingsstelsels aan de veranderende behoeften aan vaardigheden, waarbij prioriteit wordt gegeven aan volwasseneneducatie en beroepsonderwijs en ‑opleiding, de deelname van de actieve bevolking aan de arbeidsmarkt en een degelijk socialezekerheidsstelsel;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat 70 % van de werknemers in Europa een hoogwaardige baan heeft, terwijl 30 % onder zware druk staat in banen waar de vraag groter is dan de middelen die beschikbaar zijn om de tekorten op te vangen, wat leidt tot een over het algemeen slechte kwaliteit van de banen; overwegende dat voor veel beroepen die kampen met een aanhoudend tekort aan arbeidskrachten het aandeel banen van lage kwaliteit hoger dan 30 % is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat er in het verslag-Letta op wordt gewezen dat het geboortecijfer aan het dalen is en dat er een kader moet worden gecreëerd ter ondersteuning van alle gezinnen als onderdeel van een strategie voor inclusieve groei in overeenstemming met de EPSR; overwegende dat in het verslag wordt opgemerkt dat het vrije verkeer van personen de minst ontwikkelde van de vier vrijheden blijft en dat ervoor wordt gepleit belemmeringen voor beroepsmobiliteit binnen de EU te verminderen en tegelijk de sociale, economische en politieke uitdagingen aan te pakken waar de verzendende lidstaten en hun meest achtergestelde regio’s mee te kampen hebben, alsook het recht om te blijven te waarborgen; overwegende dat een beleid moet worden nagestreefd dat het mogelijk maakt om gezin, werk en privéleven met elkaar in evenwicht te brengen en dat toegankelijke en professionele zorgstelsels waarborgt, evenals hoogwaardig openbaar onderwijs, verlof om gezinsredenen en flexibele werkregelingen in overeenstemming met de Europese zorgstrategie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de economische lasten voor huishoudens door de inflatie zijn gestegen, met bijzonder negatieve gevolgen voor groepen in een kwetsbare situatie, zoals alleenstaande ouders, grote gezinnen, ouderen of personen met een handicap; overwegende dat de huisvestingskosten en energiearmoede voor veel gezinnen nog steeds grote problemen zijn; overwegende dat huisvesting onbetaalbaar wordt voor wie in een huishouden leeft waar de huisvestingskosten 40 % van het totale beschikbare inkomen uitmaken; overwegende dat investeringen in sociale diensten, een groter woningaanbod, met inbegrip van sociale huisvesting, alsook beleid waarmee de toegankelijkheid en betaalbaarheid van huisvesting worden verbeterd, belangrijk zijn om de armoede onder kwetsbare huishoudens te kunnen terugdringen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de micro-, kleine en middelgrote ondernemingen van de EU voor specifieke uitdagingen staan, zoals concurrerend blijven met spelers uit derde landen, de productieniveaus handhaven ondanks de stijgende energiekosten en de nodige vaardigheden verwerven voor de groene en digitale transitie; overwegende dat zij financiële en technische ondersteuning nodig hebben om te voldoen aan de regelgevingsvereisten en de kansen te benutten die de dubbele transitie biedt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden een probleem blijven op alle niveaus en voorkomen in bedrijven van diverse omvang en sectoren; overwegende dat deze tekorten nog verergerd worden door een gebrek aan kandidaten voor cruciale functies in belangrijke sectoren zoals onderwijs, gezondheidszorg, vervoer, wetenschap, technologie, engineering en de bouw, vooral in gebieden die getroffen zijn door ontvolking; overwegende dat deze tekorten het gevolg kunnen zijn van verschillende factoren, zoals moeilijke arbeidsomstandigheden, onaantrekkelijke lonen, een vraag naar nieuwe vaardigheden en een tekort aan relevante opleidingen, het gebrek aan openbare diensten, belemmeringen voor de toegang tot middelbaar en hoger onderwijs en het gebrek aan erkenning van vaardigheden en onderwijs;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat de Unie zich ten doel heeft gesteld dat in 2030 ten minste 60 % van de volwassenen jaarlijks een opleiding volgt; overwegende dat de lidstaten zich hebben verbonden tot nationale streefdoelen om dit hoofddoel te bereiken en dat de meeste lidstaten achterlopen bij het bereiken van deze nationale streefdoelen; overwegende dat verdere inspanningen nodig zijn om het aanbod van en de toegang tot hoogwaardige opleidingen te waarborgen, teneinde een leven lang leren te bevorderen; overwegende dat alle werknemers, ook werknemers met een handicap, toegang moeten hebben tot bijscholings-, omscholings- en opleidingsprogramma’s, die bovendien op de behoeften en vermogens van de werknemers moeten worden afgestemd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat de gemiddelde score van het programma voor internationale studentenbeoordeling (PISA) voor de meting van basisvaardigheden (lezen, wiskunde en wetenschappen) van 15-jarigen in de landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in 2022 met 10 punten is gezakt ten opzichte van de laatste meting in 2018; overwegende dat er vooral onder kansarme lerenden sprake is van ondermaatse prestaties, waaruit blijkt dat de ongelijkheid in het onderwijs toeneemt; overwegende dat deze zorgwekkende verslechtering vraagt om hervormingen en investeringen in onderwijs en opleiding;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat het vermogen van de EU om toekomstige schokken, crises en meervoudige crises het hoofd te bieden en tegelijk de demografische, de digitale en de groene transitie in goede banen te leiden, in belangrijke mate zal afhangen van de omstandigheden waaronder essentiële werknemers hun werk kunnen verrichten; overwegende dat er voor het aanpakken van de tekorten en het behoud van alle soorten talent fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, toegang tot socialebeschermingsstelsels en mogelijkheden voor de ontwikkeling van vaardigheden die op de behoeften zijn afgestemd, nodig zijn; overwegende dat het aanpakken van tekorten aan vaardigheden van cruciaal belang is om de digitale en groene transitie te verwezenlijken en zo inclusieve en duurzame groei te waarborgen en het concurrentievermogen van de EU te stimuleren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat het van essentieel belang is mobiliteit binnen de EU te bevorderen en te overwegen geschoolde werknemers uit derde landen aan te trekken, en er tegelijk voor te zorgen dat sociale en arbeidsrechten worden geëerbiedigd en gehandhaafd en onderdanen van derde landen die via legale migratieroutes de EU binnenkomen te dirigeren naar beroepen die te kampen hebben met tekorten, en dat dit ondersteund moet worden door een doeltreffend integratiebeleid, waarbij ernaar gestreefd moet worden om talenten uit de Unie te benutten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen in de meeste EU-lidstaten nog steeds aanzienlijk is en dat zorgtaken een belangrijke factor zijn waardoor vrouwen zich gedwongen blijven zien in deeltijd te werken of uiteindelijk van de arbeidsmarkt worden uitgesloten, wat leidt tot een grotere arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid wordt gewezen op het recht om offline te zijn, met name in verband met telewerk, en wordt erkend dat dit recht een cruciale rol speelt bij het waarborgen van het evenwicht tussen werk en privéleven in een context van toenemende digitalisering en werken op afstand;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat verschillende sectoren, zoals de autoproductie en energie-intensieve industrieën, in 2024 voor uitdagingen kwamen te staan en dat een aantal bedrijven grootschalige herstructureringen heeft aangekondigd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat er verschillen zijn in de dekking van sociale diensten, waaronder langdurige zorg, kinderbescherming, steun voor slachtoffers van huiselijk geweld en dakloosheid, die via het Europees Semester moeten worden aangepakt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>W.</NO.P>overwegende dat er momenteel geen regelmatige gegevensverzameling op EU-niveau plaatsvindt met betrekking tot investeringen in en dekking van sociale diensten; overwegende dat het verzamelen van dergelijke gegevens van cruciaal belang is voor een empirisch onderbouwde analyse van nationaal sociaal beleid in het kader van de analyse van het Europees Semester; overwegende dat dit moet worden gedaan met behulp van gezamenlijk overeengekomen criteria en normen voor gegevensverzameling voor investeringen in en dekking van sociale diensten in de lidstaten; overwegende dat de index inzake sociale diensten van het Europees sociaal netwerk een voorbeeld is van hoe een dergelijke gegevensverzameling kan bijdragen aan de analyse van het Europees Semester;</P></CONS><CONS><P><NO.P>X.</NO.P>overwegende dat de crisis op het gebied van generatievernieuwing, demografische veranderingen en het gebrek aan voldoende investering in openbare diensten hebben geleid tot een verhoogd risico op armoede en sociale uitsluiting, met name onder kinderen en ouderen, eenoudergezinnen en grote gezinnen, de werkende armen, personen met een handicap en kansarmen; overwegende dat een ambitieuze armoedebestrijdingsstrategie van de EU van essentieel belang zal zijn om deze trend om te buigen en antwoorden te bieden op het multidimensionale verschijnsel armoede;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Y.</NO.P>overwegende dat uit onderzoek van Eurofound blijkt dat het aantal zelfmoorden sinds 2021 weer langzaam stijgt, na tientallen jaren van daling; overwegende dat er meer moet worden gedaan om de oorzaken van geestelijke gezondheidsproblemen in werk- en leefomstandigheden aan te pakken (met name sociale inclusie), en dat de toegang tot ondersteuning voor mensen met een slechte geestelijke gezondheid een probleem blijft;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Z.</NO.P>overwegende dat er in 2021 nog steeds meer dan 3 300 dodelijke ongevallen en bijna 3 miljoen niet-dodelijke ongevallen waren in de EU-27; overwegende dat elk jaar meer dan 200 000 werknemers sterven aan werkgerelateerde ziekten; overwegende dat in deze gegevens niet alle ongevallen in het kader van zwartwerk zijn meegenomen, waardoor de daadwerkelijke cijfers waarschijnlijk veel hoger liggen dan de officiële statistieken; overwegende dat volgens Eurofound een op de vijf banen in Europa in 2017 van “slechte kwaliteit” was en de werknemers daardoor een verhoogd risico voor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid liepen; overwegende dat 14 % van de werknemers op enig moment aan een verhoogd niveau van psychosociale risico’s wordt blootgesteld; overwegende dat 23 % van de werknemers in Europa van oordeel is dat hun gezondheid of veiligheid gevaar loopt vanwege hun werk;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AA.</NO.P>overwegende dat in de resultaten van de Eurobarometer-enquête van april 2024 over sociaal Europa wordt benadrukt dat 88 % van de Europese burgers van mening is dat een sociaal Europa voor hen persoonlijk belangrijk is; overwegende dat dit werd bevestigd door de Post-Electoral Survey 2024 van de EU, waarin de Europese burgers de stijgende prijzen en de kosten van levensonderhoud (42 %) en de economische situatie (41 %) als de belangrijkste thema’s noemden die hen ertoe hebben aangezet bij de Europese verkiezingen van 2024 te gaan stemmen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AB.</NO.P>overwegende dat sociale vooruitgang in de EU overeenkomstig artikel 3 VEU een van de doelstellingen is van een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen, volledige werkgelegenheid, een hoog niveau van bescherming en verbetering van de milieukwaliteit; overwegende dat in hetzelfde artikel wordt bepaald dat de EU “sociale uitsluiting en discriminatie [bestrijdt] en sociale rechtvaardigheid en bescherming, de gelijkheid van vrouwen en mannen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind [bevordert]”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AC.</NO.P>overwegende dat het nieuwe EU-kader voor economische governance in april 2024 in werking is getreden en tot doel heeft duurzame en inclusieve groei te bevorderen en meer ruimte te bieden voor sociale investeringen en de verwezenlijking van de doelstellingen van de EPSR; overwegende dat bij de herziening voor het eerst een kader voor sociale convergentie is ingevoerd als integraal onderdeel van het Europees Semester;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AD.</NO.P>overwegende dat alle lidstaten in het kader van het nieuwe EU-kader voor economische governance hervormingen en investeringen moeten opnemen in hun plannen voor de middellange termijn om gemeenschappelijke EU-prioriteiten en uitdagingen aan te pakken die zijn vastgesteld in de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester; overwegende dat de gemeenschappelijke prioriteiten van de EU onder meer sociale en economische veerkracht omvatten, met inbegrip van de EPSR;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AE.</NO.P>overwegende dat de overheidsinvesteringen in 2025 naar verwachting in bijna alle lidstaten zullen toenemen, waarbij de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RFF) van NextGenerationEU en de EU-fondsen een aanzienlijke inbreng zullen leveren en zullen bijdragen aan sociale uitgaven, wat neerkomt op ongeveer 25 % van de totale geraamde uitgaven in het kader van de RFF, wat voor groei en economische veerkracht zal zorgen<FOOTNOTE><FIELD>Europees Semester 2025: Voorstel van de Commissie van 17 december 2024 voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad (COM(2024)0701).</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat sociale investeringen en hervormingen op belangrijke gebieden de werkgelegenheid, de sociale inclusie, het concurrentievermogen en de economische groei kunnen stimuleren<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie, “Employment and Social Developments in Europe (ESDE) 2024”, september 2024.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat de sociale partners van essentieel belang zijn voor het ontwerpen en uitvoeren van beleid ter bevordering van duurzame en inclusieve groei, fatsoenlijk en hoogwaardig werk en eerlijke transities, en dat zij overeenkomstig het VWEU op alle bestuursniveaus bij de beleidsvorming moeten worden betrokken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AF.</NO.P>overwegende dat volgens de OESO beroepen met het hoogste risico op automatisering gemiddeld in alle OESO-landen goed zijn voor ongeveer 28 % van de werkgelegenheid<FOOTNOTE><FIELD>OECD Social, Employment and Migration Working Papers No. 282.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat sociale dialoog en collectieve onderhandelingen in dat verband essentieel zijn om een op participatie gerichte aanpak te waarborgen bij het beheersen van de veranderingen die worden aangejaagd door technologische ontwikkelingen en bij het aanpakken van potentiële problemen, en tegelijk werknemers aan te moedigen zich aan te passen (onder meer door hun vaardigheden bij te brengen); overwegende dat digitalisering, robotisering, automatisering en artificiële intelligentie (AI) werknemers en de samenleving ten goede moeten komen door de arbeidsomstandigheden en levenskwaliteit te verbeteren, een goed evenwicht tussen werk en privéleven te garanderen, hoogwaardigere werkgelegenheid te scheppen en bij te dragen tot sociaal-economische convergentie; overwegende dat werknemers en hun vakbonden een essentiële rol zullen vervullen bij het onderkennen en aanpakken van de risico’s die uit die uitdagingen voortvloeien;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AG.</NO.P>overwegende dat de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen essentieel zijn voor het concurrentievermogen, de arbeidsproductiviteit en de sociale cohesie van de EU;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is van mening dat de Commissie en de Raad hun inspanningen moeten opschroeven om de EPSR toe te passen, in overeenstemming met het actieplan van maart 2021 en de Verklaring van Terhulpen om de kerndoelen voor 2030 te verwezenlijken; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2026 de toepassing van alle beginselen van de EPSR in overeenstemming met Verordening (EU) 2024/1263 wordt geanalyseerd en dat het verslag een analyse omvat van de sociale dimensie van de nationale structurele begrotingsplannen voor de middellange termijn met betrekking tot sociale veerkracht, met inbegrip van de EPSR; is in dat verband ingenomen met de aankondiging van een nieuw actieplan voor de uitvoering van de EPSR<FOOTNOTE><FIELD>Von der Leyen, U., “De keuze van Europa. Politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2024-2029”, 18 juli 2024.</FIELD></FOOTNOTE> voor 2025 om een nieuwe impuls te geven aan sociale vooruitgang; is verheugd dat naar verwachting bijna alle lidstaten de overheidsinvesteringen in 2025 zullen verhogen, hetgeen noodzakelijk is om de toegang tot hoogwaardige openbare diensten te waarborgen en de doelstellingen van de EPSR te verwezenlijken; herinnert eraan dat de lidstaten binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2021/241<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/241/oj).</FIELD></FOOTNOTE> tot 31 december 2026 gebruik kunnen maken van de RRF voor beleid inzake duurzame en inclusieve groei en de volgende generatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is het sociaal scorebord en het kader voor sociale convergentie te gebruiken om de risico’s in kaart te brengen van en de vooruitgang te monitoren bij het verminderen van ongelijkheid, het versterken van socialebeschermingsstelsels en het bevorderen van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en ondersteunende maatregelen voor werknemers om de transities in goede banen te leiden; benadrukt dat het in dat verband noodzakelijk is om voor een duurzaam, eerlijk en inclusief Europa te zorgen waar sociale rechten volledig worden beschermd en gewaarborgd op hetzelfde niveau als de economische vrijheden; herinnert eraan dat de EU-burgers hebben aangegeven dat een sociaal Europa een van hun prioriteiten is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>betreurt het gebrek aan gegevens over en analyses van welvaartsongelijkheid en vermogensconcentratie in de EU, aangezien dit een van de belangrijkste determinanten van armoede is; wijst erop dat volgens de Distributional Wealth Accounts, een door het Europees Stelsel van centrale banken ontwikkelde dataset, het aandeel van de rijkste 10 % in het vermogen 56 % bedroeg in het vierde kwartaal van 2023, terwijl de armste 50 % slechts 5 % bezat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>verheugt zich erover dat er in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2025 een analyse van de positieve bijdrage van de SDG’s en de Europese gelijkheidsstrategieën is opgenomen en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het gezamenlijk verslag 2026 zowel een hoofdstuk bevat waarin de vooruitgang in de richting van de SDG’s met betrekking tot werkgelegenheid en sociaal beleid wordt geanalyseerd, als een hoofdstuk over vooruitgang bij de uitbanning van sociale en arbeidsdiscriminatie in overeenstemming met de strategie voor gendergelijkheid 2020-2025, het EU-actieplan tegen racisme 2020-2025, het strategisch EU-kader voor gelijkheid, inclusie en participatie van de Roma 2020-2030, de strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers 2020-2025 en de strategie voor de rechten van personen met een handicap 2021-2030;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>verzoekt de lidstaten de geactualiseerde werkgelegenheidsrichtsnoeren uit te voeren, met de nadruk op onderwijs en opleiding voor iedereen, nieuwe technologieën zoals AI en recente beleidsinitiatieven inzake platformwerk, betaalbare en fatsoenlijke huisvesting en het aanpakken van tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden, met als doel democratische besluitvorming te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>wijst er nogmaals op dat het belangrijk is te investeren in de ontwikkeling van vaardigheden en beroepsopleidingen voor arbeidskrachten en te zorgen voor hoogwaardige werkgelegenheid, met nadruk op het individuele recht op opleiding en een leven lang leren; dringt er bij de lidstaten op aan in samenwerking met lokale belanghebbenden, waaronder onderwijs- en opleidingsorganen en de sociale partners, bij- en omscholingsmaatregelen te ontwikkelen om de koppeling tussen de onderwijs- en opleidingsstelsels en de arbeidsmarkt te versterken en te anticiperen op de behoeften van de arbeidsmarkt; juicht het toe dat de resultaten op het vlak van werkgelegenheid voor pas afgestudeerden van beroepsonderwijs en -opleiding in de hele EU blijven verbeteren; is bezorgd over de dalende onderwijsprestaties van jongeren, met name op het gebied van basisvaardigheden; is in dit verband verheugd over de aankondiging van een actieplan voor basisvaardigheden en een strategisch plan voor STEM-onderwijs; verzoekt de lidstaten te investeren in programma’s om lerenden uit te rusten met de digitale, transversale en basisvaardigheden die nodig zijn voor de arbeidswereld en de digitalisering ervan, en hen te helpen een zinvolle bijdrage te leveren aan de samenleving; herinnert aan de belangrijke rol die het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers kan spelen bij de ondersteuning en omscholing van werknemers die zijn ontslagen als gevolg van grote herstructureringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>is ingenomen met de aankondiging van een routekaart voor hoogwaardige banen om een rechtvaardige transitie voor iedereen te waarborgen; verzoekt de Commissie in deze routekaart overwegingen op te nemen over maatregelen in verband met het gebruik van AI en algoritmisch beheer in de arbeidswereld, zodat nieuwe technologieën kunnen worden ingezet om de arbeidsomstandigheden en productiviteit te verbeteren, met inachtneming van de rechten van werknemers en het evenwicht tussen werk en privéleven zoals erkend in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid<FOOTNOTE><FIELD>Voorstel van de Commissie van 17 december 2024 voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad (COM(2024)0701).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>benadrukt dat beleid om de tekorten aan arbeidskrachten in de Europese Unie aan te pakken ook moet inhouden dat de arbeidsmobiliteit binnen de Unie wordt verbeterd en vergemakkelijkt; verzoekt de lidstaten de erkenning van vaardigheden en kwalificaties in de Unie te versterken en te vergemakkelijken, ook van onderdanen van derde landen; verzoekt de Commissie de doeltreffendheid van het platform van het Europees netwerk van diensten voor de arbeidsvoorziening (Eures) te analyseren met het oog op een mogelijke herziening van de werking ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>merkt op dat het aantal voortijdige verlaters van onderwijs en opleiding, laaggeschoolden, jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET’s), waaronder kwetsbare groepen zoals Roma, vrouwen, ouderen, personen met een handicap, laag- en middelhoogopgeleiden, mensen met een handicap en mensen met een migratie- of minderheidsachtergrond, afhankelijk van de specifieke situatie in elk land, in verschillende lidstaten nog steeds hoog is, ondanks een neerwaartse trend in de Europese Unie; verzoekt de lidstaten de jongerengarantie te versterken, zoals aangekondigd in beginsel 4 van de EPSR, om steun te bieden aan jongeren die daar met het oog op hun persoonlijke en professionele ontwikkeling behoefte aan hebben; herhaalt dat beroepsonderwijs en -opleiding een essentiële rol spelen voor de verwerving van de kennis en de vaardigheden die jongeren nodig hebben om de arbeidsmarkt te betreden; benadrukt dat moet worden geïnvesteerd in de kwaliteit en aantrekkelijkheid van beroepsonderwijs en -opleiding via het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+); wijst er daarom nogmaals op dat er iets aan deze situatie moet worden gedaan en dat er oplossingen moeten worden gevonden zodat jongeren school, hun opleiding of hun baan niet opgeven, dat het belangrijk is om te waarborgen dat ze toegang hebben tot stages en leerlingplaatsen zodat ze hun eerste werkervaring kunnen opdoen en om hun overgang van school naar werk te vergemakkelijken, en dat er arbeidsomstandigheden moeten worden gecreëerd waarin de vergrijzende beroepsbevolking op de arbeidsmarkt kan blijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>is van mening dat personen met een handicap, met name vrouwen met een handicap, ondanks dat er sprake is van verbetering, nog steeds te maken hebben met aanzienlijke obstakels op de arbeidsmarkt en dat er daarom beroeps- en digitale opleidingen nodig zijn en dat tegelijkertijd de integratie van personen met een handicap moet worden bevorderd, met bijzondere aandacht voor de inactieve beroepsbevolking en groepen met een lage arbeidsparticipatie, waaronder vrouwen, jongeren, oudere werknemers en personen met een chronische aandoening; verzoekt de Commissie de EU-strategie inzake handicaps vanaf 2025 te actualiseren met nieuwe kerninitiatieven en -acties, zoals een Europese garantie voor werkgelegenheid en vaardigheden voor personen met een handicap en het delen van goede methoden zoals de gehandicaptenkaart, met name om sociale inclusie en zelfstandig wonen voor mensen met een handicap mogelijk te maken en er ook voor te zorgen dat ze toegang tot hoogwaardig onderwijs, opleiding en werk hebben door richtsnoeren vast te stellen voor het behoud van invaliditeitsuitkeringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Roma nog steeds te maken hebben met aanzienlijke belemmeringen op het gebied van werkgelegenheid, en geconfronteerd worden met hardnekkige vooroordelen die hun vooruitzichten beperken; merkt op dat in het strategisch EU-kader voor gelijkheid, integratie en participatie van de Roma wordt gewezen op een gebrek aan vooruitgang op het gebied van toegang tot werk en een groeiend aandeel van Roma-jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen; benadrukt dat het kader tot doel heeft de arbeidsparticipatiekloof tussen de Roma en de algemene bevolking te halveren en ervoor te zorgen dat ten minste 60 % van de Roma tegen 2030 betaald werk heeft; dringt er bij de lidstaten op aan een geïntegreerde, op gelijkheid gerichte aanpak te hanteren en ervoor te zorgen dat overheidsbeleid en -diensten alle Roma daadwerkelijk bereiken, ook in afgelegen plattelandsgebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>benadrukt dat aandacht moet worden besteed aan de sociale en milieuaspecten van het concurrentievermogen, waarbij de nadruk moet worden gelegd op de noodzaak van investeringen in onderwijs en opleiding voor iedereen om te zorgen voor universele toegang tot hoogwaardige openbare onderwijs- en beroepsopleidingsprogramma’s, alsook voor duurzame praktijken ter bevordering van inclusieve groei; onderstreept dat de sociale partners een sleutelrol moeten spelen bij het vaststellen van en het tegemoetkomen aan de behoeften aan vaardigheden in de hele EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke aanbevelingen over de betaalbaarheid van huisvesting op te nemen in het Europees Semester en investeringen in huisvesting te bevorderen; verzoekt de lidstaten met klem erop toe te zien dat investeringen in huisvesting gericht zijn op oplossingen voor hoogwaardige woningen op lange termijn die daadwerkelijk betaalbaar zijn voor huishoudens met lage en middeninkomens en benadrukt daarbij dat investeringen in sociale en betaalbare huisvesting van cruciaal belang zijn om de levenskwaliteit van iedereen te waarborgen en te verhogen; benadrukt dat EU-middelen beter moeten worden gebruikt, bijvoorbeeld via de financieringsinstrumenten van de Europese Investeringsbank, met name om investeringen te ondersteunen die bedoeld zijn om gebouwen energie-efficiënter te maken; roept de Commissie en de lidstaten op doortastende maatregelen te nemen om het beleid, de fondsen en de knelpunten van de Unie te evalueren om de bouw, ombouw en verbouwing te vergemakkelijken van toegankelijke, betaalbare en energie-efficiënte huisvesting, waaronder sociale huisvesting die tegemoetkomt aan de behoeften van jongeren, mensen met beperkte mobiliteit, lage- en middeninkomensgroepen, gezinnen die risico lopen en mensen in een kwetsbare situatie, en woningeigenaren en mensen die een woning willen kopen te beschermen tegen een verdere afname van het aanbod;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>is verheugd over het aangekondigde Europees plan voor betaalbare huisvesting om de lidstaten te helpen de huisvestingscrisis en de snel stijgende huurprijzen aan te pakken; verzoekt de Commissie te beoordelen en bekend te maken welke mogelijke beperkingen op de staatssteunregels gevolgen hebben voor de toegankelijkheid van huisvesting; herinnert eraan dat het sociaal klimaatfonds tot doel heeft vanaf 2026 financiële steun te verlenen aan de lidstaten om kwetsbare huishoudens te ondersteunen, met name met maatregelen en investeringen om gebouwen energie-efficiënter te maken, de verwarming en koeling van gebouwen koolstofvrij te maken en de opwekking en opslag van hernieuwbare energie in gebouwen te integreren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>is van mening dat dakloosheid een schrijnend maatschappelijk probleem in de EU is; pleit voor een eenduidige definitie van dakloosheid in de EU die het mogelijk moet maken de omvang van de dakloosheid in de verschillende EU-lidstaten op systematische wijze te vergelijken en te beoordelen; verzoekt de Commissie een strategie uit te werken om uiterlijk in 2030 een einde te maken aan dakloosheid in de EU door de toegang tot betaalbare en fatsoenlijke huisvesting, alsook tot hoogwaardige sociale voorzieningen, te bevorderen; dringt er bij de lidstaten met klem op aan de beschikbare EU-instrumenten, waaronder het ESF+, in dat verband beter aan te wenden<FOOTNOTE><FIELD>Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 december 2023 getiteld “Een EU-kader voor nationale daklozenstrategieën op basis van het beginsel ‘eerst huisvesting’” (PB C, C/2024/1567, 5.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1567/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>verzoekt de lidstaten nationale dakloosheidsstrategieën uit te werken; is ingenomen met het voornemen om een aanbeveling van de Raad over dakloosheid te formuleren<FOOTNOTE><FIELD>Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 december 2023 getiteld “Een EU-kader voor nationale daklozenstrategieën op basis van het beginsel ‘eerst huisvesting’”.</FIELD></FOOTNOTE>; dringt er bij de Commissie op aan het Europees platform voor de bestrijding van dakloosheid nog ambitieuzer te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>is van oordeel dat de EU dringend moet optreden om het aanhoudend hoge niveau van armoede en sociale uitsluiting in de EU aan te pakken, met name onder kinderen, jongeren en ouderen, mensen met een handicap, niet in de EU geboren personen, leden van de lhbti-gemeenschap en de Roma; benadrukt dat de toegang tot hoogwaardige sociale diensten een prioriteit moet vormen en energiezekerheid moet waarborgen voor kwetsbare huishoudens; verzoekt de Commissie de eerste armoedebestrijdingsstrategie van de EU ooit aan te nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>herinnert aan de doelstelling van de Unie om te zorgen voor een verschuiving van institutionele zorg naar zorg in gezins- of gemeenschapsverband; verzoekt de Commissie met een actieplan voor de-institutionalisering te komen; benadrukt dat dit actieplan betrekking moet hebben op alle groepen die nog in een instelling wonen, zoals kinderen, mensen met een handicap, mensen met geestelijkegezondheidsproblemen, daklozen en ouderen; verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van de ESF+-fondsen en andere relevante Europese en nationale fondsen om het de-institutionaliseringsproces af te ronden, zodat elke EU-burger in een gezins- of gemeenschapsomgeving kan wonen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan met een Europees actieplan voor geestelijke gezondheid te komen, in overeenstemming met haar recente aanbevelingen<FOOTNOTE><FIELD>Mededeling van de Commissie van 7 juni 2023 betreffende een alomvattende aanpak van geestelijke gezondheid (COM(2023)0298).</FIELD></FOOTNOTE>; verzoekt de lidstaten de toegang tot geestelijkegezondheidsdiensten en programma’s voor emotionele steun aan iedereen, met name kinderen, jongeren en ouderen te verbeteren; dringt erop aan dat de indicatoren van het sociale scorebord beter worden gebruikt om het hoofd te bieden aan de gevolgen van precaire woonomstandigheden en onzekerheid voor de geestelijke gezondheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>verzoekt de Commissie eenzaamheid aan te pakken door een holistische EU-strategie voor eenzaamheid en toegang tot professionele zorg te bevorderen; dringt er ook op aan dat met deze EU-strategie iets wordt gedaan aan de sociaal-economische gevolgen van eenzaamheid voor de productiviteit en het welzijn door kwesties aan te pakken zoals isolement in landelijke gebieden; dringt er bij de lidstaten op aan de aanbeveling van de Raad over toegang tot betaalbare en hoogwaardige langdurige zorg te blijven uitvoeren, om de toegang tot hoogwaardige zorg te waarborgen en tegelijkertijd te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor werknemers in de zorgsector, alsook voor mantelzorgers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>neemt kennis van het feit dat 44 miljoen Europeanen, meestal vrouwen, vaak langdurig mantelzorger zijn<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie: Directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie, <STRING ITALIC="on">Long-term care report – Trends, challenges and opportunities in an ageing society. Jaargang I</STRING>, Publicatiebureau, 2021, https://data.europa.eu/doi/10.2767/677726.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>erkent de unieke rol van zorgverleners in de samenleving, en hoewel de definitie van zorgverleners niet in de hele EU geharmoniseerd is, werken er in de hele EU 6,4 miljoen mensen in de sector langdurige zorg;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>is bezorgd over het feit dat 94,6 miljoen mensen in de EU in 2023 nog steeds het risico liepen op armoede of sociale uitsluiting; benadrukt dat de Europese Unie en haar lidstaten zonder een paradigmaverschuiving bij de aanpak van armoedebestrijding hun doelstellingen inzake armoedebestrijding niet zullen verwezenlijken; is van mening dat de aankondiging van de allereerste EU-strategie ter bestrijding van armoede een stap in de goede richting is om de trend keren, maar dat daarbij moet worden voorzien in een alomvattende aanpak van de multidimensionale aspecten van armoede en sociale uitsluiting door middel van concrete maatregelen, een krachtige uitvoering en monitoring; dringt erop aan om deze strategie te richten op iedereen die met armoede en sociale uitsluiting te kampen heeft, in de eerste plaats de meest achtergestelde personen, maar ook specifieke maatregelen te treffen voor andere groepen, zoals werkende armen, daklozen, mensen met een handicap, eenoudergezinnen en vooral kinderen, teneinde de armoedespiraal duurzaam te doorbreken; benadrukt dat de omzetting van de richtlijn minimumlonen van cruciaal belang zal zijn om armoederisico’s onder werknemers te voorkomen en te bestrijden en tegelijkertijd de stimulans om te werken zal versterken, en is verheugd dat verschillende lidstaten hun kaders voor minimumlonen hebben gewijzigd of voornemens zijn deze te wijzigen; maakt zich zorgen over de toename van atypische arbeidsvormen, waarbij werknemers, hoewel zij werk hebben, een grotere kans op armoede lopen en geen adequate wettelijke bescherming genieten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om in het kader van het Europees Semester en de landspecifieke aanbevelingen nauwlettend toe te zien op de uitvoering van de kindergarantie in alle lidstaten; herhaalt zijn oproep om de financiering van de Europese kindergarantie te verhogen met een specifieke begroting van ten minste 20 miljard EUR en zijn verzoek aan alle lidstaten om ten minste 5 % van de hun toegewezen ESF+-middelen toe te wijzen aan de bestrijding van kinderarmoede en de bevordering van kinderwelzijn; is van mening dat in de landspecifieke aanbevelingen rekening moet worden gehouden met de naleving door de lidstaten van de in de ESF+-verordening<FOOTNOTE><FIELD>Artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1057/oj).</FIELD></FOOTNOTE> vastgestelde minimaal vereiste toewijzing van middelen aan de bestrijding van kinderarmoede; verzoekt de Commissie in het volgende MFK te voorzien in een ambitieus budget voor de kindergarantie om het hoofd te bieden aan de toenemende uitdaging van kinderarmoede en sociale uitsluiting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>maakt zich zorgen over de nationale beleidsmaatregelen die tot lacunes in de gezondheidszorg leiden, waardoor ongelijkheden tussen en binnen de lidstaten toenemen; waarschuwt dat dit ook de uitvoering van beginsel 16 van de EPSR en van SDG 3.8 over universele gezondheidszorg ondermijnt, evenals de algemene doelstelling van de EPSR om opwaartse sociale convergentie in de EU te bevorderen en niemand achter te laten; is van mening dat de in het sociale scorebord gebruikte indicatoren geen volledig inzicht geven in de betaalbaarheid van de gezondheidszorg;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>onderstreept dat werkgevers intergenerationele banden binnen de bedrijven en intergenerationeel leren tussen jongere en oudere werknemers, en vice versa, moeten bevorderen; benadrukt dat de vergrijzende beroepsbevolking bedrijven kan helpen nieuwe producten en diensten te ontwikkelen om zich op een creatievere en productievere manier aan te passen aan de behoeften van een vergrijzende samenleving; dringt er voorts op aan stimulansen te creëren voor vrijwilligerswerk en mentorschap, om zo de overdracht van kennis tussen generaties te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>wijst erop dat de reële lonen volgens verslagen van de Europese Centrale Bank nog altijd onder het niveau van voor de pandemie liggen, terwijl de productiviteit min of meer gelijk was; stemt ermee in dat dit wat ruimte geeft voor niet-inflatoir herstel van de reële lonen en waarschuwt ervoor dat als de reële lonen zich niet herstellen, het risico op een aanhoudend zwakke economie hierdoor zal toenemen, met langdurige negatieve gevolgen en een verdere aantasting van de productiviteit in de eurozone ten aanzien van andere delen van de wereld; is van mening dat betere handhaving van het minimumloon en het vergroten van de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen een gunstig effect kan hebben op de loonongelijkheid, met name doordat de kwetsbaardere werknemers met de laagste lonen, die steeds meer buiten de boot vallen, worden geholpen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>verzoekt de lidstaten toe te zien op fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden, waaronder behoorlijke lonen, toegang tot sociale bescherming, mogelijkheden voor een leven lang leren, gezondheid en veiligheid op het werk, een goed evenwicht tussen werk en privéleven en het recht om onbereikbaar te zijn, redelijke arbeidstijden, werknemersvertegenwoordiging, democratie op het werk en collectieve arbeidsovereenkomsten; dringt er bij de lidstaten op aan democratie op het werk, de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen te bevorderen en de rechten van werknemers te beschermen, met name in het kader van de groene en de digitale transitie, en te zorgen voor gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijk werk, meer loontransparantie en de aanpak van gendergerelateerde ongelijkheid om de genderloonkloof in de EU te dichten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>herinnert eraan dat het belangrijk is de toegang van zelfstandigen tot sociale bescherming te verbeteren en verzoekt de Commissie de nationale plannen van de lidstaten voor de uitvoering van de aanbeveling van de Raad van 8 november 2019 met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen<FOOTNOTE><FIELD>PB C 387 van 15.11.2019, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> te monitoren als onderdeel van de landspecifieke aanbevelingen; herinnert in dit verband, aangezien het percentage zelfstandigen in de culturele en creatieve sector meer dan twee keer zo hoog is als onder de algemene bevolking, aan de 13 initiatieven die de Commissie heeft opgenomen in haar antwoord van 21 februari 2024 op de resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2023 over een EU-kader voor de sociale en professionele situatie van kunstenaars en werknemers in de culturele en creatieve sector<FOOTNOTE><FIELD>Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2023 met aanbevelingen aan de Commissie inzake een EU-kader voor de sociale en professionele situatie van kunstenaars en werknemers in de culturele en creatieve sector (PB C, C/2024/4208, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4208/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, en verzoekt de Commissie in samenwerking met de lidstaten te starten met de uitvoering van deze initiatieven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>roept op tot de tenuitvoerlegging van beleid ter bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven en het recht om onbereikbaar te zijn, met het doel de levenskwaliteit voor alle gezinnen en werknemers te verbeteren en de uitvoering van de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad (PB L 188 van 12.7.2019, blz. 79, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/1158/oj).</FIELD></FOOTNOTE> en de Europese zorgstrategie te waarborgen; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen waarin telewerk en het recht om onbereikbaar te zijn worden geregeld, alsook een voorstel te doen voor de invoering van een Europese kaart voor alle soorten grote gezinnen en een Europees actieplan voor alleenstaande ouders, dat educatieve en sociale voordelen biedt; dringt tot slot aan op initiatieven om iets te doen tegen uitsluiting van werknemers als gevolg van langere perioden van ziekteverlof, de werkplek aan te passen en flexibele arbeidsomstandigheden te bevorderen en strategieën te ontwikkelen om de terugkeer van werknemers na langere afwezigheid te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>dringt erop aan dat demografische uitdagingen prioriteit krijgen in het cohesiebeleid van de EU en dat er concrete maatregelen op nationaal en EU-niveau worden genomen; verzoekt de Commissie een “Europees jaar van de demografie” af te kondigen en in de eerste plaats de mededeling “Het benutten van talent in Europa’s regio’s” en het “Talent Booster Mechanism” verder uit te werken om de sociale cohesie te bevorderen en meer middelen uit te trekken voor ultraperifere en plattelandsgebieden en regio’s met een grote ontvolking, om zo bij te dragen aan het scheppen van hoogwaardige banen, openbare diensten, lokale ontwikkelingsprojecten en basisinfrastructuur die het “recht om te blijven” van de bevolking ondersteunen, met name in het geval van jongeren; onderstreept hoe belangrijk het is specifieke maatregelen in te voeren om regionale ongelijkheden op het gebied van onderwijs en opleiding aan te pakken, en gelijke toegang te waarborgen tot hoogwaardig en betaalbaar onderwijs voor iedereen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>is bezorgd dat verschillende bevolkingsgroepen, ondanks verbeteringen, nog steeds flink ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt van de EU, waaronder vrouwen, ouderen, laag- en middelhoogopgeleiden, mensen met een handicap en mensen met een migratie- of minderheidsachtergrond; waarschuwt dat de ongelijkheid in het onderwijs is toegenomen, wat de kwetsbaarheid van leerlingen in kansarmoede en met een migratieachtergrond verder verslechtert; wijst erop dat mensen met een migratie- of minderheidsachtergrond volgens het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid veel baat kunnen hebben bij gerichte maatregelen die bedoeld zijn om discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden aan te pakken, de taalvaardigheid te verbeteren en discriminatie te bestrijden; benadrukt dat het belangrijk is nog meer te doen om uitvoering te geven aan het actieplan voor integratie en inclusie 2021-2027, waarbij in een gemeenschappelijk beleidskader wordt voorzien om de lidstaten te helpen nationaal beleid voor de integratie van migranten te ontwikkelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>verzoekt de Commissie en de Raad eerst en vooral de administratieve lasten te verminderen met het oog op vereenvoudiging, zonder te raken aan sociale en arbeidsnormen; is van mening dat meer steun voor kmo’s en gevestigde en potentiële ondernemers het concurrentievermogen van de EU en de duurzaamheid op lange termijn zal verbeteren, innovatie zal stimuleren en voor hoogwaardige banen zal zorgen; merkt op dat kmo’s en zelfstandigen in alle sectoren essentieel zijn voor de economische groei van de EU en dus voor de financiering van het sociaal beleid; dringt erop aan specifieke aanbevelingen uit te voeren om de interne markt te verbeteren; neemt kennis van de publicatie van het “kompas voor het concurrentievermogen” door de Commissie op 29 januari 2025<FOOTNOTE><FIELD>Mededeling van de Commissie van 29 januari 2025 getiteld “Het EU-kompas voor concurrentievermogen” (COM(2025)0030).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>verzoekt de Commissie concurrentievermogenstoetsen uit te voeren voor ieder nieuw wetgevingsvoorstel, rekening houdende met het algehele effect van EU-wetgeving op bedrijven en op andere EU-beleidsmaatregelen en -programma’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>is van mening dat de sociale economie een essentieel onderdeel vormt van de sociale markteconomie van de EU en een drijvende kracht is achter de uitvoering van de EPSR en de doelstellingen daarvan, omdat zij vaak werkgelegenheid biedt aan kwetsbare en uitgesloten groepen; roept de Commissie en de lidstaten op om meer steun te verlenen aan alle ondernemingen in de sociale economie, maar met name non-profitondernemingen, zoals benadrukt in het actieplan voor de sociale economie 2021 en de routekaart van Luik voor de sociale economie om hoogwaardig, fatsoenlijk, inclusief werk en de circulaire economie te bevorderen, de lidstaten aan te moedigen de toegang tot financiering te vergemakkelijken en actoren in de sociale economie zichtbaarder te maken; verzoekt de Commissie innovatieve financieringsmechanismen te onderzoeken om de ontwikkeling van de sociale economie in Europa te ondersteunen<FOOTNOTE><FIELD>Resolutie van 6 juli 2022 over het EU-actieplan voor de sociale economie (PB C 47 van 7.2.2023, blz. 171).</FIELD></FOOTNOTE> en een dynamisch en inclusief ondernemingsklimaat te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>is van mening dat de lidstaten in dit overgangsjaar, met de uitvoering van herziene regels voor economische governance, hun budgettaire verantwoordelijkheid moeten afstemmen op duurzame en inclusieve groei; merkt op dat de betrokkenheid van de sociale partners, onder meer bij de ontwikkeling van structurele begrotingsplannen voor de middellange termijn, moet worden verbeterd om bij te dragen aan de doelstellingen van het nieuwe kader voor economische governance;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>verheugt zich erover dat de nationale structurele begrotingsplannen voor de middellange termijn op grond van het nieuwe kader voor economisch bestuur de hervormingen en investeringen moeten omvatten die inspelen op de belangrijkste uitdagingen die in het kader van het Europees Semester zijn vastgesteld en ook voor schuldhoudbaarheid moeten zorgen, en dat daarbij strategisch in de beginselen van de EPSR moet worden geïnvesteerd om opwaartse sociale convergentie te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>is bezorgd over het feit dat slechts weinig landspecifieke aanbevelingen worden nageleefd; roept de lidstaten er daarom nogmaals toe op om de landspecifieke aanbevelingen doeltreffend uit te voeren teneinde in overeenstemming met de beginselen 15 en 16 van de EPSR gezondheidszorg en duurzame pensioenstelsels, alsook welvaart op lange termijn voor alle burgers te bevorderen, waarbij rekening moet worden gehouden met de kwetsbaarheid van werknemers met onderbroken loopbanen en werknemers die betrokken zijn bij overgangen op de arbeidsmarkt; dringt erop aan dat de Commissie haar dialoog met de lidstaten over de uitvoering van de bestaande aanbevelingen en de werkgelegenheidsrichtsnoeren, alsook over de huidige of toekomstige beleidsmaatregelen om de geconstateerde uitdagingen aan te pakken, moet intensiveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>is verheugd over de vaststelling van een kader voor het opsporen van risico’s voor sociale convergentie binnen het Europees Semester, waar het Europees Parlement sterk op heeft aangedrongen; herinnert eraan dat de Commissie binnen dit kader de risico’s voor opwaartse sociale convergentie in de lidstaten analyseert en toezicht houdt op de vooruitgang bij de uitvoering van de EPSR, op basis van het sociaal scorebord en de beginselen van het kader voor sociale convergentie; is verheugd dat in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2025 landspecifieke analyses worden geboden op basis van de beginselen van het kader voor sociale convergentie; verzoekt de Commissie binnen dit nieuwe kader innovatieve kwantitatieve en kwalitatieve analyse-instrumenten te ontwikkelen om daar in de toekomstige cycli van het Europees Semester optimaal gebruik van te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>is verheugd over het feit dat de eerste analyse op basis van de beginselen van het kader voor sociale convergentie wijst op opwaartse convergentie op de arbeidsmarkt in 2023<FOOTNOTE><FIELD>Voorstel van de Commissie van 17 december 2024 voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad (COM(2024)0701).</FIELD></FOOTNOTE>; stelt bezorgd vast dat de werkgelegenheidsresultaten van ondervertegenwoordigde groepen nog steeds moeten verbeteren en dat er op Europees niveau risico’s voor opwaartse convergentie blijven bestaan met betrekking tot de ontwikkeling van vaardigheden, variërend van voorschools onderwijs tot een leven lang leren, en de sociale resultaten van het percentage van de bevolking dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd; verzoekt de Commissie deze risico’s voor opwaartse sociale convergentie in de tweede fase van de analyse nader te bestuderen en met de betrokken lidstaten te bespreken welke maatregelen zijn genomen of gepland om deze risico’s aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>onderkent dat er sprake is van een crisis in verband met de kosten van levensonderhoud, die een grotere last legt op huishoudens, en van stijgende huisvestingskosten, die, in samenhang met de hoge energiekosten, in de hele EU bijdragen tot hoge niveaus van energiearmoede; roept de Commissie en de lidstaten daarom op om de onderliggende oorzaken van deze crisis ten volle aan te pakken door prioriteit te geven aan beleid dat economische veerkracht, sociale cohesie en duurzame ontwikkeling bevordert;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>waarschuwt voor de sociale risico’s die voortvloeien uit de crisis in de automobielsector, die onder ongekende druk staat door zowel externe als interne factoren; verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan deze sector en de sociale dialoog en de deelname van werknemers aan overgangsprocessen te verbeteren; benadrukt dat er dringend behoefte is aan een gecoördineerde reactie van de EU via een taskforce voor noodsituaties van vakbonden en werkgevers om de huidige crisis het hoofd te bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>verzoekt de Commissie gegevens over herstructureringen en de gevolgen daarvan voor de werkgelegenheid in het oog te houden, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de Europese herstructureringsmonitor, maatregelen ter ondersteuning van herstructureringen en transities op de arbeidsmarkt te bevorderen, en te overwegen nationale maatregelen ter ondersteuning van een sociaal verantwoorde manier van herstructureren in het Europees Semester onder de aandacht te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>is bezorgd over de herziening door de Commissie van het scorebord van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden (PMO), met name de vermindering van de sociale en werkgelegenheidsindicatoren, die van cruciaal belang zijn om de sociale en arbeidsmarktsituatie in de lidstaten te kunnen beoordelen; betreurt het dat jeugdwerkloosheid niet langer als kernindicator wordt beschouwd, hoewel deze relevant is voor het vaststellen en aanpakken van specifieke arbeidsmarktproblemen en voor het vastleggen van adequaat overheidsbeleid; benadrukt dat indicatoren voor sociale normen in het besluitvormingsproces meer aandacht moeten krijgen; betreurt het dat de Commissie het Parlement niet naar behoren heeft geraadpleegd en herinnert haar eraan dat zij verplicht is nauw samen te werken met het Parlement, de Raad en de sociale partners voordat ze het PMO-scorebord en de reeks macro-economische en macrofinanciële indicatoren voor de lidstaten opstelt; benadrukt dat de toepassing van de beginselen van de EPSR deel moet uitmaken van het PMO-scorebord;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>is van mening dat territoriale en sociale cohesie essentiële onderdelen zijn van de agenda voor het concurrentievermogen en dat wetgeving zoals het Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand (SURE) een positief voorbeeld is dat als inspiratiebron kan dienen voor toekomstige EU-initiatieven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>is van mening dat de Commissie en de lidstaten ervoor moeten zorgen dat met het begrotingsbeleid in het kader van het Europees Semester investeringen worden ondersteund die zijn afgestemd op de EPSR, met name op gebieden als fatsoenlijke en betaalbare huisvesting, hoogwaardige gezondheidszorg, onderwijs en socialebeschermingsstelsels, aangezien deze van cruciaal belang zijn voor de sociale cohesie en economische duurzaamheid op de lange termijn en voor het aanpakken van de uitdagingen die zijn vastgesteld aan de hand van sociale indicatoren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>benadrukt dat de belangrijkste uitdagingen die in het sociaal scorebord als “critical” en “to watch” zijn aangemerkt, moeten worden aangepakt, met inbegrip van kinderen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd, de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen, de bovenmatig hoge woonlasten, kinderopvang, langdurige zorg, de arbeidsparticipatiekloof tussen personen met en zonder handicap, het effect van sociale overdrachten op het terugdringen van armoede, en digitale basisvaardigheden<FOOTNOTE><FIELD>Voorstel van de Commissie van 17 december 2024 voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad (COM(2024)0701).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>wijst met klem op de negatieve gevolgen die de crisis in verband met de kosten van levensonderhoud heeft gehad voor mensen met een handicap;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>verzoekt de lidstaten met klem zich te buigen over krachtige beleidsmaatregelen voor eerlijke lonen en betere arbeidsomstandigheden, met name voor werknemers met een laag inkomen en een onzeker dienstverband;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>benadrukt dat er behoefte is aan tijdige en geharmoniseerde gegevens over sociaal beleid om empirisch onderbouwde beleidsvorming en gerichte sociale investeringen te verbeteren; dringt erop aan het sociaal scorebord zodanig te verbeteren dat het de twintig beginselen van de EPSR bestrijkt, namelijk door relevante indicatoren in te voeren die trends en oorzaken van ongelijkheid weerspiegelen, zoals hoogwaardige werkgelegenheid, welvaartsverdeling, toegang tot openbare diensten, toereikende pensioenen, het dakloosheidspercentage, geestelijke gezondheid en werkloosheid; herinnert eraan dat de indicator voor het risico op armoede of sociale uitsluiting (Arope) ontoereikend is om de oorzaken van complexe ongelijkheid aan het licht te brengen; verzoekt de Commissie en de lidstaten een Europees kader voor gegevensverzameling met betrekking tot sociale diensten op te zetten om de investeringen in en dekkingsgraad van sociale diensten te monitoren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>