<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0040</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jana Nagyová</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0029/2025 - Rapporteur: Krzysztof Śmiszek)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 1 april 2025 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jana Nagyová (2024/2035(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Jana Nagyová, dat op 1 juli 2024 werd ingediend door het gerechtshof te Praag in verband met strafrechtelijke procedure nr. 3 To 34/2024 bij dat gerechtshof, en waarvan op 19 juli 2024 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Jana Nagyová op 29 januari 2025 te hebben gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013, 19 december 2019 en 5 juli 2023<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, <STRING ITALIC="on">Gollnisch/Parlement</STRING>, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115; arrest van het Gerecht van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement, T‑272/21, ECLI:EU:T:2023:373.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 27 van de grondwet van de Tsjechische Republiek en artikel l0, lid 1, van Wet nr. 141/1961 Coll. inzake strafvordering (het wetboek van strafvordering van de Tsjechische Republiek),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0029/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het gerechtshof te Praag op 1 juli 2024 een verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van het in Tsjechië verkozen lid van het Europees Parlement Jana Nagyová heeft ingediend met het oog op de voortzetting van de strafprocedure die momenteel in hoger beroep bij het gerechtshof loopt in verband met de beschuldiging van het plegen van subsidiefraude overeenkomstig artikel 212, lid 1 en lid 6, punt a), en het schaden van de financiële belangen van de Europese Unie overeenkomstig artikel 260, leden 1 en 5, van Wet nr. 40/2009 Coll. (het wetboek van strafrecht van de Tsjechische Republiek);</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de strafrechtelijke procedure tegen Jana Nagyová wordt gevoerd op basis van de tenlastelegging van het gemeentelijk openbaar ministerie van Praag van 21 maart 2022 wegens een handeling die zij samen met een medebeklaagde zou hebben gepleegd, op grond van het feit dat zij, in haar hoedanigheid van persoon die zich beroepsmatig bezighoudt met subsidies van de Unie en in de periode van 17 januari 2008 tot 5 januari 2010 als vicevoorzitter van de raad van bestuur van een Tsjechisch bedrijf, een subsidie heeft aangevraagd in de wetenschap dat dit bedrijf daar geen recht op had, en dat zij onjuiste informatie heeft verstrekt, namelijk dat het bedrijf een kleine onderneming en een onafhankelijke onderneming was;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het bij de ten laste gelegde strafbare feiten niet gaat om een mening die de betrokkene heeft geuit of een stem die de betrokkene heeft uitgebracht in de uitoefening van haar ambt als lid van het Europees Parlement in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 27, lid 4, van de grondwet van de Tsjechische Republiek is bepaald dat kamerleden en senatoren slechts strafrechtelijk kunnen worden vervolgd met instemming van de kamer waarvan zij lid zijn, en dat indien die kamer geen toestemming geeft, strafvervolging tijdens de duur van hun mandaat is uitgesloten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de gerechtelijke procedures zijn ingeleid om de politieke activiteit van het lid en dus van het Europees Parlement te schaden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T‑214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Jana Nagyová op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Tsjechische Republiek en aan Jana Nagyová.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>