<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0041</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek om opheffing van de immuniteit van Petr Bystron</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0030/2025 - Rapporteur: Dominik Tarczyński)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 1 april 2025 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Petr Bystron (2024/2048(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petr Bystron, dat bij brief d.d. 27 augustus 2024 is ingediend door het Duitse Bondsministerie van Justitie op verzoek van de eerste openbaar aanklager bij het openbaar ministerie München I in verband met een strafrechtelijke procedure die aanhangig is bij het Amtsgericht München, en waarvan op 16 september 2024 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Petr Bystron op 29 januari 2025 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement en gezien de documenten die tijdens de hoorzitting door hem werden overlegd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013, 19 december 2019 en 5 juli 2023<FOOTNOTE><FIELD>arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, ECLI:EU:C:2019:1115; arrest van het Gerecht van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.a. tegen Parlement, T-272/21, ECLI:EU:T:2023:373.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 46 van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10‑0030/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de eerste openbaar aanklager bij het openbaar ministerie München I om opheffing heeft verzocht van de parlementaire immuniteit van Petr Bystron, lid van het Europees Parlement, omdat hem ten laste is gelegd dat hij de strafbare feiten als bedoeld in § 86a juncto § 86 van het Duitse wetboek van strafrecht heeft gepleegd, meer bepaald het gebruikmaken van symbolen van antigrondwettelijke/terroristische groeperingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat in het verzoek wordt vermeld dat Petr Bystron, na het ontslag van de Oekraïense ambassadeur in Duitsland op 12 juli 2022, een fotocollage op zijn Twitteraccount zou hebben geplaatst waarop delen van foto’s te zien zijn van personen die in het verleden een hoog openbaar ambt hebben bekleed, die elk hun rechter- of linkerarm naar boven strekken, met gestrekte hand en vingers; overwegende dat de gepubliceerde collage vergezeld gaat van het bijschrift “Bye, bye [...]! Duitse politici zwaaien gedag!”<FOOTNOTE><FIELD>Nederlandse vertaling van het origineel.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat Petr Bystron ten laste wordt gelegd dat hij tenminste stilzwijgend heeft aanvaard dat een objectieve Twittergebruiker die deze fotocollage ziet, denkt dat het bij de positie waarin deze personen hun arm houden gaat om de zogeheten Hitlergroet, een groet die in de nazitijd werd gebruikt; overwegende dat Petr Bystron ervan wordt beschuldigd in Duitsland symbolen van antigrondwettelijke/terroristische groeperingen te hebben verspreid of in het openbaar te hebben gebruikt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de bevoegde autoriteiten, na een onderzoek te hebben verricht, een verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petr Bystron hebben ingediend bij de Duitse Bondsdag, waarvan hij destijds lid was; overwegende dat de Duitse Bondsdag zijn immuniteit op 7 september 2023 heeft opgeheven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat Petr Bystron in juni 2024 bij de Europese verkiezingen werd verkozen tot lid van het Europees Parlement; overwegende dat de bevoegde autoriteiten na de bekendmaking van de definitieve verkiezingsuitslag bij beschikking van 9 juli 2024 de strafprocedure tegen hem voorlopig hebben geschorst, omdat eerst een verzoek tot opheffing van de immuniteit moest worden ingediend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat Petr Bystron ten tijde van de ten laste gelegde feiten geen lid van het Europees Parlement was;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de ten laste gelegde strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek om opheffing van de immuniteit geen verband houden met een mening of stem die Petr Bystron in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="ARAB"><INT.LI LEVEL="0">overwegende dat in artikel 46, leden 2, 3, en 4, van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland het volgende wordt bepaald:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(2)</SYMBOL>‘Een lid mag slechts ter verantwoording worden geroepen of worden gearresteerd op grond van een strafbaar feit als de Bondsdag daarvoor toestemming verleent, behalve in gevallen waarin hij op heterdaad of de dag volgend op het strafbare feit wordt aangehouden.</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(3)</SYMBOL>Beperking van de persoonlijke vrijheid van een lid of het inleiden van een procedure krachtens artikel 18 is alleen geoorloofd na toestemming van de Bondsdag.</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(4)</SYMBOL>Een tegen een lid ingestelde strafrechtelijke vervolging, een procedure krachtens artikel 18, alsmede iedere vorm van hechtenis of andere beperking van de persoonlijke vrijheid van een lid worden op verzoek van de Bondsdag geseponeerd.”;</ITEM></LIST></P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat in artikel 5, lid 2, van zijn Reglement wordt bepaald dat de parlementaire immuniteit van een lid geen persoonlijk voorrecht, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de desbetreffende strafrechtelijke procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>.</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Petr Bystron op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland en aan Petr Bystron.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>