<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0042</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek om opheffing van de immuniteit van Maciej Wąsik</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0031/2025 - Rapporteur: Mario Furore)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 1 april 2025 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Maciej Wąsik (2024/2043(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het op 29 juli 2024 gedateerde verzoek tot opheffing van de immuniteit van Maciej Wąsik, dat door de procureur-generaal van de Republiek Polen op verzoek van het openbaar ministerie te Warschau bij het Parlement werd ingediend in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen Maciej Wąsik, en van de ontvangst waarvan op 16 september 2024 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Maciej Wąsik op 18 februari 2025 te hebben gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement, en gezien het documenten die door hem werden overgelegd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013, 19 december 2019 en 5 juli 2023<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, ECLI:EU:C:2019:1115; arrest van het Gerecht van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.o./Parlement, T‑272/21, ECLI:EU:T:2023:373.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 105, leden 2 en 5, van de grondwet van de Republiek Polen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10‑0031/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de procureur-generaal van de Republiek Polen bij brief d.d. 29 juli 2024 een verzoek doorstuurde van het openbaar ministerie te Warschau tot opheffing van de immuniteit van Maciej Wąsik wegens vermeende strafbare feiten in de zin van artikel 244 en artikel 12 van het Poolse wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat bij dit verzoek werd aangegeven dat Maciej Wąsik ervan verdacht wordt op 21 en 28 december 2023 opzettelijk, met voorbedachten rade en met korte tussenpozen te hebben gehandeld in strijd met het verbod op het uitoefenen van een openbaar ambt dat hem op 20 december 2023 voor de duur van vijf jaar werd opgelegd bij definitieve en bindende uitspraak van de regionale rechter te Warschau, omdat hij heeft deelgenomen aan de beraadslagingen en stemmingen tijdens een vergadering van de Sejm (het Poolse parlement) van de Republiek Polen op 21 december 2023 en doordat hij heeft deelgenomen aan een vergadering van de Commissie bestuur en binnenlandse zaken van de Sejm op 28 december 2023, waarmee hij uitvoering heeft gegeven aan het mandaat van een lid van de Sejm; overwegende dat de vermeende handelingen een strafbaar feit vormen in de zin van artikel 244 van het Poolse wetboek van strafrecht juncto artikel 12 van dat wetboek;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat op 18 april 2024 tegen Maciej Wąsik strafvervolging werd ingesteld; overwegende dat Maciej Wąsik in juni 2024 bij de Europese verkiezingen werd verkozen tot lid van het Europees Parlement; overwegende dat Maciej Wąsik ten tijde van de vermeende feiten geen lid van het Europees Parlement was;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat vermeende strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit geen verband houden met een mening of stem die Maciej Wąsik in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 105, leden 2 en 5, van de Poolse grondwet is bepaald dat leden van de Sejm vanaf de dag waarop de verkiezingsuitslag bekend wordt gemaakt tot de dag waarop hun mandaat afloopt niet strafrechtelijk verantwoordelijk kunnen worden gesteld zonder toestemming van de Sejm van de Republiek Polen en niet kunnen worden aangehouden of gearresteerd zonder toestemming van de Sejm, behalve als leden op heterdaad worden betrapt en aanhouding noodzakelijk is om een goed verloop van de procedure te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat in artikel 5, lid 2, van zijn Reglement wordt bepaald dat de parlementaire immuniteit van een lid geen persoonlijk voorrecht, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de desbetreffende gerechtelijke procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T‑214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Maciej Wąsik op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Republiek Polen en aan Maciej Wąsik.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>