<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0069</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Grzegorz Braun</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0081/2025 - Rapporteur: Dainius Žalimas)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 6 mei 2025 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Grzegorz Braun (2024/2102(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Grzegorz Braun d.d. 29 oktober 2024, dat door de procureur-generaal van de Republiek Polen is doorgestuurd op verzoek van het regionale openbaar ministerie te Warschau in het kader van de strafrechtelijke vervolging van Grzegorz Braun, en van de ontvangst waarvan op 14 november 2024 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het feit dat Grzegorz Braun wordt geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht om te worden gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013, 19 december 2019 en 5 juli 2023<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, ECLI:EU:C:2019:1115; arrest van het Gerecht van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement, T‑272/21, ECLI:EU:T:2023:373.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 105, leden 2 en 5, van de grondwet van de Republiek Polen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10‑0081/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de procureur-generaal van de Republiek Polen bij brief d.d. 29 oktober 2024 een door het regionale openbaar ministerie te Warschau ingediend verzoek tot opheffing van de immuniteit van Grzegorz Braun heeft doorgestuurd dat verband houdt met meerdere vermeende strafbare feiten die zouden hebben plaatsgevonden in 2022 en 2023;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat in het verzoek wordt gesteld dat Grzegorz Braun op 1 maart 2022 in het gebouw van het Nationaal Instituut voor Cardiologie (federaal onderzoeksinstituut) de lichamelijke integriteit zou hebben geschonden van een overheidsfunctionaris die optrad in zijn hoedanigheid van directeur van het Nationaal Instituut voor Cardiologie, tijdens en in verband met de uitoefening van officiële taken door deze overheidsfunctionaris; overwegende dat de vermeende handelingen strafbaar zijn op grond van artikel 222, lid 1, van het Poolse wetboek van strafrecht, tegelijk met artikel 191, lid 1, van het Poolse wetboek van strafrecht juncto artikel 11, lid 2, van dat wetboek;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Grzegorz Braun op 1 maart 2022 de directeur van het Nationaal Instituut voor Cardiologie tijdens en in verband met de uitoefening van officiële taken door deze overheidsfunctionaris zou hebben beledigd door hem te beschuldigen en door de gebeurtenissen via internet te verspreiden, waardoor de publieke reputatie van de overheidsfunctionaris zou zijn geschaad en afbreuk zou zijn gedaan aan het noodzakelijkerwijze in hem gestelde vertrouwen om zijn rol als directeur van het Nationaal Instituut voor Cardiologie te vervullen en het beroep van arts uit te oefenen; overwegende dat de vermeende handelingen strafbaar zijn op grond van artikel 226, lid 1, van het Poolse wetboek van strafrecht, tegelijk met artikel 212, leden 1 en 2, van het Poolse wetboek van strafrecht juncto artikel 11, lid 2, van dat wetboek;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat Grzegorz Braun op 27 januari 2023 een kerstboom zou hebben beschadigd en versieringen zou hebben vernield die eigendom waren van twee Poolse verenigingen waarvan de kantoren zich in het gebouw van de regionale rechterlijke instantie te Krakau bevonden, en overwegende dat het veroorzaken van dergelijke schade strafbaar is op grond van artikel 288, lid 1, van het Poolse wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat Grzegorz Braun op 30 mei 2023 in het hoofdkantoor van het Duitse Historisch Instituut te Warschau eigendommen van het Duitse Historisch Instituut zou hebben beschadigd, hetgeen strafbaar is op grond van artikel 288, lid 1, van het Poolse wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat Grzegorz Braun op 30 mei 2023 zou hebben verzuimd het hoofdkantoor van het Duitse Historisch Instituut te verlaten, ondanks een daartoe strekkend verzoek van een bevoegde persoon, hetgeen strafbaar is op grond van artikel 193, lid 1, van het Poolse wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat Grzegorz Braun op 12 december 2023 in de gebouwen van de Sejm van de Republiek Polen een groep mensen publiekelijk zou hebben beledigd op grond van hun religieuze overtuiging alsook een voorwerp van religieuze verering (een menora) publiekelijk zou hebben geschonden door de aangestoken kaarsen ervan met een brandblusser te blussen, en daarbij de religieuze gevoelens van Joden zou hebben gekrenkt, hetgeen strafbaar is op grond van artikel 257 van het Poolse wetboek van strafrecht, tegelijk met artikel 195, lid 1, en artikel 196 van het Poolse wetboek van strafrecht juncto artikel 11, lid 2, van dat wetboek;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat Grzegorz Braun op 12 december 2023 in de gebouwen van de Sejm van de Republiek Polen de lichamelijke integriteit zou hebben geschonden van een benadeelde partij die tussenkwam met het oog op de bescherming van de openbare orde, doordat Grzegorz Braun de sproeier van een brandblusser met een poederachtige stof zou hebben gericht op de benadeelde partij; overwegende dat Grzegorz Braun een geringe, zeven dagen durende, schade zou hebben toegebracht aan de gezondheid van de benadeelde partij, hetgeen strafbaar is op grond van artikel 157, lid 2, van het Poolse wetboek van strafrecht, tegelijk met artikel 217 bis van het Poolse wetboek van strafrecht juncto artikel 11, lid 2, van dat wetboek;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het onderzoek in verband met de in het verzoek tot opheffing beschreven vermeende strafbare feiten aanvankelijk werd geopend op 25 mei 2023, toen Grzegorz Braun immuniteit genoot als lid van de Sejm van de Republiek Polen; overwegende dat de Sejm van de Republiek Polen op 17 januari 2024 toestemming heeft gegeven voor de strafrechtelijke vervolging van Grzegorz Braun wegens de in het verzoek genoemde feiten; overwegende dat Grzegorz Braun in juni 2024 bij de Europese verkiezingen werd verkozen tot lid van het Europees Parlement; overwegende dat Grzegorz Braun ten tijde van de vermeende strafbare feiten derhalve geen lid van het Europees Parlement was;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de vermeende strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit geen verband houden met een mening of stem die Grzegorz Braun in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat in artikel 105, leden 2 en 5, van de Poolse grondwet is bepaald dat leden van de Sejm vanaf de dag waarop de verkiezingsuitslag bekend wordt gemaakt tot de dag waarop hun mandaat afloopt niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld zonder toestemming van de Sejm van de Republiek Polen en niet kunnen worden aangehouden of gearresteerd zonder toestemming van de Sejm, behalve als leden op heterdaad worden betrapt en aanhouding noodzakelijk is om een goed verloop van het proces te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat in artikel 5, lid 2, van zijn Reglement wordt bepaald dat de parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op <STRING ITALIC="on">fumus persecutionis</STRING>, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de desbetreffende strafrechtelijke procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Grzegorz Braun op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Republiek Polen en aan Grzegorz Braun.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>