<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0075</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding – jaarverslag 2023</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0049/2025 - Rapporteur: Gilles Boyer)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2025 over de bescherming van de belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding – jaarverslag 2023 (2024/2083(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 310, lid 6, en artikel 325, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 25 juli 2024 getiteld “35e jaarverslag over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en de bestrijding van fraude – 2023” (COM(2024)0318) (PIF-verslag 2023),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) over 2023<FOOTNOTE><FIELD>OLAF, Vierentwintigste verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding, 1 januari-31 december 2023, 2023.</FIELD></FOOTNOTE> en het activiteitenverslag van het Comité van toezicht van OLAF over 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5658, 23.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5658/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag 2023 van het Europees Openbaar Ministerie (EOM), dat op 1 maart 2024 is gepubliceerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2092/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (de conditionaliteitsverordening),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden<FOOTNOTE><FIELD>PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/1937/oj .</FIELD></FOOTNOTE>, (de klokkenluidersrichtlijn), en het verslag van de Commissie van 3 juli 2024 over de uitvoering en toepassing ervan (COM(2024)0269),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 5 juli 2023 getiteld “Verslag over de rechtsstaat 2023 Situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie” (COM(2023)0800) en de resolutie van het Europees Parlement van 28 februari 2024 getiteld “Verslag over het verslag van de Commissie over de rechtsstaat 2023”<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6743, 26.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6743/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het besluit van de Commissie van 16 december 2024om de maatregel die uit hoofde van artikel 2, lid 2, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van 15 december 2022 inzake maatregelen ter bescherming van de Uniebegroting tegen schendingen van de beginselen van de rechtsstaat in Hongarije is opgelegd, niet op te heffen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 16 februari 2022 in de zaken C-156/21<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2022; Hongarije tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, C-156/21, ECLI:EU:C:2022:97.</FIELD></FOOTNOTE> en C-157/21<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Hof van 16 februari 2022, Polen tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, C‑157/21, ECLI:EU:C:2022:98.</FIELD></FOOTNOTE> en Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van 15 december 2022 inzake maatregelen ter bescherming van de Uniebegroting tegen schendingen van de beginselen van de rechtsstaat in Hongarije, die allemaal verwijzen naar de conditionaliteitsverordening,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L 2509, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (het Financieel Reglement),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1624<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2024/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering (PB L, 2024/1624, 19.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1624/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, Verordening (EU) 2024/1620<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2024/1620 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot oprichting van de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L, 2024/1620, 19.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1620/oj).</FIELD></FOOTNOTE> en Richtlijn (EU) 2024/1640<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn (EU) 2024/1640 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 betreffende de mechanismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849 (PB L, 2024/1640, 19.6.2024, ELI:  http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1640/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, alle van het Europees Parlement en de Raad, alle vastgesteld op 31 mei 2024 en alle tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering, onder meer door de oprichting van de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt<FOOTNOTE><FIELD>PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2017/1371/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (de PIF-richtlijn),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 16 september 2022 getiteld “Tweede verslag van de Commissie over de uitvoering van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt” (COM(2022)0466),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 3 juli 2024 over de uitvoering en toepassing van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2024)0269),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid<FOOTNOTE><FIELD>PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1060/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (verordening gemeenschappelijke bepalingen),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2024 getiteld “Verslag over de rechtsstaat 2024 – Situatie op het gebied van de rechtsstaat in de Europese Unie” (COM(2024)0800),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie getiteld “Strengthening the fight against organised crime: Assessing the legislative framework”, gepubliceerd in december 2022<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie, directoraat-generaal Migratie en Binnenlandse Zaken, Blondes, E., Disley, E., Hulme, S. et al., “Strengthening the fight against organised crime – Assessing the legislative framework”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, december 2022.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie getiteld “Strengthening the fight against corruption: assessing the legislative and policy framework”, gepubliceerd in januari 2023<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie, directoraat-generaal Migratie en Binnenlandse Zaken, door EY en RAND Europe voor de Europese Commissie, januari 2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie getiteld “Compliance assessment of measures adopted by the Member States to adapt their systems to Council Regulation (EU) 2017/1939 of 12 October 2017 implementing enhanced cooperation on the establishment of the European Public Prosecutor’s Office” (‘the EPPO’)”, en de uitbreiding daarvan, beide gepubliceerd in december 2023<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie, directoraat-generaal Justitie en Consumentenzaken, door Tipik en Spark Legal and Policy Consulting voor the Europese Commissie, september 2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 3 mei 2023 over de bestrijding van corruptie (JOIN(2023)0012) en het voorstel van de Commissie van 3 mei 2023 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bestrijding van corruptie, ter vervanging van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad en van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0234),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het gezamenlijk verslag van Europol en OLAF van 6 juni 2023 getiteld “Assessing the Threats to the NextGenerationEU (NGEU) Fund”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de slotnota van de Europese Ombudsman van 12 september 2023 over het strategisch initiatief betreffende de transparantie en verantwoordingsplicht van de herstel- en veerkrachtfaciliteit in verband met zaak SI/6/2021/PVV, geopend op 24 februari 2022,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Europese Rekenkamer getiteld “Onze activiteiten in 2023”, gepubliceerd op 9 oktober 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Analyse 04/2023 van de Europese Rekenkamer van 6 juli 2023, getiteld “De digitalisering van het beheer van EU-middelen”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien speciale Eurobarometer 534 getiteld “Citizens’ attitudes towards corruption in the EU in 2023”<FOOTNOTE><FIELD>Enquête uitgevoerd op verzoek van het directoraat-generaal Migratie en Binnenlandse Zaken (DG HOME) van de Commissie en gecoördineerd door het directoraat-generaal Communicatie van de Commissie.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Speciaal verslag 06/2023 van de Europese Rekenkamer van 13 maart 2023, getiteld “Belangenconflicten in cohesie- en landbouwuitgaven van de EU – Kader is aanwezig, maar er zijn lacunes in de transparantie en detectiemaatregelen”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/785 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot vaststelling van het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 250/2014<FOOTNOTE><FIELD>PB L 172 van 17.5.2021, blz. 110, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/785/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 18 januari 2024 over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding – jaarverslag 2022<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5730, 17.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5730/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0049/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de Commissie overeenkomstig de in artikel 325, lid 5, VWEU neergelegde verplichting jaarlijks in samenwerking met de EU-lidstaten aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengt over de ter uitvoering van dat artikel genomen maatregelen (het zogeheten PIF-verslag);</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat PIF-verslagen voornamelijk gebaseerd zijn op door de lidstaten verstrekte informatie, met inbegrip van gegevens over opgespoorde onregelmatigheden en fraude, via het beheerssysteem voor onregelmatigheden (IMS) en op gegevens uit het boekhoudsysteem van de Commissie (ABAC);</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat doeltreffende maatregelen ter bescherming van de financiële belangen van de EU op EU-niveau moeten worden uitgevoerd op basis van op gegevens gebaseerde kennis van de specifieke situatie in elke lidstaat, met name in gevallen waarin sprake is van complexe criminele activiteiten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het aantal geconstateerde en gemelde onregelmatigheden de resultaten aantoont van de inspanningen van de lidstaten om illegale activiteiten op dit gebied tegen te gaan, en niet mag worden geïnterpreteerd als een aanwijzing van de omvang van het wanbeheer of de fraude in de lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de verbanden tussen het plaatsvinden van onregelmatigheden, de opsporing ervan en het meldingsniveau een bredere algemene beoordeling vereist;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat een goed beheer van overheidsmiddelen en de bescherming van de financiële belangen van de EU op alle EU-beleidsterreinen essentieel moeten zijn om het vertrouwen van de burgers te vergroten door ervoor te zorgen dat het geld van de belastingbetalers correct en effectief wordt gebruikt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat een systematische vermindering van de btw-kloof de bescherming van de financiële belangen van de Unie zou versterken, de fiscale rechtvaardigheid en het vertrouwen in de belastingstelsels zou vergroten, zou bijdragen tot de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en de economische cohesie tussen de lidstaten zou ondersteunen, met name in tijden van begrotingsdruk;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat bij de bescherming van de EU-begroting meerdere actoren op verschillende niveaus betrokken zijn, die hun mandaat alleen kunnen uitvoeren via een gestructureerd netwerk van betrekkingen en coördinatie binnen de fraudebestrijdingsarchitectuur<FOOTNOTE><FIELD>OLAF, EOM, Europol, Eurojust, de Commissie, de ERK, de antiwitwasautoriteit (AMLA), de Europese Investeringsbank (EIB) en de autoriteiten van de lidstaten en de coördinatiedienst fraudebestrijding (AFCOS).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de verscheidenheid aan rechts- en bestuurssystemen in de lidstaten en hun uiteenlopende niveaus van digitalisering adequaat moeten worden aangepakt door meer uniforme, interoperabele en vergelijkbare bestuurs- en meldingssystemen in de EU tot stand te brengen teneinde fraude, corruptie, onregelmatigheden en ander inbreuken doeltreffend te voorkomen en tegen te gaan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat een solide samenwerking tussen de autoriteiten die administratieve onderzoeken uitvoeren en de autoriteiten die strafrechtelijke onderzoeken uitvoeren, zowel op EU-niveau als op het niveau van de lidstaten, moet worden aangemoedigd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES) en Arachne doeltreffende instrumenten zijn om de EU-begroting te beschermen tegen risico’s van insolventie, nalatigheid, fraude of onregelmatigheden door particuliere actoren, in het geval van het EDES, en via een benadering van datamining en risicoscores, in het geval van Arachne;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat criminele netwerken die in de EU actief zijn, het volledige scala aan geavanceerde informatietechnologie, met inbegrip van artificiële intelligentie (AI), volledig omarmen om hun criminele activiteiten te faciliteren, hetgeen een nog complexere bedreiging voor de EU-begroting en een nieuwe uitdaging voor de rechtshandhaving vormt en ertoe verplicht in de strijd tegen fraude het onderzoek naar het gebruik van AI binnen de fraudebestrijdingsarchitectuur te versnellen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat eerbiediging van de waarden waarop de EU is gegrondvest en van de grondrechten, alsook naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, noodzakelijk zijn om toegang te krijgen tot EU-financiering;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat het conditionaliteitsmechanisme met betrekking tot de rechtsstaat van toepassing is op de gehele EU-begroting als voorwaarde voor toegang tot alle EU-middelen en het mogelijk maakt maatregelen te nemen in geval van schendingen van de beginselen van de rechtsstaat die het goede financiële beheer van de EU-begroting of de financiële belangen van de EU aantasten of ernstig in gevaar brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat artikel 22 van Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit<FOOTNOTE><FIELD>PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/241/oj.</FIELD></FOOTNOTE> bepalingen bevat betreffende de bescherming van de financiële belangen van de EU;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Algemene opmerkingen over PIF-verslaglegging en over grote dreigingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is ingenomen met het PIF-verslag 2023 en de daarin opgenomen analyses van de relevante bevindingen en onderschrijft de daarin vervatte aanbevelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>deelt de mening dat een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie een versnelling vereist van de digitalisering die kennisdeling, toegankelijkheid van gegevens en gegevensverwerking vergemakkelijkt en de governance van de algemene fraudebestrijdingsarchitectuur zou verbeteren; is van mening dat zowel de EU als de nationale autoriteiten meer gebruik moeten maken van digitale instrumenten om de samenwerking te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>herhaalt dat een meer meetbare en resultaatgerichte governance van de activiteiten van de vele onderdelen van de fraudebestrijdingsarchitectuur zowel essentieel is voor een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie als voor een beoordeling van de efficiëntie van de fraudebestrijdingsarchitectuur;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>herinnert eraan dat een solide samenwerking tussen de administratieve en gerechtelijke autoriteiten die onderzoeken uitvoeren, zowel op het niveau van de EU als op het niveau van de lidstaten, van essentieel belang is; herhaalt zijn bezorgdheid over de nog steeds suboptimale situatie, met name wat betreft de opsporing en melding van vermoedelijke fraude en onregelmatigheden en de follow-up daarvan, waarbij er duidelijke verschillen tussen de lidstaten bestaan; moedigt de lidstaten derhalve aan een proactieve aanpak te volgen om de financiële belangen van de Unie te beschermen, en de uitwisseling van informatie tussen hun nationale autoriteiten en met EU-organen en -agentschappen te verbeteren, onder meer om opkomende risico’s en fraudetrends tijdig in kaart te brengen en aan te pakken; onderstreept dat fraudebestrijding een holistische, alomvattende aanpak vereist die alle fasen van de fraudebestrijdingscyclus bestrijkt en rekening houdt met de diverse onderling verbonden en onderling afhankelijke actoren en processen die een rol spelen bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>neemt kennis van het feit dat het totaal aantal door de bevoegde EU- en nationale autoriteiten gemelde gevallen van fraude en onregelmatigheden in 2023 (13 563) aanzienlijk is gestegen, namelijk met 9 %, vergeleken met 2022 (12 455); betreurt het feit dat dit hoger dan ooit is en een voortzetting is van een groeiende trend tijdens de afgelopen vijf jaar; merkt voorts op dat de totale financiering in verband met deze gevallen in 2023 (1,90 miljard EUR) aanzienlijk hoger was dan in 2022 (1,77 miljard EUR), een stijging van 7,3 %; erkent dat de meerjarige uitvoeringscyclus van talrijke programma’s vergelijkingen op basis van een vijfjarig gemiddelde passender maakt dan vergelijkingen van jaar tot jaar om realtime situaties in kaart te brengen en een betrouwbare analyse van trends en patronen te verkrijgen; stelt het dan ook op prijs dat het PIF-verslag 2023 verwijst naar de resultaten van de periode 2019-2023; merkt op dat uit het stijgende aantal onregelmatigheden en gevallen van financiering waarmee geen positieve resultaten worden behaald, duidelijk blijkt dat het noodzakelijk is begrotingen te koppelen aan de prestatie-indicatoren van de bevoegde instanties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>is bezorgd over het algemene scenario dat wordt geschetst door de meerjarige analyse in het PIF-verslag 2023; benadrukt dat de huidige situatie de inspanningen rechtvaardigt die worden geleverd om te zorgen voor een doeltreffender inzet van adequate middelen en een efficiënter gebruik daarvan, hetgeen betere governance en samenwerking vereist; onderstreept dat fraude, corruptie en schendingen van de democratie, het rechtssysteem en de rechtsstaat sterk vervlochten zijn en niet los van elkaar kunnen worden aangepakt; verzoekt de commissarissen voor Begroting, Fraudebestrijding en Openbaar Bestuur en voor Democratie, Justitie en Rechtsstaat nauw en onverwijld samen te werken bij het lanceren van initiatieven om de acties en de resultaten van de fraudebestrijdingsarchitectuur meetbaar en tastbaarder te maken en deze aan het Parlement voor te leggen, overeenkomstig de toezeggingen die tijdens de hoorzittingen voorafgaand aan de benoeming zijn gedaan; stelt voor sterkere synergieën tot stand te brengen tussen het directoraat-generaal Begroting van de Commissie en andere directoraten-generaal van de Commissie die zich bezighouden met de rechtsstaat en de bescherming van andere EU-waarden, met name het directoraat-generaal Justitie en Consumentenzaken, het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie en het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling, om ervoor te zorgen dat alle diensten, in plaats van langs elkaar heen, samenwerken om deze systemische uitdagingen doeltreffender aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>roept nogmaals op tot een holistische benadering in PIF-verslagen, die ook worden beschouwd als een governance-instrument van de fraudebestrijdingsarchitectuur, teneinde een alomvattend overzicht te verschaffen van de synergieën tussen alle relevante actoren, beste praktijken vast te stellen en tekortkomingen aan te pakken; is zich ervan bewust dat, zoals benadrukt in het PIF-verslag van 2023, de operationele bescherming van de financiële belangen van de Unie tegen fraude, onregelmatigheden en andere illegale activiteiten is toevertrouwd aan de nationale autoriteiten, OLAF en het EOM, en is ingenomen met de integratie van de bevindingen van OLAF en het EOM in het PIF-verslag van 2023; vraagt om een meer diepgaande analyse van de interactie tussen de onderdelen van de fraudebestrijdingsarchitectuur en om de invoering van maatregelen om de efficiëntie van bevoegde instanties te verhogen met het oog op de vermindering van fraude en onregelmatigheden; dringt aan op verdere verbetering van deze holistische aanpak, teneinde een duidelijker, vollediger en concreter beeld te geven van de algemene stand van zaken met betrekking tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie, waarbij het volledige beleid inzake fraudebestrijding wordt bestreken, zowel op nationaal als op EU-niveau;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>is ingenomen met de onderzoeksprestaties van OLAF, met name het toegenomen aantal uitgebrachte aanbevelingen (309 ten opzichte van 275 in 2022) en het totale bedrag dat wordt aanbevolen voor financiële terugvordering (1 043,8 miljoen EUR tegenover 426,8 miljoen EUR in 2022) terwijl het aantal zaken dat is geopend (190 in 2023 en 192 in 2022) en afgesloten (265 in 2023 en 256 in 2022) stabiel is gebleven; wijst er met name op dat in de periode 2019-2023 meer dan 88 % van de onregelmatigheden die als mogelijk frauduleus werden aangemerkt en verband hielden met uitgaven die onder direct beheer werden uitbetaald, werden ontdekt na onderzoeken van OLAF; betreurt het dat de lange duur van de onderzoeken negatieve gevolgen kan hebben voor de daaruit voortvloeiende late aanvang van corrigerende maatregelen; herhaalt zijn verzoek om uitgebreide en voldoende gedetailleerde cijfers te ontvangen over de bedragen die de Commissie daadwerkelijk heeft teruggevorderd op grond van de financiële aanbevelingen van OLAF; verzoekt de Commissie in de volgende PIF-verslagen ook ad-hocsecties over OLAF op te nemen om een meer gedetailleerde analyse van en rapportage over de activiteiten van OLAF en de verrichte financiële terugvorderingen te ontwikkelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>is ingenomen met de wijze waarop het EOM, dat sinds juni 2021 operationeel is, zijn activiteiten heeft ontwikkeld en uitgebreid, wat goed tot uiting komt in het aantal geopende onderzoeken (1 371 tegenover 865 in 2022), het totale aantal lopende onderzoeken (1 927 tegenover 1 117 in 2022) en het aantal tenlasteleggingen (139 tegenover 87 in 2022); waardeert de mate van gedetailleerdheid van de EOM-verslaglegging, die relevante informatie biedt over veel trends en over de situatie in de deelnemende lidstaten; pleit voor een efficiënter EOM, hetgeen niet alleen tot uiting moet komen in het aantal onderzoeken, maar ook in de teruggevorderde bedragen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>benadrukt de toegevoegde waarde die EU-organen bieden voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie en fraudebestrijding, met name op het gebied van grensoverschrijdende criminaliteit, zoals ook blijkt uit de operationele resultaten van het EOM en OLAF in 2023; verzoekt nogmaals te waarborgen dat alle relevante EU-actoren die betrokken zijn bij de bestrijding van fraude over voldoende middelen beschikken, en herinnert de Commissie en de Raad er in dit verband aan dat elke euro die aan onderzoek en fraudebestrijdingsmaatregelen wordt besteed naar de EU-begroting terugvloeit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>is bezorgd over het feit dat het door het EOM gemelde aanzienlijke financiële verlies door btw-fraude nadelige gevolgen heeft voor de nationale begrotingen van de lidstaten en tegelijkertijd afbreuk doet aan de eerlijke belastingheffing en eerlijke mededinging tussen bedrijven op de eengemaakte markt; onderstreept dat btw ook voor de begroting van de Unie een belangrijke inkomstenbron is; acht het passend om bij het berekenen van de financiële gevolgen van de activiteiten van het EOM rekening te houden met de complexiteit van de onderliggende bepalingen betreffende het stelsel van eigen middelen van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom (PB L 424 van 15.12.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2020/2053/oj).</FIELD></FOOTNOTE>; wijst op het verontrustend aantal onderzoeken naar de programma’s voor herstel en veerkracht (233) en het geraamde financiële verlies (1,86 miljard EUR); pleit derhalve voor adequate maatregelen op zowel nationaal als Europees niveau;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>verzoekt de Commissie oplossingen te ontwikkelen en toe te passen die een follow-up mogelijk maken van de aanbevelingen van OLAF en strafvervolgingen van het EOM, de analyse daarvan en de meetbaarheid van de daadwerkelijke impact van hun optreden op de bescherming van de begroting van de Unie wat betreft de terugvordering van zowel verkeerd beheerde middelen als niet-geïnde middelen, teneinde een aanvullende rechtvaardiging te geven voor resultaatgerichte beleidsvorming; verzoekt de Commissie het Parlement in kennis te stellen van de resultaten van strafvervolgingen van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>stelt dat communicatie en transparantie van essentieel belang zijn om fraude en corruptie aan te pakken; benadrukt het belang van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, de media en onderzoeksjournalistiek om het bewustzijn te vergroten; onderstreept de centrale rol die media en onderzoeksjournalistiek spelen in de bestrijding van fraude, corruptie, belangenconflicten en andere vormen van misbruik van overheidsmiddelen; acht het van essentieel belang dat de media gevrijwaard blijven van politieke druk en beïnvloeding, teneinde hun onafhankelijkheid en hun rol als waakhond van de democratie en het goede beheer van overheidsmiddelen te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>onderstreept dat transparantie een belangrijke rol speelt bij het beheer van overheidsmiddelen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan de transparantie bij het gebruik van de middelen te maximaliseren, onder meer met betrekking tot informatie over eindbegunstigden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>benadrukt het belang van de rol van overheidsinstanties bij het bevorderen van een nultolerantiecultuur met betrekking tot fraude en stelt dat communicatie en transparantie van essentieel belang zijn om fraude en corruptie aan te pakken; wijst op het belang van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, de particuliere sector, de media en onderzoeksjournalistiek om het bewustzijn te vergroten; moedigt de Commissie aan deze relevante actoren te ondersteunen in de vorm van opleidingsprogramma’s, financiering en alle andere maatregelen die nodig zijn om hun onafhankelijkheid te waarborgen van externe invloed en van onwettige staatstoezicht, intimidatie en pogingen om hun legitimiteit te ondermijnen, in overeenstemming met de grondrechten van de EU en de rechtsstaat; moedigt de Commissie aan een EU-brede voorlichtingscampagne te organiseren over de risico’s van nepnieuws, misinformatie en deepfakecontent in financiële fraudezaken met betrekking tot door de EU gefinancierde projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>is bezorgd over de duidelijke waarschuwing van het EOM en Europol over de toenemende betrokkenheid van groepen georganiseerde criminelen bij de meest relevante gevallen van grensoverschrijdende fraude; merkt op dat uit het jaarverslag van het EOM blijkt dat 209 van zijn lopende onderzoeken tot eind 2023 verband hielden met delicten waarbij criminele organisaties betrokken zijn die zich richten op het schaden van de financiële belangen van de EU; begrijpt dat de georganiseerde misdaad aanzienlijke gevolgen heeft voor de middelen van de Unie en dat de omvang van de fraude die de financiële belangen van de EU schaadt, in het bijzonder aan de ontvangstenzijde van de begroting, alleen door een sterke betrokkenheid van goed georganiseerde criminele groepen kan worden verklaard; is zich ervan bewust dat de huidige analyse- en verslagleggingsinstrumenten geen kwantificering mogelijk maken op een manier die bevredigend is voor het evalueren van de doeltreffendheid of de tekortkomingen van de bestaande maatregelen en beleidslijnen; verzoekt de Commissie snel alle benodigde maatregelen te nemen om de kwestie met betrekking tot analyse en verslaglegging aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>blijft erbij dat het feit dat de relevante EU-wetgeving niet efficiënt is omgezet in de nationale wetgeving van veel lidstaten en het feit dat de nationale wetgevingen van de lidstaten niet geharmoniseerd zijn, georganiseerde criminele groepen de mogelijkheid biedt om een aantal illegale grensoverschrijdende activiteiten uit te voeren op gebieden die de financiële belangen van de Unie schaden; herhaalt derhalve zijn eerdere oproepen tot herziening van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit en tot invoering van een nieuwe gemeenschappelijke definitie van georganiseerde criminaliteit<FOOTNOTE><FIELD>PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2008/841/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, waarbij met name rekening wordt gehouden met het gebruik van corruptie, geweld, dreiging of intimidatie om controle over economische activiteiten of overheidsopdrachten te verwerven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>wijst op de resultaten van de Eurobarometer-enquête van 2023 getiteld “Citizens’ attitudes towards corruption in the EU in 2023”, waaruit blijkt dat EU-burgers en bedrijven in de EU zich ernstige zorgen maken over corruptie; stelt dat corruptie op hoog niveau, ook binnen de EU-instellingen, niet alleen de financiële belangen van de Unie en de economie van de EU als geheel aantast maar ook het vertrouwen van de burgers in de democratische instellingen, zowel in de EU als in de lidstaten, ondermijnt; onderstreept dat criminele organisaties steeds vaker gebruikmaken van corruptie om in overheidsdiensten te infiltreren en economische voordelen te verkrijgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>wijst erop dat het EOM, met betrekking tot corruptiezaken, tot eind 2023 131 onderzochte delicten heeft gemeld (87 gevallen in 2022) en dat in de jaren 2019-2023 door 11 landen 65 zaken via IMS aan de Commissie zijn gemeld<FOOTNOTE><FIELD>Elektronisch systeem dat ontwikkeld is voor het melden van frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden die in de lidstaten zijn opgespoord en dat door 35 landen worden gebruikt.</FIELD></FOOTNOTE>, en dat de gemelde onregelmatige bedragen in verband met dergelijke zaken ongeveer 50,5 miljoen EUR bedragen; verzoekt de Commissie het EOM te vragen het Europees Parlement te laten weten hoeveel van die 50,5 miljoen EUR is teruggevorderd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>erkent dat er in de lidstaten corruptiebestrijdingsstrategieën voorhanden zijn; dringt aan op een evaluatie en een periodieke herziening van deze strategieën; benadrukt dat het belangrijk is rekening te houden met en volledig gevolg te geven aan landspecifieke aanbevelingen met betrekking tot corruptiebestrijding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>erkent de inspanningen van de Commissie om belangenconflicten bij het beheer van de financiële middelen van de Unie te voorkomen en aan te pakken; merkt op dat in de periode 2019-2023 via het IMS 419 gevallen zijn gemeld in verband met belangenconflicten (375 gevallen in de periode 2018-2022), waarmee in totaal ongeveer 112 miljoen EUR gemoeid was; benadrukt dat de Europese Rekenkamer in haar controlewerkzaamheden heeft aangegeven<FOOTNOTE><FIELD>Speciaal verslag 01/2019 van de Europese Rekenkamer van 10 januari 2019 getiteld “Bestrijding van fraude in verband met EU-uitgaven”, paragrafen 23-28, Speciaal verslag 06/2019 van 16 mei 2019 getiteld “De aanpak van fraude bij EU-cohesie-uitgaven”, paragrafen 47-57, en Speciaal verslag 06/2023 van de Europese Rekenkamer van 13 maart 2023 getiteld “Belangenconflicten in cohesie- en landbouwuitgaven van de EU – Kader is aanwezig, maar er zijn lacunes in de transparantie en detectiemaatregelen” – paragraaf 80.</FIELD></FOOTNOTE> dat het IMS de belangrijkste bron van informatie over belangenconflicten is en dat de kwantiteit en kwaliteit van de in het IMS geregistreerde gegevens van lidstaat tot lidstaat verschillen; wijst erop dat wanneer de lidstaten een belangenconflict als een minder belangrijk onderdeel van een omvangrijke fraudezaak beschouwen, zij een dergelijk zaak niet melden als zijnde een zaak die verband houdt met belangenconflicten; verzoekt de Commissie de nodige initiatieven te nemen om ervoor te zorgen dat bovengenoemde situaties consistent en voldoende gedetailleerd worden gemeld in het IMS; dringt erop aan dat de regels inzake belangenconflicten zodanig worden toegepast dat rechtszekerheid wordt gewaarborgd, dat ze gebaseerd zijn op een duidelijke en evenredige risicobeoordeling, en dat de bevoegde autoriteiten ze in de praktijk kunnen toepassen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Ontvangsten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>merkt op dat het totale aantal frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden in verband met traditionele eigen middelen in 2023 (5 118 tegenover 4 661 in 2022) 10 % hoger lag dan het vijfjarig gemiddelde (2019-2023), maar dat het betreffende bedrag met 12 % is gedaald tot 478 miljoen EUR (tegenover 783 miljoen EUR eind 2022); betreurt het dat, hoewel uit de gegevens blijkt dat de terugvordering in het kader van niet-frauduleuze gevallen is verbeterd (82 %), het terugvorderingspercentage in het kader van frauduleuze gevallen ongewijzigd is gebleven, namelijk 25 %, wat nog steeds laag is, en sterk varieert tussen de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>wijst erop dat de Commissie in 2023 van oordeel was dat in slechts vijf van de nieuwe verslagen inzake oninbare bedragen die door de lidstaten bij haar waren ingediend, afdoende was aangetoond dat traditionele eigen middelen verloren waren gegaan om redenen die niet aan de betrokken lidstaten konden worden toegerekend en dat deze niet financieel verantwoordelijk waren voor het verlies; merkt daarentegen op dat de Commissie in 81 gevallen, voor een bedrag van bijna 69 miljoen EUR, van oordeel was dat de lidstaten niet op bevredigende wijze hadden aangetoond dat traditionele eigen middelen verloren waren gegaan om redenen die niet aan hen toe te rekenen waren en dat zij derhalve financieel verantwoordelijk waren voor het verlies; concludeert derhalve dat er voldoende ruimte voor verbetering is bij de inning van traditionele eigen middelen door de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>onderstreept dat het van cruciaal belang is dat de lidstaten hun verantwoordelijkheid nemen voor de inning van traditionele eigen middelen, om ervoor te zorgen dat de last van de financiering van de EU-uitgaven eerlijk over de lidstaten wordt verdeeld en gelijke concurrentievoorwaarden voor de economische actoren op de eengemaakte markt worden gehandhaafd; verzoekt de lidstaten hun inspanningen op te voeren om de doeltreffendheid van de activiteiten van hun nationale overheidsdiensten op het gebied van invordering na de ontdekking van onregelmatigheden en fraude in verband met de btw te verbeteren, teneinde het bedrag van de traditionele eigen middelen dat ter beschikking van de EU-begroting wordt gesteld, te verhogen; erkent dat de btw-nalevingskloof niet alleen betrekking heeft op fraude en ontduiking, maar ook op btw die verloren gaat als gevolg van insolventies, faillissementen, administratieve fouten en legale belastingoptimalisering; is echter van mening dat btw-fraude, zoals btw-carrouselfraude, in belangrijke mate bijdraagt aan de niet-naleving van de btw-regels en herhaalt zijn oproep om dit probleem aan te pakken met digitale middelen, door de btw-regels fraudebestendig te maken en door nauwere samenwerking tussen de nationale belastingautoriteiten en de bevoegde opsporingsinstanties in de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>erkent het huidige rechtskader met betrekking tot de samenwerking met OLAF, het EOM en Eurofisc; verzoekt de Commissie vaart te zetten achter de herziening van het huidige rechtskader om een duidelijke rechtsgrondslag te bieden voor rechtstreekse samenwerking tussen Eurofisc en het EOM; moedigt OLAF aan de mogelijkheden die worden geboden door praktijken van wederzijdse administratieve bijstand volledig te benutten teneinde douanefraude en daarmee verband houdende btw-fraude op te sporen en te identificeren, en dergelijke gevallen onverwijld aan het EOM te melden; benadrukt dat in 2023 het EOM btw-fraude heeft vastgesteld in ongeveer 20 % van zijn lopende zaken (873 gevallen), wat de op één na meest voorkomende vorm van criminaliteit is na fraude met niet-aanbestedingsuitgaven (1 586 gevallen); is bezorgd over de toenemende deelname van groepen georganiseerde criminelen aan btw-fraude en over de verbanden die zijn vastgesteld tussen dit soort fraude en andere zeer ernstige misdrijven, zoals het witwassen van geld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de in de PIF-richtlijn vastgestelde drempel van 10 miljoen EUR, die grote gevolgen heeft voor de activiteiten van het EOM in btw-fraudezaken, te heroverwegen; stelt dat de verschillende interpretaties van de methoden voor de berekening van deze drempel de situatie onduidelijk maken; benadrukt dat de huidige drempel de afschrikkende werking beperkt en daders in staat stelt de zwakste jurisdictie op te zoeken om aan de interventie van het EOM te ontsnappen; is van mening dat bij de herziening van de PIF-richtlijn de drempel moet worden geschrapt of aanzienlijk moet worden verlaagd; verzoekt de Commissie in de tussentijd adequate richtsnoeren te verstrekken met betrekking tot de berekeningsmethode voor gevallen die voorafgaan aan de wijziging van de PIF-richtlijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>merkt op dat door het ontbreken van uitgesplitste regionale en sectorale gegevens over de btw-kloof niet kan worden vastgesteld op welke gebieden het grootste risico op fraude en ontduiking bestaat; verzoekt de Commissie een geharmoniseerd systeem voor het meten van de btw-kloof in te voeren dat een territoriale en een sectorale dimensie omvat, zodat fraudebestrijdingsstrategieën kunnen worden ontwikkeld die meer empirisch onderbouwd en gerichter zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>benadrukt het belang van doeltreffende en efficiënte samenwerking tussen OLAF en het EOM in deze specifieke ontvangstensector en stelt dat adequate opsporing en doorgifte van gegevens door OLAF aan het EOM de inning van btw- en douane-ontvangsten voor de EU-begroting zou kunnen verbeteren en overlapping van de activiteiten van de twee instanties zou kunnen helpen voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>benadrukt dat de versnippering van de IT-systemen tussen de nationale belastingdiensten de doeltreffendheid van de bestrijding van btw-fraude belemmert en het potentieel voor synergieën tussen nationale en EU-autoriteiten beperkt;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Uitgaven</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>is bezorgd over de hoge niveaus van fraude en onregelmatigheden die zowel in 2023 als in 2022 zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zowel op het gebied van plattelandsontwikkeling als op het gebied van landbouwsteun; merkt op dat de gegevens de in voorgaande jaren vastgestelde patronen en risico’s bevestigen; merkt op dat in de periode 2019-2023 de gemelde frauduleuze onregelmatigheden voor plattelandsontwikkeling zijn toegenomen, voornamelijk als gevolg van een toenemend aantal onregelmatigheden dat voor de programmeringsperiode 2014-2020 is ontdekt; merkt op dat in de periode 2019-2023 het aantal niet-frauduleuze onregelmatigheden op het gebied van plattelandsontwikkeling gestaag is toegenomen naarmate de programma’s werden uitgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>merkt op dat in het kader van het cohesiebeleid het aantal niet-frauduleuze onregelmatigheden en de daarmee gemoeide bedragen die voor de programmeringsperiode 2014-2020 zijn gemeld, veel lager zijn dan die welke zijn gemeld tijdens de eerste 10 jaar van uitvoering van de programmeringsperiode 2007-2013; wijst erop dat het fraudeopsporingspercentage<FOOTNOTE><FIELD>Het fraudeopsporingspercentage (Fraud Detection Rate, “FDR”) wordt berekend als het percentage financiële onregelmatigheden dat verband houdt met frauduleuze onregelmatigheden op het totaal van de betalingen. Het percentage opgespoorde onregelmatigheden (Irregularity Detection Rate, “IDR”) wordt berekend als het percentage financiële onregelmatigheden dat verband houdt met niet-frauduleuze onregelmatigheden op het totaal van de betalingen.</FIELD></FOOTNOTE> (0,53 %) voor de programmeringsperiode 2014-2020 vergelijkbaar is met het percentage voor de programmeringsperiode 2007-2013, terwijl het opsporingspercentage van onregelmatigheden (0,67 %) veel lager is dan het percentage dat werd geregistreerd voor de programmeringsperiode 2007-2013 (2,5 %); merkt op dat afzonderlijke onregelmatigheden waarbij het om grote financiële bedragen gaat, het fraudeopsporingspercentage substantieel beïnvloeden; pleit voor verdere verduidelijking van de correlatie tussen het fraudeopsporingspercentage en de daadwerkelijke fraudegevallen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>is ingenomen met het analytisch verslag van OLAF getiteld “Fraud and irregularities by areas of the cohesion policy – comparing risks”, waarin wordt verwezen naar informatie van de lidstaten voor de programmeringsperiode 2014-2020 tot december \2023 en waarin gebieden worden genoemd die bijzonder kwetsbaar zijn voor frauderisico’s (zoals investeringen in milieu, klimaatverandering en de overgang naar een koolstofarme economie, onderzoek, ontwikkeling en innovatie); merkt op dat de grootste financiële bedragen in fraudezaken betrekking hadden op milieubescherming en -onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over de langdurige administratieve procedures voor de behandeling van de gemelde frauduleuze gevallen; wijst erop dat er in de periode 2019‑2023 in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gemiddeld bijna vier jaar nodig waren vanaf het begin van een onregelmatigheid om een vermoeden van frauduleuze activiteiten vast te stellen, en nog eens bijna drie jaar om de zaak te sluiten nadat deze aan de Commissie was gemeld; wijst erop dat inzake cohesie het tijdens de periode 2014‑2020 gemiddeld ongeveer anderhalf jaar duurde om te komen tot een vermoeden dat er een frauduleuze onregelmatigheid was begaan en dat het meer dan twee jaar duurde om de zaak te sluiten nadat deze aan de Commissie was gemeld; verzoekt de Commissie de dialoog met de autoriteiten van de lidstaten te intensiveren en hen van advies te dienen om de duur van administratieve procedures te verkorten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>merkt op dat voor direct beheer tussen 2019 en 2023, OLAF werd genoemd als bron voor de opsporing van frauduleuze onregelmatigheden voor 88,4 % van de terugvorderingsposten, wat overeenkomt met 92,1 % van de totale teruggevorderde bedragen; verzoekt de Commissie duidelijke informatie te verstrekken over de gegevens en over de maatregelen die zijn genomen om een snelle terugvordering te bevorderen, met inbegrip van gegevens over de totale terugvorderingsniveaus voor frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>wijst erop dat, als er ondanks preventieve maatregelen frauduleuze of niet-frauduleuze onregelmatigheden worden opgespoord, terugvordering de maatregel is om de financiële belangen van de Unie te beschermen, en ervoor zorgt dat het EU-beleid naar behoren kan worden uitgevoerd en verrichte uitgaven die niet aan de financieringsvoorschriften voldoen, worden terugbetaald; wijst op de bevindingen van Speciaal verslag 07/2024 van de Europese Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>Speciaal verslag 07/2024 van de Europese Rekenkamer van 7 mei 2024 getiteld “De systemen van de Commissie voor de invordering van onregelmatige EU-uitgaven – Potentieel voor meer en snellere invordering”.</FIELD></FOOTNOTE>, waarin wordt verwezen naar de periode 2014‑2020, waarvoor de gerapporteerde onregelmatige uitgaven 14 miljard EUR bedroegen, die via terugvordering moeten worden terugbetaald; wijst erop dat het vorderingsproces moet worden versneld door duidelijke termijnen en sancties voor vertragingen vast te stellen, zodat de middelen zo spoedig mogelijk weer naar de EU-begroting terugvloeien; verzoekt de Commissie passende maatregelen voor te stellen om volledige informatie te verstrekken over onregelmatige uitgaven en de bijbehorende corrigerende maatregelen die zijn genomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>benadrukt het belang van follow-upmaatregelen nadat de noodzakelijke corrigerende maatregelen zijn getroffen, zodat lering kan worden getrokken uit fraudegevallen en procedures kunnen worden verbeterd om te voorkomen dat zich in de toekomst vergelijkbare situaties voordoen; acht het in dit opzicht belangrijk dat de lidstaten fraudegevallen grondig opvolgen door de onderliggende oorzaken te analyseren en te beoordelen of hun beheers- en controlesystemen dienovereenkomstig moeten worden herzien;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>begrijpt dat de Commissie, na een gebrek aan steun in de Raad voor haar initiatieven in 2004 en 2014, niet bereid is nog een wetgevingsvoorstel in te dienen voor wederzijdse administratieve bijstand op de gebieden van EU-uitgaven waar deze praktijk thans niet bestaat; moedigt de Commissie aan gebruik te maken van de herziening van de OLAF-verordening<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/883/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, die OLAF reeds een versterkt mandaat verleent voor de coördinatie van de acties van de lidstaten, om de huidige bepalingen verder te ontwikkelen teneinde deze leemte op te vullen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>merkt op dat maatschappelijke organisaties een essentieel onderdeel zijn van een dynamische democratische samenleving, en ervoor zorgen dat in openbare debatten een breed scala aan uiteenlopende standpunten aan bod komt; erkent dat deze organisaties middelen van de Unie kunnen ontvangen ter ondersteuning van hun werkzaamheden om bij te dragen aan de democratische dialoog en betrokkenheid van het publiek; merkt op dat de EU wereldwijd een van de grootste financiers van maatschappelijke organisaties is; benadrukt dat transparantie in bijeenkomsten van belanghebbenden van fundamenteel belang is voor de democratische integriteit en in gelijke mate moet gelden voor alle entiteiten die met EU-instellingen samenwerken; benadrukt dat duidelijke documentatie en openbaarmaking van dergelijke interacties het vertrouwen van het publiek en de democratische verantwoordingsplicht versterken; benadrukt dat lobbyactiviteiten transparant moeten zijn, met volledige openbaarmaking van alle betrokken partijen; merkt op dat sommige leden van de Commissie begrotingscontrole beschuldigingen hebben geuit dat door de Commissie gesloten subsidieovereenkomsten met allerlei soorten begunstigden gedetailleerde lobbyactiviteiten omvatten, wat kan worden geïnterpreteerd als een mogelijke inmenging in de interne besluitvorming van de Unie; neemt kennis van het recente speciaal verslag van de Rekenkamer over de transparantie van aan ngo’s toegekende EU-financiering<FOOTNOTE><FIELD>Speciaal verslag 11/2025 van 7 april 2025 van de Europese Rekenkamer getiteld “Transparantie van aan ngo’s toegekende EU-financiering – Ondanks vooruitgang nog steeds geen betrouwbaar overzicht”.</FIELD></FOOTNOTE>, waarin enerzijds wordt gesteld dat het gebruik van EU-financiering voor belangenbehartigingsactiviteiten van ngo’s legaal is en wordt bevestigd dat deze praktijk in overeenstemming is met de wettelijke transparantievereisten van de EU zoals vastgelegd in het Financieel Reglement van de EU, maar tegelijkertijd wordt aangegeven dat er meer moet worden gedaan om de transparantie van de EU-financiering die door alle begunstigden wordt ontvangen te verbeteren; verzoekt de Commissie in dit verband om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer met betrekking tot de screening van eigen verklaringen in het systeem voor financiële transparantie van de EU, en om de eerbiediging door de begunstigden van de fundamentele waarden en beginselen van de EU proactief te controleren; herinnert voorts aan Speciaal verslag 05/2024 van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>Speciaal verslag 05/2024 van 17 april 2024 van de Europese Rekenkamer getiteld “Het EU-transparantieregister – biedt nuttige maar beperkte informatie over lobbyactiviteiten”.</FIELD></FOOTNOTE>; onderstreept dat het secretariaat van het transparantieregister van de EU zijn systematische controles moet versterken van de eigen verklaringen van entiteiten die zichzelf aanmerken als “ngo’s, platforms, netwerken en dergelijke”; merkt op dat dergelijke systematische controles kunnen worden gebaseerd op een reeks criteria, waaronder de afwezigheid van een winstoogmerk, doelstellingen in verband met het algemeen belang, en onafhankelijkheid, om het vertrouwen in alle in het transparantieregister van de EU ingeschreven entiteiten te versterken, en moeten worden ondersteund door robuuste vereisten inzake verantwoordingsplicht en transparantie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>is van mening dat bij de beoordeling van uitvoeringsmodellen voor EU-uitgaven, rekening moet worden gehouden met de gevoeligheid voor de verschillende mogelijkheden van fraude en ander misbruik; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lessen die uit de opzet en uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit zijn getrokken, met inbegrip van de aan haar gerichte aanbevelingen van de Europese Rekenkamer en het Parlement, in acht worden genomen voor toekomstige instrumenten van EU-financiering, in het bijzonder het meerjarig financieel kader voor de periode na 2027; onderstreept dat de tekortkomingen die in de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit zijn vastgesteld, waaronder frauderisico’s, dubbele financiering en een gebrek aan transparantie, als wijze les moeten dienen voor toekomstige financiële kaders van de EU; is gekant tegen elke vorm van reproductie van het model van de herstel- en veerkrachtfaciliteit in zijn huidige vorm en beklemtoont dat elke toekomstige prestatiegerelateerde financiering gepaard moet gaan met aanzienlijk robuustere waarborgen, transparantievereisten en fraudepreventiemechanismen, zodat een goed beheer van EU-middelen kan worden gegarandeerd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">NextGenerationEU (NGEU) en de herstel- en veerkrachtfaciliteit</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>waardeert de inspanningen van de Commissie bij de herziening van de 27 herstel- en veerkrachtplannen teneinde deze aan te passen aan de verstoringen van de energiemarkt na de grootschalige Russische invasie van Oekraïne; merkt op dat de integratie van REPowerEU in de herstel- en veerkrachtplannen naar verwachting zal bijdragen tot een verminderde afhankelijkheid van Russische fossiele brandstoffen en Europa meer zelfvoorzienend zal maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>herinnert er niettemin aan dat vertragingen kunnen worden waargenomen bij de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en verzoekt de Commissie waakzaam te blijven, met name tegen het einde van de levenscyclus van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, om ervoor te zorgen dat de lidstaten de financiële belangen van de EU adequaat beschermen en dat het geld van de EU-belastingbetalers naar behoren wordt besteed;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>onderstreept de belangrijke rol die robuuste beheers- en controlesystemen spelen in de preventie van fraude, aangezien zij criminelen ervan weerhouden pogingen te ondernemen om overheidsinstanties op te lichten; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Europese Rekenkamer herhaaldelijk heeft gewezen op aanhoudende zwakheden in de uitvoering van de controlesystemen van de lidstaten, aangezien deze risico’s opleveren voor de beschikbaarheid van volledige en nauwkeurige gegevens ter staving van betalingsverzoeken, de toegang tot deze verzoeken voor controledoeleinden en de doeltreffende werking van de controlesystemen van de lidstaten om de financiële belangen van de EU te beschermen; betreurt het dat de controlesystemen in verschillende lidstaten niet volledig functioneel waren toen de nationale herstel- en veerkrachtplannen werden uitgevoerd, en benadrukt dat dergelijke kwesties risico’s inhouden voor de regelmatigheid van RRF-betalingen en voor de bescherming van de financiële belangen van de EU; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten de in hun controlekaders vastgestelde tekortkomingen onverwijld verhelpen, onder meer door uitvoering te geven aan de aanbevelingen die de Europese Rekenkamer haar heeft gedaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>merkt op dat het controlekader van de Commissie voor de herstel- en veerkrachtfaciliteit in de eerste plaats berust op de verantwoordelijkheid van de lidstaten om de financiële belangen van de EU te beschermen; verzoekt de Commissie veel aandacht te blijven besteden aan de verwezenlijking door de lidstaten van de specifieke audit- en controlemijlpalen die zijn toegevoegd aan de herstel- en veerkrachtplannen die niet voldoende robuust waren, en zich te blijven inspannen om lacunes in de verantwoordingsplicht te dichten; neemt kennis van de maatregelen die de Commissie heeft genomen naar aanleiding van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer over de aanwijsbare tekortkomingen van de controle- en verslagleggingssystemen van sommige lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan waar nodig doortastende en snelle maatregelen te nemen en de bepalingen van de RRF-verordening ten volle te benutten als er tekortkomingen blijven bestaan in de controlesystemen van de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>merkt met ernstige bezorgdheid op dat in Speciaal verslag 14/2024 van de Europese Rekenkamer werd geconstateerd dat de klimaateffecten van groene uitgaven in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit mogelijk met 34,5 miljard EUR zijn overschat, en dat sommige projecten een minimale impact hebben op de energietransitie of zelfs schadelijk zijn voor het milieu of fraude in de hand werken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>pleit voor de vaststelling van duidelijke, meetbare criteria voor groene investeringen uit de EU-begroting en de herstel- en veerkrachtfaciliteit, om ervoor te zorgen dat alleen projecten met aanzienlijke en bewezen ecologische en economische voordelen financiering ontvangen en de verantwoordingsplicht en de duurzaamheid zo op lange termijn worden verbeterd en het risico van fraude wordt verminderd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>merkt op dat wat betreft de herstel- en veerkrachtfaciliteit in 2023, het PIF-verslag van 2023 melding maakt van het aantal door de Commissie gemelde gevallen van vermoedelijke fraude (15) en van het aantal uitgevoerde controles (13, vergeleken met 16 in 2022), maar dat daarbij geen rekening gehouden wordt met het verontrustend hoge aantal EOM-onderzoeken (233 onderzoeken met betrekking tot herstel- en veerkrachtprogramma’s, met een geraamd financieel verlies van 1,86 miljard EUR); is bezorgd over een mogelijke toename van het aantal gevallen van fraude, corruptie, dubbele financiering en belangenconflicten in de komende jaren, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan snel maatregelen te treffen om een goed beheer en eerlijke verdeling van de middelen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>verzoekt de Commissie het melden via het IMS van alle aan de herstel- en veerkrachtfaciliteit verwante fraudegevallen verplicht te stellen, om ervoor te zorgen dat onregelmatigheden en fraude met gevolgen voor de middelen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit systematisch worden geregistreerd en gemonitord; neemt bezorgd kennis van het gebrek aan transparantie bij de melding van fraude met betrekking tot middelen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en dringt erop aan dat alle lidstaten aan gestandaardiseerde rapportageverplichtingen voldoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>verzoekt OLAF zijn risicoanalyse voort te zetten, die in 2023 ter beschikking van de lidstaten is gesteld, samen met een geactualiseerde versie van het “RRF-risicokader” en met de opleidingen en seminars voor de autoriteiten van de lidstaten; steunt het gebruik van het IMS voor het melden van onregelmatigheden in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; roept de Commissie, de gespecialiseerde EU-agentschappen en -organen en ook de lidstaten nogmaals op actief samen te werken en te communiceren om de bescherming van de financiële belangen van de EU bij de uitvoering van NGEU te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>merkt op dat de Commissie, als onderdeel van de richtsnoeren voor herstel- en veerkrachtplannen, bijlage IV betreffende verminderingen en terugvorderingen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit heeft vastgesteld<FOOTNOTE><FIELD><STRING UNDERLINE="on">Mededeling van de Commissie – Richtsnoeren voor herstel- en veerkrachtplannen (C(2024)4618).</STRING></FIELD></FOOTNOTE>; begrijpt dat een vermindering van een betaling mogelijk is wanneer er nog betalingen moeten worden verricht; herinnert eraan dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit in 2026 afloopt; wijst erop dat terugvordering alleen mag plaatsvinden wanneer er geen verdere tranches resteren; is bezorgd over het feit dat deze terugvorderingsprocedure, die is ontleend aan het model voor de uitvoering van de cohesiefondsen, uiterst ondoeltreffend is gebleken en in het huidige meerjarig financieel kader (MFK) is verlaten; betreurt ten zeerste dat er eind 2023 geen invorderingsopdrachten waren in ABAC met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit, en dat de lidstaten nog steeds niet verplicht zijn onregelmatigheden met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit te melden via het IMS;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>herhaalt dat transparantie een cruciale rol speelt bij het blootleggen van frauduleuze regelingen en het ontmoedigen van fraudeurs; spreekt nogmaals zijn ontevredenheid uit over de door de Commissie goedgekeurde interpretatie van het begrip “eindontvanger” in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; verwerpt de onvolledige en misleidende interpretatie van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD>De antwoorden van de Commissie op het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 2 september 2024 getiteld “Absorptie van middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit – Vooruitgang vertraagd en nog steeds risico’s voor de verwezenlijking van maatregelen en dus van de RRF-doelstellingen”, blz. 4.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat zelfs volgens de richtsnoeren van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD>Mededeling van de Commissie – Richtsnoeren voor herstel- en veerkrachtplannen (C(2024)4618).</FIELD></FOOTNOTE> de “eindontvanger” de “laatste entiteit” is die middelen ontvangt voor een maatregel in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, en dat elke initiële of tussenontvanger van financiering, zoals ministeries of agentschappen, de middelen slechts verdelen, niet moet worden beschouwd als de “laatste ontvanger”; vraagt de Commissie nogmaals de lidstaten te verzoeken informatie te verstrekken over de “eindontvanger” of “laatste entiteit” en geen informatie van de lidstaten te aanvaarden over “ontvangers op het tweede niveau” die niet in overeenstemming is met het akkoord tussen de medewetgevers; verzoekt de Commissie haar richtsnoeren te herzien door deze bepaling aan de hand van praktijkgevallen en voorbeelden te verduidelijken, zodat deze richtsnoeren als een solide referentiedocument voor nationale autoriteiten dienen en een adequaat niveau van transparantie en een gelijke interpretatie in alle lidstaten bevorderen; benadrukt dat het Parlement, indien de Commissie blijft weigeren volledige transparantie te verschaffen, alle beschikbare maatregelen moet overwegen om naleving af te dwingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>is bezorgd over het standpunt van de Europese Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>Speciaal verslag 22/2024 van de Europese Rekenkamer getiteld “Dubbele financiering uit de EU-begroting – Controlesystemen missen essentiële elementen om het verhoogde risico door het niet-kostengerelateerde RRF-financieringsmodel te beperken” en haar jaarverslagen over de uitvoering van de EU-begroting voor het begrotingsjaar 2022.</FIELD></FOOTNOTE> over het toenemende risico dat EU-middelen tweemaal aan dezelfde maatregel worden besteed en tweemaal voor dezelfde actie worden verstrekt; begrijpt dat overeenkomstige maatregelen op vergelijkbare gebieden, zoals vervoers- en energie-infrastructuur, worden gefinancierd uit zowel de EU-begroting als de herstel- en veerkrachtfaciliteit, omdat het EU-coronaherstelfonds vergelijkbare acties financiert als die welke door standaardprogramma’s van de EU worden gedekt; erkent dat complementariteit tussen de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-instrumenten is toegestaan, maar merkt op dat dit zou kunnen leiden tot het bereiken van mijlpalen die volledig worden gefinancierd door andere fondsen dan de herstel- en veerkrachtfaciliteit, omdat de herstel- en veerkrachtfaciliteit niet gekoppeld is aan de terugbetaling van daadwerkelijk gemaakte kosten, maar veeleer de verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen beloont; benadrukt dat de verschillende governanceniveaus, het versnipperde IT-landschap en de beperkte uitwisseling van gegevens of het gebruik van datamininginstrumenten zoals Arachne, de opsporing van dubbele financiering verhinderen, en dat de bestaande controlemechanismen derhalve ontoereikend kunnen zijn om dit toegenomen risico naar behoren te beperken; blijft erbij dat het gebrek aan rechtstreekse toegang tot de volledige lijst van eindontvangers van de herstel- en veerkrachtfaciliteit de capaciteit van de Commissie beperkt om mogelijke gevallen van dubbele financiering op te sporen; is van mening dat de voorzorgsmaatregelen die sommige lidstaten hebben genomen om te vermijden dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit met andere EU-instrumenten wordt gecombineerd, bijdragen tot het beperken van het risico op dubbele financiering; verzoekt de Commissie in dit opzicht haar inspanningen te intensiveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>merkt op dat de lidstaten in hun herstel- en veerkrachtplannen maatregelen zonder geraamde kosten of nulkostenmaatregelen kunnen opnemen<FOOTNOTE><FIELD>Werkdocument van de diensten van de Commissie van 22 januari 2021 getiteld “Guidance to Member States: recovery and resilience plans” (SWD(2021)0012).</FIELD></FOOTNOTE>; wijst er ook op dat deze “kosteloze” mijlpalen het belangrijkste referentiekader zijn om te beoordelen of de middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit voor de beoogde doeleinden zijn gebruikt; begrijpt dat de betalingen voor deze “kosteloze” of “nulkosten”-mijlpalen worden vrijgegeven na de verwezenlijking van de mijlpalen, ongeacht de gemaakte kosten, in overeenstemming met de benadering van “financiering die niet gekoppeld is aan kosten” in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; merkt echter op dat dergelijke mijlpalen het onmogelijk maken om te controleren of er sprake is van goed beheer van de betaalde middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit, omdat dergelijke middelen worden uitbetaald in verband met een mijlpaal waarvoor zij niet zijn ingezet; verzoekt de Commissie haar veronderstelling te heroverwegen dat een nulkostenmaatregel geen aanleiding kan geven tot dubbele financiering, ongeacht of andere EU-fondsen worden gebruikt voor de uitvoering van deze maatregel; verzoekt de Commissie met klem de controles op nulkostenmaatregelen aan te scherpen en de lidstaten richtsnoeren te verstrekken over de wijze waarop de financiële opzet van de betrokken maatregelen moet worden aangepakt om een dergelijk risico te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om adequate procedures voor controles achteraf te handhaven en bijzondere aandacht te besteden aan het risico dat streefdoelen die eerder zijn gecontroleerd en waarvan is geoordeeld dat zij op bevredigende wijze zijn behaald na betaling worden teruggedraaid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>geeft een vervolg aan het in februari 2022 gelanceerde en in september 2023 afgesloten strategisch initiatief van de Ombudsman inzake de transparantie en verantwoordingsplicht van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, waarvan het de resultaten volledig onderschrijft; is ingenomen met de lopende dialoog tussen de Commissie en de Ombudsman om de geconstateerde suboptimale situaties aan te pakken, met name wat betreft het scorebord en de proactieve publicatie van documenten in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Digitalisering en transparantie om fraude beter te bestrijden</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>is ingenomen met het politieke akkoord dat is bereikt over de voorgestelde herschikking van het Financieel Reglement; is van mening dat de uitbreiding van het toepassingsgebied van het EDES tot gedeeld beheer en de vaststelling van een rechtsgrondslag om Arachne te gebruiken als model voor een EU-breed instrument voor datamining en risicoscores, de bescherming van de financiële belangen van de EU zullen versterken; herinnert aan de oproepen die in eerdere verslagen zijn gedaan om ervoor te zorgen dat alle lidstaten gebruikmaken van datamininginstrumenten, met name Arachne, om normen voor tijdige en nauwkeurige verslaglegging te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>deelt de mening dat het IMS, het systeem dat de lidstaten gebruiken om aan de Commissie onregelmatigheden en fraude met gevolgen voor de EU-begroting te melden, mogelijkheden biedt voor meer interoperabiliteit met andere bedrijfsinstrumenten van de Commissie, zoals Arachne en EDES, en met digitale instrumenten in de lidstaten; wenst na de herschikking van het Financieel Reglement te worden geïnformeerd over de voortgang van de EDES-IMS-interface en over het mogelijke gebruik van IMS-gegevens in het instrument voor datamining en risicoscores (Arachne);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>roept nogmaals op de interoperabiliteit tussen gegevenssystemen te vergroten en de rapportage, monitoring en controle in de Unie te harmoniseren; is zich bewust van het horizontale karakter van interoperabiliteit en waardeert de vaststelling van de verordening Interoperabel Europa<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2024/903 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot vaststelling van maatregelen voor een hoog niveau van interoperabiliteit van de overheidssector in de Unie (verordening Interoperabel Europa) (PB L, 2024/903, 22.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/903/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>wijst op de bevindingen in Analyse 04/2023 van de Europese Rekenkamer van 6 juli 2023 getiteld “De digitalisering van het beheer van EU-middelen”; herinnert aan de positieve gevolgen van digitalisering voor de preventie en opsporing van fraude en onregelmatigheden, alsook voor het beheer, de controle en de audit van EU-middelen, doordat digitalisering gemakkelijker en sneller toegang tot gegevens en kruiscontroles op afstand mogelijk maakt, waardoor de kosten worden beperkt door de behoefte aan controles en controles ter plaatse te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>erkent dat de benutting van een realtime data-economie aanzienlijke voordelen heeft voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie en tegelijkertijd de administratieve lasten vermindert voor overheidsinstanties en bedrijven die binnen de EU over de grenzen heen actief zijn en handel drijven; verzoekt de EU en de lidstaten de uitwisseling van gegevens doeltreffender te maken door een digitaal ecosysteem op te zetten dat een naadloos, realtime en veilig verkeer van gestandaardiseerde, gestructureerde en machineleesbare gegevens tussen bedrijven en overheidsinstanties, met name nationale belastingdiensten, mogelijk maakt, teneinde de mogelijkheden voor het plegen van fraude en belastingontduiking te beperken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>deelt de mening dat digitalisering centraal moet staan in elke fraudebestrijdingsstrategie, en met name dat deze moet worden geïntegreerd in nationale fraudebestrijdingsstrategieën om de coördinatie tussen de samenstellende delen ervan mogelijk te maken en om rekening te kunnen houden met de dreigingen die voortvloeien uit nieuwe technologieën;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>is van mening dat digitalisering mogelijkheden biedt voor tastbare verbeteringen in de governance van het fraudebestrijdingsnetwerk, en dat digitalisering, door de communicatie en toegankelijkheid te vergemakkelijken, bijdraagt tot een betere verslaglegging, waardoor een beter begrip ontstaat van de obstakels die nog steeds bestaan en besluitvormers en medewetgevers tijdiger en uitgebreider kunnen reageren; is verheugd dat meer dan de helft van de lidstaten stappen heeft ondernomen om lacunes in vaardigheden op het gebied van digitalisering, met name het gebrek aan informatie en aan toegang tot gegevens over digitalisering, op te sporen en aan te pakken; moedigt de lidstaten en actoren in de fraudebestrijdingsarchitectuur aan de lacunes in vaardigheden te blijven aanpakken, door middel van maatregelen als onder meer kennisuitwisseling, opleidingen en de verbreding van knowhow en vaardigheden op het gebied van digitalisering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>is ingenomen met de inspanningen van veel onderdelen van de fraudebestrijdingsarchitectuur bij het beoordelen en verder ontwikkelen van de door AI en machinaal leren geboden opties voor het identificeren en opsporen van onregelmatigheden en het nastreven van efficiëntieverbeteringen bij zowel analyses als klassieke administratieve taken; herhaalt dat menselijke beoordeling het centrale kenmerk van elk proces moet blijven; voegt daaraan toe dat AI een doorbraak kan betekenen in de strijd tegen fraude, waardoor grote datasets snel kunnen worden geanalyseerd en fraudepatronen beter kunnen worden opgespoord en geïdentificeerd; herinnert eraan dat het succesvolle gebruik van AI afhankelijk is van doeltreffende samenwerking tussen alle belanghebbenden en van de beschikbaarheid van hoogwaardige gegevens, geschraagd door een doeltreffend gebruik van Arachne; dringt er bij de Commissie op aan te werken aan de ontwikkeling van AI in Europa om de gegevenssoevereiniteit te handhaven en te zorgen voor robuuste gegevensbescherming, in overeenstemming met de beginselen die zijn uiteengezet in de AI-verordening<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 300/2008, (EU) nr. 167/2013, (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1139 en (EU) 2019/2144, en de Richtlijnen 2014/90/EU, (EU) 2016/797 en (EU) 2020/1828 (verordening artificiële intelligentie) (PB L, 2024/1689, 12.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj).</FIELD></FOOTNOTE> en de algemene verordening gegevensbescherming<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).</FIELD></FOOTNOTE> (AVG); verzoekt alle fraudebestrijdingsactoren hun samenwerking te versterken om het gebruik van AI doeltreffend en verantwoord te benutten in de strijd tegen fraude;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>erkent de steeds grotere risico’s die zijn gemoeid met door AI genereerde inhoud die wordt gebruikt om aanbestedingsprocedures, financiële transacties en bewijsmateriaal in onderzoeken naar fraude te manipuleren; verzoekt de Commissie prioriteit toe te kennen aan onderzoek en beleidsmaatregelen voor de bestrijding van frauduleuze activiteiten die mogelijk worden gemaakt door artificiële intelligentie, waaronder deepfaketechnologie en met AI gegenereerde desinformatiecampagnes die de werking van financiële en fraudebestrijdingsmechanismen negatief kunnen beïnvloeden; verzoekt de Commissie striktere wettelijke bepalingen en sancties voor te stellen voor entiteiten waarvan wordt vastgesteld dat ze AI gebruiken om financiële fraude te plegen of faciliteren, met inbegrip van op AI gebaseerde witwasconstructies, vervalsing van contracten en digitale identiteitsdiefstal in aanbestedingsprocedures;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>erkent het belang van het gebruik van AI om de kwaliteit en volledigheid van met de lidstaten uitgewisselde gegevens te verbeteren; is in dit opzicht ingenomen met de acties van OLAF, waaronder de aanbevelingen in de jaarlijkse PIF-verslagen, de gestructureerde bilaterale dialogen met de lidstaten, de herziening van het actieplan voor de fraudebestrijdingsstrategie en de interinstitutionele uitwisselingen over deze kwesties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>roept voorts op tot een specifiek EU-breed initiatief voor de ontwikkeling van op AI gebaseerde fraudeopsporingsmechanismen binnen OLAF, het EOM en Europol, teneinde financiële delicten die de EU-begroting schaden efficiënter te monitoren en voorkomen; beveelt aan een EU-brede taskforce op te zetten die bestaat uit vertegenwoordigers van OLAF, het EOM, Europol en nationale fraudebestrijdingsdiensten, en die zich specifiek richt op bedreigingen in de vorm van digitale fraude, waaronder deepfaketechnologie, met AI gegenereerde nepdocumenten en synthetische identiteitsfraude; onderstreept dat deze taskforce beste praktijken moet ontwikkelen en met de lidstaten moet delen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>beklemtoont dat er intensievere grensoverschrijdende samenwerking en mechanismen voor gegevensuitwisseling tussen de lidstaten nodig zijn om fraude op basis van AI te bestrijden, met name op risicovolle terreinen als btw, douane en de verdeling van financiële steun; pleit voor de oprichting van een gezamenlijke EU-inlichtingenhub om frauduleuze AI-activiteit in real time te monitoren; verzoekt de Commissie en de lidstaten artificiële intelligentie en gegevensanalyse in fraudeopsporingssystemen te integreren en daarbij te zorgen voor interoperabiliteit tussen nationale databanken en databanken op EU-niveau met behoud van krachtige waarborgen voor gegevensbescherming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten strikte transparantie- en controlemaatregelen in op AI gebaseerde hulpmiddelen voor fraudeopsporing in te voeren om vertekening, manipulatie van algoritmen en misbruik van systemen voor financieel toezicht te voorkomen; dringt aan op de ontwikkeling van richtsnoeren inzake ethisch gebruik van AI voor fraudebestrijdingsinstanties, teneinde de verantwoordingsplicht te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>pleit voor een verplicht forensisch verificatieproces voor al het digitale bewijs dat in financiële-fraudezaken wordt ingediend, zodat de echtheid van in het onderzoek gebruikte documenten en audio- en videomateriaal kan worden gewaarborgd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De interne laag van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de EU – belangrijke maatregelen op EU-niveau in 2023</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>benadrukt dat de fraudebestrijdingsarchitectuur van de EU een samengestelde institutionele architectuur is die is ontworpen om fraude en andere vormen van wangedrag die de financiële belangen van de EU schaden, op te sporen, te voorkomen en te bestrijden, voortbouwend op een meerlagig samenwerkingsnetwerk waarin de eerste laag (OLAF, het EOM, Europol, Eurojust, AMLA, de Commissie, de Europese Rekenkamer en de Europese Investeringsbank (EIB)) gebaseerd is op horizontale samenwerking tussen de instellingen, organen en instanties van de EU, terwijl de andere lagen gebaseerd zijn op verticale betrekkingen tussen EU- en nationale autoriteiten en tussen EU-autoriteiten en internationale organisaties; wijst erop dat de fraudebestrijdingsarchitectuur zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld door middel van een reeks afzonderlijke besluiten die hebben geleid tot een innovatief netwerk van entiteiten; onderstreept dat hun gecoördineerde activiteiten in de afgelopen jaren waardevolle ervaring hebben opgeleverd waarmee rekening moet worden gehouden bij de toekomstige herziening van de desbetreffende verordeningen; benadrukt dat met de oprichting van het EOM de eerste Europese vervolgende instantie is opgericht en snelle, directe onderzoeken naar en vervolgingen van strafbare feiten mogelijk zijn, en dat de lessen die in de eerste jaren van zijn operationele activiteit zijn geleerd, adequaat in het wetgevingskader moeten worden geïntegreerd om de beschikbare instrumenten en middelen ten volle te kunnen benutten; benadrukt dat het belangrijk is dat de diverse instellingen, organen en instanties van de EU duidelijke mandaten hebben, zodat de kans op overlap en duplicatie tot een minimum kan worden beperkt en derhalve een efficiënte werking van de fraudebestrijdingsarchitectuur kan worden gewaarborgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>waardeert de integratie in het PIF-verslag 2023 van de belangrijkste administratieve en gerechtelijke resultaten die respectievelijk door OLAF en het EOM zijn bereikt, naar aanleiding van de vele verzoeken van het Parlement om uitgebreidere verslaglegging over de door de onderdelen van de fraudebestrijdingsarchitectuur uitgevoerde acties; is echter van mening dat de verschillen in aard, reikwijdte en gedetailleerdheid tussen de twee verslagen moeten worden aangepakt en dat de samenwerkingsgebieden duidelijk moeten worden aangegeven; is van mening dat de verschillen in de door OLAF, het EOM en het PIF-verslag 2023 verstrekte cijfers in de huidige omstandigheden gerechtvaardigd zijn; wijst erop dat rapporterende instanties in de lidstaten alleen melding mogen maken van strafrechtelijke onderzoeken wanneer de betrokken gerechtelijke autoriteiten hen daartoe toestemming verlenen, en dat dit betekent dat het EOM en OLAF weliswaar gegevens over actieve onderzoeken melden, maar dat de rapporterende instanties deze gegevens vaak niet in de IMS-databank kunnen invoeren omdat de vertrouwelijkheid moet worden beschermd en het goede verloop van onderzoeken moet worden gewaarborgd; begrijpt dat deze gevallen leiden tot een divergentie in de gegevens (“delta”) die alleen kan worden beëindigd wanneer de onderzoeken zijn afgerond en de relevante gegevens zijn opgenomen in de rapportage aan de Commissie, zodat zij in een toekomstig PIF-verslag kunnen worden opgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>is ingenomen met de goedkeuring door de Commissie in mei 2023 van een pakket corruptiebestrijdingsmaatregelen dat een voorstel voor een richtlijn ter bestrijding van corruptie omvat; is van mening dat de preventie en vervolging van corruptie moeten worden opgevoerd en verzoekt de Commissie het toezicht op de handhaving van de maatregelen in de lidstaten te intensiveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>is ingenomen met de oprichting van een netwerk tegen corruptie, dat op 20 september 2023 voor het eerst is bijeengekomen, en is van mening dat het in kaart brengen van gebieden met een hoog corruptierisico een effectieve bijdrage kan leveren aan de verdere ontwikkeling van de EU-strategie voor corruptiebestrijding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>onderstreept het belang van de rechtsstaat als een van de fundamentele waarden van de Unie en beklemtoont dat het conditionaliteitsmechanisme met betrekking tot de rechtsstaat cruciaal is om te waarborgen dat de lidstaten de beginselen van de rechtsstaat blijven eerbiedigen; herhaalt dat het zich ernstig zorgen maakt over de situatie op het gebied van de rechtsstaat in bepaalde lidstaten, die op zich erg zorgwekkend is en die kan leiden tot ernstige verliezen voor de begroting van de Unie; verzoekt de Commissie een strikte en snelle uitvoering te waarborgen van alle elementen van het mechanisme wanneer lidstaten de beginselen met betrekking tot de rechtsstaat schenden en dit de financiële belangen van de EU schaadt of kan schaden; dringt voorts aan op de behoefte aan samenhang tussen de verschillende instrumenten bij de beoordeling van de situatie op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>merkt op dat het vierde verslag van de Commissie over de rechtsstaat 2023, dat in februari 2024 is goedgekeurd, een follow-up vormt van de aanbevelingen van het verslag over de rechtsstaat van het vorige jaar; erkent dat verschillende lidstaten in de strijd tegen corruptie hun nationale strategieën en/of actieplannen hebben geactualiseerd of herzien, terwijl andere het strafrecht hebben hervormd om de strijd tegen corruptie te versterken; merkt op dat voor veel lidstaten het grootste obstakel voor de bestrijding van corruptie de beperkte middelen van de vervolgende instanties zijn; verzoekt de Commissie de inspanningen van de lidstaten om de strafrechtelijke procedures te hervormen en doeltreffender te maken en de andere in het verslag genoemde uitdagingen aan te pakken, te blijven aanmoedigen en ondersteunen; herinnert de Commissie aan de doeltreffende instrumenten waarover zij beschikt om de rechtsstaat te vrijwaren, zoals inbreukprocedures, financieringsvoorwaarden en de procedure van artikel 7 VEU, en verwacht dat zij deze allemaal optimaal benut; onderstreept in dit opzicht dat bij het nieuwe Financieel Reglement een aan de waarden van artikel 2 VEU gekoppelde conditionaliteit is ingevoerd, en verzoekt de Commissie deze conditionaliteit te gaan toepassen, met name in gevallen waarin reeds inbreukprocedures tegen een lidstaat zijn ingeleid wegens schending van de in artikel 2 VEU vastgelegde waarden, teneinde duidelijk te maken dat het gaat om een doorlopende schending die ook gevolgen kan hebben voor het goede financiële beheer van de begroting van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>neemt kennis van het besluit van de Commissie om de maatregel uit hoofde van artikel 2, lid 2, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van 15 december 2022 inzake maatregelen ter bescherming van de Uniebegroting tegen schendingen van de beginselen van de rechtsstaat in Hongarije<FOOTNOTE><FIELD>PB L 325 van 20.12.2022, blz. 94, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/2506/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE> niet op te heffen; verwacht dat de Commissie en de Raad de vastgestelde maatregelen alleen opheffen indien is aangetoond dat de door de Hongaarse regering genomen corrigerende maatregelen in de praktijk doeltreffend zijn gebleken en vooral dat wat betreft de reeds genomen maatregelen geen sprake is van terugval; veroordeelt de bedreigingen, zoals spionage, waaraan personeelsleden van de EU-instellingen worden blootgesteld, zoals personeelsleden van OLAF tijdens hun onderzoeksmissies in Hongarije; beklemtoont dat dergelijke acties de rechtsstaat en de integriteit van de EU-instellingen ernstig ondermijnen; pleit voor de spoedige vaststelling van robuuste maatregelen om personeel van EU-instellingen tijdens missies te beschermen; verzoekt de Hongaarse autoriteiten onmiddellijk concrete maatregelen te treffen om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de vrijheid van media te waarborgen en de aanbevelingen uit het verslag over de rechtsstaat van de Commissie inzake het herstel van democratische controlemechanismen volledig uit te voeren; dringt er bij de Raad op aan de procedure van artikel 7 VEU tegen de Hongaarse regering in te leiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>benadrukt dat de eerbiediging van de rechtsstaat, met inbegrip van corruptiebestrijding, van wezenlijk belang is voor een interne markt die investeringen, groei, banen en innovatie bevordert en bescherming biedt aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en ondernemers die grensoverschrijdend actief zijn; benadrukt dat de Commissie verantwoordelijk is voor een strikte controle, als voorwaarde voor de uitbetaling van financiering, van de verwezenlijking van de mijlpalen in verband met de rechtsstaat die zijn opgenomen in de plannen voor herstel en veerkracht van de verschillende lidstaten; herinnert eraan dat de commissaris voor Democratie, Justitie en Rechtsstaat, die nauw samenwerkt met de onlangs benoemde commissaris voor Begroting, Fraudebestrijding en Openbaar Bestuur, primair verantwoordelijk is voor de volledige toepassing van het algemene conditionaliteitsregime; verzoekt de Commissie de “dialoog” met de lidstaten of de “proefprocedure” niet te gebruiken als een vrijblijvend middel om het inleiden van daadwerkelijke inbreukprocedures te vermijden; verzoekt de Commissie voorts om prioriteit te geven aan horizontale inbreuken die de financiële belangen van de EU schaden, met name die welke verband houden met de PIF-richtlijn en de EOM-verordening<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI:  http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj).</FIELD></FOOTNOTE>; is ingenomen met de verklaring in de politieke beleidslijnen van de Commissie over het belang van de rechtsstaat voor EU-middelen, en de toezegging van de commissaris voor Begroting, Fraudebestrijding en Openbaar Bestuur om in het volgende MFK sterke waarborgen voor de rechtsstaat in te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>is van mening dat de bescherming van de in artikel 2 VEU vastgelegde gemeenschappelijke EU-waarden die thans deel uitmaakt van de verordening gemeenschappelijke bepalingen, verder moet worden versterkt; verzoekt de Commissie te bekijken hoe een mechanisme dat gelijkwaardig is aan de horizontale randvoorwaarden kan worden ontwikkeld als een algemeen element op alle gebieden van de EU-begroting, zodat een breder scala aan beleidsterreinen kan worden gekoppeld aan alle waarden uit artikel 2 VEU; verzoekt de Commissie manieren te zoeken om financiering te koppelen aan voorwaarden met betrekking tot de rechtsstaat en de voltooiing van noodzakelijke hervormingen teneinde een integrale benadering te waarborgen die horizontaal op alle EU-middelen wordt toegepast; verzoekt de Commissie een integrale aanpak na te streven en met voorstellen te komen voor een verdere versterking van het Unie-instrumentarium voor de rechtsstaat, onder meer om de middelen die deel uitmaken van de huidige programmeringsperiode aan een aangescherpte conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat te binden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>stelt dat corruptie onlosmakelijk verbonden is met het witwassen van geld en dat het witwassen van geld een van de belangrijkste voorwaarden vormt voor illegale activiteiten van georganiseerde criminelen, aangezien dit hen in staat stelt de opbrengsten van hun strafbare vergrijpen over te hevelen naar de legale economie; erkent dat de verschillende nationale rechtsstelsels en gefragmenteerde toepassing van het antiwitwaskader van de Unie de preventie, opsporing en bestrijding van witwaspraktijken hebben bemoeilijkt; is in dit opzicht ingenomen met de vaststelling van het ambitieuze wetgevingspakket met betrekking tot de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, dat de nationale regels zal harmoniseren en de collectieve bestrijding van witwaspraktijken in de Unie zal verbeteren; is ingenomen met de oprichting van de nieuwe Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering (AMLA); is van mening dat dit nieuwe agentschap door zijn coördinerende- en toezichthoudende taken een centrale rol zal spelen binnen het antiwitwaskader; herinnert eraan dat witwassen van geld en terrorismefinanciering onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en verzoekt het EOM, OLAF en de Europese Rekenkamer een grotere rol te spelen bij de bestrijding van deze verschijnselen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>deelt de mening dat de bescherming van de financiële belangen van de EU is versterkt door de herschikking van het Financieel Reglement; wijst erop dat het toepassingsgebied van het EDES is uitgebreid tot gedeeld en direct beheer en voorziet in nieuwe uitsluitingsgronden; is ingenomen met de invoering van een rechtsgrondslag voor een instrument voor risicoscores en datamining dat door alle lidstaten en in alle beheersvormen moet worden gebruikt; betreurt het dat beide maatregelen pas in 2028 in werking zullen treden en pas vanaf het volgende MFK, hetgeen inhoudt dat er nog een paar jaar voorbij zullen gaan zonder integrale transparantie inzake de eindontvangers van EU-middelen en dat een cruciale kans onbenut wordt gelaten om deze gegevens te gebruiken om de bescherming tegen corruptie en fraude te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>waardeert de goedkeuring van een herzien actieplan<FOOTNOTE><FIELD>Mededeling van de Commissie van 11 juli 2023 getiteld “Actieplan Fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie – herziening 2023” (COM(2023)0405), accompanied by het werkdocument van de diensten van de Commissie van 11 juli 2023 getiteld “Actieplan – herziening 2023” (SWD(2023)0245).</FIELD></FOOTNOTE> bij de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie van 2019; merkt op dat het 44 acties omvat die zijn verdeeld over zeven thema’s, die met name betrekking hebben op digitalisering, samenwerking, de herstel- en veerkrachtfaciliteit, douanefraude en bewustmaking op het gebied van ethiek en fraudebestrijding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>wijst erop dat het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie het enige uitgavenprogramma is dat specifiek gericht is op de bestrijding van fraude die de financiële belangen van de EU schaadt en dat het relevante steun biedt aan de autoriteiten van alle lidstaten als onderdeel van de externe laag van de fraudebestrijdingsinfrastructuur, teneinde de fraudebestrijding te versterken; merkt op dat het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie over de nodige flexibiliteit beschikt om zich aan te passen aan het voortdurend veranderende fraudebestrijdingslandschap en is afgestemd op de periode van zeven jaar (2021‑2027) van het huidige MFK; merkt op dat tot dusver 55 % van de totale uitvoering van het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie heeft bijgedragen aan de digitale transitie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>verzoekt de Commissie voort te bouwen op het succes van het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie en moedigt de commissaris voor Begroting en Fraudebestrijding aan het fraudebestrijdingsprogramma te beschouwen als een model dat in het volgende MFK moet worden uitgebreid, in overeenstemming met de in de opdrachtbrief vermelde taak om steun te verkrijgen voor de inspanningen van de lidstaten om de financiële belangen van de Unie te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>is ingenomen met het eerste verzoek om associatie in verband met het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie dat in 2023 is ontvangen van een niet-EU-land, namelijk Oekraïne, waarmee is onderhandeld over een associatieovereenkomst met betrekking tot zijn deelname aan het programma en dat in maart 2024 is goedgekeurd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over de vaststelling door de Commissie in haar laatste tussentijdse evaluatie van Hercules III dat bepaalde factoren mogelijk afbreuk hebben gedaan aan de doeltreffendheid van het programma, in het bijzonder het feit dat de overheden van bepaalde lidstaten niet over de middelen beschikten om aan de administratieve vereisten van het programma te kunnen voldoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>neemt kennis van de herhaalde oproepen van het EOM om de opsporingscapaciteit van de relevante onderdelen van de fraudebestrijdingsarchitectuur te versterken, en herinnert eraan dat, in overeenstemming met de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie, de nadruk moet worden gelegd op gegevensanalyse als instrument om fraude op te sporen; benadrukt in dit opzicht het belang van geharmoniseerde definities om in de EU vergelijkbare gegevens te kunnen verkrijgen; moedigt de Commissie aan meer gebruik te maken van het IMS als instrument ter ondersteuning van de risicoanalyse van controleurs bij de voorbereiding van controle-activiteiten; verzoekt OLAF zijn opleidingsaanbod voor het personeel van de Commissie, met inbegrip van controleurs en relevante actoren in het financiële circuit, uit te breiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>is zich ervan bewust dat de gedecentraliseerde structuur van het EOM een wisselwerking met zich meebrengt tussen het nationale recht en het EU-recht en tussen de nationale autoriteiten en het EOM; begrijpt dat het EOM werkt op basis van de rechtstreeks toepasselijke EU-verordeningen, maar dat voor de omzetting van de PIF-richtlijn en andere relevante handelingen van de Unie er ook adequate uitvoeringsmaatregelen moeten worden vastgesteld via nationale wetgeving; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de nationale wetgeving volledig in overeenstemming is met de EOM-verordening en de PIF-richtlijn, inbreukprocedures in te leiden en een herziening van deze rechtshandelingen voor te stellen zodat het EOM zijn mandaat doeltreffender kan uitvoeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>neemt kennis van de resultaten van de beoordeling van de naleving van de door de lidstaten genomen maatregelen om hun systemen aan te passen aan de EOM-verordening<FOOTNOTE><FIELD>JUST/2022/PR/JCOO/CRIM/0004 – Framework Contract JUST/2020/PR/03/0001 on Legal analysis services, including compliance assessment of national transposing measures, in the Justice and Consumers policy areas.</FIELD></FOOTNOTE>, die in september 2023 is gepresenteerd; betreurt het dat veel situaties nog steeds suboptimaal zijn en moeten worden aangepakt omdat ze afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de bescherming van de financiële belangen van de Unie door middel van strafrechtelijk onderzoek; verwijst in het bijzonder naar de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale openbare ministeries en het EOM; benadrukt ook dat in de EOM-verordening is bepaald dat mogelijke EOM-zaken rechtstreeks en zonder onnodige vertraging moeten worden gemeld; verzoekt de Commissie na te gaan en te controleren of de lidstaten de EOM-verordening volledig naleven en verdenkingen van fraude tijdig rechtstreeks aan het EOM melden op de gebieden waarvoor het EOM bevoegd is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>is bezorgd over het feit dat in veel lidstaten de aangewezen nationale autoriteit die beslist over meningsverschillen tussen het EOM en de nationale autoriteiten over de bevoegdheid om een zaak te vervolgen, geen “rechtbank” of “gerecht” is; verzoekt de Commissie te verifiëren en te monitoren of de lidstaten artikel 25, lid 6, en artikel 42, lid 2, punt c), van de EOM-verordening volledig naleven, die voorzien in de mogelijkheid beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) tegen een besluit van een nationale autoriteit over de toewijzing van bevoegdheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>benadrukt dat de huidige controle door de nationale autoriteiten van de “nodige” middelen en apparatuur voor de gedelegeerd Europese aanklagers en de noodzaak om te verwijzen naar de bepalingen van de nationale autoriteiten voor “toereikende regelingen” met betrekking tot sociale zekerheid, pensioen en verzekeringsdekking, de autonomie en onafhankelijkheid van het optreden van het EOM zouden kunnen beperken; verzoekt de Commissie bij de komende herziening van de EOM-verordening passende oplossingen voor te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>wijst erop dat de omzetting van de PIF-richtlijn per lidstaat verschilt, wat in sommige gevallen gevolgen heeft voor de grensoverschrijdende uitoefening van de bevoegdheden van het EOM; verzoekt de Commissie te zorgen voor een correcte tenuitvoerlegging van de PIF-richtlijn en een herziening ervan voor te stellen, op basis van de opgedane ervaring;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>onderstreept dat artikel 25, lid 3, van de EOM-verordening, waarin de uitoefening van de bevoegdheid van het EOM in geval van niet-PIF-delicten die onlosmakelijk verbonden zijn met PIF-delicten nader wordt uitgewerkt, juridische en praktische vragen oproept en verdere stroomlijning behoeft om het rechtskader van het EOM doeltreffend te kunnen gebruiken; verzoekt de Commissie bij de komende herziening van de EOM-verordening geschikte oplossingen voor te stellen om het EOM beter in staat te stellen onderzoek te doen naar grensoverschrijdende georganiseerde misdaad;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>wijst nogmaals<FOOTNOTE><FIELD>Resolutie van het Europees Parlement van 28 februari 2024 getiteld “Verslag over het verslag van de Commissie over de rechtsstaat 2023”.</FIELD></FOOTNOTE> op de belangrijke rol van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) bij het waarborgen van de rechtsstaat en bij het bestrijden van corruptie in de Unie, en spoort de Commissie aan om in de verslagen over de rechtsstaat nauwlettend toe te zien op de mate van samenwerking van de lidstaten met het EOM; is verheugd over de toetreding van Polen en Zweden tot het EOM; is ingenomen met de recente aankondiging van Ierland dat het ook voornemens is deel te nemen; verzoekt de regering van Hongarije, de enige lidstaat die zich nog niet bij het EOM heeft aangesloten, ondanks dat er geen enkele juridische of constitutionele belemmering is, om zich onverwijld bij het EOM aan te sluiten; herinnert eraan dat de verzameling van 680 000 handtekeningen heeft aangetoond dat er brede publieke steun is voor de toetreding van Hongarije tot het EOM, wat wijst op een sterke maatschappelijke vraag naar betere juridische waarborgen tegen fraude en corruptie die de financiële belangen van de Unie schaden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>herhaalt zijn verzoek om een gedachtewisseling op gang te brengen over de mogelijke verduidelijking van de bevoegdheid van het EOM binnen zijn mandaat, zoals bepaald in het Verdrag, voor wat betreft de bescherming van de financiële belangen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>merkt op dat de samenwerking tussen de relevante actoren in 2023 is toegenomen en het EOM en Eurojust eind 2023 in 26 lopende zaken samenwerkten; merkt op dat in hetzelfde jaar het EOM en Europol efficiënt hebben samengewerkt in diverse operationele aangelegenheden, en begrijpt dat deze samenwerking in 2023 bijna is verdubbeld, waarbij Europol op verzoek van het EOM steun verleende in 47 zaken; verzoekt de Commissie het EOM en Eurojust te vragen de efficiëntiecriteria te specificeren op basis waarvan zij hun activiteiten uitvoeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>is ingenomen met de inspanningen van OLAF en het EOM om hun samenwerking te versterken; begrijpt dat tussen de twee instanties informatie wordt uitgewisseld om parallelle onderzoeken naar dezelfde kwesties te voorkomen, en dat in 2023 OLAF 22 aanvullende onderzoeken heeft geopend en het EOM om vier ondersteunende onderzoeken heeft verzocht; is zich ervan bewust dat de synergieën die voortvloeien uit het gebruik van aanvullende onderzoeken (ex artikel 12 septies, van de OLAF-verordening), en ondersteunende onderzoeken (ex artikel 12 sexies, van de OLAF-verordening) suboptimaal zijn; verzoekt de Commissie bij de herziening van haar regelgeving de juridische en operationele oorzaken hiervan aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>is bezorgd over het gebrek aan analyse en nauwkeurige informatie over de terugvorderingen ten gunste van de begroting van de Unie die zouden moeten plaatsvinden na de onderzoeken van zowel OLAF als EOM; is zich ervan bewust dat de impact van de fraudebestrijdingsarchitectuur op de veiligheid van burgers en de handhaving van de rechtsstaat in de Unie verder gaat dan alleen de kwantificering van financiële terugvorderingen; benadrukt echter dat de resultaten van de inspanningen die zijn geleverd om de fraudebestrijdingsarchitectuur tot stand te brengen, meetbaar en tastbaar moeten zijn, ten minste wat de begrotingsaspecten betreft; benadrukt dat de impact van de uitgevoerde activiteiten ter bescherming van de financiële belangen van de Unie moet worden beoordeeld en in aanmerking worden genomen bij de toewijzing van middelen en de vaststelling van mandaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>begrijpt dat de Commissie nog geen gegevens heeft verstrekt over de terugvorderingen ten gunste van de begroting van de Unie naar aanleiding van de aan de Commissie gemelde EOM-activiteiten, zoals bepaald in artikel 103, lid 2, van de EOM-verordening en dat deze kwestie wordt genoemd in de opdrachtbrief van de commissaris voor Begroting, Fraudebestrijding en Openbaar Bestuur; merkt op dat de bevriezing van vermogensbestanddelen van essentieel belang is voor de bestrijding van criminaliteit die de EU-begroting schaadt en dat er enige tijd verstrijkt tussen de bevriezing en daadwerkelijke confiscaties en terugvorderingen; benadrukt dat het geconfisqueerde bedrag naar verwachting niet automatisch zal terugvloeien naar de begroting van de Unie; merkt op dat, in overeenstemming met artikel 38 van de EOM-verordening, de potentiële ontvangsten die voortvloeien uit door gedelegeerd Europese aanklagers in de lidstaten genomen maatregelen tot inbeslagneming en confiscatie, naar de EU-begroting moeten terugvloeien en in de EU-begroting kunnen worden geboekt als niet-bestemmingsontvangsten; verzoekt de Commissie de nodige regelingen te treffen met de relevante nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat deze bedragen in de EU-begroting kunnen worden opgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>wijst erop dat gegevens over doeltreffende terugvorderingen naar aanleiding van financiële aanbevelingen van OLAF niet worden gepubliceerd in het jaarverslag van OLAF of in enig ander officieel verslag van de Commissie; betreurt het dat alleen geaggregeerde gegevens beschikbaar worden gesteld en dat deze betrekking hebben op 2 299 financiële aanbevelingen die OLAF tussen 2012 en 2023 heeft gedaan voor een totaalbedrag van ongeveer 9 miljard EUR; merkt op dat uit de analyse van de beschikbare cijfers blijkt dat er veel ruimte voor verbetering is; merkt op dat er een groot verschil is tussen de bedragen die door OLAF worden aanbevolen voor terugvordering, het bedrag dat door de diensten van de Commissie als invorderbaar is aangemerkt en het bedrag dat uiteindelijk daadwerkelijk is teruggevorderd; is bezorgd over de lage terugvorderingspercentages voor onverschuldigde uitgaven (voor activiteiten in gedeeld en indirect beheer is het percentage respectievelijk 34 % en 11 %, en voor terugvordering onder direct beheer is het slechts 22 %); verzoekt de Commissie voldoende gedetailleerde gegevens over terugvordering te verstrekken en de redenen voor de grote verschillen in terugvordering te beoordelen; beklemtoont dat OLAF en de Commissie overeenstemming moeten bereiken over gemeenschappelijke evaluatiecriteria die meer convergentie en duidelijkheid waarborgen, en deze consistent moeten toepassen, zodat beoordelingen van financiële terugvorderingen doelmatig en doeltreffender kunnen worden uitgevoerd; beklemtoont dat de terugvorderingen naar aanleiding van de aanbevelingen van OLAF en de onderzoeken van het EOM een belangrijke maatstaf vormen voor de efficiëntie van de fraudebestrijdingsarchitectuur en pleit voor meer transparantie hieromtrent;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De externe laag van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de EU – belangrijke maatregelen op nationaal niveau in 2023</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>begrijpt dat het algemene niveau van uitvoering door de lidstaten van de aanbevelingen van de Commissie in het PIF-verslag 2022 als bevredigend wordt beschouwd; benadrukt echter dat er nog steeds aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten bestaan; i<STRING BOLD="on">s</STRING> met name bezorgd over de gevallen van ontoereikende melding van onregelmatigheden door sommige lidstaten via het IMS; herinnert eraan dat melding op grond van de huidige regelgeving verplicht is en moedigt OLAF aan zijn toezichts- en monitoringactiviteiten te versterken met het oog op uniforme melding in de hele Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>verzoekt de Commissie toe te zien op de volledigheid van de melding in het IMS door landen die pretoetredingssteun ontvangen, en is ingenomen met de initiatieven van het directoraat-generaal Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen om de verplichtingen van de kandidaat-lidstaten om onregelmatigheden in het IMS stelselmatig te melden, te handhaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>moedigt de lidstaten aan in het IMS de onregelmatigheden in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit te melden, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer; verzoekt de Commissie een dergelijk gebruik van het IMS door de lidstaten te vergemakkelijken door ondersteuning te bieden in de vorm van opleiding, seminars en de uitwisseling van beste praktijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>is ingenomen met de deelname van Zweden en Polen aan het EOM, waartoe in 2024 is beslist, en met het voornemen van de nieuwe Ierse regering om zich bij het EOM aan te sluiten; dringt erop aan dat lidstaten die nog niet deelnemen, dit onverwijld doen en verzoekt de Commissie om deelname aan het EOM met positieve maatregelen te stimuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>herhaalt dat ondoeltreffende, trage of gebrekkige samenwerking van de lidstaten met het EOM en OLAF een reden is om op te treden uit hoofde van de conditionaliteitsverordening; verzoekt de Commissie terdege rekening te houden met alle informatie van het EOM en OLAF over situaties waarin lidstaten hun verplichtingen niet nakomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>104.</NO.P>is van mening dat de nationale fraudebestrijdingsstrategieën het meest doeltreffende instrument zijn voor de coördinatie tussen de verschillende nationale, regionale en sectorale autoriteiten en de vele lokale entiteiten die belast zijn met de taken in het kader waarvan de fraudebestrijdingscyclus wordt georganiseerd; merkt op dat in 2023 21 van de 27 lidstaten hebben gemeld dat ze over een fraudebestrijdingsstrategie beschikken; merkt op dat van de 21 lidstaten slechts 10 een volledige nationale fraudebestrijdingsstrategie<FOOTNOTE><FIELD>Eén van deze tien nationale fraudebestrijdingsstrategieën omvat niet alle fasen van de fraudebestrijdingscyclus, één heeft geen meerjarenperspectief en twee moeten worden geactualiseerd.</FIELD></FOOTNOTE> hadden, terwijl 11 lidstaten slechts sectorale in plaats van nationale fraudebestrijdingsstrategieën hadden; erkent dat de aanpak van de lidstaten in hun fraudebestrijdingsstrategieën momenteel sterk uiteenloopt; betreurt het dat zes lidstaten helemaal geen fraudebestrijdingsstrategie hebben; betreurt deze hoogst onwenselijke situatie ten zeerste, aangezien deze afbreuk doet aan de integriteit van EU-uitgaven en het vertrouwen van burgers in de EU-instellingen ondermijnt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>105.</NO.P>is van mening dat de lidstaten baat zouden hebben bij een periodieke evaluatie van hun fraudebestrijdingskaders; verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen onafhankelijke of collegiale toetsing van hun fraudebestrijdingskaders uit te voeren om de samenhang te verbeteren en hoge normen na te streven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>106.</NO.P>moedigt de Commissie aan afdwingbare initiatieven voor te stellen om de relatie te verduidelijken en te overwegen een koppeling aan te brengen tussen de vaststelling van nationale fraudebestrijdingsstrategieën door de lidstaten en de hoogte van de financiële steun die zij ontvangen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>107.</NO.P>verzoekt de Commissie, als voorbereiding op de herziening van de OLAF-verordening, om een monitoringexercitie uit te voeren van de stand van zaken van de in de lidstaten gevestigde coördinatiediensten voor fraudebestrijding (AFCOS); moedigt de Commissie aan plannen te maken voor de actualisering en herziening van hun structuur, rol, verantwoordelijkheden en mandaat; betreurt het suboptimale personeelsbestand van de meeste coördinatiediensten voor fraudebestrijding in de lidstaten; onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat het personeel van nationale coördinatiestructuren voor fraudebestrijding voldoende deskundig is; verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen en te steunen om deze kwesties prioritair aan te pakken, onder meer in het kader van de cyclus van het Europees Semester;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>108.</NO.P>onderstreept de rol van overheidsinstanties bij het bevorderen van een cultuur van nultolerantie ten aanzien van fraude en benadrukt met name het belang van fraudepreventie om ervoor te zorgen dat fraude, corruptie, belangenconflicten en ander misbruik van middelen überhaupt niet voorkomen; herinnert eraan dat de correcte omzetting van de PIF-richtlijn, die op 5 juli 2017 is vastgesteld, van cruciaal belang is voor de bescherming van de begroting van de Unie, voor de uitvoering van al het EU-beleid waarvoor EU-middelen worden gebruikt, ook in het kader van de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, en voor de vaststelling van het toepassingsgebied van onderzoeken en vervolgingen door het EOM, waarvan de bevoegdheid is vastgesteld onder verwijzing naar de PIF-richtlijn, in de vorm waarin die is omgezet in het nationale recht; verwacht van de nationale autoriteiten, met inbegrip van regeringen, in alle lidstaten dat zij fraude, corruptie, belangenconflicten en elk ander misbruik van overheidsmiddelen ondubbelzinnig veroordelen, en een proactieve aanpak hanteren bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie door middel van doeltreffende maatregelen op gebieden als risicobeoordeling, communicatie en informatie-uitwisseling, en opleiding van personeel; verzoekt de Commissie tijdig in te grijpen door middel van inbreukprocedures om de consistente omzetting van de PIF-richtlijn en de daadwerkelijke aansprakelijkheid van en sancties voor rechtspersonen en natuurlijke personen te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>109.</NO.P>wijst er nogmaals op dat klokkenluiders een sleutelrol spelen bij het bevorderen van de opsporing, het onderzoek en de vervolging van fraude; begrijpt dat eind 2023 24 lidstaten nationale wetgeving tot omzetting van de klokkenluidersrichtlijn vastgesteld hadden en verklaard hadden de omzetting te hebben afgerond; betreurt het echter dat de Commissie in maart 2023, na analyse van de vastgestelde nationale maatregelen, zes lidstaten voor het HvJ-EU heeft moeten dagen omdat zij de richtlijn niet hadden omgezet en geen omzettingsmaatregelen hadden gemeld, met het verzoek aan het Hof om financiële sancties op te leggen; is voorts bezorgd over de lopende inbreukprocedures<FOOTNOTE><FIELD>Verslag van de Commissie van 3 juli 2024 over de uitvoering en toepassing van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2024)0269).</FIELD></FOOTNOTE> tegen zes andere lidstaten; verzoekt de Commissie het toezicht op nationale omzettingsmaatregelen te intensiveren en daarover verslag uit te brengen aan het Parlement; beklemtoont dat het Parlement zelf ook dringend moet zorgen voor de correcte omzetting van de richtlijn, zoals werd bevestigd in het arrest van het HvJ-EU van 11 september 2024, waarin werd vastgesteld dat het bestaande kader van het Parlement geen evenwichtige en doeltreffende bescherming tegen vergelding biedt; verzoekt het Parlement in overeenstemming met de richtlijn onmiddellijk robuuste regels vast te stellen om zijn eigen klokkenluiders te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>110.</NO.P>merkt op dat eind 2023 de onderzoeksafdeling van de Europese Investeringsbank (EIB IG/IN) 10 keer naar het EOM en 17 keer naar OLAF had verwezen; is ermee bekend dat entiteiten waarvan de EIB IG/IN heeft vastgesteld dat zij zich schuldig maken aan verboden praktijken, voor een bepaalde periode uitgesloten kunnen worden van aanbestedingen of het aangaan van betrekkingen met de EIB; merkt op dat deze uitsluitingsprocedures in 2023 hebben geleid tot de uitsluiting van vijf ondernemers voor een minimumduur van drie jaar, terwijl vijf andere ondernemingen schikkingsovereenkomsten hebben gesloten waarin voorwaarden worden verbonden aan hun toelating;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Externe dimensie van de bescherming van de financiële belangen van de EU</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>111.</NO.P>is ingenomen met de reactie van de Commissie op zijn verzoek om meer toezicht en controle uit te oefenen op de middelen in het kader van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld, voor bijstand aan niet-EU-landen, onder meer middels de gezamenlijke mededeling met de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid<FOOTNOTE><FIELD>Gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 3 mei 2023 over de bestrijding van corruptie (JOIN(2023)0012).</FIELD></FOOTNOTE>; waardeert de voortdurende inspanningen van de Commissie om ervoor te zorgen dat corruptiebestrijdingsmaatregelen worden geïntegreerd in de instrumenten voor extern optreden van de EU; herhaalt zijn aanbeveling om de begrotingssteun op te schorten en middelen voor niet-EU-landen in te trekken, met inbegrip van kandidaat-lidstaten, waar de autoriteiten er duidelijk niet in slagen daadwerkelijk actie te ondernemen tegen wijdverbreide corruptie, zonder de steun voor de burgerbevolking in gevaar te brengen; benadrukt dat de eerbiediging van EU-waarden en de toezegging deze te zullen bevorderen essentiële voorwaarden zijn voor alle partners die lid willen worden van de Unie; wijst er nogmaals op dat het toetredingsproces van de EU op verdiensten is gebaseerd en dat elke kandidaat-lidstaat op zijn eigen verdiensten en naleving van de criteria van Kopenhagen wordt beoordeeld; is van mening dat bij de toepassing van de herziene uitbreidingsmethode bijzondere aandacht moet uitgaan naar fundamentele hervormingen en dat eerlijke en strenge conditionaliteit, alsook omkeerbaarheid in het geval van achteruitgang moeten worden toegepast; is van mening dat passende hulpmiddelen moeten worden gebruikt om te waarborgen dat kandidaat-lidstaten, zowel vóór toetreding tot de Unie als daarna, aantonen dat zij de rechtsstaat, democratische beginselen en grondrechten concreet en duurzaam naleven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>112.</NO.P>merkt op dat Oekraïne, in het kader van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, in het huidige en volgende MFK aanzienlijke steun nodig zal blijven hebben en dat het, in het vooruitzicht van een eerlijk en duurzaam vredesakkoord, steun zal moeten krijgen voor de wederopbouw na de oorlog, ook voor diensten en hervormingen van de centrale overheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>113.</NO.P>is van mening dat de drie pijlers van de faciliteit voor Oekraïne dienovereenkomstig kunnen worden aangepast en dat de wederopbouw moet worden afgestemd op de pretoetredingsvereisten; wijst op het belang van nauwe afstemming en samenwerking met het coördinatiemechanisme voor Oekraïne dat door de G7 is opgezet; verzoekt de EU en alle lidstaten hun steun voor Oekraïne op te voeren en tegelijkertijd passende maatregelen te nemen om de financiële belangen van de EU te beschermen door fraude, corruptie, belangenconflicten en onregelmatigheden bij het gebruik van EU-middelen te voorkomen, op te sporen en te corrigeren, onder meer door grondiger controles uit te voeren, om ervoor te zorgen dat de EU-middelen die naar Oekraïne en zijn buurlanden worden gestuurd, op passende wijze worden gemonitord en gecontroleerd en uiteindelijk ten goede komen aan de meest behoeftigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>114.</NO.P>benadrukt dat de ongekende omvang van de financiële steun die Oekraïne de afgelopen jaren van de EU heeft ontvangen en die is ingezet onder de uiterst ongunstige omstandigheden als gevolg van de aanhoudende oorlog, inhoudt dat passende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat deze middelen worden gebruikt zoals bedoeld, met name wanneer zij bestemd zijn voor infrastructuur en mensen in nood;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>115.</NO.P>waardeert het werk dat OLAF en het EOM hebben verricht om de financiële belangen van de Unie te beschermen door opleidingen te verstrekken ter vergroting van de bestuurlijke capaciteit en autonomie, door onderzoeken uit te voeren in Oekraïne en door met het nationale bureau voor corruptiebestrijding van Oekraïne overeenstemming te bereiken over de werkregeling teneinde de samenwerking bij het onderzoek naar corruptie te vergemakkelijken; verzoekt de bevoegde EU-instanties hun samenwerking met en steun aan de Oekraïense autoriteiten voort te zetten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>116.</NO.P>erkent in dit verband de vorderingen die Oekraïne heeft gemaakt met hervormingen op het gebied van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, verantwoordingsplicht, corruptiebestrijding en bestrijding van witwassen, ondanks de moeilijke omstandigheden als gevolg van de aanhoudende Russische aanvalsoorlog; moedigt Oekraïne aan door te gaan met hervormingen, onder meer met betrekking tot de invloed van oligarchen in de politiek;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>117.</NO.P>is ingenomen met de verscherpte sancties die de EU tot dusver tegen Rusland heeft vastgesteld, waaronder het verbod voor Russische onderdanen en entiteiten om deel te nemen aan overheidsopdrachten in de EU en beperkingen op EU-financiering voor Russische entiteiten die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van de Russische overheid; erkent echter dat ondanks de huidige maatregelen personen en entiteiten waarop de sancties tegen Rusland van toepassing zijn, nog steeds manieren kunnen vinden om de sancties te omzeilen en roept de EU en de lidstaten daarom op om de reikwijdte en doeltreffendheid van het sanctiebeleid tegen Rusland en Belarus te handhaven, te versterken en uit te breiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>118.</NO.P>erkent dat de lidstaten en hun relevante bevoegde autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de doeltreffende uitvoering en handhaving van EU-sancties en voor het vaststellen van schendingen en het opleggen van passende sancties; onderstreept de rol die douaneautoriteiten spelen en hoe belangrijk het is dat zij onderling nauw samenwerken voor een meer uniforme handhaving van sancties; is in dit opzicht ingenomen met het Baltische douane-initiatief;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>119.</NO.P>benadrukt dat de EU de grootste externe hulpverlener van Palestijnse vluchtelingen is; benadrukt dat de steun uit de begroting van de Unie voor de opbouw van vrede en stabiliteit in het Midden-Oosten, de bestrijding van terrorisme, haat, fundamentalisme en desinformatie, de bevordering van de mensenrechten, bestrijding van straffeloosheid en versterking van de naleving van de rechtsstaat, moet worden voortgezet; benadrukt daarom dat de EU-begroting in geen geval activiteiten mag ondersteunen die in strijd zijn met deze doelstellingen; merkt op dat de Commissie na de gruwelijke terreuraanslagen van 7 oktober 2023 door Hamas en beschuldigingen van misbruik van EU-middelen voor terrorisme een evaluatie van de financiering heeft uitgevoerd, waarin weliswaar werd geconcludeerd dat tot dusver geen aanwijzingen zijn gevonden voor oneigenlijk gebruik van geld (zoals steun aan gedetineerde terroristen) en werd gemeld dat de bestaande waarborgen doeltreffend zijn, maar dat bepaalde aanvullende maatregelen noodzakelijk worden geacht; herinnert eraan dat Hamas alle gijzelaars moet vrijlaten; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de EU-middelen doeltreffend worden toegewezen en beheerd teneinde de beoogde doelstellingen te verwezenlijken, zo nodig onder toezicht van het EOM, OLAF of de Europese Rekenkamer; herinnert aan de aanhoudende kwestie van de vernietiging van door de EU gefinancierde projecten in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever en dringt in dit verband aan op meer verantwoordingsplicht en waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>120.</NO.P>benadrukt dat opschorting van begrotingssteun aan niet-EU-landen, met inbegrip van kandidaat-lidstaten, een passende maatregel is wanneer geen daadwerkelijke actie wordt ondernomen tegen wijdverbreide corruptie; verwacht dat in pretoetredingsonderhandelingen prioriteit wordt toegekend aan de aanpak van corruptie, met capaciteitsopbouw door middel van oprichting van gespecialiseerde corruptiebestrijdingsinstanties; verzoekt de Commissie om, ook in gevallen waarin de financiering wordt opgeschort, waar mogelijk via alternatieve kanalen bijstand te verlenen aan de burgerbevolking;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>121.</NO.P>onderstreept het belang van samenwerking met internationale organisaties op het gebied van fraudebestrijding; betreurt het gebrek aan medewerking van sommige internationale organisaties die de Europese Rekenkamer geen volledige, onbeperkte en tijdige toegang willen geven tot de documenten die zij nodig heeft om haar taken uit te voeren; merkt op dat de Commissie haar communicatie met internationale organisaties heeft geïntensiveerd, maar verzoekt haar zich nog meer in te spannen om toegang tot alle gevraagde documentatie te waarborgen;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>122.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>