<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0077</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Kwijting 2023: Algemene begroting van de EU – Commissie, uitvoerende agentschappen en Europese Ontwikkelingsfondsen</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0074/2025 - Rapporteur: Niclas Herbst)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><NR>1.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 23.2.2023, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/budget/2023/1/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2024)0272 – C10-0067/2024)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5462, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5462/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2024)0267) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2023 (COM(2024)0401),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2023 uitgevoerde interne controles (COM(2024)0249) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2024)0145),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de instellingen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en de speciale verslagen van de Rekenkamer,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05754/2025 – C10‑0013/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsook aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>2.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 23.2.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/budget/2023/1/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2024)0272 – C10-0067/2024)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5462, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5462/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6509, 8.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2024)0267) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2023 uitgevoerde interne controles (COM(2024)0249) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2024)0145),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05756/2025 – C10‑0026/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>3.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 23.2.2023, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/budget/2023/1/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2024)0272 – C10‑0067/2024)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5462, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5462/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6511, 8.11.2024, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/C/2024/6511/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2024)0267) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2023 uitgevoerde interne controles (COM(2024)0249) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2024)0145),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05756/2025 – C10‑0026/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>4.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 23.2.2023, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/budget/2023/1/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2024)0272 – C10-0067/2024)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5462, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5462/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6522 van 8.11.2024, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/C/2024/6522/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2024)0267) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2023 uitgevoerde interne controles (COM(2024)0249) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2024)0145),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>OJ C, C/2024/6041, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05756/2025 –C10‑0026/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de waarnemend directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de waarnemend directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>5.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 23.2.2023, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/budget/2023/1/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2024)0272 – C10-0067/2024)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5462, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5462/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6530, 8.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6530/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2024)0267) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2023 uitgevoerde interne controles (COM(2024)0249) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2024)0145),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05756/2025 – C10‑0026/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>6.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 23.2.2023, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/budget/2023/1/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2024)0272 – C10-0067/2024)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5462, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5462/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6548, 8.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6548/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2024)0267) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2023 uitgevoerde interne controles (COM(2024)0249) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2024)0145),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05756/2025 – C10‑0026/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>7.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 23.2.2023, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/budget/2023/1/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2024)0272 – C10-0067/2024)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5462, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5462/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6530, 8.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6530/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2024)0267) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2023 uitgevoerde interne controles (COM(2024)0249) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2024)0145),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05756/2025 – C10‑0026/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD>PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>8.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de balansen en resultatenrekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2023)0273 – C10-0081/2024)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5462, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5462/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2024)0273),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbevelingen van de Raad van 17 februari 2025 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van de Europese Ontwikkelingsfondsen in het begrotingsjaar 2023 (05489/2025 – C10‑0027/2025, 05490/2025 – C10‑0028/2025, 05491/2025 – C10‑0029/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2024)0267),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000<FOOTNOTE><FIELD>PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE> en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010<FOOTNOTE><FIELD>PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2021/1764 van de Raad van 5 oktober 2021 inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie enerzijds en Groenland en het Koninkrijk Denemarken anderzijds (Besluit betreffende de LGO-associatie, met inbegrip van Groenland)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 355 van 7.10.2021, blz. 6.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD>PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD>PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD>PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD>PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 44 van Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323<FOOTNOTE><FIELD>PB L 307 van 3.12.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101, artikel 102, derde streepje, van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>9.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 23.2.2023, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/budget/2023/1/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2024)0272 – C10-0067/2024)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5462, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5462/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2024)0267) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2023 (COM(2024)0401),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2023 uitgevoerde interne controles (COM(2024)0249) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2024)0145),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de instellingen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en de speciale verslagen van de Rekenkamer,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05754/2025 – C10‑0013/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05756/2025 – C10‑0026/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD>PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 14, leden 2 en 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, alsook aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>10.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over de afsluiting van de rekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de balansen en resultatenrekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2023)0273 – C10-0081/2024)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5462, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5462/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2024)0273),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2023 en de antwoorden van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041, 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbevelingen van de Raad van 17 februari 2025 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van de Europese Ontwikkelingsfondsen in het begrotingsjaar 2023 (05489/2025 – C10‑0027/2025, 05490/2025 – C10‑0028/2025, 05491/2025 – C10‑0029/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2022 (COM(2024)0267),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000<FOOTNOTE><FIELD>PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE> en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010<FOOTNOTE><FIELD>PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2021/1764 van de Raad van 5 oktober 2021 inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie enerzijds en Groenland en het Koninkrijk Denemarken anderzijds (Besluit betreffende de LGO-associatie, met inbegrip van Groenland)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 355 van 7.10.2021, blz. 6.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD>PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD>PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD>PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD>PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 48 van Verordening (EU) nr. 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 44 van Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323<FOOTNOTE><FIELD>PB L 307 van 3.12.2018, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101, artikel 102, derde streepje, van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><RESOL><TI><NR>11.</NR> <STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 7 mei 2025 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds (2024/2019(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling III – Commissie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0074/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het elfde EOF zijn laatste fase heeft bereikt toen zijn vervalclausule op 31 december 2020 in werking trad; overwegende dat specifieke contracten voor bestaande financieringsovereenkomsten echter nog tot en met 31 december 2023 zijn ondertekend en dat de uitvoering van de lopende projecten die door het EOF worden gefinancierd, zal worden voortgezet totdat deze definitief zijn afgerond;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het negende, tiende en elfde<FOOTNOTE><FIELD>Het elfde EOF heeft betrekking op het MFK 2021-2027.</FIELD></FOOTNOTE> EOF niet in de algemene begroting van de Unie werden geïntegreerd en de afzonderlijke uitvoering en rapportage daarvan zullen worden voortgezet totdat zij worden afgesloten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat in het MFK 2021-2027 ontwikkelingshulp voor de ACS-landen is geïntegreerd in het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI – Europa in de wereld), als onderdeel van de algemene EU-begroting, en dat ontwikkelingshulp voor de LGO, met inbegrip van Groenland, is geïntegreerd in het Besluit betreffende de LGO-associatie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de EOF’s bijna volledig worden beheerd door DG INTPA van de Commissie en een klein deel (7 %) van de EOF-uitgaven voor 2023 wordt beheerd door DG NEAR;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Politieke prioriteiten</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt dat het sterk hecht aan de fundamentele waarden en beginselen van de Unie die zijn verankerd in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU); wijst in het kader van het kwijtingsproces met name op de beginselen van goed financieel beheer, zoals vastgesteld in artikel 317 VWEU, en fraudebestrijding en het beschermen van de financiële belangen van de Unie, zoals vastgesteld in artikel 325 VWEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>wijst op het belang van het beginsel van de scheiding der machten in de Unie en herinnert eraan dat de instellingen volgens het Verdrag loyaal moeten samenwerken; is van mening dat de acties van één instelling van de Unie in geen enkel geval de onafhankelijkheid van een andere instelling mogen schaden; dringt er bij alle andere instellingen op aan de rol van het Parlement als enige rechtstreeks door de burgers verkozen instelling van de Unie te eerbiedigen en af te zien van ongepaste, directe of indirecte inmenging in zijn wetgevingsprocessen, en er daarbij over te waken dat het besluitvormingsproces van het Parlement vrij en onafhankelijk blijft van andere instellingen van de Unie of andere entiteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>benadrukt dat de Uniebegroting belangrijk is om de politieke prioriteiten van de Unie te verwezenlijken en dat deze de Unie helpt lidstaten bij te staan in onvoorziene situaties, zoals internationale conflicten of crises en de gevolgen daarvan; wijst er in dat opzicht op dat investeringen en steun uit de Uniebegroting continu van belang zijn om de ongelijkheden tussen lidstaten en regio’s terug te dringen, economische groei en werkgelegenheid te bevorderen, armoede en sociale uitsluiting te bestrijden en zodoende het dagelijks leven van de Europese burgers te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>stelt vast dat de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2023 een oordeel zonder beperking heeft afgegeven over de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de ontvangsten; betreurt het tegelijkertijd dat de Rekenkamer voor het vijfde opeenvolgende jaar een afkeurend oordeel heeft moeten afgeven over de wettigheid en regelmatigheid van de begrotingsuitgaven van de Unie alsook een oordeel met beperking over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>uit zijn grote bezorgdheid over het feit dat het door de Rekenkamer geschatte totale foutenpercentage sinds het begrotingsjaar 2020 een stijgende trend vertoont en voor het begrotingsjaar 2023 op 5,6 % is uitgekomen; merkt op dat er tussen rubrieken aanzienlijke verschillen zijn in de foutenpercentages en dat het foutenpercentage op bepaalde uitgaventerreinen onder de materialiteitsdrempel van 2 % uitkomt terwijl dat bij het cohesiebeleid oploopt tot maar liefst 9,3 %; merkt voorts op dat de kwijting een politiek proces is waarbij alle kwesties in verband met een bepaald begrotingsjaar kunnen meewegen, en dat het besluit over het al dan niet verlenen van kwijting steeds op feiten gebaseerd en in het acquis van de Unie verankerd moet zijn en voor de gehele begroting wordt genomen; spoort de Commissie met klem aan eindelijk de aanbevelingen van de Rekenkamer op te volgen en de komende jaren het totale foutenpercentage te verlagen; verzoekt de Commissie voorts binnen vier maanden een actieplan voor te leggen om het foutenpercentage te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>vindt het zorgwekkend dat de Commissie en de Rekenkamer “foutenpercentage” verschillend interpreteren, waardoor er verwarring ontstaat; spreekt zijn steun uit voor een gemeenschappelijke controleaanpak en -methode en dringt er bij beide instellingen sterk op aan vóór de kwijting voor 2024 een oplossing te vinden voor hun uiteenlopende benaderingen; is bezorgd over het feit dat de Commissie het bestaande foutenpercentage stelselmatig onderschat en dat de financiële belangen van de Unie daardoor niet goed worden beschermd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>uit nogmaals zijn grote bezorgdheid over het feit dat de gecumuleerde niet-afgewikkelde vastleggingen (RAL – reste à liquider) een recordniveau van 543 miljard EUR hebben bereikt, hetgeen overeenkomt met 3,2 % van het totale bbp van de Unie eind 2023 en meer dan het dubbele bedraagt van de jaarlijkse Uniebegroting voor 2023; benadrukt dat een dergelijk recordniveau van niet-afgewikkelde vastleggingen kan leiden tot problemen bij de toekomstige soepele uitvoering van buitengewoon hoge betalingen en/of tot aanzienlijke vrijmakingen, hetgeen ten koste gaat van de verwezenlijking van de Uniebeleidsdoelstellingen003B</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>uit voorts zijn bezorgdheid over het feit dat de uitstaande schuld als gevolg van leningen eind 2023 was opgelopen tot 458,5 miljard EUR, hetgeen overeenkomt met 2,7 % van het totale bbp van de Unie; merkt op dat de Unie door de toename van de uitstaande schulden in 2023, ten belope van 110,5 miljard EUR, een van de grootste schuldemittenten in Europa is geworden; merkt voorts op dat het bedrag van de uitstaande schuld de komende jaren naar verwachting verder zal stijgen, met name als gevolg van de toegenomen leningen in verband met de RRF en de financiële bijstand aan een aantal landen, waaronder Oekraïne, dat het slachtoffer is van een aanvalsoorlog van Rusland; herhaalt dat het zich ernstige zorgen maakt dat de hogere schuldenlast de begroting van de Unie kwetsbaarder maakt voor renteverhogingen, aangezien een deel van de schulden uit de begroting van de Unie zal moeten worden afgelost en terugbetaald;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>herinnert aan het belang van een strikte toepassing van de financiële regels van de Unie in alle programma’s en voor alle begunstigden, teneinde alle vormen van fraude, belangenconflicten, corruptie, dubbele financiering en witwassen van geld te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>onderstreept het belang van de rechtsstaat als een van de fundamentele waarden van de Unie en benadrukt dat het conditionaliteitsmechanisme voor de rechtsstaat cruciaal is om ervoor te zorgen dat de lidstaten de beginselen van de rechtsstaat blijven eerbiedigen; herhaalt dat het zich ernstige zorgen maakt over de verslechterende situatie van de rechtsstaat in bepaalde lidstaten, waaronder over de aanvallen op en beperkingen van de activiteiten van maatschappelijke organisaties, die niet alleen een belangrijke bedreiging vormt voor de democratische waarden, maar ook tot een groter risico op financiële verliezen voor de begroting van de Unie leidt; pleit voor een adequate ondersteuning van maatschappelijke organisaties die op dit gebied actief zijn; onderkent de opkomst van nieuwe soorten schendingen van de rechtsstaat door nationale regeringen en verzoekt de Commissie deze veranderende uitdagingen aan te pakken; verzoekt de Commissie te zorgen voor een strikte en snelle tenuitvoerlegging van alle elementen van het mechanisme wanneer lidstaten de beginselen van de rechtsstaat schenden en dergelijke schendingen gevolgen hebben of dreigen te hebben voor de financiële belangen van de Unie; onderstreept tegelijkertijd dat er tijdig volledige informatie beschikbaar moet zijn over besluiten in verband met de uitvoering van het conditionaliteitsmechanisme voor de rechtsstaat; spoort de Commissie ertoe aan expliciet te beoordelen wanneer tekortkomingen met betrekking tot de rechtsstaat systemisch van aard zijn; pleit voor een sterke nadruk op de uitvoering van landspecifieke aanbevelingen, in combinatie met doeltreffende follow-upmechanismen en meetbare benchmarks; stelt de vaststelling van een uitgebreid monitoringkader voor de rechtsstaat voor waarbij alle instellingen, lidstaten en kandidaat-lidstaten van de Unie worden betrokken, dat erop gericht is de samenhang en uniformiteit in de gehele Unie te waarborgen, en tegelijkertijd een billijke en onpartijdige toepassing te garanderen; verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om de bescherming van eindbegunstigden bij schendingen van de rechtsstaat door nationale regeringen te waarborgen zonder de toepassing en doeltreffendheid van de verordening te ondermijnen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>neemt kennis van het innovatieve karakter van de RRF en de bijdrage ervan ter ondersteuning van de lidstaten bij hun herstel van de economische en sociale gevolgen van de pandemie en bij de totstandbrenging van een veerkrachtigere Europese economie; is van mening dat elke verschuiving naar een op prestaties gebaseerde aanpak op basis van de RRF als model vereist dat de vele problemen die bij de uitvoering ervan zijn geconstateerd, worden aangepakt en dat gegevens over de volledige impact ervan worden beoordeeld voordat een dergelijk model wordt gebruikt; herinnert eraan dat de vele problemen die bij de uitvoering van de RRF zijn geconstateerd, moeten worden aangepakt, waaronder, maar niet uitsluitend: een gebrek aan adequate raadpleging van de regionale en lokale overheden en andere betrokken belanghebbenden, zoals sociale partners en maatschappelijke organisaties, en een gebrek aan betrokkenheid van deze entiteiten bij de uitvoering; een zwakke grensoverschrijdende dimensie die kan wijzen op een beperkte Europese meerwaarde in dit opzicht; het ontbreken van een duidelijke definitie van de mijlpalen en streefdoelen en de bevredigende verwezenlijking ervan; onvoldoende flexibiliteit; een gemeenschappelijke schuld met langdurige schuldbetaling als gevolg; ernstige tekortkomingen van het programma op het gebied van transparantie, audit en controle, waardoor de burgers niet kunnen worden geïnformeerd over de eindbegunstigden van door de Unie gefinancierde maatregelen en de lidstaten ertoe worden aangespoord om de RRF-middelen te gebruiken om projecten te financieren die sterk lijken op de door de cohesiefondsen gefinancierde projecten, maar met een veel beperktere controlemogelijkheid; herhaalt zijn bezorgdheid over de interpretatie die de Commissie en de lidstaten aan het begrip “eindontvanger” van RRF-financiering geven, die niet strookt met de uit de REPowerEU-onderhandelingen voortvloeiende overeenkomst, en is van mening dat ministeries, overheidsinstanties en andere aanbestedende diensten niet als eindontvangers van RRF-financiering mogen worden opgevoerd; uit voorts zijn bezorgdheid over de bevindingen van de Rekenkamer met betrekking tot het risico op dubbele financiering en financiering van terugkerende begrotingsuitgaven die niet in overeenstemming zijn met de rechtsgrondslag van de RRF;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>merkt op dat de opzet van het NGEU-mechanisme inhoudt dat vóór eind 2027 moet worden begonnen met de terugbetaling van NGEU-leningen en dat die uiterlijk in 2058 moet zijn voltooid; is bezorgd over het feit dat de financieringskosten in het kader van NGEU door de stijgende rentetarieven van de afgelopen jaren aanzienlijk zijn gestegen ten opzichte van de oorspronkelijke ramingen; herhaalt dat het tijdschema van de juridisch bindende routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen volledig in acht moet worden genomen, en benadrukt dat snelle vooruitgang op het gebied van nieuwe eigen middelen essentieel is voor de terugbetaling van NGEU en de waarborging van de huidige en toekomstige MFK’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>benadrukt dat al het beleid van de Unie en de financiering ervan, in overeenstemming met de aanbevelingen in het Draghi-verslag<FOOTNOTE><FIELD>The future of European competitiveness (De toekomst van het Europese concurrentievermogen), 9 september 2024.</FIELD></FOOTNOTE>, dringend veel minder bureaucratisch moeten worden en aanzienlijk moeten worden gestroomlijnd en vereenvoudigd om de lasten voor Europese bedrijven te verlichten en het Europese concurrentievermogen te vergroten, en tegelijkertijd de bescherming van de financiële belangen van de Unie te garanderen; onderstreept dat vereenvoudiging ook een positief effect zal hebben op de foutenpercentages bij de uitvoering van beleid, omdat veel fouten het gevolg zijn van te ingewikkelde regels die moeilijk zijn na te leven, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), nieuwe aanvragers, spin-offs en start-ups;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>herinnert eraan dat de verdere vereenvoudiging van regels en procedures in evenwicht moet worden gebracht met een veel systematischer gebruik van gedigitaliseerde rapportage, betere en robuustere controles en adequate controles achteraf op de meest voorkomende gebieden van onregelmatige uitgaven die niet leiden tot meer buitensporige bureaucratische complexiteit voor begunstigden, dat er opleidingen en praktische informatie moeten worden ontwikkeld voor aanvragers, met name voor nieuwe aanvragers, en dat de bijstand en richtsnoeren voor kmo’s, spin-offs, start-ups, administratieve en betaalorganen en alle andere relevante belanghebbenden moeten worden verbeterd; herinnert eraan dat een robuust controlestelsel onder de verantwoordelijkheid van de Commissie met name nodig is voor de RRF;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>benadrukt de noodzaak en onderstreept het belang van het NDICI-programma voor de ondersteuning van mondiale uitdagingen en de bevordering van mensenrechten, vrijheden en democratie; onderstreept dat het belangrijk is het onderdeel voor het oostelijk nabuurschap te versterken om politieke, economische en sociale hervormingen in deze betwiste regio te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>onderstreept dat het voor de geloofwaardigheid van de Unie absoluut noodzakelijk is dat de Commissie ervoor waakt dat er middelen van de Unie worden toegewezen aan personen of organisaties die banden hebben met wat voor soort terroristische bewegingen dan ook of andere bewegingen die extremistische standpunten verkondigen, aanzetten tot geweld en haat en de fundamentele waarden van de Europese Unie met de voeten treden, waaronder islamistische, antichristelijke, antisemitische en anti-islamitische bewegingen; herinnert er in dit verband aan dat 19 van de 13 000 medewerkers van UNRWA in Gaza ervan zijn beschuldigd betrokken te zijn geweest bij de verachtelijke terroristische aanslagen van Hamas van 7 oktober 2023 op Israël; wijst erop dat het dienstverband van negen medewerkers formeel werd beëindigd in het belang van UNRWA; neemt kennis van de resultaten van het onderzoek dat is ingesteld door het Bureau voor Intern Toezicht van de VN (OIOS); onderstreept dat de Commissie ook betere controles moet instellen om ervoor te zorgen dat een dergelijke financiering niet indirect via derden plaatsvindt en zij een betere traceerbaarheid van de middelen van de Unie naar de eindbegunstigden moet bewerkstelligen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>uit andermaal zijn ernstige bezorgdheid over het toenemende gebruik van middelen van de Unie in strijd met de beginselen en waarden van de Unie, vooral wanneer het gebruik van de middelen en de overdrachten naar andere organisaties niet volledig traceerbaar zijn; waarschuwt voor het gevaar dat middelen van de Unie uiteindelijk binnen corrupte kringen kunnen worden gebruikt en dat dit aanleiding kan geven tot fraude, onregelmatigheden, buitenlandse inmenging of infiltraties in politieke partijen; benadrukt het belang van het beginsel van transparantie met betrekking tot de eindbegunstigde van middelen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>benadrukt dat de instelling haar integriteit moet bewaren en potentiële buitenlandse inmenging moet voorkomen; veroordeelt elke ongepaste poging om de wetgevingsactiviteiten van het Europees Parlement te beïnvloeden; benadrukt dat OLAF de verantwoordelijkheid heeft om alle nodige diepgaande onderzoeken uit te voeren; benadrukt het belang van de werkzaamheden van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) voor de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie; dringt erop aan het EOM voldoende financiële en personele middelen ter beschikking te stellen; herinnert aan het akkoord tot oprichting van een Interinstitutioneel Orgaan voor ethische normen voor leden van de in artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde instellingen en adviesorganen, en dringt aan op een snelle uitvoering van het akkoord in alle EU-instellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>vestigt de aandacht op de cruciale rol die maatschappelijke organisaties, met inbegrip van ngo’s, spelen bij de handhaving van de democratische waarden ter ondersteuning van een dynamische en levendige democratische samenleving, omdat ze een solide basis bieden voor een brede uitwisseling van alle relevante standpunten in verschillende debatten, en onderstreept dat maatschappelijke organisaties steun van de Unie kunnen ontvangen om deze taken te vervullen, overeenkomstig artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>merkt op dat door de Commissie gesloten subsidieovereenkomsten volgens enkele leden van de Commissie begrotingscontrole gedetailleerde lobbyactiviteiten zouden omvatten die geïnterpreteerd zouden kunnen worden als een mogelijke inmenging in de interne besluitvorming binnen de instellingen van de Unie; stelt vast dat de Commissie een reeks maatregelen heeft genomen om deze beschuldigingen aan de orde te stellen door richtsnoeren vast te stellen voor de financiering van activiteiten in verband met de ontwikkeling, uitvoering, monitoring en handhaving van wetgeving en beleid van de Unie, en daarbij heeft gesteld dat de betreffende subsidieovereenkomsten weliswaar niet in strijd waren met het rechtskader van de EU, maar niettemin de reputatie van de Unie zouden kunnen schaden; neemt kennis van het feit dat alle subsidieovereenkomsten een disclaimer bevatten waarin staat dat de standpunten van de begunstigde geenszins als standpunten van de EU mogen worden gezien en dat de subsidieverlenende autoriteit daar niet aansprakelijk voor kan worden gesteld; merkt op dat ook in de oproep tot het indienen van voorstellen voor exploitatiesubsidies van 2024 een dergelijke disclaimer is opgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>neemt kennis van het feit dat de subsidieovereenkomsten in alle portefeuilles momenteel worden gescreend om na te gaan of zij in overeenstemming zijn met de nieuwe richtsnoeren, en merkt op dat de Commissie het Parlement tot dusver niet in kennis heeft gesteld van de volledige resultaten van de screening, noch van andere maatregelen die zij in voorkomend geval kan nemen; verzoekt de Commissie de kwijtingsautoriteit te allen tijde op de hoogte te houden; benadrukt dat transparantie bij bijeenkomsten van belanghebbenden van fundamenteel belang is voor de democratische integriteit en in gelijke mate moet gelden voor alle entiteiten die met instellingen van de Unie samenwerken; benadrukt dat een duidelijke documentatie en openbaarmaking van dergelijke uitwisselingen het vertrouwen van het publiek en de democratische verantwoordingsplicht versterkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>herinnert eraan dat EU-financiering strenge verantwoordings- en transparantienormen vereist; dringt er overeenkomstig de aanbevelingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag 05/2024<FOOTNOTE><FIELD> Speciaal verslag 05/2024: Het EU-transparantieregister – biedt nuttige maar beperkte informatie over lobbyactiviteiten.</FIELD></FOOTNOTE> en het recente Speciaal verslag 11/2025<FOOTNOTE><FIELD> Speciaal verslag 11/2025: Transparantie van aan ngo’s toegekende EU-financiering – Ondanks vooruitgang nog steeds geen betrouwbaar overzicht.</FIELD></FOOTNOTE> bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de in het systeem voor financiële transparantie openbaar gemaakte informatie regelmatig wordt bijgewerkt en betrouwbaar, vergelijkbaar en nuttig is; benadrukt dat er extra middelen moeten worden toegewezen aan het secretariaat van het transparantieregister van de EU (EUTR) om een systematische en grondige monitoring van het transparantieregister mogelijk te maken; merkt op dat dit onder meer moet inhouden dat middelen worden toegewezen voor de toepassing van AI om een op AI gebaseerd zoekmechanisme te ontwikkelen; herinnert eraan dat proactief moet worden gecontroleerd of alle entiteiten die begunstigden van EU-middelen zijn de waarden van de EU eerbiedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>is ingenomen met het antwoord van commissaris Serafin op de schriftelijke vraag van het Parlement<FOOTNOTE><FIELD> https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/P-10-2025-000595-ASW_NL.pdf.</FIELD></FOOTNOTE>, waarin nogmaals wordt bevestigd dat ngo’s EU-financiering hebben ontvangen en gebruikt met volledige inachtneming van de EU-Verdragen en de LIFE-verordening<FOOTNOTE><FIELD> https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32021R0783.</FIELD></FOOTNOTE>; neemt voorts kennis van het recente speciaal verslag van de Rekenkamer over de transparantie van aan ngo’s toegekende EU-financiering<FOOTNOTE><FIELD> https://www.eca.europa.eu/ECAPublications/SR-2025-11/SR-2025-11_NL.pdf.</FIELD></FOOTNOTE>, waarin wordt gesteld dat het gebruik van EU-financiering voor belangenbehartigingsactiviteiten van ngo’s legaal is en ook wordt bevestigd dat deze praktijk in overeenstemming is met de wettelijke transparantievereisten van de EU zoals vastgelegd in het Financieel Reglement van de EU, maar tegelijkertijd wordt aangegeven dat er meer moet worden gedaan om de transparantie van de EU-financiering die door alle begunstigden wordt ontvangen te verbeteren; verzoekt de Commissie in dit verband om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer met betrekking tot de screening van eigen verklaringen in het systeem voor financiële transparantie van de EU, en om de eerbiediging door de begunstigden van de fundamentele waarden en beginselen van de EU proactief te controleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>is ingenomen met de inwerkingtreding van de herschikking van het Financieel Reglement; is in het bijzonder verheugd over de verbeteringen met betrekking tot het traceren van middelen van de Unie met behulp van digitale instrumenten en interoperabiliteit, die de bescherming van de financiële belangen van de Unie zullen versterken, evenals de gerichte uitbreiding van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES) tot gedeeld beheer voor de periode na MFK 2027, de verwijzing naar het conditionaliteitsmechanisme voor de rechtsstaat en de invoering van conditionaliteit op basis van de waarden van de Unie als verankerd in artikel 2 VEU, alsook de mogelijkheid om kmo’s en individuele aanvragers te stroomlijnen door subsidies van zeer kleine bedragen in te voeren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">HOOFDSTUK I – Meerjarig financieel kader (MFK)</STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING BOLD="on">Betrouwbaarheidsverklaring van de Europese Rekenkamer en begrotings- en financieel beheer</STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Betrouwbaarheid van de rekeningen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>is verheugd dat de Rekenkamer in haar jaarverslag over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE> vaststelt dat de geconsolideerde rekeningen van de Europese Unie voor dat jaar betrouwbaar zijn; stelt vast dat de Rekenkamer sinds 2007 elk jaar een goedkeurend oordeel heeft afgegeven over de betrouwbaarheid van de rekeningen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>stelt vast dat op 31 december 2023 de totale passiva 679,9 miljard EUR bedroegen en de totale activa 467,7 miljard EUR; merkt op dat het verschil van 212,2 miljard EUR de (negatieve) nettoactiva vertegenwoordigde, die bestaan uit schulden en het deel van de uitgaven die de Unie al heeft gedaan tot 31 december 2023 en moeten worden gefinancierd uit toekomstige begrotingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>merkt op dat eind 2023 de geschatte waarde van de gedane maar nog niet gedeclareerde in aanmerking komende uitgaven door begunstigden en die zijn geboekt als toegerekende uitgaven 155,2 miljard EUR bedroeg (2021: 148,7 miljard EUR), waarvan 7,4 miljard EUR betrekking heeft op toegerekende uitgaven in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat de activa, passiva, ontvangsten en uitgaven, ook die in verband met NextGenerationEU (NGEU), de raming met betrekking tot het terugtrekkingsproces van het VK, en de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, correct worden weergegeven in de geconsolideerde jaarrekening;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Wettigheid en regelmatigheid van de ontvangsten van de Unie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat de ontvangsten van de Unie geen materiële fouten bevatten en dat de door de Rekenkamer onderzochte beheerssystemen over het algemeen doeltreffend waren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven van de Unie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>betreurt ten zeerste dat de Rekenkamer voor het vijfde achtereenvolgende jaar een afkeurende verklaring heeft afgegeven over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven uit de begroting van de Unie; is van mening dat dit steeds problematischer wordt, aangezien de Commissie niet in staat of niet bereid lijkt te zijn om de oorzaak vast te stellen en de onderliggende problemen aan te pakken; betreurt dat de Commissie een aantal aanbevelingen van de Rekenkamer niet aanvaardt; wijst met name op het belang van de versterking van het financieel beheer van Commissie en de lidstaten, dat volgens de Rekenkamer onbetrouwbaar is en daardoor de betrouwbaarheid van het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag in het gedrang brengt; verzoekt de Commissie een duidelijk actieplan voor te leggen om het foutenpercentage binnen een termijn van vier maanden te verlagen; benadrukt dat het Parlement een dit actieplan naar behoren moet controleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>is zeer bezorgd over het feit dat de Rekenkamer het foutenpercentage voor de uitgaven van 2023 op 5,6 % heeft geschat; merkt op dat de situatie daarmee verder is verslechterd ten opzichte van de twee voorgaande jaren (4,2 % in 2022 en 3,0 % in 2021); stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer aanzienlijke problemen blijft opsporen met betrekking tot uitgaven in het kader van vergoedingen, waar het geschatte foutenpercentage 7,9 % bedraagt; merkt op dat de door de Rekenkamer vastgestelde fouten zowel materiële als diepgaande gevolgen hebben; pleit voor de aanscherping van het financieel beheer van de Commissie, overeenkomstig de aanbevelingen uit de jaarverslagen en speciale verslagen van de Rekenkamer, om het hoge foutenpercentage in de komende jaren daadkrachtig aan te pakken; vestigt de aandacht op de waarschuwing van de Rekenkamer dat de toenemende Europese schuldenlast de begroting van de Unie steeds meer onder druk zet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>merkt op dat de Commissie de uitgaven in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag onderbrengt in de categorieën hoog, gemiddeld en laag risico, teneinde de maatregelen te kunnen richten op de domeinen met een hoog risico; merkt op dat de Rekenkamer slechts twee risicocategorieën hanteert om een advies op te stellen over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven; maakt zich zorgen dat de werkzaamheden van de Rekenkamer beperkingen van de controles achteraf van de Commissie aan het licht hebben gebracht, die samen van invloed zijn op de deugdelijkheid van de risicobeoordeling van de Commissie; stelt bezorgd vast dat “Cohesie, veerkracht en waarden” een van de meest beïnvloede domeinen was, waarbij de Rekenkamer het merendeel van de uitgaven beschouwde als uitgaven met een hoog risico, terwijl de Commissie slechts een minderheid zo indeelde;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>herhaalt zijn bezorgdheid over de opmerking van de Rekenkamer dat de Commissie in haar risicobeoordeling het risiconiveau op verschillende terreinen waarschijnlijk onderschat; maakt zich ook zorgen over door de Rekenkamer vastgestelde, terugkerende tekortkomingen ten aanzien van de beheers- en controlesystemen van de lidstaten, die er nog altijd niet in slagen onregelmatigheden in rubriek 2 te voorkomen of op te sporen, hetgeen de betrouwbaarheid van hun werkzaamheden ondermijnt, terwijl de foutenpercentages van de Commissie nog altijd gebaseerd zijn op deze nationale stelsels die niet doeltreffend zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>merkt op dat de stijging vooral is toe te schrijven aan het geschatte foutenpercentage in MFK-rubriek 2 (Cohesie, veerkracht en waarden), waarbij de Rekenkamer bij 9,3 % van de uitgaven een inbreuk op de wet- en regelgeving van de Unie heeft vastgesteld; wijst op de onderliggende problemen die door de Rekenkamer zijn gemeld en die al jaren bekend zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>benadrukt dat het bij het door de Rekenkamer in haar betrouwbaarheidsverklaring genoemde geschatte foutenpercentage in de uitgaven van de Unie om een raming gaat van de middelen die niet uitbetaald hadden mogen worden, omdat ze niet overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving zijn gebruikt; is van mening dat het geschatte foutenpercentage weliswaar geen indicator van fraude of corruptie is, maar dat het wel uitgaven betreft waarvoor corrigerende maatregelen nodig zijn, en dat het dus wijst op een verspilling van middelen; betreurt dat dit niet alleen een probleem op zich is, maar ook een negatieve indruk zal wekken bij de burgers en zelfs vraagtekens kan plaatsen bij het vermogen van de Commissie om de financiële belangen van de Unie doeltreffend te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>merkt met bezorgdheid op dat de Commissie zelf het risico bij betaling voor 2023 slechts op 1,9 % heeft geschat en dat dit sinds 2020 op dat niveau ligt; merkt op dat de Commissie haar capaciteit om onregelmatige uitgaven tijdens de uitvoering van de bijbehorende programma’s te corrigeren en terug te vorderen op 1,0 % raamt, wat resulteert in een risico bij afsluiting van 0,9 %; maakt zich zorgen dat het risico bij betaling van de Commissie voor dit jaar opnieuw niet alleen onder het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage van 5,6 % ligt, maar ook buiten het bereik valt dat de Rekenkamer hanteert, dat namelijk tussen de 4,4 % en 6,8 % valt; benadrukt dat het verschil tussen het totale foutenpercentage van de Rekenkamer en het risico bij betaling van de Commissie ook zichtbaarder is dan voorheen op een aantal specifieke uitgaventerreinen, met name in rubriek 2; is ingenomen met de schatting van het foutenpercentage door de Rekenkamer als belangrijke indicator voor bestaande risico’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>stelt vast dat de Commissie ten aanzien van het risico bij afsluiting een meerjarenperspectief volgt, aangezien correcties en terugvorderingen na het einde van het jaar niet tot uiting komen in de schatting van het foutenpercentage door de Rekenkamer; betreurt echter de verwarring die de Commissie door de presentatie van het risico bij betaling heeft veroorzaakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>herinnert aan de standpunten in de kwijtingsresolutie voor 2022 en de gedachtewisselingen tijdens de kwijtingshoorzittingen voor het begrotingsjaar 2023 over de verschillen tussen de Rekenkamer en de Commissie in de methoden en ramingen wat betreft de fouten in de uitgaven van de Unie; merkt met name op dat het foutenpercentage van de Rekenkamer gebaseerd is op een statistische steekproef, terwijl het risico bij betaling van de Commissie grotendeels is samengesteld aan de hand van door de nationale auditautoriteiten van de lidstaten gerapporteerde foutenpercentages en pas na correcties en terugbetalingen werd berekend; herinnert eraan dat het foutenpercentage van de Rekenkamer de fouten omvat die niet door de lidstaten en de Commissie zijn ontdekt, hetgeen aantoont dat de foutenpercentages van de Commissie te laag zijn geschat; stelt met bezorgdheid vast dat de verschillen tussen de ramingen van de Rekenkamer en die van de Commissie nog groter zijn geworden; merkt voorts op dat de Commissie en de Rekenkamer gezamenlijke workshops over dit vraagstuk organiseren; stelt vast dat de Rekenkamer haar methode met betrekking tot aanbestedingen bij de gedecentraliseerde agentschappen onlangs heeft afgestemd op die van de Commissie; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de onafhankelijke controleaanpak en -methode van de Rekenkamer en verzoekt de Commissie samen te werken met de Rekenkamer om te zorgen voor een grotere harmonisatie en beter vergelijkbare ramingen van foutenpercentages;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>herinnert eraan dat de kwijtingsautoriteit voor haar kwijtingsbesluit voor het betreffende jaar een verklaring van de Rekenkamer nodig heeft over de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen aan het einde van het jaar; merkt op dat de uitgavenprogramma’s van de Unie meerjarig zijn en dat hun beheers- en controlesystemen meerdere jaren bestrijken, waardoor correcties en terugvorderingen na het einde van het jaar mogelijk zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>herinnert eraan dat de Commissie verantwoordelijk is voor het voorkomen en opsporen van fraude; merkt op dat de Rekenkamer bij de uitoefening van haar mandaat verplicht is onregelmatigheden te melden; merkt op dat de Rekenkamer vermoedens van strafbare feiten die onder haar bevoegdheid vallen, doorstuurt naar het EOM en vermoedens van fraude, corruptie of andere illegale activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, doorstuurt naar OLAF; merkt op dat de Rekenkamer in 2023 twintig gevallen van vermoedelijke fraude aan OLAF heeft gemeld, en tegelijkertijd twaalf van deze gevallen aan het EOM heeft doorgegeven, wat tot nu toe heeft geleid tot vier onderzoeken van OLAF en negen onderzoeken van het EOM; prijst de Rekenkamer voor het melden van onregelmatigheden aan OLAF en het EOM, daar informatie uit controleopdrachten doorgaans zeer betrouwbaar is; herinnert in dit verband aan de sleutelrol van de hele fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie en plaatst vraagtekens bij de weigering van sommige lidstaten om met een van de onderdelen daarvan, het EOM, samen te werken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Financieel en begrotingsbeheer</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>merkt op dat in 2023 98,9 % van de beschikbare vastleggingskredieten werd gebruikt (184,4 miljard EUR van de 186,5 miljard EUR); stelt vast dat de beschikbare kredieten hoger waren dan het MFK-plafond van 182,7 miljard EUR als gevolg van het gebruik van speciale instrumenten voor nieuwe of onvoorziene gebeurtenissen; merkt op dat 90,0 % van de betalingskredieten werd gebruikt (162,0 miljard EUR van de beschikbare 165,2 miljard EUR);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de totale niet-afgewikkelde vastleggingen, die toekomstige schulden vertegenwoordigen als ze niet worden vrijgemaakt, een recordhoogte van 543 miljard EUR bereikten (2022: 450 miljard EUR); merkt op dat de Commissie een daling voorziet voor de periode 2025-2029, waarin vastgelegde bedragen voor zowel NGEU als de programmeringsperiode 2021-2027 moeten worden uitbetaald; merkt echter op dat de werkelijke bedragen voor 2023 (543 miljard EUR) veel hoger liggen dan het geraamde bedrag (490 miljard EUR), waardoor er vraagtekens kunnen worden gezet bij de ramingen van de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>wijst erop dat voor de uitvoering van de fondsen onder gedeeld beheer in het kader van het MFK 2021-2027 minder tijd beschikbaar is dan in de voorgaande MFK’s als gevolg van de N+2-regel voor het laatste jaar, hetgeen samen met de hoge niet-afgewikkelde vastleggingen het risico op vrijmakingen zal vergroten; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat de Commissie haar geraamde bedrag aan vrijmakingen heeft verhoogd van 7,6 miljard EUR voor 2023-2027 tot 8,1 miljard EUR voor 2024-2027 en 8,8 miljard EUR voor 2025-2027, hetgeen neerkomt op een stijging van 15 % in twee jaar; benadrukt met bezorgdheid dat de Commissie de afgelopen twee jaar de niet-afgewikkelde vastleggingen te laag heeft geraamd en daardoor waarschijnlijk het bedrag van de vrijmakingen die tot 2027 zullen plaatsvinden, te laag inschat; neemt kennis van de invoering van het “cascademechanisme” naar aanleiding van de tussentijdse evaluatie van het MFK 2021-2027 en de stimulans om vrijgemaakte bedragen te gebruiken ter dekking van hogere rentekosten voor bedragen die de Commissie heeft geleend voor NGEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>	stelt vast dat in de meest recente langetermijnbetalingsprognose van de Commissie melding wordt gemaakt van substantiële vrijmakingen vanaf 2027 tenzij de lidstaten aanvullende inspanningen ondernemen en de besteding flink opvoeren ten opzichte van de periode 2014-2020; stelt vast dat de Commissie de vrijmakingen voor het Cohesiefonds, het EFRO en het ESF+ voor 2024-2027 raamde op 2,2 miljard EUR, ruim vijf keer zo hoog als de raming voor 2022 van 0,4 miljard EUR; waarschuwt ervoor dat, wat het Fonds voor een rechtvaardige transitie (JTF) betreft, de lage uitvoering in 2023 betekent dat vanaf 2025 aanzienlijke bedragen in de risicozone terecht zouden kunnen komen; vraagt de Commissie en de lidstaten alles in het werk te stellen om vrijmakingen te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de schuld van de Unie is gestegen van 344,3 miljard EUR in 2022 tot 458,5 miljard EUR in 2023, waarvan 60 % verband houdt met NGEU; merkt op dat alleen voor de schuld die is uitgegeven voor NGEU de bijbehorende rentekosten rechtstreeks uit de begroting van de Unie moeten worden betaald en dat deze kosten voor het huidige MFK (tot eind 2027) als gevolg van de hogere rentetarieven naar schatting tussen 17 miljard EUR en 27 miljard EUR hoger zullen uitvallen dan de oorspronkelijk geraamde 14,9 miljard EUR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat het totale risico voor de begroting van de Unie als gevolg van garanties en voorwaardelijke verplichtingen voor leningen is gestegen tot 298,0 miljard EUR; merkt op dat aannamen over de rente op de kapitaalmarkt voorzichtig moeten worden gemaakt, zowel voor bestaande als voor nieuwe schulden, en dat voor beide categorieën een haalbaar terugbetalingsplan nodig is; merkt op dat de Rekenkamer informatie van de Commissie heeft ontvangen waaruit blijkt dat het risico de komende jaren gestaag zal toenemen, waardoor de begrotingsmarge extra onder druk zal komen te staan en de flexibiliteit van de begroting van de Unie verder zal afnemen; steunt de aanbevelingen van de Rekenkamer aan de Commissie om proactiever op te treden om ervoor te zorgen dat haar beperkingsinstrumenten (zoals het gemeenschappelijk voorzieningsfonds – GVF) over voldoende capaciteit kunnen beschikken, alsook om een transparantere rapportage inzake de totale jaarlijkse blootstelling van de begroting te voorzien, waarbij haar raming openbaar wordt gemaakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer in haar Speciaal verslag 07/2024<FOOTNOTE><FIELD>Speciaal verslag 07/2024 van de Europese Rekenkamer: De systemen van de Commissie voor de invordering van onregelmatige EU-uitgaven – Potentieel voor meer en snellere invordering.</FIELD></FOOTNOTE> opmerkt dat een aanzienlijk deel van de tussen 2014 en 2022 afgegeven invorderingsopdrachten ten tijde van haar controle nog niet was geïnd; merkt voorts op dat de Commissie in haar antwoorden op de schriftelijke vragen van de Commissie begrotingscontrole (CONT) van het Parlement voor de kwijting 2023 aangaf dat er 1 357 achterstallige invorderingsopdrachten waren voor een totaal uitstaand bedrag van circa 335 miljoen EUR voor de periode 2014-2023; verzoekt de Commissie met klem prioriteit te maken van het innen van achterstallige invorderingsopdrachten en de Commissie begrotingscontrole op de hoogte te houden van de voortgang;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>benadrukt dat gelijkheid een fundamentele waarde van de Unie is en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is verankerd; herinnert aan de toezegging van de Unie om gendermainstreaming op te nemen in haar beleidsvorming en de uitvoering van middelen van de Unie, met inbegrip van genderbudgettering; spoort de Commissie ertoe aan de geleverde inspanningen op het gebied van genderbudgettering en het traceren van de impact van de begroting van de Unie voort te zetten om de gendergelijkheid te bevorderen; wijst erop dat de Commissie alle wetgevingsvoorstellen vergezeld moet laten gaan van een effectbeoordeling wanneer deze naar verwachting aanzienlijke economische, sociale en milieueffecten zullen hebben, teneinde onder meer een billijke verdeling van de middelen te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>merkt op dat de herziening van de institutionele overeenkomst inzake het transparantieregister vóór juli 2025 wordt verwacht; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het proces zo open mogelijk is en dat de vereisten voor financiële rapportage voor alle categorieën van geregistreerde entiteiten (met inbegrip van financieringsbronnen en de begrotingen voor lobbywerk) op elkaar worden afgestemd, en daarbij ook het in Speciaal verslag 05/2024 van de Rekenkamer over het EU-transparantieregister vastgestelde risico aan te pakken met betrekking tot eigen verklaringen inzake de vertegenwoordigingscategorie; is van mening dat de middelen van het secretariaat van het transparantieregister moeten worden verhoogd zodat gevolg kan worden gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>wijst op de volgende bevindingen in Speciaal verslag nr. 11/2025 van de Rekenkamer: i) dat de identificatie en registratie van entiteiten als ngo’s niet altijd consistent en betrouwbaar zijn; ii) dat er ondanks een meer gestroomlijnde procedure voor de toekenning van subsidies problemen blijven bestaan rond de volledigheid en nauwkeurigheid van de gegevens; iii) dat het ontbreken van een betrouwbaar overzicht van de EU-uitgaven voor ngo’s een zinvolle analyse belemmert; iv) dat de oproepen tot het indienen van voorstellen in de steekproef van de Rekenkamer transparant waren; v) dat de eerbiediging van de waarden van de Unie niet proactief wordt geverifieerd; en vi) dat de transparantiepraktijken in de steekproef van de Rekenkamer sterk uiteenlopen, waarbij grotere ngo’s beter presteren; verzoekt de Commissie de aanbevelingen in het speciaal verslag van de Rekenkamer volledig op te volgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>steunt ten volle de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar jaarverslag over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (“jaarverslag over het begrotingsjaar 2023”)<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5882, 9.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5882/oj.</FIELD></FOOTNOTE> en in de bijbehorende speciale verslagen; verzoekt de Commissie deze aanbevelingen onverwijld uit te voeren en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de vorderingen die worden gemaakt met de uitvoering ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>verzoekt de Rekenkamer samen met de Commissie te zoeken naar manieren om hun methoden voor de algemene begroting op elkaar af te stemmen, zoals dat het geval is bij aanbestedingen voor de gedecentraliseerde agentschappen, en daarbij de verschillende rollen in acht te nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie met name:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>het gesprek te blijven aangaan met de Rekenkamer om het begrip, de convergentie en de vergelijkbaarheid van de twee manieren van aanpak van de discrepanties in foutenramingen bij de uitgaven van de Unie te vergroten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>de impact van de corrigerende maatregelen op het algemene foutenpercentage te kwalificeren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>samen met de Rekenkamer te zoeken naar manieren om hun methoden met betrekking tot de evaluatie van aanbestedingsfouten en de raming van het foutenpercentage voor de algemene begroting op elkaar af te stemmen, zoals dat het geval is bij aanbestedingen voor de gedecentraliseerde agentschappen, en daarbij de verschillende rollen in acht te nemen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iv)</SYMBOL>de kwijtingsautoriteit een strategie voor te leggen om het gebruik van middelen voor hun beoogde doel te verbeteren, de absorptie te verhogen en vrijmakingen te voorkomen, en zodoende de Europese meerwaarde van de begroting van de Unie te maximaliseren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>v)</SYMBOL>de betrouwbaarheid van de raming van de niet-afgewikkelde vastleggingen te vergroten door middel van een meer realistische raming van de absorptie van middelen van de Unie, zodat de kwijtingsautoriteit de ontwikkeling van de niet-afgewikkelde vastleggingen door de jaren heen beter kan voorspellen en de begroting van de Unie beter kan beschermen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vi)</SYMBOL>verslag uit te brengen over en afdoende maatregelen te treffen om de begroting van de Unie te beschermen tegen de verschillende vastgestelde risico’s, die verder gaan dan niet-afgewikkelde vastleggingen, zoals vrijmakingen in het cohesiebeleid, de stijgende schuld, het verhoogde risico waaraan de begroting van de Unie wordt blootgesteld en de impact van de stijgende inflatie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vii)</SYMBOL>een transparantere rapportage over de totale jaarlijkse blootstelling van de begroting te voorzien door in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag een meerjarenvisie op te nemen over de risico’s voor de begroting van de Unie met betrekking tot begrotingsgaranties;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>viii)</SYMBOL>de regels en procedures aanzienlijk te vereenvoudigen en de bijstand te verbeteren en te zorgen voor consistente en gebruiksvriendelijke richtsnoeren voor kmo’s, nieuwe aanvragers, spin-offs, start-ups, administratieve en betaalorganen, maatschappelijke organisaties en alle andere relevante belanghebbenden, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de controles;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ix)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat de bestaande beperkingsinstrumenten voldoende capaciteit hebben om de risico’s waar de begroting van de Unie aan wordt blootgesteld, op doeltreffende wijze het hoofd te bieden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>x)</SYMBOL>meer inspanningen te leveren om de transparantie bij het gebruik van de middelen te verbeteren, ook wat betreft informatie over eindbegunstigden, met inbegrip van de middelen die worden toegewezen voor de opstelling van beleid en wetgevingsvoorstellen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xi)</SYMBOL>alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat alle belangenvertegenwoordigers die zich tot de instellingen van de Unie wenden in het transparantieregister worden opgenomen; verzoekt de Commissie voorts een doeltreffend mechanisme op te zetten om erop toe te zien dat door de Unie gefinancierde entiteiten die in het transparantieregister staan, in overeenstemming zijn met de waarden van de Unie, en om volledige transparantie met betrekking tot hun financiering te eisen, zodat er meer inzicht ontstaat in de financiering van alle geregistreerde entiteiten, hetgeen een voorwaarde zou moeten zijn voor het verkrijgen van toegang tot alle instellingen, organen en agentschappen van de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xii)</SYMBOL>samen met het Parlement en de Raad te zorgen voor voldoende middelen voor het secretariaat van het transparantieregister om ervoor te zorgen dat de verstrekte informatie over lobbyactiviteiten van alle belangenvertegenwoordigers op juistheid kan worden gecontroleerd en dat lobbyactiviteiten transparanter worden, zoals de Rekenkamer in Speciaal verslag 05/2024 over het EU-transparantieregister heeft gevraagd; verzoekt de Commissie bovendien voldoende middelen toe te wijzen voor de opsporing van onregelmatigheden om een brede waaier aan zoekmogelijkheden te waarborgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xiii)</SYMBOL>belangenvertegenwoordigers die in het transparantieregister staan, te verplichten hun geldschieters bekend te maken door op erewoord te verklaren dat zij alleen hun belangen of de collectieve belangen van hun leden vertegenwoordigen, en een wijziging van bijlage II bij het Interinstitutioneel Akkoord van 20 mei 2021 voor te stellen om van hen te verlangen dat zij in het EU-transparantieregister vermelden wie hun geldschieters zijn, zelfs als zij in dat register verklaren dat zij alleen de belangen van hun eigen leden vertegenwoordigen; verzoekt bovendien reeds geregistreerde entiteiten die niet op erewoord hun financiële middelen hebben opgegeven, met klem deze vrijwillig op te geven voordat het interinstitutioneel akkoord wordt gewijzigd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xiv)</SYMBOL>de lidstaten te blijven ondersteunen om ervoor te zorgen dat de controles zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit verbeteren, en om beste praktijken met betrekking tot fraude- en corruptiebestrijding te delen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xv)</SYMBOL>de situatie met betrekking tot laattijdige invorderingsopdrachten aan te pakken en alle nodige maatregelen te treffen, met inbegrip van de invoering van collectieve escalatiemechanismen, om het grootste deel van het openstaande bedrag voor de periode 2014-2023 terug te vorderen, en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de geboekte vooruitgang bij het terugvorderen van de bedragen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xvi)</SYMBOL>de capaciteit van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie te versterken en onder meer voldoende financiële en personele middelen ter beschikking te stellen, en de onderlinge samenwerking te bevorderen;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Ontvangsten</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>juicht het toe dat de Rekenkamer voor 2023 ook een goedkeurend oordeel kan geven over de wettigheid en regelmatigheid van de ontvangsten; benadrukt tegelijkertijd dat er al jarenlang sprake is van het niet of onjuist aangeven van douanerechten (de douanekloof) en dat dit hardnekkige probleem leidt tot een tekort aan geïnde invoerrechten en ervoor kan zorgen dat de Unie en de lidstaten traditionele eigen middelen mislopen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>stelt tot zijn grote verontrusting vast dat de Rekenkamer de uitvoering van het douaneactieplan van de Commissie, dat voor een aanzienlijke verkleining van de douanekloof kan zorgen, heeft onderzocht en opnieuw heeft geconstateerd dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt bij de uitvoering van een aantal maatregelen uit dit plan; merkt op dat de Commissie als onderdeel van dit plan in mei 2023<FOOTNOTE><FIELD>COM(2023)0258.</FIELD></FOOTNOTE> een hervorming van de douane heeft voorgesteld, met onder meer de oprichting van een EU-douaneautoriteit en een EU-douanedatahub;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>herinnert eraan dat de Rekenkamer de risico’s voor de financiële belangen van de EU naar aanleiding van gebrekkige of inefficiënte douanecontroles heeft benadrukt; prijst OLAF voor zijn inspanningen in het kader van de strijd tegen fraude met betrekking tot douanerechten en btw; vestigt de aandacht op de toename van elektronische handel en de risico’s van onlineplatforms wegens mogelijke beveiligings- en veiligheidsbedreigingen en het risico op niet-naleving van de belastings- en douaneregels, productnormen, intellectuele-eigendomsrechten, verbodsbepalingen en beperkingen van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer heeft aangetoond dat de Commissie in zes gevallen waarin lidstaten bni-gegevens laattijdig hebben gecorrigeerd en zij om die reden punten van voorbehoud heeft gemaakt, geen achterstallige rente in rekening heeft gebracht; is het met de Rekenkamer eens dat de Commissie in dergelijke gevallen in beginsel achterstandsrente in rekening moet brengen om de lidstaten ertoe aan te zetten de punten van voorbehoud binnen de gestelde termijnen aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat de nieuwe eigen middelen op basis van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval dat in 2023 door de lidstaten is geproduceerd, 7,2 miljard EUR bedroegen, hetgeen overeenkomt met 4,0 % van de totale inkomsten van de EU; merkt voorts op dat de Rekenkamer een aantal problemen heeft vastgesteld<FOOTNOTE><FIELD>Speciaal verslag 16/2024 van de Europese Rekenkamer: EU-inkomsten op basis van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval – Een hobbelige start doordat gegevens niet voldoende vergelijkbaar of betrouwbaar zijn.</FIELD></FOOTNOTE> in verband met de betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van gegevens; benadrukt dat dit een uitstekend voorbeeld is van nieuwe eigen middelen, aangezien het een goede stimulans is voor de lidstaten om het volume niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval te verminderen, en daarmee tegelijkertijd een nieuwe inkomstenstroom voor de Unie wordt gecreëerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>benadrukt dat de voorstellen van de Commissie uit 2021 voor nieuwe eigen middelen, die drie onderdelen omvatten – ten eerste middelen afkomstig uit inkomsten uit de handel in emissierechten (ETS), ten tweede middelen afkomstig van het mechanisme van de Unie voor koolstofgrenscorrectie en ten derde middelen op basis van een aandeel van de restwinsten van multinationals dat aan de lidstaten zal worden toegewezen in het kader van de OESO/G20-overeenkomst inzake de herverdeling van heffingsrechten (“eerste pijler”) – beslist in aanmerking komen als zulke nieuwe middelen; wijst er tegelijkertijd op dat ook andere bronnen in overweging kunnen worden genomen als blijkt dat de lidstaten daar gemakkelijker mee kunnen instemmen; is ingenomen met andere initiatieven die kunnen leiden tot nieuwe eigen middelen voor de begroting van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie met name:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>meer aandacht te besteden aan en meer druk uit te oefenen op de uitvoering van het douaneactieplan en vooral ook het voorstel van mei 2023 voor een ingrijpende hervorming van de douane, dat onder meer voorziet in de oprichting van een EU-douaneautoriteit en een EU-douanedatahub; ervoor te zorgen dat de lidstaten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toepassen voor de niet-naleving van de meldingsverplichtingen; inbreukprocedures in te leiden in die gevallen waarin er voldoende bewijs is dat lidstaten een duidelijk inadequaat sanctiesysteem voor schendingen van de zesde richtlijn betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (PB L 139 van 5.6.2018, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/dir/2018/822/oj</STRING>).</FIELD></FOOTNOTE> (DAC 6) toepassen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>het belang te benadrukken van het intensiveren en diversifiëren van de internationale douanesamenwerking met handelspartners en te onderstrepen dat de strijd tegen grensoverschrijdende belastings- en douanefraude moet worden versterkt in het kader van de uitbreiding van de elektronische handel;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>stimulansen te creëren voor de lidstaten om punten van voorbehoud in verband met correcties van bni-gegevens binnen de gestelde termijnen aan te pakken door het in rekening brengen van achterstandsrente;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iv)</SYMBOL>werk te blijven maken van de invoering van nieuwe eigen middelen;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder rubriek 1 van het MFK “Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid” 25,3 miljard EUR (13,2 % van de begroting van de Unie) bedroeg, en als volgt was verdeeld: 15,3 miljard EUR (60,5 %) voor onderzoek, 4,1 miljard EUR (16,1 %) voor vervoer, energie en digitaal beleid, 2,3 miljard EUR (9,1 %) voor het InvestEU-programma, 2,2 miljard EUR (8,7 %) voor ruimtevaart en 1,4 miljard EUR (5,6 %) voor andere gebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer 127 verrichtingen heeft onderzocht die het volledige scala van uitgaven in het kader van deze MFK-rubriek bestrijken, in het bijzonder het Horizon 2020-programma (90 verrichtingen), Horizon Europa (7 verrichtingen), de Connecting Europe Facility (CEF), ruimtevaartprogramma’s en financieringsinstrumenten, en dat zij ook heeft gekeken naar het systeem voor voorafgaande controle van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu (Cinea) voor CEF-subsidies in de vervoers- en energiesector en naar de informatie over de regelmatigheid in de jaarlijkse activiteitenverslagen van het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie (DG RTD) en het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid (Hadea);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer schat dat in 2023 het foutenpercentage in de uitgaven voor “Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid” van 3,3 % materieel was; wijst op de opmerking van de Rekenkamer dat de uitgaven voor onderzoek en innovatie het meest door fouten worden gekenmerkt, met name op het gebied van personeelskosten; wijst er voorts op dat de Commissie voor deze rubriek het risico bij betaling op 1,4 % schat, hetgeen in de onderste helft van het bereik van de schatting van de Rekenkamer ligt; is bezorgd over de conclusie van de Rekenkamer dat het risico bij betaling van de Commissie voor deze rubriek nog altijd een te lage schatting is, wegens de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen in de controles achteraf van de Commissie op dit gebied sinds het begrotingsjaar 2019<FOOTNOTE><FIELD>Jaarverslag 2023 van de Europese Rekenkamer, paragraaf 1.35.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat 39 (31 %) van de 127 door de Rekenkamer onderzochte verrichtingen fouten bevatten; vindt het zeer verontrustend dat de Commissie in zeven gevallen van kwantificeerbare fouten van de begunstigden (of de door de begunstigden aangestelde auditors) over voldoende informatie beschikte om de fout te voorkomen of te ontdekken en te corrigeren voordat de uitgaven werden aanvaard, en dat indien de Commissie naar behoren gebruik had gemaakt van alle beschikbare informatie, het geraamde foutenpercentage voor dit hoofdstuk 1,4 procentpunten dus lager zou hebben gelegen; benadrukt dat dit wijst op tekortkomingen in de controles van de Commissie;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Onderzoek en innovatie </STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>onderstreept het belang van financieringsprogramma’s van de Unie voor onderzoek en innovatie voor de wetenschappelijke, maatschappelijke, economische en technologische ontwikkeling van de Unie, de aanpak van ongelijkheden, de verwezenlijking van de groene en digitale transitie en de vermindering van de energieafhankelijkheid van de Unie ten opzichte van Rusland; herinnert eraan dat Horizon Europa het belangrijkste onderzoeks- en innovatieprogramma in Europa is, met een totale begroting van 95,5 miljard EUR voor 2021-2027, waaronder 5,4 miljard EUR uit NGEU; merkt op dat uit de RRF ongeveer 48 miljard EUR voor investeringen in onderzoek en innovatie is toegewezen; onderstreept dat aanvullende financiering voor onderzoek en innovatie nodig is om het concurrentievermogen van de Unie te vergroten en de innovatiekloof te dichten, rekening houdend met de aanbevelingen ter zake uit het Draghi-verslag; benadrukt met name dat de defensiegerelateerde uitgaven voor onderzoek en innovatie wegens de huidige geopolitieke omstandigheden aanzienlijk moeten worden verhoogd, hetgeen een belangrijk onderdeel kan vormen van de strategie voor het innovatiebeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>merkt op dat met de voorganger daarvan, Horizon 2020, met een begroting van 75,6 miljard EUR er tussen 2014 en 2020 35 000 projecten zijn gefinancierd en dat bij de oproepen tot het indienen van voorstellen meer dan een miljoen individuele aanvragen uit 177 landen zijn binnengekomen; merkt voorts op dat commissaris Ivanova tijdens haar hoorzitting over de kwijting voor 2023 de Europese meerwaarde van financieringsprogramma’s van de Unie voor onderzoek en innovatie heeft benadrukt en heeft verklaard dat volgens de eindevaluatie van Horizon 2020 elke euro die aan het programma wordt uitgegeven tegen 2040 vijf euro aan voordelen voor de samenleving zal opleveren; betreurt ten zeerste dat 74 % van de door onafhankelijke deskundigen als hoogwaardig beoordeelde voorstellen niet konden worden gefinancierd vanwege budgettaire beperkingen; merkt op dat er nog eens 159 miljard EUR nodig zou zijn geweest om alle hoogwaardige voorstellen te financieren; wijst op het belang van voldoende financiering voor onderzoek en innovatie in de Unie, niet in de laatste plaats om, in overeenstemming met de strategische agenda van de Unie voor 2024-2029, het concurrentievermogen en de welvaart van de Unie te vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>wijst op de late goedkeuring van de rechtsgrondslagen van Horizon Europa in 2021 en is verheugd dat de Commissie erin is geslaagd in 2023 bijna 100 % van de begroting uit te voeren; stelt vast dat er tot eind 2023 10 674 subsidieovereenkomsten en nog eens 2 kaderovereenkomsten waren ondertekend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer bij haar steekproef in 30 van de 97 onderzoeks- en innovatieverrichtingen fouten heeft geconstateerd met betrekking tot niet-subsidiabele kosten en dat deze fouten 71 % van het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage voor deze rubriek in 2023 uitmaakten; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat na negen jaar uitvoering van het Horizon 2020-programma de berekening van personeelskosten een belangrijke bron van fouten blijft, aangezien er bij de steekproef van de Rekenkamer in 22 van de 30 onderzoeksverrichtingen met kwantificeerbare fouten (circa 73 %) sprake is van onjuiste toepassing van de methode voor de berekening van personeelskosten; erkent dat zowel de Commissie als de Rekenkamer zich blijft inspannen om hier iets aan te doen; juicht het toe dat de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer heeft aanvaard om de naleving door de begunstigden van de regels inzake dagvergoedingen te verbeteren en te zorgen voor duidelijkheid over de regels inzake dagvergoedingen in de Horizon Europa-documenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>onderstreept het belang van vereenvoudiging van de regels en procedures voor de financiering van onderzoek en innovatie door de Unie; merkt op dat de Commissie in 2023 de invoering van vereenvoudigde kostenopties zoals vaste bedragen en eenheidskosten in Horizon Europa heeft voortgezet; wijst voorts op de opmerkingen van de directeur-generaal Onderzoek en Innovatie tijdens de gedachtewisseling met de commissie CONT dat de Commissie voornemens is de uitbetaling van middelen in het kader van Horizon Europa via vaste bedragen tussen nu en 2027 te verhogen tot 50 %; juicht het toe dat de Commissie, rekening houdend met de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar jaarverslagen voor 2022, zal zorgen voor specifiekere voorwaarden voor de correcte uitvoering van forfaitaire subsidies, met inbegrip van de elementen van elk werkpakket die aanleiding geven tot betaling, en ook gedetailleerde richtsnoeren zal verstrekken aan degenen die betrokken zijn bij de beoordeling van de uitvoering van projecten; merkt voorts op dat de begunstigden, zoals in de beoordeling van de Commissie van forfaitaire financiering in het kader van Horizon 2020 en Horizon Europa 2018-2024 is beschreven, graag meer duidelijkheid zouden krijgen over de wijze waarop forfaitaire subsidies moeten worden gecontroleerd; is bezorgd over het feit dat de strategie voor controles achteraf voor Horizon Europa nog niet is ontwikkeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>benadrukt de cruciale rol die de particuliere sector speelt bij het aanpakken van de innovatiekloof in de Unie en het verbeteren van het concurrentievermogen en de welvaart van de Unie; vindt met name dat de deelname van kmo’s aan financieringsprogramma’s voor onderzoek en innovatie van de Unie zo veel mogelijk moet worden bevorderd en vergemakkelijkt; neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat kmo’s en nieuwkomers vaker fouten maken dan andere begunstigden, aangezien zij niet over de ervaring en instrumenten beschikken om de middelen te beheren; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om kmo’s gericht te ondersteunen, bijvoorbeeld door middel van voorlichtingscampagnes, contacten met het systeem van nationale contactpunten en de speciale helpdesk van de Research Enquiry Service (dienst onderzoeksvragen); is van oordeel dat de vereenvoudiging van de regels en procedures het meest bepalend is voor een sterkere deelname van kmo’s;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Energie, vervoer en digitaal beleid</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>onderstreept het belang van investeringen van de Unie in de ontwikkeling van goed presterende, duurzame en onderling efficiënt verbonden trans-Europese netwerken op het gebied van vervoer, energie en digitale diensten, en merkt op dat de Connecting Europe Facility (CEF), met 4,1 miljard EUR aan uitgaven in 2023, een belangrijk instrument van de Unie is om deze doelstellingen te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>vestigt de aandacht op de noodzaak om de aanvraagprocedures in het kader van de Connecting Europe Facility voor vervoer (CEF‑T) te vereenvoudigen, zodat een sterkere deelname van kleinere entiteiten en lokale initiatieven op het gebied van de ontwikkeling van Europese vervoersinfrastructuur mogelijk wordt; betreurt dat de begrotingsmiddelen voor CEF‑T niet volstaan om alle behoeften aan investeringen in duurzaam vervoer op te vangen en dat het grootste deel van de begrotingsmiddelen ervan al is toegewezen, met een financieringskloof tot 2027 als gevolg;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>herinnert eraan dat de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne en de daaruit voortvloeiende sancties die aan Rusland zijn opgelegd ook in 2023 nog steeds negatieve gevolgen hadden voor de vervoerssector van de Unie, in de vorm van tekorten aan transportmogelijkheden, knelpunten in de toeleveringsketen en de noodzaak om traditionele routes te omzeilen, waardoor de reistijden langer worden en de kosten stijgen; wijst erop dat de regio’s aan de oostelijke grens van de Unie, en met name de Baltische staten en Finland, Polen en Roemenië, zwaar zijn getroffen door economische verliezen en de stopzetting van de grensoverschrijdende mobiliteit als gevolg van de Russische agressie; verzoekt de Commissie gerichte maatregelen te treffen, onder meer in het volgende MFK, om het herstel van de getroffen regio’s te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>verzoekt de Commissie een alomvattende beoordeling uit te voeren van de financiering die wordt toegekend aan grensoverschrijdende en meerdere landen omvattende infrastructuurprojecten, waaronder Rail Baltica, waarbij sprake is van aanzienlijke uitdagingen bij de uitvoering, financiële problemen en/of vertragingen; wijst erop dat hierbij aandacht moet worden besteed aan inefficiëntie bij de planning en het beheer, alsook aan de toenemende bouwkosten die ertoe leiden dat de termijnen en doelstellingen van projecten in het gedrang komen; herhaalt dat het vertrouwen van burgers in de instellingen van de Unie zal toenemen wanneer publieke middelen transparanter worden beheerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer in haar steekproef van 2023 twee fouten in CEF-projecten heeft geconstateerd en dat een daarvan betrekking heeft op een ernstige inbreuk op de regels van de Unie inzake overheidsopdrachten en ertoe heeft geleid dat de opdracht is gegund aan een consortium dat niet aan de selectiecriteria voldeed, en dat deze fout voor 28 % heeft bijgedragen aan het geschatte foutenpercentage voor rubriek 1;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>is ernstig bezorgd over de bevindingen van de Rekenkamer met betrekking tot het systeem voor controle vooraf van CEF-subsidies van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu (Cinea) in de vervoers- en energiesector, met name over de conclusie van de Rekenkamer dat de strategieën voor CEF1 (2014-2020) en CEF2 (2021-2027) weliswaar gebaseerd zijn op een gedegen analyse van risico’s en onregelmatigheden uit het verleden, maar dat de richtsnoeren voor controles vooraf van aanbestedingen niet gedetailleerd genoeg waren; staat volledig achter de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie deze richtsnoeren verder moet uitwerken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>op korte termijn via de ontwerpbegroting voor 2026 en op middellange termijn via haar voorstel voor het volgende meerjarig financieel kader voldoende middelen ter beschikking te stellen voor het ondersteunen van voorstellen voor hoogwaardige onderzoeks- en innovatieprojecten met een Europese meerwaarde;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>de vereenvoudiging van regels en procedures voort te zetten in overeenstemming met het nieuwe Financieel Reglement, en opleidingssessies en de verstrekking van gebruiksvriendelijke, consistente, praktische informatie voor aanvragers in de lidstaten, met name kmo’s, nieuwe aanvragers, spin-offs, start-ups, maatschappelijke organisaties en plaatselijke actiegroepen, te blijven ondersteunen en aanvragen van begunstigden uit lidstaten met een beperktere participatie, alsook van kleinere entiteiten, aan te moedigen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>vereenvoudigde regels en procedures, digitaliseringsmaatregelen en vereenvoudigde kostenopties te blijven toepassen en daarbij met name het risico van onregelmatigheden en fraude en de kosten van controles aan te pakken en de strategie voor controles achteraf voor Horizon Europa zo snel mogelijk te voltooien;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iv)</SYMBOL>te zorgen voor specifiekere voorwaarden voor een correcte uitvoering van forfaitaire subsidies, rekening houdend met de aanbevelingen ter zake van de Rekenkamer in haar jaarverslag 2022, en de daadwerkelijke uitvoering van projecten waarbij gebruik wordt gemaakt van vaste bedragen, te controleren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>v)</SYMBOL>de geconstateerde fouten bij overheidsopdrachten grondig te analyseren en de richtsnoeren verder uit te werken door de reikwijdte te beschrijven van de controles vooraf van aanbestedingen voor CEF-projecten, conform de aanbeveling van de Rekenkamer;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Cohesie, veerkracht en waarden</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>wijst op het belang van het cohesiebeleid van de Unie voor de economische en territoriale convergentie en ontwikkeling van de regio’s van de Unie, alsook voor de ondersteuning van de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten; merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 2 “Cohesie, veerkracht en waarden” 73,3 miljard EUR bedroeg (38,4 % van de begroting van de Unie) en als volgt is verdeeld: 47,8 % voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en andere regionale acties, 18,9 % voor het Europees Sociaal Fonds (ESF), 9,8 % voor het Cohesiefonds, 3,8 % voor Erasmus+, 2,1 % voor CEF‑T en 3,8 % voor andere domeinen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een steekproef van 238 verrichtingen heeft onderzocht die het volledige scala van uitgaven onder MFK-rubriek 2 bestrijkt; merkt met bezorgdheid op dat het door de Rekenkamer geschatte totale foutenpercentage bij de uitgaven onder deze rubriek in 2023 is gestegen tot 9,3 %, hetgeen aanzienlijk boven de materialiteitsdrempel ligt; vestigt de aandacht op de markante stijging van het totale foutenpercentage dat de Rekenkamer in 2023 had geraamd ten opzichte van eerdere jaren (6,4 % in 2022, 3,6 % in 2021);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>is bezorgd over de opmerking van de Rekenkamer dat de aanzienlijke extra middelen die beschikbaar zijn gesteld in het kader van de herstelbijstand voor cohesie en de regio’s van Europa (React‑EU), het naderende einde van de subsidiabiliteitsperiode voor de programma’s voor de jaren 2014-2020 (31 december 2023) en de parallelle uitvoering van het NGEU-programma extra druk hebben gelegd op de overheidsdiensten van de lidstaten, waardoor het risico op fouten is toegenomen; maakt zich met name zorgen over de praktijk om de medefinanciering door de lidstaten te verminderen, zoals het geval is bij React‑EU, het corona-investeringsinitiatief (CRII) en CRII+, waardoor de verantwoordelijkheid en de bijbehorende stimulansen voor een goed toezicht op de uitgaven worden beperkt; maakt uit de antwoorden van de Commissie op dat sommige autoriteiten mogelijk minder doeltreffende controles en verificaties hebben uitgevoerd als gevolg van de hoge werklast en de toenemende druk van de parallelle uitvoering van programma’s voor de periode 2014-2020 en van aanvullende financiering in het kader van NGEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>neemt kennis van de analyse van de Rekenkamer van verrichtingen met aanvullende financiering via React‑EU en flexibiliteit via CRII+ en het cohesiebeleid ten behoeve van vluchtelingen (CARE) en de bijdrage van deze programma’s aan de geschatte foutenpercentages; wijst met name op de conclusie dat fouten in voor 100 % door de EU gefinancierde prioriteiten 5,0 % vormden van het totale geschatte foutenpercentage van 9,3 %; vindt het verontrustend dat toenemende flexibiliteit heeft bijgedragen tot het hoge foutenpercentage, aangezien de eisen niet naar beneden zijn bijgesteld en er niet meer preventieve controles zijn uitgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>neemt kennis van Analyse 03/2024 van de Rekenkamer, getiteld “Een overzicht van het zekerheidskader en de belangrijkste factoren die hebben geleid tot fouten in de cohesie-uitgaven voor 2014-2020”, waarin een meerjarig overzicht wordt gegeven van zes jaar aan controleresultaten, met inbegrip van een beoordeling van beheers- en controlekwesties, met als doel het zekerheidsmodel te versterken; vindt de conclusie van de Rekenkamer zorgwekkend dat hoewel het zekerheidskader voor het cohesiebeleid heeft geholpen om het foutenpercentage te verlagen, het niet doeltreffend is geweest om het totale foutenpercentage onder de materialiteitsdrempel van 2 % te brengen; is bezorgd over het feit dat de Commissie vanwege de systematische tekortkomingen slechts in beperkte mate kan vertrouwen op het werk van de nationale auditautoriteiten; ondersteunt de aanbeveling van de Rekenkamer aan de Commissie om de uitvoering van het zekerheidskader voor de cohesie-uitgaven 2021-2027 te versterken; herinnert de Commissie aan de oproep van de kwijtingsautoriteit om nauw samen te werken met de lidstaten om het beheers- en controlesysteem voor uitgaven van de Unie te verbeteren, teneinde het hoge foutenpercentage onder de materialiteitsdrempel van 2 % te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>neemt kennis van de opmerking in de analyse van de Rekenkamer over de betrouwbaarheid van de werkzaamheden van de belangrijkste actoren in het controlesysteem voor het cohesiebeleid; is verontrust over de bevinding van de Rekenkamer dat de beheersautoriteiten – de eerste verdedigingslinie voor de ontdekking en de preventie van fouten – gedurende een periode van zes jaar niet doeltreffend genoeg zijn geweest om het inherente hoge foutenrisico in het cohesiebeleid te beperken; vindt het zelfs nog verontrustender dat de Rekenkamer constateerde dat de tweede verdedigingslinie – de auditautoriteiten van de lidstaten – niet in staat is het correcte foutenpercentage vast te stellen voor de uitgavenpakketten waarvoor zij audits uitvoeren en waarover zij zekerheid verschaffen, aangezien de Rekenkamer aanvullende fouten ontdekte in ten minste 39 % van deze pakketten; merkt op dat deze fouten jaarlijks gedurende meer dan zes jaar door de Rekenkamer zijn ontdekt en gerapporteerd en dat er derhalve sprake is van een systematisch probleem;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>neemt kennis van de categorisering door de Rekenkamer van fouten die werden aangetroffen in cohesie-uitgaven, waarbij niet-subsidiabele projecten voor 29 %, niet-subsidiabele kosten voor 26 % en ernstige niet-naleving bij openbare aanbestedingsprocedures voor 21 % hadden bijgedragen aan de fouten, en uitgaven in verband met het EFRO en het Cohesiefonds het grootste deel van de fouten hadden veroorzaakt (80 %); merkt op dat de uitgaven in het kader van het ESF+, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) verhoudingsgewijs minder fouten bevatten, aangezien daar in totaal slechts 16 % van de fouten voorkomt, terwijl deze programma’s samen ongeveer 20 % van de begroting in deze rubriek vormen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>neemt kennis van de studie in opdracht van de Commissie begrotingscontrole over de lessen die getrokken zijn uit de implementatie van de crisisresponsinstrumenten in de EU, waaruit blijkt dat de absorptie van niet-vastgelegde cohesiemiddelen werd ondersteund door de flexibiliteit die is ingevoerd in het kader van CRII en CRII+; vindt de bevinding van de onderzoekers zorgwekkend dat de kwaliteit van versnelde projecten mogelijk niet hetzelfde niveau heeft bereikt als de investeringen vóór de pandemie; vindt daarnaast de opmerking van de onderzoekers zorgelijk dat het risico van projecten van lage kwaliteit volledig door de begroting van de Unie wordt gedragen, vanwege 100 % financiering van de Unie in het geval van CRII, CRII+ en React‑EU; is van mening dat 100 % financiering van de Unie kan bijdragen tot absorptie, maar dat absorptie geen doel op zich is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>wijst erop dat de Commissie regionale ontwikkeling (REGI) in haar meest recente kwijtingsadviezen heeft aangedrongen op aanvullende adviserende ondersteuning van de Commissie aan de nationale, regionale en lokale overheden om een situatie van administratieve overbelasting te voorkomen; erkent de inspanningen van de Commissie, maar stelt helaas vast dat deze niet hebben volstaan om het foutenrisico te verlagen; waarschuwt ervoor dat zich aan het eind van de subsidiabiliteitsperiode van de RRF en de laatste jaren van het MFK een vergelijkbare administratieve overbelasting zou kunnen voordoen; beklemtoont dat dringend iets moet worden gedaan aan de tekortschietende administratieve capaciteit van de nationale, regionale en lokale overheden; verzoekt de Commissie deze overheden in dit verband duidelijke richtsnoeren te verstrekken en haar steun voor de opbouw van administratieve capaciteit op te voeren, onder meer door het opleiden van personeel, het delen van optimale praktijken en intercollegiale toetsingen en technische bijstand, zodat een doeltreffend beheer van de middelen kan worden gewaarborgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>neemt kennis van de openbare discussies over het meerjarig financieel kader voor de periode na 2027, die kunnen duiden op een verschuiving naar een prestatiegericht model, het koppelen van investeringen aan hervormingen en de wens om de regels en procedures te vereenvoudigen; verzoekt de Commissie prioriteiten te stellen wat betreft de financiële reacties op de huidige dreigingen naar aanleiding van de geopolitieke situatie; waarschuwt dat besluiten over de toekomstige opzet van uitgavenprogramma’s niet ten koste mogen gaan van het toezicht op en de controle van de uitgaven van de Unie wat betreft transparantie en informatie op het niveau van de Unie over niet-naleving van de regels en verordeningen; is van mening dat de door de Rekenkamer vastgestelde fouten en de wijze waarop de Commissie deze fouten behandelt ook wijzen op een goed functionerend beheers- en controlesysteem en merkt op dat beide instellingen hebben verklaard zich in te zetten voor de verbetering van het systeem en de verlaging van het foutenpercentage;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>neemt, net als in voorgaande jaren, kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat de controles aan de hand van stukken door de Commissie om het werk van de auditautoriteiten te controleren en te beoordelen uitsluitend gericht zijn op het controleren van de consistentie van de regelmatigheidsinformatie, en dat deze controles dus te beperkt zijn om het restfoutenpercentage te bevestigen dat door de nationale autoriteiten in hun zekerheidspakketten is gerapporteerd; neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat zij haar controle aan de hand van stukken aanvult met controlewerkzaamheden ter plaatse van de programma’s en zekerheidspakketten, waardoor zij een redelijke en eerlijke schatting van de foutenpercentages voor elk programma kan maken; is van mening dat de opmerking van de Rekenkamer betrekking heeft op de reikwijdte van de controles aan de hand van stukken en het feit dat die alleen gericht zijn op de consistentie en daarom te beperkt zijn om de Commissie voldoende betrouwbare informatie te verstrekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>is bezorgd over de aanhoudende tekortkomingen die de Rekenkamer heeft waargenomen in de werkzaamheden van de nationale auditautoriteiten, zoals naar voren komt in de tekortkomingen die zijn vastgesteld in de zekerheidspakketten, met een restfoutenpercentage boven de materialiteitsdrempel voor meer dan 60 % van de waarde van de in 2023 gecontroleerde zekerheidspakketten; stelt met bezorgdheid vast dat beheersautoriteiten er consequent niet in slagen onregelmatigheden in door begunstigden gedeclareerde uitgaven te voorkomen of op te sporen en dat de Commissie daarom minder op hun werk kan vertrouwen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>herinnert eraan dat het bij gedeeld beheer de verantwoordelijkheid van de Commissie is om na te gaan of de lidstaten beheers- en controlesystemen hebben opgezet die tijdens de uitvoering van de programma’s doeltreffend functioneren; is bezorgd over het feit dat zowel de Commissie als de Rekenkamer heeft vastgesteld dat niet alle beheers- en controlesystemen van de lidstaten doeltreffend functioneren, hetgeen nadelige gevolgen heeft voor de betrouwbaarheid van de foutenpercentages van de Commissie, aangezien zij vertrouwt op deze nationale systemen die niet doeltreffend werken; vraagt zich af of de Commissie kan blijven vertrouwen op nationale systemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>is van mening dat de naleving van auditnormen op alle controle- en auditniveaus van essentieel belang is om de “single audit”-benadering goed te laten werken en om de administratieve rompslomp voor begunstigden en beheersautoriteiten te verminderen; is dan ook verontrust over de bevinding van de Rekenkamer in haar jaarverslag dat de programma-autoriteiten en begunstigden essentiële bewijsstukken over de naleving van de subsidiabiliteitsvoorwaarden niet hebben overgelegd, en over de bevinding in de analyse van de Rekenkamer dat ontoereikende documentatie van controlewerkzaamheden door auditautoriteiten de betrouwbaarheid van de controlewerkzaamheden van de nationale auditautoriteiten ondermijnt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>herinnert eraan dat de lidstaten op grond van artikel 15 van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1060/oj).</FIELD></FOOTNOTE> (GB-verordening) voor de programmeringsperiode 2021-2027 moeten voldoen aan horizontale en thematische randvoorwaarden die zij gedurende de gehele uitvoeringsperiode van de fondsen moeten blijven naleven; herinnert eraan dat, wanneer bij de indiening van een betalingsaanvraag bij de Commissie voor de betrokken specifieke doelstelling niet aan de randvoorwaarden is voldaan, de desbetreffende uitgaven niet uit de begroting van de Unie worden vergoed totdat de Commissie ervan overtuigd is dat aan de randvoorwaarden is voldaan; herinnert aan de grote teleurstelling van de kwijtingsautoriteit over het besluit van de Commissie van 13 december 2023<FOOTNOTE><FIELD>Besluit van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de herbeoordeling, op initiatief van de Commissie, van de naleving van de voorwaarden van artikel 4 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 naar aanleiding van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van 15 december 2022 met betrekking tot Hongarije (C(2023)8999).</FIELD></FOOTNOTE> waarin stond dat Hongarije voldeed aan de horizontale randvoorwaarde met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, waardoor de Hongaarse autoriteiten verzoeken om terugbetaling van maximaal 10,2 miljard EUR konden indienen; stelt met bezorgdheid vast dat de Hongaarse regering sinds de vrijgave van deze middelen geen stappen heeft gezet om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te herstellen, maar juist het omgekeerde heeft gedaan; uit opnieuw zijn zorgen over het gebrek aan adequate controlemechanismen en over onbetrouwbare openbare aanbestedingsprocedures om goed financieel beheer en de bescherming van de begroting van de Unie te waarborgen; is van mening dat deze beslissing politiek in strijd is met de verlenging van de maatregelen die op grond van Verordening (EU, Euratom) 2020/2092<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (PB L 433I van 22.12.2020, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2092/oj</STRING>).</FIELD></FOOTNOTE> (de “conditionaliteitsverordening”) zijn vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de bevindingen uit het verslag over de rechtsstaat 2023 met betrekking tot de situatie van de rechtsstaat in Hongarije, en met name de aanhoudende, systemische uitdagingen voor de rechterlijke macht en de media; merkt met verontrusting op dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht onder steeds grotere druk komt te staan, en wijst onder meer op punten van zorg met betrekking tot de selectie en promotie van rechters en recente berichten over intimidatie en inmenging in rechterlijke besluiten, die worden bevestigd door het feit dat rechters hun ontslag hebben ingediend uit protest tegen politieke beïnvloeding; stelt in dezelfde geest met bezorgdheid vast dat het hoofd van de Hongaarse autoriteit voor integriteit, een belangrijke instelling die is opgericht als voorwaarde van de Commissie voor de vrijgave van middelen in het kader van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat, steeds meer door de Hongaarse regering onder druk wordt gezet; verzoekt de Commissie een gecoördineerde en holistische aanpak te waarborgen voor alle relevante fondsen van de Unie en wetgevingsinstrumenten, waarbij wordt benadrukt dat middelen van de Unie niet mogen worden toegewezen voor activiteiten die de democratie ondermijnen of autoritarisme versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>herinnert eraan dat bij de conditionaliteitsverordening een mechanisme en maatregelen zijn vastgesteld om de begroting van de Unie te beschermen tegen schendingen van de rechtsstaat indien andere in de wetgeving van de Unie vastgestelde procedures de begroting niet efficiënter kunnen beschermen; herinnert eraan dat dit mechanisme op 15 december 2022 is geactiveerd in het geval van Hongarije wegens zorgen over zijn systeem van openbare aanbestedingen, hetgeen heeft geleid tot een tijdelijke opschorting van 55 % van de begrotingsvastleggingen voor drie programma’s in het kader van het cohesiebeleid; herinnert eraan dat in dezelfde verordening, overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (PB L 433I van 22.12.2020, blz. 11, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2093/oj</STRING>).</FIELD></FOOTNOTE> (de “MFK-verordening”), is bepaald dat geschorste vastleggingen van 2022 (jaar n) na 2024 (jaar n+2) niet opnieuw in de begroting mogen worden opgenomen en dat daarom 55 % van de vastleggingen uit 2022 – ongeveer 1 miljard EUR – in december 2024 is vrijgemaakt; merkt op dat er geen andere procedures in het kader van de conditionaliteitsverordening lopen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>merkt op dat de Commissie een equivalent van vijf voltijdse personeelsleden heeft toegewezen aan de uitvoering van de conditionaliteitsverordening en herhaalt de bezorgdheid van de Rekenkamer zoals aangekaart in Speciaal verslag 03/2024 dat het huidige personeelsbestand ontoereikend lijkt te zijn om een strenge en consequente toepassing van de verordening te garanderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>stelt nogmaals dat alle maatregelen die nodig zijn voor de vrijgave van Uniefinanciering uit hoofde van de conditionaliteitsverordening, de GB-verordening, en Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17; ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/reg/2021/241/oj</STRING>).</FIELD></FOOTNOTE> (de “RRF-verordening”) als één integraal pakket moeten worden behandeld; wijst op het belang van de bescherming van de financiële belangen van de Unie, ook voor de uitbetaling van voorfinanciering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>merkt op dat een aantal investeringen die in aanmerking kwamen voor financiering in het kader van het cohesiebeleid zijn opgenomen in de nationale plannen voor herstel en veerkracht; herinnert eraan dat de algemene doelstelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF) als verankerd in artikel 4 van de RRF-verordening inhoudt de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie te bevorderen, en dat een van de zes pijlers ervan specifiek gericht is op dit doel; erkent dat het brede toepassingsgebied van de RRF leidt tot een beperkte overlapping met andere financieringsprogramma’s van de Unie, zoals bedoeld door de medewetgevers bij het opstellen van artikel 9 van de RRF-verordening, waarin additionaliteit en aanvullende financiering als kernbeginselen worden geïntroduceerd; vestigt de aandacht echter op het risico van dubbele financiering als gevolg van dergelijke situaties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over de zichtbare vertragingen bij de uitvoering van het cohesiebeleid in de lidstaten en het gebrek aan capaciteit van de nationale overheden om tegelijkertijd verschillende uitgavenprogramma’s (bv. cohesieprogramma’s en RRF-programma’s) die complementaire of zelfs soortgelijke doelstellingen hebben, te beheren; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat er voldoende technische bijstand wordt verleend aan lidstaten die moeilijkheden ondervinden bij het aanpakken van de bestaande vertragingen bij de uitvoering van cohesieprogramma’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>erkent de onevenredig grote impact van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne op de oostelijke regio’s van de Unie aan de grens met Rusland en Belarus; vestigt de aandacht op de kosten die deze regio’s en lidstaten moeten dragen als gevolg van hun gedeelde grens met vijandige buurlanden, met name doordat zij steeds meer overheidsmiddelen moeten besteden aan veiligheid, defensie en paraatheid, terwijl zij worden geconfronteerd met drastisch verminderde middelen als gevolg van de verstoring van economische activiteiten, grensoverschrijdende handel en andere uitwisselingen en van cohesieprogramma’s, met name Interreg-programma’s; wijst op de maatregelen die de Commissie heeft genomen om deze regio’s te ondersteunen, met name door middel van de flexibiliteit die werd geboden in het kader van het cohesiebeleid; stelt tevreden vast dat steun aan de regio’s aan de oostelijke grens die het sterkst worden getroffen door de Russische agressie onderdeel uitmaakt van de opdrachtbrief van de uitvoerend vicevoorzitter voor Cohesie en Hervormingen; verzoekt de Commissie te zorgen voor voldoende steun voor de oostelijke regio’s van de Unie die grenzen aan Rusland en Belarus zodat zij de onevenredige gevolgen van de Russische aanvalsoorlog het hoofd kunnen bieden, zowel op korte termijn via de ontwerpbegroting voor 2026 als op middellange termijn via het voorstel van de Commissie voor het volgende MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>wijst in het bijzonder op het belang van het ESF+, dat gericht is op het bereiken van hoge niveaus van werkgelegenheid, een billijke sociale bescherming, een geschoolde en veerkrachtige beroepsbevolking en inclusieve/hechte samenlevingen als sleutelfactor voor de uitbanning van armoede; is van oordeel dat de instellingen van de Unie en de nationale en regionale instellingen de komende jaren financiële en politieke steun moeten blijven verlenen om de doelstellingen en streefcijfers ervan te kunnen verwezenlijken; onderstreept hoe belangrijk het is regionale actoren hier nauw bij te betrekken, met name organisaties uit het maatschappelijk middenveld en sociale partners die ter plaatse werken aan de uitvoering van door het ESF+ gefinancierde activiteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>is ingenomen met de frontloading van 100 miljoen EUR van de begroting 2027 van Erasmus+ naar de begroting 2023 van Erasmus+, waardoor verdere steun kon worden verleend aan leerlingen, studenten, leerkrachten en gekwalificeerd personeel die Oekraïne zijn ontvlucht, en met de extra 20 miljoen EUR die in 2023 op aandringen van het Parlement aan Erasmus+ is toegekend; benadrukt dat frontloading een uitzondering moet blijven voor het bieden van een snelle respons op onvoorziene acute crisissituaties; beklemtoont dat frontloading in het kader van Erasmus+ niet mag leiden tot bezuinigingen op het programma aan het einde van het huidige MFK; benadrukt dat alles in het werk moet worden gesteld om dergelijke situaties bij voorkeur met aanvullende financiering op te vangen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>benadrukt de noodzaak van streng toezicht op de toewijzing van middelen om misbruik binnen het Erasmus+-programma te voorkomen; verzoekt de Commissie bewijsmateriaal te verzamelen om elk geval van frauduleuze of verdachte ontvangers te onderzoeken, in overeenstemming met haar taken zoals uiteengezet in het Financieel Reglement en de Erasmus+-subsidieovereenkomsten; dringt erop aan dat het programma adequaat wordt beschermd tegen misbruik door organisaties waarvan de activiteiten niet in overeenstemming zijn met de fundamentele waarden van de Unie (menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en mensenrechten); herinnert eraan dat de Commissie wettelijk verplicht is ervoor te waken dat begunstigden van programma’s achter deze waarden staan en waarborgen dat ze worden geëerbiedigd, en dat zij geen beroepsfouten begaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>merkt op dat de begroting 2023 van het EU4Health-programma, het belangrijkste financieringsinstrument ter ondersteuning van gezondheidsinitiatieven van de Unie, 735 miljoen EUR bedroeg, voornamelijk beheerd door het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid en de Autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied (HERA) en uitgevoerd via het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid; erkent de vooruitgang van de initiatieven die binnen dit programma worden gefinancierd, met name op het gebied van paraatheid bij noodsituaties op gezondheidsgebied, het kankerbestrijdingsplan en de farmaceutische strategie voor Europa en bij de uitvoering van de gezondheidswetgeving van de Unie;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>104.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>de praktijk om crisisresponsinstrumenten van de Unie voor 100 % met middelen van de Unie te financieren te heroverwegen wanneer een verhoging van voorfinanciering kan zorgen voor een snellere beschikbaarheid van middelen, waarbij tegelijk een gedeelde verantwoordelijkheid voor financiële begrotingscontrole bij de uitvoering van de fondsen behouden blijft door de financiële betrokkenheid van zowel het nationale als het Unieniveau te handhaven;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>erop toe te zien dat met middelen van het cohesiebeleid kwalitatief hoogstaande projecten worden geselecteerd door de voorkeur te geven aan langetermijninvesteringen en 100 % Uniefinanciering naar behoren te rechtvaardigen en in beperkte mate toe te passen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>het systemische probleem dat fouten op het niveau van de lidstaten bij uitgaven in het kader van het cohesiebeleid niet worden ontdekt, aan te pakken met een actieplan dat gericht is op het rapporteren van een nauwkeurig foutenpercentage in zekerheidspakketten en op het opsporen van fouten bij de eerste verdedigingslinies door meer middelen beschikbaar te stellen en/of bestaande middelen doelgerichter toe te wijzen en de opsporingscapaciteit op het niveau van de lidstaten en de Commissie te vergroten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iv)</SYMBOL>de controlekosten voor alle uitgaven die door nationale autoriteiten worden behandeld met betrekking tot de middelen van het cohesiebeleid, en voor NGEU, te berekenen en aan de kwijtingsautoriteit te rapporteren en deze cijfers te vergelijken met de controlekosten wanneer alleen de middelen van het cohesiebeleid door dezelfde autoriteiten werden behandeld;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>v)</SYMBOL>het terugkerende probleem van ontoereikende documentatie op het niveau van begunstigden, programma-autoriteiten en auditautoriteiten aan te pakken, niet alleen door middel van controles, bewustmaking en informatie over de vereisten, maar ook door een grotere mate van digitalisering en, waar mogelijk, met financiële stimulansen om niet-naleving van de vereisten voor goed financieel beheer te bestraffen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vi)</SYMBOL>de reikwijdte van haar controle van zekerheidspakketten aan de hand van stukken uit te breiden tot meer kwaliteitscriteria, naast consistentie, om een betrouwbare raming te maken van het restfoutenpercentage voor het onderzochte zekerheidspakket en van het risico bij betaling als geheel;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vii)</SYMBOL>de monitoring van de horizontale en thematische randvoorwaarden in alle lidstaten op te voeren om potentiële bedreigingen voor de bescherming van de Uniebegroting in kaart te brengen en meer transparantie en deelname van belanghebbenden te verzekeren bij de toepassing van dit instrument;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>viii)</SYMBOL>het verslag over de rechtsstaat nauw af te stemmen op de conditionaliteitsverordening en meer in detail verslag uit te brengen over de schendingen van de beginselen van de rechtsstaat die als input kunnen worden gebruikt om de conditionaliteitsverordening in stelling te brengen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ix)</SYMBOL>voortdurend toezicht te houden op de uitvoering door de Hongaarse regering van de maatregelen van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van 15 december 2022; te beoordelen in welke mate de situatie is verbeterd of verslechterd, onder meer met betrekking tot de uitdagingen waarmee de Hongaarse Integriteitsautoriteit wordt geconfronteerd, en alle nodige maatregelen te nemen overeenkomstig de conditionaliteitsverordening;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>x)</SYMBOL>de lidstaten meer technische bijstand te verlenen om vertragingen bij de uitvoering van nationale programma’s tegen te gaan, teneinde het absorptiepercentage te verhogen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xi)</SYMBOL>het toenemende risico op dubbele financiering tussen cohesieprogramma’s en RRF-financiering nauwlettend in te gaten te houden en te beperken, en dergelijke gevallen onmiddellijk aan te pakken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xii)</SYMBOL>de uitvoering van cohesieprogramma’s verder te vereenvoudigen en nauw samen te werken met de lidstaten om optimale werkmethoden vast te stellen met betrekking tot de digitalisering van praktijken en procedures;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xiii)</SYMBOL>in nauwe samenwerking met de Rekenkamer alle nodige maatregelen te nemen om het foutenpercentage terug te dringen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xiv)</SYMBOL>te zorgen voor voldoende steun voor de oostelijke regio’s van de Unie die grenzen aan Rusland en Belarus zodat zij de onevenredige gevolgen van de Russische aanvalsoorlog het hoofd kunnen bieden, zowel op korte als op middellange termijn;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Natuurlijke hulpbronnen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>105.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 3 “Natuurlijke hulpbronnen” 59,5 miljard EUR bedroeg (31,1 % van de Uniebegroting), die als volgt is verdeeld: 65,0 % voor rechtstreekse betalingen in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), 27,6 % voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), 4,2 % voor marktgerelateerde uitgaven in het kader van het ELGF, 1,9 % voor maritieme zaken en visserij, 0,9 % voor milieu en klimaatactie (LIFE) en 0,4 % voor andere domeinen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>106.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een steekproef van 218 verrichtingen heeft onderzocht die het volledige scala van uitgaven onder deze MFK-rubriek bestrijkt; merkt op dat de Rekenkamer ook de regelmatigheidsinformatie in de jaarlijkse activiteitenverslagen van het directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling (DG AGRI) en het directoraat-generaal Klimaat (DG CLIMA) heeft onderzocht, evenals een selectie van systemen in twintig lidstaten en het Verenigd Koninkrijk; merkt op dat de Rekenkamer het foutenpercentage voor “Natuurlijke hulpbronnen” op 2,2 % raamt (eveneens 2,2 % in 2022) en dat het merendeel van de aangetroffen fouten verrichtingen op het gebied van plattelandsontwikkeling betrof;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>107.</NO.P>wijst er echter op dat dit gedeeltelijk te wijten is aan de complexiteit van milieuregelingen in programma’s voor plattelandsontwikkeling en aan “gold-plating” op nationaal niveau, een bekend probleem;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>108.</NO.P>wijst in dit verband op het lager dan verwachte uitvoeringspercentage van de Elfpo-financiering voor de periode 2023-2027, met een absorptiepercentage van slechts 1 % aan het einde van 2023, met betalingen ten belope van 0,7 miljard EUR, en verwacht dat het absorptiepercentage in de loop van de volgende verslagperiode aanzienlijk zal stijgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>109.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer 16 kwantificeerbare fouten aantrof op het gebied van plattelandsontwikkeling, 15 bij rechtstreekse betalingen, drie bij uitgaven in verband met marktmaatregelen en drie bij niet aan het GLB gerelateerde uitgaven; is gerustgesteld door de conclusie van de Commissie dat de meeste fouten schrijf- en rekenfouten waren, en door de maatregelen die de Commissie heeft genomen om fouten in de toekomst te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>110.</NO.P>neemt kennis van de categorisering van fouten door de Rekenkamer, waarbij niet-subsidiabele declaraties 35 % van de fouten vormen, en administratieve fouten en onjuiste informatie over arealen of dieren 21 % respectievelijk 20 %; constateert met bezorgdheid dat de Rekenkamer net als in voorgaande jaren in verscheidene gevallen vaststelde dat de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie over voldoende informatie beschikten om de fout te voorkomen of te ontdekken en te corrigeren voordat ze de uitgaven aanvaardden, en dat indien de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie alle informatie waarover ze beschikten naar behoren hadden gebruikt het geraamde foutenpercentage voor dit hoofdstuk 1,0 procentpunten lager zou hebben gelegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>111.</NO.P>merkt op dat 2023 het eerste jaar was van het nieuwe uitvoeringsmodel van het GLB 2023-2027, waarin als basis voor betalingen prestatie-elementen zijn opgenomen die met de lidstaten zijn overeengekomen in strategische plannen; merkt op dat er in 2023 een bescheiden start is gemaakt met het nieuwe uitvoeringsmodel, waarbij van de 215,52 miljoen EUR die was gedeclareerd in het kader van de strategische GLB-plannen voor sectorale interventies en plattelandsontwikkeling 63,65 miljoen EUR werd gedeclareerd op basis van gegenereerde outputs en dus onderworpen was aan een “prestatiegoedkeuring” door DG AGRI; merkt op dat er in 2024 een aanzienlijke toename van betalingen in het kader van het nieuwe uitvoeringsmodel zal zijn; neemt kennis van de opmerkingen van de Rekenkamer met betrekking tot de verwerking van prestatiegegevens voor de jaarlijkse prestatieverslagen wanneer lidstaten nog systemen en procedures aan het opzetten zijn en soms handmatig gegevens aggregeren, met alle risico’s van dien voor de betrouwbaarheid van de gegevens;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>112.</NO.P>herinnert aan de protesten van landbouwers in heel Europa eind 2023 en begin 2024 en aan de respons van de Commissie die was gericht op vereenvoudiging, met name voor kleine landbouwers, en op uitbreiding van de discretionaire bevoegdheden van de lidstaten; benadrukt dat vereenvoudiging hand in hand moet gaan met goed financieel beheer en rekening moet houden met de klimaatverbintenissen van de Unie; is ingenomen met de gerichte aanpak van de Commissie, vooral wat betreft het onderscheid tussen bedrijfsomvang qua landbouwgrond en aantal landbouwbedrijven; waarschuwt dat de aan de lidstaten toegekende discretionaire bevoegdheid ook gepaard moet gaan met grondig toezicht door de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>113.</NO.P>merkt op dat zowel de Commissie als de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het aanpakken van fraude met GLB-uitgaven; is in dit verband ingenomen met het werk dat DG AGRI heeft verricht op het vlak van risicobeoordelingen voor fraudebestrijding en de actualisering van zijn fraudebestrijdingsstrategie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>114.</NO.P>neemt kennis van Speciaal verslag 07/2024 van de Rekenkamer over de systemen van de Commissie voor de invordering van onregelmatige EU-uitgaven, en van het antwoord van de Commissie; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat invorderingen met betrekking tot landbouwuitgaven relatief succesvol zijn geweest, wat deels toe te schrijven is aan de zogenaamde 50/50-regel die de lidstaten ertoe heeft aangezet middelen in te vorderen; merkt op dat deze regel niet is overgenomen in het GLB 2023-2027 en wijst op de waarschuwing van de Rekenkamer dat dit zou kunnen leiden tot een lager invorderingspercentage voor landbouwuitgaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>115.</NO.P>neemt kennis van Speciaal verslag 20/2024 van de Rekenkamer over plannen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en van het antwoord van de Commissie; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat alle essentiële elementen voor de beoordeling van prestaties aanwezig zijn; is van mening dat in de plannen rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie in de afzonderlijke lidstaten en dat een zekere mate van divergentie daarom zelfs wenselijk is, maar vindt het verontrustend dat uiteenlopende ambities kunnen betekenen dat er geen gelijk speelveld is voor landbouwers in de verschillende lidstaten; is verder teleurgesteld over de bevinding van de Rekenkamer dat het nieuwe monitoringkader weliswaar vereenvoudigd is, maar dat de GLB-doelstellingen niet duidelijk genoeg zijn, dat de indicatoren gericht zijn op output in plaats van op resultaten en dat belangrijke resultaatindicatoren ontbreken; merkt op dat de Rekenkamer de Commissie heeft aanbevolen de uitwisseling van beste praktijken in de plannen te bevorderen en het toekomstig monitoringkader van het GLB te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>116.</NO.P>neemt kennis van Speciaal verslag 19/2024 van de Rekenkamer over biologische landbouw in de EU, en van het antwoord van de Commissie; toont zich opnieuw bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat een zwak strategisch kader en beperkte gegevens het bepalen van de impact van het beleid in de weg staan; is van mening dat de grotere nadruk op prestaties, de vaststelling van doelstellingen en indicatoren en de daarmee verband houdende monitoring van de resultaten in het volledige Uniebeleid moeten worden ondersteund met een evenredige verhoging van de capaciteit van de Commissie om prestatiekaders vast te stellen en de prestaties te monitoren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>117.</NO.P>stelt verheugd vast dat het concurrentievermogen in de wijnsector is gestegen door middel van marktmaatregelen en moedigt de Commissie en de lidstaten aan hun inspanningen voort te zetten om dit succes in andere sectoren te herhalen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>118.</NO.P>herinnert eraan dat democratie en pluralisme fundamentele waarden van de Unie zijn die zijn verankerd in artikel 2 VEU; herinnert er voorts aan dat de instellingen van de Unie overeenkomstig artikel 11 VEU de burgers en de representatieve organisaties de mogelijkheid moeten bieden hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden teneinde een open, transparante en regelmatige dialoog te voeren; beklemtoont dat de scheiding der machten tussen de instellingen, zoals vastgelegd in artikel 13 VEU, te allen tijde moet worden geëerbiedigd en dat de instellingen van de Unie loyaal moeten samenwerken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>119.</NO.P>erkent het belang van het LIFE-programma; wijst op de bepalingen van de LIFE+-verordening, waaronder de bepalingen over exploitatiesubsidies, de subsidiabiliteitsvoorwaarden, de toekenningscriteria, de totale toewijzing voor 2021-2027 en de verdeling van middelen binnen het programma;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>120.</NO.P>merkt op dat sommige leden van de Commissie begrotingscontrole inzage hebben gevraagd in een reeks subsidieovereenkomsten in het kader van het LIFE-programma en andere financieringsprogramma’s van de Unie, en dat zij na onderzoek van die overeenkomsten in februari 2024 hun bezorgdheid hebben geuit over de inhoud van verschillende programma’s; merkt op dat de Commissie, met inbegrip van de dienst Interne Audit (IAS), zich in eerste instantie niet bewust was van enige problemen, maar een reeks maatregelen heeft genomen om de zorgen aan te pakken; herinnert aan de schriftelijke vragen over de kwijting en aan de hoorzittingen met de secretaris-generaal van de Commissie op 5 november 2024, met de verantwoordelijke commissarissen voor MFK-rubriek 3 op 12 november 2024 en met de commissaris voor Begroting en Administratie op 9 december 2024, waarbij de zorgen en de respons van de Commissie werden besproken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>121.</NO.P>stelt vast dat sommige leden van de Commissie begrotingscontrole bezorgd hebben opgemerkt dat bepaalde subsidieovereenkomsten tussen het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu (Cinea) en begunstigden, zoals maatschappelijke organisaties en particuliere ondernemingen, in het kader van het LIFE-programma “werkplannen” omvatten met gedetailleerde pleitbezorgingsacties ten aanzien van instellingen van de Unie of hun vertegenwoordigers, alsook andere acties die gericht waren op bepaalde handelsovereenkomsten waarover de Unie onderhandelingen voerde, of maatregelen in verband met rechtszaken die de respectieve entiteiten zouden voeren; erkent dat dit mogelijk kan worden geïnterpreteerd als inmenging in de interne besluitvorming van de instellingen van de Unie; merkt op dat de Commissie een juridische analyse heeft uitgevoerd van de subsidieovereenkomsten waarover bepaalde leden van de commissie CONT hun bezorgdheid hadden geuit, waarna zij tot de conclusie kwam dat er geen bewijs was dat de entiteiten in kwestie niet hadden voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit hun contract of gedragscode, maar dat de Commissie toch een aantal begunstigen heeft benaderd met de vraag om wijzigingen aan te brengen in de subsidieovereenkomsten waarin specifieke bepalingen waren opgenomen die mogelijk een reputatierisico inhielden; wijst er voorts op dat alle subsidieovereenkomsten een disclaimer bevatten waarin staat dat de standpunten van de begunstigde geenszins als standpunten van de EU mogen worden gezien en dat de subsidieverlenende autoriteit daar niet aansprakelijk voor kan worden gesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>122.</NO.P>beklemtoont dat Uniefinanciering niet mag bijdragen tot het ondermijnen van de rechtsstaat of van de waarden waarop de Unie berust; herinnert aan de bepalingen van artikel 163 van het Financieel Reglement; acht het van cruciaal belang dat er zonder traceerbaarheid van middelen geen sprake kan zijn van financiering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>123.</NO.P>wijst op de maatregelen die de Commissie heeft genomen om de beschuldigingen aan de orde te stellen, waaronder het verstrekken van richtsnoeren voor de diensten van de Commissie over financieringsactiviteiten in verband met de ontwikkeling, uitvoering, monitoring en handhaving van wetgeving en beleid van de Unie en de screening van hun contractportefeuilles om te bepalen welke overeenkomsten niet in overeenstemming waren met de richtsnoeren; neemt kennis van de tot dusver door de Commissie genomen maatregelen in afwachting van de resultaten van de screening van de subsidieovereenkomsten met alle begunstigden, waarom was verzocht door de bestuursraad van de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>124.</NO.P>wijst op de besluitvormingsstructuur, met inbegrip van de beoordelingsraad binnen Cinea, voor het nemen van besluiten over contracten tussen de Commissie en begunstigden; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat de besluitvormingsstructuur van Cinea voor het nemen van besluiten over te gunnen contracten wordt gekenmerkt door een duidelijke verantwoordingsplicht, duidelijke verantwoordelijkheden en een praktische structuur;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>125.</NO.P>merkt op dat het uitvoerend agentschap jaarlijks bottom-uprisicobeheersexercities uitvoert en dat hierbij geen kritieke risico’s zijn vastgesteld; merkt op dat beoordelingsprocedures, ongeacht het financieringsprogramma, voortdurend moeten worden geëvalueerd en zo nodig moeten worden aangepast;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>126.</NO.P>neemt kennis van berichtgeving in de media waaruit blijkt dat de voorzitter van de Commissie tegen betaling een bijzonder adviseur in dienst heeft genomen om een verslag op te stellen over de strategische dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU, en dat deze adviseur een salaris ontving dat gelijk was aan dat van een directeur-generaal van de Commissie; toont zich verontrust over de beloning van alle bijzonder adviseurs en de discretionaire bevoegdheid van de Commissie om hun beloning te bepalen, hetgeen leidt tot willekeurige ongelijke behandeling;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>127.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>nauwlettend toe te zien op de vorderingen van de lidstaten met betrekking tot de verwerking van prestatiegegevens en de aggregatie van gegevens voor het jaarlijkse prestatieverslag, en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van problemen met de betrouwbaarheid van prestatiegegevens, met name wanneer het gaat om handmatig geaggregeerde gegevens;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>de kwijtingsautoriteit op de hoogte brengen van de redenen waarom de Rekenkamer concludeert dat verscheidene fouten al jarenlang voorkomen hadden kunnen worden als de Commissie en de lidstaten alle beschikbare informatie hadden gebruikt, en waarom de Commissie en de lidstaten er niet in slagen deze kwestie op passende wijze aan te pakken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>de lessen die zij heeft getrokken uit haar respons op de landbouwersprotesten, namelijk de vermindering van de administratieve lasten, in toekomstige beleidsinitiatieven toe te passen, en daarbij terdege rekening te houden met het risico op misbruik van middelen wanneer controlemaatregelen worden afgebouwd of het risico op te grote afwijkingen tussen de lidstaten wanneer discretionaire bevoegdheden zonder behoorlijk toezicht worden uitgeoefend;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iv)</SYMBOL>de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de invorderingspercentages van de landbouwuitgaven, met name als het percentage daalt ten opzichte van het invorderingspercentage in het kader van het vorige GLB, en de oorzaken van die daling snel aan te pakken, onder meer door te overwegen nieuwe stimulansen voor de autoriteiten van de lidstaten in te voeren om middelen in te vorderen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>v)</SYMBOL>de uiteenlopende ambities in de strategische plannen te beoordelen en de kwijtingsautoriteit mee te delen of er verschillen bestaan tussen de lidstaten waardoor het gelijke speelveld voor landbouwers in gevaar wordt gebracht, en te beoordelen hoe de Commissie deze verschillen aanpakt;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vi)</SYMBOL>beter gebruik te maken van haar capaciteit om prestatiekaders op te zetten, doelstellingen en indicatoren vast te stellen en degenen die bijdragen aan de resultaten – zowel lidstaten als begunstigden – verantwoordelijk te houden voor hun bijdragen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vii)</SYMBOL>de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie te actualiseren om aandacht te besteden aan het bepleiten en handhaven van een duidelijke scheiding van uitvoerende en wetgevende bevoegdheden in de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>viii)</SYMBOL>een duidelijke en alomvattende strategie op het niveau van de Commissie in te voeren om de financiële belangen van de Unie beter te kunnen beschermen en ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie voor de beoogde doeleinden worden gebruikt, en de bepalingen van het Financieel Reglement zorgvuldig toe te passen, onder meer door ervoor te zorgen dat subsidieovereenkomsten kunnen worden opgeschort of beëindigd wanneer begunstigden de wetgeving van de Unie schenden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ix)</SYMBOL>te zorgen voor een eerlijke verdeling van middelen van de Unie onder maatschappelijke organisaties om bij te dragen tot een pluralistische en dynamische samenleving;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>x)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat de in 2024 vastgestelde richtsnoeren van de Commissie door alle ordonnateurs worden toegepast en, indien nodig, verdere richtsnoeren te ontwikkelen om subsidieovereenkomsten volledig in overeenstemming te brengen met de Verdragsbepalingen en de bestaande wetgeving;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xi)</SYMBOL>de resultaten van de screening van subsidieovereenkomsten ter beschikking te stellen van de kwijtingsautoriteit om een beoordeling mogelijk te maken van de mate waarin de Commissie te maken kan hebben met een reputatierisico;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xii)</SYMBOL>een adequate aanpak te ontwikkelen voor kwesties als draaideurconstructies, transparantie wat financiering en donaties betreft, de strijd tegen het witwassen van geld, beperking van buitenlandse inmenging, onafhankelijkheid van politieke en economische invloeden, klokkenluiders en transparante bestuursstructuren, en dit met betrekking tot alle entiteiten die middelen van de Unie ontvangen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xiii)</SYMBOL>het model voor memoranda van overeenstemming tussen de Commissie en uitvoerende agentschappen te herzien om te zorgen voor een duidelijkere verdeling van de verantwoordelijkheden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xiv)</SYMBOL>de auditstructuur op te dragen contracten met begunstigden te evalueren en te signaleren indien zij contracten ontdekken die niet in overeenstemming zijn met de toepasselijke financiële regels;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xv)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat de IAS de contracten tussen de Commissie en begunstigden evalueert en met name zoekt naar inhoud die niet in overeenstemming is met de toepasselijke financiële regels binnen werkpakketten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xvi)</SYMBOL>de besluitvormingsstructuur op het gebied van de gunning van contracten te evalueren en de diensten van de Commissie en de uitvoerende agentschappen op te dragen de inhoud van contracten in alle stadia beter te controleren, onder meer door ervoor te zorgen dat werkpakketten en kernprestatie-indicatoren die door de aanvragers worden aangedragen in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de respectieve financieringsprogramma’s;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xvii)</SYMBOL>een nauwkeurigere categorisering aan te brengen van de entiteiten die zijn opgenomen in het systeem voor financiële transparantie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xviii)</SYMBOL>haar regels voor bijzonder adviseurs te herzien om korte metten te maken met de willekeurige selectie en beloning;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xix)</SYMBOL>de uitvoering van programma’s verder te vereenvoudigen en nauw samen te werken met de lidstaten om optimale werkmethoden met betrekking tot de digitalisering van praktijken en procedures in kaart te brengen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xx)</SYMBOL>de kwaliteit van de dialoog met landbouwers uit alle lidstaten te verbeteren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xxi)</SYMBOL>sneller te reageren wanneer ernstige zorgen van de kwijtingsautoriteit bij de Commissie worden gesignaleerd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xxii)</SYMBOL>passende controles uit te voeren van entiteiten die zijn opgenomen in het transparantieregister, om ervoor te zorgen dat zij in het register een volledig overzicht van hun activiteiten geven;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xxiii)</SYMBOL>de verantwoordelijkheden duidelijker af te bakenen bij de uitvoering van samenwerkingsplatforms;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xxiv)</SYMBOL>de bestuursraad op te dragen geconsolideerde informatie over de lijst van kritieke risico’s bij de dienst Interne Audit in te dienen en ervoor te zorgen dat uitvoerende agentschappen potentiële risico’s aanpakken en zorgen voor een transparante selectie van onafhankelijke beoordelaars om belangenconflicten te voorkomen en hun onafhankelijkheid te waarborgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xxv)</SYMBOL>alle DG’s en uitvoerende agentschappen op te dragen de verdeling van de middelen voor audits te herzien om te zorgen voor voldoende middelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xxvi)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat voorstellen voor meerjarige werkprogramma’s van alle financieringsinstrumenten van de Unie duidelijke richtsnoeren bevatten over de activiteiten die voor financiering in aanmerking komen, evenals duidelijkere regels in verband met de screening van aanvragen en toelaatbare inhoud, en duidelijkere vereisten inzake transparantie en traceerbaarheid van het gebruik van middelen van de Unie, onder meer met betrekking tot de openbaarmakingsvereisten in het kader van het transparantieregister van de EU;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xxvii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat alle subsidieovereenkomsten voldoen aan de noodzakelijke vereisten inzake transparantie, traceerbaarheid en zichtbaarheid van de middelen;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Migratie en grensbeheer</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>128.</NO.P>merkt op dat de begroting 2023 voor de programma’s onder MFK-rubriek 4 “Migratie en grensbeheer” 2,7 miljard EUR bedroeg (1,4 % van de begrotingsuitgaven van de Unie), die als volgt is verdeeld: 1,2 miljard EUR (46,5 %) voor drie gedecentraliseerde agentschappen: het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) en het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA); 1 miljard EUR (38,6 %) voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en 0,4 miljard EUR (14,9 %) voor het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>129.</NO.P>merkt op dat een aanzienlijk deel van de uitgaven onder MFK-rubriek 4 in 2023 nog steeds betrekking had op de voltooiing van projecten uit het MFK 2014-2020; merkt op dat 18 % van de nationale programma’s van het AMIF voor de periode 2014-2020 eind 2023 nog steeds niet was gedeclareerd en dat de laatste jaarrekeningen en het verzoek om uitbetaling van het eindsaldo voor deze middelen uiterlijk op 31 december 2024 door de lidstaten moesten worden ingediend als onderdeel van het afsluitingspakket;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>130.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een steekproef van 23 verrichtingen heeft onderzocht, wat niet volstaat om representatief te zijn voor de uitgaven onder de MFK-rubrieken 4 en 5, en daarom geen aparte raming van het foutenpercentage voor deze rubrieken kan geven; merkt verder op dat uit de controleresultaten van de Rekenkamer blijkt dat de uitgaven onder de MFK-rubrieken 4 en 5 fouten vertonen op het gebied van subsidiabiliteit en aanbesteding en dat dit een gebied met een hoog risico is (7 van de 23 gecontroleerde verrichtingen, oftewel 30,4 %, bevatten fouten); vindt het zorgwekkend dat de Rekenkamer vier kwantificeerbare fouten ontdekte met financiële gevolgen voor de bedragen ten laste van de Uniebegroting, en dat zij ook nog eens tien gevallen van niet-naleving van wettelijke en financiële bepalingen vaststelde (zonder directe financiële gevolgen voor de Uniebegroting); verzoekt de Rekenkamer dan ook met een duidelijke raming te komen van het foutenpercentage voor rubriek 4; stelt vast dat de Commissie concludeert dat het risico bij betaling in 2023 minder dan 1,1 % bedroeg voor de uitgaven voor migratie en grensbeheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>131.</NO.P>merkt op dat de Commissie de aanbeveling van de Rekenkamer in haar jaarverslag voor 2023 heeft aanvaard, dat wil zeggen om verdere richtsnoeren over de toepasselijke regels te verstrekken aan de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de financiering van DG HOME in gedeeld beheer; betreurt dat de Commissie de eerdere aanbevelingen van de Rekenkamer die vóór het eind van 2023 hadden moeten worden opgevolgd, nog niet volledig heeft uitgevoerd; merkt op dat DG HOME bezig is met een herbeoordeling van zijn ex-antemethode zodat de regels die van toepassing zijn op subsidies voor de periode na 2021 worden nageleefd, en dat bij deze herbeoordeling ook rekening zal worden gehouden met de relevante aanbevelingen van de Rekenkamer en de aanbevelingen van de IAS-controle inzake de paraatheid voor het afsluiten van acties en programma’s die werden gefinancierd in het kader van het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het AMIF 2014-2020 in direct en gedeeld beheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>132.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat er in het jaarlijks activiteitenverslag van DG HOME voor 2023 twee punten van voorbehoud ten aanzien van de betrouwbaarheidsverklaring zijn gemaakt, waarbij het ene voorbehoud betrekking had op de uitvoering van het AMIF en het ISF voor de periode 2014-2020 in verscheidene lidstaten en het andere op de uitvoering van het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (BMVI) voor de periode 2021-2027 in één lidstaat; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om corrigerende maatregelen te nemen voor de onderliggende kwesties die aanleiding gaven tot het voorbehoud;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>133.</NO.P>is ingenomen met de vooruitgang die de Rekenkamer heeft geconstateerd in haar analyse van het voorbereidende werk dat de auditautoriteiten in vijf lidstaten hebben verricht bij het beheer van de transitie van de AMIF-, BMVI- en ISF-fondsen naar de GB-verordening van het MFK 2021-2027; merkt op dat deze auditautoriteiten aan de Rekenkamer hebben gemeld dat de ondersteuning en richtsnoeren van DG HOME bevredigend waren; stelt met bezorgdheid vast dat vier op vijf nationale auditautoriteiten ten tijde van de controle van de Rekenkamer hun controlestrategieën nog niet hadden afgerond;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>134.</NO.P>neemt nota van de vaststelling van het nieuwe migratie- en asielpact van de EU; stelt verheugd vast dat bij de tussentijdse herziening van het MFK 2021-2027 nog eens 2 miljard EUR is toegewezen aan migratie en grensbeheer voor de periode 2024-2027 om de toenemende uitdagingen op het gebied van migratie en grensbeheer als gevolg van de huidige geopolitieke context aan te pakken; merkt echter op dat er mogelijk extra middelen nodig zijn om de volledige uitvoering van het pact te waarborgen; dringt aan op een snelle uitvoering van het pact in de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>135.</NO.P>benadrukt dat de beveiliging van de buitengrenzen van de Unie een pijler is van het nieuwe migratie- en asielpact; vindt het zorgelijk dat de Commissie heeft gemeld dat het aantal irreguliere grensoverschrijdingen in de Unie is gestegen van 330 000 in 2022 tot 380 000 in 2023; merkt op dat het BMVI de lidstaten in de voorste linie kan ondersteunen om ervoor te zorgen dat zij over de nodige middelen beschikken voor infrastructuur, voorzieningen en installaties die noodzakelijk zijn om de buitengrenzen van de Unie te beveiligen, waaronder betere elektronische grensbeveiliging en andere instrumenten voor grensbewaking zoals bepaald in bijlage III bij de BMVI-verordening; neemt nota van de conclusies van de Europese Raad van 9 februari 2023 dat de Unie haar maatregelen zal opvoeren om irregulier vertrek en verlies van mensenlevens te voorkomen, de druk op de EU-grenzen en de opvangcapaciteit te verlagen, de strijd tegen mensensmokkelaars aan te binden en terugkeer te verhogen; benadrukt dat kwetsbare personen beter moeten worden beschermd tegen netwerken van mensensmokkel en -handel en dat de negatieve gevolgen van de instrumentalisering van migranten als onderdeel van hybride aanvallen, met name door pro-Russische krachten en door het Belarussische regime, moeten worden aangepakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>136.</NO.P>herinnert eraan dat de lidstaten en de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) 2021/1060 moeten zorgen voor de eerbiediging van de grondrechten en de naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bij de uitvoering van fondsen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>137.</NO.P>neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat het AMIF 2014-2020 niet volgens de verwachtingen presteerde wat betreft het faciliteren van de terugkeer van migranten; constateert verder dat de Rekenkamer en de Commissie het erover eens zijn dat de vooruitgang op dit gebied in het bijzonder werd beïnvloed door reisbeperkingen in verband met COVID-19; merkt daarnaast op dat de terugkeermaatregelen in 2023 werden ondersteund met 29,8 miljoen EUR uit het AMIF; merkt voorts op dat de Commissie grotere inspanningen moet leveren om de lidstaten bij te staan bij het aanpakken van irreguliere grensoverschrijding, bij de succesvolle uitvoering van terugkeer van onderdanen van derde landen en bij de integratie van legale migranten; wil in 2025 graag geconsolideerde informatie ontvangen over de vooruitgang op dit gebied via de ex-postevaluatie van het AMIF 2014-2020; herinnert eraan dat de Commissie actie moet blijven ondernemen op het gebied van migratie en asiel in het kader van het externe optreden, met inbegrip van de “Team Europa”-aanpak, maar dat ook de transparantie van de programmering en uitvoering van de fondsen van de Unie voor binnenlandse zaken in derde landen moet worden vergroot en de rol van het Parlement moet worden gewaarborgd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>138.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>de aanbevelingen van de Rekenkamer grondig en tijdig op te volgen en de herziene ex-antemethode van DG HOME te delen met de kwijtingsautoriteit zodra die is voltooid;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>de beheers- en auditautoriteiten in de lidstaten te blijven ondersteunen bij de tijdige afronding van hun controlestrategieën voor de middelen van het MFK 2021-2027, met bijzondere aandacht voor subsidiabiliteits- en aanbestedingskwesties en alle andere herhaalde bevindingen van de Rekenkamer;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>maatregelen te nemen om de prestaties van door de Unie gefinancierde acties op het gebied van doeltreffende terugkeer en bestrijding van irreguliere migratie te verbeteren, waarbij de wetgeving van de Unie en de fundamentele waarden van de Unie volledig worden geëerbiedigd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iv)</SYMBOL>maatregelen te nemen om de efficiëntie van de uitgaven van de Unie voor de bescherming en het beheer van de buitengrenzen van de Europese Unie te verhogen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>v)</SYMBOL>toezicht te houden op, bijstand te verlenen bij en nauwlettend aandacht te besteden aan de tijdige voortgang van de administratieve, operationele en juridische stappen die de lidstaten en de agentschappen van de Unie moeten nemen om het nieuwe migratie- en asielpact uiterlijk in 2026 volledig uit te voeren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vi)</SYMBOL>de transparantie van de programmering en uitvoering van de fondsen van de Unie voor binnenlandse zaken in derde landen te vergroten, en tegelijkertijd de rol van het Parlement bij het democratisch toezicht op de uitgaven van de Unie te waarborgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vii)</SYMBOL>bij de uitvoering van de Uniebegroting voortdurend te beoordelen of het Handvest van de grondrechten en de in artikel 2 VEU verankerde waarden van de Unie worden nageleefd, overeenkomstig artikel 6 van het Financieel Reglement;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Veiligheid en defensie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>139.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 5 “Veiligheid en defensie” in 2023 in totaal 1,4 miljard EUR bedroeg (0,7 % van de begrotingsuitgaven van de Unie), die als volgt is verdeeld: 500 miljoen EUR (38,4 %) voor het Europees Defensiefonds (EDF), 300 miljoen EUR (19 %) voor militaire mobiliteit, 200 miljoen EUR (17,1 %) voor gedecentraliseerde agentschappen, te weten het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EMCDDA), Europol en het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol), 200 miljoen EUR (13,1 %) voor het ISF en 200 miljoen EUR (12,4 %) voor nucleaire veiligheid, ontmanteling en andere domeinen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>140.</NO.P>merkt op dat een aanzienlijk deel van de uitgaven onder MFK-rubriek 5 in 2023 nog steeds betrekking had op de voltooiing van projecten die overbleven uit het MFK 2014-2020; merkt op dat 25 % van de nationale programma’s van het ISF voor de periode 2014-2020 eind 2023 nog steeds niet was gedeclareerd en dat de laatste jaarrekeningen en het verzoek om uitbetaling van het eindsaldo voor deze middelen uiterlijk op 31 december 2024 door de lidstaten moesten worden ingediend als onderdeel van het afsluitingspakket;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>141.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer, om de redenen die zijn uiteengezet in het hoofdstuk over migratie en grensbeheer, geen afzonderlijke raming kan geven van het foutenpercentage voor MFK-rubriek 5 “Veiligheid en defensie” en dat de uitgaven uit deze rubriek volgens de Rekenkamer op basis van haar controleresultaten een hoog risico vormen; verzoekt de Rekenkamer daarom om ook voor deze rubriek een raming van het foutenpercentage te verstrekken; stelt vast dat de Commissie concludeert dat in 2023 het risico bij betaling minder dan 0,5 % bedroeg voor de uitgaven voor veiligheid en defensie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>142.</NO.P>merkt op dat de Commissie de aanbeveling van de Rekenkamer om de technische aspecten van subsidieaanvragen voor militaire mobiliteit voor de Connecting Europe Facility (CEF) tijdens de subsidietoekenningsprocedure zorgvuldig te controleren en te documenteren, niet heeft aanvaard en dat de Commissie van mening is dat in de huidige processen reeds wordt nagegaan of infrastructuurprojecten voor tweeërlei gebruik aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voldoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>143.</NO.P>herinnert aan de zeer instabiele geopolitieke situatie in de buurlanden van de Unie, die sinds het begin van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne tot grotere uitdagingen op veiligheids- en defensiegebied, waaronder hybride dreigingen, heeft geleid en daarmee tot grotere investeringsbehoeften op het gebied van veiligheid, defensie en paraatheid; wijst erop dat MFK-rubriek 5, die bestemd is voor veiligheid en defensie, de kleinste van alle MFK-rubrieken is, en betreurt dat de huidige begroting van de Unie voor het waarborgen van de veiligheid en defensie van haar burgers niet berekend is op de uitdagingen die op korte of lange termijn moeten worden aangegaan; merkt op dat de Uniefinanciering ter ondersteuning van de defensie-industrie in 2023 uitsluitend afkomstig was uit het EDF; herinnert aan de rol van het EDF bij de ondersteuning van Europese technologische deskundigheid op het gebied van opkomende en disruptieve technologieën; stelt tevreden vast dat het aantal ingediende voorstellen bij de EDF-oproepen van 2023 met 72 % zijn gestegen ten opzichte van het jaar ervoor, waaruit de sterke en voortdurend groeiende belangstelling van Europese actoren uit de defensie-industrie en onderzoeksorganisaties voor het EDF en de grote vraag naar financiering in deze sector blijkt; merkt op dat de Unie in het kader van de oproepen van 2023 in totaal 1,15 miljard EUR heeft vastgelegd voor 61 O&amp;O-projecten op defensiegebied ten gunste van 581 juridische entiteiten uit 26 lidstaten en Noorwegen; merkt op dat gemiddeld 17 entiteiten uit acht verschillende lidstaten en Noorwegen aan elk project deelnemen; beklemtoont het belang van een gelijk speelveld bij de ondersteuning van grensoverschrijdende O&amp;O-samenwerking op defensiegebied;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>144.</NO.P>is ingenomen met de maatregelen van de Commissie om meer steun uit te trekken voor kmo’s in de defensiesector, en waardeert met name dat de EU-regeling voor defensie-innovatie (Eudis), die voorziet in een breed scala aan instrumenten op maat voor de ondersteuning van kmo’s binnen het defensie-ecosysteem, in 2023 volledig operationeel is geworden, met een toewijzing van 224 miljoen EUR uit de EDF-begroting; waardeert voorts de rol van de kmo-bonus in het kader van het EDF bij het vergemakkelijken van de toegang van kleinere actoren en innovatoren in defensietoeleveringsketens; merkt op dat in de EDF-oproepen van 2023 kmo’s goed waren voor 42 % van de voor financiering geselecteerde entiteiten – een hoger percentage dan in 2022 (38,2 %) – en dat 18 % van de totale financiering die beschikbaar is gekomen via de EDF-oproepen aan kmo’s is toegewezen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>145.</NO.P>herinnert eraan dat de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek een voorloper van het EDF was met een begroting van 90 miljoen EUR waarmee 18 onderzoeksprojecten werden gefinancierd die waren geselecteerd na oproepen tot het indienen van voorstellen in de jaren 2017 tot 2019; wijst er verder op dat de Rekenkamer in Speciaal verslag 10/2023 getiteld “De voorbereidende actie inzake defensieonderzoek” opmerkte dat de Unie nog steeds een langetermijnstrategie voor de projecten in het kader van het EDF mist, met name wat betreft impact, aanvullend onderzoek, ontwikkeling, productie en aanbestedingen; stelt tevreden vast dat de Commissie alle aanbevelingen van de Rekenkamer heeft aanvaard en heeft bevestigd dat de uitvoering ervan gaande is; is in dit opzicht ingenomen met de goedkeuring door de Commissie van een strategie voor de Europese defensie-industrie en een wetgevingsvoorstel tot vaststelling van het programma voor de Europese defensie-industrie (EDIP), alsook met haar toezegging om het EDF uit te bouwen; vindt het niettemin zorgwekkend dat de volledige uitvoering van de aanbevelingen van de Rekenkamer, vanwege de geopolitieke realiteit waarmee de Unie zich geconfronteerd ziet, pas in 2026 wordt verwacht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>146.</NO.P>wijst op de opmerkingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag 10/2023 over de beperkte beschikbaarheid van personele middelen bij de Commissie en het daaruit voortvloeiende risico voor het EDF; merkt op dat het toenemende aantal te evalueren voorstellen en te beheren projecten aanzienlijke druk legt op de medewerkers; wijst daarnaast op het hoge percentage gedetacheerde nationale deskundigen (17 %) onder het personeel van DG DEFIS in 2023 en op het plan van DG DEFIS om het personeelsbestand te versterken door ambtenaren te selecteren via gespecialiseerde vergelijkende onderzoeken van EPSO op het gebied van ruimtevaart en defensie, waarvoor in november 2023 definitieve reservelijsten zijn vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>147.</NO.P>merkt op dat de uitvoering van het “Actieplan voor militaire mobiliteit 2.0” gaande is, waarbij 1,74 miljard EUR is toegewezen aan vervoersinfrastructuurprojecten voor tweeërlei gebruik in het kader van de Connecting Europe Facility (CEF) tussen 2021 en 2027; merkt op dat de Unie tot nu toe 95 projecten voor militaire mobiliteit in 21 lidstaten heeft medegefinancierd, dat 94 van deze projecten nog lopen en dat de meeste daarvan naar verwachting tussen 2026 en 2027 zullen worden afgerond; stelt bezorgd vast dat na drie oproepen tot het indienen van voorstellen in 2021, 2022 en 2023 de volledige begroting voor militaire mobiliteit in het kader van de CEF voor de huidige programmeringsperiode reeds is opgebruikt; is van mening dat door het snel beschikbaar stellen van de begroting door frontloading van bedragen voor de oproepen van 2022 en 2023 weliswaar tegemoet werd gekomen aan de noodzaak rekening te houden met de ontwikkeling van de veiligheidssituatie in Europa naar aanleiding van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, maar dat dit tegelijkertijd voor een onstabiele en onvoorspelbare Uniefinanciering heeft gezorgd doordat er tot aan het MFK voor de periode na 2027 een kloof van meer dan vier jaar bleef bestaan waarin er geen extra Uniemiddelen meer beschikbaar waren voor oproepen in verband met militaire mobiliteit om infrastructuurprojecten voor tweeërlei gebruik te financieren; herinnert aan de conclusies van de Rekenkamer in Speciaal verslag 04/2025 dat het actieplan een onvoldoende solide basis had en dat de vooruitgang bij het bereiken van de doelstellingen ervan – namelijk te zorgen voor de snelle en naadloze verplaatsing van personeel, materieel en middelen op korte termijn en op grote schaal – varieerde als gevolg van tekortkomingen in de opzet van het plan en resterende belemmeringen voor de uitvoering ervan; merkt op dat de Commissie van mening is dat er meer maatregelen nodig zijn om de corridors voor vervoersinfrastructuur voor tweeërlei gebruik te versterken, onder meer met betrekking tot regelgevingskwesties zoals vergunningsprocedures voor grensoverschrijdend verkeer; wijst op de opmerking van de Rekenkamer dat de Commissie geen robuuste beoordeling had verricht van de totale financiering die nodig is opdat de doelstellingen en streefcijfers van het plan haalbaar zouden zijn; betreurt dat in 2023 slechts 300 miljoen EUR is besteed aan militaire mobiliteit en vindt het zorgelijk dat oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van de begroting voor militaire mobiliteit tot een viervoudige overinschrijving hebben geleid, waaruit de groeiende belangstelling van lidstaten en projectbegunstigden blijkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>148.</NO.P>uit zijn diepe bezorgdheid over het besluit van de Commissie om over te gaan tot de goedkeuring van het ReArm Europe-plan zonder voorafgaande raadpleging van het Europees Parlement; betreurt dat een dergelijk besluit tegen het beginsel van institutioneel evenwicht indruist en de rol van het Parlement als medewetgever bij de vaststelling van strategische en budgettaire prioriteiten ondermijnt; dringt er bij de Commissie op aan geen substantiële beleidsinstrumenten in gang te zetten die van invloed zijn op de financiële en strategische architectuur van de Unie, zonder de prerogatieven van het Parlement volledig te eerbiedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>149.</NO.P>merkt op dat het Europees Parlement de Unie en haar lidstaten heeft verzocht een rechtskader tot stand te brengen op grond waarvan Rusland kan worden aangemerkt als staatssponsor van terrorisme;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>150.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>zo snel mogelijk een strategie voor het EDF voor de langere termijn te ontwikkelen, voortbouwend op de ervaringen met de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek en de aanbevelingen van de Rekenkamer;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>voldoende middelen beschikbaar te stellen om de defensiesamenwerking in de Unie te versterken, op korte termijn door middel van de ontwerpbegroting 2026 en de tijdige aanwerving van deskundig personeel, en op middellange termijn via het voorstel van de Commissie voor het volgende MFK;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>de militaire mobiliteit in de Unie verder te versterken door de beschikbare financiering voor de verbetering van vervoersinfrastructuurcorridors voor tweeërlei gebruik aanzienlijk te verhogen en door maatregelen te nemen om administratieve, procedurele en regelgevende belemmeringen voor grensoverschrijdende militaire verplaatsingen weg te nemen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan financiering door de Unie van projecten die het best inspelen op het huidige Europese dreigingslandschap; rekening te houden met de bevindingen en aanbevelingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag 04/2025;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iv)</SYMBOL>maatregelen te nemen om passende zorgvuldigheid in acht te nemen in verband met projectcriteria voor infrastructuurprojecten voor militaire mobiliteit voor tweeërlei gebruik, in overeenstemming met de aanbeveling van de Rekenkamer;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Nabuurschap en de wereld</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>151.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 6 “Nabuurschap en internationaal beleid” 15,2 miljard EUR bedroeg (7,4 % van de Uniebegroting), die als volgt is verdeeld: 63,4 % voor het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld (NDICI – Europa in de wereld), 16,4 % voor humanitaire hulp, 16 % voor pretoetredingssteun (IPA III) en 4,2 % voor andere acties en programma’s; merkt op dat de betalingen voor “Nabuurschap en internationaal beleid” in 2023 in totaal 15,2 miljard EUR bedroegen, wat neerkomt op ongeveer 8 % van de totale Unie-uitgaven met uitzondering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>152.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een steekproef van 72 verrichtingen heeft onderzocht, wat niet volstaat om representatief te zijn voor de uitgaven onder deze MFK-rubriek, en daarom geen raming van het foutenpercentage kan geven; verzoekt de Rekenkamer een duidelijke raming te geven van het foutenpercentage voor dit hoofdstuk, nu uit de controleresultaten van de Rekenkamer blijkt dat dit een gebied met een hoog risico is (37 van de 72 gecontroleerde verrichtingen, oftewel 51,4 %, bevatten fouten); merkt op dat de Rekenkamer 31 fouten heeft vastgesteld met financiële gevolgen voor de begroting van de Unie, en wel met betrekking tot niet-subsidiabele begunstigden, niet-subsidiabele kosten, niet-gedane uitgaven en inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten – gebieden die kunnen wijzen op risico’s in verband met de onbetrouwbare werking van controlemechanismen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>153.</NO.P>merkt daarnaast op dat de Rekenkamer 19 gevallen van niet-naleving van wettelijke en financiële bepalingen heeft ontdekt, waarvan geen enkele rechtstreekse financiële gevolgen had voor de begroting van de Unie, en dat deze gevallen onder andere betrekking hadden op kwesties als dubbelzinnige kostentoewijzingen, niet-naleving van zichtbaarheidsregels en ontoereikende documentatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>154.</NO.P>vindt het verontrustend dat de Rekenkamer een aanzienlijke niet-naleving van de zichtbaarheidsregels heeft vastgesteld in een door de EU gefinancierd project onder indirect beheer van DG NEAR, dat betrekking had op een bijdrageovereenkomst ter waarde van 21,2 miljoen EUR die werd gesloten met een internationale organisatie voor een project dat tot doel had de landen van het Oostelijk Partnerschap te ondersteunen bij de bestrijding van COVID-19; merkt op dat de Rekenkamer constateerde dat de meeste door haar gecontroleerde schenkingsbewijzen geen erkenning bevatten dat de gedoneerde medische apparatuur door de Unie was gefinancierd; wijst erop dat begunstigden van Uniemiddelen verplicht zijn duidelijk bekendheid te geven aan het feit dat de Unie de door hen uitgevoerde actie heeft gefinancierd of medegefinancierd; neemt kennis van de antwoorden van de Commissie waarin zij aangeeft nieuwe richtsnoeren voor communicatie en zichtbaarheid te bespreken met de Verenigde Naties om het risico op fouten bij de naleving van de zichtbaarheidsregels te beperken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>155.</NO.P>vindt het zorgelijk dat de Rekenkamer in haar IT-controle van de component voor het beheer van de toegang en rechten van gebruikers van het informatiesysteem OPSYS drie tekortkomingen heeft vastgesteld, waaronder i) het feit dat het directoraat-generaal Internationale Partnerschappen (DG INTPA) zijn procedure voor het verlenen en intrekken van toegangsrechten voor systeembeheerders en standaardgebruikers niet had geformaliseerd; ii) vier gevallen waarin standaardgebruikers meer toegangsrechten hadden dan ze voor hun werk nodig hadden, hetgeen in strijd is met de IT-normen van de Commissie; en iii) dat DG INTPA niet alle beheerdersaccounts van personeelsleden van andere directoraten-generaal beheerde; vindt het zorgwekkend dat deze tekortkomingen het risico op zowel ongeoorloofde toegang tot het systeem als niet-naleving van de regels en procedures voor de uitvoering van projecten op het gebied van extern optreden vergroten en ook de integriteit van systeemprocessen en -gegevens ondermijnen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>156.</NO.P>merkt op dat de Commissie de communicatie met internationale organisaties heeft geïntensiveerd om het bewustzijn te vergroten over de noodzaak om de controleurs van de Rekenkamer bij de controle van door de Unie gefinancierde projecten volledige toegang te verschaffen tot documenten, en dat de Commissie initiatieven heeft gesteund om permanente oplossingen te vinden voor de problemen in verband met de toegang tot en de bewaring van documenten; merkt op dat de Commissie echter erkent dat er ondanks alle inspanningen enkele beperkingen met betrekking tot de toegang tot documenten blijven bestaan als gevolg van de bestaande rechtskaders van de uitvoerende partners, waarvan niet wordt verwacht dat zij in de nabije toekomst zullen worden gewijzigd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>157.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan de op conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat gebaseerde aanpak voor financiering in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) te versterken, zodat het instrument zijn doel kan bereiken, namelijk de toetredingslanden doeltreffend voorbereiden om aan de voorwaarden te voldoen om lid van de Unie te worden; verzoekt de Commissie nogmaals om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van Speciaal verslag 01/2022 van de Rekenkamer om ervoor te zorgen dat de financiële bijstand van de Unie ter ondersteuning van de rechtsstaat in de Westelijke Balkan daadwerkelijk effect sorteert, met name door richtsnoeren op te stellen voor de toepassing van de bepalingen inzake differentiëring en conditionaliteit in het kader van IPA III;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>158.</NO.P>benadrukt dat steun van de Unie onder geen beding, direct dan wel indirect, mag worden gebruikt voor het financieren van terrorisme, en dat daarmee dus ook geen entiteiten die banden hebben met Hamas of andere terroristische of extremistische organisaties mogen worden gefinancierd; acht het daartoe legitiem en noodzakelijk dat alle eindbegunstigden van Europese hulp in derde landen duidelijk kenbaar en identificeerbaar zijn; benadrukt de noodzaak van strikte controle op de verdeling en het gebruik van steun om te waarborgen dat middelen niet worden misbruikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>159.</NO.P>betreurt dat de Commissie de Islamitische Universiteit voor Wetenschap en Technologie in Gaziantep heeft gefinancierd, die bewezen banden heeft met de terroristische organisatie Hamas; verzoekt de Commissie alle banden met deze universiteit en andere universiteiten die banden hebben met terroristische organisaties te verbreken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>160.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van een betere verlening van steun en humanitaire hulp aan de Palestijnse bevolking ook optimaal gebruik te maken van betrouwbare partners, zoals de WHO, het Wereldvoedselprogramma, Unicef of verschillende organisaties van de Rode Halve Maan; herinnert eraan dat de Commissie onafhankelijke controles van UNRWA door externe deskundigen, de Rekenkamer en ervaren internationale partners moet waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>161.</NO.P>merkt op dat de Commissie de afgelopen maanden samen met UNRWA heeft gewerkt aan het verbeteren van de neutraliteitsprocedures en controlesystemen binnen de organisatie, in overeenstemming met de bevindingen van de onderzoeken van het OIOS naar de beschuldigingen van betrokkenheid van 19 UNRWA-personeelsleden bij de aanslag van 7 oktober 2023, en aan de monitoring van de toepassing van het UNRWA-actieplan voor de uitvoering van de aanbevelingen van de onafhankelijke evaluatiegroep onder leiding van de voormalige Franse minister van Buitenlandse Zaken Catherine Colonna om de controle en het toezicht te versterken; merkt op dat de Commissie het financieringsbesluit van de Unie voor 2024 voor UNRWA opnieuw heeft beoordeeld en dat de Unie via een briefwisseling tussen commissaris Várhelyi en UNRWA-commissaris-generaal Philippe Lazzarini in april 2024 overeenstemming heeft bereikt over de voorwaardelijke bijstand van de Unie aan UNRWA, gekoppeld aan een aantal mijlpalen met betrekking tot drie werkstromen, waaronder de screening van UNRWA-personeel, een audit door de Unie en de versterking van het departement voor Interne Onderzoeken en Ethiek; stelt vast dat de bijstand van de Unie is hervat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>162.</NO.P>herinnert eraan dat de Palestijnse Autoriteit al het lesmateriaal en alle onderwijsinhoud die aan het begin van het volgende schooljaar niet voldoen aan de Unesco-normen moet verwijderen, met name in het geval van antisemitisme zoals gedefinieerd in de door de Unie onderschreven classificatie van de Internationale Alliantie ter Herinnering van de Holocaust, aanzetten tot geweld, haatzaaiende uitlatingen en verheerlijking van terrorisme; herinnert aan de bepalingen van eerdere kwijtingsresoluties; benadrukt dat de Unie alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd, zoals in de resoluties bij de kwijtingsbesluiten herhaaldelijk is gevraagd; herinnert aan de bevindingen van het door de Unie gefinancierde rapport van het Georg Eckert-instituut, waarin een complex beeld wordt geschetst in verband met de schoolboeken; merkt op dat de Unie de Palestijnse schoolboeken niet financiert en dat deze boeken evenmin onder de verantwoordelijkheid van UNRWA vallen, ook al evalueert UNRWA alle uitgegeven schoolboeken om eventuele problematische inhoud aan te pakken; merkt op dat de Commissie er nauwgezet op zal toezien dat er geen Uniemiddelen worden toegekend (direct of indirect) voor het ontwikkelen en onderwijzen van of het blootstellen van Palestijnse kinderen aan dergelijk onderwijsmateriaal, ook als het gaat om materiaal dat door VN-organisaties ter beschikking wordt gesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>163.</NO.P>neemt kennis van de erkenning van DG NEAR in zijn jaarlijks activiteitenverslag 2023 dat projecten in Kyiv regelmatig werden bezocht, maar dat de monitoring ter plaatse en projectbezoeken in andere Oekraïense regio’s werden bemoeilijkt door veiligheidsbeperkingen; merkt verder op dat de beperkingen bij het adequaat monitoren van projecten in Oekraïne hebben geleid tot een hernieuwd voorbehoud in het jaarlijks activiteitenverslag 2023 van DG NEAR en dat er momenteel corrigerende maatregelen worden genomen, zoals het monitoren van de voortgang bij de uitvoering van projecten door middel van controles aan de hand van stukken, oplossingen op afstand en het inhuren van een dienstverlener;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>164.</NO.P>stelt tevreden vast dat OLAF gerichte bijstand voor fraudebestrijding verleent aan autoriteiten en steunt de toetreding van Oekraïne tot het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie; merkt op dat de kaderovereenkomst voor de faciliteit voor Oekraïne, die in juni 2024 in werking is getreden, voorziet in juridisch bindende regelingen voor het beheer, de controle, het toezicht, de monitoring, de evaluatie, de verslaglegging en de audit van middelen die zijn verstrekt uit hoofde van de faciliteit, evenals in maatregelen om onregelmatigheden, fraude, corruptie en belangenconflicten te voorkomen, te onderzoeken en te corrigeren, en in bepalingen over de rol van OLAF en het EOM; stelt daarnaast verheugd vast dat de Commissie overeenkomstig artikel 36 van de verordening betreffende de faciliteit voor Oekraïne in juni 2024 een auditcomité heeft ingesteld, dat tot taak heeft de Commissie bij te staan bij het beoordelen van de doeltreffendheid van de beheers- en controlesystemen van Oekraïne met betrekking tot de in het kader van de faciliteit verstrekte middelen en in de strijd tegen wanbeheer van Uniefinanciering in het kader van de faciliteit; verzoekt de Commissie het Europees Parlement regelmatig op de hoogte te houden van de activiteiten en bevindingen van het auditcomité om deugdelijk parlementair toezicht te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>165.</NO.P>neemt bezorgd kennis van de recente berichten over de bevindingen van een door de Commissie betaald ontwerpauditverslag over het secretariaat van de Organisatie van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (OACPS), waarin wordt beweerd dat er sprake is van vermoedelijke fraude, niet-uitbetaalde lonen en andere risico’s; merkt op dat de Commissie in 2023 volgens de gerapporteerde gegevens 3,7 miljoen EUR aan het secretariaat heeft bijgedragen en sinds maart 2024 probeert 3,6 miljoen EUR terug te vorderen; verzoekt de Commissie te zorgen voor volledige transparantie en verantwoordingsplicht, toegang te verlenen tot het auditverslag en de leden van het Parlement te informeren over de concrete stappen die zijn gezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>166.</NO.P>verzoekt de Commissie om in overeenstemming met de aanbevelingen van de Rekenkamer in Advies 03/2024 in het nieuwe MFK-wetgevingsvoorstel de aanbevelingen van de garantie voor extern optreden ter aanvulling van de evaluatie van de Commissie op te nemen, met inbegrip van een intensiever gebruik van blending (subsidies) in de minst ontwikkelde landen en kwetsbare of door conflicten getroffen landen en betere coördinatie met belanghebbenden zoals het maatschappelijk middenveld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>167.</NO.P>is bezorgd over de toewijzing van middelen van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling Plus (EFDO+) in het kader van de nieuwe flexibele begroting “Steun voor investeringen” aan begunstigde landen waar de Global Gateway-investeringen gemakkelijker kunnen worden uitgevoerd, ten koste van de prioritering van de minst ontwikkelde landen en kwetsbare en door conflicten getroffen landen; dringt aan op verslaglegging over de omvang van de in deze landen toegewezen en contractueel vastgelegde EFDO+-bedragen en op transparantie over de wijze waarop het quotum van toewijzingen aan de minst ontwikkelde landen in het kader van meerjarige indicatieve landenprogramma’s wordt geëerbiedigd in het kader van de toewijzingen van de regionale indicatieve meerjarenprogramma’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>168.</NO.P>ziet de Global Gateway-strategie als een gezamenlijke respons van de Unie op mondiale uitdagingen en herhaalt dat acties waarbij sprake is van publieke en private investeringen altijd gebaseerd moeten zijn op het rechtskader dat wordt geboden door de NDICI-verordening, op de Agenda 2030 en op de behoeften van partnerlanden, waarover moet worden gecommuniceerd via een eerlijke, rechtstreekse dialoog; is bezorgd over de inconsistenties in verband met Global Gateway-programma’s; dringt om die reden aan op meer transparantie, democratische verantwoordingsplicht en robuuste monitoring- en evaluatiemechanismen in het kader van Global Gateway en Team Europa; is er voorstander van dat er een centraal en openbaar toegankelijk platform wordt opgezet, dat regelmatig wordt bijgewerkt en waarop de Global Gateway-projecten en de doelstellingen, financieringsbronnen, uitvoerende partners en beoogde resultaten van die projecten in detail worden omschreven;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>169.</NO.P>stelt vast dat, om de regelmatigheid van de verrichtingen te controleren, de Rekenkamer een steekproef heeft onderzocht van 140 verrichtingen die representatief waren voor alle soorten uitgaven in het kader van het EOF; merkt verder op dat de steekproef bestond uit 31 verrichtingen met betrekking tot het EU-noodtrustfonds voor Afrika, 87 verrichtingen die zijn goedgekeurd door 14 EU-delegaties<FOOTNOTE><FIELD>Angola, Benin, Ivoorkust, Fiji, Ghana, Guinee-Bissau, Kenia, Madagaskar, Malawi, Mauritius, Mozambique, Gambia, Togo en Uganda.</FIELD></FOOTNOTE> en 19 betalingen die zijn goedgekeurd door het hoofdkantoor van de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>170.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat 62 van de 140 onderzochte verrichtingen (44,3 %) fouten bevatten, terwijl dit in 2022 het geval was bij 57 verrichtingen van hetzelfde totaal (40,7 %); benadrukt daarnaast dat de Rekenkamer 52 fouten heeft gekwantificeerd (48 in 2022), op basis waarvan zij het foutenpercentage voor het begrotingsjaar 2023 op 8,9 % raamt (7,1 % in 2022);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>171.</NO.P>vindt het verontrustend dat de drie meest voorkomende soorten fouten in het begrotingsjaar 2023 betrekking hadden op niet-gedane uitgaven (45 %, tegenover 51 % in 2022), het ontbreken van essentiële bewijsstukken (31 %, tegenover 7 % in 2022) en niet-subsidiabele uitgaven (23 %, tegenover 24 % in 2022);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>172.</NO.P>neemt kennis van de antwoorden op de schriftelijke vragen aan commissaris Jutta Urpilainen en commissaris Olivér Várhelyi waarin de Commissie stelt dat in 2023 ongeveer 45 % van het totale aantal fouten te wijten was aan overmatige verrekening – een praktijk waarbij niet-gedane uitgaven als gedane uitgaven in de rekeningen worden opgenomen – en dat dergelijke fouten bijgevolg tijdelijk zijn, aangezien deze ophouden te bestaan na de definitieve verrekeningen; merkt verder op dat de Commissie, om deze tijdelijke fouten te beperken, haar partners heeft verzocht hun rapportagemodellen te herzien om gedane uitgaven gemakkelijker te kunnen herkennen, en dat DG INTPA een speciale werkgroep heeft opgericht om de naleving door relevante organisaties te controleren door middel van een kader voor risicobeheer; merkt tevens op dat DG INTPA momenteel zijn controlestrategie evalueert, onder meer om na te gaan hoe controles vooraf kunnen worden aangescherpt en om de verslaglegging aan de Commissie van organisaties die op basis van een pijlerbeoordeling worden geëvalueerd te verbeteren; verzoekt de Commissie aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de effecten van deze acties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>173.</NO.P>merkt op dat de lopende evaluatie door DG INTPA van zijn controlestrategie naar verwachting zal leiden tot verbeterde richtsnoeren voor financiële verslaglegging en voor aangescherpte controles vooraf zodat fouten worden voorkomen, onder meer met betrekking tot overmatige verrekening; verzoekt de Commissie aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de corrigerende maatregelen die zijn genomen na de afronding van deze evaluatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>174.</NO.P>vindt het zorgwekkend dat, net als in voorgaande jaren, sommige internationale organisaties slechts beperkte toegang tot documenten boden (bv. in read-onlyformaat), waardoor de Rekenkamer op belemmeringen stuitte bij de planning, uitvoering en kwaliteitscontrole van haar controlewerkzaamheden, hetgeen tot vertragingen leidde; merkt op dat audit- en controlekwesties meermaals met VN-entiteiten zijn besproken, onder meer in het kader van gezamenlijke vergaderingen van technische referentiegroepen en de desbetreffende werkgroep van de EU en de VN inzake de Financiële en Administratieve Kaderovereenkomst (FAFA); merkt daarnaast op dat de Commissie samenwerkt met de internationale organisaties in kwestie en intensiever met hen communiceert over de toegang van de Rekenkamer tot documenten; spoort de Commissie net als in voorgaande jaren aan om deze inspanningen op te drijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>175.</NO.P>benadrukt dat de studie over het restfoutenpercentage (RFP) volgens de beoordeling van de Rekenkamer geen assuranceopdracht of controle vormt en gebaseerd is op de RFP-methodologie en -handleiding van DG INTPA; merkt op dat DG INTPA verduidelijkt dat de RFP-studie bedoeld is als belangrijke indicator voor de geraamde financiële impact van restfouten, dat wil zeggen dat hiermee de behoorlijke werking van het internecontrolesysteem wordt gemeten en dus het corrigerende vermogen van de Commissie wordt aangetoond; benadrukt dat de Rekenkamer, net als in voorgaande jaren, beperkingen heeft vastgesteld in de studie; neemt verder kennis van het oordeel van de Rekenkamer dat, net als in voorgaande jaren, de contractant dankzij de RFP-methodologie volledig kan vertrouwen op de resultaten van de controles van DG INTPA, en dat vertrouwen op het werk van andere auditors indruist tegen het doel van een RFP-studie; wijst op de bevinding van de Rekenkamer dat in gevallen waarin deze eerdere controles werden uitgevoerd in het kader van de FAFA tussen de Europese Commissie en de Verenigde Naties, de contractant niet altijd in staat is aanvullende gegevensgerichte controles uit te voeren, aangezien de FAFA de verificatierechten van de Commissie beperkt; wijst op het antwoord van de Commissie dat zij de beperkingen op het gebied van controles die zijn vastgesteld in de FAFA erkent; dringt er bij de Commissie op aan te zoeken naar werkbare oplossingen om dit probleem op te lossen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>176.</NO.P>herinnert eraan dat in het kader van de EOF’s twee EUTF’s zijn opgericht; herinnert eraan dat het EUTF voor Afrika meer dan 5 miljard EUR ter beschikking heeft gesteld, waarbij 88 % van de bijdragen (4,4 miljard EUR) afkomstig is uit het EOF en de begroting van de Unie; betreurt dat de procedure voor het beheer en de toewijzing van deze middelen ondanks verscheidene verzoeken van het Parlement nog steeds onvoldoende transparant is; is bezorgd over de bevindingen van de Rekenkamer in haar Speciaal verslag 17/2024 “Het EU-trustfonds voor Afrika – Ondanks nieuwe benaderingen bleef de steun ongericht”; merkt op dat deze risico’s, ondanks een innovatieve aanpak om mensenrechtenrisico’s in een moeilijke omgeving in kaart te brengen, niet integraal zijn aangepakt en dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat de potentiële risico’s voor de mensenrechten niet integraal zijn beoordeeld; herinnert eraan dat de Commissie volgens de Rekenkamer niet in staat is om de meest doelmatige en doeltreffende aanpak voor het terugdringen van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding in Afrika te bepalen en er verslag over uit te brengen; betreurt dat, hoewel het nieuwe monitoringsysteem informatie van alle EUTF-projecten verzamelt, de nauwkeurigheid van de gegevens ervan te wensen overlaat; neemt er nota van dat het EU-trustfonds voor Afrika in 2025 geleidelijk zal worden afgeschaft;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>177.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie met betrekking tot de aanbevelingen van de Rekenkamer:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>wat het OPSYS-systeem betreft, de procedure voor het verlenen en schrappen van toegangsrechten voor systeembeheerders en standaardgebruikers te formaliseren en te verbeteren, de kwaliteit van de nieuwe software te verbeteren en de nodige middelen toe te wijzen om de maturiteit en robuustheid ervan te vergroten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>de richtsnoeren en controles aan te scherpen om ervoor te zorgen dat organisaties die contracten onder indirect beheer uitvoeren, waaronder internationale organisaties, internationale financiële instellingen en overheidsinstanties, de zichtbaarheidsregels naleven;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>de communicatie met internationale organisaties verder te intensiveren om de Rekenkamer tijdig volledige en onbeperkte toegang – niet alleen in read-onlyformaat – te bieden tot documenten die zij nodig heeft om haar taak overeenkomstig het VWEU uit te voeren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iv)</SYMBOL>in onstabiele gebieden of conflictgebieden adequate maatregelen voor controles vooraf en achteraf in te voeren om te zorgen voor een goede controle van de besteding van middelen van de Unie en manieren om de middelen van de Unie terug te vorderen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>v)</SYMBOL>maatregelen te nemen om de controlesystemen voor de verrekening van voorfinanciering die aan internationale organisaties wordt betaald, te verbeteren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vi)</SYMBOL>de controles vooraf te versterken voordat uitgaven worden aanvaard;</ITEM></LIST></P></ACTION><ACTION><P><NO.P>178.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie verder:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>via alle beschikbare mechanismen nauwgezet toezicht te houden op en samen te werken met de UNRWA opdat alle overeengekomen acties worden uitgevoerd om te waarborgen dat de UNRWA volledig in overeenstemming met de humanitaire beginselen en neutraliteit te werk gaat, onder meer in de komende gezamenlijke verklaring van de EU en de UNRWA en de op stapel staande financieringsbesluiten voor voorwaardelijke bijstand van de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat alle contracten waarmee middelen van de Unie gemoeid zijn, volledig in overeenstemming zijn met de toepasselijke wetgeving van de Unie, onder andere op het vlak van verantwoordingsplicht, transparantie en goed financieel beheer, en dat dit inhoudt dat wordt nagegaan of er geen subcontractanten, natuurlijke personen, deelnemers aan workshops en/of trainingen of ontvangers van financiële steun aan derden onderworpen zijn aan beperkende maatregelen van de Unie of betrokken zijn bij de financiering van terrorisme of terreurdaden of andere vormen van haat en aanzetten tot haat;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>geografische gebieden en begunstigden meer op basis van empirisch onderbouwde informatie te selecteren en de nauwkeurigheid van de gerapporteerde resultaten van toekomstige ontwikkelingsacties, onder meer via het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld, te verbeteren;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Europees openbaar bestuur</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>179.</NO.P>merkt op dat de Commissie rechtstreeks verantwoordelijk is voor de uitvoering van 59,1 % van de totale administratieve begroting van de Unie, wat neerkomt op 7,2 miljard EUR; merkt verder op dat 70 % van de administratieve uitgaven betrekking heeft op personele middelen, met inbegrip van pensioenen, terwijl de rest voornamelijk uitgaven zijn in verband met gebouwen, uitrusting, energie, communicatie en IT; stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer ook voor 2023 concludeert dat deze uitgaven gekenmerkt worden door een laag risico;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>180.</NO.P>merkt op dat in 2023 2 152 ambtenaren de Commissie hebben verlaten, voornamelijk als gevolg van pensionering, ontslag of de afloop van hun contract; merkt op dat dit een relatief hoog verloop is, dat de Commissie ruime mogelijkheden moet bieden om hardnekkige onevenwichtigheden in de geografische vertegenwoordiging in de diensten te verhelpen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>181.</NO.P>spoort de Commissie aan om er samen met EPSO voor te zorgen dat de nodige technische systemen zo snel mogelijk worden ingevoerd en dat de procedures worden versneld, zodat de Commissie en andere instellingen van de Unie een beroep kunnen doen op EPSO voor de selectie van hooggekwalificeerde en gemotiveerde kandidaten voor alle soorten banen bij de instellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>182.</NO.P>waardeert het dat de vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies is gestegen van 46,1 % in december 2022 tot 47,8 % in december 2023; moedigt de Commissie aan om te blijven focussen op het waarborgen en handhaven van genderevenwicht op alle managementniveaus;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>183.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat de Commissie beleid heeft ingevoerd om het evenwicht tussen werk en privéleven en het welzijn van het personeel te verbeteren, met inbegrip van het recht om offline te zijn; vindt het tegelijkertijd prijzenswaardig dat er een nieuw besluit over de preventie en bestrijding van intimidatie is aangenomen waarbij de functie van een hoofdvertrouwenspersoon als sleutelfiguur in de strijd tegen intimidatie wordt ingesteld; benadrukt dat deze functie moet worden voorzien van de nodige middelen om diverse uitdagende taken doeltreffend uit te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>184.</NO.P>stelt vast dat de Commissie vooruitgang heeft geboekt met het intern in dienst nemen van kinderopvangpersoneel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>185.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat de Commissie geactualiseerde versies heeft gepubliceerd van de richtsnoeren over ethische normen voor de deelname van de leden van de Europese Commissie aan de verkiezingscampagne voor het Europees Parlement en richtsnoeren voor de deelname van leden van de Commissie aan verkiezingscampagnes op het niveau van de lidstaten; vindt het voorts lovenswaardig dat de Commissie in maart 2023 hoognodige strengere regels heeft vastgesteld voor dienstreizen en door derden betaalde kosten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>186.</NO.P>benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat alle instellingen van de Unie in Luxemburg personeel kunnen aantrekken voor alle soorten banen en loopbanen; merkt op dat Luxemburg met name voor personeelsleden in lagere salarisschalen mogelijk een minder aantrekkelijke optie is vanwege de kosten van levensonderhoud; merkt op dat met het akkoord over de begroting voor 2025 de eerste stap is gezet door een speciale huisvestingstoelage in te voeren voor personeelsleden die bij een instelling van de Unie in Luxemburg werkzaam zijn in een lagere rang;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>187.</NO.P>merkt op dat de Commissie het ambitieuze doel heeft om uiterlijk in 2030 de totale kantoorruimte van de Commissie met 25 % en het aantal gebouwen met 50 % te verminderen ten opzichte van 2020; merkt op dat de totale vermindering van de totale ruimte in 2023 iets meer dan 83 000 m² bedroeg, wat neerkomt op een vermindering met 11 %; vindt het verheugend dat deze doelstelling in grote mate bijdraagt aan het bereiken van koolstofneutraliteit en het verminderen van de administratieve kosten bij de Commissie; benadrukt dat het belangrijk is dat de vermindering van het aantal gebouwen en de kantoorruimte en de daaruit voortvloeiende inrichting van gedeelde kantoren en andere belangrijke administratieve veranderingen plaatsvinden in nauwe samenwerking met het personeel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>188.</NO.P>is bezorgd over de ernstige vertragingen, soms van wel zes maanden, waarmee ambtenaren bij de instellingen hun medische kosten door de ziektekostenverzekering van de instellingen vergoed krijgen; is ook bezorgd over de ontoereikende behandeling van ambtenaren en EP-leden met auto-immuunziekten, neurologische aandoeningen, COPD (chronische obstructieve longziekte), long covid, niet-gediagnosticeerde ziekten en zeldzame ziekten door het ziekteverzekeringsstelsel van de instellingen; merkt op dat patiënten met symptomen van deze ziekten vaak niet voor hun diagnostische tests worden vergoed;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>189.</NO.P>merkt op dat de Ombudsman in 2023 398 onderzoeken met betrekking tot de Commissie heeft ingesteld; merkt voorts op dat de Commissie in datzelfde jaar 187 afsluitingsbesluiten zonder opmerkingen en 17 besluiten inzake wanbeheer heeft ontvangen; stelt met bezorgdheid vast dat de Ombudsman veel klachten van burgers ontvangt over extreme vertragingen bij het verkrijgen van toegang tot gevraagde documenten van de Commissie, en spoort de Commissie aan om zich in te spannen om dergelijke verzoeken sneller te behandelen, het aantal besluiten inzake wanbeheer verder te verminderen en duidelijke regels vast te stellen voor de toegang tot alle soorten geschreven teksten – ongeacht of het om teksten op papier, e-mails, sms-berichten of andere vormen van communicatie gaat – die deel uitmaken van een administratieve procedure in verband met beleidsmaatregelen of besluiten van de Commissie; merkt op dat zeven van de negen onderzoeken met betrekking tot de Commissie die OLAF in 2023 heeft afgerond, met aanbevelingen zijn afgesloten; verzoekt de Commissie te zorgen voor transparantie en verantwoordingsplicht bij de follow-up van deze zaken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>190.</NO.P>uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat er beschuldigingen van corruptie in verband met de Commissie zijn geuit; betreurt tegelijkertijd dat er beschuldigingen zijn geuit over ambtenaren van de Commissie die geschenken zouden hebben aangenomen van een land waarmee de Unie over een overeenkomst onderhandelde; benadrukt dat een duidelijke en systematische aanpak vereist is om ervoor te zorgen dat alle OLAF-zaken die op relevante potentiële strafbare feiten betrekking hebben, onverwijld worden doorverwezen naar het EOM en de bevoegde nationale autoriteiten; verzoekt de Commissie de desbetreffende regels en procedures aan te scherpen om ervoor te zorgen dat alle zaken op een strikte, correcte en doeltreffende manier worden behandeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>191.</NO.P>stelt vast dat de afgelopen jaren slechts zeer weinig gevallen van psychologische en seksuele intimidatie als zodanig zijn erkend en vreest dat dit kan wijzen op institutionele blinde vlekken bij de Commissie, gezien het grote aantal werknemers bij de instelling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>192.</NO.P>spreekt zijn grote bezorgdheid uit over berichten over een lopend onderzoek naar de voormalige commissaris voor Justitie, die ervan wordt beschuldigd tijdens zijn ambtsperiode betrokken te zijn geweest bij het witwassen van geld van onbekende herkomst; verzoekt de Commissie volledig samen te werken met de Belgische autoriteiten en dringend te verduidelijken of deze activiteiten op enigerlei wijze verband hielden met zijn officiële taken binnen de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>193.</NO.P>verzoekt de Commissie personeel in vaste dienst te verkiezen boven het inschakelen van externe consultants en arbeidscontractanten, teneinde goede arbeidsomstandigheden te waarborgen en te voorkomen dat kennis en ervaring verloren gaan; wenst dat agentschappen met een groot aantal gedetacheerde nationale deskundigen in hun personeelsformatie flexibiliteit krijgen om posten van gedetacheerde nationale deskundigen om te zetten in posten voor tijdelijke functionarissen, met het oog op een beter behoud van deskundigheid en betere operationele functionaliteit en bedrijfscontinuïteit; dringt er verder op aan om de uitbesteding van taken aan consultancybureaus te vermijden wanneer knowhow intern beschikbaar is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>194.</NO.P>merkt op dat de Commissie de afgelopen jaren steeds vaker effectbeoordelingen aan externe bedrijven heeft uitbesteed, wat aanleiding geeft tot bezorgdheid over mogelijke belangenconflicten; verzoekt de Commissie de bepalingen ter voorkoming van mogelijke belangenconflicten aan te scherpen en beter advies te verstrekken aan personeel dat openbare aanbestedingsprocedures voor beleidsgerelateerde dienstencontracten afhandelt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>195.</NO.P>betreurt het dat personeelsleden van OLAF tijdens een onderzoeksmissie zouden zijn bespioneerd in opdracht van de Hongaarse regering; vraagt dat er spoedig sterke beschermingsmaatregelen worden genomen om personeelsleden van de instellingen van de Unie die in de lidstaten op dienstreis zijn, te beschermen en inbreuken te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>196.</NO.P>is verheugd dat Verordening (EU) 2023/2841<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU, Euratom) 2023/2841 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 tot vaststelling van maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de instellingen, organen en instanties van de Unie (OJ L, 2023/2841, 18.12.2023, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2841/oj</STRING>).</FIELD></FOOTNOTE> in werking is getreden; neemt kennis van de investeringen in cyberbeveiliging, waaronder 30 miljoen EUR voor het verbeteren van de digitale beveiliging bij de Commissie; verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om haar cyberbeveiligingscultuur verder te ontwikkelen en opleiding en bewustzijn binnen de instelling van de Unie te bevorderen; benadrukt het belang van verdere passende investeringen in cyberbeveiliging met het oog op het indicatieve streefdoel om op langere termijn ten minste 10 % van de totale uitgaven aan IT te besteden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>197.</NO.P>uit nogmaals zijn bezorgdheid over het feit dat de aanzienlijke risico’s voor de beveiliging en bescherming van het register en het werkingsmechanisme van het emissiehandelssysteem van de Unie tegen cyberaanvallen nog steeds niet adequaat zijn aangepakt; wijst erop dat deze kwestie sinds 2010 onder de aandacht is gebracht in de jaarlijkse activiteitenverslagen en dat in elk verslag punten van voorbehoud zijn gemaakt; merkt op dat dit punt van zorg opnieuw wordt benadrukt in het jaarlijkse activiteitenverslag van het directoraat-generaal Klimaat over 2023, waaruit eens te meer blijkt dat er nog steeds geen prioriteit wordt gegeven aan de beveiliging van het systeem;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Europese scholen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>198.</NO.P>merkt op dat de begroting van de Europese scholen voor 2023 in totaal 417,5 miljoen EUR bedroeg en voornamelijk werd gefinancierd door de Commissie, andere instellingen van de Unie, de lidstaten en bijdragen van de ouders; merkt verder op dat bijna 80 % van de begroting werd besteed aan personeelskosten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>199.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer kan concluderen dat er niets onder haar aandacht is gekomen op grond waarvan zij redenen heeft om aan te nemen dat de geconsolideerde rekeningen voor 2023 niet op alle materiële punten zijn opgesteld in overeenstemming met de internationale standaarden voor overheidsboekhouding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>200.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer enkele systematische of terugkerende tekortkomingen heeft vastgesteld bij betalingen en daarmee verband houdende procedures voor human resources (HR) en aanbestedingen, waaronder de ontoereikende verificatie van bewijsstukken met gevolgen voor de regelmatigheid van een aantal HR-procedures en betalingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>201.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie met name:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat de instellingen van de Unie een beroep kunnen doen op EPSO om selectieprocedures en andere personeelsgerelateerde procedures efficiënt te organiseren en af te ronden om de instellingen van de Unie te voorzien van een toereikend aantal hooggekwalificeerde en gemotiveerde kandidaten voor openstaande vacatures;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>alle mogelijkheden te onderzoeken om aanzienlijke geografische onevenwichtigheid en wanverhoudingen op het vlak van gender in verschillende personeelscategorieën recht te trekken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>verder werk te maken van maatregelen om ervoor te zorgen dat in Luxemburg gevestigde instellingen van de Unie hooggekwalificeerd personeel voor alle soorten functieprofielen kunnen blijven aantrekken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iv)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat de inrichting van gedeelde kantoren en andere belangrijke administratieve veranderingen plaatsvinden in nauwe samenwerking met het personeel;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>v)</SYMBOL>meer personeel beschikbaar te stellen voor de verwerking van verzoeken om terugbetaling door de ziektekostenverzekering, het personeel beter op te leiden en betere IT-software beschikbaar te stellen om de verzoeken sneller te verwerken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vi)</SYMBOL>als rolmodel te fungeren, met name wat betreft ziekten die niet in klassieke vakjes passen en zeldzame ziekten; haar technische kennis en behandeling van deze gevallen uit te breiden; de catalogus van voor terugbetaling in aanmerking komende tests uit te breiden met een bredere bandbreedte voor laboratoriumtests en andere diagnostische procedures en onderzoeken alsook behandelingen; dit onverwijld te doen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat er snel sterke beschermingsmechanismen worden ingesteld voor personeelsleden van de instellingen van de Unie die in lidstaten en derde landen op dienstreis zijn, zodat hun rechten worden gewaarborgd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>viii)</SYMBOL>de Europese scholen te ondersteunen bij de zo spoedig mogelijke uitvoering van de aanbevelingen van de Rekenkamer uit eerdere jaren en van de aanbeveling uit het verslag over het begrotingsjaar 2023, waarin de scholen wordt verzocht systematische controles uit te voeren van bewijsstukken in verband met de aan gedetacheerde personeelsleden betaalde vergoedingen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ix)</SYMBOL>een verslag op te stellen met een analyse van de redenen waarom het overgrote deel van de klachten over intimidatie (verzoeken om bijstand) bij de Commissie wordt afgewezen, de meeste zelfs zonder dat er een administratief onderzoek wordt ingesteld, en met aanbevelingen over hoe dit disfunctioneren van de formele procedure kan worden verholpen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>x)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat vanaf 2025 aan verzoeken om bijstand in gevallen van intimidatie follow-up wordt gegeven met een passend administratief onderzoek door het Bureau voor onderzoek en disciplinaire zaken (IDOC) of OLAF, om ervoor te zorgen dat daders ter verantwoording worden geroepen en in verhouding tot hun wangedrag worden gesanctioneerd;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">HOOFDSTUK II – Herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF)</STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Algemene opmerkingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>202.</NO.P>merkt op dat in 2023 in totaal 27 herstel- en veerkrachtplannen zijn herzien en dat deze herzieningen gevolgen hebben gehad voor het tempo van de uitvoering van de bestaande plannen, aangezien er sprake was van vertragingen; merkt tegelijkertijd op dat de politieke prioriteiten in de lidstaten kunnen veranderen; merkt op dat stijgende energieprijzen, een hoge inflatie, verstoringen van de toeleveringsketen als gevolg van de niet-uitgelokte aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne en in een aantal gevallen natuurrampen hebben bijgedragen tot de herziening van de herstel- en veerkrachtplannen; onderstreept dat de vertragingen als gevolg van de herzieningen van de herstel- en veerkrachtplannen bovenop de reeds bestaande vertragingen kwamen, zoals blijkt uit de aanzienlijke verschillen tussen het geplande tijdschema van betalingsverzoeken en het moment waarop de lidstaten deze verzoeken daadwerkelijk aan de Commissie toestuurden; blijft bezorgd over het risico dat de uitvoering achterblijft en dat de in de herstel- en veerkrachtplannen overeengekomen mijlpalen en streefdoelen niet worden bereikt; benadrukt dat betere monitoringmechanismen nodig zijn om ervoor te zorgen dat vertragingen geen onevenredige gevolgen hebben voor belangrijke projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>203.</NO.P>merkt op dat er een duidelijk thematisch verband moet zijn tussen hervormingen en investeringen en dat er in bepaalde gevallen veel tijd kan verstrijken tussen de opstelling van de nationale herstelplannen en de verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen; betreurt dat de opzet van de RRF onvoldoende flexibiliteit biedt om snel op opkomende crises te kunnen reageren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>204.</NO.P>vestigt met grote bezorgdheid de aandacht op de verklaring van de president van de Rekenkamer waarin hij stelt dat ongeveer de helft van de RRF-uitbetalingen niet ten goede is gekomen aan de reële economie en zich afvraagt of de andere helft mogelijk is gebruikt om terugkerende begrotingsuitgaven te vervangen of om de lidstaten te laten profiteren van de verhoogde rentetarieven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>205.</NO.P>herinnert eraan dat de RRF een tijdelijk herstelinstrument is dat resultaatgericht is, d.w.z. dat de betalingen zijn gekoppeld aan de bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen in verband met hervormingen en investeringen die in de nationale herstel- en veerkrachtplannen zijn opgenomen; benadrukt dat de doeltreffendheid van de RRF niet alleen moet worden beoordeeld qua uitbetaling, maar ook wat betreft het vermogen ervan om de gevolgen van de pandemie op lange termijn op tastbare wijze te verzachten; herinnert eraan dat de RRF-verordening geen definitie bevat van wat de “bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen” betekent; herinnert eraan dat elk nationaal plan alle of een substantieel deel van de in het Europees Semester vastgestelde uitdagingen op doeltreffende wijze moet aanpakken, met name de door de Raad vastgestelde landspecifieke aanbevelingen; neemt er nota van dat het percentage landspecifieke aanbevelingen waarmee vooruitgang is geboekt, dankzij de RRF tussen 2021 en 2023 met 17 % is gestegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>206.</NO.P>merkt op dat de Commissie in 2023 in totaal 75 miljard EUR heeft uitbetaald en aanvullende voorfinanciering ten belope van 7,1 miljard EUR heeft uitbetaald, waardoor de totale uitbetalingen eind 2023 op 220,8 miljard EUR uitkwamen, met de volgende verdeling: 141,6 miljard EUR aan subsidies (40 % van de totale 357 miljard EUR voor subsidies in het kader van de RRF) en 79,2 miljard EUR aan leningen (27 % van de totale 291 miljard EUR voor leningen in het kader van de RRF); pleit voor gedetailleerde rapportageverplichtingen over de wijze waarop de lidstaten de middelen toewijzen, zodat wordt voorkomen dat die terugkerende begrotingsuitgaven vervangen en ervoor wordt gezorgd dat de middelen bij de beoogde begunstigden terechtkomen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Opmerkingen van de Rekenkamer</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>207.</NO.P>neemt er nota van dat de Rekenkamer een oordeel met beperking heeft uitgebracht betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven in het kader van de RRF in 2023; vindt het zorgwekkend dat de Rekenkamer heeft geconcludeerd dat op 7 van de 23 betalingen in 2023 kwantitatieve bevindingen van toepassing waren en dat er bij 6 van deze betalingen sprake was van materiële fouten; neemt er nota van dat de Rekenkamer in haar oordeel, op die kwesties na, de aanvaarde RRF-uitgaven in de rekeningen voor het jaar 2023 op alle materiële punten heeft aangemerkt als wettig en regelmatig; merkt op dat de aard van het uitgavenmodel van de RRF berust op de beoordelingen van de mijlpalen en streefdoelen die door de Commissie moeten worden uitgevoerd; merkt op dat de Rekenkamer in 2023 452 mijlpalen en streefdoelen in 23 subsidiebetalingen heeft gecontroleerd en dat zij vanwege de aard van het uitgavenmodel van de RRF geen foutenpercentage geeft, maar raamt dat het minimale financiële effect van haar bevindingen boven de materialiteitsdrempel ligt; is ervan overtuigd dat de lidstaten ook verantwoordelijkheid moeten dragen voor fouten die na de uitbetaling worden ontdekt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>208.</NO.P>uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat de Rekenkamer de werkelijke financiële gevolgen van onjuiste of niet-subsidiabele RRF-betalingen niet heeft kunnen verifiëren vanwege de inherente beperkingen van het op mijlpalen en streefdoelen gebaseerde beoordelingsmodel; verzoekt de Commissie een transparantere methode voor het opsporen van fouten te ontwikkelen om verkeerde toewijzing en inefficiëntie te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>209.</NO.P>neemt er nota van dat de Rekenkamer 325 van de 542 mijlpalen en 127 van de 135 streefdoelen in betalingsverzoeken voor subsidies voor 2023 heeft gecontroleerd; betreurt het dat de Rekenkamer van oordeel is dat er bij 16 daarvan sprake was van problemen met de regelmatigheid (2,4 % van het totaal); vindt het verontrustend dat de Rekenkamer van oordeel is dat voor zeven mijlpalen en streefdoelen in zes betalingen niet op bevredigende wijze aan de vereisten is voldaan en dat de Commissie de desbetreffende betalingen desondanks heeft verricht; merkt op dat de conclusies van de Rekenkamer gebaseerd zijn op uitgebreide controlewerkzaamheden en betreurt het dat de Commissie een aantal conclusies van de Rekenkamer betwist; merkt op dat alle RRF-betalingen moeten worden getoetst aan het door de Commissie meegedeelde en toegepaste kader, waarbij voor elke betaling rekening moet worden gehouden met het advies van het Economisch en Financieel Comité en de controle door deskundigen van de lidstaten in het kader van de comitéprocedure; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle betwiste betalingen in verband met op onbevredigende wijze verwezenlijkte mijlpalen en streefdoelen aan een onafhankelijke externe evaluatie worden onderworpen om het vertrouwen van het publiek in het proces te versterken; beveelt aan om systemen in te voeren waarmee de uitbetalingen en uitgaven in realtime worden gevolgd om verkeerde toewijzingen in het kader van de RRF en het MFK te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>210.</NO.P>vindt het bijzonder zorgwekkend dat de Rekenkamer negen potentiële gevallen heeft vastgesteld van niet-subsidiabele mijlpalen en streefdoelen die verband hielden met de voortzetting van een reeds bestaand project dat vóór de subsidiabiliteitsperiode van start was gegaan of ter vervanging van terugkerende nationale begrotingsuitgaven dienden; betreurt dat het in de RRF-verordening aan duidelijkheid ontbreekt en is het niet eens met de interpretatie van de Commissie dat de subsidiabiliteitsperiode alleen betrekking heeft op de startdatum van de werkzaamheden aan een specifiek project en niet op het begin van de voorbereidings- of planningsfase; betreurt dat die zienswijze ertoe heeft geleid dat maatregelen die vóór de RRF-subsidiabiliteitsperiode waren gepland, in de herstel- en veerkrachtplannen zijn opgenomen, en erkent dat elke maatregel moet voldoen aan het toepassingsgebied, de doelstellingen en de subsidiabiliteitsvoorwaarden van de RRF-verordening; verzoekt de Commissie strengere verificatiemechanismen in te voeren om te voorkomen dat reeds bestaande projecten die geen toegevoegde waarde bieden, in het kader van de RRF worden opgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>211.</NO.P>herinnert eraan dat RRF-middelen niet mogen worden gebruikt ter vervanging van terugkerende begrotingsuitgaven, tenzij in naar behoren gemotiveerde gevallen; is verontrust over de bevinding van de Rekenkamer dat bepaalde mijlpalen en streefdoelen die in de plaats kwamen van terugkerende nationale begrotingsuitgaven, niet voldoende werden toegelicht in de herstel- en veerkrachtplannen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>212.</NO.P>neemt met bezorgdheid kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat de NGEU-leningen tegen 2026 mogelijk ruim zullen verdubbelen, terwijl het grootste deel van de terugbetalingen wordt uitgesteld tot toekomstige MFK’s; herinnert eraan dat als er in het begrotingsonderdeel nog ongebruikte kredieten beschikbaar zijn om de financieringskosten van NGEU te dekken, de aflossing van NGEU-leningen vóór eind 2027 moet beginnen en uiterlijk in 2058 moet zijn afgerond; constateert dat de blootstelling van de begroting van de Unie aan het einde van 2023 naar verwachting zal toenemen in 2024 en 2025, voornamelijk door RRF-leningen; vreest dat mogelijke veranderingen in de marktomstandigheden zouden kunnen leiden tot hogere financieringskosten die, wat de NGEU-schuld in verband met subsidies betreft, ten laste zullen komen van de begroting van de Unie; is bezorgd over het feit dat er tot op heden nog steeds geen aflossingsplan is voor de gemeenschappelijke schuld van NGEU en dat de schuld van de Unie blijft stijgen, waarbij een groot deel van deze stijging wordt toegeschreven aan het tijdelijke herstelinstrument NGEU; vreest dat de toegenomen schuld en de daarmee gepaard gaande hogere rentekosten op lange termijn gevolgen zullen hebben voor de begrotingsstabiliteit van de Unie, wat mogelijk zal leiden tot grotere financiële druk en een verminderde capaciteit om toekomstige uitdagingen aan te gaan of in belangrijke strategische gebieden te investeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>213.</NO.P>neemt nota van de bevinding van de Rekenkamer dat de betalingen uit de RRF in 2023 lager waren dan verwacht; wijst erop dat de Rekenkamer kritiek heeft geuit op de trage uitbetaling en absorptie van RRF-middelen; is bezorgd over de bevindingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag 13/2024 dat de absorptie van RRF-middelen enige vertraging heeft opgelopen, dat de lidstaten mogelijk niet alle maatregelen kunnen voltooien aan het einde van de uitvoeringsperiode van de RRF waarvoor een aanzienlijk deel van de middelen reeds is uitbetaald, en dat de tweede helft van de uitvoeringsperiode van de RRF een grotere uitdaging vormt door de toename van het aantal mijlpalen en streefdoelen, meer nadruk op hervormingen in plaats van op investeringen, het verder gevorderde stadium waarin de uitvoering zich bevindt en het hoge percentage maatregelen dat in het laatste jaar moet worden voltooid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>214.</NO.P>merkt daarentegen op dat de verwezenlijking van de mijlpalen en streefdoelen volgens de Commissie grotendeels op schema ligt, aangezien op 31 augustus 2024 meer dan 40 % van de beschikbare RRF-middelen aan de lidstaten was uitbetaald, waarbij de uitbetaling van subsidies 48 % bedroeg en die van leningen ruim 30 %; merkt op dat het tempo van de betalingsverzoeken sinds de tweede helft van 2023 ook is versneld doordat de herziening van de herstel- en veerkrachtplannen in verband met de invoering van de REPowerEU-hoofdstukken in 2023 is afgerond;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>215.</NO.P>neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer in Speciaal verslag 13/2024 dat er bijkomende redenen voor de trage absorptie waren, namelijk de onverenigbaarheid van bepaalde maatregelen met het tijdschema van de RRF en een onderschatting van de tijd die nodig is om deze uit te voeren (vanwege aanbestedings- en staatssteunregels), alsook onzekerheden over de uitvoeringsbepalingen en de wijze waarop deze moeten worden toegepast, zoals het ontbreken van richtsnoeren over het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” en de wijze waarop dit beginsel moet worden toegepast;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>216.</NO.P>uit zijn grote bezorgdheid over de opmerking van de Rekenkamer dat er sprake is van aanhoudende tekortkomingen in de uitvoering van de controlesystemen van de lidstaten, aangezien dit een risico inhoudt voor de beschikbaarheid van volledige en nauwkeurige gegevens die ten grondslag liggen aan betalingsverzoeken, voor de toegang tot die verzoeken voor controledoeleinden en voor de doeltreffende werking van de controlesystemen van de lidstaten ter bescherming van de financiële belangen van de Unie; herinnert eraan dat de controlesystemen van de lidstaten volgens de RRF-verordening een sleutelrol spelen bij de doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie; dringt er bij de Commissie op aan om waar nodig doortastende en snelle maatregelen te nemen, waaronder het opleggen van financiële correcties, en ten volle gebruik te maken van de bepalingen van de RRF-verordening als er tekortkomingen blijven bestaan in de controlesystemen van de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>217.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over de bevindingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag 22/2024, getiteld “Dubbele financiering uit de EU-begroting: controlesystemen missen essentiële elementen om het verhoogde risico door het niet-kostengerelateerde RRF-financieringsmodel te beperken”; benadrukt dat de lidstaten zogenaamde “nulkostenmaatregelen” kunnen voorstellen, d.w.z. maatregelen waarvoor naar schatting geen kosten door de RRF hoeven te worden gefinancierd, en waarbij er helemaal geen controle is op dubbele financiering, aangezien de Commissie van mening is dat maatregelen waarvoor geen RRF-middelen worden verstrekt, vanuit dat oogpunt geen risico inhouden; neemt tevens met bezorgdheid kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat de vele betrokken bestuursniveaus, waaronder het nationale, regionale en gemeentelijke niveau, coördinatie en toezicht vanuit het oogpunt van de lidstaten zeer moeilijk maken; vindt het zorgwekkend dat wanneer er controles worden uitgevoerd, i) deze gebukt gaan onder een zeer complexe omgeving met verschillende IT-instrumenten die vaak niet interoperabel zijn en gegevens die vaak op niet-gestandaardiseerde wijze worden ingevoerd, waardoor handmatige kruiscontroles tussen databanken de enige mogelijke manier zijn om dubbele financiering te controleren, en ii) de controlesystemen van de lidstaten grotendeels berusten op eigen verklaringen van ontvangers van middelen van de Unie; merkt echter op dat de Rekenkamer geen gevallen van dubbele financiering heeft vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>218.</NO.P>neemt nota van de opmerking van de Commissie dat dubbele financiering volgens de RRF-verordening expliciet gekoppeld is aan begrotingskosten en dat er dus geen sprake kan zijn van dubbele financiering als de lidstaat geen kostenraming in verband met een specifieke maatregel heeft ingediend als onderdeel van zijn nationale plan; merkt op dat de Commissie benadrukt dat hervormingen zonder kosten de financiële toewijzing niet verhogen, maar niettemin essentiële criteria zijn voor een positieve beoordeling van de herstel- en veerkrachtplannen door de Commissie, alsook van de volledige uitvoering ervan met betrekking tot de relevante betalingen; wijst erop dat de Commissie kort na de controlewerkzaamheden die de Rekenkamer ter plaatse uitvoerde, vernam dat daarbij de eerste twee potentiële gevallen van dubbele financiering waren vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>219.</NO.P>herinnert eraan dat in artikel 9 van de RRF-verordening additionaliteit en complementariteit tussen programma’s en financieringsinstrumenten van de Unie als kernbeginselen zijn vastgesteld; is van mening dat om deze beginselen te eerbiedigen maar het risico van dubbele financiering te voorkomen, dezelfde maatregelen die al zijn opgenomen in andere nationale plannen die financiering van de Unie ontvangen (bv. cohesie, landbouw enz.) hetzij niet in de herstel- en veerkrachtplannen mogen worden opgenomen, hetzij grondiger moeten worden beschreven, zelfs als er geen kosten aan verbonden zijn, teneinde dubbele financiering te voorkomen; onderstreept dat dubbele financiering door de RRF en andere financieringsinstrumenten van de Unie als gevolg van het uiteenlopende uitvoeringsmodel moeilijker kan worden vastgesteld, en dringt er bij de Commissie op aan om waakzaam en proactief te blijven bij het identificeren van mogelijke situaties van dubbele financiering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>220.</NO.P>betreurt het ontbreken van adequate waarborgen om dubbele financiering van projecten door zowel de RRF als andere financieringsinstrumenten van de Unie te voorkomen; pleit voor een geautomatiseerd systeem van kruiscontroles tussen de RRF en de cohesiefondsen, het gemeenschappelijk landbouwbeleid en andere financieringsprogramma’s van de Unie om dubbele aanvragen op te sporen en te elimineren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>221.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over de bevinding van de Rekenkamer in haar Analyse 01/2023, getiteld “EU-financiering via cohesiebeleid en de herstel- en veerkrachtfaciliteit: Een vergelijkende analyse”, dat het bij het melden van fraude met RRF-uitgaven nog steeds ontbreekt aan een gestandaardiseerde aanpak met sterke coördinatie en samenwerking tussen de lidstaten, die verplicht zijn om gevallen van vermoedelijke fraude niet in een geïntegreerd IT-systeem, maar in de beheersverklaring bij elk betalingsverzoek te melden, hoewel lidstaten gevallen ook buiten de beheersverklaringen hebben gemeld; betreurt dat er geen duidelijke richtsnoeren zijn als het erom gaat wanneer een geval van vermoedelijke fraude precies moet worden gemeld, of er een meldingsdrempel is en welke standaardinformatie over elk geval en over de genomen corrigerende maatregelen moet worden gemeld; onderschrijft voorts het verzoek van de Rekenkamer aan de Commissie in dezelfde Analyse 01/2023 om van de lidstaten voldoende zekerheid te verkrijgen over de doeltreffendheid van de nationale systemen om fraude, corruptie en belangenconflicten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>222.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Commissie in 2023 voor zeven lidstaten tien extra controlemijlpalen heeft moeten invoeren om de vastgestelde tekortkomingen in hun controlesystemen te verhelpen; herinnert aan en onderschrijft de constatering van de Rekenkamer dat het feit dat er controlemijlpalen zijn ingevoerd, betekent dat de systemen van de lidstaten niet volledig operationeel waren toen met de uitvoering van de plannen werd begonnen, wat een ernstig risico vormt voor de regelmatigheid van de uitgaven in het kader van de RRF en de bescherming van financiële belangen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>223.</NO.P>betreurt de bevinding in Speciaal verslag 26/2023 van de Rekenkamer dat verschillende beleidsterreinen in de pijler van de RRF die gezondheidsbeleid omvat, geen overeenkomstige gemeenschappelijke indicator hebben om de vooruitgang te meten; vreest dat dit een goede monitoring van en inzicht in de vooruitgang bij de verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen in verband met gezondheidsbeleid in de weg staat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>224.</NO.P>vindt het verheugend dat de Commissie in 2023 vooruitgang heeft geboekt bij het vermijden van mogelijke misinterpretatie van de cijfers van het scorebord voor herstel en veerkracht en dat met het scorebord verder gevolg is gegeven aan de desbetreffende aanbeveling van de Rekenkamer om de presentatie van de gegevens op het scorebord te verbeteren en de uitleg over de beperkingen ervan te verbeteren, met name door de onderliggende methoden beter toe te lichten en, in voorkomend geval, expliciet te vermelden dat het gaat om geraamde gegevens;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Audit en controle</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>225.</NO.P>vindt het verheugend dat de Commissie op basis van de aanbevelingen van de Rekenkamer en de opgedane ervaring in 2023 drie methodologische nota’s heeft gepubliceerd om de toepassing van de RRF-verordening te verduidelijken, met inbegrip van het kader voor i) de beoordeling van de bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen, na het uitvoeren van een beoordeling, en ii) de toepassing van de bepalingen betreffende het terugdraaien van mijlpalen en streefdoelen, alsook een methode om te bepalen welk bedrag moet worden opgeschort indien een mijlpaal of streefdoel niet op bevredigende wijze is verwezenlijkt; neemt kennis van de geactualiseerde richtsnoeren voor herstel- en veerkrachtplannen die op 19 juli 2024 zijn goedgekeurd, waarin aanvullende richtsnoeren zijn opgenomen opdat de controles toereikend blijven om elk risico op dubbele financiering vast te stellen en te vermijden, alsook de methode voor verlagingen en terugvorderingen in het kader van de RRF overeenkomstig artikel 24, lid 8, van de RRF-verordening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>226.</NO.P>verzoekt de Commissie het aantal audits achteraf en inspecties ter plaatse bij door de RRF gefinancierde projecten te verhogen, met name in sectoren met een hoog risico zoals digitale infrastructuur en energie, waar bij eerdere financieringsprogramma’s van de Unie aanzienlijke onregelmatigheden zijn vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>227.</NO.P>waarschuwt dat de opneming van reeds bestaande projecten en de vervanging van terugkerende begrotingsuitgaven in het kader van de RRF het additionaliteitsbeginsel ondermijnt, waardoor het instrument in feite wordt omgevormd tot een “achterdeurtje” om de reguliere begrotingen van de lidstaten te financieren in plaats van echt herstel en veerkracht na de crisis te bevorderen; dringt aan op een dringende herziening om verdere verwatering van het doel van de RRF te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>228.</NO.P>pleit voor meer daadkracht van zowel Commissie als de lidstaten om onregelmatigheden bij de besteding van RRF-middelen op te sporen en onrechtmatige betalingen terug te vorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>229.</NO.P>is bezorgd over de reactie van de Rekenkamer op de antwoorden van de Commissie over het gebrek aan zekerheid op het niveau van de Unie over de naleving van de Unie- en nationale regels inzake overheidsopdrachten en staatssteun; neemt er nota van dat de Commissie stelt dat de door DG ECFIN verschafte zekerheid betrekking heeft op de doeltreffendheid van de controles van de lidstaten op de naleving van de regels inzake overheidsopdrachten en staatssteun, maar benadrukt dat er, hoewel in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG ECFIN wordt verwezen naar de beoordelingen van de Commissie over het bestaan en de doeltreffendheid van de controles in de lidstaten, geen conclusie wordt getrokken over de doeltreffendheid ervan; vindt het zorgwekkend dat dit volgens de Rekenkamer een belangrijke beperking vormt van de reikwijdte van de betrouwbaarheidsverklaring van de Commissie, wat betekent dat de Commissie nog steeds geen volledige zekerheid biedt over de vraag of de RRF-uitgaven – die de Commissie rechtstreeks beheert – in overeenstemming zijn met de regels;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>230.</NO.P>benadrukt dat vertragingen bij de uitbetaling en absorptie van middelen uit de RRF niet alleen het economisch herstel vertragen, maar ook een aanzienlijke risico met zich meebrengen dat tegen het einde van de RRF-periode op het laatste ogenblik nog uitgaven van lage kwaliteit zullen worden gedaan; verzoekt de Commissie strengere tussentijdse evaluaties in te voeren om een halsoverkopmentaliteit van “use-it-or-lose-it” te voorkomen die tot verspilling en verkeerde besteding zou kunnen leiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>231.</NO.P>stelt met ernstige bezorgdheid vast dat de lidstaten strategisch kunnen afzien van hun uiteindelijke verzoeken om betaling om te voorkomen dat politiek gevoelige mijlpalen en streefdoelen worden bereikt, zodat ze noodzakelijke maar impopulaire hervormingen niet hoeven door te voeren; verzoekt de Commissie financiële sancties in te voeren voor onvolledige uitvoering van de RRF om manipulatie van de betalingsstructuur te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>232.</NO.P>neemt er nota van dat de Commissie heeft geantwoord dat zij de reikwijdte van haar controlewerkzaamheden tot buiten het toepassingsgebied van de RRF-verordening heeft uitgebreid om na te gaan of de in de lidstaten ingevoerde controleprocedures de nodige zekerheid bieden dat de lidstaten de naleving van de regels inzake overheidsopdrachten en staatssteun en de subsidiabiliteit voor RRF-maatregelen regelmatig en doeltreffend verifiëren, maar is het niet eens met het standpunt van de Commissie dat de conclusies van het jaarlijkse activiteitenverslag van DG ECFIN dit aspect omvatten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>233.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat, zoals de Commissie in haar tussentijdse evaluatie van de RRF van 21 februari 2024 heeft verklaard, een meerderheid van de lidstaten van mening is dat de methode voor de opschorting van betalingen onduidelijk blijft als het om hervormingen gaat, vanwege de discretionaire bevoegdheid die de Commissie heeft bij de toepassing van de methode; dringt er bij de Commissie op aan deze methode te herzien om te voorkomen dat bij de toepassing ervan met twee maten wordt gemeten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>234.</NO.P>merkt op dat de IAS van de Commissie in zijn audit van de ex-antecontroles van de betalingsverzoeken in het kader van de RRF in 2023 een zeer belangrijk probleem heeft vastgesteld dat inhoudt dat DG ECFIN, in samenwerking met de taskforce Herstel en veerkracht, de bestaande richtsnoeren nader moet uitwerken en formaliseren voor de gevallen waarin DG ECFIN de lidstaten verzoekt aanvullende toezeggingen te doen met betrekking tot maatregelen die voortvloeien uit audit- en controlemijlpalen, en met name dat in de richtsnoeren moet worden bepaald i) hoe DG ECFIN de nakoming van de formele bevestiging van de toezegging van de lidstaat moet opvolgen, ii) wat de criteria zijn voor het bepalen van de termijnen waarbinnen de lidstaten hun toezeggingen moeten nakomen, en iii) wat het verband is tussen het “vastleggingskader”, het “kader voor de beoordeling van mijlpalen en streefdoelen op grond van de RRF-verordening” en het “terugdraaien van mijlpalen en streefdoelen in het kader van de faciliteit”;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>235.</NO.P>merkt op dat de Commissie tijdens haar audits inzake de bescherming van de financiële belangen van de Unie controleert of de lidstaten beschikken over een duidelijke en gecodificeerde procedure om gevallen van fraude, corruptie, belangenconflicten en dubbele financiering door te sturen naar alle bevoegde autoriteiten en in voorkomend geval ook naar het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>236.</NO.P>vindt het zorgwekkend dat de Rekenkamer in haar jaarverslagen meldt dat er eind 2023 bij het EOM 206 actieve onderzoeken liepen met betrekking tot middelen die werden gebruikt om RRF-maatregelen uit te voeren en dat de potentiële schade werd geraamd op meer dan 1,8 miljard EUR (met betrekking tot zowel nationale als EU-financiering); stelt vast dat de 206 lopende onderzoeken betrekking hebben op tien lidstaten en dat ongeveer 75 % van deze gevallen afkomstig is uit één land; is bezorgd over het feit dat in de beheersverklaringen van de lidstaten eind 2023 geen enkel geval van geconstateerde vermoedelijke fraude is gemeld, wat betekent dat geen van de bij het EOM openstaande zaken door de lidstaten zelf was gemeld, waardoor twijfels ontstaan over het vermogen van de lidstaten om fraude op te sporen en te bestrijden; benadrukt dat er weliswaar nog geen onderzoek is afgerond, maar dat de door het EOM gepresenteerde cijfers bevestigen dat er in de RRF een reëel risico op fraude bestaat en dat deze cijfers vragen doen rijzen over de betrouwbaarheid van de beheersverklaringen van de lidstaten wat betreft de melding van opgespoorde fraude en de genomen maatregelen om die aan te pakken; vraagt om een dringende versterking van de fraudedetectiemechanismen, met inbegrip van een verplichte frauderisicobeoordeling van alle grootschalige RRF-projecten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het EOM over voldoende middelen beschikt om gevallen van fraude in verband met RRF-uitgaven te onderzoeken, gezien het toenemende aantal onderzoeken en de hoge geraamde schade;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>237.</NO.P>waarschuwt dat de lidstaten nog steeds veel te weinig fraudegevallen in het kader van de RRF zelf melden, waardoor een misleidend beeld van de financiële integriteit ontstaat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>238.</NO.P>betreurt ten zeerste het gebrek aan transparantie bij het melden van fraude met RRF-middelen en benadrukt dat alle lidstaten aan gestandaardiseerde rapportageverplichtingen moeten voldoen en het beheersysteem voor onregelmatigheden (IMS) moeten gebruiken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>239.</NO.P>herinnert eraan dat de herschikking van het Financieel Reglement die sinds 30 september 2024 van kracht is, voorziet in de uitbreiding van het toepassingsgebied van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES) tot gedeeld beheer en direct beheer in gevallen waarin de begroting met de lidstaten wordt uitgevoerd, voor programma’s die vanaf 1 januari 2028 worden goedgekeurd of gefinancierd; verzoekt de Commissie in het geval van de ernstigste uitsluitingsgronden op te treden om de financiële belangen van de Unie beter te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>240.</NO.P>merkt op dat de Commissie, om de kloof tussen de Commissie en de Rekenkamer wat betreft verschillende interpretaties van mijlpalen en streefdoelen te verkleinen, haar benadering van de concepten “begindatum van een maatregel” en “vervanging van terugkerende nationale begrotingsuitgaven” heeft gepubliceerd als bijlagen II en III bij haar jaarverslag 2024 over de uitvoering van de RRF; herhaalt zijn verzoeken aan de Commissie om met de Rekenkamer te blijven samenwerken om de interpretatie van mijlpalen en streefdoelen zo goed mogelijk onderling af te stemmen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Uitvoering en impact</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>241.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan om het risico dat lidstaten er mogelijk voor kiezen om de bedragen van het laatste betalingsverzoek niet of slechts gedeeltelijk te ontvangen, tot een minimum te beperken, aangezien daardoor de verwezenlijking van de meest recente mijlpalen en streefdoelen kan worden omzeild en de algemene uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen in gevaar wordt gebracht; is zeer verontrust over het extra risico dat maatregelen na afloop van de RRF worden teruggedraaid en dringt er bij de Commissie op aan om er bij het verrichten van de saldobetalingen op toe te zien dat dit niet gebeurt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>242.</NO.P>benadrukt dat de lidstaten volgens de tussentijdse evaluatie van de RRF door de Commissie van 21 februari 2024 hebben benadrukt dat voor de herziening van de herstel- en veerkrachtplannen meer middelen moeten worden vrijgemaakt dan oorspronkelijk gepland en dat de efficiëntie van de op prestaties gebaseerde aanpak wordt verminderd door de “buitensporig ingewikkelde procedures” voor wijzigingen van de plannen, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen grote en kleine wijzigingen en waardoor elke wijziging door de Raad moet worden goedgekeurd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>243.</NO.P>benadrukt dat de lidstaten voor controles en audits in het kader van de RRF regelingen moeten treffen om corruptie, fraude en belangenconflicten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren, en dat de Commissie ex-postcontroles en systeemaudits van de mijlpalen en streefdoelen uitvoert; benadrukt dat er nog steeds enige verwarring bestaat over de rol van de Rekenkamer, die een strategie (2021-2025) heeft ontwikkeld voor de uitvoering van haar verantwoordelijkheden voor het NGEU-programma en de RRF, die sommige lidstaten beschouwen als onnodige overlapping en administratieve rompslomp; vindt het zorgwekkend dat de Commissie, zowel in haar tussentijdse evaluatie van de RRF van 21 februari 2024 als in haar jaarverslag over de RRF van 10 oktober 2024, heeft erkend dat de autoriteiten van de lidstaten op alle niveaus de audit- en controleprocedures te complex vonden en dat de lidstaten klaagden over overlappende controles door de nationale autoriteiten, de Commissie en de Rekenkamer; staat volledig achter de werkzaamheden van de Rekenkamer met betrekking tot de RRF; is ingenomen met het feit dat de Commissie heeft toegegeven en aanvaard dat de Rekenkamer een volledig controlemandaat voor de RRF heeft, dat een van de grondslagen is voor de kwijting van het Parlement inzake de RRF-fondsen; beveelt de lidstaten aan om met de Europese Rekenkamer samen te werken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>244.</NO.P>vindt het verontrustend dat in het jaarverslag van de Commissie van 10 oktober 2024 over de uitvoering van de RRF wordt gewezen op de instapkosten voor de overheidsdiensten van de lidstaten, waarbij ruimte is voor verdere vereenvoudiging; merkt op dat de lidstaten volgens dit jaarverslag van de Commissie in hun tussentijdse evaluatie wat betreft de opzet van het instrument verwezen naar de gecombineerde verplichtingen in verband met i) het bewijs dat nodig is om aan te tonen dat de mijlpalen en streefdoelen zijn verwezenlijkt, ii) lastige rapportagevereisten, bijvoorbeeld de gemeenschappelijke indicatoren en de halfjaarlijkse gegevens, en iii) het audit- en controlekader; herinnert eraan dat de lidstaten ruimte zien om de controle- en auditprocedures te vereenvoudigen, voor betere coördinatie tussen de betrokken actoren te zorgen en dubbele controles te voorkomen; merkt voorts op dat sommige nationale autoriteiten volgens het jaarverslag 2024 van de Commissie over de RRF ook hebben gewezen op een gebrek aan flexibiliteit bij de beoordeling van de mijlpalen en streefdoelen door de Commissie en op de starre en procedures voor de herziening van herstel- en veerkrachtplannen, waarvoor bovendien veel middelen nodig zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>245.</NO.P>merkt op dat een van de doelstellingen van de RRF erin bestaat de lidstaten te helpen om ambitieuze hervormingen en investeringen door te voeren die hun economieën en samenlevingen duurzamer en veerkrachtiger maken en beter voorbereiden op de groene en de digitale transitie; wijst met bezorgdheid op de bevinding van de Rekenkamer in haar Speciaal verslag 15/2024 waarin wordt gewezen op het gebrek aan relevantie, kwaliteit en vergelijkbaarheid van de door de lidstaten ingediende gegevens, waardoor de gegevens ontoereikend zijn om de vooruitgang op het gebied van klimaatadaptatie in de lidstaten te evalueren en de deur wordt opengezet naar mogelijke greenwashing; vreest dat de RRF een financieel instrument zou kunnen worden om gewone uitgaven als “groen” te bestempelen; moedigt de Commissie aan om binnen het kader van de RRF een mechanisme in te voeren om het milieueffect van investeringen te volgen en ervoor te zorgen dat die in overeenstemming zijn met de klimaatdoelstellingen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>246.</NO.P>wijst op de impact van de RRF op het bedrijfsleven en kmo’s in de EU; merkt op dat de RRF 78 miljard EUR aan rechtstreekse steun aan kmo’s heeft verstrekt, wat neerkomt op 12 % van de totale RRF-uitgaven, en dat bredere maatregelen ten gunste van bedrijven 152 miljard EUR bedragen (23 % van de totale RRF-uitgaven); merkt op dat 2,75 miljoen kmo’s, ongeveer 11 % van alle actieve kmo’s in de Unie, steun hebben ontvangen via de RRF; onderstreept dat bijna 600 000 bedrijven hebben geprofiteerd van digitaliseringsinitiatieven en dat 5,2 miljard EUR is toegewezen aan projecten voor de groene transitie, waaronder hernieuwbare energie en waterstof;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>247.</NO.P>betreurt ten zeerste dat het niet is gelukt om grensoverschrijdende projecten van de grond te helpen krijgen; betreurt dat, hoewel in de herstel- en veerkrachtplannen verscheidene maatregelen in verband met belangrijke projecten van gemeenschappelijk belang (IPCEI’s) en grensoverschrijdende maatregelen in de REPowerEU-hoofdstukken zijn opgenomen, de nationale governance van de faciliteit grensoverschrijdende samenwerking onvoldoende heeft bevorderd; benadrukt met klem dat de financiering van de Unie beter moet worden gekoppeld aan de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen van de Unie en EU-meerwaarde moet genereren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>248.</NO.P>benadrukt dat in het jaarverslag van de Commissie van 10 oktober 2024 over de uitvoering van de RRF wordt erkend dat regionale en lokale autoriteiten, maatschappelijke organisaties, sociale partners en andere belanghebbenden onvoldoende betrokken zijn bij de voorbereiding en uitvoering van de nationale herstel- en veerkrachtplannen; dringt erop dat deze partijen nauw worden betrokken bij de uitvoering van de nationale herstel- en veerkrachtplannen ter plaatse;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>249.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan om geen herziening van herstel- en veerkrachtplannen goed te keuren, aangezien dat kan leiden tot een hergroepering van bestaande of geplande hervormingen of investeringen binnen de herstel- en veerkrachtplannen als die niet voldoen aan de voorwaarden van de RRF-verordening; merkt op dat een herziening altijd tot doel moet hebben toegevoegde waarde en meer synergie te creëren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Transparantie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>250.</NO.P>herinnert eraan dat de lidstaten weliswaar niet verplicht zijn om alle gegevens over de eindontvangers te publiceren, maar dat Verordening (EU) 2023/435 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2023/435 van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2021/241 wat betreft REPowerEU-hoofdstukken in herstel- en veerkrachtplannen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013, (EU) 2021/1060 en (EU) 2021/1755 en Richtlijn 2003/87/EG (PB L 63 van 28.2.2023, blz. 1; ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/435/oj).</FIELD></FOOTNOTE> tot wijziging van de RRF-verordening vereist dat de lidstaten informatie publiceren over de honderd eindontvangers die het hoogste bedrag aan financiering in het kader van de RRF ontvangen; is ingenomen met het feit dat de Commissie op 10 oktober 2024, als onderdeel van het jaarverslag 2024 over de RRF, een specifieke bijlage heeft gepubliceerd om meer duidelijkheid te verschaffen over het begrip “eindontvangers” in het kader van de RRF-verordening en het toepassingsgebied van de publicatie van gegevens over de honderd eindontvangers die het hoogste bedrag aan financiering ontvangen; maakt zich grote zorgen over de manier waarop de Commissie het begrip “eindontvanger” in het kader van de RRF interpreteert, aangezien eindontvangers vaak alleen op het niveau van het ministerie worden vermeld en de beschrijvingen vaag zijn, waarvan tal van voorbeelden in bijna alle door de lidstaten verstrekte lijsten te vinden zijn; herhaalt dat de lijst met de honderd grootste eindontvangers de feitelijke natuurlijke personen of entiteiten moet bevatten die als laatste in een keten van geldovermakingen staan, en dat die lijst beschikbaar moet worden gesteld in een openbaar toegankelijke databank om meer verantwoording aan de dag te leggen en onafhankelijk toezicht mogelijk te maken, met inachtneming van het rechtskader van de Unie inzake gegevensbescherming; vreest dat er anders problemen zullen ontstaan bij het meten van de effecten en het garanderen van de zichtbaarheid van de RRF-middelen voor de burgers, maar houdt ook rekening met het RRF-scorebord en de projectkaart; benadrukt dat indien de Commissie blijft weigeren volledige transparantie te waarborgen, het Parlement alle beschikbare maatregelen moet overwegen om naleving af te dwingen, om te voorkomen dat een soortgelijke interpretatie wordt toegepast op de transparantiebepalingen in andere financiële regelgeving;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>251.</NO.P>herinnert de Commissie eraan dat de letter en de geest van de RRF-verordening strikt in acht moeten worden genomen en dat de vaststelling van richtsnoeren of andere interne documenten volledig in overeenstemming moet zijn met de resultaten van de onderhandelingen tussen de medewetgevers; is ervan overtuigd dat daar geen sprake van was toen de Commissie de bepalingen over de interpretatie van wat een “eindontvanger” is in haar richtsnoeren inzake herstel- en veerkrachtplannen in het kader van REPowerEU vaststelde;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>252.</NO.P>merkt op dat het feit dat de eindontvangers van RRF-financiering niet kunnen worden geïdentificeerd, een ernstig risico vormt voor de transparantie en traceerbaarheid van middelen van de Unie en dus voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>253.</NO.P>herinnert eraan dat een robuuste IT-infrastructuur van essentieel belang is voor het verzamelen van gegevens en het toezicht op en de evaluatie van programma’s, en dat beheersautoriteiten en begunstigden kritiek hebben op de hoeveelheid vereiste informatie en op de overlapping met andere, nationale systemen; merkt op dat de Rekenkamer er in het kader van de RRF op heeft gewezen dat de nationale toezichthoudende autoriteiten – in tegenstelling tot wat bij het cohesiebeleid het geval is – verschillende structuren en benaderingen hanteren die als minder betrouwbaar zouden kunnen worden beschouwd omdat ze niet-homogene informatie verstrekken en ruimte laten voor een mogelijk groot aantal fouten; benadrukt dat gecentraliseerde interoperabele systemen in dit verband efficiënte gegevensverzameling en ‑rapportage vergemakkelijken, terwijl versnipperde systemen op de noodzaak van gestroomlijnde benaderingen wijzen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>254.</NO.P>is ingenomen met het feit dat bij de herschikking van het Financieel Reglement horizontale maatregelen zijn vastgesteld voor een gecentraliseerde website (systeem voor financiële transparantie) op het niveau van de Unie voor alle ontvangers van financiering van de Unie, en merkt op dat deze website tot doel heeft de huidige versnippering tegen te gaan, de transparantie te vergroten en het publieke toezicht op de ontvangers te vergemakkelijken; merkt op dat de Commissie vanaf het volgende MFK (d.w.z. na 2027) de relevante gegevens die in het datamining- en risicoscore-instrument Arachne zijn opgeslagen, zal moeten gebruiken om de gecentraliseerde website te voeden met het oog op transparantie, en dat de website, in overeenstemming met de regels inzake gegevensbescherming, alleen openbare gegevens zal bevatten, zoals relevante gegevens over ontvangers, contractanten, subcontractanten en begunstigden; benadrukt voorts dat alle lidstaten verplicht zullen zijn om de Commissie toegang te verlenen tot deze gegevens, die op geautomatiseerde wijze in Arachne moeten worden ingevoerd; betreurt het dat de lidstaten niet verplicht zijn om Arachne te gebruiken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>255.</NO.P>merkt op dat de definitieve mijlpalen en streefdoelen van de nationale herstel- en veerkrachtplannen overeenkomstig artikel 18, lid 4, en artikel 20, lid 5, van de verordening uiterlijk op 31 augustus 2026 moeten zijn verwezenlijkt; herinnert eraan dat de Commissie nauw met elke lidstaat moet samenwerken om de uitvoering ter plaatse te versnellen, onder meer door regelmatig richtsnoeren te verstrekken en op verzoek technische bijstand te verlenen om de uitvoering van de plannen te ondersteunen; toont zich nogmaals bezorgd over de mogelijkheid dat mijlpalen en streefdoelen na afloop van de RRF worden teruggedraaid, en dringt er bij de Commissie op aan dergelijke situaties te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>256.</NO.P>verzoekt de Commissie verzoeken tot herziening van herstel- en veerkrachtplannen die inhouden dat de algehele ambitie van het plan wordt verlaagd of dat belangrijke structurele hervormingen eruit worden geschrapt, af te wijzen en prioriteit te geven aan de voltooiing van maatregelen in verband met landspecifieke aanbevelingen in de herstel- en veerkrachtplannen; verzoekt de Commissie voorts meer technische bijstand te verlenen aan lidstaten die achterlopen met de uitvoering van de RRF;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>257.</NO.P>verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar jaarverslag en in de bijbehorende speciale verslagen, en is verheugd dat de Commissie de overgrote meerderheid daarvan aanvaardt; verzoekt de Commissie deze aanbevelingen uit te voeren en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de vorderingen die worden gemaakt met de uitvoering ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>258.</NO.P>verzoekt de Commissie de Rekenkamer zo spoedig mogelijk volledige toegang te verlenen tot Fenix, het nieuwe rapportage-instrument voor de RRF;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>259.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie verder:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>i)</SYMBOL>de audit- en controlevereisten zorgvuldig af te wegen tegen de administratieve lasten voor de lidstaten en de begunstigden van toekomstige op prestaties gebaseerde instrumenten, evenwel met behoud van een toereikende mate van controle en audit die een solide bescherming van de financiële belangen van de Unie biedt;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ii)</SYMBOL>nauwlettend toe te zien op de voortdurende naleving van mijlpalen en streefdoelen, met name die welke betrekking hebben op audits, monitoring en controles, en te zorgen voor een adequate monitoring van mogelijke terugdraaiing van eerder verwezenlijkte mijlpalen en streefdoelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iii)</SYMBOL>de resultaten van haar inspecties van de controlesystemen in de lidstaten te gebruiken om een duidelijke conclusie over de doeltreffendheid ervan te trekken en alle passende maatregelen te nemen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>iv)</SYMBOL>bij de Commissie een centraal contactpunt voor de lidstaten op te zetten voor de betrouwbaarheidsverklaring, waartoe de Rekenkamer toegang kan krijgen zonder de lidstaten verder te belasten met verzoeken om aanvullende bewijzen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>v)</SYMBOL>alle onregelmatigheden en alle fraude met middelen uit de RRF systematisch te registreren en te monitoren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vi)</SYMBOL>de bepalingen betreffende de “eindontvangers” van de RRF-verordening consequent en correct toe te passen door haar richtsnoeren inzake de herstel- en veerkrachtplannen in het kader van REPowerEU te herzien, en met de lidstaten te communiceren over de correcte toepassing van de definitie van “eindontvangers”; verzoekt de Commissie met voorstellen te komen om de lidstaten te verplichten gegevens over alle eindontvangers te publiceren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>vii)</SYMBOL>haar controle van de mijlpalen en streefdoelen te stroomlijnen door de toepassing van een “single audit”-benadering waarmee de administratieve lasten kunnen worden verminderd, de auditverantwoordelijkheden tussen de Commissie en de Rekenkamer kunnen worden geconsolideerd en de tijdschema’s en vereisten voor audits kunnen worden gecoördineerd om dubbel werk en overlappende controles en audits te voorkomen, meer waarmee tegelijk de volledige bescherming van de financiële belangen van de Unie wordt gewaarborgd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>viii)</SYMBOL>de lidstaten te ondersteunen bij het daadwerkelijk interoperabel maken van IT-systemen om efficiënte gegevensverzameling, rapportage en uitwisseling tussen verschillende overheidsdiensten en agentschappen te vergemakkelijken, teneinde het risico op dubbele financiering tot een minimum te beperken, actief kruiscontroles tussen relevante databanken uit te voeren en met de lidstaten te communiceren over hun administratieve capaciteit om dubbele financiering te voorkomen; wijst in dit verband op de positieve voorbeelden die zijn aangereikt tijdens de conferentie van de Rekenkamer over transparantie en traceerbaarheid van EU-financiering voor herstel en veerkracht in oktober 2024;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>ix)</SYMBOL>nauw met de lidstaten samen te werken om ervoor te zorgen dat mijlpalen en streefdoelen, met name die van structurele aard of in verband met landspecifieke aanbevelingen, volledig en zorgvuldig worden uitgevoerd en dat er geen herziening van de herstel- en veerkrachtplannen wordt goedgekeurd als de ambitie wordt verlaagd of belangrijke maatregelen worden afgezwakt; zo mogelijk een herziening van plannen te voorkomen die zou inhouden dat geplande maatregelen worden “herverpakt” in de herstel- en veerkrachtplannen als ze niet aan de voorwaarden van de RRF-verordening voldoen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>x)</SYMBOL>de bepalingen van de RRF-verordening strikt toe te passen, ook de bepalingen betreffende de opschorting van betalingen of de terugvordering van bedragen, met name indien de bescherming van de financiële belangen van de Unie niet wordt gewaarborgd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xi)</SYMBOL>de methode voor gedeeltelijke betalingen zeer strikt toe te passen, ook wat betreft structurele maatregelen en maatregelen in verband met de uitvoering van landspecifieke aanbevelingen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xii)</SYMBOL>een methode op basis van de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de gegevens ontwikkelen om de vooruitgang op het gebied van de groene en de digitale transitie en de tastbare voordelen daarvan in de lidstaten te evalueren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xiii)</SYMBOL>erop toe te zien dat de lidstaten de bepalingen betreffende de zichtbaarheid van de RRF nauwgezet toepassen, en ervoor zorgen dat bij maatregelen die via de RRF worden uitgevoerd, naar behoren wordt aangegeven dat ze door de Unie zijn gefinancierd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xiv)</SYMBOL>de lidstaten technische bijstand, administratieve ondersteuning en advies te verlenen om hun administratieve capaciteit te versterken, onder meer door regelmatig vergaderingen van de informele deskundigengroep voor de uitvoering van de RRF te organiseren om technische aspecten te bespreken en de uitwisseling van good practices tussen de nationale autoriteiten aan te moedigen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xv)</SYMBOL>telkens wanneer een herziening van de herstel- en veerkrachtplannen wordt voorgesteld, een uitgebreide analyse van nieuwe en bestaande maatregelen te verrichten en na te gaan of die terugkerende begrotingsuitgaven zouden vervangen of in strijd zouden zijn met andere subsidiabiliteitsvoorwaarden van de herstel- en veerkrachtplannen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xvi)</SYMBOL>de lidstaten opleiding en ondersteuning te bieden om de administratieve capaciteit te vergroten, met inbegrip van opleiding in gespecialiseerde vaardigheden en kennis, en voorbeelden van best practices aan te reiken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xvii)</SYMBOL>met de Rekenkamer te blijven samenwerken om de interpretatie van mijlpalen en streefdoelen zo goed mogelijk onderling af te stemmen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xviii)</SYMBOL>de aanbevelingen van de Rekenkamer die voortvloeien uit haar werkzaamheden met betrekking tot de RRF en de bij de uitvoering opgedane ervaring te gebruiken voor het ontwerp van de architectuur van het volgende meerjarig financieel kader en de uitvoering van toekomstige op prestaties gebaseerde instrumenten van de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xix)</SYMBOL>het ontwerp van toekomstige op prestaties gebaseerde instrumenten te verbeteren door te zorgen voor een nauwere koppeling tussen de uitbetalingen en de geboekte vorderingen bij de uitvoering;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xx)</SYMBOL>erop toe te zien dat alle toekomstige herzieningen en de algehele uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen plaatsvinden in nauwe samenwerking en in overleg met lokale en regionale overheden en andere relevante belanghebbenden, teneinde het effect van de herstel- en veerkrachtplannen te maximaliseren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xxi)</SYMBOL>de zwakke punten van op prestaties gebaseerde instrumenten analyseren en die te verhelpen wanneer toekomstige nieuwe programma’s worden ontwikkeld;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>xxii)</SYMBOL>in het volgende MFK voort te bouwen op een hoge mate van interoperabiliteit en gegevensuitwisseling tussen verschillende overheidsdiensten en ‑instanties om efficiënte gegevensuitwisseling en realtime-updates tussen diverse platforms mogelijk te maken, zodat overlappende projecten kunnen worden getraceerd en het risico van dubbeltelling en dubbele financiering tot een minimum kan worden beperkt.</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>