<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0087</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Kwijting 2023: Europees Openbaar Ministerie (het “EMO”)</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0051/2025 - Rapporteur: Tomáš Zdechovský)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><NR>1.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2029(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6332 van 24.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6332/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041 van 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 betreffende de aan het Europees Openbaar Ministerie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05754/2025 – C10‑0023/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 70,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509 van 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 70,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 94,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD>PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/715/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 105,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 102 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0051/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de administratief directeur van het Europees Openbaar Ministerie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de administratief directeur van het Europees Openbaar Ministerie, de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L‑serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>2.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2029(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6332 van 24.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6332/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6041 van 10.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2023 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2025 betreffende de aan het Europees Openbaar Ministerie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2023 (05754/2025 – C10-0023/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD>PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 70,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509 van 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 70,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 94,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD>PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/715/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 105,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 102 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0051/2025),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de administratief directeur van het Europees Openbaar Ministerie, de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L‑serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><RESOL><TI><NR>3.</NR> <STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 7 mei 2025 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2023 (2024/2029(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 102 van en bijlage V bij zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10‑0051/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het EOM het onafhankelijke openbaar ministerie van de Unie is en verantwoordelijk is voor het onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, het aanzienlijk vergroten van het vermogen van de Unie om de middelen van de belastingbetalers veilig te stellen, en het voor de rechter brengen van daders van en medeplichtigen aan strafbare feiten als bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/1371<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/dir/2017/1371/oj</STRING>).</FIELD></FOOTNOTE> en die worden genoemd in Verordening (EU) 2017/1939<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj</STRING>).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de bevoegdheid van het EOM verschillende soorten fraude omvat, waaronder grensoverschrijdende btw-fraude met een totale schade van meer dan 10 miljoen EUR, witwassen van geld, corruptie, georganiseerde misdaad en andere strafbare feiten waarvoor het EOM vervolgingstaken verricht voor de bevoegde rechtbanken van de deelnemende lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat het EOM een van de componenten van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie is en dat de acties ervan als zodanig worden gecoördineerd met en een aanvulling vormen op die van de andere componenten van die architectuur, teneinde een gestroomlijnde, efficiënte coördinatie tot stand te brengen die de algehele doeltreffendheid van de architectuur bevordert;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het EOM tussenbeide komt wanneer de nationale autoriteiten deze strafbare feiten kunnen onderzoeken en vervolgen, maar hun prerogatieven ophouden bij de grenzen van hun land, en andere organisaties zoals Eurojust, OLAF en Europol niet over de nodige bevoegdheden beschikken om de desbetreffende strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen uit te voeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de procedurele handelingen van het EOM onderworpen zijn aan rechterlijke toetsing door de nationale rechtbanken en dat het Hof van Justitie van de Europese Unie, door middel van prejudiciële beslissingen of rechterlijke toetsing van die handelingen, de residuele bevoegdheid heeft om een consistente toepassing van het Unierecht te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het EOM bestaat uit een centraal niveau, met hoofdkantoor in Luxemburg, bestaande uit de Europees hoofdaanklager, 22 Europees aanklagers (één per deelnemende lidstaat) en de administratief directeur, en een gedecentraliseerd, nationaal niveau, bestaande uit de gedelegeerd Europees aanklagers in de 22 deelnemende lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de Europees hoofdaanklager en de 22 Europees aanklagers op centraal niveau het college van het EOM (“het college”) vormen en toezicht houden op de onderzoeken en vervolgingen die worden uitgevoerd door de gedelegeerd Europees aanklagers op nationaal niveau, die volledig onafhankelijk opereren van hun nationale autoriteiten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de administratief directeur, als ordonnateur van het EOM, op grond van artikel 93 van Verordening (EU) 2017/1939 de begroting onder zijn eigen verantwoordelijkheid en binnen de in de begroting gestelde grenzen uitvoert, en de begrotingsautoriteit jaarlijks alle informatie toezendt die relevant is voor de bevindingen van de evaluatieprocedures;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de rekenplichtige van de Commissie overeenkomstig artikel 50, lid 2, van de financiële regels van het EOM ook optreedt als rekenplichtige van het EOM en verantwoordelijk is voor het opstellen van de jaarrekening, die geconsolideerd wordt met die van de Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de definitieve jaarrekening in het huidige kader door de Rekenkamer wordt onderzocht en dat het aan de Raad is om aan te bevelen en aan het Europees Parlement om te besluiten of de administratief directeur van het EOM al dan niet kwijting wordt verleend voor de uitvoering van de begroting van een bepaald begrotingsjaar;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat bij het onderzoek van het beheer van de middelen van het EOM en de daarmee samenhangende uitgaven niet mag worden voorbijgegaan aan het onderzoek van operationele activiteiten, de gevolgen en impact daarvan en de methoden voor de uitvoering ervan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat het EOM pas sinds 24 juni 2021 zelfstandig zijn begroting uitvoert en zijn operationele activiteiten, die voortdurende evaluatie vereisen om ervoor te zorgen dat de middelen aansluiten bij de operationele doeltreffendheid, is begonnen op 1 juni 2021, wat tevens de begindatum is van de in artikel 119 van Verordening (EU) 2017/1939 genoemde termijn van vijf jaar, waarna de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad, alsmede bij de nationale parlementen samen met haar conclusies een evaluatieverslag moet indienen over de uitvoering en de gevolgen van deze verordening, alsmede over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het EOM en zijn werkmethoden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 119, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1939 wetgevingsvoorstellen moet indienen bij het Europees Parlement en de Raad indien zij concludeert dat het noodzakelijk is te kunnen beschikken over aanvullende of meer gedetailleerde regels met betrekking tot de opzet van het EOM, zijn functies of de voor zijn activiteiten, waaronder grensoverschrijdende onderzoeken, geldende procedures;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is ingenomen met het positieve advies van de Rekenkamer over de betrouwbaarheid van de rekeningen van het EOM voor het per 31 december 2023 afgesloten begrotingsjaar en over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende ontvangsten en betalingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>herinnert aan de krachtige steun van het Parlement voor de oprichting van het EOM; erkent het EOM als een onafhankelijk orgaan van de Unie; vestigt de aandacht op de belangrijke rol die het EOM speelt bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie, alsook als essentieel onderdeel van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie en van een breder Uniestelsel dat gegrondvest is op integriteit, verantwoording, transparantie en goed financieel beheer van de middelen; prijst het EOM voor zijn werkzaamheden op het gebied van het onderzoeken en vervolgen van en het waarborgen van gerechtigheid bij strafbare feiten die de EU-begroting aantasten, zoals fraude, corruptie en grensoverschrijdende btw-fraude;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>benadrukt dat het van cruciaal belang is snel de nodige middelen uit te trekken om ervoor te zorgen dat het lopende onderzoek naar de aankoop van COVID‑19-vaccins in de Unie tijdig wordt afgesloten, met name gezien de zeer grote publieke belangstelling voor deze zaak en gezien het feit dat het onderzoek reeds in 2022 is gestart en tot op heden geen besluit aan het publiek is bekendgemaakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>merkt op dat het alleen mogelijk is de twee meest recente begrotings- en operationele prestaties van het EOM te vergelijken, voor de periode 2022‑2023, nadat het EOM in juni 2021 financiële autonomie bereikte; constateert in dat verband dat de verhogingen van de begroting in verband met de activiteiten van het EOM nog altijd zeer moeilijk zijn in te schatten vanwege de recente oprichting van het EOM, de unieke kenmerken van het EOM en zijn belangrijkste activiteiten, het onvoorspelbare niveau van de opsporing van fraude, de grote verscheidenheid van zijn zaken, zijn gebrek aan discretionaire bevoegdheid met betrekking tot vervolgingen in combinatie met zijn afhankelijkheid van de middelen en procedurele beperkingen van de nationale rechtsstelsels, het ontbreken van een vaste correlatie tussen het aantal onderzoeken en de kosten ervan, en de omvang van de te beschermen financiële belangen van de Unie; merkt bovendien op dat het moeilijk is de uitgaven voor de werklast in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit te ramen vanwege de ongekende uitvoeringswijze en de enorme omvang van de middelen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Financieel en begrotingsbeheer</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>merkt op dat de totale definitieve begroting die in 2023 aan het EOM was toegewezen 65,9 miljoen EUR bedroeg, wat neerkomt op een aanzienlijke verhoging (met 14,7 %) ten opzichte van de 51,2 miljoen EUR die in 2022 aan het EOM was toegewezen, en dat de begroting voor 2021 (26,2 miljoen EUR) was toegewezen in de periode voordat het EOM financiële autonomie bereikte; stelt vast dat de begroting van het EOM de in juni 2023 op verzoek van het EOM door de begrotingsautoriteit toegekende verhoging met 500 000 EUR omvat (het verzoek omvatte tevens personele middelen in verband met de essentiële versterking van de veiligheidscapaciteit van het EOM, wat geleid heeft tot de toekenning van acht extra posten in de personeelsformatie); begrijpt dat er in 2023 geen deel van de begroting is teruggestort terwijl, in tegenstelling daartoe, 10 % (5,9 miljoen EUR) van de oorspronkelijke begroting werd teruggestort in 2022 en 21 % (9,5 miljoen EUR) in 2021; herhaalt dat het EOM voldoende middelen moet krijgen om zijn mandaat naar behoren te kunnen uitvoeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>is ingenomen met het stijgende uitvoeringspercentage van de begroting, dat in 2023 99,6 % bedroeg (ten opzichte van 98,1 % in 2022 en 97,4 % in 2021); begrijpt dat het algemene uitvoeringspercentage voor betalingen in 2023 is gestegen tot 85,3 % (ten opzichte van 76,6 % in 2022 en 71 % in 2021) en dat de gemiddelde betalingstermijn is afgenomen tot 17 dagen (ten opzichte van 23,8 dagen in 2022 en 21,0 in 2021); constateert dat de elektronische factureringsmodule (e-facturering) in juni 2023 is uitgerold en zal bijdragen tot de verdere vermindering van de administratieve lasten, de betalingstermijn en de totale verwerkingskosten; spoort aan tot de verdere verfijning van de operationele processen om de efficiëntie ervan te maximaliseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>constateert dat het EOM, aangezien zijn verzoeken om begrotingsmiddelen slechts gedeeltelijk werden ingewilligd, zijn financiële middelen heeft toegespitst op de inwerking van extra gedelegeerd Europees aanklagers, wat gevolgen heeft voor het vermogen van het EOM om het toenemend aantal onderzoeken en vervolgingen te leiden, alsook op de noodzaak om de veiligheidsstatus van de organisatie te verbeteren en op het onderhoud van zijn systeem voor dossierbeheer, wat negatief had kunnen uitpakken voor het beheer van grensoverschrijdende onderzoeken; onderstreept het belang van aanvullende financiering en personeelsuitbreiding om het EOM in staat te stellen georganiseerde criminaliteit doeltreffend te bestrijden, de financiële belangen van de EU te beschermen en de rechtsstaat te handhaven, wat topprioriteiten van de EU zijn; dringt aan op een specifieke verhoging van de financiering binnen het volgende meerjarig financieel kader (MFK) om ervoor te zorgen dat het EOM zijn doelstellingen kan blijven verwezenlijken en zijn verplichtingen kan blijven nakomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>stelt vast dat het EOM, na het bereiken van zijn financiële autonomie in juni 2021, prioriteit heeft gegeven aan de beleidsuitgaven in verband met onderzoek, vervolging en veiligheidsmaatregelen, wat geleid heeft tot de beperking van niet-beleidsuitgaven tot essentiële ondersteunende diensten; merkt op dat in dit verband in totaal 28 312 075 EUR is toegewezen aan begrotingsonderdelen met betrekking tot beleidsuitgaven (titel 3), wat neerkomt op 43 % van de definitieve begroting van het EOM voor 2023 (ten opzichte van 21 047 346 EUR, oftewel 41 %, in 2022); merkt op dat de bezoldiging van de gedelegeerd Europees aanklagers de voornaamste kostenfactoren waren voor deze activiteiten (51 % van de operationele activiteiten, ten opzichte van 42 % in 2022), gevolgd door operationele ICT-activiteiten, zoals het onderhoud en de ontwikkeling van het systeem van het EOM voor dossierbeheer (19 % ten opzichte van 28 % in 2022), en de taalkundige diensten (vertaling en vertolking) (14 %, hetzelfde als in 2022);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>merkt op dat de bezoldiging van de gedelegeerd Europees aanklagers 14,5 miljoen EUR bedroeg (ten opzichte van 8,7 miljoen EUR in 2022) en de voornaamste beleidsuitgave vormt vanwege het toegenomen aantal gedelegeerd Europees aanklagers dat in 2023 bij het EOM werkzaam was; is ingenomen met de in 2024 aangekondigde toetreding van Polen en Zweden tot het EOM; merkt op dat dit geen gevolgen heeft gehad voor de uitgaven voor 2023 en slechts marginaal van invloed is op de begroting voor 2024, als gevolg van de late en geleidelijke inwerking van twee Europees aanklagers en een aantal gedelegeerd Europees aanklagers; neemt er kennis van dat pas in 2025 een solidere kostenraming zal kunnen worden gemaakt; is ermee ingenomen dat de nieuwe Ierse regering de doelstelling om toe te treden tot het EOM in zijn programma heeft opgenomen; verzoekt de Hongaarse regering, als enige resterende lidstaat die nog niet tot het EOM is toegetreden ondanks het ontbreken van wettelijke of grondwettelijke belemmeringen, zich onverwijld aan te sluiten bij het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>constateert dat de kosten voor dienstreizen en operationele vergaderingen in 2023 nog verder zijn gestegen (de kosten voor dienstreizen bedroegen 1 175 000 EUR in 2023 en 980 000 EUR in 2022, en de kosten voor operationele vergaderingen bedroegen 659 752 EUR in 2023 en 170 000 EUR in 2022), wat aansluit bij de toenemende intensiteit van de onderzoeken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>is zich ervan bewust dat de kosten voor vertaaldiensten naar verwachting verder zullen stijgen naarmate de werklast van het EOM toeneemt, en ziet in dat er meer middelen zullen moeten worden uitgetrokken voor vertaling; is ingenomen met de interne richtsnoeren voor het gebruik van vertaaldiensten, die zijn ontwikkeld om de controle op de kosten te versterken, de daarin vervatte aanbeveling om waar mogelijk gebruik te maken van machinevertaling, en het gebruik van nationale dienstverleners binnen de krachtens de huidige verordening toegestane limiet om dit probleem aan te pakken; merkt in dit verband op dat artikel 107 van Verordening (EU) 2017/1939 weliswaar voorziet in vertaalwerk dat vereist is voor het administratief functioneren van het EOM op centraal niveau, uitgevoerd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, maar daarnaast ook voorziet in een verschillende behandeling van operationele en dringende aangelegenheden en gedelegeerd Europees aanklagers de bevoegdheid verleent om te beslissen over de regelingen voor vertalingen ten behoeve van onderzoeken overeenkomstig het toepasselijke nationale recht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>merkt op dat het EOM in 2023 in totaal 234 specifieke overeenkomsten heeft ondertekend in het kader van bestaande raamovereenkomsten met een totaalwaarde van meer dan 11 miljoen EUR; constateert dat het gebruik van raamovereenkomsten door het EOM aanzienlijk is toegenomen (82 specifieke overeenkomsten met een waarde van meer dan 6,5 miljoen EUR), grotendeels als gevolg van het gebruik van de raamovereenkomst van het EOM voor de verlening van diensten op het gebied van informatiesystemen; merkt op dat slechts één overeenkomst, die betrekking heeft op het systeem van het EOM voor dossierbeheer, om redenen van dwingende spoed is gegund via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande kennisgeving van de opdracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>stelt vast dat de overdracht van kredieten van het vorige begrotingsjaar (2022) 10 969 680 EUR bedroeg (24,4 % van de definitieve begroting van het EOM voor 2022), waarvan 84,8 % (9 307 392 EUR) werd besteed en 15,2 % werd geannuleerd (ten opzichte van 21,4 % in 2022); merkt op dat de ramingen wijzen op een verdere overdracht in 2024, zodra de prestaties zijn voltooid, van betalingskredieten (de overdracht van 2023 naar 2024 bedroeg 9 392 989 EUR); begrijpt dat gedeeltelijke annulering het gevolg is van de geleidelijke invoering van de administratieve praktijken van het EOM na het bereiken van zijn financiële autonomie in 2021; merkt op dat de geannuleerde overgedragen kredieten voor de goedgekeurde begrotingen voor 2022 en 2023 niet konden worden gebruikt met bestaande of nieuwe overeenkomsten en evenmin konden worden gesynchroniseerd met het jaarperiodiciteitsbeginsel, en dat de planning van de desbetreffende uitgaven, voornamelijk in verband met vertaling, vergaderingen, dienstreizen en externe contractanten, niet accuraat kon zijn vanwege gebrek aan historische gegevens en cijfers en de snelle ontwikkeling van de organisatie; waardeert het dat deze kwesties geleidelijk worden aangepakt door middel van de voortdurende versterking van het administratieve vermogen van het EOM en dat, hoewel vanwege de aard van de operationele activiteiten van het EOM vooraf geen volledige raming kan worden gemaakt, het niveau van geannuleerde kredieten in 2024 naar verwachting zal afnemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>merkt op dat in 2023 twee begrotingsoverschrijvingen tussen titels ter waarde van een totaalbedrag van 1,2 miljoen EUR zijn goedgekeurd door de Europees hoofdaanklager, op voorstel van de administratief directeur, en dat deze ter informatie aan het college zijn meegedeeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>beaamt dat er behoefte is aan voldoende flexibiliteit wat de begroting betreft om onverwachte operationele behoeften aan te pakken, zoals de oorlog in Oekraïne en de inflatoire druk in 2023 of andere mondiale uitdagingen, en constateert dat het EOM gebruik heeft gemaakt van zijn financiële regels door middel van de tijdige herschikking van kredieten via begrotingswijzigingen (één in juni en één in november) en -overschrijvingen (één in september en één in december);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>herhaalt zijn opmerking over het achterhaalde financiële memorandum van 2017, dat niet langer geschikt wordt geacht voor het beoogde doel vanwege de aanzienlijk onderschatte werklast; wijst op zijn eerdere resolutie en beklemtoont dat het ontbreken van een tussentijdse begrotingsherziening het EOM ertoe verplicht te wachten tot het einde van het goedkeuringsproces voor de begroting om vast te kunnen stellen hoeveel middelen het in het volgende jaar kan uitvoeren, en het vermogen van het EOM beperkt om te anticiperen op voorbereidende activiteiten voor de uitvoering van de begroting, alsook de opties die beschikbaar moeten worden gesteld om maximale flexibiliteit te bereiken bij de opbouw van een organisatorische infrastructuur voor een project dat zo innovatief is als het EOM; merkt op dat dit met name gevolgen heeft voor de vroege start van de aanwerving, waardoor onder meer de verwezenlijking van een volledige bezetting en de algemene integratiecapaciteit van het EOM worden vertraagd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>meent dat de aan het EOM toegewezen begrotings- en personele middelen naar verwachting toereikend zullen zijn om de efficiënte en succesvolle uitvoering van zijn mandaat en de normale afhandeling van de desbetreffende administratieve procedures mogelijk te maken; verzoekt de Commissie andermaal het begrotingskader van het EOM samen met het EOM aan een toetsing te onderwerpen om passende manieren te vinden om het EOM bij zijn werkzaamheden te ondersteunen; verzoekt de Commissie extra middelen toe te wijzen op grond van het toenemend aantal complexe zaken en benadrukt dat deze niet moeten afhangen van de herziening van Verordening (EU) 2017/1939 en van het mandaat van het EOM, maar van het belang van de bestrijding van georganiseerde misdaad en de bescherming van de financiële belangen van de EU in het volgende MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>benadrukt dat de activiteiten van het EOM bijdragen tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie en er daarnaast voor moeten zorgen dat bedragen van de begroting van de Unie die vanwege criminele activiteiten niet zijn gebruikt voor het beoogde doel, kunnen worden teruggevorderd; is van oordeel dat de bedragen als gevolg van door de gedelegeerd Europees aanklagers in de lidstaten genomen inbeslagnemings- en confiscatiemaatregelen, na aftrek van de kosten die de autoriteiten van de lidstaten hebben gemaakt om deze maatregelen uit te voeren, kunnen terugvloeien naar de begroting van de Unie, overeenkomstig artikel 38 van Verordening (EU) 2017/1939; is van mening dat de potentiële inkomsten uit inbeslagneming en confiscatie in de begroting van de Unie moeten worden opgenomen als ontvangsten zonder specifieke bestemming; verzoekt de Commissie de nodige regelingen te treffen met de bevoegde nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat deze bedragen in de begroting van de Unie kunnen worden opgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>erkent dat het EOM duidelijk bijdraagt aan Europese meerwaarde op het gebied van coördinatie en samenwerking met de lidstaten bij het onderzoeken en vervolgen van misdrijven die de financiële belangen van de Unie schaden, en dat het EOM in dit verband de doelstellingen van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad heeft bereikt; verwacht dat de lidstaten aan de wettelijke verplichtingen voldoen en alle relevante zaken aan het EOM rapporteren; stelt met bezorgdheid vast dat de lidstaten in meerdere gevallen strafbare feiten met gevolgen voor de financiële belangen van de Unie als nationale zaken hebben aangemerkt, hoewel zij onder het mandaat van het EOM vallen; stelt vast dat de bevoegdheidsvraag tussen de nationale autoriteiten en de gedelegeerd Europees aanklagers in meerdere zaken en in meerdere landen aan de orde is gesteld; is zich ervan bewust dat, overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939, verschillen van mening over de bevoegdheden van het EOM opgelost moeten worden door dezelfde nationale gerechtelijke autoriteit als die welke verantwoordelijk is voor het bepalen van het orgaan dat op nationaal niveau voor vervolging verantwoordelijk is; betreurt het dat in veel deelnemende landen de toepasselijke procedures en de nationale autoriteiten die belast zijn met het nemen van besluiten in dergelijke gevallen van bevoegdheidsgeschillen niet in overeenstemming met Verordening (EU) 2017/1939 zijn vastgesteld, en benadrukt dat bij bevoegdheidsgeschillen tussen het EOM en een nationaal openbaar ministerie de nationale autoriteit die verantwoordelijk is voor het toewijzen van de bevoegdheid tot een conclusie zou kunnen komen zonder indiening van een verzoek om een prejudicieel besluit van het Hof van Justitie en in plaats daarvan een bindend besluit zou kunnen vaststellen voor het EOM, en geeft aan dat dit indruist tegen de geest van Verordening (EU) 2017/1939, waarin staat dat het Hof van Justitie, overeenkomstig artikel 267 VWEU, gemachtigd is een prejudicieel besluit te nemen over de interpretatie van de bepaling betreffende bevoegdheidsgeschillen tussen het EOM en nationale autoriteiten; is van oordeel dat de huidige situatie juridisch gezien onduidelijk is; spoort alle lidstaten ertoe aan nauwer samen te werken met het EOM; onderstreept dat de bevoegdheden van het EOM duidelijk zijn vastgesteld in artikel 22, leden 1 en 2, en artikel 23 van Verordening (EU) 2017/1939, en dat alle lidstaten zich aan die verordening moeten houden; stelt vast dat lidstaten, wanneer zij twijfels hebben over de bevoegdheid van het EOM in een specifiek geval, een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU en artikel 42, lid 2, punt c), van Verordening (EU) 2017/1939 kunnen indienen bij het Hof van Justitie; dringt er bij de Commissie op aan gevallen waarin sprake is van een inbreuk op Verordening (EU) 2017/1939 voor te leggen aan het Hof van Justitie; stelt met bezorgdheid vast dat de kwestie van bevoegdheid erin kan resulteren dat onderzoeken stil komen te liggen; maakt zich zorgen over het risico dat bewijs verloren kan gaan wanneer zaken tijdelijk worden stilgelegd; verzoekt de Commissie met het oog op het evaluatieverslag dat in 2026 zal worden gepresenteerd informatie te verzamelen over gevallen waarin sprake is van bevoegdheidsgeschillen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>merkt andermaal op dat het mogelijk moet worden gemaakt om artikel 91, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939 naar behoren uit te voeren en onderstreept dat de bijzondere kenmerken van uitgaven voor vervolging en onderzoek (met inbegrip van de uitzonderlijke gevallen van beleidsuitgaven van het EOM die onder die bepaling vallen) in aanmerking moeten worden genomen; stelt vast dat er in 2023 een eerste financieringsovereenkomst is gesloten in het kader van een proefproject voor de terugbetaling van verzoeken uit hoofde van artikel 91, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939, ter dekking van uitzonderlijk dure onderzoeksmaatregelen die namens het EOM op nationaal niveau worden uitgevoerd; begrijpt dat de desbetreffende betaling tijdens de controle van 2023 door de Rekenkamer is gecontroleerd en dat daarbij is vastgesteld dat de betaling wettig en regelmatig was;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Intern beheer, prestaties en interne controle</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>is verheugd dat het college in 2023 22 keer is bijeengekomen en 73 besluiten heeft vastgesteld, waaronder de fraudebestrijdingsstrategie 2023‑2025 en het beleid ter bestrijding van intimidatie voor het personeel en voor leden van het college of de gedelegeerd Europees aanklagers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>stelt vast dat het EOM zijn inspanningen heeft voortgezet om een systeem op te zetten ter monitoring van efficiëntiewinsten en kostenbesparingen, en merkt op dat het EOM in 2023 is begonnen met een herziening van de strategische en operationele plannings- en monitoringprocessen voor de begroting en activiteiten en van de aanwervingsprocedures, om de processen te versnellen en meer competenties te verwerven; wijst erop dat de bestaande internecontrolesystemen over het algemeen doeltreffend zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>merkt op dat de intern controleur van het EOM voor niet-operationele aangelegenheden in 2023 een beperkte evaluatie van de bouwstenen van het EOM in gang heeft gezet om het zekerheidskader van het EOM verder te ontwikkelen; is van oordeel dat deze toezegging, die in de loop van 2024 moet worden afgerond, aanbevelingen zal opleveren om de ordonnateur meer capaciteit te geven om een geloofwaardige betrouwbaarheidsverklaring af te geven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>is ingenomen met de benchmarking die door de interne-auditcapaciteit is uitgevoerd door de ingezette personele middelen van het EOM te vergelijken met die van een reeks andere entiteiten van de Unie en nationale parketten, aan de hand van een gestandaardiseerde reeks pijlers die administratieve ondersteuning en operationele activiteiten omvatten; merkt op dat de interne-auditcapaciteit in 2023 de internecontroleomgeving heeft getest en de eerste interne audit heeft uitgevoerd als analyse van de werkomgeving en interne controles van het gedecentraliseerde bureau van het EOM in Sofia, Bulgarije;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>vindt nog altijd dat de intern controleur en de interne-auditcapaciteit hun acties moeten coördineren om het EOM te adviseren en bij te staan bij de vaststelling van zijn belangrijkste processen en de verwezenlijking van zijn doelstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>merkt op dat het EOM een eigen aankoopcapaciteit heeft ontwikkeld, die voortvloeit uit zijn eigen, specifiek beheerde aanbestedingsprocedures die in 2023 van start zijn gegaan, en zijn eigen, specifieke overeenkomsten en bestelbonnen beheert ter uitvoering van bestaande raamovereenkomsten die in 2023 zijn ondertekend; merkt op dat het EOM zijn aankoopcapaciteit tegelijkertijd blijft exploiteren door middel van overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau met andere instellingen, organen en instanties van de Unie, en door zich aan te sluiten bij interinstitutionele overeenkomsten met verschillende marktdeelnemers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>is zich ervan bewust dat de administratief directeur in 2023 de minimumnormen (beoordelingscriteria) voor elk van de 17 internecontrolebeginselen heeft vastgesteld, die gebaseerd zijn op het geïntegreerde controlekader COSO 2013 en door het internecontrolekader van het EOM zijn vastgesteld als bouwstenen van het internecontrolesysteem van het EOM; constateert dat 51 van de 72 nalevingscriteria als vervuld worden beschouwd, dat voor 20 van de criteria weliswaar een aantal elementen aanwezig zijn, maar dat verdere ontwikkeling wenselijk is, en dat slechts voor één enkel criterium geen significante uitvoering is vastgesteld; begrijpt dat, sinds de goedkeuring ervan door het college in maart 2021, 71 % van de goedgekeurde beoordeling van het internecontrolekader met succes is uitgevoerd, maar dat niettemin extra inspanningen nodig zijn om de resterende 29 % volledig uit te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>is verheugd dat op 1 maart 2023 een bijgewerkte versie van de fraudebestrijdingsstrategie 2023‑2025 van het EOM is goedgekeurd, die doelstellingen voor fraudebestrijding omvat op alle niveaus van de organisatie, vergezeld van een specifiek actieplan, dat deel uitmaakt van de internecontroleomgeving van het EOM en regelmatig wordt gemonitord; is ingenomen met de jaarlijkse evaluatie van het actieplan voor de fraudebestrijdingsstrategie door de intern controleur van het EOM, die de resultaten van de evaluatie aan de administratief directeur meldt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>is zich ervan bewust dat het EOM, in overeenstemming met zijn financiële regels, zorgt voor een adequaat niveau van financiële transacties en aanbestedingsprocedures door middel van controles achteraf van financiële transacties (betalingen, vastleggingen en invorderingsopdrachten) en aanbestedingsprocedures voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>neemt kennis van de toename van het aantal aan het EOM voorgelegde misdaadmeldingen (4 187 in 2023 ten opzichte van 3 318 in 2022 en 2 832 in 2021) en de daaruit voortvloeiende toename van het aantal ingestelde onderzoeken (1 371 in 2023 ten opzichte van 865 in 2022 en 567 in 2021) en de geschatte schade (19,27 miljard EUR in 2023 ten opzichte van 14,1 miljard EUR in 2022 en 5,4 miljard EUR in 2021); merkt op dat verslagen van particuliere partijen (2 494, ofwel. 29 % meer dan in 2022) en nationale autoriteiten (1 562, ofwel 24 % meer dan in 2022) het grootste deel van de ontvangen operationele input uitmaken, en betreurt dat het aantal verslagen van andere instellingen, organen en instanties van de Unie zeer beperkt is gebleven (108), wat erop wijst dat er van hun kant geen significante verbetering is geboekt op het gebied van opsporing en rapportage; merkt op dat het aantal tenlasteleggingen (139 in 2023 ten opzichte van 87 in 2022 en 5 in 2021) samen met de door het EOM verkregen bevriezingsbevelen (1,5 miljard EUR in 2023 ten opzichte van 359,1 miljoen EUR in 2022 en 147 miljoen EUR in 2021) duiden op het stijgende prestatieniveau van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>merkt op dat het aantal zaken bij het EOM in 2023 in vergelijking met 2022 bijna is verdubbeld tot 1 927 actieve onderzoeken; prijst de vruchtbare activiteiten van het EOM in 2023, waaronder 139 tenlasteleggingen, 339 btw-gerelateerde zaken en meer dan 200 onderzoeken naar de uitvoering van NextGenerationEU; merkt verder op dat het EOM meer plegers van EU-fraude voor de nationale rechtbanken is beginnen te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>stelt vast dat in 2023 48 zaken werden afgesloten met een gerechtelijke veroordeling (ten opzichte van 20 zaken in 2022) en dat in totaal 60 miljoen EUR werd geconfisqueerd (ten opzichte van 2 miljoen EUR in 2021); benadrukt dat het belangrijk is systematisch verslag uit te brengen over de follow-up van deze zaken wat de vastgestelde financiële maatregelen betreft (confiscatie en/of terugvordering) om een beter zicht te krijgen op de gevolgen van de acties van het EOM; is ingenomen met de maatregelen die het EOM en de Commissie hebben genomen om hun communicatie te stroomlijnen en af te stemmen op de behoeften van mogelijke administratieve procedures voor de vaststelling van maatregelen om de begroting van de Unie, die door financiële misdrijven wordt getroffen, te herstellen; verzoekt de Commissie andermaal het EOM bij te staan bij het toezicht en de follow-up, zodat de beperkte middelen van het EOM niet worden onttrokken aan zijn onderzoeks- en vervolgingstaken; spoort het EOM ertoe aan om, waar mogelijk en passend, beter samen te werken met andere componenten van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie, zoals Eurojust en Europol, of, via OLAF, gebruik te maken van de in de lidstaten gevestigde coördinatiediensten voor fraudebestrijding om de resultaten van zijn onderzoeken te monitoren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>benadrukt de essentiële rol van de ontneming van vermogensbestanddelen bij het creëren van een geloofwaardige afschrikking van georganiseerde misdaad; is ingenomen met de deelname van het EOM aan internationale netwerken om zijn activiteiten in verband met ontneming van vermogensbestanddelen verder te bevorderen; benadrukt dat de Commissie het EOM moet uitnodigen om deel te nemen aan het onlangs opgerichte samenwerkingsnetwerk voor de ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen; merkt op dat het tijdig en doeltreffend onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten in verband met fraude aanzienlijke besparingen kan opleveren voor de begroting van de Unie en voor de begrotingen van de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>is bezorgd over het toenemend aantal onderzoeken van het EOM met betrekking tot de uitvoering van herstel- en veerkrachtplannen (233 onderzoeken aan het einde van 2023 ten opzichte van 15 onderzoeken aan het einde van 2022) en de in het kader daarvan geraamde financiële schade (1,86 miljard EUR); is met name bezorgd over het feit dat de lidstaten, ondanks het grote aantal onderzoeken, momenteel niet verplicht zijn om zaken in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit aan de Commissie te melden via het beheerssysteem voor onregelmatigheden (IMS); herinnert aan de verplichting om alle gevallen van fraude met gevolgen voor de herstel- en veerkrachtfaciliteit aan het EOM te melden en benadrukt dat dergelijke gevallen ook relevant zijn voor maatregelen in verband met het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting; benadrukt dat de werklast van het EOM, die aanvankelijk was onderschat, aanzienlijk is toegenomen en naar verwachting zal blijven toenemen, met name als gevolg van het toenemende aantal zaken in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit, en dat relevante analyses wijzen op een mogelijke exponentiële toename van het aantal gevallen van fraude, corruptie, dubbele financiering en belangenconflicten in de komende jaren; verzoekt het EOM systematisch fraudepatronen te analyseren en te identificeren in lidstaten waar meerdere gevallen van fraude met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit zijn vastgesteld, en deze patronen mee te delen aan de lidstaten, de Commissie en de taskforce Herstel en veerkracht om de preventieve maatregelen te versterken en zo het risico op fraude te beperken; verzoekt het EOM, de Commissie en OLAF nauw samen te werken om de gevolgen van dergelijk frauduleus wangedrag voor de begroting van de Unie zoveel mogelijk te beperken en de verwezenlijking van de doelstellingen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te waarborgen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om het EOM passende richtsnoeren te verstrekken voor het ondersteunen en bevorderen van de vaststelling van corrigerende maatregelen na het onafhankelijke onderzoek van en de onafhankelijke vervolging door het EOM van fraude met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit, en de begrotingsautoriteit op de hoogte te houden van de beschikbare opties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>begrijpt dat het EOM heeft gereageerd op de oproep van het Parlement om het monitoringsysteem en de follow-up van onderzoeken en vervolgingen te verbeteren door een project op het gebied van digitale statistische instrumenten op te zetten die het EOM moet helpen beter gebruik te maken van de gegevens die het verwerkt, en door bovendien een strategische-analysecapaciteit te ontwikkelen om fraudepatronen in kaart te brengen; is het met het EOM eens dat het succes van deze inspanningen rechtstreeks verband houdt met de beschikbare middelen en verzoekt de Commissie deze activiteiten en de daarmee gepaard gaande kosten in aanmerking te nemen bij nieuwe voorstellen met betrekking tot Verordening (EU) 2017/1939 en begrotingsmiddelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>waardeert de inspanningen van het EOM bij het vaststellen van kernprestatie-indicatoren (KPI’s) voor zowel operationele als administratieve activiteiten met specifieke doelstellingen vanwege zijn specifieke bedrijfsmodel; vindt nog altijd dat de operationele activiteiten verwijzing moeten bevatten naar de in beslag genomen en uiteindelijk naar de begroting van de Unie teruggevorderde bedragen, aangezien de bescherming van die begroting de eigenlijke bestaansreden is van de fraudebestrijdingsarchitectuur, waarvan het EOM een belangrijk onderdeel is; begrijpt dat monitoring- en follow-upmaatregelen, met inbegrip van verslaglegging over de resultaten van terugvorderingen, niet onder de bevoegdheid van het EOM vallen en middelen en specifieke prerogatieven vereisen die geen deel uitmaken van het mandaat van het EOM; verzoekt de Commissie het EOM te ondersteunen bij het vaststellen van indicatoren die verband houden met de verwezenlijking van die essentiële taak, en benadrukt dat een beter monitoringsysteem en meer gegevens van goede granulariteit, geaggregeerd in clusters per soort wangedrag, per belangensector of per geografisch gebied, de impact van de onderzoeken van het EOM tastbaarder kunnen maken en het mogelijk kunnen maken om fraudepatronen in kaart te brengen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Personele middelen, gelijkheid en welzijn van het personeel</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>neemt kennis van de stijgende trend met betrekking tot het aantal personeelsleden, van 58 in 2020 tot 122 in 2021, 217 in 2022 en 238 in 2023; stelt vast dat het EOM de begrotingsautoriteit voor 2023 heeft gevraagd 20 posten voor arbeidscontractanten te schrappen en deze te vervangen door 20 posten voor tijdelijke functionarissen; merkt op dat dit verzoek in hetzelfde jaar door de autoriteit is ingewilligd en door het EOM is uitgevoerd, waarmee het totale aantal personeelsleden ongewijzigd bleef (248 personeelsleden, van wie 171 tijdelijke functionarissen, 48 arbeidscontractanten en 29 gedetacheerde nationaal deskundigen), maar de posten wel anders werden toegewezen (191 tijdelijke functionarissen, 28 arbeidscontractanten en 29 gedetacheerde nationaal deskundigen); wijst er evenwel op dat het EOM in mei 2023, na de vaststelling van enkele tekortkomingen op het gebied van veiligheid, om een gewijzigde begroting en extra posten heeft verzocht teneinde de fysieke veiligheid en de informatie- en cyberveiligheid op centraal en gedecentraliseerd niveau te verbeteren; wijst er voorts op dat er van de 21 gevraagde veiligheidsposten slechts 8 posten (1 AD 9-post, 4 AD 6-posten en 3 AST 3-posten) zijn toegekend, in november 2023, voor de verdere uitvoering van veiligheidswerkzaamheden, die in 2024 is afgerond;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>wijst erop dat de bezettingsgraad bij het hoofdkantoor in 2023 92,97 % bedroeg, van wie 238 personeelsleden ten opzichte van 256 begrote posten; merkt op dat er eind 2023 van de 140 posten voor gedelegeerd Europees aanklagers 130 posten bezet waren en dat er begin 2024 nog eens 10 gedelegeerd Europees aanklagers zijn aangeworven, waarmee een bezettingsgraad van 100 % werd bereikt; merkt op dat het EOM zijn capaciteit om tijdige en transparante aanwervingsprocedures uit te voeren in 2023 heeft versterkt door 24 selectieprocedures af te ronden, 45 statutaire personeelsleden en 8 nieuwe Europees aanklagers in te werken en 35 nieuwe gedelegeerd Europees aanklagers te benoemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>merkt op dat het personeelsverloop (tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten) in december 2023 4,62 % bedroeg<FOOTNOTE><FIELD>Volgens het geconsolideerd jaarlijks activiteitenverslag 2023 bedroeg het personeelsverloop voor tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten 5,9 %.</FIELD></FOOTNOTE>, aangezien er dat jaar 11 personeelsleden ontslag hebben genomen, voornamelijk om bij een andere instelling te gaan werken (4 gevallen) of omdat hen een hogere functie was aangeboden bij een andere instelling van de Unie (7 gevallen); constateert dat dit personeelsverloop voornamelijk is te herleiden tot de specificiteit van de Luxemburgse arbeidsmarkt, die kampt met een zeer beperkte talentenpool en een klein aanbod aan gespecialiseerde vaardigheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>neemt kennis van de inspanningen van de Commissie om tegemoet te komen aan verzoeken van het EOM om extra posten; is van mening dat uit de vooruitzichten met betrekking tot de werklast blijkt dat er meer middelen nodig zijn, met name gezien de achterstand en zaken in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit en verreikende btw-fraude, en ook omdat het aantal administratieve en centrale ondersteunende functies naar verwachting zal toenemen, in overeenstemming met het grotere personeelsbestand voor operationele activiteiten; wijst op de risico’s van het onderschatten van de behoeften en het vermogen van het EOM; merkt op dat de kosten voor uitzendkrachten en externe dienstverleners die in 2023 intra muros werkzaam waren, 4 235 242 EUR bedroegen; spoort de Commissie en het EOM ertoe aan een duurzame langetermijnoplossing te vinden die continuïteit mogelijk maakt, vertrouwelijkheid waarborgt en ingebouwde bevoegdheden behoudt; begrijpt dat de aanvullende operationele behoeften van het EOM volledig zijn opgenomen in het programmeringsdocument 2024‑2026 van het EOM, alsook in begrotingsverzoeken van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de Luxemburgse arbeidsmarkt zeer concurrerend is, dat de door de administratie van de Unie geboden financiële voorwaarden niet aantrekkelijk zijn ten opzichte van de lokale markt (met verschillende salarisindexeringen gedurende het jaar), noch voldoende rekening houden met de hoge kosten van levensonderhoud in Luxemburg, dat vanwege de hoge inflatie en de gestegen huisvestingskosten nog duurder is geworden; merkt op dat het EOM zijn personeelsleden geen loopbaantraject kan bieden om EU-ambtenaar te worden en dat zijn posten daarom nog minder aantrekkelijk zijn dan die bij de vier andere instellingen van de Unie die in Luxemburg actief zijn; benadrukt dat dit ofwel leidt tot een zeer beperkt aantal sollicitaties op vacatures, ofwel tot afwijzing van het aanbod door de geselecteerde kandidaten vanwege de hoge kosten van levensonderhoud; verzoekt het EOM en de Commissie maatregelen te nemen om het EOM aantrekkelijker te maken voor hooggekwalificeerde professionals met internationale ervaring, zoals de huisvestingstoelage voor personeel met een lagere rang die voor 2025 door de begrotingsautoriteit is goedgekeurd, volgens de aanbeveling van de interinstitutionele groep op hoog niveau; wijst erop dat bepaalde nationaliteiten oververtegenwoordigd zijn onder het personeel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>merkt op dat eind 2023 in het algemeen een behoorlijk geografisch en genderevenwicht tot stand was gebracht onder de 238 personeelsleden (137 mannen en 101 vrouwen); stelt dat de uitsplitsing naar nationaliteit van het personeelsbestand van het EOM voortdurend wordt gemonitord door het aanwervende personeel om te zorgen voor evenwicht, met name in het licht van de ongelijke verdeling van sollicitanten; merkt op dat Italië (34 personeelsleden), Roemenië (33 personeelsleden), Griekenland (26 personeelsleden) en België (24 personeelsleden) naar verhouding het meest vertegenwoordigd zijn van de 26 lidstaten die deelnemen aan het EOM; moedigt het EOM aan proactieve maatregelen te nemen om te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van nationaliteiten onder zijn personeel, als een weerspiegeling van de diversiteit van de deelnemende lidstaten; toont zich echter bezorgd over de genderverdeling in hogere managementfuncties (vier mannen voor elke vrouw) en dringt erop aan dat dit probleem wordt aangepakt in het kader van de algemene diversiteitsstrategie; dringt aan op de publicatie van een jaarverslag, uitgesplitst naar geslacht, nationaliteit en arbeidscategorie, met concrete maatregelen om de lacunes in aanwerving en loopbaanontwikkeling te dichten en onevenwichtigheden te monitoren en aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>neemt kennis van het feit dat het besluit om een strategie voor diversiteit en inclusie uit te voeren in 2023 is genomen en dat de strategie in de loop van 2024 moet worden ontwikkeld; spoort het EOM ertoe aan over te gaan tot de goedkeuring ervan en periodiek enquêtes onder zijn personeel te houden door collegiale toetsing met andere componenten van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie, zoals Eurojust, OLAF en Europol, te bevorderen; begrijpt dat het beleid van het EOM inzake diversiteit en inclusie gebaseerd zal zijn op het in maart 2023 aangenomen handvest inzake diversiteit en inclusie van het netwerk van EU-agentschappen, en is van mening dat dit in het algemeen diversiteit zal stimuleren en de werkplek daarmee aantrekkelijker zal maken voor kandidaten met specifieke behoeften; herhaalt zijn verzoek aan het EOM om onverwijld zijn handvest inzake diversiteit en inclusie vast te stellen in het licht van de personeelsuitbreiding in 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>merkt op dat eind 2023 341 van de 396 personeelsleden (ten opzichte van 275 personeelsleden van de 332 in 2022), onder wie zowel tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten als gedetacheerde nationale deskundigen en gedelegeerd Europees aanklagers, waren ingezet voor onderzoeksactiviteiten (86,10 % ten opzichte van 82,83 % in 2022 en 86 % in 2021), en dat 55 personeelsleden (ten opzichte van 57 in 2022) waren aangesteld in functies voor administratieve ondersteuning en controle;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>is ingenomen met de benoeming van 8 nieuwe Europese aanklagers en 35 nieuwe gedelegeerde Europese aanklagers bij het EOM in 2023; herhaalt dat het EOM zijn rol slechts kan vervullen als het volledige onafhankelijkheid van de rechterlijke macht geniet, die voortvloeit uit een op verdiensten gebaseerde en objectieve benoemingsprocedure; moedigt de lidstaten aan bij te dragen aan de volledige onafhankelijkheid van het EOM in dit opzicht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>blijft erbij dat de benoeming van gedelegeerd Europees aanklagers een gedeelde verantwoordelijkheid is van het EOM en de lidstaten; benadrukt dat de benoemingsprocedure altijd in overeenstemming moet zijn met artikel 17 van Verordening (EU) 2017/1939 en het beginsel van nationale autonomie inzake procedures;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>beklemtoont dat het noodzakelijk is meer mogelijkheden voor loopbaanontwikkeling voor gedelegeerd Europees aanklagers te creëren om ervaren professionals aan te trekken en te behouden; dringt aan op betere arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van een duidelijk loopbaanontwikkelingstraject en de standaardisering van socialezekerheids- en pensioenregelingen in de deelnemende lidstaten, om ervoor te zorgen dat nationale salarisverschillen gekwalificeerde kandidaten er niet van weerhouden te solliciteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>stelt vast dat het oorspronkelijk beoogde aantal van 140 gedelegeerd Europees aanklagers in de loop van 2023 en begin 2024 is bereikt; is ingenomen met het besluit om gedelegeerd Europees aanklagers niet 80 % van het salaris van EU-ambtenaren te geven, zoals oorspronkelijk was voorzien, maar hun bezoldiging af te stemmen op die van EU-ambtenaren met een gelijkwaardig niveau van verantwoordelijkheid; is van mening dat dit besluit de functie van gedelegeerd Europees aanklager aantrekkelijker maakt, de weg vrijmaakt voor de aanwerving van ervarener nationaal aanklagers met een nationaal salaris dat hoger was dan de door het EOM aangeboden bezoldiging, en tegelijkertijd de administratieve lasten voor het EOM vermindert voor de uitvoering van artikel 16, lid 1, van de regeling voor gedelegeerd Europees aanklagers, waarin is bepaald dat, indien de totale nettobezoldiging onder het nationale salaris ligt, een aanvullend bedrag wordt verstrekt om ervoor te zorgen dat de bezoldiging overeenkomt met het nationale salaris;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>onderstreept dat de selectieprocedure voor Europees aanklagers en gedelegeerd Europees aanklagers niet zelfstandig wordt beheerd door het EOM, omdat Europees aanklagers door de lidstaten worden voorgedragen en vervolgens door de Europese Raad worden benoemd, en gedelegeerd Europees aanklagers door de lidstaten worden voorgedragen en door het college worden benoemd; is nog altijd van mening dat er meer sollicitaties van gekwalificeerde kandidaten op de functie van gedelegeerd Europees aanklager kunnen worden binnengehaald en dat de procedure selectiever kan worden door te zorgen voor een duidelijk loopbaanperspectief en een gunstigere administratieve regeling op het gebied van sociale zekerheid en ziektekostenverzekering; herhaalt dat de invoering van een specifieke status voor gedelegeerd Europees aanklagers zou aansluiten bij de aard van hun gerechtelijke functie en deze posten aantrekkelijker zou maken; verzoekt de Commissie passende oplossingen voor te stellen indien Verordening (EU) 2017/1939 wordt gewijzigd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>begrijpt dat elke lidstaat (op grond van artikel 96, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939) verplicht is regelingen van wetgevende of administratieve aard in te voeren om de aansluiting en dekking van de gedelegeerd Europees aanklagers te handhaven, met inbegrip van eventuele bijdragen aan de relevante nationale socialezekerheids-, pensioen- en verzekeringsregelingen, maar dat een aantal lidstaten deze verplichting nog niet volledig is nagekomen; verzoekt de Commissie daarom bij de herziening van Verordening (EU) 2017/1939 een doeltreffende oplossing voor te stellen voor de kloof op het gebied van socialezekerheids- en ziektekostenverzekeringsdekking van de gedelegeerd Europees aanklagers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>merkt op dat er tot 2023 vijf klachten over de benoeming van gedelegeerd Europees aanklagers bij het Hof van Justitie zijn ingediend, waarvan er drie werden afgesloten (ofwel verworpen ofwel ingetrokken) en één werd verworpen, maar dat er momenteel een beroep aanhangig is bij het Hof van Justitie, en dat het laatste beroep tot nietigverklaring van het besluit van het college tot afwijzing van de voordracht als gedelegeerd Europees aanklager van een door een van de lidstaten voorgedragen persoon in juli 2024 werd toegelaten op grond van een ontoereikende motivering van het besluit van het college; merkt op dat er een analyse loopt van de wijze waarop de nietigverklaring moet worden uitgevoerd; stelt vast dat er bij het Gerecht geen nieuwe klachten over benoemingen bij het EOM zijn ingediend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>merkt op dat de leer- en ontwikkelingsstrategie van het EOM in 2023 is ingevoerd en tot doel heeft een cultuur van permanente educatie te bevorderen en de doorlopende beoordeling en aanpassing van de veranderende leerbehoeften van het personeel te vergemakkelijken, alsook de proefanalyse van de leerbehoeften;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>merkt op dat in 2023 alle bestaande maatregelen en beleidsmaatregelen ter waarborging van het lichamelijk en geestelijk welzijn van het personeel werden onderworpen aan een herziening en een raadpleging door alle betrokken belanghebbenden (het personeelscomité, het personeel in het algemeen en het management) om een evenwicht te vinden tussen de verwachtingen en de realiteit van het EOM als groeiende en snel veranderende organisatie; merkt op dat het EOM een flexibele werktijdregeling en een standaardregeling voor telewerk hanteert, die voorziet in één dag telewerk per week als basis en maximaal drie dagen per week, plus verlenging in het geval van ernstige beperkingen in verband met gezondheid of familieaangelegenheden; merkt op dat het huidige kader ook 10 dagen telewerk per jaar van buiten de standplaats omvat, die te gebruiken zijn zonder dat daarbij andere verlofdagen komen kijken; is van mening dat de huidige arbeidsomstandigheden bij het EOM het personeel in staat stellen gebruik te maken van digitale oplossingen door een goede mate van autonomie te integreren in het beheer van werkpatronen, de verzoening van werk en privéleven te vergemakkelijken en de teammoraal en -geest te bevorderen; is ingenomen met de lopende ontwikkeling van een beleid inzake welzijn, dat een hoofdstuk zal bevatten over het welzijn voor personeelsleden die telewerken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>benadrukt dat in de tweede helft van 2023, zoals voorgesteld door het Parlement, een open raadpleging over flexibele werkregelingen heeft plaatsgevonden, en dat de in 2021 en 2022 aangenomen besluiten achteraf zijn herzien; merkt op dat de administratief directeur in december 2023, met inachtneming van de inbreng van alle belanghebbenden, besloot de bepalingen te actualiseren; merkt op dat de wijzigingen onder meer betrekking hadden op de verruiming van het begrip “telewerkplek” (naar een afstand van 2,5 uur (voorheen 2 uur) van het hoofdkantoor van het EOM) en de invoering van hybride werkregelingen voor uitzendkrachten; merkt op dat er geen verdere wijzigingen zijn goedgekeurd bij besluiten van het college, aangezien de conclusies van de raadplegingen reeds bij besluiten van de administratief directeur waren vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>merkt op dat naar aanleiding van de oproepen van het Parlement een enquête over de tevredenheid van het personeel (betrokkenheid) is gepland voor het eerste kwartaal van 2025; begrijpt dat het personeelscomité van het EOM ook een enquête over de prioriteiten van het personeel heeft gehouden en pleit voor een intensievere dialoog om de omstandigheden op het gebied van evenwicht tussen werk en privéleven te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>stelt tevreden vast dat er geen gevallen van burn-out of intimidatie zijn gemeld en dat het aantal langdurig zieken zeer beperkt is; is ingenomen met het feit dat het EOM zich bewust is van zijn plicht om de bevordering en het behoud van de gezondheid en het welzijn van al zijn personeel te waarborgen, alsook met de monitoringpraktijken met behulp waarvan een dergelijk inzicht kan worden verkregen, waarbij rekening wordt gehouden met niet-opgenomen jaarlijks verlof, overgedragen verlof en afwezigheid, het aantal personeelsleden dat met langdurig ziekteverlof is en afwezigheidsduur; wijst op het belang van de totstandbrenging van een duidelijke, gestructureerde procedure voor het melden van gevallen van intimidatie door de Europees hoofdaanklager en de Europees aanklagers, alsook voor de bekendmaking ervan aan alle personeelsleden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>stelt vast dat het hoofdkantoor van het EOM begin 2023 een proefproject voor stages heeft uitgevoerd en dat de juridische dienst van het EOM destijds twee stagiairs heeft aangeworven, gevolgd door nog twee stagiairs in maart en september 2023, voor een bezoldigde stage van vijf maanden met fysieke aanwezigheid; merkt op dat in 2024 naar aanleiding van de positieve conclusies van het proefproject een stagebeleid is vastgesteld en goedgekeurd, waarna, in hetzelfde jaar, de eerste groep stagiairs werd aangeworven; is ingenomen met het initiatief om in samenwerking met de plaatselijke universiteit een experimenteel relatieopbouwproject op te zetten en dringt erop aan dit initiatief, indien het succesvol blijkt, uit te breiden tot andere universiteiten in de EU, hetgeen interessante perspectieven zou kunnen bieden voor de verdere ontwikkeling van diversiteitsprogramma’s voor jonge talenten; benadrukt dat de hoge kosten van levensonderhoud in Luxemburg een aanzienlijk obstakel vormen voor potentiële stagiairs; benadrukt dat stages gepaard moeten gaan met een vergoeding die voldoet aan de resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2023 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende hoogwaardige stages in de EU (2020/2005(INL)), die een oproep inhoudt om alle stages in de EU betaald te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>is ingenomen met de sterke inzet van het personeelscomité van het EOM, de definitieve vaststelling van het reglement van orde, de organisatie van de eerste open dag van het personeelscomité, de uitrol van de eerste enquête voor alle personeelsleden van het EOM, de deelname van zijn vertegenwoordigers aan selectieprocedures, de herziening met terugwerkende kracht van alle algemene uitvoeringsbepalingen die het EOM vóór de oprichting van het personeelscomité heeft vastgesteld, de indiening van input over interne reorganisatie, de werktijdregeling en de hybride werkregelingen, de uitvoeringsbepalingen en de verbetering van de arbeidsomstandigheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>begrijpt dat het EOM zijn bedrijfscontinuïteitsplan, dat is opgenomen in de normen van de Unie voor administratief beheer, bijna heeft voltooid, en verzoekt het EOM met klem het plan onverwijld goed te keuren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Ethisch kader en transparantie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>stelt vast dat het ethisch kader van het EOM geleidelijk wordt opgebouwd; constateert dat de kernwaarden van dat ethisch kader duidelijk zijn opgenomen in de gedragscode van het EOM, waarin wordt uiteengezet hoe werknemers op alle niveaus worden verwacht zich te gedragen; merkt bovendien op dat het ethisch kader afhankelijk is van de code van het EOM voor correct bestuurlijk gedrag, alsook van zijn fraudebestrijdingsstrategie en het opleidingsprogramma over ethiek, waarin kwesties zoals intimidatie, klokkenluiden, voorkoming van belangenconflicten en andere ethische kwesties aan de orde worden gesteld; betreurt dat personeelsleden van het EOM niet verplicht zijn deel te nemen aan dat opleidingsprogramma, wat een consistent begrip en consistente toepassing van de gedragscodes van het EOM zou waarborgen; roept het EOM op de situatie recht te zetten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>stelt vast dat het EOM zich inspant om zijn personeel bewust te maken van het ethisch kader en aanverwante kwesties; spoort het EOM ertoe aan de deelname aan dergelijke sessies verplicht te stellen voor Europees aanklagers en gedelegeerd Europees aanklagers wanneer zij hun taken oppakken; is van mening dat de interne dialoog moet worden geïntensiveerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>constateert dat er in 2023 geen daadwerkelijke belangenconflicten zijn vastgesteld; merkt op dat er speciale formulieren en regels inzake belangenconflicten bestaan voor de leden van het college, de gedelegeerd Europees aanklagers en de personeelsleden van de operationele eenheden en andere gevoelige posten; is ingenomen met de huidige ontwikkeling van een gestructureerd beleid inzake belangenconflicten en dringt er bij het EOM op aan dit snel vast te stellen; dringt aan op de invoering van een verplichte jaarlijkse opfriscursus over ethiek en integriteit voor al het personeel van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>dringt er bij het EOM op aan zijn interne kader inzake integriteit te verbeteren door hoge ambtenaren, met inbegrip van de leden van het college, ertoe te verplichten al hun financiële belangen en externe activiteiten openbaar te maken; dringt aan op een periodieke controle van deze openbaarmaking om potentiële risico’s in verband met ongepaste beïnvloeding in kaart te brengen en te beperken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>neemt kennis van het feit dat het EOM ernaar streeft draaideurconstructies te voorkomen, met name door de strikte toepassing te bekrachtigen van de bepalingen van het Statuut, die in alle overeenkomsten van het EOM zijn opgenomen, met inbegrip van ad hoc-formulieren waarin de verplichtingen van werknemers na beëindiging van het dienstverband worden uiteengezet; is in dit verband ingenomen met de vaststelling, in 2023, van de richtsnoeren voor het personeel van het EOM inzake externe activiteiten en opdrachten, die van toepassing zijn op activiteiten die niet beschouwd worden als hobby’s of vrijetijdsactiviteiten die buiten de bevoegdheid van het EOM vallen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>dringt aan op de invoering van een robuuster draaideurbeleid, met inbegrip van een langere afkoelingsperiode van ten minste twee jaar voor hoge ambtenaren van het EOM voordat zij in de particuliere sector een baan kunnen aannemen die verband houdt met EOM-onderzoeken; verzoekt het EOM een jaarlijkse evaluatie uit te voeren van de naleving van deze beperkingen na uitdiensttreding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>verzoekt het EOM een speciale klokkenluiders- en antirepresailleprocedure vast te stellen, die de door het college vastgestelde uitvoeringsbepalingen bij het Statuut (Besluit 2021/077 van het college tot vaststelling van richtsnoeren inzake klokkenluiders die van toepassing zijn binnen het EOM) moet integreren en artikel 45, lid 12, van het financieel reglement van het EOM (waarin de in de gegeven omstandigheden te nemen maatregelen worden vastgesteld) moet vergezellen, om een veilige en beschermde werkplek te garanderen; is ingenomen met het initiatief om de interne communicatie over het eerste netwerk van vertrouwenspersonen en over de bepalingen ter bestrijding van intimidatie, alsmede de communicatie met alle nationale assistenten van gedelegeerd Europees aanklagers over het klokkenluidersmechanisme voor inbreuken op het mandaat van het EOM te intensiveren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Digitalisering, cyberbeveiliging en gegevensbescherming</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>betreurt de situatie van het EOM wat betreft zijn IT-autonomie, die negatief wordt beïnvloed door het besluit van het directoraat-generaal Digitale Diensten van de Commissie (“DG Digitale Diensten”, voorheen “DIGIT”) om de verlening van digitale diensten op de werkplek stop te zetten; wijst erop dat de IT-autonomie van het EOM extra personele en financiële middelen vereist die tot dusver niet zijn toegekend vanwege de beperkingen die voortvloeien uit de totale beschikbare begrotingsmiddelen voor de betreffende begrotingsonderdelen; betreurt dat het EOM, vanwege de risico’s voor zijn operationele activiteiten, zijn eigen digitaledienstencapaciteit heeft moeten opzetten om de extra personele middelen op te vangen die aan het EOM werden toegekend in het licht van de deelname van Polen en Zweden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>merkt op dat de aanvankelijke aanpak van het EOM erin bestond zijn middelen prioritair toe te wijzen aan het opzetten en laten functioneren van essentiële digitale diensten in verband met zijn operationele activiteiten, zoals zijn systeem voor dossierbeheer, en erkent dat er voor de digitale diensten van het EOM, die ten minste gedeeltelijk afwijken van die van de Commissie, op middellange termijn behoefte zou zijn geweest aan een op maat gesneden aanpak; constateert dat de onderbreking van de dienstverlening door de Commissie plaatsvindt in de cruciale fase van de consolidering van de instelling van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>stelt vast dat de afdeling IT, beveiliging en bedrijfsdiensten van het EOM in 2023 de uitvoering van twee belangrijke programma’s heeft voortgezet: het programma voor IT-autonomie, dat een volledige catalogus van volledig intern beheerde administratieve IT-diensten biedt, en het programma betreffende het systeem voor dossierbeheer van het EOM, om de digitalisering van de organisatie op haar kernactiviteit verder te ontwikkelen; neemt kennis van het feit dat het EOM zich in 2023 is blijven voorbereiden op de geleidelijke overgang van een door DG Digitale Diensten geboden digitale werkplek naar een eigen, door het EOM beheerde oplossing; constateert dat de middelen die nodig zijn om deze wijziging door te voeren weliswaar zijn opgenomen in het begrotingsverzoek van het EOM voor 2023, maar niet door de begrotingsautoriteit zijn toegekend; merkt op dat het EOM na de aankondiging van DG Digitale Diensten onderhandelingen is begonnen om een oplossing te zoeken, maar deze nog niet heeft gevonden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>begrijpt dat de Commissie de verlening van IT-diensten tijdelijk heeft verlengd tot juni 2025, maar blijft erbij dat de uitbesteding van deze diensten in de huidige situatie een suboptimale oplossing is; merkt op dat niet alleen argumenten in verband met veiligheid en vertrouwelijkheid, maar ook zuiver financiële aspecten erop wijzen dat het besluit moet worden heroverwogen, omdat uitbesteding veel duurder zou zijn dan de interne oplossing en de interne oplossing, nadat DG Digitale Diensten ophoudt met de verlening van de diensten, door het EOM zou worden beheerd; benadrukt dat de complexe administratieve aspecten, het gebrek aan ervaring van het EOM en de gedecentraliseerde configuratie van het EOM met gedelegeerd Europees aanklagers en nationale assistenten van gedelegeerd Europees aanklagers op verschillende locaties in de Unie een relevantere begroting en een lange overgangsperiode vereisen met het oog op de uitvoering van de interne oplossing, die de voorkeur heeft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>verzoekt DG Digitale Diensten andermaal zijn steun aan het EOM niet te onderbreken zolang het EOM nog niet over een eigen, betrouwbaar IT-systeem beschikt; acht het van essentieel belang verlies van gegevens te voorkomen en het EOM volledig operationeel te houden bij de overgang tussen aanbieders van IT-diensten; blijft erbij dat duidelijke communicatie en operationele coördinatie over de overgang tussen de hoogste besluitvormingsniveaus van de Commissie en het EOM moeten worden gewaarborgd; vraagt de Commissie en het EOM overeenstemming te bereiken over een geleidelijke overdracht van bevoegdheden met het oog op een soepele, doorlopende overgang in de periode na de verlenging, die tot na juni 2025 kan worden verlengd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>neemt kennis van het feit dat de verzoeken van het EOM om 45 extra vaste posten om de kloof als gevolg van de weggevallen dienstverlening van DG Digitale Diensten te overbruggen, in januari 2023 zijn afgewezen, en dat eind februari 2024 bovendien een verzoek om een gewijzigde begroting voor 2024 van 2,98 miljoen EUR en 37 vaste posten is afgewezen; merkt op dat het aanwerven van contractanten intra muros deel zou kunnen uitmaken van een tijdelijke oplossing om het wegvallen van de dienstverlening van DG Digitale dienst op te vangen; voegt daaraan toe dat die aanpak weliswaar onmiddellijke operationele continuïteit zou bieden, maar niet mag worden gezien als een definitieve oplossing voor het EOM, rekening houdend met de uiterst gevoelige aard van zijn activiteiten en de noodzaak om de continuïteit en betrouwbaarheid van zijn digitale diensten te waarborgen, evenals het hoogste beveiligingsniveau voor zijn IT-infrastructuur, -systemen en -apparatuur; is het ermee eens dat de afwijzing van de begrotingsverzoeken van het EOM wijst op uiteenlopende inschattingen van het probleem, wat negatieve gevolgen heeft voor de operationele activiteiten van het EOM en de reputatie van de Unie in het gedrang kan brengen, indien deze situatie leidt tot de verzwakking van de operationele capaciteit van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>begrijpt dat elke gedelegeerd Europees aanklager gebruik moet maken van eventuele nationale systemen voor dossierbeheer en het systeem voor dossierbeheer van het EOM, oftewel van verschillende databanken met verschillende toegangsrechten; is van mening dat dit de dagelijkse complexiteit van het gegevensbeheer vergroot; stelt vast dat alle dossiers door de gedelegeerd Europees aanklagers moeten worden gedigitaliseerd met gebruikmaking van nationale digitale instrumenten en in overeenstemming met het nationaal recht om de verwerking en uitwisseling van informatie tussen de centrale diensten van de gedelegeerd Europees aanklagers en het EOM mogelijk te maken; is in dit verband ingenomen met de formele opname van de status van nationale assistenten van gedelegeerd Europees aanklagers in het officiële organigram van het EOM, waardoor deze assistenten (personeel van het nationale bureau) rechtstreeks toegang krijgen tot het systeem voor dossierbeheer van het EOM en de gedelegeerd Europees aanklagers zo kunnen ontlasten van administratieve taken; merkt op dat hiermee tevens de basis wordt gelegd voor nauwkeurigere en consistentere gegevens over zaken tussen de twee systemen voor dossierbeheer; is van mening dat de weg naar integratie tussen het systeem voor dossierbeheer van het EOM en nationale systemen voor dossierbeheer zou worden vergemakkelijkt door een passende herziening van de regelgeving en dat deze stappen de doeltreffendheid van de onderzoeken van het EOM zouden vergroten; merkt evenwel op dat een dergelijke integratie in de eerste plaats een kwestie zou kunnen zijn van compatibele technologische oplossingen die in de verschillende lidstaten worden gebruikt en gekoppeld zou kunnen zijn aan de werkelijke mate van digitalisering van gerechtelijke procedures in die lidstaten; stelt vast dat de last van de inherente kosten momenteel wordt gedeeld, waarbij de nationale begroting de kosten dekt van de apparatuur die nodig is voor interactie met de nationale systemen voor dossierbeheer, en de begroting van het EOM de hardware en de totstandbrenging van een digitale werkomgeving dekt, die volgens dezelfde norm is beveiligd als het personeel van het hoofdkantoor van het EOM en wordt beschouwd als onderdeel van de operationele communicatiekosten waarin Verordening (EU) 2017/1939 voorziet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>begrijpt dat interoperabiliteit van essentieel belang is voor de totstandbrenging van efficiënte gegevensuitwisseling en samenwerking en dat met het oog op de vaststelling van minimale gemeenschappelijke overeenkomsten voor gegevensuitwisseling en instrumenten voor justitiële interoperabiliteit in 2023 een e‑Codex-gebruikscasusproject van het EOM is gestart, in het kader waarvan verschillende workshops zijn gehouden met het e‑Codex-consortium om de technische en functionele vereisten op elkaar af te stemmen; betreurt dat het project na verschillende workshops met het e‑Codex-consortium is onderbroken om de overgang naar de nieuwe beheerder van het e‑Codex-programma, eu‑LISA, mogelijk te maken, alsmede vanwege een gebrek aan middelen van het EOM en expertise op dit gebied; verzoekt de Commissie op te treden als facilitator voor verdere vooruitgang in het project en tevens rekening te houden met die acties bij de raming van de begrotingsbehoeften van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>is zich bewust van de toegenomen bedreiging voor de structurele integriteit van de IT van het EOM als gevolg van de agressiviteit van de georganiseerde misdaad die door het EOM wordt bestreden, wat ertoe leidt dat de fysieke en digitale veiligheid moeten worden versterkt; merkt op dat het EOM zich in 2023 heeft gericht op de verbetering van zijn veiligheidsbeheer; is verheugd over het besluit van het EOM om een speciale eenheid op te richten die zich bezighoudt met fysieke en cyberbeveiliging; stelt vast dat het EOM een kader met nieuwe processen, rollen en verantwoordelijkheden en beleid heeft vastgesteld om de beveiliging van de digitale systemen die voor de verwerking van operationele en administratieve gegevens worden gebruikt, te bevorderen; begrijpt dat er verschillende risicobeoordelingen zijn uitgevoerd om het beveiligingskader voor de digitale systemen te beoordelen, waarin werd voorgesteld aanvullende technische en beheersmaatregelen uit te voeren om de veiligheidsomgeving van het EOM te verbeteren; merkt op dat het beleidskader op deze punten is verbeterd, aangezien in 2023 een veiligheidsstrategie en een algemeen informatiebeveiligingsbeleid werden voorgesteld, die in 2024 formeel zijn goedgekeurd en aangenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>merkt op dat het EOM in 2023 de oprichting van veiligheidscontactpunten in alle deelnemende lidstaten heeft voltooid om de samenwerking op het gebied van veiligheid voor het personeel en de bureaus van het EOM in die lidstaten te verbeteren; is ingenomen met de overeenkomst inzake dienstverleningsniveau die is gesloten met CERT‑EU, die ondersteuning en monitoring biedt voor specifieke diensten voor aangelegenheden in verband met respons op incidenten; onderstreept dat het ingevoerde systeem om risico’s te beoordelen en incidenten te melden goed gestructureerd is en dat opleiding doeltreffend wordt aangeboden; is ingenomen met de externe beoordeling van de fysieke beveiliging, waarvan de bevindingen zijn vertaald in een stappenplan voor verbetering door het gastland;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>prijst de aanzienlijke vooruitgang die in 2023 is geboekt bij de oprichting van een back-updatacentrum en de uitrol van een uitwijkplan; waardeert in dit verband de ontwikkeling door het EOM van zijn eigen ecosysteem voor dossierbeheer, waarvan alle componenten worden gehost in het datacentrum van het EOM en worden beheerd door het personeel van het EOM, waardoor de controle, bewaring en eigendom van de verwerkte systemen en gegevens door het EOM wordt gewaarborgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>erkent dat het EOM behoefte heeft aan up‑to‑date apparatuur en IT-systemen om steeds complexere misdrijven aan te pakken waar vaak digitale elementen en methoden bij betrokken zijn; benadrukt tevens dat er dringend een sterk cyberbeveiligingskader moet worden ontwikkeld, gezien de toenemende risico’s die uitgaan van technologisch zeer onderlegde criminele netwerken en potentiële buitenlandse inmenging in de vorm van cyberaanvallen; steunt het EOM in zijn verzoek om middelen voor de bescherming van zijn cyberbeveiliging en dringt aan op de snelle uitvoering van een robuuste cyberbeveiligingsstrategie om de activiteiten en de integriteit van de gegevens van het EOM te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>benadrukt dat de aard van de activiteiten van het EOM specifiek toezicht en specifieke aandacht voor de bescherming van persoonsgegevens nodig maakt; is van mening dat het EOM en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) een permanente dialoog moeten aangaan om de bruikbaarheid van de gegevens voor onderzoek en vervolging en tegelijkertijd de eerbiediging van de bescherming van persoonsgegevens te waarborgen; begrijpt dat de vereisten met betrekking tot de toepassing van gegevensbescherming voortvloeien uit Verordening (EU) 2017/1939 en Verordening (EU) 2018/1725<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, en dat die vereisten worden aangevuld met en uitgevoerd bij besluiten van het college, die worden vastgesteld na raadpleging van de EDPS; is ingenomen met het besluit om te voorzien in verplichte opleiding voor alle personeelsleden, met inbegrip van een speciale opleiding over gegevensbescherming om toegang te verkrijgen tot het systeem voor dossierbeheer van het EOM;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Gebouwen en veiligheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>stelt vast dat het gebouw waarin momenteel het hoofdkantoor van het EOM is ondergebracht (het TOB-gebouw), gratis van de Luxemburgse autoriteiten wordt gehuurd, waardoor de kosten beperkt zijn tot onderhoudskosten ter hoogte van 716 724 EUR per jaar; merkt op dat in 2023 aan dezelfde Luxemburgse autoriteiten 248 103 EUR is betaald voor beveiligingsinstallaties op de twee extra verdiepingen (de 9e en de 10e verdieping) die in het eerste kwartaal van 2023 aan het EOM zijn opgeleverd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>is, wat betreft de fysieke beveiliging, ingenomen met de toewijzing, uit de gewijzigde begroting 2023 en de begroting 2024, van de middelen die nodig zijn om een evenredige capaciteit te hebben om betere beveiligingsdiensten te verlenen (21 extra posten om de beveiligingscapaciteit te vergroten), alsook met de inspanningen van het EOM om de fysieke-beveiligingsprocessen voortdurend te verbeteren en efficiënter op elkaar af te stemmen; blijft erbij dat aanklagers en personeelsleden moeten worden beschermd om hun opdracht ten volle te kunnen uitvoeren, zonder bedreigingen, beïnvloeding of druk, en stelt dat dit onmisbaar is voor het garanderen van de goede werking van het EOM;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Milieu en duurzaamheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>is van mening dat de Luxemburgse autoriteiten die het hoofdkantoor van het EOM ter beschikking stellen, rekening moeten houden met de duurzaamheid en energieprestatie ervan; verzoekt het EOM met de Luxemburgse autoriteiten in gesprek te gaan om te onderzoeken of er specifieke maatregelen kunnen worden genomen om de milieuvoetafdruk van zijn gebouwen te verbeteren, met inbegrip van de installatie van hernieuwbare energiebronnen zoals zonnepanelen, de invoering van CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-compenserende maatregelen en de uitvoering van het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) om de milieuprestaties van organisaties te evalueren, te rapporteren en te verbeteren en energie te besparen; verzoekt de Commissie de dialoog tussen het EOM en de lokale autoriteiten van het gastland te faciliteren om te zorgen voor een optimaal gebruik van middelen en de afstemming van EOM-activiteiten op het duurzaamheidsbeleid van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>merkt op dat het hoofdkantoor van het EOM is aangesloten op het Luxemburgse netwerk van gratis openbaar vervoer en daarom gemakkelijk te bereiken is met vervoersmiddelen die een geringe impact hebben op het milieu en gratis zijn voor personeelsleden en bezoekers; voegt daaraan toe dat het hoofdkantoor een ondergrondse parkeergarage een fietsenstalling heeft; stelt vast dat er uitwisselingen gaande zijn over de plaatsing van laadstations voor elektronische voertuigen in die ondergrondse parkeergarage;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Interinstitutionele samenwerking</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>is van mening dat de rol van het EOM als een belangrijke operationele component van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie alleen doeltreffend kan worden vervuld via intensieve samenwerking met en steun van zijn partners en belanghebbenden; herhaalt dat het EOM zijn rol slechts kan vervullen als het volledige onafhankelijkheid van de rechterlijke macht geniet; moedigt de lidstaten aan bij te dragen tot de volledige onafhankelijkheid van het EOM in dit verband en moedigt het EOM aan zich te blijven inspannen voor communicatie en coördinatie met de verschillende partners, wier optreden is ontworpen om wederkerig en complementair te zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>is ingenomen met de initiatieven van OLAF en het EOM om hun operationele samenwerking te intensiveren en te stroomlijnen, en kennis te delen tussen de betrokken actoren; is verheugd over de eerste internationale conferentie voor de uitwisseling van standpunten tussen aanklagers van het EOM en onderzoekers van OLAF, die in 2024 door het Parlement is georganiseerd; benadrukt dat de herziening van de regelgevingskaders van OLAF en het EOM de gelegenheid biedt om veel aspecten van hun samenwerking opnieuw in te vullen in het licht van de ervaringen die in de eerste operationele jaren van het EOM zijn opgedaan, met name met betrekking tot de opening van aanvullende onderzoeken van OLAF en administratieve onderzoeken ter ondersteuning van het EOM, alsook de grotere rol van OLAF bij het opsporen van fraude en het melden daarvan bij het EOM om het herstel van de schade voor de EU-begroting te ondersteunen; is van mening dat de dialoog en samenwerking binnen de fraudebestrijdingsarchitectuur doeltreffender kunnen worden gemaakt door middel van de instelling van een regelmatig interinstitutioneel forum om de efficiëntie en doeltreffendheid van de beschikbare middelen voor acties te optimaliseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>is ingenomen met de initiatieven van OLAF en het EOM om de operationele dialoog te intensiveren en de coördinatie te verbeteren; onderstreept het belang van volledige en doeltreffende gegevensuitwisseling tussen het EOM, OLAF, Eurojust en Europol om te zorgen voor naadloze samenwerking bij de bestrijding van grensoverschrijdende fraude; dringt aan op de oprichting van een gezamenlijke werkgroep om toezicht te houden op de integratie van gegevens en de efficiëntie van het dossierbeheer bij deze organen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>pleit voor voortzetting en versterking van de samenwerking tussen het EOM en OLAF, in overeenstemming met hun respectieve verordeningen, en voor de verplichting van OLAF om vermoedens van criminele contacten onverwijld aan het EOM te melden, zodat het fraude, corruptie en financiële criminaliteit die de financiële belangen van de Unie schaden, kan bestrijden; steunt de verdere ontwikkeling van gezamenlijke initiatieven, informatie-uitwisseling en gecoördineerde acties tussen het EOM en OLAF, aangezien dergelijke samenwerking van vitaal belang is om de financiële belangen van de Unie beter te beschermen, de strijd van de Unie tegen financiële criminaliteit op te voeren en te zorgen voor een doeltreffend en efficiënt gebruik van de middelen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>prijst de nauwe samenwerking tussen het EOM en de Rekenkamer in 2023, die heeft geleid tot de tijdige doorgifte van informatie over vermoedens van strafbare feiten die onder de bevoegdheid van het EOM vallen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>verwacht dat de werkgroep van de Commissie en de vergaderingen over de uitvoering van de werkregeling tussen de Commissie en het EOM ervoor zullen zorgen dat de kennisgevingen van het EOM betreffende administratieve terugvordering de Commissie, zoals bepaald in artikel 103, lid 2, punt c), van Verordening (EU) 2017/1939, naar behoren en op doeltreffende wijze in staat zullen stellen terugvorderingen naar de begroting van de Unie te maximaliseren, met inachtneming van de vertrouwelijkheid en het behoorlijke verloop van de onderzoeksacties; benadrukt dat nog geen van beide partijen feedback heeft gegeven in dit verband en dat de wetgevers daardoor geen volledig inzicht kunnen krijgen in de onderliggende kwesties, met inbegrip van de specifieke bedragen die de Commissie elk jaar van de lidstaten heeft teruggevorderd in geval van schade voor de EU-begroting; benadrukt dat de terugvordering van middelen door nationale autoriteiten onder de verantwoordelijkheid van de Commissie blijft vallen, zoals vermeld in de opdrachtbrief aan de commissaris voor Begroting, Fraudebestrijding en Openbaar Bestuur, en dat het EOM geen mandaat heeft om follow-up te geven aan het terugvorderingsproces; verzoekt de lidstaten de samenwerking te versterken en zowel de Commissie als het EOM in kennis te stellen van definitieve confiscaties; dringt aan op een herziening van de desbetreffende verordeningen om de rol van het EOM in het terugvorderingsproces te verduidelijken; verzoekt het EOM en de Commissie met klem een overeengekomen vorm van verslaglegging aan het Parlement vast te stellen; begrijpt dat hiervoor wellicht een passende ontwikkeling van het systeem voor dossierbeheer van het EOM nodig is en verzoekt de Commissie daarom prioriteit te geven aan de toewijzing van middelen aan het EOM om aan die behoefte te voldoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>verheugt zich over de versterkte samenwerking met Europol; merkt op dat het ODIN-programma (“Operational Digital Infrastructure Network”, operationeel netwerk voor digitale infrastructuur) het mogelijk zou maken de hoeveelheid gegevens die het EOM in het kader van zijn onderzoeken verzamelt (meer dan 1 000 terabyte aan gegevens, wat blijft toenemen) ten volle te benutten; merkt op dat het EOM in dit verband mogelijke strafbare feiten heeft vastgesteld die buiten zijn bevoegdheden vallen, waaronder georganiseerde misdaad, drugshandel, illegale sigarettenproductie, investeringsfraude, illegaal gokken en prostitutie (niet-PIF-misdrijven), en andere misdrijven die hebben geleid tot de overdracht van verschillende dossiers als belangrijk bewijs voor lopende nationale onderzoeken; merkt voorts op dat nationale vervolgingsbureaus 28 nieuwe zaken hebben ingeleid om verder onderzoek te doen naar de desbetreffende niet-PIF-misdrijven, die buiten de bevoegdheid van het EOM vallen; begrijpt niettemin dat bij de samenwerking met Europol in het kader van deze en andere analyses beperkingen komen kijken die voortvloeien uit het nationale strafprocesrecht en de toegankelijkheid van de gegevens van het EOM; benadrukt dat de bestaande bevoegdheid van het EOM om georganiseerde misdaad en witwassen van geld te onderzoeken wanneer deze verband houden met fraude die de financiële belangen van de EU schaadt, moet worden ondersteund door adequate middelen en efficiënte samenwerking met Europol; is van mening dat de samenwerking met Europol weliswaar nog verder moet worden versterkt, maar niet volledig in de plaats kan komen van de ontwikkeling van het interne analyseplatform van het EOM, dat van cruciaal belang blijft voor de snelle interpretatie van de tijdens zijn onderzoeken verzamelde gegevens en de vaststelling van operationele strategieën in grensoverschrijdende zaken waarvoor toegang tot het volledige systeem voor dossierbeheer van het EOM vereist is; herinnert eraan dat de Commissie in haar komende evaluatieverslag zorgvuldig moet analyseren voor welke categorieën strafbare feiten het mandaat van het EOM moet worden uitgebreid zodat het EOM zijn rol optimaal kan vervullen; is ingenomen met de oproep van het EOM tot nauwere samenwerking met de EU-instellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>is bezorgd over het toenemende aantal zaken met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit; waardeert dat er tijdig informatie over deze kwestie is verstrekt aan de Commissie en de betrokken commissies van het Parlement; is van mening dat het grote aantal actieve gevallen waarbij middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit betrokken zijn, een intensivering rechtvaardigt van de uitwisselingen met voornamelijk de taskforce Herstel en veerkracht, om mogelijke lacunes op het gebied van toezicht en controle of fraudepatronen vast te stellen en de Commissie in staat te stellen haar mechanismen voor prestatiemonitoring bij te houden en de onlangs ontwikkelde beperkings- en herstelmaatregelen te handhaven; wijst erop dat middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit geen nationale middelen maar middelen van de Unie zijn en daarmee onder de jurisdictie van het EOM vallen; spoort de Commissie en andere organen en autoriteiten van de Unie ertoe aan de opsporingsinspanningen op te voeren en elke relevante situatie aan het EOM te melden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>is ingenomen met het feit dat het EOM in november 2024 een werkregeling met het Parlement heeft ondertekend, waarin duidelijke modaliteiten voor samenwerking zijn vastgesteld met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>stelt vast dat het EOM in 2023 is blijven vertrouwen op interinstitutionele overeenkomsten en bilaterale overeenkomsten (overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau) om tegen lagere kosten goederen en diensten af te nemen; merkt op dat het EOM eind 2023 actief lid was van 80 interinstitutionele raamovereenkomsten en 22 overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau of andere bilaterale overeenkomsten met andere entiteiten van de Unie, met als doel de begrotingsbesparingen uit de bestaande contractuele instrumenten te maximaliseren, in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>is zeer ingenomen met de deelname van Polen en Zweden aan het EOM; is zich ervan bewust dat de deelname van deze lidstaten gevolgen zal hebben voor de begrotingsbehoeften van het EOM en steunt het verzoek van het EOM om het te voorzien van de middelen die nodig zijn om de vruchten te kunnen plukken van de deelname van Polen en Zweden aan zijn operationele activiteiten; merkt op dat Ierland en Denemarken zich nog steeds beroepen op de opt-outregeling met betrekking tot het EOM uit hoofde van de protocollen nr. 21 en nr. 22 VWEU, en dat Hongarije de enige overblijvende lidstaat is die nog niet tot het EOM is toegetreden; verzoekt de Hongaarse overheid onverwijld toe te treden tot het EOM; herinnert eraan dat er 680 000 handtekeningen zijn verzameld voor aansluiting bij het EOM, hetgeen wijst op een sterke maatschappelijke vraag naar betere juridische waarborgen tegen fraude en corruptie die de financiële belangen van de Unie schaden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>stelt vast dat de Ierse autoriteiten in 2023 geen grote vooruitgang hebben geboekt in de richting van deelname aan het EOM; herinnert eraan dat de weigering van Ierse autoriteiten om met het EOM mee te werken aan de uitvoering van verschillende verzoeken van de gedelegeerd Europees aanklagers om wederzijdse rechtshulp ertoe heeft geleid dat het EOM de situatie aan de Commissie heeft gemeld overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2020/2092<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (PB L 433I van 22.12.2020, blz. 1, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2092/oj</STRING>).</FIELD></FOOTNOTE>; is ingenomen met het daaropvolgende besluit van de Ierse autoriteiten tot wijziging van de nationale wetgeving die voorziet in het rechtskader voor wederzijdse rechtshulp aan het EOM en onderstreept dat de autoriteiten sinds 1 november 2023 wederzijdse rechtshulp verlenen aan het EOM op basis van deze eenzijdige erkenning; constateert dat er geen uitwisselingen hebben plaatsgevonden met de Ierse interdepartementale werkgroep die is opgericht om onderzoek te doen naar de mogelijke toekomstige deelname van Ierland aan het EOM; verzoekt de Commissie, het EOM en de Ierse autoriteiten met klem een constructieve dialoog aan te gaan om een doeltreffende manier van samenwerking te vinden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>blijft erbij dat de keuze van een lidstaat, of die nu deelneemt aan de nauwere samenwerking die het EOM tot stand heeft gebracht of niet, om niet samen te werken met het EOM, niches van immuniteit en voorrecht doet ontstaan die de verdediging van de financiële belangen van de Unie in het beste geval ongelijkmatig en inefficiënt maken; verzoekt de Commissie en de betrokken lidstaten andermaal alles in het werk te stellen om de weinige, maar niettemin uiterst belangrijke ontbrekende componenten in het huidige scenario te integreren en de deelname van de resterende niet-deelnemende lidstaten aan het EOM te bevorderen op een wijze die de doeltreffendheid van de bescherming van de begrotingen van de Unie en de lidstaten versterkt; verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de mate van samenwerking van de lidstaten met het EOM en dringt er bij de Commissie op aan inbreukprocedures in te leiden tegen lidstaten die door het EOM geleide onderzoeken systematisch belemmeren; is van mening dat lidmaatschap van het EOM een voorwaarde moet zijn voor het ontvangen van EU-middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>veroordeelt de onlangs gemelde systematische spionage die de Hongaarse regering heeft georganiseerd tegen OLAF-personeel tijdens een onderzoeksmissie naar het mogelijke misbruik van EU-middelen door ELIOS, een bedrijf dat banden heeft met de schoonzoon van de Hongaarse premier; benadrukt dat OLAF en het EOM, instellingen die hoekstenen zijn van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de EU, helaas niet alleen vanuit derde landen, maar ook binnen de EU-lidstaten worden blootgesteld aan dergelijke bedreigingen; benadrukt dat dergelijke acties de rechtsstaat en de integriteit van de EU-instellingen ernstig ondermijnen; dringt aan op de snelle vaststelling van robuuste beschermingsmaatregelen om het institutionele personeel van de EU dat op dienstreis is in de lidstaten, te beschermen en dergelijke onaanvaardbare schendingen in de toekomst te voorkomen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Communicatie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>stelt vast dat het EOM zich voortdurend inspant om zijn interne en externe communicatie te verbeteren; is ingenomen met de acties die via socialenetwerkplatforms worden uitgevoerd en spoort het EOM ertoe aan zijn proactieve en transparante aanpak te handhaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>is van mening dat het geven van uitleg over de interventies en operaties van het EOM en de achtergrond daarvan in de media en op sociale media de reputatie van de instellingen onder de burgers zou helpen versterken en de belastingbetalers bewuster zou helpen maken van de complexiteit van de bescherming van de financiële belangen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>is van mening dat goede en nauwkeurige communicatie van het EOM ook de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld zou bevorderen en de indiening van potentiële onderzoeksinput zou vergroten; begrijpt dat het EOM vraagt dat, waar mogelijk en passend, in elke standaardpresentatie voor extern publiek of bij conferenties en seminars een optie voor het melden van strafbare feiten wordt opgenomen; stelt vast dat de zakelijke website van het EOM in 2023 in een geheel nieuw jasje is gestoken en dat de nadruk daarbij vooral lag op het verbeteren van de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid ervan; merkt op dat de functie voor het melden van strafbare feiten nu duidelijk zichtbaar bovenaan elke webpagina is geplaatst, samen met een banner op de thuispagina waarop deze functie wordt benadrukt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>merkt op dat het EOM slechts beperkte middelen tot zijn beschikking heeft voor communicatie en dat het beheer van de website van het EOM, aangezien de digitale autonomie van het EOM moet worden vastgesteld, intern zal moeten worden ondergebracht, waarvoor, na het wegvallen van de dienstverlening van DG Digitale Diensten, aanvullende middelen nodig zullen zijn; onderstreept dat het toenemende volume en de gevoeligheid van de onderzoeken van het EOM onder de aandacht moeten worden gebracht bij uitwisselingen met de media, met journalisten, met burgers en met de academische wereld; verzoekt het EOM andermaal duidelijk het best mogelijke evenwicht te vinden tussen transparantie en openbaar belang enerzijds en vertrouwelijkheid en een goed verloop van het onderzoek anderzijds, en de neutraliteit van de communicatie over zijn activiteiten te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>herinnert aan het belang van transparantie bij de interactie van het EOM met externe actoren; dringt aan op de instelling van een verplicht openbaar register van alle bijeenkomsten tussen EOM-ambtenaren en vertegenwoordigers van derden, met inbegrip van lobbyisten en vertegenwoordigers van nationale regeringen, om ongepaste beïnvloeding te voorkomen en het vertrouwen van het publiek in de onafhankelijkheid van het EOM te versterken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>herinnert eraan dat de bevoegdheden van het EOM ook betrekking hebben op middelen van de Unie die in derde landen worden gebruikt; is van mening dat de werkafspraken met de bevoegde Oekraïense autoriteiten het niveau van de bescherming van de financiële belangen van de Unie doeltreffend kunnen verbeteren, overeenkomstig de desbetreffende toezeggingen die zijn gedaan om Oekraïne en zijn bevolking te steunen; is ingenomen met de inspanningen van de Oekraïense autoriteiten op het gebied van anticorruptiemaatregelen, maar herinnert eraan dat het land nog steeds te kampen heeft met een hoog corruptie- en fraudeniveau en dat extra voorzorgsmaatregelen en verdere anticorruptiemaatregelen nodig zijn om de transparantiedoelstellingen met succes te verwezenlijken; neemt kennis van het feit dat een overdracht van bewijsmateriaal heeft plaatsgevonden in het kader van de uitvoering van verzoeken om wederzijdse rechtshulp; is ingenomen met het vooruitzicht om met de Oekraïense autoriteiten een gezamenlijke taskforce op te richten om onderzoeken te coördineren; wijst de Commissie en de overige instellingen, organen en instanties van de Unie op het belang van de vaststelling en de tijdige indiening van onderzoeksinput bij het EOM.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>