<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0090</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Een vernieuwde langetermijnbegroting voor de Unie in een veranderende wereld</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0076/2025 - Rapporteur: Siegfried Mureşan, Carla Tavares)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 7 mei 2025 inzake een vernieuwde langetermijnbegroting voor de Unie in een veranderende wereld (2024/2051(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 311, 312, 323 en 324 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2093/oj.</FIELD></FOOTNOTE> en de bijbehorende gezamenlijke verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie en de unilaterale verklaringen daaromtrent,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom<FOOTNOTE><FIELD>PB L 424 van 15.12.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2020/2053/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie van 23 juni 2023 voor een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2023)0331),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2020/1222/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (“het IIA”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (“het Financieel Reglement”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2092/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (“de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn standpunt van 27 februari 2024 over de ontwerpverordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6751, 26.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6751/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 10 mei 2023 getiteld “Eigen middelen: een nieuwe start voor de financiën van de EU, een nieuwe start voor Europa”<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2023/1067, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1067/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 december 2022 over het opschalen van het meerjarig financieel kader 2021-2027: een veerkrachtige EU-begroting die geschikt is voor nieuwe uitdagingen<FOOTNOTE><FIELD>PB C 177 van 17.5.2023, blz. 115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn standpunt van 16 december 2020 over het ontwerp van verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027<FOOTNOTE><FIELD>PB C 445 van 29.10.2021, blz. 240.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten van 13 december 2017<FOOTNOTE><FIELD>PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10.</FIELD></FOOTNOTE> en het actieplan van de Commissie van 4 maart 2021 voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten (COM(2021)0102),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst die op 19 december 2022 is aangenomen tijdens de 15e Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15) in Montreal (het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Overeenkomst die op 12 december 2015 is aangenomen tijdens de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP21) in Parijs (de Overeenkomst van Parijs),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 30 oktober 2024 van Sauli Niinistö over de versterking van de civiele en militaire paraatheid van Europa getiteld “Safer together – strengthening Europe’s civilian and military preparedness and readiness” (het Niinistö-verslag),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 9 september 2024 van Mario Draghi over de toekomst van het Europese concurrentievermogen (het Draghi-verslag),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 4 september 2024 over de resultaten van de strategische dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU, getiteld “A shared prospect for farming and food in Europe”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 17 april 2024 van Enrico Letta getiteld “Much more than a market – speed, security, solidarity: empowering the Single Market to deliver a sustainable future and prosperity for all EU Citizens” (het Letta-verslag),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 20 februari 2024 van de groep op hoog niveau over de toekomst van het cohesiebeleid getiteld “Forging a sustainable future together – cohesion for a competitive and inclusive Europe”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Verklaring van Boedapest over de nieuwe deal voor het Europees concurrentievermogen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van 26 maart 2025 over de strategie voor een paraatheidsunie (JOIN(2025)0130),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het gezamenlijk witboek van 19 maart 2025 over de gereedheid van de Europese defensie 2030 (JOIN(2025)0120),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 7 maart 2025 getiteld “Een routekaart voor vrouwenrechten” (COM(2025)0097),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2025 getiteld “De Clean Industrial Deal: Een gezamenlijke routekaart voor concurrentievermogen en decarbonisatie” (COM(2025)0085),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 19 februari 2025 getiteld “Een visie voor landbouw en voedsel” (COM(2025)0075),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 februari 2025 getiteld “De weg naar het volgende meerjarig financieel kader” (COM(2025)0046),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 29 januari 2025 getiteld “Het EU-kompas voor concurrentievermogen” (COM(2025)0030),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 9 december 2021 getiteld “Bouwen aan een economie die werkt voor de mensen: een actieplan voor de sociale economie” (COM(2021)0778),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 maart 2025, 6 maart 2025 en 19 december 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de politieke beleidslijnen van 18 juli 2024 voor de volgende Europese Commissie 2024-2029,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 20 november 2024 getiteld “EU-begroting en plaatsgebonden beleid: voorstellen voor nieuwe ontwerp- en uitvoeringsmechanismen in het MFK na 2027”<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2025/279, 24.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/279/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A10-0076/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat artikel 311 VWEU vereist dat de Unie zich voorziet van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en aan haar beleid uitvoering te geven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de begroting van de Unie in de eerste plaats een investeringsinstrument is waarmee schaalvoordelen kunnen worden behaald die op het niveau van de lidstaten onhaalbaar zijn en waarmee Europese collectieve goederen kunnen worden ondersteund, met name door middel van grensoverschrijdende projecten; overwegende dat alle uitgaven uit de begroting van de Unie een Europese meerwaarde moeten bieden en waarneembare nettovoordelen moeten opleveren in vergelijking met uitgaven op nationaal of subnationaal niveau, wat tot echte en duurzame resultaten moet leiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat uitgaven uit de begroting van de Unie, op voorwaarde dat zij doelgericht, afgestemd op de politieke prioriteiten van de Unie en beter gecoördineerd met uitgaven op nationaal niveau zijn, versnippering van de eengemaakte markt helpen voorkomen, opwaartse convergentie bevorderen, ongelijkheden verminderen en het algehele effect van overheidsinvesteringen helpen vergroten; overwegende dat overheidsinvesteringen essentieel zijn als katalysator voor particuliere investeringen in sectoren waar de markt alleen de vereiste investeringen niet kan genereren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het herstelinstrument NextGenerationEU (NGEU), dat is ingesteld in de nasleep van de COVID-19-pandemie, een aanzienlijke extra investeringscapaciteit van 750 miljard EUR in prijzen van 2018 – bovenop de begroting van de Unie, wat neerkomt op 1,1 % van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU-27 – mogelijk heeft gemaakt, hetgeen heeft geleid tot een snel herstel en een terugkeer naar groei en de groene en de digitale transitie heeft ondersteund; overwegende dat NGEU na 2027 niet langer van kracht zal zijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de lidstaten in 2022 gemiddeld 1,4 % van hun bruto binnenlands product (bbp) aan staatssteun hebben besteed — aanzienlijk meer dan hun bijdrage aan de begroting van de Unie – en dat meer dan de helft van de staatssteun geen verband houdt met crises;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de begroting van de Unie, gesteund door NGEU en leningen via de SURE-regeling, een belangrijke rol heeft gespeeld bij het verlichten van de economische en sociale gevolgen van de COVID-19-crisis en bij het reageren op de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne; overwegende dat de begroting van de Unie qua omvang, structuur en regels nog steeds onvoldoende is toegerust om haar rol bij de aanpassing aan veranderende uitgavenbehoeften, het opvangen van schokken en het reageren op crises ten volle te vervullen, praktische uitvoering te geven aan het solidariteitsbeginsel en de Unie in staat te stellen haar doelstellingen zoals vastgelegd in de Verdragen te verwezenlijken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat mensen terecht meer van de Unie en haar begroting verwachten, waaronder het vermogen om snel en doeltreffend in te spelen op veranderende behoeften en het bieden van de nodige ondersteuning, met name in tijden van crisis;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de politieke, economische en sociale context sinds de vaststelling van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) ingrijpend is veranderd, waardoor de onderliggende structurele uitdagingen voor de Unie nog groter zijn geworden en het MFK in 2024 grondig is herzien;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de context waarin de Commissie haar voorstellen voor het MFK voor de periode na 2027 zal voorbereiden net zo uitdagend is, aangezien de gevestigde mondiale en geopolitieke orde snel en ingrijpend verandert en gezien de terugkeer van grootschalige oorlogsvoering in de onmiddellijke nabijheid van de Unie, een zeer uitdagende economische en sociale situatie en de groeiende klimaat- en biodiversiteitscrisis; overwegende dat, zoals de Commissie duidelijk heeft gemaakt, een status quo geen optie is en dat de begroting van de Unie dienovereenkomstig moet worden gewijzigd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de regering van de VS heeft besloten het land terug te trekken uit zijn mondiale naoorlogse rol bij het waarborgen van vrede en veiligheid, zijn leidende rol in de mondiale governance in de op regels gebaseerde multilaterale internationale orde en zijn rol bij het verlenen van essentiële ontwikkelingshulp en humanitaire hulp aan de meest behoeftigen overal ter wereld; overwegende dat de Unie daarom meer inspanningen zal moeten leveren om een deel van de leemte op te vullen die de VS lijkt achter te laten, waardoor extra eisen worden gesteld aan de begroting;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de Unie heeft toegezegd alles te doen wat nodig is om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, en om de natuur te beschermen en het biodiversiteitsverlies terug te dringen; overwegende dat er aanzienlijke investeringen nodig zullen zijn om het beleidskader uit te voeren dat is opgesteld om deze doelstelling te verwezenlijken; overwegende dat de begroting van de Unie een sleutelrol zal moeten spelen bij het verstrekken en stimuleren van die investeringen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat er, teneinde de tekortkomingen van de begroting te compenseren, talloze alternatieve oplossingen zijn gevonden die de begroting ondoorzichtiger maken, waardoor de bevolking in het ongewisse blijft over de werkelijke omvang van de uitgaven van de Unie, de voorspelbaarheid op langere termijn van de investeringen die de begroting moet bieden, wordt ondermijnd en niet alleen het beginsel van begrotingseenheid wordt uitgehold, maar ook de rol van het Parlement als wetgever en begrotings- en kwijtingsautoriteit en zijn functie bij het ter verantwoording roepen van de uitvoerende macht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de Unie is gegrondvest op de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren; overwegende dat schendingen van die waarden de cohesie van de Unie ondermijnen, de rechten van de burgers van de Unie verzwakken en het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten aantasten;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt dat het volgende MFK, in een snel veranderende wereld waarin mensen terecht meer van de Unie en haar begroting verwachten en de Unie met een toenemend aantal crises wordt geconfronteerd, moet worden voorzien van meer middelen dan in de periode 2021-2027, waarbij wordt afgestapt van het historisch restrictieve, zelfopgelegde niveau van 1 % van het bni;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>onderstreept dat het volgende MFK gericht moet zijn op de financiering van Europese collectieve goederen, waar sprake is van een waarneembare toegevoegde waarde ten opzichte van financiering via nationale uitgaven; benadrukt de noodzaak van meer synergieën en een betere coördinatie tussen de uitgaven van de Unie en die van de lidstaten; benadrukt dat met de uitgaven grote uitdagingen zullen moeten worden aangepakt, zoals de terugkeer van grootschalige oorlogsvoering in de onmiddellijke nabijheid van de Unie, een zeer uitdagende economische en sociale situatie en de groeiende klimaat- en biodiversiteitscrisis;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>is van mening dat de door de Commissie beoogde benadering van “één nationaal plan per lidstaat”, met het model van de herstel- en veerkrachtfaciliteit als blauwdruk, niet de basis kan vormen voor uitgaven onder gedeeld beheer na 2027; onderstreept dat de opzet van uitgaven onder gedeeld beheer in het kader van het volgende MFK de rol van het Parlement als wetgever en begrotings- en kwijtingsautoriteit volledig moet waarborgen en moet worden ontworpen en uitgevoerd door middel van nauwe samenwerking met regionale en lokale autoriteiten en alle relevante belanghebbenden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>dringt erop aan dat het volgende MFK economische, sociale en territoriale cohesie blijft ondersteunen om de Unie te helpen verbinden, de eengemaakte markt te verdiepen, convergentie te bevorderen, en ongelijkheid, armoede en sociale uitsluiting te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>is van mening dat het idee van een overkoepelend Fonds voor concurrentievermogen waarin bestaande programma’s worden samengevoegd, zoals beoogd door de Commissie, niet geschikt is voor het beoogde doel; benadrukt dat het fonds in plaats daarvan een nieuw instrument moet zijn dat gebruikmaakt van een pakket financieringsinstrumenten op basis van de lessen die zijn getrokken uit InvestEU en het Innovatiefonds en een aanvulling vormt op bestaande, zeer succesvolle programma’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>benadrukt dat er, met name in het licht van de terugtrekking van de VS uit zijn mondiale rol bij het waarborgen van vrede en veiligheid, duidelijk behoefte is aan vooruitgang in de richting van een echte defensie-unie, waarbij het volgende MFK een alomvattende veiligheidsaanpak ondersteunt door middel van meer investeringen; benadrukt dat defensie-uitgaven niet ten koste mogen gaan van langetermijninvesteringen in de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie, en niet mogen leiden tot een vermindering van dergelijke investeringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>pleit voor echte vereenvoudiging voor eindbegunstigden door vermijding van programma’s met overlappende doelstellingen, uiteenlopende subsidiabiliteitscriteria en verschillende regels voor horizontale bepalingen; onderstreept dat vereenvoudiging niet kan betekenen dat de Commissie meer speelruimte krijgt zonder de nodige checks-and-balances en dat vereenvoudiging derhalve moet worden bereikt met volledige inachtneming van het institutionele evenwicht waarin de Verdragen voorzien;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>dringt aan op grotere ingebouwde crisisresponscapaciteit in het volgende MFK en op voldoende marges in elke rubriek; benadrukt dat uitgavenprogramma’s, naast voorspelbaarheid voor investeringen, een aanzienlijke ingebouwde flexibiliteitsreserve moeten aanhouden, waarbij de begrotingsautoriteit over de toewijzing aan specifieke beleidsdoelstellingen beslist; onderstreept dat flexibiliteit voor humanitaire hulp moet worden bedongen; is van mening dat het MFK voor de periode na 2027 twee speciale instrumenten moet omvatten: één instrument om solidariteit bij natuurrampen te waarborgen en één instrument voor algemene crisisrespons;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>benadrukt dat eerbiediging van de waarden van de Unie en van de grondrechten een essentiële voorwaarde is voor toegang tot EU-middelen; dringt erop aan dat de begroting van de Unie wordt beschermd tegen misbruik, fraude en schendingen van de beginselen van de rechtsstaat en roept op tot een sterker verband tussen de rechtsstaat en de begroting van de Unie voor de periode na 2027;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>onderstreept dat de terugbetaling van leningen in het kader van NGEU de financiering van EU-beleid en -prioriteiten niet in gevaar mag brengen; benadrukt daarom dat alle kosten in verband met leningen die worden gedekt door de begroting van de Unie of de begrotingsruimte afzonderlijk worden behandeld van kredieten voor EU-programma’s binnen de toekomstige MFK-architectuur;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>verzoekt de Raad om met spoed nieuwe eigen middelen vast te stellen om een duurzame terugbetaling van leningen in het kader van NGEU mogelijk te maken; benadrukt dat nieuwe echte eigen middelen, naast het IIA, essentieel zijn voor de hogere uitgavenbehoeften van de Unie; is van mening dat alle instrumenten en hulpmiddelen moeten worden onderzocht om de Unie van de nodige middelen te voorzien, en is in dit verband van mening dat gezamenlijke leningen een haalbare optie zijn om ervoor te zorgen dat de Unie over voldoende middelen beschikt om te reageren op acute Uniebrede crises, zoals de huidige crisis op het gebied van veiligheid en defensie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>is bereid constructief samen te werken met de Raad en de Commissie om een langetermijnbegroting op te stellen die tegemoetkomt aan de behoeften van de Unie; benadrukt dat het MFK voor de periode na 2027 is ontworpen in een situatie die verre van standaard is en neemt zijn institutionele rol, zoals verankerd in de Verdragen, serieus; beklemtoont dat het alleen een langetermijnbegroting goedkeurt die geschikt is voor het beoogde doel van de Unie in een veranderende wereld en roept op tot een snelle goedkeuring van het MFK om de tijdige uitvoering van uitgavenprogramma’s vanaf 1 januari 2028 mogelijk te maken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een langetermijnbegroting met een hernieuwde focus op uitgaven</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>is van mening dat de focus op uitgaven van het MFK voor de periode na 2027, gezien de structurele uitdagingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd, moet worden aangepast om ervoor te zorgen dat de Unie haar strategische beleidsdoelstellingen kan verwezenlijken, zoals hieronder uiteengezet;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Concurrentievermogen, strategische autonomie, sociale, economische en territoriale cohesie en veerkracht</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>is ervan overtuigd dat het stimuleren van het concurrentievermogen, het koolstofvrij maken van de economie en het vergroten van de innovatiecapaciteit van de Unie de belangrijkste prioriteiten zijn voor het MFK voor de periode na 2027 en van cruciaal belang zijn om te zorgen voor duurzame en inclusieve groei op lange termijn en een bloeiende, veerkrachtigere economie en samenleving;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>is van mening dat de Unie een kader voor concurrentievermogen moet ontwikkelen dat strookt met haar eigen waarden en politieke doelstellingen, en dat concurrentievermogen niet alleen economische groei moet bevorderen, maar ook sociale, economische en territoriale cohesie en ecologische duurzaamheid, zoals wordt benadrukt in zowel het Draghi-verslag als het Letta-verslag;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>benadrukt dat, zoals uiteengezet in het Letta-verslag en het Draghi-verslag, de Europese economie en het Europees sociale model onder zware druk staan, waarbij de kloof op het gebied van productiviteit, concurrentievermogen en vaardigheden van invloed is op de kwaliteit van banen en de levensstandaard van Europeanen die al met hoge huizen-, energie- en voedselprijzen worstelen; is bezorgd dat een gebrek aan werkgelegenheid en de hoge kosten van levensonderhoud het risico op braindrain uit Europa vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>wijst erop dat Draghi de jaarlijkse investeringskloof met betrekking tot innovatie en infrastructuur tussen 2025 en 2030 op 750 tot 800 miljard EUR per jaar raamt; onderstreept dat de begroting van de Unie een cruciale rol moet spelen, maar dit voorzien tekort niet alleen kan dekken, en dat het grootste deel van de inspanningen van de particuliere sector zal moeten komen; wijst erop dat synergieën tussen overheids- en particuliere investeringen moeten worden benut, met name door de investeringsarchitectuur van de EU te vereenvoudigen en te harmoniseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>benadrukt dat de begroting van de Unie zorgvuldig met de nationale uitgaven moet worden gecoördineerd om complementariteit te waarborgen, en dat deze zodanig moet worden ontworpen dat zij particuliere investeringen op doeltreffende wijze minder risicovol kan maken en deze kan mobiliseren en aantrekken, zodat startende ondernemingen en kmo’s gemakkelijker toegang krijgen tot financiering; dringt er derhalve op aan dat programma’s zoals InvestEU, dat voor additionaliteit zorgt en een marktgebaseerde, vraaggerichte aanpak volgt, in het volgende MFK aanzienlijk worden versterkt; is van mening dat financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties ervoor zorgen dat middelen doeltreffend worden gebruikt om kritieke beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken en dringt aan op verdere vereenvoudiging ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>dringt erop aan dat meer wordt gedaan om het potentieel van de rol van de Europese Investeringsbank Groep (EIB-groep), samen met andere internationale en nationale financiële instellingen, te maximaliseren inzake het verstrekken van leningen en risicovermindering op strategische beleidsterreinen, zoals het klimaat en, recentelijk, veiligheids- en defensieprojecten; dringt aan op een grotere risicobereidheid en ambitie van de EIB-groep om investeringen aan te trekken, op basis van een sterke kapitaalpositie, en op een versterkt investeringspartnerschap om ervoor te zorgen dat elke euro die op het niveau van de Unie wordt uitgegeven op de meest doeltreffende manier wordt gebruikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt dat de financiering voor onderzoek en innovatie, met inbegrip van ondersteuning voor fundamenteel onderzoek, aanzienlijk moet worden verhoogd, op de strategische prioriteiten van de Unie gericht moet zijn, en door het beginsel van excellentie bepaald en op basis van verdienste gebaseerd moet blijven; is van mening dat er in het MFK en op nationaal niveau voldoende middelen moeten zijn om alle hoogwaardige projecten gedurende de hele innovatiecyclus te financieren en de doelstelling van 3 % van het bbp voor uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling tegen 2030 te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>benadrukt dat in het volgende MFK, voortbouwend op de huidige Connecting Europe Facility, veel meer rechtstreeks beheerde financiering moet worden uitgetrokken voor energie, vervoer en digitale infrastructuur, met prioriteit voor grensoverschrijdende verbindingen en nationale verbindingen met Europese meerwaarde; is van mening dat dergelijke infrastructuur een absolute voorwaarde is voor een succesvolle verdieping van de eengemaakte markt en voor de vergroting van de veerkracht van de Unie in een veranderende geopolitieke orde;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>wijst erop dat een veilige en robuuste ruimtevaartsector van cruciaal belang is voor de autonomie en soevereiniteit van de Unie en derhalve duurzame investeringen vereist;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>benadrukt dat een meer concurrerende, productieve en sociaal inclusieve economie bijdraagt aan het creëren van goed betaalde, hoogwaardige banen, waardoor de levensstandaard van mensen toeneemt; benadrukt dat de begroting van de Unie via programma’s als het Europees Sociaal Fonds+ en Erasmus+ een belangrijke rol kan spelen bij de ondersteuning van onderwijs- en opleidingsstelsels, de versterking van de sociale inclusie, en de vergroting van het aanpassingsvermogen van werknemers door bij- en omscholing om op die manier mensen voor te bereiden op werk in een moderne economie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>dringt erop aan dat de begroting van de Unie bestemd blijft voor belangrijke economische en banenscheppende sectoren waarin de Unie al wereldleider is, zoals het toerisme en de culturele en creatieve sector; onderstreept de noodzaak van specifieke financiering voor het toerisme in de begroting van de Unie voor de periode na 2027, onder meer voor de uitvoering van de EU-strategie voor duurzaam toerisme; wijst op het belang van Creatief Europa wat betreft de bijdrage aan de diversiteit en het concurrentievermogen van Europa en de ondersteuning van levendige samenlevingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>wijst erop dat de Europese economie, teneinde te kunnen concurreren met andere grote mondiale spelers, ook aan de aanbodzijde concurrerender en veerkrachtiger moet worden door meer te investeren in de open strategische autonomie van de Unie door middel van versterkt industriebeleid en een focus op strategische sectoren, hulpbronnenefficiëntie en kritieke technologieën om de afhankelijkheid van derde landen te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>is gezien het bovenstaande van mening dat het idee van een overkoepelend Fonds voor concurrentievermogen waarin bestaande programma’s worden samengevoegd, zoals beoogd door de Commissie, niet geschikt is voor het beoogde doel; benadrukt dat het fonds in plaats daarvan een nieuw instrument moet zijn dat gebruikmaakt van een pakket financieringsinstrumenten op basis van de lessen die zijn getrokken uit InvestEU en het Innovatiefonds; wijst erop dat de Unie krachtens artikel 182 VWEU een kaderprogramma voor onderzoek moet vaststellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>merkt op dat de Commissie in haar mededeling over het kompas voor concurrentievermogen stelt dat er een nieuw instrument voor de coördinatie van het concurrentievermogen moet worden opgezet om het industrie- en onderzoeksbeleid en de investeringen op EU- en nationaal niveau beter op elkaar af te stemmen; merkt op dat het voorgestelde nieuwe instrument wordt overwogen als onderdeel van een “nieuw, efficiënt sturingsmechanisme” dat bedoeld is om het verband tussen de algemene beleidscoördinatie en de EU-begroting te versterken; dringt erop aan dat het Parlement in beide mechanismen een volwaardige rol speelt bij de besluitvorming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>benadrukt dat voedselzekerheid een essentieel onderdeel is van strategische autonomie en dat het volgende MFK het concurrentievermogen en de veerkracht van de landbouw- en visserijsectoren van de Unie moet blijven steunen, met inbegrip van kleine landbouwbedrijven en jonge landbouwers en vissers, en de sectoren moet helpen zowel het klimaat en de biodiversiteit als zeeën en oceanen beter te beschermen; onderstreept dat een modern en vereenvoudigd gemeenschappelijk landbouwbeleid van cruciaal belang is voor het verhogen van de productiviteit door technische vooruitgang, het waarborgen van een redelijke levensstandaard voor landbouwers, het garanderen van voedselzekerheid en de productie van veilig, hoogwaardig en betaalbaar voedsel voor Europeanen, waarbij generatievernieuwing en waarborging van de levensvatbaarheid van plattelandsgebieden worden bevorderd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>wijst erop dat de landbouwsector bijzonder kwetsbaar is voor inflatieschokken die de koopkracht van landbouwers aantasten; dringt aan op een verhoogde en specifieke begroting voor het GLB in het volgende MFK, waarbij het GLB wordt beschermd tegen mogelijke bezuinigingen, om de integriteit en het gemeenschappelijke karakter ervan te behouden, evenals de samenhang en onderlinge koppeling tussen zijn eerste en tweede pijler, en is daarom gekant tegen het idee om het GLB in één fonds voor elke lidstaat te integreren; dringt erop aan waar nodig aanvullende specifieke financieringsbronnen te verkennen, ook buiten het GLB, om het hoofd te bieden aan natuurrampen en landbouwers en bosbouwers te stimuleren om bij te dragen aan de beperking van de klimaatverandering, het herstel van de biodiversiteit en de natuurbescherming, zonder dat de maatregelen ertoe leiden dat de landbouwproductie in de EU terugloopt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>benadrukt dat de nieuwe mondiale uitdagingen waarmee landbouwers in de EU worden geconfronteerd, waaronder de huidige geopolitieke situatie, klimaatverandering en stijgende prijzen van productiemiddelen, een degelijke financiële toewijzing in het volgende GLB vereisen; benadrukt dat het GLB, om deze uitdagingen het hoofd te bieden, rekening houdend met de lessen die zijn getrokken uit de COVID-19-crisis, en om verlagingen van de steun aan landbouwers te voorkomen, dringend behoefte heeft aan een verhoogde begroting in het volgende MFK, die wordt geïndexeerd voor inflatie door middel van een jaarlijkse herbeoordeling; onderstreept in dit verband dat rechtstreekse betalingen in hun huidige vorm een duidelijke meerwaarde voor de EU genereren en de inkomenszekerheid, productie en bescherming tegen prijsschommelingen moeten blijven versterken en meer gericht moeten zijn op personen die actief deelnemen aan de landbouwproductie en de levering van collectieve goederen, met inachtneming van realistische en evenwichtige milieu- en sociale normen van de EU; dringt aan op een eerlijke en efficiënte verdeling van GLB-steun binnen en tussen de lidstaten; dringt aan op de voortzetting en versterking van maatregelen die de productie in kwetsbare gebieden in stand houden en de levensvatbaarheid van plattelandsgemeenschappen en de toereikendheid van de openbare infrastructuur waarborgen, met name wat betreft digitalisering en voornamelijk via het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en de hernieuwde betrokkenheid van de lokale en regionale overheden bij het beheer van dergelijke maatregelen; wijst erop dat de landbouwreserve moet worden verhoogd en hervormd om doeltreffend en snel te kunnen reageren op toekomstige crises die de Europese landbouwsector het hoofd zal moeten bieden, en dat er nieuwe instrumenten moeten worden ingevoerd om natuurlijke, markt- en gezondheidsrisico’s te beheren, zoals een EU-herverzekeringsregeling om de gevolgen van crises in de toekomst beter te kunnen ondervangen en landbouwers meer stabiliteit te bieden; benadrukt dat er specifieke oplossingen moeten worden gevonden voor de landbouwers in Oost-Europa die het zwaarst worden getroffen door de zich opeenstapelende negatieve gevolgen van de Russische oorlog tegen Oekraïne, zoals hoge prijzen van productiemiddelen, inflatie en marktverstoringen; dringt er bij de Commissie op aan het noodzakelijke financiële en juridische kader voor de voedselvoorzieningsketen te blijven opzetten om de positie van landbouwers te versterken en oneerlijke handelspraktijken beter te bestrijden; verzoekt de Commissie landbouwers in de EU te ondersteunen door agrovoedingsproducten binnen en buiten de Unie te promoten door middel van een dynamisch en sterker afzetbevorderingsbeleid van de EU; betreurt de bezuinigingen op het afzetbevorderingsprogramma voor landbouwproducten in de herziening van het huidige MFK; benadrukt dat het volgende MFK specifieke middelen moet omvatten voor agrotoerisme, vrouwelijk ondernemerschap, beroepsopleiding en technologische innovatie in de landbouw;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>wijst erop dat sociale, economische en territoriale cohesie een hoeksteen van de Europese integratie vormt en van cruciaal belang is voor de cohesie van de Unie en de verdieping van de eengemaakte markt; bevestigt in dit verband het belang van het convergentieproces; benadrukt dat een gemoderniseerd cohesiebeleid een gedecentraliseerde, plaatsgebonden benadering van bestuur op verschillende niveaus moet volgen en gebaseerd moet zijn op het beginsel van gedeeld beheer en partnerschap, met volledige betrokkenheid van de lokale en regionale overheden en relevante belanghebbenden, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de middelen worden ingezet waar zij het hardst nodig zijn om de regionale verschillen te verkleinen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>wijst erop dat de financiering van het cohesiebeleid gericht moet zijn op de belangrijkste uitdagingen waar de Unie voor staat, zoals demografische veranderingen en ontvolking, en op de meest behoeftige regio’s en mensen; pleit bovendien voor een betere toegang tot EU-financiering voor steden, regio’s en stedelijke autoriteiten; wijst erop dat de Unie op grond van artikel 349 VWEU specifieke maatregelen voor de ultraperifere gebieden moet nemen en benadrukt daarom de noodzaak van voortgezette, gerichte steun voor deze regio’s in het volgende MFK, onder meer via een versterkt programma van speciaal op een afgelegen en insulair karakter afgestemde maatregelen (Posei);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>wijst op het belang van de sociale dimensie van de Europese Unie en van het bevorderen van de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, het bijbehorende actieplan en de kerndoelen ervan; benadrukt dat de begroting van de Unie daarom een cruciale rol moet spelen bij het terugdringen van ongelijkheid, armoede en sociale uitsluiting, onder meer door kinderen, gezinnen en kwetsbare groepen te ondersteunen; wijst erop dat rond de twintig miljoen kinderen in de Unie met armoede en sociale uitsluiting worden bedreigd; benadrukt dat de aanpak van kinderarmoede in de hele Unie voldoende gefinancierde, alomvattende en geïntegreerde maatregelen vereist, alsook de efficiënte uitvoering van de Europese kindergarantie op nationaal niveau; benadrukt dat het Parlement consequent heeft verzocht om een specifieke begroting binnen het ESF+ ter ondersteuning van de kindergarantie als centrale pijler van de EU-armoedebestrijdingsstrategie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>benadrukt in dit verband de EU-brede huisvestingscrisis, die miljoenen gezinnen en jongeren treft; benadrukt de noodzaak van meer steun voor huisvesting via de begroting van de Unie, met name via het cohesiebeleid, en via andere financieringsbronnen, zoals de EIB-groep en nationale stimuleringsbanken; erkent dat financiering door de Unie alleen weliswaar de huisvestingscrisis niet kan oplossen, maar wel een cruciale rol kan spelen bij de financiering van dringende maatregelen en een aanvulling kan vormen op bredere inspanningen van de Unie en de lidstaten om de betaalbaarheid van huisvesting te verbeteren en de energie-efficiëntie van het woningbestand te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>wijst erop dat de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne aanzienlijke economische en sociale gevolgen heeft gehad, met name in de lidstaten die aan Rusland en Belarus grenzen; dringt erop aan dat het volgende MFK steun biedt aan deze regio’s;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">De groene en de digitale transitie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>benadrukt dat de groene en de digitale transitie onlosmakelijk verbonden zijn met het concurrentievermogen, de modernisering van de economie en de veerkracht van de samenleving en als katalysator fungeren voor een toekomstgerichte en hulpbronnenefficiënte economie; dringt er daarom op aan dat het MFK voor de periode na 2027 de dubbele transitie blijft ondersteunen en versnellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>herinnert eraan dat de begroting van de Unie een essentiële bijdrage levert aan de verwezenlijking van klimaatneutraliteit tegen 2050, onder meer door steun voor de doelstellingen voor 2030 en 2040; onderstreept dat de transitie een decarbonisatie van de economie vereist, met name door de inzet van schone technologieën, verbeterde energie- en vervoersinfrastructuur en energie-efficiëntere huisvesting; neemt er kennis van dat de Commissie de extra investeringen die nodig zijn om tegen 2050 klimaatneutraliteit te verwezenlijken, raamt op 1,5 % van het bbp per jaar ten opzichte van de periode 2011-2020 en dat de begroting van de Unie alleen de kloof weliswaar niet kan dichten, maar wel een essentiële bijdrage moet blijven leveren; dringt daarom aan op meer rechtstreeks beheerde steun voor de bescherming van het milieu en de biodiversiteit en voor klimaatactie, voortbouwend op het huidige LIFE-programma;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>benadrukt dat de industrie een centrale rol zal spelen in de transitie naar broeikasgasneutraliteit en de totstandbrenging van de energie-unie en dat steun nodig zal zijn om bepaalde industriële sectoren en hun werknemers te helpen bij de aanpassing; benadrukt het belang van een rechtvaardige transitie waarbij niemand mag worden achtergelaten en die onder meer investeringen vereist in regio’s die sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen, alsook meer steun voor kwetsbare huishoudens, met name via het mechanisme voor een rechtvaardige transitie en het Sociaal Klimaatfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>wijst op de ingrijpende technologische verschuiving die gaande is, waarbij technologieën zoals artificiële intelligentie en kwantumtechnologie zowel kansen creëren wat betreft het economisch potentieel en mondiaal leiderschap van de Unie en verbeteringen in het leven van de burgers, als uitdagingen op het gebied van betrouwbaarheid, ethiek en soevereiniteit met zich meebrengen; wijst erop dat het volgende MFK het onderzoek naar en de ontwikkeling en veilige toepassing van digitale technologieën moet ondersteunen en mensen moet helpen de kennis en vaardigheden te verbeteren die zij nodig hebben voor de inzet en het gebruik van deze technologieën;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Veiligheid, defensie en paraatheid</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>wijst erop dat vrede en veiligheid de grondslag vormen voor de welvaart, het sociale model en het concurrentievermogen van de Unie en een essentiële pijler vormen van de geopolitieke status van de Unie; benadrukt dat het volgende MFK een alomvattende veiligheidsaanpak moet ondersteunen door aanzienlijk meer te investeren in de bescherming van de Unie tegen de talloze bedreigingen waarmee zij wordt geconfronteerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>onderstreept dat, zoals in het Niinistö-verslag duidelijk wordt gemaakt, meerdere bedreigingen samen zorgen voor grotere instabiliteit en kwetsbaarheid van de Unie, met name de fragmentatie van de wereldorde, de veiligheidsbedreiging die uitgaat van Rusland en Belarus, de toenemende spanningen wereldwijd, vijandige internationale actoren, de globalisering van criminele netwerken, hybride campagnes – waaronder cyberaanvallen, buitenlandse informatiemanipulatie, desinformatie en inmenging, en de instrumentalisering van migratie – steeds vaker voorkomende extreme weergebeurtenissen als gevolg van klimaatverandering, en gezondheidsbedreigingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>wijst erop dat de Unie een cruciale rol heeft gespeeld bij het bereiken van duurzame vrede op haar grondgebied en dit moet blijven doen door zich aan te passen aan de realiteit van oorlog vlakbij haar grenzen en de noodzaak om defensie-infrastructuur en -vermogens en -gereedheid aanzienlijk te vergroten, onder meer via de begroting van de Unie, en daarbij veel verder te gaan dan de huidige toewijzing van minder dan 2 % van het MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>merkt op dat de Europese defensievermogens te lijden hebben onder tientallen jaren van onderinvestering en dat de kloof op het gebied van defensie-uitgaven volgens de Commissie momenteel 500 miljard EUR bedraagt voor het komende decennium; benadrukt dat de begroting van de Unie alleen de kloof niet kan dichten, maar wel een belangrijke rol moet spelen, samen met de nationale begrotingen en met de nadruk op een duidelijke toegevoegde waarde voor de EU; is van mening dat de begroting van de Unie en de via de EIB-groep verstrekte leningen investeringen in defensie kunnen helpen stimuleren; benadrukt dat defensie-uitgaven niet ten koste mogen gaan van sociale en milieu-uitgaven, noch mogen leiden tot een vermindering van de financiering van gevestigd beleid van de Unie dat zijn waarde in de loop der tijd heeft bewezen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>onderstreept de verdiensten van de defensieprogramma’s en -instrumenten die tijdens het huidige MFK zijn ingevoerd, die gezamenlijk onderzoek, en gezamenlijke productie en aanbestedingen op het gebied van defensie hebben bevorderd, en die een waardevolle basis vormen voor de verdere ontwikkeling van beleid en investeringen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>benadrukt dat er, gezien de geopolitieke situatie, duidelijk behoefte is aan actie en vooruitgang in de richting van een echte defensie-unie, in coördinatie met de NAVO en met volledige inachtneming van de verbintenissen inzake neutraliteit van de afzonderlijke lidstaten; is het in dit verband eens met de analyse van de Commissie dat het volgende MFK moet voorzien in een alomvattend en robuust kader ter ondersteuning van de EU-defensie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>benadrukt het belang van een concurrerende en veerkrachtige Europese technologische en industriële defensiebasis; is van mening dat versterking van gezamenlijke investeringen op EU-niveau in defensie in het volgende MFK, ondersteund door een duidelijke en transparante governancestructuur, dubbel werk kan helpen voorkomen en schaalvoordelen kan opleveren, en de lidstaten aldus in staat kan stellen aanzienlijke besparingen te realiseren, versnippering te verminderen en de interoperabiliteit van uitrusting en systemen te waarborgen; onderstreept het belang van technologie in moderne defensiesystemen en derhalve van investeringen in onderzoek, cyberdefensie en -beveiliging en in producten voor tweeërlei gebruik; wijst op de noodzaak de steun te richten op de defensie-industrie binnen de Unie, om zo de strategische autonomie te vergroten, hoogwaardige en hooggekwalificeerde banen te scheppen, innovatie te stimuleren en grensoverschrijdende kansen te creëren voor EU-bedrijven, met inbegrip van kmo’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>wijst op het belang van meer steun in de begroting voor militaire mobiliteit, ter verbetering van de infrastructuur voor tweeërlei gebruik – voor zowel militaire als civiele doeleinden – waardoor de grootschalige verplaatsing van militaire uitrusting en personeel op korte termijn mogelijk wordt en aldus wordt bijgedragen aan de defensievermogens en collectieve veiligheid van de Unie; benadrukt in dit verband het belang van financiering van de trans-Europese vervoersnetwerken om de aanpassing ervan voor tweeërlei gebruik mogelijk te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>benadrukt dat de Unie over de hele linie meer geld moet uittrekken voor paraatheid; is verontrust over de toenemende gevolgen van natuurrampen, die vaak het gevolg zijn van klimaatverandering en daarom in de toekomst waarschijnlijk vaker zullen voorkomen en nog ernstiger gevolgen zullen hebben; wijst erop dat volgens het Europees klimaatrisicobeoordelingsverslag 2024 de gecumuleerde economische verliezen als gevolg van natuurrampen zouden kunnen oplopen tot ongeveer 1,4 % van het bbp van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>onderstreept daarom dat, naast inspanningen om de klimaatverandering te beperken door middel van de groene transitie, aanzienlijke investeringen nodig zijn voor aanpassing aan de klimaatverandering, in het bijzonder ter voorkoming en vermindering van de gevolgen van natuurrampen en extreme weergebeurtenissen; is van mening dat de steun hiervoor, bijvoorbeeld via het huidige Uniemechanisme voor civiele bescherming, in het volgende MFK aanzienlijk moet worden verhoogd en snel beschikbaar moet worden gesteld aan lokale en regionale overheden, die vaak in de voorste linie staan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>benadrukt dat maatregelen voor wederopbouw en herstel na natuurrampen gebaseerd moeten zijn op de benadering “betere wederopbouw” en prioriteit moeten geven aan op de natuur gebaseerde oplossingen; benadrukt het belang van duurzaam waterbeheer, waterveiligheid en waterweerbaarheid als onderdeel van de algemene paraatheidsstrategie van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>herinnert eraan dat de COVID-19-pandemie wereldwijd rampzalige economische en sociale gevolgen heeft gehad en dat een belangrijke les die uit deze ervaring moet worden getrokken is dat prioriteit moet worden gegeven aan investeringen in preventie van, paraatheid voor en respons op gezondheidsbedreigingen, in medisch onderzoek en ziektepreventie, in de toegang tot kritieke geneesmiddelen, in gezondheidsinfrastructuur, in fysieke en geestelijke gezondheid en in de veerkracht en toegankelijkheid van volksgezondheidsstelsels in de Unie; wijst erop dat strategische autonomie op het gebied van gezondheid van cruciaal belang is om de paraatheid van Europa op dit gebied te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>is van mening dat het volgende MFK moet voortbouwen op het werk dat in de huidige programmeringsperiode is verricht door ervoor te zorgen dat de nodige investeringen worden gedaan om een echte Europese gezondheidsunie tot stand te brengen die alle burgers ten goede komt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>benadrukt dat het door technologische ontwikkelingen voor kwaadwillige en opportunistische buitenlandse actoren gemakkelijker is geworden om desinformatie te verspreiden, haatzaaiende uitlatingen op het internet aan te moedigen, zich in verkiezingen te mengen en cyberaanvallen tegen de belangen van de Unie op te zetten; benadrukt dat het volgende MFK moet investeren in capaciteitsopbouw op het gebied van cyberbeveiliging en de Unie moet uitrusten om de verschillende vormen van hybride oorlogsvoering te bestrijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>onderstreept dat vrije, onafhankelijke en pluriforme media een fundamenteel onderdeel van de veerkracht van Europa vormen, aangezien zij niet alleen de vrije uitwisseling van informatie, maar ook een democratische mentaliteit, kritisch denken en doordachte keuzes waarborgen; wijst erop dat het belangrijk is te investeren in onafhankelijke en onderzoeksjournalistiek, factcheckinginitiatieven, digitale en mediageletterdheid en kritisch denken om bescherming te bieden tegen desinformatie, buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging in verkiezingen, als onderdeel van het initiatief voor een Europees schild voor de democratie en derhalve democratische veerkracht te waarborgen; onderstreept de noodzaak van voortgezette begrotingssteun van de Unie voor initiatieven op deze gebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>benadrukt het belang van voortgezette financiering in het volgende MFK voor doeltreffende bescherming van de buitengrenzen van de EU; benadrukt de noodzaak van de bestrijding van grensoverschrijdende criminele netwerken en betere bescherming van slachtoffers van mensenhandelnetwerken, en van de versterking van de veerkracht en de responscapaciteiten voor het aanpakken van hybride aanvallen en de instrumentalisering van migratie door derde landen of vijandige niet-overheidsactoren; wijst met name op de noodzaak van steun aan lidstaten in de voorste linie met het oog op de beveiliging van de buitengrenzen van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>onderstreept dat de veerkracht en paraatheid van de EU onlosmakelijk verbonden zijn met die van haar regionale en mondiale partners; benadrukt dat het versterken van de capaciteit van partners om extreme weergebeurtenissen, gezondheidscrises, hybride campagnes, cyberaanvallen of gewapende conflicten te voorkomen en te weerstaan en hier doeltreffend op te reageren, ook het risico op overloopeffecten voor Europa vermindert;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Extern optreden en uitbreiding</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>benadrukt dat de Unie, in een context van toegenomen mondiale instabiliteit, constructief moet blijven samenwerken met derde landen en vrede, conflictpreventie, stabiliteit, welvaart, veiligheid, mensenrechten, de rechtsstaat, gelijkheid, democratie en duurzame ontwikkeling wereldwijd moet blijven steunen in overeenstemming met haar waarden op het gebied van mondiale verantwoordelijkheid en internationale verbintenissen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>betreurt het feit dat het externe optreden in het huidige MFK ondergefinancierd wordt, waardoor in aanzienlijke mate een beroep is gedaan op speciale instrumenten en extra middelen in de tussentijdse herziening; merkt in het bijzonder op dat de financiering van humanitaire hulp volstrekt ontoereikend is geweest, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot routinematig gebruik van de reserve voor noodhulp;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>onderstreept dat de terugtrekking van de VS uit zijn naoorlogse mondiale rol bij het waarborgen van vrede, veiligheid en democratie, zijn leidende rol in de mondiale governance in de op regels gebaseerde multilaterale internationale orde en zijn rol bij het verlenen van essentiële ontwikkelingshulp en humanitaire hulp aan de meest behoeftigen overal ter wereld, een enorm vacuüm zal achterlaten en dat de Unie verantwoordelijk is voor en een enorm strategisch belang heeft bij het helpen dichten van deze kloof; verzoekt de Commissie de gevolgen van de terugtrekking van de VS uiterlijk in haar voorstel voor het MFK voor de periode na 2027 aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>wijst erop dat het volgende MFK de meest dringende mondiale uitdagingen moet blijven aanpakken, van het bestrijden van klimaatverandering tot het bieden van hulp bij natuurrampen, het voorkomen en aanpakken van gewelddadige conflicten en het waarborgen van de mondiale veiligheid, het zorgen voor mondiale voedselzekerheid, het verbeteren van gezondheidszorg- en onderwijsstelsels, het terugdringen van armoede en ongelijkheid, het bevorderen van democratie, mensenrechten, de rechtsstaat en sociale rechtvaardigheid en het stimuleren van het concurrentievermogen en de veiligheid van mondiale toeleveringsketens, met volledige inachtneming van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling; benadrukt met name de noodzaak van steun voor het zuidelijk en oostelijk nabuurschap van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>benadrukt dat de begroting, met name in het licht van de drastische bezuinigingen op de USAID-begroting, de rol van de Unie als de grootste verstrekker van ontwikkelingshulp en klimaatfinanciering ter wereld moet handhaven in overeenstemming met de mondiale verplichtingen en toezeggingen van de Unie; herinnert er in dit verband aan dat de Unie en haar lidstaten gezamenlijk hebben toegezegd 0,7 % van hun bni toe te wijzen aan officiële ontwikkelingshulp en dat armoedebestrijding haar belangrijkste doelstelling moet blijven; dringt erop aan dat de begroting de inspanningen van de Unie moet blijven ondersteunen om de op regels gebaseerde internationale orde, democratie, multilateralisme, mensenrechten en fundamentele waarden te verdedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>dringt erop aan dat, gezien de ongekende omvang van humanitaire crises, de toenemende mondiale uitdagingen en de onzekerheid van de steun van de VS zolang de huidige regering van dat land aan de macht is, de financiering van humanitaire hulp aanzienlijk moet worden verhoogd en dat het gebruik ervan uitsluitend op behoeften gebaseerd moet blijven en de beginselen van neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid moet eerbiedigen; benadrukt dat de op behoeften gebaseerde aard van humanitaire hulp specifieke financiering vereist die wordt verstrekt via een op zichzelf staand uitgavenprogramma, los van andere financiering voor extern optreden; onderstreept voorts dat een doeltreffende verstrekking van humanitaire hulp afhankelijk is van voorspelbaarheid door middel van een toereikende jaarlijkse basistoewijzing;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>benadrukt dat humanitaire hulp per definitie aanzienlijke flexibiliteit en responscapaciteit vereist; is daarom van mening dat humanitaire hulp, naast een adequaat basisbedrag, een hoge mate van flexibiliteit in de opzet ervan zal vergen om een doeltreffende respons op toenemende crises mogelijk te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>benadrukt dat de Unie – in een context waarin mondiale actoren onderlinge afhankelijkheid op het gebied van handel steeds vaker gebruiken als middel om economische druk uit te oefenen – haar vermogen ter bescherming en bevordering van haar eigen strategische belangen moet versterken, robuustere instrumenten om druk te bestrijden moet ontwikkelen en voor echte wederkerigheid in haar partnerschappen moet zorgen; benadrukt dat een dergelijke aanpak de strategische toewijzing van externe financiering vereist om bijvoorbeeld economische, veiligheids- en energiepartnerschappen te ondersteunen die de waarden en strategische belangen van de Unie onderschrijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>is van mening dat uitbreiding een kans biedt om de Unie als geopolitieke macht te versterken en dat het volgende MFK van cruciaal belang is om de Unie op uitbreiding en de kandidaat-lidstaten op toetreding voor te bereiden; herinnert eraan dat de stabiliteit, veiligheid en democratische veerkracht van de kandidaat-lidstaten onlosmakelijk verbonden zijn met die van de EU en duurzame strategische investeringen, gekoppeld aan hervormingen, vereisen om de convergentie ervan met de normen van de Unie te ondersteunen; benadrukt dat burgers en organisaties uit het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol spelen in het uitbreidingsproces;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>wijst op de noodzaak van strategisch gerichte steun voor pretoetreding en voor groei en investeringen; is van mening dat de pretoetredingssteun na 2027 moet worden verleend in de vorm van zowel subsidies als leningen; is in dit verband van mening dat het toekomstige kader ruimte moet bieden voor innovatieve financieringsmechanismen, alsook leningen aan kandidaat-lidstaten die worden gedekt door de begrotingsruimte (het verschil tussen de eigen middelen en de maxima van het MFK);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>wijst erop dat financiële steun afhankelijk moet worden gesteld van de uitvoering van hervormingen die zijn afgestemd op het <STRING ITALIC="on">acquis</STRING> en het beleid van de Unie, en de eerbiediging van de waarden van de Unie; benadrukt in dit verband de noodzaak van een solide governancemodel dat parlementaire verantwoordingsplicht, toezicht en controle, en een sterke, doeltreffende fraudebestrijdingsarchitectuur waarborgt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de Oekraïners in hun strijd voor vrijheid en democratie en betreurt het verschrikkelijke lijden en de gevolgen van de niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde aanvalsoorlog van Rusland; is ingenomen met het besluit om Oekraïne en zijn buurland de Republiek Moldavië de status van kandidaat-lidstaat toe te kennen en benadrukt dat de nodige middelen moeten worden ingezet om hun toetredingsprocessen te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>onderstreept dat pretoetredingssteun aan Oekraïne los moet staan van en een aanvulling moet vormen op financiële bijstand voor macro-economische stabiliteit, wederopbouw en naoorlogs herstel, waarvoor de behoeften veel groter zijn en die een gezamenlijke internationale inspanning vereisen, waarbij steun uit de begroting van de Unie een belangrijk onderdeel moet zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>is ervan overtuigd dat de bestaande verplichte herzieningsclausule in geval van uitbreiding in het volgende kader moet worden gehandhaafd en dat dit geen gevolgen mag hebben voor de nationale toewijzingen; benadrukt dat in het volgende MFK ook moet worden voorzien in passende overgangs- en invoeringsmaatregelen voor belangrijke uitgavengebieden, zoals cohesie en landbouw, op basis van een zorgvuldige beoordeling van de gevolgen voor verschillende sectoren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Grondrechten, waarden van de Unie en de rechtsstaat</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>benadrukt het belang van de begroting van de Unie en programma’s als Erasmus+, en “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” voor de bevordering en bescherming van de democratie en de waarden van de Unie, de bevordering van het gemeenschappelijk cultureel erfgoed van de Unie en de Europese integratie, de vergroting van de burger- en jongerenparticipatie en burgereducatie, en de waarborging en bevordering van de in het Handvest van de grondrechten verankerde grondrechten en de rechtsstaat; dringt in dit verband aan op meer financiering voor Erasmus+ in het volgende MFK; wijst op het belang van de onafhankelijkheid van het rechtsstelsel, de goede werking van nationale instellingen, de-oligarchisatie, krachtige steun voor en, overeenkomstig artikel 11, lid 2, VEU, een actieve dialoog met het maatschappelijk middenveld, hetgeen van vitaal belang is voor het bevorderen van een actieve ruimte voor het maatschappelijk middenveld, het waarborgen van verantwoordingsplicht en transparantie en het informeren van beleidsmakers over beste praktijken ter plaatse;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>benadrukt in dit verband dat de Commissie en de lidstaten op grond van de herschikking van het Financieel Reglement bij de uitvoering van de begroting moeten toezien op de naleving van het Handvest van de grondrechten en de waarden waarop de Unie is gegrondvest, die zijn verankerd in artikel 2 VEU, moeten eerbiedigen; verwacht van de Commissie dat zij ervoor zorgt dat de voorstellen voor het volgende MFK, met inbegrip van de uitgavenprogramma’s, in overeenstemming zijn met de herschikking van het Financieel Reglement;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>benadrukt dat instabiliteit in naburige regio’s en daarbuiten, armoede, onderliggende trends in economische ontwikkeling, demografische veranderingen en klimaatverandering migratiestromen naar de Unie blijven genereren, waardoor asiel- en migratiesystemen onder grote druk komen te staan; benadrukt dat het MFK voor de periode na 2027 de volledige en snelle uitvoering van het migratie- en asielpact van de Unie en een doeltreffend terugkeer- en overnamebeleid moet ondersteunen, in overeenstemming met de grondrechten en de waarden van de EU, met inbegrip van het beginsel van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid; onderstreept bovendien dat de EU, overeenkomstig het pact, moet streven naar nauwere samenwerking en wederzijds voordelige partnerschappen met derde landen op het gebied van migratie, met passende parlementaire controle, en dat deze samenwerking in overeenstemming moet zijn met het EU-recht en het internationaal recht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>benadrukt dat eerbiediging van de waarden van de Unie en van de grondrechten een essentiële voorwaarde is voor toegang tot EU-middelen; benadrukt het belang van een nauw verband tussen eerbiediging van de rechtsstaat en toegang tot EU-fondsen in het kader van het huidige MFK; is van mening dat de bescherming van de financiële belangen van de Unie afhangt van de eerbiediging van de rechtsstaat op nationaal niveau; is met name ingenomen met het positieve effect van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat wat betreft de bescherming van de financiële belangen van de Unie in geval van systemische en aanhoudende schendingen van de rechtsstaat; verzoekt de Commissie en de Raad om de verordening waar nodig strikt, consequent en onverwijld toe te passen; benadrukt dat besluiten tot opschorting of vermindering van EU-financiering wegens schendingen van de rechtsstaat gebaseerd moeten zijn op objectieve criteria en niet mogen worden ingegeven door andere overwegingen, noch het resultaat mogen zijn van onderhandelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>wijst op de noodzaak van een sterker verband tussen de rechtsstaat en de begroting van de Unie na 2027 en is ingenomen met de toezegging van de Commissie om verbanden tussen de aanbevelingen in het jaarlijks verslag over de rechtsstaat en de toegang tot middelen via de begroting te versterken; verzoekt de Commissie om vanaf 2025 in het jaarlijks verslag over de rechtsstaat aan te geven in hoeverre geconstateerde tekortkomingen in rechtsstaatregelingen een risico voor de begroting van de Unie kunnen vormen; is voorts ingenomen met het verband tussen de eerbiediging van de waarden van de Unie en de uitvoering van de begroting, en verzoekt de Commissie op een uniforme manier actief toe te zien op de naleving van dit beginsel door de lidstaten en snel in te grijpen in geval van niet-naleving;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>roept op tot de consolidatie van een robuust instrumentarium voor de rechtsstaat, voortbouwend op de huidige conditionaliteitsbepalingen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, de horizontale randvoorwaarden in de verordening gemeenschappelijke bepalingen en de desbetreffende bepalingen van het Financieel Reglement, en benadrukt dat het instrumentarium de gehele begroting van de Unie moet bestrijken; benadrukt dat er behoefte is aan veel meer transparantie en consistentie bij de toepassing van instrumenten ter bescherming van de rechtsstaat en dat de rol van het Parlement bij de toepassing van en het toezicht op dergelijke maatregelen moet worden versterkt; benadrukt bovendien de noodzaak van consistentie tussen de instrumenten bij de beoordeling van schendingen van de rechtsstaat in de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>herinnert eraan dat in de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat wordt bepaald dat eindontvangers de voordelen van EU-middelen niet mogen worden ontnomen indien tegen hun regering sancties zijn ingesteld; is van mening dat deze bepaling tot nu toe niet doeltreffend is geweest en wijst op het belang van de toepassing van een slimme conditionaliteitsbenadering, zodat begunstigden niet worden bestraft voor het optreden van hun regering; verzoekt de Commissie om, in overeenstemming met haar voornemen in de politieke richtsnoeren, specifieke maatregelen voor te stellen om ervoor te zorgen dat lokale en regionale overheden, het maatschappelijk middenveld en andere begunstigden gebruik kunnen blijven maken van Uniefinanciering in geval van schendingen van de rechtsstaat door nationale regeringen, zonder de toepassing van de verordening af te zwakken, en met behoud van de betalingsverplichting van de lidstaat uit hoofde van het Unierecht;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een langetermijnbegroting waarin rekening wordt gehouden met de beleidsdoelstellingen van de Unie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>wijst erop dat een langetermijnbegroting die volledig op de strategische doelstellingen van de Unie is afgestemd, vereist dat de belangrijkste doelstellingen in de gehele begroting worden geïntegreerd door middel van een reeks horizontale beginselen, waarbij wordt voortgebouwd op de lering die is getrokken uit het huidige MFK en de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>wijst erop dat de toepassing van horizontale beginselen niet mag leiden tot buitensporige administratieve lasten voor begunstigden en in overeenstemming moet zijn met het evenredigheidsbeginsel; dringt aan op innovatieve oplossingen en het gebruik van geautomatiseerde verslagleggingsinstrumenten, waaronder artificiële intelligentie, om tot een efficiëntere gegevensverzameling te komen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>benadrukt derhalve dat het volgende MFK ervoor moet zorgen dat de uitgavenprogramma’s over de hele linie klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen nastreven, rechten en gelijke kansen voor iedereen bevorderen en beschermen, met inbegrip van gendergelijkheid, het concurrentievermogen ondersteunen en de paraatheid van de Unie voor bedreigingen versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>wijst erop dat doeltreffende integratie het best kan worden bereikt door middel van een instrumentarium van maatregelen, in de eerste plaats door project- en regelgevingsontwerp, grondige effectbeoordelingen en degelijke tracering van uitgaven en, in specifieke gevallen, uitgavendoelstellingen op basis van relevante en beschikbare gegevens; is ingenomen met de aanzienlijke verbeteringen van de verslaglegging over de prestaties in het huidige MFK, die een veel betere controle van de impact van de EU-uitgaven mogelijk maken, en dringt erop aan deze in de volgende programmeringsperiode verder te ontwikkelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>is ingenomen met de ontwikkeling van een methode voor tracering van gendergerelateerde uitgaven en is van mening dat de hieruit getrokken lessen in het volgende MFK moeten worden toegepast om de methode te verbeteren, met name wat betreft het verzamelen van naar gender uitgesplitste gegevens en het monitoren van de uitvoering en het effect van de administratieve lasten; verzoekt de Commissie de haalbaarheid van genderbudgettering in het volgende MFK te onderzoeken; wijst tegelijkertijd op de noodzaak van een aanzienlijke verbetering van de methoden voor mainstreaming van klimaat en biodiversiteit om de impact te kunnen meten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>betreurt dat de Commissie niet systematisch grondige effectbeoordelingen, met inbegrip van gendereffectbeoordelingen, heeft uitgevoerd voor alle wetgeving met betrekking tot uitgaven uit de begroting, en dringt erop aan dit te veranderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>is verheugd dat het streefcijfer voor klimaatmainstreaming van 30 % in het huidige MFK naar verwachting zal worden overschreden; betreurt echter dat de Unie niet op schema ligt om het streefcijfer van 10 % voor 2026 voor biodiversiteitsgerelateerde uitgaven te halen; benadrukt dat de streefcijfers in het IIA niettemin een belangrijke factor zijn geweest voor het stimuleren van uitgaven voor klimaat en biodiversiteit; verzoekt de Commissie de uitgavendoelstellingen die een positieve bijdrage aan klimaat en biodiversiteit leveren aan te passen in overeenstemming met de beleidsambities van de Unie in dit verband, rekening houdend met de investeringsbehoeften voor deze beleidsambities;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>benadrukt voorts dat de begroting van de Unie moet worden uitgevoerd in overeenstemming met artikel 33, lid 2, van het Financieel Reglement, dus zonder ernstige afbreuk te doen<FOOTNOTE><FIELD>Artikel 9 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/852/oj).</FIELD></FOOTNOTE> aan de gespecificeerde doelstellingen, met inachtneming van de toepasselijke arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en rekening houdend met het beginsel van gendergelijkheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>is ingenomen met de toezegging van de Commissie om alle subsidies voor fossiele brandstoffen en subsidies die schadelijk zijn voor het milieu geleidelijk af te schaffen in het volgende MFK; verwacht dat de Commissie haar geplande routekaart in dit verband als onderdeel van haar voorstel voor het volgende MFK indient;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een langetermijnbegroting met een doeltreffend bestuur ten dienste van de Europeanen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>onderstreept dat het beleid van de Unie moet worden geschraagd door een goed functionerend bestuur; dringt erop aan dat na 2027 van meet af aan voldoende financiële en personele middelen worden toegewezen, zodat de instellingen, organen en gedecentraliseerde agentschappen van de Unie en het Europees Openbaar Ministerie kunnen zorgen voor een doeltreffende en efficiënte opzet, hoogwaardige uitvoering en handhaving van beleid, technische bijstand kunnen verlenen, de beste mensen uit alle lidstaten kunnen blijven aantrekken, waardoor een geografisch evenwicht wordt gewaarborgd, en speelruimte hebben om zich aan veranderende omstandigheden aan te passen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>betreurt dat het vermogen van de Unie om beleid effectief uit te voeren en haar financiële belangen te beschermen binnen het huidige MFK is ondermijnd door krappe administratieve middelen en een dogmatische toepassing van een beleid van stabiele personeelsbezetting, ondanks toenemende eisen en verantwoordelijkheden; wijst er bijvoorbeeld op dat er onvoldoende personeel is om de digitaledienstenverordening<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2065/oj).</FIELD></FOOTNOTE> en de digitalemarktenverordening<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2019/1937 en (EU) 2020/1828 (digitalemarktenverordening) (PB L 265 van 12.10.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/1925/oj).</FIELD></FOOTNOTE> naar behoren uit te voeren en te handhaven, waardoor de doeltreffendheid van de wetgeving wordt ondermijnd, en op de herhaalde herschikkingen van programma’s naar gedecentraliseerde agentschappen om in de personeelsbehoeften te voorzien; dringt erop aan dat de personeelsbezetting wordt bepaald aan de hand van een objectieve behoeftenanalyse wanneer wetgeving wordt voorgesteld en definitief wordt aangenomen, en dat deze vanaf het begin wordt meegenomen in de planning van administratieve uitgaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>benadrukt dat de Commissie tot op zekere hoogte heeft getracht haar eigen stabiele personeelsbeleid te omzeilen door het uitbreiden van personeel dat aan programma’s en faciliteiten is verbonden en dus niet onder het plafond voor administratieve uitgaven valt; onderstreept echter dat een dergelijke aanpak het probleem alleen maar omzeilt en uiteindelijk de operationele capaciteit van de programma’s kan ondermijnen; benadrukt daarom dat extra verantwoordelijkheden administratieve uitgaven vereisen en de programmabudgetten niet mogen uithollen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>wijst erop dat voorafgaande investeringen in veilige en interoperabele IT-infrastructuur en dataminingcapaciteiten ook kostenbesparingen op de langere termijn kunnen opleveren en de beleidsuitvoering en de tracering van uitgaven enorm kunnen verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>erkent dat de hoge inflatie, bij het uitblijven van een correctiemechanisme in het huidige MFK, de wettelijke kosten aanzienlijk heeft opgedreven, wat vraagt om uitgebreid gebruik van speciale instrumenten om het voorzien tekort te dekken; betreurt dat de Raad ervoor heeft gekozen geen gevolg te geven aan het voorstel van de Commissie om het plafond voor administratieve uitgaven bij de herziening van het MFK te verhogen, waardoor speciale instrumenten verder worden uitgehold;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een langetermijnbegroting die eenvoudiger en transparanter is</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>wijst erop dat het volgende MFK zo moet worden opgezet dat het leven van alle begunstigden wordt vereenvoudigd door onnodige administratieve rompslomp te verminderden; onderstreept dat voor vereenvoudiging een zo groot mogelijke harmonisatie van de regels en verslagleggingsvereisten nodig is en, in voorkomend geval, het waarborgen van samenhang tussen de regels die op Europees, nationaal en regionaal niveau van toepassing zijn; onderstreept in dit verband de noodzaak van een echt en gebruikersvriendelijk centraal toegangspunt voor EU-financiering en een vereenvoudigde aanvraagprocedure die is opgezet in overleg met relevante belanghebbenden; wijst er voorts op dat het volgende MFK zo dicht mogelijk bij de burgers moet worden uitgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>roept op tot daadwerkelijke vereenvoudiging bij overlappende doelstellingen, uiteenlopende subsidiabiliteitscriteria en verschillende regels voor horizontale bepalingen die voor alle programma’s gelijk zouden moeten zijn; is van mening dat een beoordeling van welke uitgavenprogramma’s in het volgende MFK moeten worden opgenomen, gebaseerd moet zijn op de voornoemde aspecten, op de noodzaak de uitgaven op duidelijk omschreven beleidsdoelstellingen met een duidelijke Europese meerwaarde te richten en op de beleidsinterventielogica van elk programma; benadrukt dat een vermindering van het aantal programma’s geen doel op zich is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>onderstreept dat vereenvoudiging niet kan betekenen dat de Commissie meer speelruimte krijgt zonder de nodige checks-and-balances en dat vereenvoudiging derhalve moet worden bereikt met volledige inachtneming van het institutionele evenwicht waarin de Verdragen voorzien;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>benadrukt dat vereenvoudiging niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van programma’s en dat een eenvoudigere begroting daarom ook een transparantere begroting moet zijn, die een betere verantwoordingsplicht, toezicht op en controle van de uitgaven mogelijk maakt en de risico’s van dubbele financiering, misbruik en fraude vermindert; benadrukt dat elke vermindering van het aantal programma’s moet worden gecompenseerd door een veel gedetailleerdere uitsplitsing van de begroting per begrotingsonderdeel, in tegenstelling tot sommige samenvoegingen van programma’s in het huidige MFK, zoals het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld (NDICI – Europa in de wereld), dat een voorbeeld is dat niet moet worden gevolgd; dringt daarom aan op een voldoende gedetailleerde uitsplitsing per begrotingsonderdeel om de begrotingsautoriteit in staat te stellen naar behoren verantwoording af te leggen en ervoor te zorgen dat de besluitvorming in de jaarlijkse begrotingsprocedure en tijdens de uitvoering van de begroting zinvol is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>wijst erop dat transparantie van essentieel belang is om het vertrouwen van de burgers te behouden en dat fraude en misbruik van middelen uiterst schadelijk zijn voor dat vertrouwen; onderstreept daarom dat het Parlement in staat moet zijn de uitgaven te controleren en te beoordelen of kwijting kan worden verleend; benadrukt dat voor een goede verantwoordingsplicht een grondige controle van alle begrotingsuitgaven vereist is op basis van de toepassing van één enkel controlespoor; verzoekt de Commissie voor alle financieringsinstrumenten voor het MFK voor de periode na 2027 geharmoniseerde en doeltreffende fraudebestrijdingsmechanismen in te voeren die de bescherming van de begroting van de Unie waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>herhaalt zijn gevestigde standpunt dat alle uitgaven op EU-niveau onder de bevoegdheid van de begrotingsautoriteit moeten vallen, zodat transparantie, democratische controle en bescherming van de financiële belangen van de Unie worden gewaarborgd; dringt derhalve aan op het volledig in de begroting opnemen van (deels) buiten de begroting vallende instrumenten zoals het Sociaal Klimaatfonds, het Innovatiefonds en het moderniseringsfonds, of de opvolgers daarvan;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een langetermijnbegroting die flexibeler is en beter inspeelt op crises en schokken</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>wijst erop dat het MFK oorspronkelijk niet is opgezet met het oog op crisisrespons of flexibiliteit, maar in de eerste plaats is bedoeld om de voorspelbaarheid van investeringen op middellange termijn te waarborgen; benadrukt dat in een snel veranderende politieke, veiligheids-, economische en sociale context een dergelijke benadering niet langer houdbaar is; dringt aan op voldoende ingebouwde crisisresponscapaciteit in het volgende MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>benadrukt dat het huidige MFK gebukt gaat onder een gebrek aan flexibiliteit en het onvermogen om zich aan te passen aan veranderende uitgavenprioriteiten; is van mening dat in het volgende MFK een beter evenwicht moet worden gevonden tussen voorspelbaarheid van investeringen en flexibiliteit om de uitgavenfocus aan te passen; benadrukt dat uitgaven op bepaalde gebieden meer stabiliteit vereisen dan op andere gebieden waar flexibiliteit waardevoller is; wijst erop dat periodieke herschikkingen geen haalbare manier zijn om de prioriteiten van de Unie te financieren, aangezien zij afbreuk doen aan investeringen en de verwezenlijking van overeengekomen beleidsdoelstellingen in gevaar brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>is van mening dat uitgavenprogramma’s, hoewel zij een aanzienlijk deel van de financiering vooraf aan doelstellingen toewijzen, een aanzienlijke ingebouwde flexibiliteitsreserve moeten aanhouden, waarbij de begrotingsautoriteit over de toewijzing aan specifieke beleidsdoelstellingen beslist; merkt op dat de buffer voor nieuwe uitdagingen en prioriteiten van NDICI – Europa in de wereld een model biedt voor een dergelijke flexibiliteitsreserve, maar dat het besluitvormingsproces voor de mobilisering ervan niet in het toekomstige MFK mag worden overgenomen; wijst op de noodzaak van sterkere, doeltreffendere controlebevoegdheden van de medewetgevers met betrekking tot de vaststelling van beleidsprioriteiten en -doelstellingen en van een gedetailleerde uitsplitsing van de begroting om ervoor te zorgen dat de begrotingsautoriteit is toegerust om zinvolle en weloverwogen beslissingen te nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>benadrukt dat het MFK in elke rubriek over voldoende marges moet beschikken om ervoor te zorgen dat nieuwe instrumenten of uitgavendoelstellingen die in de loop van de programmeringsperiode worden overeengekomen, kunnen worden ingepast zonder de financiering voor andere beleids- en strategische langetermijndoelstellingen uit te hollen of de crisisresponscapaciteit aan te tasten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>onderstreept dat de mogelijkheid van overdrachten uit de begroting in het kader van het Financieel Reglement reeds voorziet in flexibiliteit met het oog op aanpassing aan veranderende uitgavenbehoeften in de loop van de begrotingsuitvoering; benadrukt dat de Commissie volgens de huidige regels over een aanzienlijke vrijheid beschikt om aanzienlijke bedragen tussen beleidsterreinen over te dragen zonder goedkeuring van de begrotingsautoriteit, hetgeen het toezicht en de controle beperkt; dringt er daarom op aan de regels te wijzigen teneinde een maximumbedrag – bovenop een maximumpercentage per begrotingsonderdeel – in te voeren voor overdrachten zonder goedkeuring; is van mening dat voor overdrachten van andere instellingen van de Unie dan de Commissie die het voorwerp uitmaken van een mogelijk naar behoren gemotiveerd bezwaar van het Parlement of de Raad, een drempel waaronder zij van die procedure zouden worden vrijgesteld, een nuttige vereenvoudigingsmaatregel zou kunnen zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>herinnert eraan dat het huidige MFK verder onder druk is komen te staan als gevolg van de hoge inflatie in een context waarin een jaarlijkse deflator van 2 % wordt toegepast op de prijzen van 2018, waardoor de reële waarde van de begroting wordt verlaagd en de operationele en administratieve capaciteit ervan onder druk komt te staan; is daarom van mening dat de toekomstige begroting van voldoende responscapaciteit moet worden voorzien om zich aan te kunnen passen aan inflatieschokken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>104.</NO.P>roept op tot een fundamentele hervorming van de bestaande speciale instrumenten om de crisisresponscapaciteit te versterken en te zorgen voor een doeltreffende en snelle reactie door een snellere mobilisatie; benadrukt dat de huidige instrumenten qua omvang ontoereikend zijn alsook door extreme starheid worden ingeperkt, waarbij verschillende instrumenten effectief voor een bepaald soort crisis zijn geoormerkt; wijst erop dat een grotere crisisresponscapaciteit ervoor zal zorgen dat de fondsen van het cohesiebeleid niet voor dat doel worden aangesproken en dus voor de beoogde investeringsdoeleinden kunnen worden gebruikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>105.</NO.P>is van mening dat het MFK voor de periode na 2027 slechts twee speciale instrumenten moet omvatten – één instrument om solidariteit bij natuurrampen te waarborgen (de opvolger van de bestaande reserve voor Europese solidariteit) en één instrument voor algemene crisisrespons en om in te spelen op onvoorziene behoeften en nieuwe prioriteiten, ook wanneer de bedragen in het speciaal instrument voor natuurrampen ontoereikend zijn (de opvolger van het flexibiliteitsinstrument); dringt erop aan dat beide speciale instrumenten van meet af aan adequaat worden gefinancierd en dat ongebruikte bedragen onbeperkt kunnen worden overgedragen naar de volgende MFK-periode; is van mening dat alle andere speciale instrumenten kunnen worden afgewikkeld of in de twee speciale instrumenten of in bestaande programma’s kunnen worden ondergebracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>106.</NO.P>dringt erop aan dat de middelen voor het toekomstige flexibiliteitsinstrument in grote mate vervroegd ter beschikking worden gesteld en dat het instrument vervolgens via een aantal aanvullende financieringsbronnen wordt gefinancierd: niet-benutte marges van voorgaande jaren (zoals bij het huidige enkelvoudig marge-instrument), het jaarlijkse overschot van het voorgaande jaar, een op boeten gebaseerd mechanisme naar het model van het bestaande artikel 5 van de MFK-verordening, teruggevloeide middelen uit financieringsinstrumenten en vrijgemaakte kredieten; onderstreept dat het volgende MFK zodanig moet worden ontworpen dat de toekomstige speciale instrumenten niet nodig zijn om de terugbetaling van schulden te dekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>107.</NO.P>onderstreept dat voor het hergebruik van het overschot, van teruggevloeide middelen uit financieringsinstrumenten en overschot van voorzieningen en van vrijmakingen wijzigingen van het Financieel Reglement vereist zouden zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>108.</NO.P>wijst erop dat de begroting, met voldoende middelen vooraf en dergelijke regelingen voor het hergebruik van ongebruikte middelen, een veel grotere responscapaciteit zou hebben zonder afbreuk te doen aan de voorspelbaarheid van de nationale bni-bijdragen; benadrukt dat het minder waarschijnlijk is dat een MFK met meer flexibiliteit en een grotere responscapaciteit een ingrijpende tussentijdse herziening vereist;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een langetermijnbegroting die meer resultaatgericht is </STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>109.</NO.P>benadrukt dat het voor een maximaal effect absoluut noodzakelijk is dat de uitgaven in het kader van het volgende MFK veel nauwer op de strategische beleidsdoelstellingen van de Unie worden afgestemd en beter met uitgaven op nationaal niveau worden gecoördineerd; onderstreept dat overleg met regionale en lokale autoriteiten op zijn beurt van essentieel belang is om de toegang tot financiering te vergemakkelijken en ervoor te zorgen dat de steun van de Unie voldoet aan de werkelijke behoeften van de eindontvangers en tastbare voordelen oplevert voor de mensen; benadrukt het belang van technische bijstand aan uitvoerende autoriteiten om te helpen zorgen voor een tijdige uitvoering, additionaliteit van investeringen en derhalve maximale impact;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>110.</NO.P>onderstreept dat de Commissie, ter ondersteuning van een doeltreffende coördinatie tussen de uitgaven van de Unie en die van de lidstaten, een “nieuw, efficiënt sturingsmechanisme” overweegt dat bedoeld is om het verband tussen de algemene beleidscoördinatie en de EU-begroting te versterken; dringt erop aan dat het Parlement in alle coördinatie- of sturingsmechanismen een volwaardige rol speelt bij de besluitvorming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>111.</NO.P>is van mening dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit, met haar focus op prestaties en verbanden tussen hervormingen en investeringen, en begrotingssteun, heeft bijgedragen tot het stimuleren van nationale investeringen en hervormingen die anders niet hadden plaatsgevonden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>112.</NO.P>benadrukt dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit kan helpen bij het verstrekken van informatie over de uitgaven van de Unie in het kader van gedeeld beheer; herinnert er echter aan dat de faciliteit werd overeengekomen in de zeer specifieke context van de COVID-19-pandemie en derhalve niet algemeen voor toekomstige investeringsprogramma’s kan worden gedupliceerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>113.</NO.P>wijst erop dat bij de uitgaven onder gedeeld beheer in het volgende MFK de regionale en lokale overheden en alle relevante belanghebbenden van ontwerp tot uitvoering moeten worden betrokken door middel van een plaatsgebonden benadering van bestuur op verschillende niveaus en in overeenstemming met een verbeterd partnerschapsbeginsel, de grensoverschrijdende Europese dimensie van investeringsprojecten moet worden gewaarborgd, en de nadruk moeten liggen op resultaten en impact in plaats van op output, door meetbare prestatie-indicatoren vast te stellen, de beschikbaarheid van relevante gegevens te waarborgen en input te leveren voor het ontwerp en de aanpassing van programma’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>114.</NO.P>onderstreept dat bij de opzet van de uitgaven onder gedeeld beheer in het kader van het volgende MFK de rol van het Parlement als wetgever, begrotingsautoriteit en kwijtingsautoriteit zijn rol bij het ter verantwoording roepen van de uitvoerende macht moet worden gewaarborgd, door strikte verantwoordingsmechanismen in te voeren en te zorgen voor volledige transparantie met betrekking tot eindontvangers of groepen ontvangers van uitgavenmiddelen van de Unie via een interoperabel systeem dat een doeltreffende tracering van kasstromen en projectvoortgang mogelijk maakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>115.</NO.P>is van mening dat de door de Commissie beoogde benadering van “één nationaal plan per lidstaat” niet in overeenstemming is met de hierboven uiteengezette beginselen en niet de basis kan vormen voor uitgaven onder gedeeld beheer na 2027; wijst erop dat de Unie in dit verband op grond van artikel 175 VWEU steun moet verlenen via instrumenten voor landbouw-, regionale en sociale uitgaven;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een langetermijnbegroting die de verplichtingen duurzaam beheert</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>116.</NO.P>herinnert eraan dat het Parlement er sterk tegen gekant is de terugbetaling van financieringskosten van NGEU in een MFK-rubriek aan een maximum te onderwerpen, aangezien deze kosten onderhevig zijn aan marktvoorwaarden, door externe factoren beïnvloed worden en dus inherent volatiel zijn, en aangezien de terugbetaling van financieringskosten een niet-discretionaire wettelijke verplichting is; wijst erop dat de invoering van nieuwe eigen middelen ook nodig is om te voorkomen dat toekomstige generaties de last van schulden uit het verleden moeten dragen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>117.</NO.P>betreurt het feit dat, in het kader van de bestaande structuur en ondanks de gezamenlijke verklaring van de drie instellingen als onderdeel van het MFK-akkoord van 2020, waarin staat dat uitgaven om financieringskosten van NGEU te dekken niet ten koste mogen gaan van programma’s en fondsen, de financiering van belangrijke programma’s van de Unie en middelen die beschikbaar zijn voor speciale instrumenten, zelfs na de herziening van het MFK, de facto hebben moeten concurreren met de terugbetaling van financieringskosten van NGEU in een context van sterke inflatie en stijgende rentetarieven; wijst erop dat de druk op de begroting als gevolg van de financieringskosten van NGEU een belangrijke factor was bij de bezuinigingen op vlaggenschipprogramma’s bij de herziening van het MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>118.</NO.P>benadrukt dat de begroting van de Unie tot nu toe alleen nodig was om de rente in verband met NGEU terug te betalen en dat de begroting vanaf 2028 ook nodig zal zijn om het kapitaal terug te betalen; benadrukt dat volgens de Commissie de totale kosten voor kapitaal- en renteaflossingen van NGEU vanaf 2028 naar verwachting ongeveer 25 tot 30 miljard EUR per jaar zullen bedragen, wat overeenkomt met 15 tot 20 % van de begroting 2025;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>119.</NO.P>erkent dat, hoewel de financieringskosten van NGEU in de volgende MFK-periode stabieler zullen zijn omdat er dan al obligaties zijn uitgegeven, het precieze aflossingsprofiel van invloed zal zijn op de hoogte van de rente en dus op de mate van volatiliteit; dringt er daarom op aan dat alle kosten in verband met leningen die worden gedekt door de begroting van de Unie of de begrotingsruimte afzonderlijk worden behandeld van kredieten voor EU-programma’s binnen de MFK-architectuur;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>120.</NO.P>wijst in dat verband op de toenemende vraag om de begroting van de Unie te hanteren als garantie voor de essentiële steun van de Unie door middel van macrofinanciële bijstand en de bijbehorende risico’s; benadrukt dat, in geval van wanbetaling of intrekking van nationale garanties, de begroting van de Unie uiteindelijk borg staat voor alle macrofinanciële bijstandsleningen en derhalve aanzienlijke en inherent onvoorspelbare voorwaardelijke verplichtingen meebrengt, met name in verband met Oekraïne;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>121.</NO.P>verzoekt de Commissie derhalve een degelijke en duurzame structuur te ontwerpen die duurzaam beheer van alle niet-discretionaire kosten en verplichtingen mogelijk maakt, waarbij de programma’s van de Unie en de flexibiliteit en de responscapaciteit van de begroting volledig behouden blijven;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een langetermijnbegroting die over voldoende middelen beschikt en duurzaam wordt gefinancierd</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>122.</NO.P>benadrukt dat, zoals hierboven beschreven, de begrotingsbehoeften na 2027 aanzienlijk groter zullen zijn dan de bedragen die aan het MFK 2021-2027 zijn toegewezen en bovendien de financieringskosten en de terugbetaling van schulden moeten dekken; dringt er daarom op aan dat het volgende MFK moet worden voorzien van aanzienlijk meer middelen dan het MFK voor de periode 2021-2027, waarbij wordt afgestapt van het historisch restrictieve, zelfopgelegde niveau van 1 % van het bni, waardoor de Unie haar ambities niet heeft kunnen waarmaken en dat haar het vermogen heeft ontnomen om op crises te reageren en zich aan nieuwe behoeften aan te passen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>123.</NO.P>is van mening dat alle instrumenten en hulpmiddelen moeten worden onderzocht om de Unie van deze middelen te voorzien, in overeenstemming met haar prioriteiten en vastgestelde behoeften; is in dit verband van mening dat gezamenlijk lenen via de uitgifte van EU-obligaties een haalbare optie is om ervoor te zorgen dat de Unie over voldoende middelen beschikt om te reageren op acute Uniebrede crises, zoals de huidige crisis op het gebied van veiligheid en defensie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>124.</NO.P>wijst nogmaals op de noodzaak van duurzame en veerkrachtige inkomsten voor de begroting van de Unie; wijst op de juridisch bindende routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen in het IIA, waarin het Parlement, de Raad en de Commissie hebben toegezegd voldoende nieuwe eigen middelen in te voeren om ten minste de terugbetaling van de NGEU-schuld te dekken; onderstreept dat het pakket nieuwe eigen middelen over het algemeen eerlijk moet zijn, gekoppeld moet zijn aan bredere beleidsdoelstellingen van de Unie, tijdig moet worden overeengekomen en voldoende volume moet hebben om aan de toegenomen begrotingsbehoeften te voldoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>125.</NO.P>herinnert aan zijn steun voor het gewijzigde voorstel van de Commissie inzake het stelsel van eigen middelen; is ernstig bezorgd over het totale gebrek aan vooruitgang met betrekking tot het stelsel van eigen middelen in de Raad; vraagt de Raad dit voorstel met spoed vast te stellen; dringt er bij de Commissie op aan alles in het werk te stellen om het vaststellingsproces te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>126.</NO.P>dringt er voorts bij de Commissie op aan zich te blijven inspannen om aanvullende, innovatieve en werkelijk nieuwe eigen middelen en andere inkomstenbronnen in kaart te brengen, naast die welke in het IIA worden genoemd; benadrukt dat nieuwe eigen middelen niet alleen essentieel zijn om de terugbetaling van leningen in het kader van NGEU mogelijk te maken, maar ook om ervoor te zorgen dat de Unie toegerust is om haar hogere uitgavenbehoeften te dekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>127.</NO.P>verzoekt de Commissie een gemoderniseerde begroting op te stellen met een nieuwe uitgavenfocus, ingegeven door de noodzaak van billijkheid, grotere vereenvoudiging, minder administratieve lasten en meer transparantie, ook aan de ontvangstenzijde; benadrukt dat bestaande kortingen en correcties automatisch vervallen aan het einde van het huidige MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>128.</NO.P>is ingenomen met het besluit in de herschikking van het Financieel Reglement om rente of andere heffingen die aan een derde verschuldigd zijn in verband met boeten, andere dwangsommen of sancties die door het Hof van Justitie worden geannuleerd of verlaagd, als negatieve ontvangsten te behandelen; herinnert eraan dat deze oplossing op 31 december 2027 ten einde loopt; verzoekt de Commissie een definitieve oplossing voor te stellen voor het volgende MFK waarmee dezelfde doelstelling van het vermijden van gevolgen voor de uitgavenzijde van de begroting wordt bereikt;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Een langetermijnbegroting gebaseerd op nauwe interinstitutionele samenwerking</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>129.</NO.P>onderstreept dat het Parlement voornemens is zijn prerogatieven als wetgever, begrotingsautoriteit en kwijtingsautoriteit uit hoofde van de Verdragen ten volle uit te oefenen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>130.</NO.P>herinnert eraan dat de eis van nauwe interinstitutionele samenwerking tussen de Commissie, de Raad en het Parlement vanaf de vroege ontwerpfasen tot de definitieve vaststelling van het MFK in de Verdragen is verankerd en in het IIA nader is uitgewerkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>131.</NO.P>benadrukt dat het Parlement zich ertoe verbindt zijn rol tijdens het hele proces ten volle te vervullen; is van mening dat het ontwerp van het MFK bottom-up moet zijn en op de uitgebreide betrokkenheid van belanghebbenden moet worden gebaseerd; benadrukt bovendien de noodzaak van een strategische dialoog tussen de drie instellingen in de aanloop naar de MFK-voorstellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>132.</NO.P>verzoekt de Commissie om van meet af aan praktische regelingen voor samenwerking en echte onderhandelingen voor te stellen; wijst met name op het belang van het bijeenroepen van bijeenkomsten van de drie voorzitters, overeenkomstig artikel 324 VWEU, telkens wanneer dit bevorderlijk is voor de vooruitgang, en dringt erop aan dat de Commissie gevolg geeft aan verzoeken van het Parlement om dergelijke bijeenkomsten; herinnert de Commissie aan haar verplichting om het Parlement op voet van gelijkheid met de Raad informatie te verstrekken als de twee takken van de begrotingsautoriteit en als medewetgevers inzake MFK-gerelateerde basishandelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>133.</NO.P>wijst erop dat in het IIA specifiek wordt bepaald dat het Parlement, de Raad en de Commissie ernaar streven specifieke regelingen voor samenwerking en dialoog vast te stellen; benadrukt dat de samenwerkingsbepalingen in het IIA, met inbegrip van regelmatige vergaderingen tussen het Parlement en de Raad, een absoluut minimum vormen en dat er veel meer nodig is om uitvoering te geven aan het beginsel van artikel 312, lid 5, VWEU om “alle maatregelen die nodig zijn om de vaststelling [van een nieuw MFK] te vergemakkelijken” te nemen; verzoekt de opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad dan ook om niet alleen de letter, maar ook de geest van de Verdragen te eerbiedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>134.</NO.P>herinnert eraan dat de late goedkeuring van de MFK-verordening en aanverwante wetgeving voor de perioden 2014-2020 en 2021-2027 tot aanzienlijke vertragingen heeft geleid, die de correcte uitvoering van EU-programma’s in de weg stonden; dringt er daarom op aan dat alles in het werk wordt gesteld om ervoor te zorgen dat het komende MFK-pakket tijdig wordt goedgekeurd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>135.</NO.P>verwacht van de Commissie dat zij, in het kader van het pakket MFK-voorstellen, met een nieuw IIA komt dat in overeenstemming is met de realiteit van de nieuwe begroting, ook met betrekking tot het beheer van voorwaardelijke verplichtingen; benadrukt dat de wijzigingen van het Financieel Reglement die nodig zijn voor afstemming op het nieuwe MFK op hetzelfde moment in werking moeten treden als de MFK-verordening;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°     °</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>136.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>