<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0092</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verslagen van 2023 en 2024 over Turkije</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0067/2025 - Rapporteur: Nacho Sánchez Amor)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 7 mei 2025 over de Commissieverslagen van 2023 en 2024 over Turkije (2025/2023(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 en 18 april 2024, 30 juni 2023, 23 juni 2022, 24 juni 2021 en 12 december 2019, en alle relevante eerdere conclusies van de Raad en de Europese Raad,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het lidmaatschap van Turkije van de Raad van Europa en de NAVO,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Turkije inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven<FOOTNOTE><FIELD>PB L 134 van 7.5.2014, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2014/252/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de leden van de Europese Raad van 25 maart 2021 over Turkije,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaringen EU-Turkije van 18 maart 2016 en 29 november 2015,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het kader voor onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten van 21 september 2005 naar aanleiding van de verklaring die Turkije heeft afgelegd bij de ondertekening op 29 juli 2005 van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van december 2006 en maart 2020 en de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad in Kopenhagen van 21 en 22 juni 1993, die ook wel bekendstaan als de criteria van Kopenhagen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad over uitbreiding van 17 december 2024 en van 12 december 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het internationaal zeerecht en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 30 oktober 2024 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU voor 2024 (COM(2024)0690) en het bijbehorende verslag van 2024 over Turkije (SWD(2024)0696),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 8 november 2023 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU voor 2023 (COM(2023)0690) en het bijbehorende verslag van 2023 over Turkije (SWD(2023)0696),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Speciaal verslag 06/2024 van de Europese Rekenkamer van 24 april 2024 getiteld “De Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije – Gunstig voor vluchtelingen en gastgemeenschap, maar impact en duurzaamheid nog niet gewaarborgd”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan de Europese Raad van 29 november 2023 (JOIN(2023)0050) en 22 maart 2021 (JOIN(2021)0008) over de stand van zake met betrekking tot de politieke, economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en Turkije,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 19 december 2024, getiteld “Achtste jaarverslag over de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije” (COM(2024)0593),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de grondbeginselen van het internationaal recht en het Handvest van de Verenigde Naties, de overeenkomsten op hoog niveau tussen de leiders van de twee gemeenschappen van 1977 en 1979, en de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Cyprus, waaronder Resolutie 186 (1964) van 4 maart 1964, waarin de soevereiniteit van de Republiek Cyprus wederom wordt bevestigd, Resolutie 550 (1984) van 11 mei 1984 over separatistische acties op Cyprus, Resolutie 789 (1992) van 25 november 1992 en Resolutie 2537 (2020) over de Vredesmacht van de Verenigde Naties op Cyprus (UNFICYP),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 46 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), waarin staat dat de verdragsluitende partijen zich ertoe verbinden zich te houden aan de einduitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in zaken waarbij zij partij zijn, en gezien de daaruit voortvloeiende verplichting van Turkije om alle uitspraken van het EHRM ten uitvoer te leggen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de desbetreffende resoluties van het Comité van Ministers van de Raad van Europa,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag “Freedom in the World” van 2025 van Freedom House,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de door Verslaggevers zonder grenzen gepubliceerde Wereldindex voor de persvrijheid van 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van januari 2025 over gevangenisstatistieken, gepubliceerd door de Civil Society in the Penal System Association (CISST – Vereniging maatschappelijk middenveld in het strafrechtsysteem) en het landenprofiel voor Turkije van 2024, gepubliceerd door Prison Insider,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Global Gender Gap Report 2024 (wereldwijd verslag over de genderkloof) van het World Economic Forum,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de recente verslagen van het platform voor de beëindiging van femicide (Kadın Cinayetlerini Durduracağız Platformu),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Unesco-verklaring van 10 juli 2020 over de Hagia Sophia, en de desbetreffende besluiten van het Unesco-werelderfgoedcomité 44 COM 7B.58 (2021) en 45 COM 7B.58 (2023) die respectievelijk tijdens de 44e en 45e zitting van het comité zijn aangenomen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 13 september 2023 over het Commissieverslag van 2022 over Turkije<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/1760, 22.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1760/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, van 7 juni 2022 over het Commissieverslag van 2021 over Turkije<FOOTNOTE><FIELD>PB C 493 van 27.12.2022, blz. 2.</FIELD></FOOTNOTE>, en van 26 november 2020 over de escalerende spanningen in Varosha na de illegale acties van Turkije en de dringende noodzaak om de gesprekken te hervatten<FOOTNOTE><FIELD>PB C 425 van 20.10.2021, blz. 143.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 29 februari 2024 over verdieping van de EU-integratie met het oog op toekomstige uitbreidingen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6746, 26.11.2024<STRING ITALIC="on">, </STRING>ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6746/oj<STRING ITALIC="on">.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide<FOOTNOTE><FIELD>PB C 328 van 6.9.2016, blz. 2.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resoluties van 5 mei 2022 over de zaak van Osman Kavala in Turkije<FOOTNOTE><FIELD>PB C 465 van 6.12.2022, blz. 112.</FIELD></FOOTNOTE>, van 10 oktober 2024 over de zaak van Bülent Mumay in Turkije<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2025/206, 14.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/206/oj.</FIELD></FOOTNOTE> en van 13 februari 2025 over recente afzettingen en arrestaties van burgemeesters in Turkije<FOOTNOTE><FIELD>Aangenomen teksten, P10_TA(2025)0016.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het bezoek van Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, aan Ankara in december 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A10-0067/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat Turkije kandidaat blijft voor toetreding tot de EU en dat het EU-lidmaatschap het herhaaldelijk verklaarde politieke doel van de Turkse regering blijft, hoewel de kloof tussen het land en de EU wat betreft waarden en belangen steeds groter wordt; overwegende dat de onderhandelingen inzake toetreding tot de EU sinds 2018 feitelijk stilliggen wegens de verslechtering van de rechtsstaat en democratie in Turkije;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat van elk toetredingsland wordt verwacht dat het de democratische waarden, de rechtsstaat en de mensenrechten eerbiedigt en het EU-recht naleeft; overwegende dat Turkije op geloofwaardige wijze moet laten blijken dat het streeft naar nauwere betrekkingen en toenadering tot de Europese Unie, wil het zijn Europese perspectief nieuw leven inblazen; overwegende dat er van een kandidaat-lidstaat wordt verwacht dat deze bereid is om de waarden, de belangen, de normen en het beleid van de EU, onder meer met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, geleidelijk in alle opzichten te benaderen en zich hierbij aan te sluiten, teneinde de criteria van Kopenhagen te eerbiedigen en toe te passen, en goede nabuurschapsbetrekkingen na te streven en te onderhouden met de EU en al haar lidstaten, zonder onderscheid; overwegende dat de spanningen tussen de EU en Turkije met betrekking tot de situatie in het oostelijk deel van de Middellandse Zee weliswaar zijn gede-escaleerd, maar daarmee nog niet zijn opgelost; overwegende dat Turkije herhaaldelijk is verzocht zich te onthouden van elke handeling die een inbreuk vormt op de soevereiniteit en soevereine rechten van ongeacht welke EU-lidstaat en die in strijd is met het internationaal en EU-recht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat in het voortgangsverslag van 2023 van de Commissie over Turkije gewag werd gemaakt van een voortdurende achteruitgang, terwijl het laatste voortgangsverslag van 2024 een iets positiever algemeen beeld lijkt te schetsen van de vooruitgang bij de uitbreidingsgerelateerde hervormingen in Turkije, waaronder op het gebied van economisch en monetair beleid; overwegende dat dit echter niet geldt voor de cruciale kwesties in verband met de democratie en de grondrechten, die nog verder zijn verslechterd sinds de publicatie van het meest recente verslag van de Commissie; overwegende dat de kloof tussen Turkije en de waarden en het normatieve kader van de EU in de recente periode dan ook niet is gedicht, en dat daarentegen voortdurend gebruik is gemaakt van wetten en maatregelen gericht op het inperken van de rechtsstaat en de mensenrechten, de fundamentele en de burgerlijke vrijheden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de gezamenlijke mededeling over de stand van de betrekkingen tussen de EU en Turkije van 29 november 2023 een positiever geluid liet horen, en dat hierin een reeks aanbevelingen werd gedaan over gefaseerde samenwerking die proportioneel van aard is op gebieden van gemeenschappelijk belang, die eventueel weer kan worden teruggedraaid, en waarbij de gebruikelijke voorwaarden gelden; overwegende dat de gedane toezeggingen in dat kader tot dusver slechts tot enkele concrete stappen hebben geleid; overwegende dat de Europese Raad van april 2024 Coreper de opdracht gaf voortgang te maken met de uitvoering van deze gezamenlijke mededeling; overwegende dat deze gezamenlijke mededeling desondanks nog geen duidelijke politieke bekrachtiging van de Raad heeft gekregen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat Turkije lid is van de Raad van Europa en derhalve gebonden is aan de uitspraken van het EHRM; overwegende dat tegen Turkije momenteel historische inbreukprocedures lopen wegens het niet toepassen van belangrijke uitspraken van het EHRM; overwegende dat Turkije consequent tot de landen behoort die het vaakst de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, schenden; overwegende dat Turkije eind november 2024 het hoogste aantal aanhangige zaken bij het EHRM had, met 22 450 verzoekschriften, wat neerkomt op 36,7 % van het totale aantal van 61 250 verzoekschriften bij het EHRM;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat Turkije door Freedom House als “onvrij” wordt aangemerkt en dat het een van de landen in de wereld is waar de mate van vrijheid de afgelopen tien jaar het sterkst is gedaald; overwegende dat Turkije in 2024 van de 180 landen op de Wereldindex voor persvrijheid de 158e plaats innam; overwegende dat de Turkse regering tientallen mediakanalen heeft gedwongen tot sluiting, met regelmaat online artikelen ontoegankelijk maakt, naar verluidt 85 % van de nationale media onder haar controle heeft en het nationale persbureau Anadolu gebruikt om propaganda te verspreiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de Turkse grondwet weliswaar voorziet in voldoende bescherming van de grondrechten, maar dat de handelswijze van de instanties en de kritieke staat waarin de rechterlijke macht verkeert – wat onder andere blijkt uit de gebrekkige eerbiediging van uitspraken van het grondwettelijk hof – de belangrijkste redenen zijn voor de schrijnende situatie van de rechtsstaat en de mensenrechten in het land, en dat deze kwesties herhaaldelijk zijn beschreven in verslagen van de EU, de Raad van Europa en internationale organisaties;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat Turkije het hoogste percentage gedetineerden en de grootste gevangenispopulatie heeft van alle lidstaten van de Raad van Europa, met overbevolkte gevangenissen waarvan de populatie tussen 2005 en 2023 met 439 % is toegenomen en die momenteel meer dan één derde vertegenwoordigt van alle gedetineerden van de landen van de Raad van Europa samen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat Turkije in 2024 in de Global Gender Gap Index van de 146 landen de 127e plaats innam, waaruit blijkt dat er sprake is van ernstige genderongelijkheid en systemische tekortkomingen bij de bescherming van vrouwenrechten; overwegende dat volgens het verslag uit 2024 van het platform voor de beëindiging van femicide (Kadın Cinayetlerini Durduracağız Platformu) in 2024 in Turkije 394 vrouwen werden vermoord door mannen en 259 vrouwen onder verdachte omstandigheden dood werden aangetroffen, en dat dit de hoogste aantallen zijn sinds deze maatschappelijke organisatie in 2010 begon met het verzamelen van gegevens in dit verband; overwegende dat volgens het verslag van het platform van 2023 in dat jaar 315 vrouwen werden vermoord door mannen en 248 vrouwen onder verdachte omstandigheden dood werden aangetroffen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat Turkije de afgelopen maanden stappen heeft gezet in de richting van de hervatting van een proces voor het vinden van een vreedzame oplossing van de Koerdische kwestie; overwegende dat de militante leider Abdullah Öcalan op 27 februari 2025 vanuit zijn gevangenschap heeft opgeroepen tot ontwapening en ontbinding van zijn Koerdische Arbeiderspartij (PKK), en daarmee een historische kans heeft geboden om een einde te maken aan het Turks-Koerdische conflict; overwegende dat deze inspanningen gepaard zijn gegaan met toenemende repressie en de inperking van de bevoegdheden van democratische lokale overheden, met inbegrip van het ontslag van verkozen Koerdische en tot de oppositie behorende burgemeesters;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat Turkije niet alleen kandidaat-lidstaat van de EU is, maar ook een NAVO-bondgenoot en een belangrijke partner op het gebied van handel, economische betrekkingen, veiligheid, terrorismebestrijding en migratie; overwegende dat Turkije zijn sleutelrol in de regio behoudt, fungeert als een brug tussen Europa en Azië en een belangrijke partner blijft voor de stabiliteit in de ruimere regio van het oostelijke Middellandse Zeegebied; overwegende dat Turkije nog steeds een belangrijke rol speelt in het Syrische conflict en een militaire aanwezigheid in het noorden van Syrië in stand houdt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat Turkije zich niet heeft aangesloten bij de EU-sancties tegen Rusland; overwegende dat de handel tussen Turkije en Rusland bijna is verdubbeld sinds de start van de EU-sancties tegen Rusland; overwegende dat Turkije, ondanks dat het enkele maatregelen heeft genomen, niet heeft verhinderd dat zijn grondgebied wordt gebruikt om de EU-sancties tegen Rusland te omzeilen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat uit het voortgangsverslag 2024 van de Commissie over Turkije blijkt dat het land op 30 september 2024 zich in slechts 5 % van de gevallen achter relevante verklaringen van de Hoge Vertegenwoordiger namens de EU en relevante besluiten van de Raad heeft geschaard, vergeleken met 9 % in 2023;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat Turkije de op vier na grootste handelspartner van de EU is en dat de EU verreweg de grootste handelspartner van Turkije is en zijn voornaamste bron van buitenlandse directe investeringen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat de EU en Turkije het afgelopen jaar de banden hebben aangehaald op het vlak van technische bijeenkomsten en bijeenkomsten op hoog niveau op sectorale gebieden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat Turkije een verzoek om lidmaatschap van de BRICS+ heeft ingediend en belangstelling heeft getoond voor lidmaatschap van de Shanghai-samenwerkingsorganisatie (SCO);</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat Turkije na een periode van onorthodox economisch beleid het afgelopen jaar een strakker monetair beleid heeft gevoerd dat heeft geresulteerd in een vermindering van de externe onevenwichtigheden en een matiging van de inflatoire druk;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat de Turkse regering in maart 2025 ten minste 10 miljard USD van haar valutareserves heeft uitgegeven om de ineenstorting van haar financiële markten en de devaluatie van de lira als gevolg van haar besluit om burgemeester van Istanbul en prominente oppositiepoliticus Ekrem İmamoğlu te arresteren en vast te houden, tegen te gaan; overwegende dat de ondermijning van de Turkse democratie en de rechtsstaat door de Turkse regering een ongunstig klimaat voor buitenlandse directe investeringen creëert en daarmee de Turkse economie verzwakt, met ernstige gevolgen voor de sociaal-economische situatie van Turkse burgers;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat Turkije met ongeveer 3,1 miljoen geregistreerde vluchtelingen, voornamelijk uit Syrië, Irak en Afghanistan, het grootste aantal vluchtelingen ter wereld opvangt; overwegende dat de EU sinds 2011 meer dan 10 miljard EUR heeft verstrekt aan steun voor vluchtelingen en gastgemeenschappen in Turkije; overwegende dat de EU volgens een geloofwaardig onderzoeksrapport van Lighthouse Reports en acht mediapartners financiering verleent aan uitzetcentra in Turkije die betrokken zijn bij de detentie, mishandeling en gedwongen deportaties van vluchtelingen onder het mom van vrijwillige terugkeer;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat de EU – naast de via het EU-mechanisme voor civiele bescherming gecoördineerde noodhulp, met een geraamde financiële waarde van 38 miljoen EUR – 78,2 miljoen EUR aan humanitaire hulp heeft verstrekt voor de respons op aardbevingen in 2023 en 26 miljoen EUR aan humanitaire hulp in 2024; overwegende dat de EU in het kader van het Solidariteitsfonds van de EU nog eens 400 miljoen EUR aan bijstand heeft toegezegd om herstellingswerk na de verwoestende aardbeving te financieren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat Turkije terrorismebestrijdingswetgeving systematisch heeft misbruikt om zijn pijlen te richten op onder andere gekozen functionarissen, politici van de oppositie, journalisten en mensenrechtenactivisten;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Inzet voor toetreding tot de EU</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>erkent de reeds lang bestaande aspiraties van het Turkse maatschappelijk middenveld met betrekking tot toetreding tot de Europese Unie; is ingenomen met de recente verklaringen van de Turkse regering waarin zij haar inzet voor het EU-lidmaatschap als strategisch doel bekrachtigt, en dit in de context van een poging om de betrekkingen tussen de EU en Turkije op gefaseerde, evenredige en omkeerbare wijze nieuw leven in te blazen in lijn met de desbetreffende conclusies van de Europese Raad; erkent dat de EU toezegt deze inzet aan te willen moedigen door middel van een versterkte dialoog en samenwerking, maar moedigt haar aan haar verwachtingen ten aanzien van deze inzet in de nabije toekomst te herzien, in het licht van de verslechtering van de democratische normen die het land de afgelopen tien jaar in de richting van een autoritair model heeft gedreven, hetgeen onlangs nog is versneld met de politiek gemotiveerde arrestatie van de belangrijkste politieke tegenstander van president Recep Tayyip Erdoğan, namelijk de burgemeester van de grootstedelijke gemeente Istanbul Ekrem İmamoğlu;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt dat het EU-lidmaatschap afhankelijk is van de naleving van de toetredingscriteria (Kopenhagen), op grond waarvan stabiele instellingen worden vereist die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten, het respect voor en de bescherming van minderheden, goede nabuurschapsbetrekkingen, eerbiediging van het internationaal recht en aanpassing aan het GBVB van de EU waarborgen; merkt voorts op dat dit absolute criteria zijn en geen kwesties die onderhevig zijn aan strategische overwegingen en onderhandelingen over transacties; benadrukt dat de erkenning van alle lidstaten een onmisbaar onderdeel vormt van het toetredingsproces;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>betreurt het in dit verband dat de bovengenoemde positieve verklaringen niet gepaard zijn gegaan met concrete maatregelen van de Turkse autoriteiten om de nog altijd gapende kloof tussen Turkije en de EU op het gebied van waarden en normen te dichten, met name met betrekking tot de fundamentele aspecten van het toetredingsproces; herhaalt zijn eerder aangenomen conclusie dat de Turkse regering, net als in de afgelopen jaren, nog steeds blijk geeft van een duidelijk gebrek aan politieke wil om de nodige hervormingen door te voeren om het toetredingsproces nieuw leven in te blazen en blijft vasthouden aan een diepgewortelde autoritaire interpretatie van het presidentiële stelsel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>erkent het strategische en geopolitieke belang van Turkije en zijn toenemende aanwezigheid en invloed in gebieden die van cruciaal belang zijn voor de internationale veiligheid, zoals het Zwarte Zeegebied, met inbegrip van Oekraïne, en het Midden-Oosten; herhaalt dat Turkije een strategische partner en NAVO-bondgenoot is, alsook een land waarmee de EU nauwe betrekkingen onderhoudt op het gebied van veiligheid, handel, economie en migratie; is ingenomen met de nauwere samenwerking tussen Turkije en de EU, waarnaar de Turkse regering veelvuldig heeft verwezen, maar benadrukt dat dit op geen enkele wijze in de plaats kan komen van de werkelijke vooruitgang die Turkije als kandidaat-lidstaat moet boeken om te voldoen aan de fundamentele vereisten voor toetreding; benadrukt in dit verband dat er in het toetredingsproces geen sluiproutes bestaan en dat geen enkele reden kan worden aangevoerd om de democratische beginselen, die de kern van het toetredingsproces vormen, niet te bespreken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>merkt op dat het verslag van de Commissie van 2024 over Turkije een positiever beeld schetst van de uitvoering van hervormingen in het kader van het toetredingsproces van Turkije dan het verslag over Turkije van 2023, waarbij met betrekking tot de rechtsstaat en de mensenrechten wordt gesteld dat “geen vooruitgang” is geboekt, terwijl daarvoor sprake was van een verdere verslechtering; is echter van mening dat dit, althans op belangrijke gebieden zoals democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, verklaard moet worden door het feit dat er al een zeer laag punt was bereikt en dat die situatie ongewijzigd is gebleven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>neemt voorts kennis van een subtiele verschuiving in de focus van het verslag van 2024 over Turkije in vergelijking met het verslag van 2023, waarbij minder de nadruk is komen te liggen op het toetredingsproces en meer op een strategisch partnerschap tussen de Europese Unie en Turkije; is van mening dat de kritieke toestand van het toetredingsproces aanleiding is geweest voor de Commissie en de Raad om enkel te focussen op de partnerschapsdimensie van de betrekkingen van de EU met Turkije, hetgeen ook blijkt uit de gezamenlijke mededelingen over de stand van de betrekkingen tussen de EU en Turkije van 29 november 2023 en 22 maart 2021; wijst op de groeiende tendens in de richting van een ander kader voor de betrekkingen, hetgeen ten koste zou kunnen gaan van het toetredingsproces;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De kern van het toetredingsproces: democratie, de rechtsstaat en de grondrechten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>is van mening dat, wat de mensenrechten en de rechtsstaat betreft, de recente resoluties van het Parlement over deze kwestie nog steeds van toepassing zijn in het licht van de aanhoudende schrijnende mensenrechtensituatie en de achteruitgang van de democratie in Turkije gedurende het afgelopen jaar; sluit zich volledig aan bij de meest recente resoluties van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en het bijbehorende verslag van zijn Commissie toezicht naleving verplichtingen, alsook bij de resoluties die zijn aangenomen door het Comité van ministers van de Raad van Europa, waarin een gedetailleerde beschrijving wordt gegeven van de vele serieuze tekortkomingen op het gebied van de mensenrechten waarover doorlopend wordt bericht door mensenrechtenorganisaties die zowel in Turkije als daarbuiten gerenommeerd zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>neemt kennis van de toezegging van de Turkse regering om het gerechtelijk apparaat te hervormen en maatregelen van organisatorische aard in te voeren; benadrukt echter dat structurele maatregelen moeten worden ingevoerd ter waarborging van de rechterlijke onafhankelijkheid; betreurt het ten zeerste dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Turkije, ondanks een hervormingsstrategie met negen pakketten voor justitiële hervormingen, na systematische inmenging door de regering in en de politieke instrumentalisering van het rechtsstelsel nog steeds ver te zoeken is; betreurt in dit verband de verzwakking van de resterende mechanismen voor grondwettelijke toetsing, met name individuele verzoeken, en de frequente schendingen van de eerlijke rechtsbedeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>is ontzet over de vervolging van rechtsbeoefenaars, met inbegrip van de recente rechtszaak die is aangespannen door het hoofd van het openbaar ministerie van Istanbul en heeft geleid tot de verwijdering van het bestuur van de orde van advocaten van Istanbul wegens de tenlasteleggingen van “het maken van propaganda voor een terroristische organisatie” en “de openbare verspreiding van misleidende informatie” naar aanleiding van een verzoek om de moord op twee Koerdische journalisten in Syrië te onderzoeken, en tot de gevangenneming van een van de leden van de raad van bestuur van de orde van advocaten van Istanbul na zijn reis naar Straatsburg om bijeenkomsten te houden met instellingen van de Raad van Europa;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>is verontrust over het flagrante verzuim om beslissingen van het grondwettelijk hof uit te voeren, onder meer in de zaak van het parlementslid Can Atala, hetgeen is uitgemond in een ernstige crisis in de rechtspraak waarbij het Hof van Cassatie een strafrechtelijke aanklacht heeft ingediend tegen negen rechters van het grondwettelijk hof; is bezorgd over het recente besluit van het Hof van Cassatie om de straffen te herroepen van de terroristen die betrokken waren bij de aanslag door ISIS op de luchthaven Atatürk van Istanbul in 2016 waarbij 45 mensen om het leven kwamen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>verzoekt Turkije zich sterker in te zetten voor democratisch bestuur, met name door middel van hervormingen die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht waarborgen; neemt kennis van de recente aankondiging van de vierde strategie voor justitiële hervorming voor de periode 2025-2029; verzoekt de Turkse regering om na de oppervlakkige veranderingen die tot dusver met de opeenvolgende hervormingspakketten en actieplannen zijn doorgevoerd, nu over te gaan tot een ingrijpende en allang noodzakelijke hervorming die met oprechte politieke wil de ernstige en structurele tekortkomingen van de rechterlijke macht van Turkije zal aanpakken; benadrukt dat het beëindigen van politieke inmenging in de rechterlijke macht geen strategie of hervormingspakket vereist, maar enkel de politieke wil om dit te doen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>blijft zeer verontrust over de aanhoudende verslechtering van de democratische normen en het meedogenloze optreden van de Turkse autoriteiten tegen alle kritische geluiden, waarbij gebruik wordt gemaakt van een toenemend aantal repressieve wetten, het regelmatige misbruik van terrorismebestrijdingswetten, onder andere tegen minderjarigen, zoals in de zaak “Kız Çocukları Davası”, het op onevenredige wijze gebruiken van het misdrijf van belediging van een overheidsfunctionaris, het veelvuldig gebruik van geheime getuigen en slapende zaken in een context van gebrekkige gerechtelijke procedures, en het terugkerende fenomeen van nachtelijke arrestaties en invallen bij mensen thuis, met veel bombarie, om de betrokken personen af te schilderen als extreem gevaarlijk;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>is ingenomen met het feit dat in november 2024 de ontwerpwijziging van de Turkse spionagewet – bekend als de “agent of influence-wet” – werd ingetrokken; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan in de toekomst af te zien van een herintroductie van soortgelijke al te ruim geformuleerde en vage wetgeving, gezien het ernstige risico dat deze zou worden gebruikt als instrument om de legitieme activiteiten van maatschappelijke organisaties in het land in nog sterkere mate strafbaar te stellen; verzoekt de Turkse autoriteiten ervoor te zorgen dat de onlangs aangenomen wet inzake cyberbeveiliging zal dienen voor het legitieme doel ervan, namelijk de gegevensbescherming en de nationale veiligheid, zonder ruimte te bieden voor mogelijke schendingen van de grondrechten en zonder dat deze wet weer een instrument voor verdere repressie zal worden; benadrukt dat het gerechtelijk apparaat nog steeds zeer restrictief is, met een complex geheel van wetgeving dat dient als instrument om kritische stemmen systematisch te controleren en het zwijgen op te leggen, zoals de socialemediawet van 2020, de antiwitwaswet van 2021 en de desinformatiewet van 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>is verontrust over de recente goedkeuring van wettelijke bepalingen waarbij buitengewone bevoegdheden worden verleend aan de staatsraad van toezicht (DDK) en het spaardepositoverzekeringsfonds (TMSF), waaronder de mogelijkheid voor eerstgenoemde om allerlei categorieën ambtenaren op diverse niveaus te ontslaan en eigen bestuurders aan te stellen die op willekeurige wijze kunnen worden ingezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan om een einde te maken aan de huidige ernstige beknotting van de fundamentele vrijheden – met name de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en vereniging – en de voortdurende aanvallen op de grondrechten van onder andere oppositieleden, mensenrechtenverdedigers, advocaten, vakbondsleden, minderheden, journalisten, academici, artiesten en activisten uit het maatschappelijk middenveld; veroordeelt ten stelligste de recente golven van massale arrestaties en opsluitingen op grond van politiek gemotiveerde beschuldigingen, en op grond van vermoedelijke terroristische banden, waardoor politici, academici en journalisten worden getroffen, waaronder de arrestaties van Elif Akgül, onafhankelijk journalist, Yıldız Tar, hoofdredacteur van de site Kaos GL voor lhbt+-nieuws, Ender İmrekof, columnist bij het dagblad Evrensel, en Joakim Medin, Zweeds journalist voor ETC, allen bekend om hun inzet voor mensenrechtenkwesties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>veroordeelt ten stelligste de recente arrestatie en gevangenschap van de Zweedse journalist Joakim Medin; herhaalt dat persvrijheid een grondrecht en een kernwaarde van de EU is; spreekt zich met klem uit tegen de beschuldigingen jegens Joakim Medin, die uitsluitend gebaseerd zijn op zijn journalistieke werk, en vraagt derhalve zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating en die van andere journalisten die gevangen zijn gezet omdat zij hun vrijheid van meningsuiting hebben uitgeoefend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>betreurt de niet-aflatende vervolging, censurering en intimidatie van journalisten en onafhankelijke media, waardoor zij hun beroep niet in vrijheid kunnen uitoefenen en het publiek niet onbelemmerd kunnen informeren, hetgeen van cruciaal belang is voor een goed functionerende democratische samenleving; verzoekt de Turkse autoriteiten af te zien van verdere aanvallen op onafhankelijke media en de grondrechten en burgerlijke vrijheden, zoals de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, te eerbiedigen; maakt zich onverminderd grote zorgen over de huidige wetgeving, die een open en vrij internet in de weg staat, met lange gevangenisstraffen voor berichten die op sociale media worden geplaatst, grote aantallen verboden om van sociale media gebruik te maken en opdrachten om inhoud te verwijderen, alsook over het voortdurende gebruik van de Hoge Raad voor radio en televisie (RTÜK) om beperkingen op te leggen aan kritische media en zelfs aan kanalen die zogezegd “pessimisme” verspreiden in plaats van positief nieuws;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>neemt ook kennis van positieve ontwikkelingen, zoals de gedeeltelijke opheffing - door het Ministerie van Binnenlandse Zaken - van de beperkingen die golden voor de wekelijkse wakes van de “zaterdagmoeders” (Cumartesi Anneleri) op het Galatasaray-plein in Istanbul en de recente vrijspraak van alle 46 verdachten in de meer dan zes jaar durende zaak in verband met de 700e bijeenkomst van de organisatie in augustus 2018; dringt aan op de volledige opheffing van alle beperkingen op hun vreedzame protest, overeenkomstig de desbetreffende uitspraak van het Grondwettelijk Hof, en op de beëindiging van de lopende rechtszaak tegen verschillende leden en sympathisanten van de Cumartesi Anneleri; maakt zich zorgen over de lopende rechtszaak tegen de prominente mensenrechtenverdediger Nimet Tanrıkulu, die op 4 maart 2025 is vrijgelaten na 94 dagen in voorarrest te hebben gezeten; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan alle personen die worden vastgehouden wegens de uitoefening van hun grondrechten onmiddellijk vrij te laten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>blijft ontzet over het feit dat de Turkse autoriteiten, en met name de Turkse rechterlijke macht, belangrijke uitspraken van het EHRM voortdurend negeren en weigeren toe te passen; veroordeelt het eens te meer dat Turkije het rechtsstelsel flagrant misbruikt en weigert mensenrechtenverdediger Osman Kavala en de politici van de oppositie Selahattin Demirtaș en Figen Yüksekdağ vrij te laten, hetgeen aanleiding vormt voor een historische inbreukprocedure tegen Turkije bij de Raad van Europa, met nog onbekende consequenties die al een tijd op zich laten wachten; is ontzet over de recente indiening en aanvaarding van een nieuwe tenlastelegging tegen Selahattin Demirtaş waarin de hoofdaanklager van Diyarbakır vraagt om een gevangenisstraf van maximaal 15 jaar en een verbod op de uitvoering van politieke activiteiten, op grond van verschillende toespraken die hij in 2016 heeft gehouden; roept Turkije op zich volledig te houden aan de arresten van het EHRM in verband met vermiste personen en eigendommen (waaronder in de zaak-Fokas) in Cyprus; betreurt het politiek gemotiveerde karakter van deze vervolgingen, die passen binnen een breder patroon van gerechtelijke intimidatie; dringt er bij Turkije op aan om, overeenkomstig artikel 46 van het EVRM alsook de onvoorwaardelijke verplichtingen die voortvloeien uit artikel 90 van de Turkse grondwet, alle uitspraken van het EHRM volledig ten uitvoer te leggen; verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten alle diplomatieke kanalen te gebruiken om Turkije aan te sporen de arresten van het EHRM uit te voeren, en te overwegen de toekenning van financiering afhankelijk te maken van de uitvoering van EHRM-arresten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>verzoekt Turkije de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 januari 2008 te eerbiedigen, op basis waarvan Turkije schuldig werd bevonden aan schending van artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat het land heeft nagelaten de verantwoordelijken voor de in 1996 op Cyprus gepleegde moorden op Tassos Isaak en Solomos Solomou op te sporen en te vervolgen; verzoekt de Turkse autoriteiten de internationale aanhoudingsbevelen tegen de moordverdachten uit te voeren en hen aan de Republiek Cyprus over te leveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de schrijnende situatie in Turkse gevangenissen als gevolg van de enorme overbevolking en de slechte leefomstandigheden, alsook over de berichten (waaronder van de Raad van Europa) over grootschalige foltering en mishandeling, en over het feit dat gevangenen slechts in zeer beperkte mate toegang hebben tot sanitaire voorzieningen en informatie; is met name bezorgd over de detentieomstandigheden van gevangenen op leeftijd en ernstig zieke gevangenen, zoals het geval van Soydan Akay, die ten onrechte gevangen wordt gehouden; dringt aan op zijn onmiddellijke vrijlating om humanitaire en gezondheidsredenen; is bezorgd over de voortdurende praktijk van vernederende visitaties in gevangenissen en andere detentiefaciliteiten, en over de aanhoudende intimidatiepraktijken tegen parlementslid Ömer Faruk Gergerlioğlu, tegen wie momenteel zes procedures lopen om hem zijn parlementaire zetel en immuniteit af te nemen, waaronder omdat hij deze praktijk aan de kaak heeft gesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>veroordeelt het met klem dat de Turkse regering na de lokale verkiezingen van maart 2024 heeft besloten om de democratisch verkozen burgemeesters van ten minste 13 gemeenten en districten (Hakkari, Mardin, Batman, Halfeti, Tunceli, Bahçesaray, Akdeniz, Siirt, Van en Kağızman, waar de DEM-partij had gewonnen, en Esenyurt Ovacık en Şişli, waar de CHP-partij had gewonnen) te ontslaan en te vervangen door eigen bestuurders (benoemd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken); beschouwt deze jarenlange praktijk om eigen bestuurders te benoemen als een flagrante aanval op de meest fundamentele beginselen van de lokale democratie; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan onmiddellijk een einde te maken aan de onderdrukking van de politieke oppositie en het recht van kiezers om hun vertegenwoordigers vrij te verkiezen, te eerbiedigen, overeenkomstig de aanbevelingen van het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa en de Commissie van Venetië; verzoekt de VV/HV andermaal te overwegen om in het kader van de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten beperkende maatregelen op te leggen aan Turkse functionarissen die de rol van bestuurder op zich nemen, alsook tegen degenen die hen benoemen; hekelt de ernstige repressie van protesten tegen de verwijdering van verkozen burgemeesters, waaronder de willekeurige arrestatie van honderden demonstranten, waaronder minderjarigen; beschouwt het besluit van de Turkse regering om na de laatste lokale verkiezingen van maart 2024 opnieuw naar deze handelingswijze te grijpen als een duidelijk teken van het ontbreken van inzet door de regering om de problemen met de democratie in het land aan te pakken, hetgeen haaks staat op de verklaarde bereidheid om het toetredingsproces nieuw leven in te blazen, aangezien dergelijke acties de vooruitzichten op een sterker en alomvattender partnerschap met de EU ondermijnen en schadelijk zijn voor het langetermijnproces in de richting van nauwere samenwerking;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>betreurt het dat politieke partijen en oppositieleden, die onder steeds grotere druk komen te staan, voortdurend het doelwit zijn; veroordeelt in de krachtigste bewoordingen dat de CHP-burgemeester van de grootstedelijke gemeente Istanbul, Ekrem İmamoğlu, net als de burgemeesters van Şişli en Beylikdüzü, in het kader van twee afzonderlijke onderzoeken vanwege vermeende corruptie en terrorismegerelateerde beschuldigingen, waar in totaal 106 verdachten bij betrokken zijn, zijn gearresteerd en uit hun ambt zijn gezet; benadrukt dat deze laatste zaken, die deel uitmaken van een lange lijst van 42 administratieve en 51 gerechtelijke onderzoeken sinds de verkiezing van İmamoğlu in 2019, slechts enkele dagen vóór het partij-interne proces om hem tot presidentskandidaat te benoemen, en één dag na het omstreden besluit van de universiteit van Istanbul om zijn diploma in te trekken, een voorwaarde om voor het ambt van president te kunnen kandideren, zijn gestart; is ontzet over het tijdelijke verbod op alle demonstraties in Istanbul en andere provincies in het hele land, en over de restricties op sociale media; veroordeelt het harde neerslaan door de Turkse autoriteiten van de vreedzame massaprotesten, en de bijna 2 000 arrestaties die daarbij plaatsvonden, in veel gevallen van studenten, en de vervolging van honderden van die arrestanten door middel van haastig opgezette massaprocessen zonder dat enig bewijs van strafwettelijke overtreding voorhanden is; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de onwettige arrestatie van Esila Ayık, een in Gent woonachtige studente fotografie die op 8 april 2025 werd gearresteerd bij protesten in Istanbul, in het bijzonder gezien haar aandoening aan hart en nieren waarvoor zij momenteel geen behandeling ontvangt; dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van alle personen die nog worden vastgehouden en op vrijspraak van alle personen die worden vervolgd voor de uitoefening van hun grondrechten; betreurt de arrestaties, opsluitingen en deportaties van binnenlandse en buitenlandse journalisten die verslagleggen over de protesten, hetgeen in strijd is met de persvrijheid; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan alle beschuldigingen van intimidatie en buitensporig gebruik van geweld tegen demonstranten snel en doeltreffend te onderzoeken en de vrijheid van vergadering en protest te handhaven; beschouwt de aanvallen op İmamoğlu als een politiek gemotiveerd besluit dat tot doel heeft een legitieme tegenkandidaat te belemmeren om aan de geplande verkiezingen deel te nemen, en is van mening dat de Turkse autoriteiten het land hiermee verder in de richting van een volledig autoritair model duwen; betreurt het gebrek aan een krachtige, eensgezinde reactie van de EU op deze alarmerende ontwikkelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>maakt zich verder zorgen over de onlangs aangespannen afzonderlijke zaken tegen de CHP-burgemeester van het district Beșiktaș in Istanbul, Rıza Akpolat, de CHP-burgemeester van het district Beykoz in Istanbul, Alaattin Köseler, de voorzitter van de jongerenafdeling van de CHP-partij, Cem Aydın, en de voorzitter van de Zafer-partij, Ümit Özdag; is ontzet over de gewelddadige en nietsontziende onderdrukking door de Turkse autoriteiten van elke vorm van kritiek waar alle sectoren van de samenleving in Turkije recent mee worden geconfronteerd, zoals onder andere blijkt uit de zaak-Ayșe Barım, een bekende impressario die sinds 27 januari 2025 gevangen zit wegens vermeende betrokkenheid bij de “Gezi protesten” van twaalf jaar geleden, het onderzoek dat is ingesteld tegen Orhan Turan en Ömer Aras, de voorzitter en een manager van TÜSIAD, de belangrijkste Turkse belangenorganisatie voor het bedrijfsleven, of de tenlastelegging (waarbij de aanklager voor zware gevangenisstraffen pleit) tegen de eindredacteur van Halk TV, Suat Toktaș, en de journalisten Seda Selek, Barıș Pehlivan, Serhan Asker and Kürșad Oğuz, die voorlopig zijn vrijgesproken; is bezorgd over het feit dat in al deze en andere zaken een rol wordt gespeeld door de onlangs benoemde hoofdaanklager van Istanbul, Akın Gürlek, die in verschillende functies betrokken is geweest bij een lange lijst van spraakmakende zaken tegen politici, en hetgeen reden zou kunnen zijn om de oplegging van beperkende maatregelen in het kader van de EU-sanctieregeling voor de mensenrechten te overwegen; is ook bezorgd over de toenemende financiële druk op gemeenten die door de oppositie worden bestuurd en over controversiële aankondigingen, bijvoorbeeld met betrekking tot de dagopvangcentra in gemeenten met een oppositiebestuur;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de verslechtering op het gebied van de vrouwenrechten, over gendergerelateerd geweld, en over de toename van het aantal gevallen van feminicide in Turkije in 2024, het grootste aantal sinds 2010, het jaar vóór de ondertekening van het Verdrag van Istanbul; herhaalt zijn krachtige veroordeling van de terugtrekking van Turkije, bij presidentieel decreet, uit deze internationale overeenkomst en herhaalt zijn oproep om dit besluit terug te draaien; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan zowel het wetgevingskader als ook de uitvoering ervan te verbeteren, waaronder middels het volledig toepassen van beschermingswet nr. 6284, om alle vormen van geweld tegen vrouwen en de praktijk van de zogenaamde “eremoorden” doeltreffend aan te pakken, een eind te maken aan het hardnekkige beleid van straffeloosheid door daders voor de rechter te brengen, en te werken aan gendergelijkheid, met name wat betreft de deelname van vrouwen aan besluitvormings- en beleidsvormingsprocessen; waarschuwt voor verdere inbreuken op de rechten van vrouwen, zoals blijkt uit het recente verbod van Turkije op vrijwillige keizersneden zonder medische rechtvaardiging in particuliere medische centra, hetgeen een onaanvaardbare inbreuk vormt op de lichamelijke autonomie van vrouwen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>veroordeelt ten stelligste de aanhoudende schendingen van de grondrechten van lhbti’ers in Turkije, met inbegrip van de toename van haatzaaiende uitlatingen, haatmisdrijven en discriminerende retoriek, alsook de aanhoudende stereotypering in de media op basis van seksuele gerichtheid en genderidentiteit; betreurt het dat deze niet-aflatende discriminatie vaak door de autoriteiten wordt toegestaan, zoals blijkt uit het grote aantal arrestaties tijdens Pride Parade in maart 2023 en het verbod op het evenement in 2024, terwijl anti-lhbti+-demonstraties wel werden toegestaan; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan onmiddellijk een einde te maken aan het verbod op activiteiten tegen homofobie, waaronder Pride-optochten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>verwelkomt het dat er sprake is van een intensievere dialoog met christelijke minderheden, maar beklemtoont dat er geen daadwerkelijke vooruitgang is geboekt met betrekking tot de bescherming van de rechten van leden van etnische en religieuze minderheden, met name wat hun rechtspersoonlijkheid betreft, waaronder die van de Grieks-orthodoxe bevolking van de eilanden Gökçeada (Imbros) en Bozcaada (Tenedos); verzoekt Turkije in dit verband uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië en aan alle relevante arresten van het EHRM; stelt met bezorgdheid vast dat vertegenwoordigers van verschillende geloofsovertuigingen, waaronder niet-moslim- en alevitische gemeenschappen, nog steeds te maken hebben met bureaucratische belemmeringen wanneer zij gebedshuizen proberen te registreren; onderstreept dat dit neerkomt op een schending van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; verzoekt Turkije de langverwachte wetgeving inzake de verkiezing van bestuursleden in niet-islamitische bestuurlijke stichtingen van gemeenschapsziekenhuizen aan te nemen; verzoekt Turkije nogmaals de rol die het Oecumenisch Patriarchaat voor orthodoxe christenen over de hele wereld speelt, de rechtspersoonlijkheid van het Oecumenisch Patriarchaat, alsook het publieke gebruik van de kerkelijke titel van oecumenisch patriarch te erkennen; verzoekt Turkije de bijzondere universele waarde (“outstanding universal value”) van de Hagia Sofia en het Chora-museum, die op de werelderfgoedlijst van Unesco staan, volledig te eerbiedigen en te beschermen; stelt met bezorgdheid vast dat Turkije nog steeds geen uitvoering heeft gegeven aan twee besluiten van het Unesco-werelderfgoedcomité uit 2021 en 2023 met betrekking tot zijn plicht om speciale maatregelen te nemen om deze monumenten te beschermen; betreurt dat het klooster Panagia Soumela, dat is voorgedragen voor de werelderfgoedlijst van Unesco, onvoldoende wordt beschermd; benadrukt dat de beperkingen ten aanzien van de opleiding, benoeming en opvolging van geestelijken moeten worden opgeheven; juicht toe dat wordt overwogen het Halki-seminarie te heropenen, en dringt erop aan alle obstakels voor het naar behoren functioneren ervan weg te nemen; roept de Turkse autoriteiten op effectief onderzoek in te stellen naar personen die verantwoordelijk zijn voor haatmisdrijven, waaronder haatzaaiende uitlatingen, tegen minderheden, en die personen te vervolgen; veroordeelt de antisemitische uitspraken die in de media en door hoge functionarissen zijn gedaan na de terroristische aanslagen van Hamas op Israël op 7 oktober 2023; stelt vast dat al deze praktijken tegen religieuze minderheden onverenigbaar zijn met de waarden waarop de EU is gegrondvest;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>verwelkomt de recente oproep van Abdullah Öcalan aan de PKK om de wapens neer te leggen en de organisatie te ontbinden, en de deel te nemen aan een vredesproces, en ziet dit als een historische en langverwachte stap die een einde kan helpen maken aan een periode van veertig jaar geweld die geleid heeft tot meer dan 40 000 doden; prijst de inspanningen van alle betrokken partijen om deze ontwikkelingen te faciliteren, met inbegrip van de constructieve benadering van verschillende politieke leiders die in gang is gezet door MHP-leider Devlet Bahçeli, de bezoeken die een delegatie van de DEM-partij aan de Imrali-gevangenis mocht brengen, en het brede overleg dat deze partij met andere politieke partijen heeft geïnitieerd; onderstreept dat dit een belangrijke kans is en gevolgd moet worden door een inclusief politiek proces, met een prominente rol voor het Turkse parlement, voor het vinden van een vreedzame en permanente oplossing van het Koerdische conflict en de politieke, maatschappelijke, democratische en veiligheidsgerelateerde aspecten daarvan; benadrukt dat de mensenrechten, politiek pluralisme en burgerrechten voor alle burgers, ook voor de Koerden, moeten worden geëerbiedigd; betreurt de aanhoudende politieke repressie, gerechtelijke intimidatie en inperking van rechten op het vlak van cultuur en taal van Koerdische burgers, die de democratische beginselen en de sociale cohesie ondermijnen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>blijft Turkije prijzen voor de opvang van ongeveer 3,1 miljoen vluchtelingen, waaronder 2,9 miljoen Syriërs die tijdelijke bescherming genieten in 2024, tegenover 3,2 miljoen in 2023; herhaalt hoe belangrijk de medewerking van Turkije is voor een doeltreffend en ordelijk beheer van migratiestromen; vindt het daarnaast verheugend dat de EU sinds 2011 met bijna 10 miljard EUR heeft bijgedragen aan deze inspanningen van Turkije op het gebied van de opvang van vluchtelingen; stelt vast dat een deel van deze EU-financiering is besteed aan de versterking van de Turkse capaciteit op het vlak van grenscontrole en beheersing van de vluchtelingenstroom; neemt met instemming kennis van het besluit van de EU om in december 2024 nog eens 1 miljard EUR toe te wijzen om de gezondheidszorg, het onderwijs en de integratie van vluchtelingen in Turkije sinds de val van het Assad-regime verder te ondersteunen; merkt tegelijkertijd op dat deze middelen reeds in mei 2024 waren toegezegd en derhalve geen nieuwe fondsen vormen; verzoekt de Commissie voor maximale transparantie en precisie te zorgen bij de toewijzing van deze financiële middelen, en erop toe te zien dat door de EU gefinancierde projecten, met name projecten in verband met verwijderingscentra en grenscontroles, voldoen aan alle relevante mensenrechtennormen; is verontrust over geloofwaardige berichten inzake ernstige mensenrechtenschendingen in door de EU gefinancierde verwijderingscentra in Turkije, en verzoekt de Commissie deze kwestie op transparante en onafhankelijke wijze te onderzoeken; stelt bezorgd vast dat het aantal asielaanvragen in de Republiek Cyprus de afgelopen jaren steeds verder is toegenomen; wijst op de verplichting van Turkije om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de bestaande illegale migratieroutes te sluiten en te voorkomen dat nieuwe zee- of landroutes voor illegale migratie tussen Turkije en de EU, en met name Griekenland en de Republiek Cyprus, ontstaan; wijst op de risico’s in verband met elke mogelijke instrumentalisering van migranten door de Turkse regering; benadrukt dat de bescherming van alle rechten en vrijheden van vluchtelingen en migranten moet worden gewaarborgd; verzoekt Turkije de volledige, niet-discriminatoire uitvoering te garanderen van de Verklaring EU-Turkije uit 2016 en de overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije ten aanzien van alle lidstaten, waaronder de Republiek Cyprus; spreekt de voorzichtige hoop uit dat de ontwikkelingen in Syrië geleidelijk de terugkeer van een toenemend aantal vluchtelingen naar huis mogelijk zullen maken; herhaalt dat terugkeer alleen op vrijwillige basis en onder veilige en waardige omstandigheden mag plaatsvinden; veroordeelt de herhaalde gewelddadige aanvallen op vluchtelingen en migranten die worden aangewakkerd door xenofobe retoriek van politici en gastgemeenschappen; verzoekt de Europese Commissie en de EU-lidstaten meer inspanningen te leveren om de humanitaire en beschermingscapaciteit voor Syrische vluchtelingen in Turkije in stand te houden en het beginsel van non-refoulement als hoeksteen van het EU-beleid te handhaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>herhaalt dat het groot belang heeft bij stabiliteit en veiligheid in het oostelijke Middellandse Zeegebied; is ingenomen met de aanhoudende de-escalatie en de positieve dynamiek in de regio, en de recente toenadering tussen Turkije en Griekenland, hoewel onopgeloste kwesties nog steeds van invloed zijn op de bilaterale betrekkingen; betreurt het dat Turkije de soevereiniteit en soevereine rechten van EU-lidstaten zoals Griekenland en de Republiek Cyprus blijft schenden, waaronder middels de “Blauwe Vaderland”-doctrine; onderstreept dat de Turkse schendingen van het Griekse luchtruim weliswaar drastisch zijn afgenomen, maar dat de schendingen van de Griekse territoriale wateren zijn toegenomen ten opzichte van 2023 en dat Turkse vaartuigen systematisch illegale visserijactiviteiten verrichten in de Griekse territoriale wateren; uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat Turkije nog steeds een formele oorlogsdreiging in stand houdt tegen Griekenland (casus belli) als dit land zou belsuiten zijn wettige recht uit hoofde van artikel 3 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee uit te oefenen en zijn territoriale wateren in de Ege¨sche Aee tot 12 zeemijl uit te breiden; roept Turkije op om de soevereiniteit van alle EU-lidstaten over hun territoriale wateren en luchtruim, alsook hun andere soevereine rechten, te eerbiedigen, waaronder het recht op exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen overeenkomstig het EU- en het internationaal recht, met inbegrip van het VN-Verdrag inzake het recht van de zee (Unclos), dat deel uitmaakt van het EU-<STRING ITALIC="on">acquis</STRING>; herhaalt zijn standpunt dat het memorandum van overeenstemming tussen Turkije en Libië inzake de afbakening van maritieme rechtsgebieden in de Middellandse Zee een inbreuk vormt op de soevereine rechten van derde staten, niet in overeenstemming is met het zeerecht, en geen rechtsgevolgen kan hebben voor derde staten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>betreurt het dat de kwestie-Cyprus nog altijd onopgelost is, en dringt aan op een serieuze hervatting en politieke wil van alle partijen voor vreedzame onderhandelingen onder leiding van de VN, met het oog op echte vooruitgang in de gesprekken over een regeling voor Cyprus; verwelkomt de hervatting van informele gesprekken onder auspiciën van de secretaris-generaal van de VN op 18 en 19 maart 2025, die plaatsvonden in een constructieve sfeer en waarbij beide partijen blijk gaven van de wil om vooruitgang te boeken en de dialoog voort te zetten; juicht het toe dat beide partijen overeenstemming hebben bereikt over de openstelling van vier grensposten, het ruimen van mijnen, de oprichting van een commissie voor jeugdzaken, en milieu- en zone-energieprojecten, als onderdeel van een nieuw pakket vertrouwenwekkende maatregelen; spoort alle partijen aan dit momentum te gebruiken om te werken aan hervatting van onderhandelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>bekrachtigt zijn standpunt dat de enige oplossing voor de kwestie-Cyprus een eerlijke, alomvattende, levensvatbare en democratische regeling is, met inbegrip van de externe aspecten ervan, binnen het overeengekomen kader van de VN, op basis van een federatie van twee gemeenschappen en twee zones met één internationale rechtspersoonlijkheid, één soevereiniteit, één burgerschap en politieke gelijkheid, overeenkomstig de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, de overeengekomen convergentiegebieden en het kader van de secretaris-generaal van de VN, en met inachtneming van het internationaal recht en de beginselen en waarden waarop de Unie is gegrondvest; veroordeelt ten stelligste de pogingen van Turkije om de status van de separatistische entiteit in bezet Cyprus te verbeteren, onder meer via de Organisatie van Turkse staten, en roept alle staten op de soevereiniteit van Cyprus overeenkomstig de resoluties van de VN-Veiligheidsraad te eerbiedigen; dringt erop aan dat de onderhandelingen over de hereniging van Cyprus onder auspiciën van de secretaris-generaal van de VN zo snel mogelijk worden hervat op het punt waar deze in 2017 in Crans-Montana zijn afgebroken; verzoekt Turkije af te zien van het onaanvaardbare voorstel voor een tweestatenoplossing in Cyprus en terug te keren naar de overeengekomen basis voor een oplossing en het VN-kader; roept Turkije voorts op zijn troepen terug te trekken uit Cyprus en zich te onthouden van unilateraal optreden dat ervoor zorgt dat de permanente opdeling van het eiland dichterbij komt, en geen handelingen te verrichten die het demografische evenwicht wijzigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>roept Turkije ertoe op de status van de bufferzone en het mandaat van de Vredesmacht van de Verenigde Naties op Cyprus (UNFICYP) te eerbiedigen; herhaalt zijn oproep tot samenwerking tussen de Republiek Cyprus, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en de VN met het oog op concrete maatregelen voor demilitarisering van de bufferzone, alsook verbetering van de veiligheid op het eiland; dringt er bij Turkije en de Turks-Cypriotische leiders op aan alle unilaterale acties en schendingen binnen en in de nabijheid van de bufferzone te staken en ongedaan te maken, en zich te onthouden van verdere vergelijkbare acties en provocaties; veroordeelt de aanhoudende “openstelling” van Varosha door Turkije, aangezien die negatieve consequenties heeft voor de situatie ter plekke, het wederzijdse vertrouwen ondermijnt en ongunstig is voor de vooruitzichten op hervatting van de rechtstreekse besprekingen over een alomvattende oplossing voor de kwestie-Cyprus; roept Turkije op een eind te maken aan zijn illegale activiteiten waarmee het de resoluties 550(1984) en 789(1992) van de VN-Veiligheidsraad over Varosha schendt, waarin Turkije wordt opgeroepen het gebied-Varosha over te dragen aan zijn rechtmatige bewoners onder tijdelijk bestuur van de VN, en zich uit Strovilia terug te trekken en de volledig uitvoering van het Memorandum van Pyla te faciliteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>herhaalt zijn diepe bezorgdheid over alle unilaterale acties die erop gericht zijn de permanente opdeling van Cyprus ter plaatse te verankeren in plaats van op de hereniging ervan; veroordeelt in dit verband het recente illegale bezoek van president Erdoğan aan de bezette gebieden van de Republiek Cyprus, alsook zijn provocerende uitspraken, die de inspanningen van de VN, de EU, de internationale gemeenschap in het algemeen en andere betrokken partijen met het oog op de hervatting van substantiële onderhandelingen in het overeengekomen kader in gevaar brengen; betreurt dat dergelijke unilaterale acties neerkomen op een rechtstreekse onrechtmatige interventie tegen de belangen van de Grieks- en Turks-Cypriotische gemeenschap;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>verzoekt Turkije in dit kader nogmaals de Turks-Cypriotische gemeenschap de nodige ruimte te geven om overeenkomstig haar rol als rechtmatige gemeenschap van het eiland te kunnen optreden, een recht dat is vastgelegd in de grondwet van de Republiek Cyprus; roept de Commissie nogmaals op haar inspanningen op te voeren met betrekking tot de samenwerking met de Turks-Cypriotische gemeenschap met het oog op het oplossen van de kwestie-Cyprus, en wijst erop dat zij bij de Europese Unie hoort; roept alle partijen op meer moed aan de dag te leggen bij het samenbrengen van de gemeenschappen; benadrukt dat de EU-wetgeving na een alomvattende oplossing van de kwestie-Cyprus op het hele eiland ten uitvoer moet worden gelegd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>neemt kennis van het belangrijke werk van het Comité inzake Vermiste Personen in Cyprus, en dringt erop aan dat het Turkse leger betere toegang verleent tot bezette militaire zones, zijn militaire archieven en informatie over de verplaatsing van stoffelijke resten van de ene naar de andere begraafplaats; blijft zeer bezorgd over de onderwijs- en religieuze beperkingen en belemmeringen waarmee in enclaves wonende Grieks-Cyprioten worden geconfronteerd; verzoekt Turkije zijn samenwerking met de Raad van Europa en zijn relevante organen en instellingen te intensiveren, hun belangrijkste aanbevelingen uit te voeren, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens volledig uit te voeren, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van mening en meningsuiting, het recht op toegang tot en het genot van cultureel erfgoed te eerbiedigen, en een einde te maken aan de opzettelijke vernietiging van cultureel en religieus erfgoed; veroordeelt de herhaalde pogingen van Turkije om Turks-Cypriotische journalisten, vakbondsleden, mensenrechtenverdedigers en progressieve burgers in de Turks-Cypriotische gemeenschap te intimideren en het zwijgen op te leggen, waarmee het land hun recht op vrijheid van mening en meningsuiting schendt; verzoekt Turkije een einde te maken aan zijn afgekondigde agressieve beleid van verkoop en exploitatie van Grieks-Cypriotische eigendommen, een beleid dat gericht is op het creëren van onomkeerbare effecten ter plaatse en dat volledig in strijd is met de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over deze kwestie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>betreurt dat Turkije blijft weigeren zich te houden aan de luchtvaartwetgeving en een communicatiekanaal in te richten tussen de luchtverkeersleidingscentra in Turkije en de Republiek Cyprus, hetgeen volgens het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart en de Internationale Federatie van verenigingen van luchtvaartpiloten tot reële veiligheidsrisico’s en gevaren leidt; betreurt het tevens dat Turkije vaartuigen die onder de vlag van één bepaalde lidstaat varen de toegang tot de Bosporus en de Dardanellen weigert; is van mening dat dit kwesties zijn waarbij Turkije kan aantonen dat het zich inzet voor vertrouwenwekkende maatregelen, en roept Turkije op om samen te werken door de luchtvaartwetgeving van de EU volledig ten uitvoer te leggen; overwegende dat Turkije pogingen blijft ondernemen om de aanleg van de “Great Sea Interconnector”, een EU-project van gemeenschappelijk belang, tegen te houden en blijft vasthouden aan zijn plannen voor een illegale elektriciteitsinterconnector met het bezette deel van Cyprus;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>betreurt het feit dat Turkije al 20 jaar lang weigert de jegens de EU aangegane verplichtingen na te komen, waaronder die met betrekking tot Cyprus, overeenkomstig het onderhandelingskader van oktober 2005; benadrukt dat de erkenning van alle lidstaten een onmisbaar onderdeel vormt van het toetredingsproces; verzoekt Turkije eens te meer te voldoen aan zijn verplichting van een volledige, niet-discriminatoire uitvoering van het aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara ten aanzien van alle lidstaten, met inbegrip van de Republiek Cyprus; verzoekt Turkije tevens ervoor te zorgen dat de mensenrechten en politieke rechten van alle Cyprioten volledig worden geëerbiedigd en dat de fundamentele beginselen van de Europese Unie en het Europees <STRING ITALIC="on">acquis</STRING> worden gewaarborgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>herhaalt zijn steun voor een vrije, veilige en stabiele toekomst voor Syrië en zijn burgers, en onderstreept de noodzaak van een inclusief en vreedzaam politiek transitieproces onder leiding en verantwoordelijkheid van Syrië, inclusief de bescherming en de participatie van religieuze en etnische minderheden; spreekt er zijn steun voor uit dat de EU en Turkije daartoe constructief samenwerken, waaronder met betrekking tot humanitaire hulp, het bevorderen van een duurzame politieke oplossing in Syrië, en de strijd tegen DAESH, aangezien Turkije een sleutelrol moet spelen bij het waarborgen van stabiliteit in de regio; herinnert eraan dat de soevereiniteit van Syrië moet worden hersteld; erkent het belang van de wederopbouw van de Syrische economie als pijler van stabiliteit en welvaart op lange termijn voor de regio; roept Turkije ertoe op de territoriale integriteit en soevereiniteit van Syrië te eerbiedigen en alle aanvallen en invallen op en de bezetting van Syrisch grondgebied onmiddellijk te staken, in volledige overeenstemming met het internationaal recht; veroordeelt in dit verband de aanvallen die door Turkije gesteunde milities de afgelopen weken - na de val van het Assad-regime - hebben uitgevoerd tegen Syrische Koerdische troepen in het noorden van Syrië; uit zijn diepe bezorgdheid over het feit dat deze aanvallen niet alleen het aantal intern ontheemden doen toenemen, maar ook de doeltreffendheid en de continuïteit van de strijd tegen Daesh in het gedrang brengen; merkt op dat zijn aanhoudende aanwezigheid tot verdere destabilisering dreigt te leiden, alsook tot ondermijning van de inspanningen om in Syrië tot een duurzame politieke oplossing te komen; merkt verder op dat Turkije, onder verwijzing naar de veiligheidssituatie, ook illegaal gebieden in het noorden van Syrië bezet; herhaalt dat de burgerbevolking nooit het slachtoffer mag worden van militaire zelfverdediging; verzoekt om het nodige onderzoek in te stellen naar de gevallen waarin burgerslachtoffers zijn gevallen en om een einde te maken aan het hardhandig optreden tegen journalisten die in het gebied werken; verzoekt Turkije de uitvoering van de overeenkomst tussen de Syrische overgangsregering en de door Koerden geleide SDF te ondersteunen, en zich volledig te onthouden van inmenging in interne processen in Syrië;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>spreekt zijn steun uit voor de normalisering van de betrekkingen tussen Armenië en Turkije in het belang van verzoening en goede nabuurschapsbetrekkingen, regionale stabiliteit en veiligheid, en sociaal-economische ontwikkeling, en is ingenomen met de tot nu toe gemaakte vorderingen; is ingenomen met de aanhoudende inspanningen om de banden tussen de twee landen te herstellen; dringt er bij Turkije op aan ervoor te zorgen dat de door de speciale vertegenwoordigers van de Turkse en de Armeense regering bereikte overeenkomsten, zoals de opening van het luchtruim, en de grens tussen de twee landen voor onderdanen van derde landen en vervolgens voor de houders van diplomatieke paspoorten, snel ten uitvoer worden gelegd; is ingenomen met de tijdelijke opening van de grensovergang Margara-Alican tussen Armenië en Turkije om de verlening van humanitaire hulp aan Syrië te vergemakkelijken; spreekt de hoop uit dat deze ontwikkelingen een impuls kunnen geven aan de normalisering van de betrekkingen in de zuidelijke Kaukasus, ook op het gebied van veiligheid en sociaal-economische ontwikkeling, en benadrukt dat de EU er belang bij heeft dit proces te steunen; moedigt Turkije aan een constructieve rol te spelen bij het bevorderen van regionale stabiliteit door de snelle afronding van het vredesproces tussen Armenië en Azerbeidzjan te faciliteren, onder meer door invloed uit te oefenen op Azerbeidzjan en het land ervan te weerhouden verdere militaire acties tegen de Armeense soevereiniteit te ondernemen; spoort Turkije er opnieuw toe aan de Armeense genocide te erkennen, zodat de weg wordt geëffend voor een daadwerkelijke verzoening tussen het Turkse en het Armeense volk, en om zich volledig te houden aan zijn plicht om het Armeense culturele erfgoed te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>merkt op dat de houding van Turkije ten aanzien van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne de betrekkingen tussen de EU en Turkije blijft beïnvloeden, aangezien Turkije tegelijkertijd probeert de banden met het Westen en Rusland te onderhouden; neemt kennis van de diplomatieke pogingen van Turkije om te bemiddelen tussen Rusland en Oekraïne, met name met betrekking tot het Zwarte Zee-graaninitiatief, alsook van zijn aanhoudende steun voor de territoriale integriteit en soevereiniteit van Oekraïne, met inbegrip van zijn stem voor resoluties van de Algemene Vergadering van de VN waarin de Russische agressie tegen Oekraïne wordt veroordeeld; betreurt daarentegen dat de handel tussen Turkije en Rusland sinds het begin van de oorlog in Oekraïne sterk is toegenomen, waardoor Turkije de op een na grootste handelspartner van Rusland is, ondanks de EU-sancties tegen Rusland, en dat Turkije de enige NAVO-lidstaat is die Rusland geen sancties heeft opgelegd; merkt verder op dat OLAF, het bureau voor fraudebestrijding van de Europese Unie, een onderzoek heeft ingesteld naar een maas in de wetgeving waardoor landen als Turkije aan sancties onderworpen Russische olie een andere naam kunnen geven en naar de EU kunnen uitvoeren; is echter ingenomen met positieve stappen, zoals de blokkering door Turkije van de uitvoer naar Rusland van bepaalde goederen voor tweeërlei gebruik, alsook van producten van oorsprong uit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk die worden gebruikt voor het Russische militaire optreden; herhaalt zijn oproep aan de Turkse regering om een einde te maken aan haar plannen voor de kerncentrale van Akkuyu, die zal worden gebouwd en geëxploiteerd door en eigendom zal zijn van het Russische staatsbedrijf voor kernenergie Rosatom; uit zijn bezorgdheid over de lopende besprekingen van Turkije met Rusland over de oprichting van een gasrotonde in Istanbul, die naar verwachting in 2025 operationeel zal worden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>is ingenomen met de deelname van Turkije aan verschillende crisisbeheersingsmissies en -operaties (in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid); betreurt echter de verdere verslechtering van het niveau van afstemming op de standpunten in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, onder meer met betrekking tot sancties en het tegengaan van het omzeilen van sancties, dat is gedaald tot een historisch laag percentage van 5 %, het laagste percentage ooit voor een toetredingsland; herinnert eraan dat kandidaat-lidstaten van de EU zich geleidelijk moeten aanpassen aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en het internationaal recht moeten naleven; betreurt dat Turkije in dit verband helemaal geen stappen heeft ondernomen, met name door zich niet aan te sluiten bij de EU-sancties tegen Rusland, en dat het buitenlands beleid van de EU en dat van Turkije op veel gebieden van gemeenschappelijk belang zorgwekkend uiteenlopen; dringt er bij Turkije op aan zich aan te sluiten bij de EU-sancties tegen Rusland, onder meer inzake antiontwijkingsmaatregelen, deze sancties volledig uit te voeren en nauw samen te werken met de EU-gezant voor sancties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is de samenwerking tussen de EU en Turkije op het gebied van mondiale veiligheidskwesties te versterken, met name in het licht van het veranderende geopolitieke landschap en mogelijke verschuivingen in het buitenlands beleid van de VS; spreekt de voorzichtige hoop uit dat recente informele betrokkenheid, zoals de deelname van de Turkse minister van Buitenlandse Zaken aan de informele bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU in 2024, een impuls kan geven aan betere betrekkingen; erkent de sleutelrol van Turkije als bondgenoot in de NAVO en is ingenomen met het besluit van het Turkse parlement om de toetreding van Zweden tot de NAVO in januari 2024 te ratificeren; herinnert er in dit verband aan dat Turkije een belangrijke verantwoordelijkheid draagt bij het bevorderen van stabiliteit op zowel regionaal als mondiaal niveau, en dat er verwacht wordt dat het land in overeenstemming met zijn NAVO-verplichtingen handelt, met name gezien de huidige geopolitieke omwentelingen; pleit voor het constructief aangaan van een beter gestructureerde en frequentere politieke dialoog over buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid om samen te werken aan convergerende belangen en tegelijkertijd de verschillen te verkleinen, met name wat betreft het wegnemen van hardnekkige belemmeringen voor de ontwikkeling van een echte relatie tussen de EU en de NAVO, met inbegrip van de aankoop van het S-400-luchtverdedigingssysteem van Rusland; blijft ernstig bezorgd over het feit dat Turkije een lidstaat blijft uitsluiten van samenwerking met de NAVO;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>is ingenomen met het reeds lang bestaande standpunt van Turkije ten gunste van een tweestatenoplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict, zijn oproepen tot een staakt-het-vuren in de oorlog tussen Israël en Hamas, en zijn voortdurende inspanningen om Gaza gedurende het hele conflict humanitaire hulp te verlenen; betreurt tegelijkertijd ten zeerste de actieve steun van de Turkse autoriteiten, waaronder de president, aan Hamas, die door de EU als terroristische groepering wordt aangemerkt, en hun standpunt ten aanzien van de aanval op Israël op 7 oktober 2023, die de Turkse regering niet heeft veroordeeld; wijst erop dat de openlijke steun van Turkije aan Hamas en de weigering om Hamas als terroristische organisatie aan te merken niet verenigbaar zijn met het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU; dringt daarom aan op een herziening van dit standpunt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>merkt bezorgd op dat Turkije een aanvraag heeft ingediend om lid te worden van BRICS+ en de status van “partnerland” heeft gekregen, en overweegt hetzelfde te doen voor de Shanghai Cooperation Organisation (SCO), waar het de status van dialoogpartner heeft; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de toenemende belangstelling van Turkije voor een alternatief partnerschapskader, dat fundamenteel onverenigbaar is met het EU-toetredingsproces; benadrukt dat de nieuwe status van Turkije als partnerland van BRICS geen afbreuk mag doen aan de verantwoordelijkheden van Turkije binnen de NAVO; merkt op dat Turkije samenwerkingsvormen, partnerschappen en regionale allianties buiten de EU heeft; is bezorgd over de neiging van Turkije om deze meervoudige aanpak te gebruiken om zijn belangen te behartigen zonder zich te verbinden tot een volwaardige samenwerking met een van deze allianties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>blijft bezorgd over het gebruik door de Turkse regering van de Turkse diaspora als instrument voor occasionele inmenging in het binnenlandse beleid van de EU-lidstaten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Sociaal-economische en duurzaamheidshervormingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>is ingenomen met de terugkeer van Turkije naar een meer conventioneel economisch en monetair beleid, met behoud van robuuste groei en een gematigd begrotingstekort; betreurt het echter dat de kosten hiervan opnieuw door de burgers worden gedragen in de vorm van hogere rentetarieven; benadrukt dat de sociale kwetsbaarheden zijn toegenomen, met name bij kinderen en ouderen, voornamelijk als gevolg van het ontbreken van een alomvattende strategie voor armoedebestrijding en vanwege inkomensongelijkheid; onderstreept dat de Turkse autoriteiten uitgebreide socialebeschermingsmaatregelen moeten nemen, de rechten op collectieve onderhandelingen moeten versterken en ervoor moeten zorgen dat bij economische hervormingen prioriteit wordt gegeven aan het terugdringen van ongelijkheid en het creëren van fatsoenlijke arbeidskansen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>betreurt dat, ondanks de vooruitgang die is vastgesteld op het gebied van economisch en monetair beleid, andere acties van de Turkse regering die van invloed zijn op de rechtsstaat, basisbeginselen zoals de rechtszekerheid blijven ondermijnen, wat negatieve gevolgen heeft voor de potentiële capaciteit van Turkije om investeringen te ontvangen; is ingenomen met de schrapping van Turkije van de grijze lijst van de Financiële-actiegroep (FATF) in juni 2024, na aanzienlijke vooruitgang bij de verbetering van zijn regeling voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>is ingenomen met de toegenomen investeringsactiviteit van Turkije in de groene energiesector en verzoekt Turkije de verenigbaarheid van zijn energiebeleid met het EU-<STRING ITALIC="on">acquis</STRING> te blijven verbeteren en het enorme potentieel van Turkije op het gebied van hernieuwbare energie te benutten; uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan significante vooruitgang op het gebied van klimaatmaatregelen, met name vanwege het ontbreken van een alomvattende klimaatwet, een binnenlands emissiehandelssysteem en een langetermijnstrategie voor emissiearme ontwikkeling, die de doelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2053 ondermijnen; benadrukt de noodzaak van een robuust rechtskader en strengere handhavingsmechanismen om het milieu en de natuurlijke hulpbronnen te beschermen; dringt er bij Turkije op aan zijn milieubeleid af te stemmen op het EU-<STRING ITALIC="on">acquis</STRING>, met inbegrip van de eerbiediging van natuurlijke habitats bij het uitvoeren van mijnbouwprojecten, benadrukt dat het belangrijk is dat Turkije zich houdt aan het Verdrag van Aarhus; prijst het werk van verdedigers van milieurechten in Turkije en waarschuwt voor de ernstige milieueffecten van uitgebreide overheidsprojecten, zoals de uitbreiding van zijn kopermijnbouwactiviteiten in de berg Ida (Kaz Daglari);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>benadrukt dat Turkije stappen heeft gezet om de energievoorziening te diversifiëren en zijn aandeel hernieuwbare energie te vergroten; merkt op dat het land de op zes na grootste lng-markt is en wijst op zijn potentieel als regionaal energieknooppunt; merkt op dat Turkije zich heeft aangesloten bij de mondiale doelstellingen inzake energie-efficiëntie en capaciteit voor hernieuwbare energie tegen 2030; verzoekt de Commissie rekening te houden met het potentieel van Turkije als regionale energiehub bij initiatieven om de geïnstalleerde capaciteit voor hernieuwbare energie in het Middellandse Zeegebied te vergroten en bij de ontwikkeling van het nieuwe pact voor het Middellandse Zeegebied, en dringt erop aan samenwerking op energiegebied op onze gemeenschappelijke agenda te plaatsen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>merkt op dat de omstandigheden op de arbeidsmarkt enigszins zijn verbeterd en wijst op een aantal hangende kritieke uitdagingen, zoals informele werkgelegenheid, de genderkloof en inkomensongelijkheid; is bezorgd over de lage dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen en het gebrek aan erkenning van vakbondsrechten voor bepaalde werknemers in de publieke sector; is van mening dat er meer inspanningen nodig zijn om de mechanismen voor sociale dialoog te versterken en nieuwe uitdagingen op het gebied van veiligheid op het werk aan te pakken; herinnert eraan dat vakbondsvrijheid en sociale dialoog cruciaal zijn voor de ontwikkeling en welvaart van een pluralistische samenleving; betreurt in dit verband de recente detenties van vakbondsleden, waaronder Remzi Çalișkan, vicevoorzitter van de vereniging DISK en voorzitter van Genel-Iș, die na een maand in de gevangenis werd vrijgelaten, Kemal Göksoy, voorzitter van de afdeling Mersin van Genel-İș, die nog steeds in de gevangenis zit, en Mehmet Türkmen, voorzitter van de vakbond voor de textielsector BİRTEK SEN, die op 14 februari 2025 gevangen werd gezet;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Ruimere betrekkingen EU-Turkije</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>herhaalt zijn vaste overtuiging dat Turkije, ondanks het feit dat het toetredingsproces momenteel in de ijskast staat, een land van strategisch belang is en een partner is die essentieel is voor de stabiliteit in de ruimere regio, en dat het land een belangrijke rol speelt bij het aanpakken van veiligheidsuitdagingen, migratiebeheer, terrorismebestrijding en energiezekerheid; benadrukt het belang van het handhaven van een constructieve dialoog en het verdiepen van de samenwerking op gebieden van wederzijds strategisch belang; wijst op een aantal beleidsterreinen voor toekomstige betrokkenheid, of het nu gaat om de groene transitie, handel, energie, een gemoderniseerde douane-unie of visumliberalisering; herinnert er echter aan dat de democratische achteruitgang en het gebrek aan afstemming op het GBVB niet bevorderlijk zijn voor aanzienlijke vooruitgang op dit gebied; bevestigt dat de EU zich inzet voor de best mogelijke betrekkingen met Turkije op basis van dialoog, respect en wederzijds vertrouwen, in overeenstemming met het internationaal recht en goede nabuurschapsbetrekkingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is een diepgaander partnerschap in alle economische sectoren aan te moedigen, ten voordele van de EU, al haar lidstaten en Turkije; wijst met name op het belang van samenwerking op het gebied van onder meer energie, innovatie, artificiële intelligentie, gezondheid, veiligheid en migratiebeheer; wijst er in dit verband op dat onlangs verschillende dialogen op hoog niveau zijn gehouden, waaronder de dialoog op hoog niveau over handel en de plannen voor een dialoog op hoog niveau inzake economie, als positieve stappen in de richting van pragmatische vormen van samenwerking op gebieden van wederzijds belang; roept nogmaals op tot het hervatten van alle relevante gestructureerde dialogen op hoog niveau en het aangaan van een gestructureerde dialoog op hoog niveau over sectorale samenwerking, om gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken en mogelijkheden te verkennen, op voorwaarde dat dergelijke samenwerking hand in hand gaat met duidelijke en consistente voorwaarden die gebaseerd zijn op de eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat en de grondrechten, zoals eerder in deze resolutie wordt benadrukt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>is bereid steun te verlenen aan een opgewaardeerde douane-unie met een ruimer, beide partijen ten goede komend toepassingsgebied, die een breed scala aan gebieden van gemeenschappelijk belang kan omvatten, waaronder digitalisering, afstemming van het beleid inzake groene energie op de Green Deal, overheidsopdrachten, verbintenissen inzake duurzame ontwikkeling en passende zorgvuldigheid, wat zou bijdragen tot de economische veiligheid van beide partijen; is er voorstander van dat deze opgewaardeerde douane-unie gepaard gaat met een efficiënt en doeltreffend mechanisme voor geschillenbeslechting; onderstreept dat een dergelijke modernisering gebaseerd moet zijn op strenge voorwaarden in verband met mensenrechten en fundamentele vrijheden, eerbiediging van het internationaal recht en goede nabuurschapsbetrekkingen, met inbegrip van de volledige toepassing door Turkije van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara ten aanzien van alle lidstaten, zonder uitzondering en op niet-discriminerende wijze, zodat het Parlement aan het einde van het proces zijn goedkeuring kan geven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>betreurt het ten zeerste dat Turkije geen vooruitgang heeft geboekt bij het voldoen aan de vereiste benchmarks voor visumliberalisering; toont zich opnieuw bereid om een begin te maken met het visumliberaliseringsproces zodra de Turkse autoriteiten volledig, op niet-discriminerende wijze, voldoen aan de zes duidelijk vastgestelde resterende benchmarks ten aanzien van alle EU-lidstaten en zich aansluiten bij het visumbeleid van de EU; betreurt het dat Turkse burgers problemen ondervinden met visumaanvragen voor EU-lidstaten als gevolg van de aanzienlijke toename van de vraag en de vrees voor misbruik van het systeem; erkent echter het politieke engagement om de toegang tot visa te verbeteren en dringt aan op meer inspanningen aan beide zijden om de resterende technische en administratieve belemmeringen aan te pakken; verzoekt de EU-lidstaten meer middelen voor deze kwestie uit te trekken; steunt maatregelen op het gebied van visumversoepeling, met name met betrekking tot zakelijke activiteiten en Erasmus-studenten; betreurt ten zeerste de voortdurende pogingen van de Turkse autoriteiten om de EU er de schuld van te geven dat zij geen vooruitgang heeft geboekt met betrekking tot dit dossier, zonder de nodige stappen te ondernemen om aan de resterende benchmarks te voldoen; herinnert Turkije eraan dat het gebrek aan tastbare en cumulatieve vooruitgang met betrekking tot de hangende voorwaarden rechtstreekse gevolgen heeft voor bedrijfsactiviteiten en Erasmus-studenten; waardeert de onschatbare bijdrage van Erasmus+‑uitwisselingen wat betreft het bieden van rijke, interculturele onderwijskansen; betreurt echter het slechte toezicht door de Commissie, zoals blijkt uit het Erasmus-partnerschap met de Gaziantep Islam Science and Technology University, waarvan het leiderschap terroristische daden publiekelijk ondersteunde; verzoekt de Commissie te waarborgen dat partneruniversiteiten het EU‑Handvest van de grondrechten door eerbiedigen door verificaties vooraf en regelmatige controles uit te voeren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Te volgen koers in de betrekkingen tussen de EU en Turkije</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>is gezien het bovenstaande van mening dat de Turkse regering niet de nodige stappen heeft ondernomen om de bestaande fundamentele democratische tekortkomingen in het land aan te pakken, en herhaalt daarom zijn standpunt dat het toetredingsproces van Turkije tot de EU in de huidige omstandigheden niet kan worden hervat, ondanks de democratische en pro-Europese aspiraties van een groot deel van de Turkse samenleving; herinnert eraan dat, net als bij elke andere kandidaat-lidstaat, het toetredingsproces afhankelijk is van de volledige naleving van de criteria van Kopenhagen en van de normalisering van de betrekkingen met alle EU-lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>dringt er bij de Turkse regering, de EU-instellingen en de lidstaten op aan te blijven werken aan een hechter, dynamischer en strategischer partnerschap, ook al ligt het toetredingsproces momenteel stil, op basis van de relevante conclusies van de Raad en de Europese Raad en de vastgestelde voorwaarden, met bijzondere nadruk op klimaatactie, energiezekerheid, samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding en regionale stabiliteit; hamert erop dat er behoefte is aan een reflectiefase over hoe ervoor kan worden gezorgd dat in dit nieuwe constructieve en progressieve kader voor de betrekkingen tussen de EU en Turkije de belangen van alle betrokken partijen vertegenwoordigd zijn, bijvoorbeeld door de huidige associatieovereenkomst te moderniseren en te verbeteren; onderstreept dat een dergelijk positief proces gebaseerd moet zijn op en gepaard moet gaan met tastbare vooruitgang in Turkije wat betreft de afstemming op het GBVB, democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van fundamentele waarden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>beschouwt de gezamenlijke mededeling van 29 november 2023 over de stand van de betrekkingen tussen de EU en Turkije als een goede basis om vooruitgang te boeken in de algemene betrekkingen tussen de EU en Turkije; betreurt het gebrek aan een duidelijke politieke goedkeuring van deze gezamenlijke mededeling door de Raad tot dusver; herhaalt dat erkenning van alle EU-lidstaten een noodzakelijk onderdeel is van elke overeenkomst tussen de EU en Turkije; benadrukt dat de constructieve inzet van Turkije, ook met betrekking tot de Cyprus-kwestie, van cruciaal belang blijft om nauwere samenwerking tussen de EU en Turkije te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>waarschuwt er niettemin voor dat een verdere verschuiving in de richting van autoritarisme door de Turkse autoriteiten, zoals die waarvan we onlangs getuige zijn geweest, uiteindelijk ernstige gevolgen zal hebben voor alle dimensies van de betrekkingen tussen de EU en Turkije, met inbegrip van de samenwerking op het gebied van handel en veiligheid, omdat hierdoor het noodzakelijke vertrouwen en de betrouwbaarheid tussen de partners niet kunnen worden opgebouwd en beide partijen in de huidige geopolitieke situatie tegenover elkaar komen te staan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>blijf de democratische en pro-Europese aspiraties van de meeste Turken (met name de jongeren) erkennen en prijzen, en belooft dat de EU hen niet in de steek zal laten; beschouwt deze aspiraties als een belangrijke reden om het toetredingsproces van Turkije niet definitief stop te zetten; verzoekt de Commissie daarom haar politieke en financiële steun aan het levendige en prodemocratische maatschappelijk middenveld in Turkije te handhaven en op te voeren, omdat de inspanningen van dit middelveld kunnen helpen de politieke wil te creëren die nodig is om de betrekkingen tussen de EU en Turkije te verdiepen; benadrukt niettemin dat de hervatting van het toetredingsproces afhangt van de niet-aflatende politieke wil van de Turkse autoriteiten en de Turkse samenleving om een volwaardige democratie te worden, iets wat niet door de EU kan worden opgedrongen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>pleit er wederom voor de wederzijdse kennis en het wederzijds begrip tussen onze samenlevingen te versterken en te verdiepen, culturele groei en sociaal-culturele uitwisselingen te bevorderen en alle manifestaties van maatschappelijke, religieuze, etnische en culturele vooroordelen tegen te gaan; moedigt Turkije en de EU aan gedeelde waarden te bevorderen, met name door jongeren te ondersteunen; herhaalt met klem steun te zullen blijven geven aan het onafhankelijke maatschappelijk middenveld van Turkije en deze steun nog op te voeren;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad en de Commissie; verzoekt erom dat deze resolutie in het Turks wordt vertaald en wordt voorgelegd aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Turkije.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>