<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0098</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Negende verslag over economische en sociale cohesie</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0066/2025 - Rapporteur: Jacek Protas)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 8 mei 2025 over het negende verslag over economische en sociale cohesie (2024/2107(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 4, 162, 174 tot en met 178 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid<FOOTNOTE><FIELD>PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1060/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE> (verordening gemeenschappelijke bepalingen),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 231 van 30.6.2021, blz. 60, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1058/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten<FOOTNOTE><FIELD>PB L 231 van 30.6.2021, blz. 94, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1059/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013<FOOTNOTE><FIELD>PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1057/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie<FOOTNOTE><FIELD>PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1056/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013<FOOTNOTE><FIELD>PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2115/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2020/460 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 508/2014 wat betreft specifieke maatregelen om investeringen in de gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en in andere sectoren van hun economieën vrij te maken als antwoord op de COVID‑19-uitbraak (investeringsinitiatief coronavirusrespons)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 99 van 31.3.2020, blz. 5, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2020/460/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2020/558 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013 en (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen met het oog op uitzonderlijke flexibiliteit bij het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen naar aanleiding van de uitbraak van COVID‐19<FOOTNOTE><FIELD>PB L 130 van 24.4.2020, blz. 1, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2020/558/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2020/461 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2020 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad om financiële steun te verlenen aan lidstaten en landen die over toetreding tot de Unie onderhandelen die zwaar worden getroffen door een grote volksgezondheidscrisis<FOOTNOTE><FIELD>PB L 99 van 31.3.2020, blz. 9, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2020/461/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2020/2221 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft extra middelen en uitvoeringsregelingen om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID‑19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 437 van 28.12.2020, blz. 30, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2221/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2022/562 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 223/2014 wat betreft maatregelen uit hoofde van het cohesiebeleid ten behoeve van vluchtelingen in Europa (CARE)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 109 van 8.4.2022, blz. 1, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2022/562/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2022/2039 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) 2021/1060 met het oog op extra flexibiliteit om de gevolgen van de militaire agressie van de Russische Federatie op te vangen FAST (Flexible Assistance for Territories) – CARE<FOOTNOTE><FIELD>PB L 275 van 25.10.2022, blz. 23, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2039/oj.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het URBACT-initiatief voor duurzame samenwerking tussen steden, dat in 2002 is opgezet,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de EU-stedenagenda van 30 mei 2016,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Territoriale Agenda 2030 van 1 december 2020,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het negende cohesieverslag, dat door de Commissie werd gepubliceerd op 27 maart 2024<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie: directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling, “Negende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie”, 2024.</FIELD></FOOTNOTE>, en de mededeling van de Commissie van 27 maart 2024 over het negende cohesieverslag (COM(2024)0149),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie “The future of EU cohesion: Scenarios and their impacts on regional inequalities”, die de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement in december 2024 heeft gepubliceerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van februari 2024 getiteld “Forging a sustainable future together – Cohesion for a competitive and inclusive Europe”<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie: directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling, “Forging a sustainable future together – Cohesion for a competitive and inclusive Europe – Report of the High-Level Group on the Future of Cohesion Policy”, februari 2024.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2024 over het negende cohesieverslag<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/4668, 9.8.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4668/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 21 november 2024 getiteld “Een vernieuwd cohesiebeleid na 2027 waarbij mensen niet aan hun lot worden overgelaten – reacties van het CvdR op het negende cohesieverslag en het verslag van de groep deskundigen op hoog niveau over de toekomst van het cohesiebeleid”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag “The future of European competitiveness – A competitiveness strategy for Europe”, dat de Europese Commissie op 9 september 2024 heeft gepubliceerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) op 12 december 2015 in Parijs is aangenomen (de Overeenkomst van Parijs),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie “Streamlining EU Cohesion Funds: addressing administrative burdens and redundancy”, gepubliceerd door zijn directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie in november 2024<FOOTNOTE><FIELD>Europees Parlement: beleidsondersteunende afdeling Structuur- en Cohesiebeleid, directoraat-generaal Intern Beleid, “Streamlining EU Cohesion funds – addressing administrative burdens and redundancy”, 2024.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2025 inzake het grensregio-instrument voor ontwikkeling en groei in de EU (BRIDGEforEU)<FOOTNOTE><FIELD>Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 3 mei 2022 getiteld “Mensen vooropstellen, zorgen voor duurzame en inclusieve groei en het potentieel van de ultraperifere regio’s van de EU ontsluiten” (COM(2022)0198),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies in de vorm van een brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling<FOOTNOTE><FIELD>Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over het cohesiebeleid en regionale milieustrategieën in het kader van de strijd tegen de klimaatverandering<FOOTNOTE><FIELD>PB C 494 van 8.12.2021, blz. 26.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 20 mei 2021 over demografische tendensen in de regio’s van de EU ombuigen met behulp van instrumenten van het cohesiebeleid<FOOTNOTE><FIELD>PB C 15 van 12.1.2022, blz. 125.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 14 september 2021 over een sterker partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU<FOOTNOTE><FIELD>PB C 117 van 11.3.2022, blz. 18.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 september 2022 over economische, sociale en territoriale cohesie in de EU: het achtste cohesieverslag<FOOTNOTE><FIELD>PB C 125 van 5.4.2023, blz. 100.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 21 november 2023 over mogelijkheden om de betrouwbaarheid van audits en controles door nationale autoriteiten bij gedeeld beheer te vergroten<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/4207, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4207/oj<STRING ITALIC="on">.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 november 2023 over het benutten van talent in Europa’s regio’s<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/4225, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4225/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 14 maart 2024 over het cohesiebeleid 2014-2020 – Uitvoering en resultaten in de lidstaten<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6562, 12.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6562/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A10-0066/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid een centrale plaats inneemt in het EU-beleid en het belangrijkste EU-instrument is voor investeringen in duurzame economische, sociale en territoriale ontwikkeling en bijdraagt aan de doelstellingen van de Green Deal in de hele EU in het kader van haar meerjarige financiële kaders voor de perioden 2014-2020 en 2021-2027; overwegende dat het cohesiebeleid, zoals vastgelegd in de Verdragen, van fundamenteel belang is voor een goed functionerende en bloeiende interne markt aangezien daarmee de ontwikkeling van alle regio’s in de EU, en met name de minder ontwikkelde regio’s, wordt bevorderd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid de economische, sociale en territoriale convergentie in de EU heeft bevorderd, met name door de bruto binnenlandse producten van bijvoorbeeld de EU-lidstaten van Midden- en Oost-Europa te verhogen, van 43 % van het EU-gemiddelde in 1995 tot ongeveer 80 % in 2023; overwegende dat in het negende cohesieverslag wordt benadrukt dat het cohesiebeleid eind 2022 meer dan 4,4 miljoen bedrijven had ondersteund en ruim 370 000 banen in deze bedrijven had gecreëerd; overwegende dat daarin ook wordt benadrukt dat het cohesiebeleid een aanzienlijk investeringsrendement oplevert en dat elke euro die in de programma’s 2014-2020 en 2021-2027 is geïnvesteerd, in 2030 1,3 EUR aan extra bbp in de Unie zal hebben gegenereerd; overwegende dat het cohesiebeleid gemiddeld ongeveer 13 % van de totale overheidsinvesteringen in de EU uitmaakte<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie, “Negende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie”, op.cit.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat in het verslag van de Commissie getiteld “De langetermijnvisie voor de plattelandsgebieden van de EU: belangrijkste verwezenlijkingen en volgende stappen”, dat samen met het negende cohesieverslag is gepresenteerd, wordt benadrukt dat 24,6 miljard EUR, oftewel 8 % van de pijler plattelandsontwikkeling van het gemeenschappelijke landbouwbeleid, gericht is op investeringen in plattelandsgebieden die verder gaan dan landbouwinvesteringen, waarmee de basis wordt gelegd voor een debat over de toekomst van plattelandsgebieden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat in het kader van het cohesiebeleid 2021-2027 meer dan 140 miljard EUR wordt geïnvesteerd in de groene en de digitale transitie<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie, “Negende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie”, op.cit.</FIELD></FOOTNOTE>, om netwerken en infrastructuur te helpen verbeteren, natuurbehoud te ondersteunen, groene en digitale vaardigheden te verbeteren en het scheppen van banen en diensten voor het publiek te bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat, ondanks het algemeen erkende en bewezen positieve effect van het cohesiebeleid op de sociale, economische en territoriale convergentie, er nog steeds aanzienlijke uitdagingen bestaan, die met name worden gekenmerkt door subnationale ongelijkheden op het vlak van ontwikkeling binnen de regio’s en in regio’s waar lacunes bij de ontwikkeling zijn ontstaan, en door de gevolgen van de klimaatverandering, in termen van demografie, de digitale en de groene transitie, en connectiviteit, maar ook in termen van duurzame economische ontwikkeling, met name in de minst ontwikkelde regio’s en afgelegen en plattelandsgebieden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid en de sectorale programma’s van de EU regio’s herhaaldelijk en efficiënt hebben geholpen doeltreffend te reageren op noodsituaties en asymmetrische schokken, zoals de COVID-19-crisis, de Brexit, de energiecrisis en de vluchtelingencrisis als gevolg van de Russische invasie van Oekraïne alsook natuurrampen, zelfs al is het geen structuurbeleid voor de lange termijn en evenmin een crisisbeheersingsinstrument of financieringsinstrument dat standaard voor elke noodsituatie kan worden ingezet; overwegende dat de uitvoering van de Europese structuur- en investeringsfondsen door dergelijke crises vertraging heeft opgelopen en dat een aanzienlijk aantal met middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit gefinancierde projecten voornamelijk voortkomt uit projecten die in aanmerking zouden komen voor investeringen in het kader van het cohesiebeleid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat ondanks de voor de perioden 2014-2020 en 2021-2027 genomen maatregelen, het regelgevingskader voor het gebruik en beheer van cohesiebeleidsinstrumenten en -fondsen verder moet worden vereenvoudigd en interoperabele digitale instrumenten beter moeten worden gebruikt en ontwikkeld, waarbij er onder meer moet worden voorzien in gedigitaliseerde one-stop-servicecentra, met als doel procedures te stroomlijnen, belanghebbenden vertrouwen in te boezemen, de administratieve lasten te verminderen, de flexibiliteit bij het beheer van de middelen te vergroten en uitbetalingen te versnellen, niet alleen voor de betrokken autoriteiten, maar ook voor de eindbegunstigden; overwegende dat er meer mogelijkheden moeten komen voor een flexibeler gebruik van de middelen, zoals de financiering van de ontwikkeling van producten voor tweeërlei gebruik; overwegende dat het van het grootste belang is een toekomstig cohesiebeleid met strategische impulsen op te stellen voor de hele financieringsperiode, dat echter halverwege opnieuw kan worden beoordeeld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de absorptiegraad van de fondsen van het cohesiebeleid voor 2021-2027, die momenteel slechts 6 % bedraagt, niet zo laag is omdat er te weinig behoefte aan is in de lidstaten of de regio’s, maar eerder te wijten is aan vertragingen bij de goedkeuring van operationele programma’s, de overgangsperiode tussen financiële kaders, de prioritering van NextGenerationEU door nationale beheersautoriteiten, te weinig administratieve capaciteit en ingewikkelde bureaucratische procedures; overwegende dat de lidstaten en regio’s de beschikbare fondsen wellicht niet te snel allemaal willen benutten, aangezien ze een verlenging conform de n+2- of n+3-regels verwachten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat radicale wijzigingen in het cohesieregelgevingskader, van de ene programmeringsperiode op de andere, bijdragen tot het ontstaan van onzekerheid bij de bevoegde autoriteiten en de begunstigden, gold-plating van de wetgeving, hogere foutenpercentages (en de daarmee gepaard gaande reputatieschade en negatieve financiële gevolgen), vertraging bij de uitvoering en uiteindelijk ontevredenheid onder de begunstigden en de bevolking in het algemeen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de cohesiefondsen, de noodfondsen en het sectoraal beleid soms met elkaar wedijveren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat er op het vlak van demografische verandering aanzienlijke verschillen zijn tussen EU-regio’s en de bevolking van sommige lidstaten de komende jaren naar verwachting zal afnemen terwijl die van andere lidstaten zal toenemen; overwegende dat demografische veranderingen zich ook voordoen tussen regio’s, waaronder migratie uit ultraperifere regio’s, maar dat dit zich over het algemeen vertaalt in migratie van het platteland naar stedelijke gebieden binnen lidstaten, waarbij vrouwen in groteren getale plattelandsgebieden verlaten dan mannen, maar ook naar grootstedelijke gebieden, terwijl dorpen in de buurt van grote steden moeilijkheden ondervinden om in basisinfrastructuur te investeren; overwegende dat de verlening van essentiële diensten als gezondheidszorg, onderwijs en vervoer in alle regio’s moet worden versterkt, waarbij extra aandacht moet besteed aan afgelegen en plattelandsgebieden; overwegende dat meer aandacht moet uitgaan naar gebieden die te kampen hebben met ontvolking en een ontoereikende dienstverlening, bestaande uit gerichte maatregelen om jongeren door middel van ondernemerschapsprojecten, landbouw van hoge kwaliteit en duurzaam toerisme er toe te bewegen om niet weg te gaan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat het van cruciaal belang is rekening te houden met de vergrijzende bevolking om intergenerationele rechtvaardigheid te waarborgen en zo de participatie, vooral van jongeren, te vergroten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat stedelijke gebieden door de toestroom van mensen naar de steden en de stijgende huizen- en energieprijzen worden geconfronteerd met nieuwe uitdagingen, die vragen om de ontwikkeling van de noodzakelijke huisvesting en van nieuwe maatregelen op het gebied van milieubescherming en energiebesparing, zoals snellere grondige renovaties, om energiearmoede te bestrijden en energie-efficiëntie te bevorderen; overwegende dat het cohesiebeleid van de EU moet bijdragen tot een betaalbare en toegankelijke woningmarkt voor alle mensen in de EU, met name voor huishoudens met een laag en middeninkomen, stadsbewoners, gezinnen met kinderen, vrouwen en jongeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat een doeltreffende uitvoering van de Europese stedelijke agenda steden beter in staat kan stellen bij te dragen aan de verwezenlijking van de cohesiedoelstellingen, en zo de levenskwaliteit van de burgers kan verbeteren en kan zorgen voor een efficiënter gebruik van de financiële middelen van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan plattelandsgebieden, regio’s die een industriële transitie doormaken en regio’s in de EU die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, braindrain, klimaatgerelateerde risico’s en waterschaarste, zoals de ultraperifere regio’s en in het bijzonder eilanden in de periferie van die regio’s of in de periferie van de EU, dunbevolkte regio’s, eilanden, berggebieden en grensoverschrijdende regio’s, alsook kustgebieden en maritieme regio’s;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne voor een nieuwe geopolitieke realiteit heeft gezorgd die grote gevolgen heeft gehad voor de werkgelegenheid, de economische ontwikkeling en kansen en het algemene welzijn van de bevolking in de regio’s die grenzen aan Oekraïne, Belarus en Rusland alsook in kandidaat-lidstaten als Oekraïne en Moldavië, die daarom bijzondere aandacht vereisen, onder meer via een aanpassing van het cohesiebeleid; overwegende dat deze oorlog ertoe heeft geleid dat een ongekend aantal mensen onderdak zoekt in de EU, wat extra lasten oplevert voor lokale gemeenschappen en diensten; overwegende dat de collectieve veiligheid van de EU sterk afhangt van de vitaliteit en het welzijn van de regio’s aan de buitengrenzen van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat de unieke situatie van Noord-Ierland een op maat gemaakte benadering vergt die op de voordelen van de PEACE-programma’s voortborduurt en waarbij moet worden onderzocht hoe het cohesiebeleid in bredere zin kan bijdragen tot het verzoeningsproces;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat 79 % van de burgers die bekend zijn met door de EU gefinancierde projecten in het kader van het cohesiebeleid, van mening is dat door de EU gefinancierde projecten een positief effect hebben op de regio’s<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie: directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling, “Citizens’ awareness and perceptions of EU Regional Policy”, Flash Eurobarometer 531, 2023.</FIELD></FOOTNOTE>, hetgeen bijdraagt tot een EU-gezinde houding;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat het algehele bewustzijn omtrent door de EU gefinancierde projecten in het kader van het cohesiebeleid sinds 2021 met 2 procentpunten is gedaald<FOOTNOTE><FIELD>Flash Eurobarometer 531, op. cit.</FIELD></FOOTNOTE>, hetgeen betekent dat moet worden gestreefd naar meer decentralisering teneinde het cohesiebeleid nog dichter bij de burger te brengen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt dat de regionale en lokale focus, plaatsgebonden aanpak en strategische planning van het cohesiebeleid en ook het gedecentraliseerde programmerings- en uitvoeringsmodel van het beleid op basis van het partnerschapsbeginsel, met een krachtigere uitvoering van de Europese gedragscode, betrokkenheid van economische en maatschappelijke actoren, en bestuur op verschillende niveaus, belangrijke elementen vormen van het cohesiebeleid en bepalend zijn voor de doeltreffendheid ervan; is er vast van overtuigd dat dit model van het cohesiebeleid in alle regio’s moet worden voortgezet en waar mogelijk verdiept als belangrijkste langetermijninvesteringsinstrument van de EU om ongelijkheden te verkleinen, economische, sociale en territoriale cohesie te waarborgen, regionale en lokale duurzame groei aan te moedigen in lijn met EU-strategieën, en het milieu te beschermen, en als belangrijke stimulans voor het concurrentievermogen en de rechtvaardige transitie van de EU, alsook om nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>dringt aan op een duidelijke afbakening tussen cohesiebeleid en andere instrumenten teneinde overlap en concurrentie tussen EU-instrumenten te voorkomen, de complementariteit van de diverse interventies te waarborgen en de zichtbaarheid en leesbaarheid van EU-steun te vergroten; merkt in dit verband op dat de middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit bedoeld zijn voor economische ontwikkeling en groei zonder dat die zich specifiek richten op de economische, sociale en territoriale cohesie tussen regio’s; maakt zich zorgen over de plannen van de Commissie om een op prestaties gebaseerde benadering van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) toe te passen; erkent dat prestatiegerichte mechanismen een belangrijke rol kunnen spelen bij het efficiënter en resultaatgerichter maken van het beleid, maar waarschuwt ervoor dat die niet als enig model mogen worden opgelegd, en uit zijn ernstige twijfels over ideeën om de uitbetaling van ESIF-middelen te koppelen aan de verwezenlijking van centraal vastgestelde hervormingsdoelstellingen, zeker als de hervormingsdoelstellingen niet onder de bevoegdheid van het regionale niveau vallen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>is gekant tegen elke vorm van top-downhervorming waarbij financieringsprogramma’s van de EU worden gecentraliseerd, waaronder programma’s onder gedeeld beheer, zoals het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en pleit voor meer decentralisatie van de besluitvorming naar het lokale en regionale niveau; dringt aan op meer betrokkenheid van lokale en regionale overheden en economische en maatschappelijke actoren in elke fase van EU-programma’s onder gedeeld beheer, van de voorbereiding en programmering tot de uitvoering, afsluiting en evaluatie, waarbij er rekening moet worden gehouden met het feit dat de economische en sociale ontwikkeling van en de territoriale samenhang tussen regio’s alleen kunnen worden verwezenlijkt op basis van een goede samenwerking tussen alle actoren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt dat het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) naast het cohesiebeleid een sleutelrol speelt bij de ondersteuning van plattelandsgebieden; wijst erop dat het Elfpo qua opzet moet worden afgestemd op de regels met betrekking tot de fondsen van het cohesiebeleid, teneinde synergieën te stimuleren en door meerdere fondsen gefinancierde plattelandsontwikkelingsprojecten te faciliteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>is ervan overtuigd dat het cohesiebeleid alleen zijn functie kan vervullen als het over voldoende financiële middelen beschikt; benadrukt dat dit impliceert dat voor de financiële periode na 2027 robuuste financiering beschikbaar moet worden gesteld voor het toekomstige cohesiebeleid; benadrukt dat er ambitieuze en laagdrempelige financiering moet worden vrijgemaakt, zodat het cohesiebeleid verder kan worden ingezet als belangrijkste investeringsbeleid van de EU, en tegelijkertijd de flexibiliteit wordt behouden om potentiële nieuwe uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, met inbegrip van de mogelijkheid tot het financieren van de ontwikkeling van producten voor tweeërlei gebruik, en dat lokale overheden, belanghebbenden en begunstigden in staat moeten worden gesteld om lokale ontwikkeling op een doeltreffende manier te bevorderen; vindt zonder meer dat het vermogen om flexibele antwoorden te bieden op onvoorspelbare uitdagingen niet ten koste mag gaan van de duidelijke strategische oriëntatie en doelstellingen van het cohesiebeleid op de lange termijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>benadrukt het belang van het volgende meerjarig financieel kader (MFK) en de tussentijdse evaluatie van cohesiebeleidsprogramma’s 2021-2027 voor de invulling van het toekomstige cohesiebeleid; onderstreept nogmaals de noodzaak van een ambitieuzer cohesiebeleid voor de periode na 2027, d.w.z. in het volgende MFK 2028-2034; dringt er dan ook op aan dat het cohesiebeleid in het komende MFK in reële termen op minimaal hetzelfde financieringsniveau blijft als in de huidige periode; dringt er bovendien op aan dat het cohesiebeleid in het nieuwe MFK een aparte rubriek blijft; wijst erop dat het cohesiebeleid moet worden beschermd tegen statistische effecten die ertoe leiden dat regio’s wellicht niet meer in aanmerking komen voor steun vanwege veranderingen in het gemiddelde bbp van de EU; onderstreept nogmaals de noodzaak van nieuwe eigen middelen voor de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>stelt dan ook voor om er bij het volgende MFK voor te zorgen dat beter op onvoorziene behoeften kan worden gereageerd, bijvoorbeeld door meteen in toereikende marges en flexibiliteit te voorzien; benadrukt in dit verband echter dat het cohesiebeleid geen crisisinstrument is en dat niet mag worden afgeweken van zijn hoofddoelstelling, namelijk langetermijninvesteringen; dringt erop aan dat het Solidariteitsfonds van de Europese Unie wordt versterkt, ook wat de voorfinanciering betreft, en minder bureaucratisch en toegankelijker wordt gemaakt, zodat het kan uitgroeien tot een geschikt instrument waarmee adequaat kan worden gereageerd op de economische, sociale en territoriale gevolgen van toekomstige natuurrampen of bedreigingen van de volksgezondheid; benadrukt dat het Parlement passende controle dient uit te oefenen op alle noodfondsen en -instrumenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>erkent dat voor specifieke gevallen ook de nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) 3 moet worden gebruikt, op een manier waarbij er rekenschap van wordt gegeven dat er in alle NUTS 2-regio’s sprake is van verschillen in ontwikkeling; is van mening dat het regionale bbp per hoofd van de bevolking het belangrijkste criterium moet blijven om de toewijzingen van de lidstaten in het kader van het cohesiebeleid te bepalen; is ingenomen met het feit dat de Commissie, na aanhoudende oproepen van het Parlement, zich nu beraadt over aanvullende criteria<FOOTNOTE><FIELD>Europese Rekenkamer, “Snelle evaluatie – Toewijzing van middelen van het cohesiebeleid aan de lidstaten voor 2021-2027”, maart 2019.</FIELD></FOOTNOTE>, zoals broeikasgasemissies, bevolkingsdichtheid, onderwijsniveaus en werkloosheidscijfers, om een beter sociaal-economisch overzicht van de regio’s te verschaffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>wijst erop dat de conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat een overkoepelende conditionaliteit is die eerbiediging van de rechtsstaat erkent en afdwingt, ook als randvoorwaarde voor financiering uit hoofde van het cohesiebeleid, zodat ervoor wordt gezorgd dat de middelen van de Unie op basis van goed financieel beheer op een transparante, eerlijke en verantwoorde manier worden gebruikt; acht het noodzakelijk de eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten te versterken en ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van het cohesiebeleid alle maatregelen verenigbaar zijn met de bevordering van democratische beginselen, gendergelijkheid en mensenrechten, waaronder de rechten van werknemers, de rechten van personen met een handicap en de rechten van kinderen; benadrukt dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding en het Europees Openbaar Ministerie een belangrijke rol spelen bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>dringt aan op verdere inspanningen om de regels en administratieve procedures voor de cohesiebeleidsfondsen op Europees, nationaal en regionaal niveau te vereenvoudigen, flexibeler te maken en te stroomlijnen en tegelijkertijd synergieën te versterken, daarbij alle beschikbare technologische mogelijkheden te benutten om de toegankelijkheid en efficiëntie te verbeteren, en voort te bouwen op het bestaande en gevestigde kader voor gedeeld beheer, zodat het vertrouwen van de gebruikers toeneemt en zo een breder scala aan economische en maatschappelijke actoren wordt aangespoord om deel te nemen aan ondersteunde projecten, en de fondsen zo veel mogelijk effect sorteren; dringt aan op meer initiatieven die de absorptie van cohesiefondsen verbeteren, met inbegrip van hogere medefinancieringsniveaus, meer voorfinanciering en snellere terugbetaling van investeringen; dringt erop aan dat lokale overheden, met name van kleinere gemeenten, technische kennis wordt bijgebracht met het oog op een beter administratief beheer van de fondsen; wijst er dan ook op hoe belangrijk het is om het beginsel van single audit te versterken, vereenvoudigde kostenopties verder uit te breiden en het aantal dubbele controles en audits die overlappen met nationaal en regionaal toezicht op hetzelfde project en dezelfde begunstigde te verminderen, zodat wordt voorkomen dat in opeenvolgende uitvoeringsjaren dezelfde fouten worden gemaakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten de regio’s reeds in de programmeringsfase meer flexibiliteit te bieden om in te spelen op hun specifieke behoeften en kenmerken, en benadrukt dat de economische en maatschappelijke actoren hierbij betrokken moeten worden; benadrukt dat thematische concentratie een essentieel element was om het cohesiebeleid af te stemmen op de doelstellingen van Europa 2020; verzoekt de Commissie daarom alle bevindingen in verband met de invoering van thematische concentratie te presenteren en daaruit lessen te trekken voor toekomstige wetgevingsvoorstellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>is zich ervan bewust dat de groene, de digitale en de demografische transitie aanzienlijke uitdagingen maar tegelijkertijd ook kansen met zich meebrengen voor de verwezenlijking van de doelstelling van economische, sociale en territoriale cohesie; onderkent dat statistisch gezien gebieden met hoge inkomens de economische problemen in een regio kunnen maskeren; is zich bewust van het risico van een toename van de regionale verschillen, een verergering van de sociale ongelijkheden en de opkomst van geografisch bepaalde ontevredenheid in verband met het transitieproces; beklemtoont dat de duurzaamheids- en klimaatdoelstellingen van de EU moeten worden verwezenlijkt en dat gedeelde economische groei in stand moet worden gehouden door het concurrentievermogen van de Unie te versterken; pleit derhalve voor een Europese strategie voor een harmonieuze groei in de Unie waarmee kan worden voorzien in de specifieke behoeften van de respectieve regio’s; bevestigt nogmaals zijn toezegging om de groene en de digitale transitie voort te zetten, omdat dit kansen biedt om het concurrentievermogen van de EU te verbeteren; onderstreept de noodzaak om te investeren in infrastructuurprojecten die de connectiviteit verbeteren, met name in duurzaam en slim vervoer, en in energienetten en digitale netwerken, zodat alle regio’s, met inbegrip van afgelegen en minder ontwikkelde regio’s, volledig kunnen deelnemen aan de eengemaakte markt en in alle gelijkheid kunnen profiteren van de bijbehorende kansen; benadrukt in dit verband dat de ontwikkeling van groene industrieën moet worden ondersteund en dat lokale kenmerken en tradities daarbij moeten worden bevorderd om de veerkracht van de economische omgeving en het maatschappelijk middenveld bij toekomstige uitdagingen te vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>dringt erop aan dat het cohesiebeleid consistent blijft met het streven naar meer innovatie en de voltooiing van de eengemaakte EU-markt, in lijn met de conclusies van het rapport-Draghi over het concurrentievermogen van Europa; wijst in de context van regionale ongelijkheden op het probleem van de aanhoudende innovatiekloof en pleit voor een plaatsgebonden benadering op maat om innovatie en economische convergentie in regio’s te bevorderen en de innovatiekloof te verkleinen; dringt aan op een grotere rol voor lokale en regionale innovatie bij het opbouwen van concurrerende ecosystemen voor onderzoek en innovatie en het bevorderen van territoriale cohesie; wijst op nieuwe EU-initiatieven, zoals de regionale innovatievalleien en de partnerschappen voor regionale innovatie, die bedoeld zijn om gebieden met verschillende innovatieprestaties met elkaar te verbinden en de innovatiekloof aan te pakken; is van mening dat deze aanpak de regionale autonomie zal versterken, aangezien lokale en regionale overheden de kans krijgen om EU-beleid en -doelstellingen mede vorm te geven in lijn met hun specifieke behoeften, kenmerken en capaciteiten, met inachtneming van het beginsel van partnerschap;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>is ervan overtuigd dat het cohesiebeleid verder moet inzetten op het beginsel van een rechtvaardige transitie door tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van regio’s en daarbij geen gebieden of burgers aan hun lot over te laten; dringt erop aan het proces van rechtvaardige transitie verder te financieren en het Fonds voor een rechtvaardige transitie volledig te integreren in de verordening gemeenschappelijke bepalingen en voor de programmeringsperiode na 2027 meer financiële middelen uit te trekken; benadrukt niettemin dat moet worden gekeken naar het effect van het Fonds voor een rechtvaardige transitie op de transformatie van regio’s die in aanmerking komen voor steun – waarbij er tevens voor moet worden gezorgd dat dit onderdeel van het cohesiebeleid blijft – en dat de aanpak in het nieuwe MFK moet worden bijgesteld op basis van de bevindingen en concrete maatregelen ter waarborging van het economische en sociale welzijn van de getroffen gemeenschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>benadrukt dat het cohesiebeleid en het economisch bestuur van de EU beter op elkaar moeten worden afgestemd, zonder daarbij bestraffend te werk te gaan; benadrukt dat het Europees Semester moet voldoen aan de doelstellingen van het cohesiebeleid uit hoofde van de artikelen 174 en 175 VWEU; dringt aan op de medewerking van de regio’s bij het verwezenlijken van deze doelstellingen en op een sterkere territoriale aanpak; vraagt om na te denken over het begrip “macro-economische conditionaliteit” en te onderzoeken of dit kan worden vervangen door nieuwe vormen van conditionaliteit om beter in te spelen op nieuwe uitdagingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>maakt zich zorgen om het groeiende aantal regio’s met lacunes bij de ontwikkeling, die in economisch opzicht stagneren en veel last hebben van een scherpe demografische daling en beperkte toegang tot essentiële diensten; dringt daarom aan op een bijstelling naar boven van de medefinanciering van projecten die gericht zijn op de versterking van essentiële diensten; wijst op de rol van de instrumenten van het cohesiebeleid bij de ondersteuning van verschillende regio’s en lokale gebieden die het hoofd moeten bieden aan demografische veranderingen die van invloed zijn op het effectieve recht van mensen om te blijven, waaronder uitdagingen als gevolg van ontvolking, vergrijzing, een scheve genderbalans, braindrain, tekort aan vakkrachten en een onevenwichtige verdeling van arbeidskrachten tussen regio’s; erkent dat er gerichte economische stimulansen en structurele maatregelen nodig zijn om deze verschijnselen tegen te gaan; dringt in dit verband aan op de uitvoering van gerichte programma’s om talenten aan te trekken, te ontwikkelen en te behouden, met name in regio’s waar veel gekwalificeerde werknemers uitstromen, door onderwijs, cultuur, ondernemerschap en innovatie-ecosystemen te bevorderen die aansluiten op lokale en regionale economische behoeften en kansen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>erkent het belang van ondersteuning van specifieke oplossingen voor regio’s met langdurige en ernstige economische problemen of ernstige permanente natuurlijke en demografische handicaps; wijst er nogmaals op dat hoogwaardige essentiële diensten (zoals onderwijs en gezondheidszorg), het vervoer en de digitale connectiviteit in deze regio’s behouden moeten blijven en moeten worden verbeterd, dat hun economische diversificatie en het scheppen van banen moeten worden bevorderd en dat deze regio’s moeten worden geholpen het hoofd te bieden aan uitdagingen zoals woestijnvorming op het platteland, vergrijzing van de bevolking, armoede, ontvolking, eenzaamheid en isolement, alsook het gebrek aan kansen voor kwetsbare mensen, zoals personen met een beperking; benadrukt dat de ontwikkeling en toereikende financiering van strategische sectoren, zoals hernieuwbare energie, duurzaam toerisme, digitale innovatie en infrastructuur voorrang moeten krijgen, en wel op een wijze die is afgestemd op het economische potentieel en de middelen van elke regio, zodat er ruimere voorwaarden worden gecreëerd voor endogene groei en evenwichtige ontwikkeling in alle regio’s, met name in plattelandsgebieden, afgelegen en minder ontwikkelde gebieden, grensregio’s, eilanden en ultraperifere gebieden; herinnert er ook aan dat goede banden tussen stad en platteland, en specifieke steun voor vrouwen in plattelandsgebieden belangrijk zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>wijst op de behoefte aan een benadering op maat voor de ultraperifere regio’s, zoals neergelegd in artikel 349 VWEU, die met unieke en cumulatieve structurele uitdagingen te maken hebben vanwege hun afgelegen ligging, kleine markt, kwetsbaarheid voor klimaatverandering en economische afhankelijkheden; benadrukt dat deze permanente beperkingen, met inbegrip van de kleine omvang van de binnenlandse economie, de grote afstand tot het Europese continent, de locatie vlak bij derde landen, het dubbele insulaire karakter van de meeste van deze regio’s en een beperkte diversificatie van de productieve sector, resulteren in extra kosten en een lager concurrentievermogen, waardoor hun aanpassingen aan de groene en de digitale transitie bijzonder ingewikkeld en duur zijn; benadrukt hun grote potentieel om belangrijke sectoren, zoals de blauwe economie, duurzame landbouw, hernieuwbare energiebronnen, ruimtevaartactiviteiten, onderzoek of ecologisch toerisme, verder te ontwikkelen, onder andere via een betere regionale connectiviteit; dringt er eens te meer bij de Commissie op aan om zorgvuldig na te denken over het effect van alle recente wetgevingsvoorstellen op de ultraperifere regio’s, teneinde een onevenredige regeldruk en averechtse effecten op de economieën van die regio’s te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>benadrukt dat dorpen, steden en grootstedelijke gebieden hun eigen problemen kennen, zoals wijken met veel armoede, huisvestingsproblemen, verkeerscongestie en slechte luchtkwaliteit, die uitdagingen met zich meebrengen voor de sociale en economische cohesie ten gevolge van een niet-harmonieuze territoriale; pleit voor een speciale agenda voor steden en dringt erop aan om hun verbinding met functionele stedelijke gebieden te verdiepen en ook kleinere steden en dorpen daarbij te betrekken, zodat economische en sociale voordelen evenrediger over het hele gebied worden verdeeld; wijst op de noodzaak om de coördinatie tussen initiatieven in het kader van de Europese stedelijke agenda en instrumenten van het cohesiebeleid te versterken, waarbij de voorkeur moet uitgaan naar een geïntegreerde aanpak die rekening houdt met specifieke territoriale kenmerken en nieuwe uitdagingen; dringt er voorts op aan regionale en lokale overheden, alsook steden en stedelijke overheden, meer directe toegang te geven tot EU-financiering, onder meer door een ruimer gebruik van geïntegreerde territoriale investeringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>wijst erop dat de investeringen in betaalbare huisvesting in het kader van het cohesiebeleidskader moeten worden voortgezet en uitgebreid gezien het belang daarvan voor zowel regio’s als steden; benadrukt dat veranderingen op dit gebied die van belang zijn voor investeringen in huisvesting en die verder gaan dan de huidige twee mogelijkheden (energie-efficiëntie en sociale huisvesting), moeten worden bevorderd; wijst op de belangrijke rol die het cohesiebeleid speelt bij de uitrol en coördinatie van deze initiatieven; acht het voorts van belang om de betaalbaarheid van huisvesting op te nemen in het URBACT-initiatief;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>wijst op het strategische belang van sterke regio’s aan de buitengrenzen met het oog op de beveiliging en veerkracht van de EU; verzoekt de Commissie de lidstaten en regio’s die zijn getroffen door de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, in het bijzonder de regio’s aan de oostgrens van de EU, te ondersteunen via herziening van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen<FOOTNOTE><FIELD>Mededeling van de Commissie van 29 april 2021 getiteld “Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen” (PB C 153 van 29.4.2021, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE> en op maat gesneden instrumenten en investeringen in het kader van het cohesiebeleid, en om die lidstaten en regio’s bij te staan om op flexibele en optimale wijze gebruik te maken van de mogelijkheden van de fondsen van het cohesiebeleid, waaronder Interreg, zodat ze het hoofd kunnen bieden aan de nadelige sociaal-economische gevolgen van de oorlog voor hun bevolking en gebieden; spreekt zich voorts uit voor steun aan regio’s die grenzen aan kandidaat-lidstaten, zoals Oekraïne en Moldavië, om de banden daarmee aan te halen en hun integratie in de EU te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>onderstreept de meerwaarde van territoriale samenwerking in het algemeen en van grensoverschrijdende samenwerking in het bijzonder; wijst op het belang van Interreg voor grensoverschrijdende regio’s, waaronder ook ultraperifere gebieden; wijst op de belangrijke bijdrage daarvan voor de ontwikkeling van die regio’s en het wegnemen van grensoverschrijdende belemmeringen, onder meer door het opbouwen van vertrouwen over de grenzen heen, het ontwikkelen van vervoersverbindingen, het vaststellen en terugdringen van wettelijke en administratieve belemmeringen en het uitbreiden van de verlening en het gebruik van grensoverschrijdende openbare diensten; beschouwt Interreg als het belangrijkste EU-instrument voor het ondervangen van aanhoudende grensoverschrijdende belemmeringen waarmee hulpdiensten worden geconfronteerd, en stelt voor om meer aandacht te besteden aan deze diensten; wijst erop dat grensoverschrijdende gebieden, waaronder gebieden aan de buitengrenzen van de EU die aan agressorstaten grenzen, vaak met bijzondere uitdagingen te kampen hebben; vindt dat grensregio’s van de EU die met vele uitdagingen worden geconfronteerd, ondersteuning verdienen, en is van oordeel dat die meer middelen moeten krijgen; is ingenomen met de nieuwe verordening inzake BRIDGEforEU; onderstreept het belang van kleinschalige en grensoverschrijdende projecten en dringt aan op een doeltreffende uitvoering daarvan in het veld; verzoekt de Commissie om de lidstaten aan te sporen bewustwordingscampagnes in grensregio’s actief te steunen, zodat grensoverschrijdende samenwerking een zo groot mogelijk effect sorteert;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>wijst op de noodzaak om “cohesie te ondersteunen” in plaats van slechts te vertrouwen op het beginsel “doe geen afbreuk aan de cohesie”, dat impliceert dat er geen maatregelen mogen worden genomen die het convergentieproces belemmeren of regionale verschillen vergroten; benadrukt dat deze beginselen als horizontale beginselen sterker moeten worden geïntegreerd in alle beleidsmaatregelen van de EU, zodat daarmee de doelstellingen van sociale, economische en territoriale cohesie, als bepaald in de artikel 3 en 174 VWEU, worden ondersteund; verzoekt de Commissie voorts specifieke richtsnoeren uit te vaardigen over de wijze waarop deze beginselen in het EU-beleid moeten worden toegepast en gehandhaafd, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan het effect van EU-wetgeving op het concurrentievermogen van minder ontwikkelde regio’s; wijst er andermaal op dat bij nieuwe wetgevingsvoorstellen terdege rekening moet worden gehouden met de lokale en regionale realiteit; stelt voor dat de Commissie gebruikmaakt van innovatieve instrumenten, zoals RegHub (Netwerk van regionale hubs), om gegevens over het effect van EU-beleid in de regio’s te verzamelen; wijst erop dat daartoe de territoriale effectbeoordeling van EU-wetgeving moet worden uitgebreid en dat tegelijkertijd de territoriale aspecten van andere relevante beleidsmaatregelen moeten worden versterkt; benadrukt dat het belangrijk is de bevordering van cohesie ook te zien als een manier om de solidariteit en wederzijdse steun tussen de lidstaten en hun regio’s te stimuleren; verzoekt de Commissie en de lidstaten de voordelen van het cohesiebeleid voor het voetlicht te blijven brengen en daarover te blijven communiceren, zodat de burgers zien wat de concrete impact van de EU is en dit beleid als centraal instrument kan fungeren in de strijd tegen euroscepsis; is ingenomen met de lancering van de meertalige versie van het Kohesio-platform;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>stelt bezorgd vast dat de niveaus van nationale financiering van armere regio’s door de lidstaten de laatste jaren aanzienlijk zijn gedaald; wijst er nogmaals op dat de EU-regels inzake additionaliteit moeten worden nageleefd; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de nationale overheden naar behoren rekening houden met interne cohesie wanneer zij door de structuur- en investeringsfondsen gefinancierde projecten opstellen en uitvoeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>dringt erop aan dat het cohesiebeleid niet alleen wordt afgestemd op de regionale behoeften, maar ook op de kleinste schaal, d.w.z. dat de middelen toegankelijk moeten zijn voor de kleinste projecten en projectbeheerders; wijst erop dat hun initiatieven vaak het meest innovatief zijn en een aanzienlijke impact hebben op de plattelandsontwikkeling; herhaalt dat deze middelen voor iedereen toegankelijk moeten zijn, ongeacht omvang of reikwijdte; stemt in met de oproep van de Cohesiealliantie voor “een cohesiebeleid na 2027 waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten”;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>wijst erop dat de vertragingen bij de onderhandelingen over het MFK en het feit dat de lidstaten meer aandacht hadden voor de middelen van het herstel- en herstructureringsinstrument, ertoe hebben geleid dat er aanzienlijke vertragingen zijn opgetreden in de programmeringsperiode 2021-2027; acht het van belang dat er tijdig een akkoord wordt bereikt in het volgende financieringskader, en dringt er derhalve op aan dat de verordening gemeenschappelijke bepalingen (de GB-verordening) en de begrotingsonderhandelingen ten minste één jaar voor het begin van de nieuwe financieringsperiode worden afgerond, zodat de lidstaten tijdig hun nationale en regionale financieringsstrategieën kunnen uitwerken en zo kunnen zorgen voor een succesvolle overgang naar de volgende financieringsperiode en voor de voortzetting van bestaande ESIF-projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Europees Comité van de Regio’s en de nationale en regionale parlementen van de lidstaten.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>