<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0128</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Uitvoeringsverslag over de herstel- en veerkrachtfaciliteit</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0098/2025 - Rapporteur: Victor Negrescu, Siegfried Mureşan)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 18 juni 2025 inzake het uitvoeringsverslag over de herstel- en veerkrachtfaciliteit (2024/2085(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 175 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit<FOOTNOTE><FIELD>PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/241/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (de “RRF-verordening”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2023/435 van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2021/241 wat betreft REPowerEU-hoofdstukken in herstel- en veerkrachtplannen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013, (EU) 2021/1060 en (EU) 2021/1755 en Richtlijn 2003/87/EG<FOOTNOTE><FIELD>PB L 63 van 28.2.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/435/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (REPowerEU-verordening),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2092/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (“conditionaliteitsverordening voor de rechtsstaat”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/765 van de Raad van 29 februari 2024 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/765, 29.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/765/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (MFK-verordening),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen<FOOTNOTE><FIELD>PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.</FIELD></FOOTNOTE> (“het IIA”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (het Financieel Reglement),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/795 van het Europees Parlement en de Raad van 29 februari 2024 tot oprichting van het platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP) en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG en Verordeningen (EU) 2021/1058, (EU) 2021/1056, (EU) 2021/1057, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) 2021/1060, (EU) 2021/523, (EU) 2021/695, (EU) 2021/697 en (EU) 2021/241<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/795, 29.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/795/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/1263, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1263/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 juni 2022 over uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit<FOOTNOTE><FIELD>PB C 32 van 27.1.2023, blz. 42.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2024 getiteld “Richtsnoeren voor herstel- en veerkrachtplannen”<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/4618, 22.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4618/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 21 februari 2024 getiteld “De EU versterken door middel van ambitieuze hervormingen en investeringen” (COM(2024)0082),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het derde jaarverslag van de Commissie van 10 oktober 2024 over de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (COM(2024)0474),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Europese Rekenkamer (de Rekenkamer) van 10 oktober 2024 over de uitvoering van de begroting betreffende het begrotingsjaar 2023, vergezeld van de antwoorden van de instellingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Speciaal verslag 13/2024 van de Rekenkamer van 2 september 2024 getiteld “Absorptie van middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit – Vooruitgang vertraagd en nog steeds risico’s voor de verwezenlijking van maatregelen en dus van de RRF-doelstellingen”, Speciaal verslag 14/2024 van de Rekenkamer van 11 september 2024 getiteld “Groene transitie – Onduidelijke bijdrage uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit” en Speciaal verslag 22/2024 van de Rekenkamer van 21 oktober 2024 getiteld “Dubbele financiering uit de EU-begroting – Controlesystemen missen essentiële elementen om het verhoogde risico door het niet-kostengerelateerde RRF-financieringsmodel te beperken”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie van december 2023 ter ondersteuning van de tussentijdse evaluatie van de herstel- en veerkrachtfaciliteit,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag 2024 van het Europees Openbaar Ministerie (EOM), dat op 3 maart 2025 is gepubliceerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van september 2024 van Mario Draghi over de toekomst van het Europese concurrentievermogen (Draghi-verslag),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 oktober 2024 getiteld “Tussentijdse evaluatie van het Europees herstelplan na COVID-19 (herstel- en veerkrachtfaciliteit)”<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/7057, 4.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7057/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de informatie die is gepubliceerd op het scorebord voor herstel en veerkracht (RRF-scorebord),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 20 november 2024 over het verslag over de toewijzing en impact van groene NGEU-obligaties 2024 (SWD(2024)0275),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn interne onderzoek, diepgaande analyse en briefings met betrekking tot de uitvoering van de RRF<FOOTNOTE><FIELD>Europees Parlement, Think Tank https://www.europarl.europa.eu/thinktank/en/research/advanced-search?textualSearch=RRF&amp;startDate=01%2F07%2F2019&amp;endDate=&amp;sort=RELEVANCE.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 18 januari 2024 over de situatie in Hongarije en bevroren EU-gelden<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/5742, 17.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5742/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement, alsmede artikel 1, lid 1, punt e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid en de Commissie vervoer en toerisme,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het gezamenlijk overleg van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 59 van het Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken (A10-0098/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF) is opgericht om de Europese economieën en samenlevingen duurzamer, veerkrachtiger en beter voorbereid te maken in het licht van ongekende crises in 2019 en 2022, door de lidstaten te ondersteunen bij de financiering van strategische investeringen en de uitvoering van hervormingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat hervormingen en investeringen in het kader van de RRF helpen de EU veerkrachtiger en minder afhankelijk te maken door een diversificatie van de belangrijkste toeleveringsketens, zodat de strategische autonomie van de EU wordt versterkt; overwegende dat hervormingen en investeringen in het kader van de RRF ook Europese meerwaarde opleveren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de RRF en andere EU-fondsen, zoals het Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand, hebben bijgedragen tot de bescherming van de arbeidsmarkten tegen het risico van langetermijnschade als gevolg van de dubbele economische schok van de pandemie en de energiecrisis;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de RRF-uitgaven buiten de maxima van het meerjarig financieel kader (MFK) vallen en dat leningopbrengsten externe bestemmingsontvangsten vormen; overwegende dat het Parlement betreurt dat deze geen deel uitmaken van de begrotingsprocedure; overwegende dat burgers op basis van het transparantiebeginsel van het Financieel Reglement moeten weten hoe en waarvoor middelen door de EU worden uitgegeven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat, omdat er te weinig vooruitgang is geboekt bij de invoering van nieuwe eigen middelen in de EU, en gezien de noodzaak om de duurzaamheid van het terugbetalingsplan van de EU te waarborgen, een duidelijke en betrouwbare financieringsstrategie voor de lange termijn van essentieel belang is om aan de terugbetalingsverplichtingen te voldoen zonder moeilijke compromissen in de EU-begroting te forceren die toekomstige investeringen en beleidsprioriteiten zouden kunnen ondermijnen; overwegende dat verdere besprekingen en concrete financiële oplossingen nodig zullen zijn om de levensvatbaarheid van het plan van de EU voor de terugbetaling van schuld op de lange termijn te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de financieringskosten voor NextGenerationEU (NGEU) ten laste van de EU-begroting moeten komen en dat de werkelijke kosten als gevolg van de hoge rentetarieven veel hoger uitvallen dan de prognoses voor 2020; overwegende dat de totale kosten voor kapitaal- en renteaflossingen van NGEU vanaf 2028 naar verwachting ongeveer 25 tot 30 miljard EUR per jaar zullen bedragen, wat overeenkomt met 15 tot 20 % van de jaarbegroting 2025; overwegende dat het Parlement erop heeft aangedrongen dat de herfinancieringskosten boven de MFK-maxima moeten worden geplaatst; overwegende dat tijdens de herziening van het MFK voor 2024 een cascademechanisme in drie stappen met inbegrip van een nieuw speciaal EURI-instrument is ingevoerd om de aanzienlijke kostenoverschrijdingen als gevolg van NGEU-leningen in verband met grote veranderingen in de marktomstandigheden te dekken; overwegende dat tijdens de begrotingsprocedure voor 2025 is overeengekomen om een jaarlijkse 50/50-benchmark te volgen, d.w.z. om de kostenoverschrijdingen in gelijke delen te financieren uit het vrijmakingsgedeelte van het speciale EURI-instrument en het flexibiliteitsinstrument;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de obligaties die zijn uitgegeven om de RRF te financieren, moeten worden terugbetaald op een manier die een gestage en voorspelbare vermindering van de verplichtingen garandeert, uiterlijk in 2058; overwegende dat de Raad het door de Commissie voorgestelde aangepaste pakket nieuwe eigen middelen nog niet heeft goedgekeurd, wat aanleiding geeft tot bezorgdheid omtrent de haalbaarheid van de terugbetaling van de in het kader van NGEU aangegane schuld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de sociale dimensie een belangrijk aspect van de RRF is en bijdraagt tot opwaartse economische en sociale convergentie, herstel en bevordering van duurzame groei en bevordering van het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de RRF moet bijdragen aan de financiering van maatregelen om onder meer de weerbaarheid van de lidstaten tegen klimaatrampen te vergroten en de aanpassing aan de klimaatverandering te verbeteren; overwegende dat de lidstaten passende effectbeoordelingen voor maatregelen moeten uitvoeren en beste praktijken moeten uitwisselen met betrekking tot de toepassing van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de RRF een belangrijke rol speelt bij het ondersteunen van investeringen en hervormingen op het gebied van duurzame mobiliteit, slimme vervoersinfrastructuur, alternatieve brandstoffen en digitale mobiliteitsoplossingen, waardoor connectiviteit en efficiëntie in de hele EU worden verbeterd; overwegende dat het betreurenswaardig is dat slechts enkele lidstaten ervoor hebben gekozen gebruik te maken van de RRF ter ondersteuning van investeringen, met name in hogesnelheidsspoor- en waterweginfrastructuur, die gericht zijn op de ontwikkeling van Europese corridors, ondanks de aanmoediging van grensoverschrijdende en meerlandenprojecten; overwegende dat het van cruciaal belang is meer te investeren in vervoersinfrastructuur, met name in minder bediende regio’s, om de connectiviteit te verbeteren, de regionale cohesie te ondersteunen en bij te dragen tot de groene transitie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de lidstaten op 31 december 2024 95 betalingsverzoeken hadden ingediend en dat het niveau van RRF-uitbetalingen inclusief voorfinanciering 197,46 miljard EUR aan subsidies (55 % van het totaalbedrag aan subsidies) en 108,68 miljard EUR aan leningen (37 % van het totaalbedrag aan leningen) bedroeg; overwegende dat drie lidstaten hun vijfde betaling al hebben ontvangen, terwijl één lidstaat geen RRF-financiering heeft ontvangen; overwegende dat alle lidstaten hun nationale herstel- en veerkrachtplannen ten minste één keer hebben herzien; overwegende dat 28 % van de mijlpalen en streefdoelen op bevredigende wijze is verwezenlijkt en dat de Commissie gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om betalingen gedeeltelijk op te schorten wanneer sommige mijlpalen en streefdoelen in verband met een betalingsverzoek niet op bevredigende wijze waren verwezenlijkt; overwegende dat vertragingen bij de uitvoering van geplande hervormingen en investeringen, met name in sociale infrastructuur en openbare diensten, zouden kunnen leiden tot de onderbenutting van beschikbare middelen, waardoor het verwachte effect op de economische groei, de werkgelegenheid en de sociale cohesie afneemt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de Rekenkamer verschillende tekortkomingen van de RRF aan het licht heeft gebracht, met name met betrekking tot het ontwerp, de transparantie en de verslaglegging ervan, het risico van dubbele financiering en de uitvoering van maatregelen voor de dubbele transitie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat resultaten volgens de Rekenkamer kunnen worden gebruikt om te meten in hoeverre door de EU gefinancierde acties, projecten of programma’s ervoor gezorgd hebben dat de bijbehorende doelstellingen zijn gehaald, en waar voor hun geld bieden; overwegende dat financiering die niet gekoppeld is aan kosten er op zich nog niet voor zorgt dat een instrument resultaatgericht is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat degelijke audit- en controlesystemen cruciaal zijn om de financiële belangen van de EU gedurende de hele levenscyclus van de RRF te beschermen; overwegende dat de mijlpalen die algemeen bekendstaan als “supermijlpalen”, met name met betrekking tot de rechtsstaat, moesten zijn verwezenlijkt voordat RRF-uitbetalingen plaatsvonden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat in de RRF-verordening wordt verwezen naar de “resultaatgerichte aard” van de faciliteit, maar dat geen definitie wordt gegeven van de “prestaties”; overwegende dat de prestaties van de RRF moeten worden gekoppeld aan beginselen van goed financieel beheer en een maatstaf moeten zijn voor de mate waarin door de EU gefinancierde acties, projecten of programma’s de bijbehorende doelstellingen hebben verwezenlijkt en kosteneffectief waren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat effectieve democratische en parlementaire controle op de uitvoering van de RRF vereist dat het Parlement daar in alle stadia volledig bij wordt betrokken en er in alle fasen rekening wordt gehouden met al zijn aanbevelingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2028 een onafhankelijk ex-postevaluatieverslag over de uitvoering van de RRF moet voorleggen, dat bestaat uit een beoordeling van de mate waarin de doelstellingen zijn verwezenlijkt en de middelen efficiënt zijn gebruikt, en van de Europese toegevoegde waarde, alsmede uit een algemene evaluatie van de RRF, en dat informatie over het effect ervan op de lange termijn bevat;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat dit verslag tot doel heeft toezicht te houden op de uitvoering van de RRF, overeenkomstig de rol van het Parlement zoals vastgelegd in de RRF-verordening, door te wijzen op de voordelen en tekortkomingen van de RRF en daarbij gebruik te maken van de lessen die tijdens de uitvoering ervan zijn getrokken;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De sociale en economische veerkracht van Europa versterken</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt dat de RRF een uniek solidariteitsinstrument is in het licht van twee ongekende crises en een hoeksteen vormt van het NGEU-instrument, dat in 2026 afloopt; benadrukt dat het belangrijk is lessen te trekken uit de uitvoering ervan voor het komende MFK, onder meer wat betreft transparantie, verslaglegging en coherente meting van de te leveren prestaties; benadrukt het stabiliserende effect van de RRF voor de lidstaten in een tijd van grote economische onzekerheid, aangezien het negatieve economische en sociale gevolgen beperkt en regeringen ondersteunt door bij te dragen aan de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten door economisch herstel en concurrentievermogen te bevorderen, veerkracht en innovatie te stimuleren en de groene en de digitale transitie te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>wijst op de belangrijke rol van de RRF bij het voorkomen van de versnippering van de interne markt en de verdere verdieping van de macro-economische divergentie, bij het bevorderen van sociale en territoriale cohesie door te zorgen voor macro-economische stabilisatie, en bij het bieden van zekerheid aan de financiële markten door het vertrouwen van beleggers in turbulente tijden te vergroten, waardoor de rendementsecarts worden verkleind;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>is verheugd over het feit dat de RRF een eenmalig instrument is dat extra begrotingsruimte biedt en heeft bijgedragen tot het voorkomen van aanzienlijke economische en sociale verschillen tussen lidstaten met uiteenlopende begrotingsruimte; wijst op de bevinding van de Commissie dat de RRF heeft geleid tot een duurzame toename van investeringen in de hele EU en dat de Commissie verwacht dat de RRF ook na 2026 een aanhoudend effect in de hele EU zal hebben, gezien de synergieën met andere EU-fondsen; is echter bezorgd over het feit dat het aflopen van de RRF in 2026 een significant risico inhoudt op een aanzienlijke daling van de overheidsinvesteringen in gemeenschappelijke Europese prioriteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>herinnert eraan dat het MFK en de RRF samen goed zijn voor bijna 2 biljoen EUR voor de programmeringsperiode 2021-2027, maar wijst erop dat de hoge inflatiepercentages en de daarmee gepaard gaande stijgingen van de kosten van goederen en diensten de huidige nominale waarde van de Europese uitgaven hebben verlaagd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>neemt kennis van de prognose van de Commissie in 2024 betreffende het potentiële effect van NGEU op het reële bruto binnenlands product (bbp) van de EU tegen 2026, dat aanzienlijk lager is dan de simulatie in 2020 (1,4 % vergeleken met 2,3 %), deels wegens ongunstige economische en geopolitieke omstandigheden, en van de raming dat NGEU zou kunnen leiden tot een aanzienlijke stijging op korte termijn van de werkgelegenheid in de EU met maximaal 0,8 %; merkt op dat de langetermijnvoordelen van de RRF voor het bbp waarschijnlijk drie tot zes keer groter zullen zijn dan de begrotingsvastleggingen, afhankelijk van de productiviteitseffecten van investeringen in de RRF en de zorgvuldige uitvoering van hervormingen en investeringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>benadrukt hoe moeilijk het is om het precieze sociale en economische effect van de RRF te kwantificeren, aangezien het effect van hervormingen en investeringen pas na een tijd duidelijk wordt; benadrukt de noodzaak van verdere onafhankelijke evaluaties om het effectieve effect van hervormingen en investeringen te beoordelen en van verdere verbeteringen van de onderliggende methodologie; neemt kennis van de bevinding van de Commissie dat ongeveer de helft van de verwachte stijging van de overheidsinvesteringen tussen 2019 en 2025 verband houdt met investeringen die worden gefinancierd uit de EU-begroting, met name uit de RRF, maar merkt op dat sommige investeringen nog geen meetbaar effect hebben opgeleverd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>merkt op dat de RRF de uitvoering heeft gestimuleerd van een aantal hervormingen in de landspecifieke aanbevelingen die zijn gedaan in het kader van het Europees Semester door dergelijke hervormingen op te nemen in de nationale herstel- en veerkrachtplannen; onderstreept dat er sprake is van een kwalitatieve sprong voorwaarts wat betreft het toezicht op de uitvoering van de RRF; herinnert eraan dat het RRF-scorebord wordt gebruikt om de vooruitgang te volgen die is geboekt bij het bereiken van mijlpalen en streefdoelen, evenals de naleving van horizontale beginselen, en in het bijzonder de zes pijlers, namelijk de groene transitie, de digitale transformatie, slimme, duurzame en inclusieve groei, met inbegrip van economische cohesie, banen, productiviteit, concurrentievermogen, onderzoek, ontwikkeling en innovatie, en een goed functionerende interne markt met sterke kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), sociale en territoriale cohesie, gezondheid, economische, sociale en institutionele veerkracht met als doel onder meer de crisisparaatheid en de crisisresponscapaciteit te vergroten, en beleid voor de volgende generatie, kinderen en jongeren, zoals onderwijs en vaardigheden; wijst erop dat de landspecifieke aanbevelingen die in het kader van het Europees Semester zijn gedaan, over het algemeen weinig en zelfs minder worden opgevolgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>benadrukt dat in de context van het nieuwe kader voor economische governance de reeks hervormingen en investeringen ter schraging van een verlenging van de aanpassingsperiode in overeenstemming moet zijn met de toezeggingen in de goedgekeurde nationale herstel- en veerkrachtplannen tijdens de periode dat de RRF in werking is, en de partnerschapsovereenkomst die in het kader van de verordening gemeenschappelijke bepalingen is gesloten<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1060/oj).</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat de vijf lidstaten die om een verlenging van de aanpassingsperiode tot 31 december 2024 hebben verzocht, zich ter rechtvaardiging van de verlenging deels hebben gebaseerd op de hervormingen en investeringen die reeds in het kader van de RRF waren goedgekeurd; neemt er kennis van dat de meeste lidstaten informatie hebben opgenomen over de vraag of de in de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn opgenomen hervormingen en investeringen verband houden met de RRF;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de RRF zowel hervormingen als investeringen in de lidstaten ondersteunt, maar stelt met bezorgdheid vast dat het korte tijdsbestek voor de resterende uitvoering van de RRF uitdagingen met zich meebrengt in verband met de voltooiing van essentiële hervormingen en grootschalige investeringen die tegen het einde van de RRF moeten worden afgerond, en met de tijdige verwezenlijking van de 70 % van de mijlpalen en streefdoelen die nog in behandeling zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>herinnert eraan dat RRF-uitgaven niet in de plaats mogen komen van terugkerende nationale begrotingsuitgaven, tenzij naar behoren gemotiveerd, en het beginsel van additionaliteit van EU-financiering moeten eerbiedigen; dringt erop aan dat de strikte, duurzame en verifieerbare toepassing van niet-herhaling, samen met het stellen van duidelijk gedefinieerde Europese doelstellingen bij hervormingen en investeringen van essentieel belang is om additionaliteit en het langdurig effect van aanvullende Europese middelen te waarborgen; wijst erop dat dit beginsel geëerbiedigd moet worden en pleit ervoor dat het cohesiebeleid niet door de RRF of andere tijdelijke instrumenten wordt verdrongen of vervangen, aanzien het cohesiebeleid van essentieel belang blijft voor langdurige, duurzame territoriale cohesie en convergentie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>benadrukt dat de prioritering van de uitvoering van de RRF, het gebrek aan administratieve capaciteit in veel lidstaten en door mondiale toeleveringsketens gestelde uitdagingen hebben bijgedragen aan de vertraagde uitvoering van het cohesiebeleid; dringt er bij de Commissie in dit verband op aan een alomvattende beoordeling te verstrekken van de impact van de RRF op andere financieringsinstrumenten en overheidsinvesteringen, technische ondersteuning en de administratieve en absorptiecapaciteit van de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>herinnert eraan dat de herziening van REPowerEU, als reactie op de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, bijdraagt aan de voorzieningszekerheid van Europa door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen, de energievoorziening te diversifiëren, te investeren in Europese hulpbronnen en infrastructuur, energiearmoede aan te pakken en te investeren in energiebesparing en efficiëntie in alle sectoren, met inbegrip van vervoer; benadrukt dat via REPowerEU in 2023 nog eens 20 miljard EUR aan subsidies beschikbaar werd gesteld, waaronder 8 miljard EUR uit de frontloading van emissierechten in het kader van het emissiehandelssysteem en 12 miljard EUR uit het Innovatiefonds; benadrukt de succesvolle onderhandelingen van het Parlement, met name over de bepalingen inzake de aanvulling van het Innovatiefonds, de financieringsdoelstelling van 30 % voor grensoverschrijdende projecten, de focus van investeringen op het aanpakken van energiearmoede voor kwetsbare huishoudens, kmo’s en micro-ondernemingen, en het flexibele gebruik van niet-bestede cohesiebeleidsmiddelen uit het MFK 2014-2020 en van maximaal 7,5 % van de nationale toewijzingen in het kader van het MFK 2021-2027;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>herinnert aan zijn oproep om RRF-steun te richten op maatregelen met een Europese meerwaarde en betreurt derhalve het tekort aan levensvatbare grensoverschrijdende of in meerdere landen genomen maatregelen, waaronder hogesnelheidsspoorlijnen en infrastructuurprojecten voor tweeërlei gebruik op het gebied van duurzame mobiliteit die essentieel zijn om het TEN-T-netwerk te voltooien, en het daarmee samenhangende risico van hernationalisering van financiering; merkt op dat het brede toepassingsgebied van de doelstellingen van de RRF hiertoe heeft bijgedragen door een grote verscheidenheid aan nationaal gerichte projecten onder haar bevoegdheid te laten vallen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>wijst op de wijziging van artikel 27 van de RRF-verordening via REPowerEU, waardoor de grensoverschrijdende en meerlandendimensie van de RRF aanzienlijk is versterkt door de lidstaten aan te moedigen hun nationale herstel- en veerkrachtplannen te wijzigen om REPowerEU-hoofdstukken toe te voegen, met inbegrip van een uitgavendoelstelling van ten minste 30 % voor dergelijke maatregelen om de autonomie van de EU op energiegebied te waarborgen; is bezorgd over de ruime interpretatie van de Commissie die toestaat dat elke vermindering van de (nationale) vraag naar energie een grensoverschrijdende en meerlandendimensie uitdraagt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>is ingenomen met de mogelijkheid om RRF-financiering te gebruiken voor het bijdragen aan de doelstellingen van het platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP) door investeringen in kritieke technologieën in de EU te ondersteunen teneinde haar industriële concurrentievermogen te stimuleren; merkt op dat geen enkele lidstaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om via het lidstaatcompartiment van InvestEU in zijn nationale herstel- en veerkrachtplan een extra contante bijdrage aan de STEP-doelstellingen op te nemen; herinnert eraan dat de lidstaten hun nationale plannen in dat opzicht nog steeds kunnen wijzigen; verwacht dat de herzieningsprocedures efficiënt, gestroomlijnd en eenvoudig zullen zijn, met name gezien de uiterste termijn van 2026, de huidige geopolitieke context en de noodzaak om te investeren in Europese defensievermogens;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>herinnert aan de toepassing van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” voor alle hervormingen en investeringen die door de RRF worden gesteund, met een gerichte derogatie in het kader van REPowerEU voor energie-infrastructuur en faciliteiten die nodig zijn om te voldoen aan onmiddellijke behoeften inzake voorzieningszekerheid; moedigt de Commissie aan na te gaan of een meer uniforme interpretatie van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” tussen de RRF en de EU-taxonomie voor duurzame activiteiten haalbaar is, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de RRF als een programma voor overheidsuitgaven;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Financiële aspecten van de RRF</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>wijst erop dat de RRF het eerste grote prestatiegerichte instrument op EU-niveau is dat uitsluitend is gebaseerd op financiering die niet gekoppeld is aan kosten; herinnert eraan dat in artikel 8 van de RRF-verordening wordt bepaald dat de RRF door de Commissie onder rechtstreeks beheer moet worden uitgevoerd overeenkomstig de desbetreffende voorschriften die zijn vastgesteld op grond van artikel 322 VWEU, met name het Financieel Reglement en de conditionaliteitsverordening voor de rechtsstaat; betreurt het dat de Raad er niet mee heeft ingestemd specifieke regels op te nemen in het Financieel Reglement om de risico’s van dit uitvoeringsmodel, zoals dubbele financiering, aan te pakken; is van mening dat de regels van het Financieel Reglement volledig van toepassing moeten zijn op toekomstige instrumenten op basis van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, ook wat betreft boetes, straffen en sancties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>merkt op dat slechts 13 lidstaten om leningen hebben verzocht en dat 92 miljard EUR van de beschikbare 385,8 miljard EUR ongebruikt zal blijven, aangezien dit bedrag niet vóór de uiterste datum van 31 december 2023 werd vastgelegd; neemt er kennis van dat leningen aantrekkelijk waren voor lidstaten die te maken hadden met hogere financieringskosten op de financiële markten of die een verlaging van RRF-subsidies wilden compenseren; wijst erop dat sommige lidstaten slechts in beperkte mate gebruik hebben gemaakt van RRF-leningen, hetzij vanwege een sterke begrotingspositie, hetzij uit administratieve overwegingen; verzoekt de Commissie te analyseren waarom het gebruik in sommige lidstaten zo laag was en in de toekomst rekening te houden met deze bevindingen wanneer ze financiële instrumenten van de EU ontwerpt; stelt met bezorgdheid vast dat de nationale financiële instrumenten die bedoeld zijn om de nationale herstel- en veerkrachtplannen uit te voeren, onvoldoende publiciteit hebben gekregen, waardoor de bekendheid en de benutting ervan door potentiële begunstigden beperkt bleven; is van mening dat er, in het licht van krappe overheidsbegrotingen en de dringende strategische prioriteiten van de EU, een politiek debat over het gebruik van niet-bestede middelen nodig is; dringt erop aan te beoordelen hoe en onder welke voorwaarden ongebruikte RRF-middelen kunnen worden herbestemd om het concurrentievermogen, de veerkracht, de verdediging en de sociale, economische en territoriale samenhang van Europa een impuls te geven, met name via investeringen in digitale en groene technologieën die aansluiten bij het oorspronkelijke doel van de RRF;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>herinnert eraan dat de EU wettelijk verplicht is om ervoor te zorgen dat NGEU-uitgaven uiterlijk op 31 december 2058 volledig zijn terugbetaald; herinnert de Raad en de Commissie aan hun juridische verbintenis in het kader van het in 2020 gesloten interinstitutioneel akkoord om te zorgen voor een passende manier voor het herfinancieren van NGEU-schulden, onder meer door middel van voldoende opbrengsten uit nieuwe eigen middelen die na 2021 worden ingevoerd, zonder onnodig te snoeien in de programma-uitgaven of investeringsinstrumenten in het kader van het MFK; betreurt het gebrek aan vooruitgang in dat verband, hetgeen tot twijfel leidt of de in het kader van NGEU aangegane schuld wel kan worden terugbetaald, en dringt er bij de Raad op aan onverwijld en met spoed nieuwe eigen middelen vast te stellen; dringt er voorts bij de Commissie op aan zich te blijven inspannen om, naast de middelen die in het IIA zijn opgenomen en verband houden met EU-beleid, aanvullende echte nieuwe eigen middelen in kaart te brengen teneinde de hoge uitgavenbehoeften te dekken met het oog op de financiering van nieuwe prioriteiten en de aflossing van de NGEU-schuld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>merkt bezorgd op dat de totale kosten voor kapitaal- en renteaflossingen van NGEU volgens schattingen van de Commissie vanaf 2028 naar verwachting ongeveer 25 tot 30 miljard EUR per jaar zullen bedragen, wat overeenkomt met 15 tot 20 % van de jaarbegroting 2025; herinnert eraan dat in de laatste drie begrotingsprocedures een beroep moest worden gedaan op speciale instrumenten om de kosten van het EURI-instrument te dekken; wijst erop dat de aanzienlijke stijging van de financieringskosten de toekomstige EU-begroting onder druk zet en het vermogen van de EU vermindert om te reageren op toekomstige uitdagingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>neemt kennis van de doelstelling van de Commissie om tot 30 % van de NGEU-kosten te financieren door de uitgifte van groene obligaties; merkt op dat de Commissie op 31 december 2024 voor 68,2 miljard EUR aan Europese groene obligaties had uitgegeven;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Ontwerp en uitvoering van nationale herstel- en veerkrachtplannen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>stelt vast dat op 31 december 2024 47 % van de beschikbare RRF-middelen was uitbetaald, waarbij 55 % aan subsidies en 37 % aan leningen was toegekend, wat resulteert in een hoog percentage maatregelen dat in 2025 en 2026 nog moet worden voltooid; is echter bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat in oktober 2023 in 15 van 22 ondervraagde lidstaten slechts 50 % van de uitbetaalde middelen bij de eindbegunstigden was terechtgekomen; roept de Commissie op terdege rekening te houden met de aanbevelingen van de Rekenkamer om de toekomstige werking van op prestaties gebaseerde instrumenten die vergelijkbaar zijn met de RRF te verbeteren, met name in de context van een meer gericht MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>is verheugd over het feit dat alle lidstaten de streefdoelen voor de groene transitie (37 %) en de digitale transitie (20 %) hebben overschreden, waarbij de gemiddelde uitgaven voor de digitale en klimaatdoelstellingen van de RRF als geheel respectievelijk 42 % en 26 % bedragen; merkt op dat de Rekenkamer twijfels heeft geuit over de manier waarop de uitvoering van RRF-maatregelen heeft bijgedragen aan de groene transitie en verbeteringen heeft aanbevolen voor de methoden die worden gebruikt om het effect van klimaatgerelateerde maatregelen in te schatten; benadrukt dat in alle pijlers van de RRF dezelfde methodologische tekortkomingen voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>merkt op dat de RRF tastbare effecten kan hebben op sociale doelstellingen, aangezien de lidstaten van plan zijn ongeveer 163 miljard EUR uit te geven; benadrukt dat dergelijke uitgaven resultaatgericht moeten zijn en meetbare economische en/of sociale voordelen moeten opleveren; wijst erop dat het noodzakelijk is versneld te investeren in de ontwikkeling van perifere en ultraperifere, geïsoleerde, afgelegen en plattelandsgebieden, en op het gebied van betaalbare huisvesting, sociale bescherming en de integratie van kwetsbare groepen, alsook werkgelegenheid voor jongeren, waar de uitgaven achterblijven; roept de Commissie op om in het kader van het RRF-scorebord een grondige evaluatie te verrichten van de projecten en hervormingen in verband met onderwijs en jongeren die door de lidstaten in het kader van de RRF worden uitgevoerd; betreurt het dat in sommige lidstaten vertragingen zijn opgetreden bij de uitvoering van gezondheidsdoelstellingen, aangezien het instrument ook voor toegankelijkere gezondheidszorgstelsels met een grotere capaciteit moet zorgen, en bij belangrijke investeringen in sociale infrastructuur, waaronder voorzieningen voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang; benadrukt dat deze vertragingen, die in sommige gevallen verband houden met verschuivende begrotingsprioriteiten en herziene nationale uitvoeringstermijnen, de verwezenlijking van de doelstellingen van de RRF op het gebied van sociale cohesie dreigen te ondermijnen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>verwijst nogmaals naar zijn onderhandelingspositie, die inhoudt dat er streefcijfers voor onderwijs (10 %) en voor culturele activiteiten (2 %) moeten komen; moedigt de Commissie aan zich te blijven inspannen om deze streefcijfers, via het RRF-scorebord, te evalueren als een benchmark bij haar beoordeling van het onderwijsbeleid in de nationale herstel- en veerkrachtplannen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>merkt op dat een grote meerderheid van de nationale herstel- en veerkrachtplannen een specifiek deel omvat waarin wordt uitgelegd hoe met het plan gendergerelateerde problemen en uitdagingen worden aangepakt; maakt zich echter zorgen omdat sommige nationale herstel- en veerkrachtplannen geen toelichting bevatten over de manier waarop de maatregelen in de plannen naar verwachting een bijdrage zullen leveren aan gendergelijkheid en gelijke kansen voor iedereen en roept de betrokken lidstaten op dergelijke toelichtingen onverwijld toe te voegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>wijst erop hoe belangrijk hervormingen zijn om de versnippering van de arbeidsmarkt tegen te gaan, hoogwaardige arbeidsomstandigheden te bevorderen, loonongelijkheid aan te pakken, voor fatsoenlijke levensomstandigheden te zorgen en het sociaal overleg, de sociale bescherming en de sociale economie te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>wijst op de tastbare impact die de RRF zou kunnen hebben op de doelstellingen inzake de digitale transformatie, aangezien er 166 miljard EUR is uitgetrokken voor plannen op dat gebied; is ingenomen met de bijdragen die zijn geleverd in het kader van de pijler slimme, duurzame en inclusieve groei, met name aan het concurrentievermogen en de steun voor kmo’s; wijst op de noodzaak van versnelde investeringen in transnationale samenwerking, steun voor concurrerende ondernemingen die innovatieve projecten leiden en wijzigingen in de regelgeving voor slimme, duurzame en inclusieve groei, waar er momenteel een achterstand is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>benadrukt dat het succes van investeringen in de EU afhangt van goed functionerende kapitaalmarkten; verzoekt de lidstaten de middelen doeltreffender en tijdig uit te betalen, met name voor kmo’s en jonge ondernemers, de aanvraagprocedures te stroomlijnen om de toegankelijkheid te verbeteren, en specifieke maatregelen uit te voeren om gerichte steun te verstrekken en zo hun rol in het proces van slimme en inclusieve groei te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>maakt zich zorgen over het feit dat de verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen achterblijft bij het indicatieve tijdschema in de nationale herstel- en veerkrachtplannen en dat niet alle lidstaten even snel vorderen; betreurt het dat er zoveel tijd ligt tussen de verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen en de uitvoering van projecten; benadrukt dat de RRF haar potentieel op korte en lange termijn alleen kan ontplooien als de hervormings- en investeringscomponenten elk naar behoren worden uitgevoerd; is verheugd dat de uitvoering van de RRF, na een trage start, sinds de tweede helft van 2023 op stoom is gekomen, maar stelt vast dat er nog steeds aanzienlijke vertragingen zijn die gevolgen hebben voor belangrijke hervormingen en investeringen en die aan verschillende factoren worden toegeschreven, waaronder de herzieningen in verband met de opneming van REPowerEU, de stijgende inflatie, de ontoereikende administratieve capaciteit van de lidstaten, met name de kleinere, onzekerheid over specifieke regels voor de uitvoering van de RRF, hoge energiekosten, leveringstekorten en een onderschatting van de tijd die nodig is om maatregelen uit te voeren; merkt op dat het uitstellen door sommige regeringen van belangrijke uitvoeringstermijnen tot 2026 aanleiding geeft tot twijfel of sommige lidstaten wel in staat zijn de toegewezen middelen volledig te absorberen binnen het vastgelegde tijdschema van de RRF; benadrukt dat er een realistisch en doeltreffend uitvoeringsschema moet worden aangehouden om het risico van onvolledige projecten en gemiste kansen voor structurele verbeteringen te voorkomen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat administratieve knelpunten met spoed worden aangepakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>herinnert eraan dat de RRF-verordening is gewijzigd door de opneming van het REPowerEU-hoofdstuk; wijst op het belang van de REPowerEU-hoofdstukken in de nationale herstel- en veerkrachtplannen en verzoekt de lidstaten voorrang te geven aan vergevorderde projecten en hun plannen sneller uit te voeren, zowel wat hervormingen als investeringen betreft, en deze, waar nodig, aan te passen in overeenstemming met de doelstellingen van de RRF, zonder afbreuk te doen aan het algemene evenwicht en het ambitieniveau van de nationale herstel- en veerkrachtplannen, om te kunnen reageren op uitdagingen die voortvloeien uit geopolitieke gebeurtenissen en om de huidige realiteit ter plaatse aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>benadrukt dat de RRF de gevolgen van de huidige huisvestingscrisis in de hele EU had kunnen helpen verzachten; betreurt het dat sommige lidstaten deze mogelijkheid niet hebben aangegrepen en benadrukt dat de lidstaten sneller moeten investeren in beschikbare en betaalbare huisvesting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>benadrukt dat de “supermijlpalen” belangrijk zijn om de financiële belangen van de EU te beschermen tegen tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat en om te waarborgen dat de eisen krachtens artikel 22 van de RRF-verordening volledig worden uitgevoerd; is verheugd dat alle lidstaten, op één na, hun “supermijlpalen” op bevredigende wijze hebben verwezenlijkt; herinnert eraan dat de Commissie alle voorfinancieringsbetalingen die na afloop van de RRF niet met reguliere betalingsverzoeken zijn verrekend, moet terugvorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>neemt kennis van de hoge administratieve lasten en complexiteit die de RRF meebrengt; wijst op de aanzienlijke inspanningen die op nationaal niveau nodig zijn om de RRF parallel met de structuurfondsen uit te voeren; merkt op dat met het op vraag gebaseerde instrument voor technische ondersteuning tussen 2021 en 2024 meer dan 500 aan RRF gerelateerde hervormingen in de lidstaten zijn ondersteund, die direct of indirect verband hielden met de voorbereiding, wijziging, herziening en uitvoering van de nationale herstel- en veerkrachtplannen; neemt kennis van de richtsnoeren van de Commissie van juli 2024 die vereenvoudigingen en verduidelijkingen bevatten om de uitvoering van de RRF te stroomlijnen, maar verwacht van de Commissie dat zij snel werk maakt van haar belofte om de administratieve lasten met 25 % te verminderen; dringt er bij de Commissie op aan om duidelijke en gerichte technische ondersteuning te bieden aan de lidstaten zodat ze efficiënte administratieve capaciteit kunnen opbouwen om de mijlpalen en streefdoelen uit te voeren; verzoekt de Commissie de aanbestedingsregels van de EU voor contracten met een grotere waarde minder complex te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over de complexiteit van de aanvraagprocedures voor RRF-financiering, met name voor kmo’s en niet-gouvernementele organisaties, die zelfs voor kleine subsidies externe adviesdiensten nodig hebben; benadrukt dat dergelijke bureaucratische belemmeringen in strijd zijn met de oorspronkelijke doelstellingen van de RRF, die was bedoeld om snelle en rechtstreekse financiële steun te verlenen; dringt erop aan de aanvraag- en rapportagevereisten, met name voor kleinere begunstigden, met spoed te vereenvoudigen om de absorptie en de impact van de middelen te maximaliseren en te helpen zodat deze bijdragen aan de groene en digitale transitie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>is van mening dat vertragingen bij de uitvoering een veeg teken zijn dat maatregelen waarvoor middelen uit de RRF zijn betaald, niet voor de uiterste betaaldatum van 2026 zullen zijn voltooid; is ingenomen met de verklaring van de Commissie tijdens de herstel- en veerkrachtdialoog van 16 september 2024 dat zij niet-uitgevoerde projecten niet zal terugbetalen; beschouwt het als een tekortkoming dat RRF-middelen die zijn betaald voor mijlpalen en streefdoelen waarvan is vastgesteld dat zij zijn verwezenlijkt, niet kunnen worden teruggevorderd als daarmee samenhangende maatregelen uiteindelijk niet zijn voltooid; moedigt de Commissie aan rekening te houden met de desbetreffende aanbevelingen van de Rekenkamer en in samenwerking met de lidstaten de maatregelen te beoordelen die het grootste risico lopen om op 31 augustus 2026 niet te zijn voltooid; benadrukt dat het belangrijk is toezicht te houden op deze maatregelen, een tijdige follow-up te vergemakkelijken en te werken aan oplossingen om vertragingen weg te werken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>stelt bezorgd vast dat het resterende tijdsbestek voor de uitvoering van de RRF te kort is om tal van innovatieve projecten te realiseren; merkt voorts op dat innovatieve projecten per definitie moeilijker te plannen zijn en tijdens de uitvoering vaker op obstakels zullen stuiten, waardoor de strikte termijnen van de RRF er niet geschikt voor zijn; dringt er bij de Commissie op aan in de toekomst programma’s op te stellen die flexibel genoeg zijn om een passend antwoord te bieden op veranderende omstandigheden en die tegelijkertijd een zekere voorspelbaarheid garanderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>merkt op dat sommige mijlpalen en streefdoelen mogelijk niet meer haalbaar zijn vanwege objectieve omstandigheden; wijst erop dat eventuele herzieningen van nationale herstel- en veerkrachtplannen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de RRF-verordening, met inbegrip van de toepasselijke termijnen, en niet mogen leiden tot het terugdraaien van hervormingen of toezeggingen of tot projecten van lagere kwaliteit, maar moeten inhouden dat het algemene ambitieniveau behouden blijft en overheidsgeld efficiënt wordt besteed;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>is bezorgd over de ongelijke beoordeling van de nationale herstel- en veerkrachtplannen door de Commissie, die ertoe heeft geleid dat er met twee maten wordt gemeten bij de toepassing van de verordening; is verder bezorgd over de ongelijke en afwijkende definities van mijlpalen en streefdoelen die in de verschillende nationale herstel- en veerkrachtplannen worden gehanteerd, zoals consequent door de Rekenkamer wordt gemeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>benadrukt dat de duur van de beoordeling door de Commissie van betalingsverzoeken door de lidstaten aanzienlijk verschilt van de ene lidstaat tot de andere en wijst erop dat de Commissie meer openheid moet geven; dringt er bij de Commissie op aan vaart te zetten achter haar beoordelingen en ervoor te zorgen dat de lidstaten gelijk worden behandeld; benadrukt de noodzaak om in de hele EU te zorgen voor gelijke voorwaarden voor de maatregelen en indicatoren die worden gebruikt om alle RRF-projecten te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>dringt er bij de lidstaten op aan hun inspanningen op te voeren om administratieve knelpunten aan te pakken en te zorgen voor voldoende administratieve capaciteit om de uitvoering van de RRF te versnellen met het oog op de uiterste termijn van 2026, en om te voorkomen dat RRF-projecten in meer ontwikkelde regio’s en hoofdsteden worden geconcentreerd, door ervoor te zorgen dat RRF-middelen naar projecten in de meest kwetsbare regio’s gaan, zodat wordt bijgedragen aan de doelstelling van de RRF om de sociale, territoriale en economische samenhang van de EU te bevorderen; benadrukt dat de middelen in de nationale herstel- en veerkrachtplannen eerlijk over de regio’s moeten worden verdeeld en er tegelijkertijd voor moet worden gezorgd dat de RRF-middelen worden toegewezen op basis van economische en maatschappelijke impact, haalbaarheid en voordelen op lange termijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>	pleit ervoor vergevorderde RRF-projecten met 18 maanden te verlengen door de RRF-verordening, indien nodig, via de gewone wetgevingsprocedure te wijzigen; beklemtoont dat de Commissie de nagestreefde verlenging van projecten moet uitvoeren op basis van objectieve, duidelijke en eerlijke benchmarks; juicht het toe dat het mogelijk is om na de uiterste termijn van 2026 een gericht en op prestaties gebaseerd prioriterings- en overdrachtssysteem in te voeren, zodat lopende projecten kunnen worden afgerond via andere financieringsregelingen, waaronder het Europees Investeringsfonds en een mogelijk nieuw Europees Fonds voor concurrentievermogen; dringt er bij de Commissie op aan een strategie te presenteren om tegemoet te komen aan de enorme vraag naar overheidsinvesteringen na 2026 zonder de begrotingsmiddelen op andere kritieke gebieden in gevaar te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>dringt erop aan te evalueren hoe dit kader gerichte investeringen in de toeleveringsketens van de EU op defensiegebied, strategische voorraden en innovatie op defensiegebied mogelijk kan maken, met afstemming op de bredere Europese veiligheidsdoelstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>is bezorgd dat sommige lidstaten ervoor zouden kunnen kiezen af te zien van delen van de bedragen of van hele bedragen die verband houden met hun recentste betalingsverzoek, waardoor de laatste mijlpalen en streefdoelen niet kunnen worden verwezenlijkt;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Transparantie, monitoring en controle</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>neemt kennis van het feit dat de Commissie van plan was om in 2024 112 RRF-controles in alle lidstaten uit te voeren; herinnert de Commissie aan haar verplichting, overeenkomstig artikel 24, lid 9, van de RRF-verordening, om financiering terug te vorderen in geval van onjuiste uitbetalingen of terugdraaiing van maatregelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>merkt op dat de Commissie zich baseert op haar eigen methoden bij het berekenen van gedeeltelijke betalingen en schorsingen van betalingen; betreurt het dat deze methoden pas twee jaar na het begin van de uitvoeringsperiode van de RRF zijn opgesteld, zonder raadpleging van het Parlement;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>is verheugd over de uitgebreide werkzaamheden van de Rekenkamer met betrekking tot de RRF en acht het van belang de bevindingen grondig te beoordelen, met name de bevinding dat mijlpalen en streefdoelen vaak nogal vaag en resultaatgericht zijn en derhalve niet geschikt zijn om resultaten en effecten te meten, en de bevindingen met betrekking tot de risico’s op dubbele financiering als gevolg van overlappingen met ander beleid; merkt op dat de Commissie veel, maar niet alle aanbevelingen van de Rekenkamer heeft overgenomen; benadrukt dat de zwakke punten in de financiële controles, zoals benadrukt door de Rekenkamer, dringend moeten worden aangepakt om dubbele financiering, kosteninefficiëntie en wanbeheer van EU-fondsen te voorkomen; dringt aan op meer transparantie en pleit ervoor volledig rekening te houden met de aanbevelingen van de Rekenkamer, zonder onnodige administratieve lasten toe te voegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>merkt op dat de RRF volgens de Rekenkamer gericht is op vooruitgang met de uitvoering, eerder dan op resultaten, met name omdat via de RRF gefinancierde maatregelen gericht zijn op outputs in plaats van resultaten, niet allemaal even ambitieus zijn, soms onvoldoende duidelijk zijn en niet altijd de belangrijkste uitvoeringsfases van een maatregel bestrijken, met inbegrip van de voltooiing;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>merkt op dat volgens de controles van de Rekenkamer in verschillende gevallen financiering is uitbetaald terwijl niet naar behoren was voldaan aan de eisen met betrekking tot het bereiken van de overeenkomstige mijlpalen en streefdoelen; stelt voorts vast dat het kader van de Commissie om de “bevredigende verwezenlijking” van de relevante mijlpalen en streefdoelen te beoordelen, discretionaire elementen bevat zoals “minimale afwijking van een formeel vereiste” of “evenredige termijnen”, en dat de methode voor de vaststelling van gedeeltelijke betalingen geen uitleg omvat over de als coëfficiënten gekozen waarden, waardoor er ruimte voor interpretatie ontstaat; verzoekt de Commissie het Parlement verdere toelichting te verschaffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>dringt erop aan dat maatregelen die reeds zijn opgenomen in andere nationale plannen die EU-financiering ontvangen (bv. cohesie, landbouw enz.) in de regel niet in de nationale herstel- en veerkrachtplannen mogen worden opgenomen, ook als zij geen kosten met zich meebrengen; dringt er bij de Commissie op aan waakzaam en proactief te blijven en mogelijke situaties van dubbele financiering te identificeren, met name in verband met de verschillende uitvoeringsmodellen van de RRF en andere EU-financieringsinstrumenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>betreurt het dat er geen degelijk RRF-controletraject bestaat en dat het gebrek aan transparantie aanhoudt, ondanks het halfjaarlijkse rapportagevereiste voor de lidstaten ten aanzien van de honderd grootste eindontvangers, die op verzoek van het Parlement in REPowerEU werd opgenomen; betreurt het dat de rapportage door sommige lidstaten vertraging heeft opgelopen en de verstrekte inlichtingen beperkte informatieve waarde hebben, waardoor de Commissie of de Rekenkamer uiteindelijk geen nalevingscontroles kunnen uitvoeren; herhaalt zijn verzoek om de lijsten van de grootste eindontvangers voor elke lidstaat regelmatig bij te werken en in het RRF-scorebord te publiceren en informatie over de betrokken marktdeelnemers, met inbegrip van aannemers en onderaannemers, en hun uiteindelijke begunstigden op te nemen, en niet gewoon ministeries of andere overheidsorganen of -bedrijven; betreurt het voorts dat de huidige definitie van “eindontvanger” ruimte laat voor interpretatie, wat ertoe leidt dat de eindbegunstigden voor soortgelijke maatregelen van lidstaat tot lidstaat verschillen; verzoekt de Commissie in dat verband ervoor te zorgen dat er een gemeenschappelijk begrip is van wat een “eindontvanger” is zodat dit concept consequent kan worden toegepast;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>is bezorgd over aanhoudende tekortkomingen in nationale rapportage- en controlemechanismen, die deels te wijten zijn aan de absorptiedruk die van invloed is op de capaciteit om niet-subsidiabele uitgaven op te sporen, en deels aan de complexiteit van de audit- en controleprocedures, die tot onzekerheid in de lidstaten en een overbelasting van de administratieve procedures hebben geleid; verzoekt de Commissie om zekerheid te verschaffen over de vraag of de controlesystemen van de lidstaten naar behoren functioneren en te controleren of uit de RRF gefinancierde investeringsprojecten voldoen aan de EU- en nationale voorschriften; dringt erop aan de betalingen te verlagen en, in voorkomend geval, bedragen terug te vorderen overeenkomstig artikel 22 van de RRF-verordening, indien er zwakke punten in de nationale controlesystemen blijven bestaan; betreurt het dat wordt vertrouwd op handmatige kruiscontroles en eigen declaraties van ontvangers van EU-middelen bij gebrek aan interoperabele IT-instrumenten en geharmoniseerde normen, ondanks het bestaan van instrumenten, zoals het systeem voor vroege opsporing en uitsluiting en Arachne, waarvan het gebruik momenteel niet verplicht is, waardoor het risico ontstaat dat uitgaven tweemaal worden gedeclareerd; herinnert in dit verband aan de terughoudendheid van de lidstaten om tijdig vooruitgang te boeken met de ontwikkeling van de relevante IT-instrumenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>deelt het standpunt van de Rekenkamer dat het model voor financiering die niet gekoppeld is aan kosten, rapportage over werkelijke kosten niet uitsluit; merkt op dat het hebben van een goed beeld van de kosten ook het werk van controle- en toezichthoudende instanties, alsook het EOM en OLAF, vergemakkelijkt en meer publieke controle mogelijk maakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>onderstreept nogmaals de rol die het RRF-scorebord speelt door informatie te verschaffen aan burgers over de algehele vorderingen met de uitvoering van de nationale herstel- en veerkrachtplannen; benadrukt het belang van het scorebord voor het vergroten van de transparantie, en verzoekt de Commissie de mate van transparantie en de visualisering van gegevens in het scorebord te verhogen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>herinnert eraan dat de rapportage over de voortgang van de uitvoering in het RRF-scorebord is gebaseerd op informatie van de lidstaten op halfjaarlijkse basis;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>benadrukt de belangrijke rol van het EOM en OLAF bij de bescherming van de financiële belangen van de EU; is verheugd over het feit dat EOM-onderzoeken naar fraude- en corruptiezaken in verband met de RRF tot verschillende arrestaties, aanklachten en inbeslagnames van RRF-middelen hebben geleid; herinnert eraan dat het EPPO in 2024 307 lopende zaken in verband met het RRF behandelde, wat overeenkomt met ongeveer 17 % van alle onderzoeken naar fraude met uitgaven en met een geraamde schade voor de financiële belangen van de EU van 2,8 miljard EUR; verwacht dat het aantal onderzoeken zal toenemen naarmate de uitvoering van de RRF vordert; verzoekt de Commissie de beheersverklaringen van de lidstaten te onderzoeken wat betreft de rapportage van ontdekte fraude en de genomen corrigerende maatregelen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Rol van het Europees Parlement</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>herhaalt het belang van de rol van het Parlement bij het controleren en monitoren van de uitvoering van de RRF en bij het ter verantwoording roepen van de Commissie; benadrukt de inbreng van het Parlement via verschillende kanalen, met name via verschillende plenaire debatten, parlementaire resoluties, tweemaandelijkse RRF-vergaderingen met de verantwoordelijke commissarissen, meer dan 30 vergaderingen van de permanente werkgroep voor de controle van de RRF, talrijke parlementaire vragen, de jaarlijkse kwijtingsprocedure van de Commissie, en de regelmatige informatiestroom en ad-hocverzoeken om informatie van de Commissie; betreurt dat het model op basis van mijlpalen en streefdoelen als voorwaarden voor uitbetaling, niet vergezeld ging van passende mechanismen voor begrotingscontrole, waardoor het Parlement een kleinere rol kreeg dan bij zijn toezicht op de MFK-uitgaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>herinnert aan de rechten van het Parlement zoals neergelegd in artikel 25 van de RRF-verordening, met name het recht om gelijktijdig van de Commissie informatie te ontvangen die zij in de context van de RRF-verordening of de uitvoering daarvan aan de Raad of een van zijn voorbereidende instanties heeft toegezonden, alsook een overzicht van haar voorlopige bevindingen betreffende de bevredigende verwezenlijking van de relevante mijlpalen en streefdoelen die in de nationale herstel- en veerkrachtplannen zijn opgenomen; spoort aan tot het delen van relevante resultaten van de besprekingen in de voorbereidende instanties van de Raad met de bevoegde parlementaire commissies;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>herinnert voorts aan het recht van de bevoegde commissies van het Parlement om de Commissie te verzoeken informatie te verstrekken over de stand van zaken bij de beoordeling van de nationale herstel- en veerkrachtplannen in de context van de RRF-vergaderingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>betreurt het feit dat het Parlement geen rol speelt bij het ontwerp van nationale herstel- en veerkrachtplannen en niet over betalingsverzoeken wordt geraadpleegd; bekritiseert voorts het feit dat het Parlement geen duidelijk en traceerbaar overzicht heeft ontvangen van de werkelijke uitvoeringsstatus van projecten en betalingen; verwacht te worden geïnformeerd over de context van herzieningen van nationale herstel- en veerkrachtplannen teneinde zijn eigen beoordeling van de herzieningen te kunnen maken, en een grotere rol te kunnen spelen in het kader van toekomstige instrumenten op basis van de ervaringen met de RRF;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Betrokkenheid van belanghebbenden</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>betreurt het dat lokale en regionale overheden, maatschappelijke organisaties, de sociale partners, nationale parlementen en andere relevante belanghebbenden onvoldoende worden betrokken bij het ontwerpen, herzien en uitvoeren van nationale herstel- en veerkrachtplannen, wat heeft geleid tot slechtere beleidsresultaten en tot beperkte verantwoordelijkheid; betreurt het dat sommige lidstaten bij het opstellen en uitvoeren van nationale herstel- en veerkrachtplannen duidelijk de voorkeur hebben gegeven aan bepaalde lokale en regionale overheden ten nadele van andere overheden; herinnert eraan dat de deelname van lokale, regionale en nationale autoriteiten en van degenen die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van beleid van cruciaal belang is voor het welslagen van de RRF, zoals bepaald in artikel 28 van de RRF-verordening; herinnert eraan dat het Parlement een bindende bepaling in de RRF heeft gesteund om een dialoog op verschillende niveaus tot stand te brengen om relevante belanghebbenden te betrekken en de voorbereiding en uitvoering van nationale herstel- en veerkrachtplannen met hen te bespreken, met een duidelijke overlegperiode; pleit derhalve voor een zo groot mogelijke betrokkenheid van belanghebbenden bij de uitvoering van nationale herstel- en veerkrachtplannen, in overeenstemming met het nationale rechtskader en op basis van duidelijke en transparante beginselen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>herhaalt de noodzaak van regelmatige interactie tussen de nationale coördinerende instanties en de nationale belanghebbenden die zijn betrokken bij het toezicht op de uitvoering van de nationale herstel- en veerkrachtplannen, in overeenstemming met het beginsel van transparantie en verantwoordingsplicht; benadrukt dat regelmatiger en meer openbare communicatie door de nationale coördinerende instanties nodig is om ervoor te zorgen dat actuele informatie over de voortgang met de uitvoering van de nationale herstel- en veerkrachtplannen beschikbaar wordt gesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>wijst erop dat beslissingen op het meest geschikte niveau moeten worden genomen; is ervan overtuigd dat de toepassing van het partnerschapsbeginsel en een sterkere betrokkenheid van lokale en regionale overheden projectuitvoering efficiënter kunnen maken, verschillen binnen de lidstaten kunnen verkleinen en tot meer en kwalitatief betere maatregelen met een grensoverschrijdende en meerlandendimensie kunnen leiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>is van mening dat uit de RRF waardevolle lessen kunnen worden getrokken die tot uiting moeten komen in het ontwerp van op prestaties gebaseerde instrumenten in het volgende MFK, met name in het licht van de agenda’s voor concurrentievermogen en vereenvoudiging van de EU;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Lessen voor de toekomst</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>is van mening dat de combinatie van hervormingen en investeringen succesvol is gebleken, maar dat een duidelijker verband tussen beide nodig is; benadrukt dat het belangrijk is dat de financiering wordt afgestemd op de doelstellingen van het instrument en wordt uitbetaald in overeenstemming met de voortgang die bij de verwezenlijking van de doelstellingen geboekt wordt; benadrukt dat het ambitieniveau van de nationale herstel- en herstelschema’s niet mag worden verlaagd, maar in overeenstemming moet zijn met het tijdschema van de RRF om de geslaagde uitvoering ervan te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>is ervan overtuigd, zoals in het verslag-Draghi wordt benadrukt, dat het stimuleren van het concurrentievermogen van de EU, het koolstofvrij maken van de economie van de EU en het meer circulair en hulpbronnenefficiënter maken van de economie, alsook het dichten van de vaardigheidskloof, het scheppen van hoogwaardige banen en het vergroten van de innovatiecapaciteit van de EU, centrale prioriteiten zullen zijn voor de periode na 2026; is bezorgd over het feit dat er een aanzienlijk financieringstekort zal ontstaan als de RRF eind 2026 afloopt, met name voor overheidsinvesteringen in gemeenschappelijke Europese prioriteiten, aangezien de financiële middelen uit de nationale begrotingen aanzienlijk verschillen tussen de lidstaten; benadrukt de noodzaak om de lessen die zijn getrokken uit de RRF te gebruiken om particuliere en overheidsinvesteringen beter te benutten teneinde de financieringskloof voor de Europese doelstellingen en transities, die in het rapport Draghi wordt geraamd op meer dan 800 miljard EUR per jaar, te dichten en tegelijkertijd te zorgen voor de naadloze continuïteit van investeringen in gemeenschappelijke Europese goederen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>is ingenomen met het toegenomen gebruik van financiële instrumenten dat mogelijk is geworden door de optie om RRF-middelen door te sluizen naar het lidstaatcompartiment van InvestEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan de geleerde lessen en de opmerkingen van de Rekenkamer toe te passen en ervoor te zorgen dat toekomstige op prestaties gebaseerde instrumenten doelgericht zijn, afgestemd op de doelstelling om Europese collectieve goederen te financieren en prioriteit te geven aan het aanpakken van duidelijk omschreven strategische uitdagingen, economische duurzaamheid en concurrentievermogen; dringt erop aan ervoor te zorgen dat alle toekomstige instrumenten niet alleen zijn ontworpen om input of output en voortgang op korte termijn te meten, maar ook om de resultaten te meten in de vorm van langetermijneffecten die worden ondersteund door resultaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>merkt op dat het volgens de Rekenkamer van essentieel belang is dat toekomstige resultaatgerichte instrumenten zodanig worden ontworpen en uitgevoerd dat de verantwoordingsplicht er niet onder lijdt, en met name dat er in de lidstaten geschikte toezichtssystemen bestaan die door de Commissie worden gecontroleerd voordat het instrument wordt uitgevoerd; merkt op dat er daartoe minimumvereisten moeten worden vastgelegd voor de controles van de lidstaten en de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>verzoekt de Commissie een onafhankelijke evaluatie uit te voeren en verslag uit te brengen over de impact van de RRF op particuliere investeringen op geaggregeerd EU-niveau, met name over het potentiële verdringingseffect ervan op particuliere investeringen en de bepalende factoren ervan; dringt voorts aan op objectieve en duidelijke analyses van de Commissie over de gevolgen van de uitvoering van hervormingen en investeringen in het kader van de nationale herstel- en herstelplannen voor de economieën van de afzonderlijke lidstaten, met bijzondere aandacht voor slimme, duurzame en inclusieve groei; dringt er bij de Commissie op aan om bij het opstellen van haar voorstellen voor de volgende programmeringsperiode rekening te houden met de lessen die uit deze analyses en uit de opmerkingen van de Rekenkamer over de uitvoering van het RRF zijn getrokken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>benadrukt dat alle door de EU gefinancierde investeringen en hervormingen moeten worden gecoördineerd en in overeenstemming moeten zijn met de strategische planning op nationaal niveau, en dat zij moeten worden gericht op projecten met een duidelijke Europese meerwaarde; onderstreept de noodzaak van een uitgavendoelstelling voor grensoverschrijdende en meerlandeninvesteringen; verzoekt de Commissie een geloofwaardige methode te ontwikkelen om de grensoverschrijdende en meerlandendimensie van door de EU gefinancierde projecten te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>benadrukt dat zinvolle sociale en territoriale dialogen met een hoge mate van betrokkenheid van lokale en regionale overheden, de sociale partners, maatschappelijke organisaties en nationale parlementen binnen het nationale rechtskader essentieel zijn voor nationale verantwoordelijkheid, succesvolle uitvoering en democratische verantwoording; uit zijn bezorgdheid over het feit dat alle relevante belanghebbenden onvoldoende worden betrokken bij de uitvoering van en het toezicht op de door de RRF gefinancierde initiatieven; benadrukt in het bijzonder dat regio’s en gemeenteraden niet louter ontvangers van besluiten mogen zijn, maar inspraak moeten krijgen bij hervormingen en investeringen die hun grondgebied ingrijpend veranderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>is van mening dat het van essentieel belang is om gedifferentieerde strategieën vast te stellen die rekening houden met de culturele diversiteit van de verschillende regio’s en hun economische en sociale cohesie versterken, in plaats van een homogene of uniforme aanpak te volgen die ten koste zou kunnen gaan van de minder ontwikkelde regio’s; roept daarom op tot versterking van de dialoog met belanghebbenden en tot een zorgvuldiger gebruik daarvan, aangezien deze dialoog een inspiratiebron kan vormen voor toekomstige initiatieven en mechanismen in de EU en haar lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>benadrukt dat de RRF-verordening voorschrijft dat informatie over de herkomst van de financiering van door de EU gefinancierde projecten openbaar moet worden gemaakt om de steun van de Europese burgers te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>wijst erop dat RRF-dialogen een belangrijk instrument zijn voor het vergroten van de transparantie en verantwoordingsplicht, die cruciaal zijn voor een optimale uitvoering van het RRF;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>herhaalt dat verdere inspanningen nodig zijn om de transparantie en traceerbaarheid van het gebruik van EU-middelen te verbeteren; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat gegevens die relevant zijn voor prestatiemeting beschikbaar zijn en dat informatie over prestaties op een betere en transparantere manier wordt gepresenteerd; benadrukt dat het feedbackmechanisme tussen informatie over prestaties en het ontwerp of de aanpassing van programma’s moet worden verbeterd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>is van mening dat betere opleiding en capaciteitsopbouw in alle betrokken regio’s en autoriteiten, met name op nationaal niveau, de uitvoering van de RRF hadden kunnen bespoedigen en de uitvoerende autoriteiten in staat hadden gesteld zich beter aan te passen aan het op prestaties gebaseerde karakter van de RRF; is van mening dat de Commissie de lidstaten meer had kunnen bijstaan in de planningsfase en eerder had kunnen zorgen voor begeleiding bij de uitvoering, met name met het oog op de versterking van hun audit- en controlesystemen en de grensoverschrijdende dimensie van de RRF;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>benadrukt het belang van het beperken van het risico op dubbele financiering; stelt voor een geïntegreerd en interoperabel IT- en dataminingsysteem uit te rollen en duidelijke normen voor datasets te ontwikkelen die in alle lidstaten moeten worden toegepast met het oog op een uitgebreide en geautomatiseerde tracering van de uitgaven; dringt aan op betere coördinatiemechanismen die duidelijke verantwoordelijkheden vastleggen voor de instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van de verschillende EU- en nationale programma’s, waarbij onnodige bureaucratische complexiteit wordt vermeden en een efficiënte toewijzing van middelen wordt gewaarborgd; moedigt de integratie van geavanceerde gegevensanalyse en AI-instrumenten aan om de prestaties beter te kunnen volgen, evalueren en rapporteren, zodat de handmatige werklast wordt verlicht en de rapportageprocessen worden gestroomlijnd; onderstreept dat dergelijke vooruitgang alleen mogelijk is als er ook operationele steun is om overheden te digitaliseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>dringt er bij de Commissie en de lidstaten met klem op aan ervoor te zorgen dat alle vormen van EU-financiering die niet gekoppeld is aan de kosten of op prestaties gebaseerde financiering in overeenstemming zijn met de EU- en nationale regels, zodat uiteindelijk de financiële belangen van de EU worden beschermd; herhaalt dat de Commissie en de lidstaten verantwoordelijk en verantwoording verschuldigd zijn voor het waarborgen van de wettigheid en regelmatigheid van de EU-financiering en voor de naleving van de beginselen van goed financieel beheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>is van mening dat de rol van het Parlement bij de monitoring van de RRF verder moet worden versterkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>dringt erop aan toekomstige op prestaties gebaseerde instrumenten te voorzien van één enkel controlespoor om de begrotingsbijdragen aan de gefinancierde projecten te kunnen traceren; onderstreept de noodzaak van controle op projectniveau om reputatierisico’s in de ogen van het grote publiek te beperken en om het terugvorderen van middelen te vergemakkelijken indien maatregelen worden teruggedraaid; benadrukt de noodzaak om administratieve knelpunten en lasten te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>dringt erop aan dat eventuele toekomstige op prestaties gebaseerde programma’s de mijlpalen en streefdoelen duidelijker koppelen aan de daadwerkelijk uitgevoerde projecten; dringt erop aan dat er minder tijd zit tussen het bereiken van mijlpalen en de uitvoering van projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>verzoekt nogmaals om een open platform dat gegevens bevat over alle projecten, eindontvangers en de regionale verdeling van de financiering, waardoor controle en democratisch toezicht worden vergemakkelijkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>wijst erop dat bij eventuele toekomstige besluiten over EU-leningen de eenheid van de begroting en de rol van het Parlement als tak van de begrotingsautoriteit moeten worden geëerbiedigd; benadrukt de risico’s van kostenoverschrijdingen voor de terugbetaling van schulden, onder meer als gevolg van schommelende rentetarieven; acht het van belang om er vanaf het begin voor te zorgen dat voldoende middelen beschikbaar zijn om deze kosten te dekken zonder dat dit ten koste gaat van andere programma’s of politieke prioriteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten instrumenten en hulpmiddelen zoals de RFF nauwgezet te beoordelen en daarvan te leren, teneinde de efficiëntie en de impact van EU-financiering, -investeringen en -hervormingen te maximaliseren, beleidsdoelstellingen te stroomlijnen, de samenwerking tussen de instellingen en belanghebbenden op nationaal en Europees niveau te verbeteren en de nationale betrokkenheid te vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>neemt kennis van het voornemen van de Commissie om bij het opstellen van haar voorstellen voor de EU-financieringsprogramma’s voor de periode na 2027, die later dit jaar worden verwacht, rekening te houden met de ervaringen met het RRF; erkent dat de onafhankelijke ex-postevaluatie te laat zal komen om te worden meegenomen in het proces voorafgaand aan de volgende programmeringsperiode, maar verwacht van de Commissie en de medewetgevers dat zij terdege rekening houden met de lering die is getrokken uit de RRF en met de aanbevelingen van relevante belanghebbenden, met name lokale en regionale overheden, maatschappelijke organisaties en de sociale partners; is van mening dat, nu de EU plannen maakt voor toekomstige economische veerkracht, ook particuliere investeringen verder moeten worden gemobiliseerd, de kapitaalmarkten moeten worden versterkt en ervoor moet worden gezorgd dat de overheidsuitgaven budgettair verantwoord en strategisch gericht blijven, teneinde de veerkracht en soevereiniteit van de EU te vergroten in een steeds conflictueuzere geopolitieke context;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>