<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF2" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0186</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Rol van het cohesiebeleid bij de ondersteuning van de rechtvaardige transitie</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0137/2025 - Rapporteur: Ciaran Mullooly)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2025 over de rol van het cohesiebeleid bij de ondersteuning van de rechtvaardige transitie (2024/2121(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 4, 9, 151, 153, 162, 174 tot en met 178 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit<FOOTNOTE><FIELD> PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/241/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/691 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EFG) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1309/2013<FOOTNOTE><FIELD> PB L 153 van 3.5.2021, blz. 48, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/691/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1056/oj<STRING ITALIC="on">. </STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1057/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 60, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1058/oj<STRING ITALIC="on">.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (verordening gemeenschappelijke bepalingen)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1060/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj<STRING ITALIC="on">. </STRING></FIELD></FOOTNOTE>, met inbegrip van een wettelijke doelstelling voor de EU om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn, en met als tussentijdse doelstelling om de nettobroeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van 1990,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1735 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van een kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van nettonultechnologie en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/1735, 28.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1735/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over het cohesiebeleid en regionale milieustrategieën in het kader van de strijd tegen de klimaatverandering<FOOTNOTE><FIELD> PB C 494 van 8.12.2021, blz. 26.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de resolutie van 20 mei 2021 over demografische tendensen in de regio’s van de EU ombuigen met behulp van instrumenten van het cohesiebeleid<FOOTNOTE><FIELD> PB C 15 van 12.1.2022, blz. 125.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 7 juni 2022 over EU-eilanden en cohesiebeleid: huidige situatie en toekomstige uitdagingen<FOOTNOTE><FIELD> PB C 493 van 27.12.2022, blz. 48.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 september 2022 over economische, sociale en territoriale cohesie in de EU: het achtste cohesieverslag<FOOTNOTE><FIELD> PB C 125 van 5.4.2023, blz. 100.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 november 2023 over het scheppen van werkgelegenheid: rechtvaardige transitie en investeren met impact<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/4224, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4224/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 november 2023 over het benutten van talent in Europa’s regio’s<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/4225, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4225/oj<STRING ITALIC="on">. </STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 12 december 2023 over een nieuwe opzet van het toekomstige kader voor de structuurfondsen van de EU ter ondersteuning van regio’s die bijzonder zwaar getroffen worden door de groene en de digitale transitie en de transitie van de automobielsector<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/4166, 2.8.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4166/oj<STRING ITALIC="on">. </STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 14 maart 2024 over het cohesiebeleid 2014-2020 – Uitvoering en resultaten in de lidstaten<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/6562, 12.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6562/oj<STRING ITALIC="on">. </STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Overeenkomst van Parijs, die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) op 12 december 2015 in Parijs is aangenomen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Territoriale Agenda 2030 – Een toekomst voor alle plaatsen, die op 1 december 2020 is aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van de ministers die verantwoordelijk zijn voor ruimtelijke ordening, territoriale ontwikkeling en/of territoriale cohesie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 4 maart 2021 getiteld “Het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten” (COM(2021)0102),</P></VISA><VISA><P><NO.P>—</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 14 juli 2021 getiteld ““Fit for 55”: het EU-klimaatstreefdoel voor 2030 bereiken op weg naar klimaatneutraliteit” (COM(2021)0550),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van februari 2024 getiteld “Forging a sustainable future together – Cohesion for a competitive and inclusive Europe: report of the High-Level Group on the Future of Cohesion Policy” (Samen een duurzame toekomst smeden – Cohesie voor een concurrerend en inclusief Europa: verslag van de groep op hoog niveau over de toekomst van het cohesiebeleid),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 27 maart 2024 over het 9e cohesieverslag (COM(2024)0149),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2025 getiteld “De Clean Industrial Deal: Een gezamenlijke routekaart voor concurrentievermogen en decarbonisatie” (COM(2025)0085),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2025 getiteld “De vaardigheidsunie” (COM(2025)0090),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Europees Comité van de Regio’s van 8 oktober 2024 getiteld “Een rechtvaardige transitie voor alle regio’s in de EU”<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/7058, 4.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7058/oj<STRING ITALIC="on">. </STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Europees Comité van de Regio’s van 21 november 2024 getiteld “Een vernieuwd cohesiebeleid na 2027 waarbij mensen niet aan hun lot worden overgelaten”<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/285, 24.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/285/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van Enrico Letta van 17 april 2024 getiteld “Much more than a market – Speed, Security, Solidarity: Empowering the Single Market to deliver a sustainable future and prosperity for all EU Citizens”, (Meer dan een markt – Snelheid, veiligheid en solidariteit. Versterking van de eengemaakte markt om een duurzame toekomst en welvaart voor alle EU-burgers tot stand te brengen),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van Mario Draghi van 9 september 2024 getiteld “The future of European competitiveness” (De toekomst van het Europese concurrentievermogen),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A10‑0137/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de ambitieuze doelstelling om uiterlijk tegen 2050 over te stappen op een koolstofneutrale economie aanzienlijke economische, milieu- en sociale voordelen kan opleveren, waaronder de totstandbrenging van nieuwe industrieën, arbeidskansen en een betere kwaliteit van leven; overwegende dat deze transitie tegelijkertijd ook bestaande verschillen tussen regio’s kan vergroten, met onevenredig zware gevolgen voor kwetsbare bevolkingsgroepen vanwege sociaal-economische factoren die hen belemmeren om baat te hebben bij de transitie, en nieuwe kwetsbaarheden kan creëren, met name in regio’s die sterk afhankelijk zijn van koolstofintensieve industrieën, waaronder de steenkoolregio’s;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat er tussen de regio’s van de EU aanzienlijke verschillen bestaan op het vlak van sociaal-economische kenmerken, waarbij er sprake is van uiteenlopende niveaus van ontwikkeling, infrastructuur, demografische trends en arbeidsmarktomstandigheden, en dat het duidelijk is dat er geen uniforme oplossing bestaat waarmee adequaat kan worden ingespeeld op hun uiteenlopende behoeften; overwegende dat minder ontwikkelde regio’s doorgaans meer te lijden hebben onder de transitie dan meer ontwikkelde regio’s;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>	overwegende dat er nog steeds ongelijkheden bestaan wat betreft de snelheid van de digitale transitie en connectiviteit in Europa, met name in afgelegen en plattelandsgebieden; overwegende dat veel getroffen regio’s een gebrek hebben aan basisinfrastructuur en essentiële diensten, waardoor zij moeilijkheden ondervinden bij het aantrekken van productieve investeringen die tot een duurzaam economisch herstel leiden; overwegende dat meer investeringen nodig zijn om de overschakeling naar duurzame en slimme mobiliteit te versnellen en de infrastructuursystemen te moderniseren en te diversifiëren teneinde de toegankelijkheid te verbeteren, innovatie te bevorderen en de transitie naar een groene economie te ondersteunen; overwegende dat het cohesiebeleid een strategische rol moet vervullen bij het overbruggen van deze kloven, het bevorderen van territoriale samenhang en het waarborgen dat geen enkele regio achterblijft bij de transitie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>	overwegende dat veel van de armste en meest kwetsbare regio’s in het oostelijke deel van de EU liggen; overwegende dat de oorlog in Oekraïne een bijkomend negatief effect op deze regio’s heeft;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>	overwegende dat het feit dat eilanden fysiek gescheiden en geïsoleerd zijn ten opzichte van het vasteland een blijvend structureel nadeel vormt dat van invloed is op meerdere aspecten van het economische en sociale leven, waaronder toegang tot de arbeidsmarkt, onderwijs, gezondheidszorg, mobiliteit en openbare diensten; overwegende dat het beperkte grondgebied van eilanden de mogelijkheden voor professionele bij- en omscholing aanzienlijk beperkt en daarmee ook het vermogen van werknemers om zich aan te passen aan structurele veranderingen of sectorale verschuivingen, bijvoorbeeld als gevolg van de groene en de digitale transitie; overwegende dat werknemers door dit gebrek aan alternatieven vaak gedwongen worden hun geboortestreek te verlaten om elders werk te vinden, waardoor hun “recht om te blijven” wordt ondermijnd en de ontvolking en braindrain in eilandgebieden in de hand worden gewerkt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het Fonds voor een rechtvaardige transitie (JTF) van de EU een belangrijk instrument is om ervoor te zorgen dat mensen die in door de transitie naar klimaatneutraliteit getroffen gebieden wonen, niet achterblijven, en om bij te dragen aan de doelstelling om regio’s en mensen in staat te stellen de sociale, werkgelegenheids-, economische en milieueffecten van de transitie het hoofd te bieden, en dat dit fonds dat ook in de toekomst moet blijven; overwegende dat de absorptiepercentages in dit stadium van de programmeringsperiode nog te laag zijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de transitie naar een koolstofarme economie, de mondiale klimaatcrisis en de milieuvervuiling, met hun gevolgen voor voeding, onderwijs en gezondheid, ook een crisis inhouden op het vlak van de rechten van kinderen in de verschillende regio’s van de EU, en dat er doeltreffende en zinvolle maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat kinderen en toekomstige generaties kunnen opgroeien in waardigheid en uitgerust zijn voor de gekwalificeerde arbeidsmarkt van de toekomst;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat aanbevelingen aan de lidstaten voor een algemene, van voldoende middelen voorziene strategie ter bestrijding van armoede, met name bij gezinnen en kinderen in de EU, en beleid en maatregelen ter uitvoering daarvan, de verdieping van de interne markt en vooruitgang bij de verwezenlijking van economische, sociale en territoriale cohesie bevorderen en het doel van de Commissie voor een concurrerend en inclusief Europa van diverse regio’s ondersteunen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat Europa momenteel te kampen heeft met een tekort aan arbeidskrachten en vakmensen, hetgeen het concurrentievermogen van de Unie belemmert, zoals vastgesteld in de rapporten van Draghi en Letta; overwegende dat een strategische decentralisatie van industriële en technologische ontwikkeling en investeringen naar regio’s die gevolgen van de transitie ondervinden, kan helpen om dergelijke tekorten aan te pakken, maar dat hiervoor voldoende investeringen nodig zijn in de bijbehorende openbare diensten en infrastructuur, zoals huisvesting, onderwijs en vervoer;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat veel van de sectoren die het hardst door de decarbonisatie zijn getroffen, te maken hadden met ongunstige arbeidsomstandigheden en afhankelijk waren van seizoenarbeiders; overwegende dat de groene en de digitale transitie hand in hand moeten gaan met sociale rechtvaardigheid; overwegende dat een rechtvaardige transitie moet bijdragen tot het aanpakken van discriminatie op de werkplek, het waarborgen van fatsoenlijke en hoogwaardige arbeidsomstandigheden, het verhogen van de arbeidsnormen en het garanderen van doeltreffende vangnetten en beschermingsmechanismen voor werknemers wier banen worden getroffen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het toerisme een belangrijke sector van de economie van de EU is, die een directe en indirecte bijdrage van ruim 10 % levert aan het bbp van de EU en een vitale rol vervult bij het versterken van het concurrentievermogen, het sociaal welzijn en duurzame werkgelegenheid, met name in regio’s die sterk afhankelijk zijn van het toerisme; overwegende dat het toerisme een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan de territoriale cohesie, met name in afgelegen, plattelands-, kust-, ultraperifere en insulaire regio’s, en de economische diversificatie en rechtvaardige transitie kan ondersteunen in gebieden die kampen met structurele uitdagingen, bevolkingsafname of afhankelijkheid van koolstofintensieve industrieën; overwegende dat in de toeristische sector van de EU, die voor het merendeel bestaat uit 2,3 miljoen kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), ongeveer 12,3 miljoen mensen werkzaam zijn, en dat deze sector een belangrijke economische activiteit vormt met sterke multiplicatoreffecten in uiteenlopende sectoren; overwegende dat het cohesiebeleid strategieën voor duurzaam toerisme als onderdeel van de rechtvaardige transitie moet ondersteunen, om de veerkracht, innovatie, en de groene en de digitale transformatie in de toeristische sector te bevorderen, en tegelijkertijd inclusieve groei en het behoud van cultureel en natuurlijk erfgoed te stimuleren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de EU, in tegenstelling tot haar belangrijkste concurrenten, een wereldleider is op het gebied van emissiereductie en tegelijkertijd tal van uitdagingen het hoofd biedt die voortvloeien uit de complexe mondiale geopolitieke en economische context;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de energietransitie hand in hand moet gaan met economisch concurrentievermogen, en overwegende dat het van cruciaal belang is om de energiezekerheid van regio’s in transitie zeker te stellen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat kernenergie is opgenomen als onderdeel van de groene taxonomie en derhalve een bijdrage levert aan de transitie naar een koolstofvrije economie; overwegende dat meer investeringen in die energievorm zouden bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU inzake strategische autonomie en koolstofemissiereductie; overwegende dat die energiebron een doeltreffende vervanging zou zijn wat betreft energierendement, het scheppen van werkgelegenheid en economische groei in de overgangsregio’s;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat het Europese continent sneller opwarmt dan de rest van de wereld en dat de risico’s van klimaatverandering steeds complexer worden en moeilijker aan te pakken zijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>	overwegende dat de kwetsbare situatie van eilanden en insulaire en ultraperifere regio’s bijzondere aandacht en ondersteuning behoeft, gezien de ernstige sociaal-economische uitdagingen waarvoor zij zich gesteld zien in het kader van de transitie naar de energiedoelstellingen van de EU voor 2030 en de doelstelling van een klimaatneutrale economie tegen 2050; overwegende dat de naast elkaar bestaande handicaps van eilanden, die voortkomen uit hun insulaire karakter, in combinatie met de ernstige gevolgen van de klimaatnoodtoestand, hun burgers nog meer benadelen waardoor bestaande sociale en economische ongelijkheden verergeren; overwegende dat de ontwikkelingskloof groeit en de vooruitgang op het vlak van de duurzame ontwikkeling van insulaire regio’s in de EU wordt belemmerd doordat extreme weergebeurtenissen en natuurrampen, zoals droogte, overstromingen en natuurbranden, zich steeds vaker voordoen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat regio’s die voorheen afhankelijk waren van energieproductie, waaronder turfwinning, mijnbouw en raffinage, alsmede andere sterk geïndustrialiseerde regio’s, zonder voldoende aandacht en financiële steun het risico lopen economisch in verval te raken, waardoor hun concurrentievermogen afneemt; overwegende dat deze gebieden vaak kampen met demografische uitdagingen, zoals aanhoudende ontvolking, met name op het platteland, op eilanden en in ultraperifere regio’s, alsmede vergrijzing en braindrain, met daarnaast ook nog beperkte toegang tot investeringen, gebrekkige infrastructuur, ontoereikende connectiviteit en een groeiende kloof op het vlak van productiviteit en werkgelegenheidskansen in vergelijking met dynamischere regio’s; overwegende dat zij omvangrijke steun en specifieke omschakelingsstrategieën nodig hebben om deze uitdagingen in kansen om te kunnen zetten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat de doeltreffendheid van strategieën voor een rechtvaardige transitie afhankelijk is van het coherent en strategisch gebruik van financiële instrumenten van de EU; overwegende dat het daarom van essentieel belang is om bij de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie een territoriale en plaatsgebonden aanpak te handhaven, en ervoor te zorgen dat regionale en lokale overheden worden betrokken bij het opstellen van bottom-upstrategieën voor de onder het programma vallende gebieden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>	overwegende dat de technische bijstand aan overheidsinstanties in het kader van het JTF, InvestEU en de leenfaciliteit voor de overheidssector – de drie pijlers van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie – moet worden versterkt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat de aanvraagprocedure voor het JTF eenvoudiger, gestroomlijnd en flexibeler moet worden zodat gezorgd wordt voor een bredere toegankelijkheid en de middelen sneller en doeltreffender kunnen worden ingezet; overwegende dat vereenvoudiging van de procedures van vitaal belang is om de impact van het JTF te maximaliseren, met name voor kleinere regio’s en lokale overheden met beperkte administratieve capaciteit, en om ervoor te zorgen dat de steun tijdig terechtkomt bij de gemeenschappen en werknemers die het zwaarst door de groene transitie worden getroffen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Focussen op gebieden waar banen verloren gaan</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verzoekt de Commissie, op voorstel van de lidstaten en in samenwerking met de regio’s en lokale overheden, de instelling van speciale economische JTF-zones te faciliteren voor gebieden die getroffen zijn door bedrijfssluitingen, totdat het merendeel van de verloren gegane banen in de lokale omgeving is vervangen, waarbij in eerste instantie prioritaire toegang tot financiering wordt verleend aan direct getroffen locaties in de algemene omgeving van het gebied waar banen verloren zijn gegaan alsook aan andere gebieden, mits naar behoren is aangetoond dat de directe of indirecte gevolgen van dit banenverlies toegang tot het JTF rechtvaardigen; benadrukt dat ook rekening moet worden gehouden met sociale criteria zoals lokale werkloosheidscijfers, sociaal-economische onzekerheid en een verhoogd risico op sociale uitsluiting, en dat ervoor moet worden gezorgd dat het economisch herstel door de gemeenschap wordt aangestuurd en duurzaam is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>pleit voor snellere besluitvorming op het gebied van ruimtelijke ordening en voor speciale maatregelen, financieringsinstrumenten en stimulansen in deze gebieden, waaronder tijdelijke en gerichte fiscale stimuleringsmaatregelen voor bedrijven en investeringen, voor zover deze de stabiliteit van de eengemaakte markt niet ondermijnen; wijst er nogmaals op dat dergelijke maatregelen werkgelegenheid kunnen scheppen, kansen kunnen bieden aan mensen die in deze regio’s wonen en economische actoren kunnen ondersteunen, en dat daarbij voorrang moet worden gegeven aan kmo’s, micro-ondernemingen en traditionele lokale en familiebedrijven, teneinde de regionale ontwikkeling en het concurrentievermogen te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>benadrukt dat speciale economische zones investeringen en groei in regio’s kunnen stimuleren, zoals de speciale economische zones op de luchthaven van Shannon in County Clare (Ierland) in 1959 en in Katowice (Silezië, Polen) in 1996; benadrukt evenwel dat deze mechanismen onderworpen moeten zijn aan strikte regels om ervoor te zorgen dat de economische voordelen daadwerkelijk ten goede komen aan de lokale bevolking, dat er geen sprake is van enige vorm van sociale of fiscale dumping, witwassen van geld of belastingontduiking, en dat zij voldoen aan strenge criteria op het gebied van sociale, economische en ecologische duurzaamheid, waarbij voorrang wordt gegeven aan lokale bedrijven, met name kmo’s en micro-ondernemingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>dringt erop aan insulaire regio’s op te nemen als gebieden die in aanmerking komen voor de toepassing van verlaagde belastingtarieven in het kader van insulaire economische JTF-zones, teneinde de onevenredig hoge kosten van levensonderhoud in deze gebieden aan te pakken, die verder worden verergerd door de gevolgen van de groene en de energietransitie; wijst erop dat dergelijke belastingmaatregelen essentieel zijn om de economische levensvatbaarheid van eilandgemeenschappen te vergroten, lokale bedrijven te ondersteunen en duurzame investeringen aan te trekken; benadrukt dat gerichte fiscale stimuleringsmaatregelen kunnen dienen als een doeltreffend instrument om de aanhoudende trend van ontvolking van eilanden tegen te gaan, banencreatie en veerkrachtige, zelfvoorzienende economieën te bevorderen en tegelijkertijd te zorgen voor een eerlijke en inclusieve transitie naar klimaatneutraliteit;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Onderwijs, opleiding van werknemers en leer-werktrajecten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>wijst erop dat EU-fondsen (de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) en met name het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+), alsook de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RFF)) en het JTF worden gebruikt om investeringen in voor- en vroegschoolse educatie in een groot aantal regio’s te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>herhaalt dat veel van de regio’s die onder het JTF vallen een lange en trotse geschiedenis hebben op het vlak van programma’s voor opleiding en leer-werktrajecten, die van vitaal belang zijn voor de omscholing van werknemers en om een antwoord te bieden op de nieuwe eisen van de arbeidsmarkt; beklemtoont dat de voortzetting daarvan prioriteit moet krijgen; dringt aan op financieringsstromen binnen het JTF om met name vrouwen, jongeren en gemarginaliseerde gemeenschappen te helpen toegang te krijgen tot opleidingsmogelijkheden en leer-werktrajecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>benadrukt in dit verband dat prioriteit moet worden gegeven aan investeringen in alle onderwijs- en opleidingsniveaus in de getroffen gebieden, onder meer door groene en digitale vaardigheden, geletterdheid en elementaire rekenvaardigheid alsook STEM-vaardigheden (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) op te nemen in opleidingsprogramma’s, in overeenstemming met recente mededelingen van de Commissie over de vaardigheidsunie, het actieplan voor basisvaardigheden en het strategisch kader voor STEM-onderwijs; benadrukt het belang van financiering voor het versterken van elementaire digitale en technische vaardigheden teneinde de inzetbaarheid en het concurrentievermogen te vergroten; benadrukt de noodzaak van voldoende EU-financiering voor het onderwijs aan kinderen en studenten uit de getroffen gebieden, met inbegrip van financiële steun voor het middelbaar en hoger onderwijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>benadrukt dat het tekort aan gespecialiseerde leraren de vaardighedenkloof in strategische sectoren verergert en het economische concurrentievermogen van minder ontwikkelde regio’s ondermijnt; vraagt dat er gerichte programma’s worden ontwikkeld om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken, met name in STEM-vakken, door middel van economische en niet-economische stimulansen, vooral in regio’s die door de transitie worden getroffen; benadrukt dat het belangrijk is om specifieke middelen uit te trekken voor innovatieve opleidingen voor leerkrachten en opleiders, evenals voor de ontwikkeling van digitale pedagogische vaardigheden, die essentieel zijn om werknemers voor te bereiden op industriële transities; dringt aan op maatregelen ter verbetering van het salaris en de arbeidsomstandigheden van leraren teneinde gekwalificeerde docenten aan te trekken en te behouden, met name in gebieden waar een transitie aan de gang is, en erkent hun cruciale rol bij de voorbereiding van de arbeidskrachten voor toekomstige industriële behoeften; verzoekt de Commissie om een beoordeling te maken van het effect van investeringen in de opleiding van opleiders en leraren om te zorgen voor een beter gebruik van de financiering en om de door studenten en werknemers in minder ontwikkelde regio’s verworven vaardigheden te optimaliseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>erkent weliswaar dat er al in leer-werktrajecten is geïnvesteerd, maar dringt erop aan dat een aanzienlijk deel van de onderwijsgelden in de getroffen regio’s wordt gebruikt voor leer-werktrajecten en beroepsopleidingen die aansluiten bij de behoeften van de lokale gemeenschap waarin banen verloren zijn gegaan, door middel van hoogwaardige programma’s voor leer-werktrajecten, waarbij ervoor wordt gezorgd dat deze programma’s een gepaste vergoeding, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en een hoogwaardige opleiding bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>wijst erop dat het cohesiebeleid het juiste antwoord is op economische ongelijkheden en dat het nu, gezien de dreigende de-industrialisering, een bijzonder belangrijke rol vervult; roept op tot meer coördinatie tussen het JTF, het ESF+ en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling om de impact daarvan op de herschikking en omscholing van werknemers die door industriële herstructureringen worden getroffen zo groot mogelijk te maken; verzoekt voorts om een meer regionale focus bij het beheer van ESF+-middelen, met als richtsnoer een meerlagige aanpak waarbij nationale, regionale en lokale overheden worden betrokken, en om meer en betere synergieën tussen het ESF+ en het JTF, met name op het gebied van onderwijs en opleiding; erkent ook de cruciale rol van de Europese Investeringsbank bij het ondersteunen van de rechtvaardige transitie en de noodzaak om de samenwerking tussen publieke en particuliere investeringen verder te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>wijst erop dat het van groot belang is het cohesiebeleid, waaronder het JTF, in overeenstemming te brengen met regionale innovatiestrategieën en prioriteiten op het gebied van slimme specialisatie teneinde het regionale concurrentievermogen te versterken en de economische diversificatie en de veerkracht van gebieden die een transitie doormaken te ondersteunen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om bijzondere aandacht te besteden aan gebieden met een bevolkingsafname en om bij de selectiecriteria voor projecten die in aanmerking komen voor financiering uit het JTF voorrang te geven aan gebieden die door de transitie worden getroffen boven gebieden die daar niet door worden getroffen, door een hogere score toe te kennen aan ondernemingsinitiatieven die volledig worden ontplooid in gemeenten die getroffen zijn door de sluiting van koolstofintensieve sectoren, en er zo voor te zorgen dat deze stimuleringsmaatregel wordt vertaald in concrete resultaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten met aandrang om erop toe te zien dat de middelen die in het kader van de RRF beschikbaar zijn, bijdragen aan de ondersteuning van de transitie in de getroffen gebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>erkent de sleutelrol van de automobielsector in de EU, onder meer bij het scheppen van werkgelegenheid in diverse regio’s; acht het van het allerhoogste belang dat de automobielsector wordt meegenomen in het toepassingsgebied van de rechtvaardige transitie, gezien de uitdagingen die de mondiale concurrentie stelt bij de overgang naar elektromobiliteit en de gevolgen van ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen; wijst op de noodzaak van gericht beleid waarbij prioriteit wordt gegeven aan de omscholing van werknemers en initiatieven die tot doel hebben het economisch model te diversifiëren van regio’s waar de automobielsector sterk vertegenwoordigd is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>is van mening dat beroepsopleiding een noodzakelijk antwoord is op de economische transformatie van regio’s; beklemtoont dat er via het JTF ambitieuze en gerichte programma’s voor beroepsopleiding en omscholing moeten worden opgezet voor werkzoekenden en werknemers die rechtstreeks worden getroffen door de economische transities, teneinde te voorkomen dat er op lange termijn structurele werkloosheid ontstaat; benadrukt dat er voor deze programma’s financiering moet worden toegewezen in de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>verzoekt de Commissie samen te werken met de lidstaten, lokale en regionale overheden, vakbonden en lokale bedrijven om ervoor te zorgen dat bijzondere aandacht wordt besteed aan het feit dat werknemers die hun baan hebben verloren, de mogelijkheid krijgen om deel te nemen aan door het ESF+ ondersteunde werkgelegenheids- en opleidingsprogramma’s of andere door de EU gefinancierde programma’s in hun gemeenschap;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>benadrukt dat in samenwerking met lokale bedrijven, onderwijsinstellingen, centra voor opleiding en een leven lang leren, sociale partners alsook met lokale en regionale overheden en overheidsdiensten programma’s voor opleidingen een leer-werktrajecten moeten worden ontwikkeld voor gebieden die door de transitie worden getroffen, teneinde studenten en werklozen kansen en zinvolle ervaringen binnen hun gemeenschap te bieden en hun “recht om te blijven” te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>beklemtoont dat doeltreffende om- en bijscholingsprogramma’s een adequate planning en voorbereiding vereisen die geruime tijd vóór een uitfasering of ingrijpende industriële verandering moeten plaatsvinden; stelt vast dat de opleiding en herscholing van werknemers en werkzoekenden, bijscholing, omscholing en een leven lang leren zodanig moeten worden vormgegeven dat niemand, ongeacht zijn of haar sector, soort overeenkomst, gender of geografische locatie, achterblijft op de weg naar de groene en de digitale transitie van de EU; dringt aan op maatregelen om de proactieve anticipatie en het plannen van vaardigheidsbehoeften te vereenvoudigen en deze rechten voor alle getroffen werknemers te waarborgen; nodigt de lidstaten en regionale overheden uit om “lokale vaardigheidsraden” of soortgelijke multi-stakeholderorganen op te richten, die belast zijn met het onderzoek naar lokale vaardigheidskloven, het anticiperen op vaardigheidsbehoeften die verband houden met de groene en de digitale transitie, en het uitbrengen van advies over gerichte investeringen in het kader van het JTF en het ESF+;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>stelt voor om een regionaal mechanisme in het leven te roepen voor het monitoren en beoordelen van de effecten van regelingen voor leer-werktrajecten, waarbij alle belanghebbenden, inclusief lokale overheden, werkgevers, onderwijsinstellingen en jongeren, worden betrokken; is van mening dat op die manier opleidingsstrategieën snel kunnen worden aangepast aan de eisen van de arbeidsmarkt en aan de directe feedback van deelnemers, wat de duurzaamheid en efficiëntie van leer-werktrajecten op lange termijn waarborgt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>wijst erop dat regio’s die gevolgen ondervinden van de ecologische transitie te kampen hebben met een tekort aan vaardigheden en arbeidskrachten, terwijl er in veel delen van Europa sprake is van een huisvestingscrisis en overbevolking in stedelijke gebieden; stelt voor om in deze regio’s een programma voor betaalbare woningen op te zetten en merkt op dat dit programma jongeren moet aantrekken en zo moet bijdragen aan de economische en sociale revitalisering van deze gebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>moedigt de lidstaten aan om huisvestingsgaranties, regelingen voor gemeenschappelijk wonen en een huurtoeslag voor leerlingen en studenten te integreren in door het JTF en het ESF+ ondersteunde projecten, met name in regio’s waar de jeugdwerkloosheidscijfers hoog zijn of de bevolking afneemt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>dringt erop aan dat een deel van de cohesiefondsen specifiek wordt toegewezen aan de renovatie van de woningen van de huishoudens met de laagste inkomens en de minst energie-efficiënte gebouwen, aangezien deze anders zouden achterblijven bij de groene transitie;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Plan voor hoogwaardige banen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>merkt op dat bij de rechtvaardige transitie onvoldoende rekening is gehouden met de specifieke kenmerken van de verschillende werknemersprofielen en de getroffen gemeenschappen; betreurt dat er geen alternatieven voor seizoenarbeid zijn ontwikkeld, niet alleen als een aanvullende bron van inkomsten voor werknemers maar ook als een kans op inkomsten voor studenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>vestigt de aandacht op werkloosheid en met name jeugdwerkloosheid in veel regio’s, plattelandsgebieden en lidstaten; benadrukt derhalve de nood aan betaalbare huisvesting, vervoer en onderwijs, en de behoefte aan inclusie van jonge generaties, in het bijzonder diegene die afkomstig zijn uit huishoudens met een laag inkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>benadrukt dat de financiering van instanties voor hoger onderwijs en opleiding moet worden aangevuld zodat werknemers die hun professionele profiel willen veranderen of hun baan hebben verloren, met name vrouwen en 50-plussers, kunnen worden herschoold of omgeschoold; stelt voor dat het JTF ook herscholing, omscholing en opleidingsmogelijkheden aanbiedt aan de directe familieleden van getroffen werknemers in de nabijheid van hun woonplaats;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>waarschuwt ervoor dat sommige van de industrieën die de deuren hebben gesloten of aan het sluiten zijn arbeidsomstandigheden bieden die boven het economisch gemiddelde liggen, zoals hogere lonen, risicotoeslagen en ziektekostenverzekering voor werknemers en hun gezinnen; benadrukt derhalve dat tijdelijke financiering in het kader van het JTF nodig is om het verschil tussen de werkloosheidsuitkering en het nieuwe salaris te compenseren en zo een soepelere transitie mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat alle eerder aangegane contractuele verplichtingen worden nagekomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>is ingenomen met de toezegging van de Commissie om uiterlijk eind 2025 een routekaart voor hoogwaardige banen voor te stellen die samen met de sociale partners wordt ontwikkeld om een rechtvaardige transitie voor iedereen te waarborgen; herinnert eraan dat de routekaart eerlijke lonen, hoge normen op het gebied van gezondheid en veiligheid, goede arbeidsomstandigheden, opleiding en eerlijke voorwaarden voor werknemers, waaronder zelfstandigen, bij de overstap naar een nieuwe baan moet ondersteunen, met name door het bereik van collectieve onderhandelingen te vergroten; benadrukt dat de routekaart het beheer van transities tot een belangrijke prioriteit moet maken en begeleidende voorstellen moet bevatten die werknemers concreet ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>beklemtoont dat “sociale contracten” moeten worden gesloten voor de economische sectoren die een rechtvaardige transitie doormaken, en dat deze contracten onverwijld ter goedkeuring aan de Commissie moeten worden voorgelegd; benadrukt dat deze sociale contracten gebaseerd moeten zijn op een gedegen diagnose en economische prognoses, collectieve onderhandelingen en eerbiediging van de rechten van werknemers moeten ondersteunen en rekening moeten houden met de specifieke kenmerken van de betrokken regio’s; steunt de invoering van sociale beschermingsmechanismen voor werknemers die rechtstreeks worden getroffen door industriële en energietransities, waaronder een transitie-inkomen en gerichte verlenging van werkloosheidsuitkeringen; dringt aan op een richtlijn voor de rechtvaardige transitie in de arbeidswereld waarbij een wetgevingskader wordt vastgesteld om het scheppen van hoogwaardige banen in de door de transitie getroffen regio’s te waarborgen; moedigt de oprichting aan van werknemersgroepen in sectoren die door de transitie worden getroffen, zodat voormalige werknemers rechtstreeks kunnen profiteren van de regionale economische vernieuwing;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>verzoekt de Commissie de invoering te faciliteren van een sociaal opleidingsprogramma voor oudere werklozen, met name voor vrouwen en langdurig werklozen die zich niet kunnen herscholen en geen nieuwe baan kunnen vinden, om ervoor te zorgen dat zij tot aan hun pensioen worden ondersteund zodat zij de garantie van een fatsoenlijke levensstandaard hebben; wijst erop dat de rol van vrouwen moet worden versterkt en dat integratie van personen met een handicap moet worden bevorderd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>benadrukt dat de lidstaten prioriteit moeten geven aan de toegang tot gronden die staatseigendom zijn, en waar mogelijk gebouwen en andere activa, zoals oude industriële installaties en mijnbouwlocaties, moeten herstellen, renoveren en herbestemmen voor nieuwe projecten die worden gefinancierd in het kader van het JTF, waaronder hernieuwbare energie, energie-efficiënte renovatie of groene herindustrialisering; beklemtoont dat de lidstaten en de Commissie op dit proces moeten toezien en het moeten monitoren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Uitvoering en governance </STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>benadrukt dat de transitie van de voor JTF-steun in aanmerking komende regio’s nog niet is afgerond en dat deze regio’s ook in de toekomst specifieke steun nodig zullen hebben om de verschillende uitdagingen in verband met de energietransitie het hoofd te bieden; acht het noodzakelijk maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze middelen optimaal worden benut, onder meer door de administratieve procedures te vereenvoudigen en ondersteunings- en adviesmechanismen voor lokale overheden op te zetten om deze te helpen toegang te krijgen tot de nodige investeringen en deze met succes te gebruiken, en de voorfinanciering voor lokale overheden te verhogen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>betreurt het dat sommige regio’s in de EU te maken hebben met een voortdurende uitstroom van jonge en geschoolde werknemers als gevolg van demografische verschuivingen en migratie, en dat vooral plattelandsgebieden en landinwaarts gelegen gebieden, eilanden en afgelegen gebieden hierdoor worden getroffen; herinnert er in dit verband aan dat goede verbindingen tussen stad en platteland, en gerichte steun voor vrouwen in plattelandsgebieden belangrijk zijn; brengt in herinnering dat dergelijke niveaus van migratie en ontvolking een ernstige bedreiging vormen voor het concurrentievermogen, de economische groei, de voedselzekerheid, de productiviteit en de duurzaamheid van de getroffen regio’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>stelt bezorgd vast dat de niveaus van nationale financiering van armere regio’s door de lidstaten de laatste jaren aanzienlijk zijn gedaald; herinnert eraan dat de EU-regels inzake additionaliteit moeten worden nageleefd; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de nationale overheden naar behoren rekening houden met interne cohesie bij het opstellen en uitvoeren van door de structuur- en investeringsfondsen gefinancierde projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>erkent dat het aan de lidstaten is om het JTF-proces uit te voeren, maar dringt aan op een sterkere rol voor lokale en regionale overheden en degenen die betrokken zijn bij het besluitvormingsproces, om ervoor te zorgen dat de financieringsstrategieën zijn afgestemd op de specifieke behoeften van de door de transitie getroffen gemeenschappen en in overeenstemming zijn met investeringen uit andere strategische fondsen die verband houden met de rechtvaardige transitie; benadrukt dat het van vitaal belang is de toegang tot aanvragen te vereenvoudigen en het toepassingsgebied van het Fonds uit te breiden, zodat andere evenzeer getroffen regio’s en sectoren van het JTF kunnen profiteren; beklemtoont dat het nodig is dat de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, duidelijke richtsnoeren voor de uitvoering opstelt om de toewijzing van middelen en de efficiënte uitvoering van JTF-initiatieven te versnellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>is van mening dat de Commissie voor elke lidstaat duidelijke na te streven parameters had moeten vaststellen met betrekking tot onder meer investeringen in onderwijs en opleiding, bijscholing en omscholing van werknemers voor alternatieve tewerkstelling, en de mogelijkheid voor derde investeerders om de cultuur en tradities van voormalige steenkool- en turfgebieden in stand te houden en te helpen bij het saneren van de vervuilde gebieden rondom de winningslocaties; moedigt de uitwisseling van knowhow en beste praktijken aan tussen regio’s die een transitie doormaken; dringt voorts aan op synergieën met initiatieven, zoals het Nieuw Europees Bauhaus-initiatief, voor projecten waarbij oude industriële installaties worden herbestemd tot sociale en culturele ontmoetingsplaatsen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>erkent het tekort aan financiering voor grootschalige bottom-upprojecten; beveelt aan dat een voortzetting van het JTF deze lacunes opvult wanneer een behoefte wordt vastgesteld; wijst erop dat het belangrijk is vanaf de vroegste stadia gespecialiseerde technische ondersteuning uit het JTF te bieden aan regio’s, lokale overheden en gemeenschapsgroepen teneinde hun capaciteit voor bottom-upplanning te versterken en potentiële begunstigden bij te staan bij het voorbereiden van hoogwaardige projecten die effect sorteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>erkent dat er een gebrek is aan matchingfinanciering voor groepen in de vrijwilligerssector die een aanvraag voor het JTF indienen en pleit voor een vereenvoudigd financieringsmechanisme; benadrukt hoe belangrijk het is voldoende voorfinanciering te verstrekken voor meer dan de helft van de kapitaalkosten of een aanzienlijk deel van het project voor groepen die als laagrisicogroepen worden beschouwd, zodat deze groepen geen hoge rentetarieven en kosten voor matching- en overbruggingsfinanciering hoeven te betalen, en aldus lokale vrijwilligers- en gemeenschapsorganisaties in staat worden gesteld om transitiegerelateerde projecten doeltreffend uit te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>vraagt dat er voor meer synergie wordt gezorgd tussen de publieke en particuliere sector om de transitie gezamenlijk aan te pakken en zo de productieomschakeling van de getroffen gebieden te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>wijst op de negatieve gevolgen van de staatssteunregels voor vrijwilligers- en non-profitgroepen; benadrukt in dit verband de cruciale rol van entiteiten van de sociale economie bij het bieden van concrete, gemeenschapsgerichte antwoorden op de sociale behoeften van EU-burgers en bij het ondersteunen van inclusieve, op mensen gerichte oplossingen voor een rechtvaardige transitie; is van mening dat de staatssteunregels onder gerechtvaardigde voorwaarden kunnen worden versoepeld voor vrijwilligers- en non-profitgroepen die als laagrisicogroepen worden beschouwd; verzoekt de Commissie in dit verband samen te werken met de lidstaten om te komen tot meer consistentie en duidelijkheid bij de uitlegging van de staatssteunregels voor zover deze van toepassing zijn op gemeenschaps- en non-profitgroepen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>benadrukt dat er een model met meer voordelen voor de gemeenschap moet worden ontwikkeld, dat is afgestemd op elke regio die een rechtvaardige transitie doormaakt; verzoekt de lidstaten en de beheersautoriteiten daartoe een deel van de middelen van het JTF toe te wijzen aan de ondersteuning van de totstandbrenging van groene gemeenschapsregelingen, sociale innovatie en de sociale economie, met name door financiering van energiecoöperaties van burgers, participatieve lokale projecten voor de productie van hernieuwbare energie en initiatieven die een lokale circulaire economie bevorderen; merkt op dat voormalige werknemers en hun gezinnen de mogelijkheid moeten krijgen om in deze projecten te investeren of eraan deel te nemen, zodat de band tussen de groene transitie en sociale inclusie wordt versterkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>herhaalt dat aan huisvesting gerelateerde coöperatieve of door de gemeenschap geleide projecten vereenvoudigde toegang tot JTF-financiering moeten krijgen, onder meer door lagere medefinancieringsdrempels en voorschotten; dringt aan op richtsnoeren voor de lidstaten om actoren op het gebied van huisvesting in staat te stellen toegang te krijgen tot fondsen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>dringt aan op vermindering van de administratieve lasten van het JTF voor gemeenschappen door middel van de aanstelling van gespecialiseerde, praktijkgerichte managers en de ontwikkeling van een éénloketsysteem en adequate digitale platforms voor ondersteuning en bijstand bij de behandeling van aanvragen en het beheer van de geselecteerde projecten, waarbij ervoor wordt gezorgd dat deze gemeenschappen ook gelijke toegang hebben tot financiering, wat zal bijdragen tot het wegwerken van regionale ongelijkheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>pleit ervoor dat het JTF het culturele en industriële erfgoed van de getroffen gemeenschappen ondersteunt, onder de aandacht brengt en behoudt door duurzame toeristische ontwikkeling te bevorderen; is voorstander van de invoering van specifieke opleidingsprogramma’s voor gidsen op het gebied van erfgoed, teneinde de lokale werkgelegenheid en de culturele continuïteit te bevorderen en de oprichting te ondersteunen van bezoekerscentra en interpretatieve ruimten die de plaatselijke geschiedenis, tradities en het transformatietraject van deze regio’s voor het voetlicht brengen, en op die manier lokale werkgelegenheid te scheppen en de lokale identiteit te behouden en tegelijkertijd cultureel en educatief toerisme aan te trekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>benadrukt het strategische belang van het “recht om te blijven” van mensen in hun regio of lokale omgeving; verzoekt de Commissie specifieke richtsnoeren op te stellen over de wijze waarop dit beginsel in de hele EU en haar regio’s moet worden toegepast en gehandhaafd; pleit ervoor dat dit beginsel sterker wordt geïntegreerd in alle beleidsmaatregelen van de EU als een horizontaal beginsel, zodat deze maatregelen de doelstellingen ondersteunen van sociale, economische en territoriale cohesie, zoals bepaald in de Verdragen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Sociale rechtvaardigheid vóór transitie voor de hele economie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>benadrukt dat het cohesiebeleid een belangrijke rol vervult bij het verwezenlijken van prioriteiten voor het EU-beleid en het stimuleren van de economie van de EU door een bijdrage te leveren aan een rechtvaardige, inclusieve en duurzame transitie en ontwikkeling, economische en sociale convergentie tussen landen en regio’s te bevorderen, en innovatie en werkgelegenheid te stimuleren; betreurt het dat de Commissie wegens de beperkte flexibiliteit van het huidige MFK haar toevlucht heeft genomen tot een heroriëntering van het cohesiebeleid, dat geen instrument voor crisisrespons is maar dat herhaaldelijk is gebruikt om tekortkomingen in de budgettaire flexibiliteit of crisisresponsmechanismen van het MFK te verhelpen ten koste van de beleidsdoelstellingen op lange termijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten vaart te maken met de uitvoering van het cohesiebeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>is van mening dat verschuivingen in het geopolitieke landschap, samen met andere factoren, zorgen voor enorme veranderingen in het functioneren van de economie van de EU; beklemtoont dat het JTF een doorslaggevende rol moet blijven spelen bij de decarbonisatie; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de tijdschema’s voor de sluiting van belangrijke energiebedrijven in de EU te onderzoeken en de gevolgen van deze sluitingen te verzachten, zodat “sociale rechtvaardigheid bij de transitie” voor werknemers wordt gewaarborgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>roept ertoe op in het bijzonder aandacht te besteden aan de bevordering van elektriciteitsaansluitingen, de uitbreiding van de netcapaciteit en de versterking van energieopslagsystemen, als noodzakelijke onderdelen van een effectieve energietransitie; verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen om de bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/944<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/944/oj).</FIELD></FOOTNOTE> betreffende energiegemeenschappen van burgers volledig ten uitvoer te leggen, en specifieke maatregelen te nemen om kwetsbare huishoudens te beschermen tegen energiearmoede in JTF-regio’s; is in dit verband van mening dat steun moet worden verleend aan door lokale gemeenschappen geleide projecten op het gebied van groene infrastructuur en hernieuwbare energie, zoals zonne-energie-, wind- en waterkrachtinstallaties, alsook aan duurzaam vervoer, die de lokale economie stimuleren en een groot potentieel bieden voor het scheppen van lokale banen in de bouw, de techniek, het onderhoud en aanverwante sectoren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>benadrukt het belang van de lidstaten voor het bevorderen van de sectorale sociale dialoog en collectieve onderhandelingen, met name in nieuw opkomende groene industrieën, en voor het waarborgen van de inclusie van kleine en middelgrote ondernemingen, met inbegrip van ondernemingen in de sociale economie; benadrukt dat de richtlijn inzake minimumlonen<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie, PB L 275 van 25.10.2022, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2041/oj).</FIELD></FOOTNOTE> een uitgelezen kans biedt om collectieve onderhandelingen over loonvorming en de aanwezigheid van de sociale partners in opkomende sectoren te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>beklemtoont de cruciale rol van investeringen in hoogwaardige openbare diensten bij het opbouwen van sociale veerkracht en het opvangen van economische crises, met name in regio’s die kampen met ernstige permanente natuurlijke en demografische uitdagingen; vestigt de aandacht op de noodzaak om specifiek prioriteit te geven aan investeringen in basisinfrastructuur, sociale diensten en duurzaam toerisme, alsook in logistieke netwerken en connectiviteit, met inbegrip van duurzame vervoerswijzen, teneinde veerkracht en innovatie te bevorderen en tegelijkertijd inclusieve groei te stimuleren, nieuwe banen te scheppen en nieuwe bedrijfsprojecten in de getroffen gebieden levensvatbaar te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>verzoekt de Commissie zich in het bijzonder te richten op eilanden en ultraperifere gebieden om hen te ondersteunen bij het aanpakken van hun ernstige sociaal-economische uitdagingen die voortvloeien uit de transitie naar de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU voor 2030 en een klimaatneutrale economie in de EU tegen 2050, en in samenwerking met de lidstaten specifieke bedragen te reserveren uit hun nationale toewijzingen in het kader van hun territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie; roept op tot concrete maatregelen ter compensatie van de negatieve gevolgen voor de economische, sociale en territoriale samenhang van eilanden in het proces van de transitie naar een schonere economie en samenleving, die zich kunnen voordoen als gevolg van hun afhankelijkheid van de luchtvaart- en maritieme sector; dringt daarom erop aan dat eilanden een prioriteit worden bij de ontwikkeling van infrastructuur die gericht is op het koolstofvrij maken van het lucht- en zeevervoer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>betreurt dat de recente voorstellen van de Commissie een voor het toekomstige meerjarig financieel kader (MFK) geen voorstel voor een specifiek fonds voor de rechtvaardige transitie (JTF) bevatten; dringt derhalve aan op continuering van het JTF middels een JTF “II” voor de programmeringsperiode na 2027, teneinde huishoudens en gemeenschappen rechtstreeks te ondersteunen bij de transitie en een interventiecapaciteit mogelijk te maken die in verhouding staat tot de omvang van de sociaal-economische, werkgelegenheids-, demografische en ecologische gevolgen van de transitie naar de energiedoelstellingen van de EU voor 2030; benadrukt dat dit fonds moet functioneren volgens de beginselen van gedeeld beheer en partnerschap, binnen het kader van het cohesiebeleid, en benadrukt dat het moet beschikken over een eigen voorspelbare begrotingstoewijzing, zodat het autonoom is ten opzichte van buitengewone crisisresponsinstrumenten, zoals NextGenerationEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>verzoekt de Commissie met klem de financiële instrumenten in het kader van het MFK voor de periode na 2027 te stroomlijnen en op één lijn te brengen, om te zorgen voor een coherente en gecoördineerde aanpak bij het ondersteunen van strategieën voor een rechtvaardige transitie via het JTF “II”; wijst erop dat het toepassingsgebied van JTF “II” kan worden uitgebreid, overeenkomstig de voorstellen van de lidstaten, met maatregelen die moeten gelden totdat de verloren gegane banen in de regio zijn vervangen, en dat deze maatregelen gericht moeten zijn op het verzoenen van duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen, zodat regio’s in een transitieperiode economisch kunnen floreren zonder hun milieu- en sociale doelstellingen in gevaar te brengen; wijst erop dat er plannen moeten komen voor gebieden die een rechtvaardige transitie doormaken, waarbij een proactieve aanpak wordt gehanteerd om in te spelen op mogelijke toekomstige transformatieprocessen en waarin een duidelijke toezegging wordt gedaan om strategische initiatieven voor regeneratie en ontwikkeling uit te werken, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van ondernemingen en het scheppen van werkgelegenheid in de gebieden die het zwaarst worden getroffen door de sluiting van fossiele brandstofproductiefaciliteiten; beklemtoont dat de lidstaten een zekere flexibiliteit hebben bij het uitstippelen van hun traject naar decarbonisatie, in overeenstemming met de overeengekomen EU-doelstellingen, rekening houdend met het technologische en economische perspectief en afhankelijk van de lokale en regionale behoeften;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>benadrukt de noodzaak van nauwkeurigere toewijzingscriteria en een afbakening van het territoriale toepassingsgebied van de fondsen, zodat deze specifiek gericht zijn op lokale en regionale overheden, overeenkomstig het NUTS 3<FOOTNOTE><FIELD> Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek - niveau 3.</FIELD></FOOTNOTE>-bestuursniveau; beklemtoont hoe belangrijk het is dat de middelen terechtkomen in regio’s die bijzonder worden getroffen door de transitie naar een klimaatneutrale economie vanwege het sectorale karakter van hun economie of de sluiting van koolstofintensieve installaties, en dat de investeringen niet alleen worden geconcentreerd in de grote stedelijke centra van het NUTS 3-gebied; benadrukt dat het dringend noodzakelijk is om bij de toewijzing van middelen uit het JTF ook rekening te houden met territoriale en demografische indicatoren, zoals vergrijzing, migratie van jongeren, aanhoudende bevolkingsafname en ontvolking, en de gevolgen van tijdelijke werkgelegenheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>is van mening dat het governancekader van vitaal belang is voor de uitvoering van de rechtvaardige transitie; benadrukt dat lokale en regionale overheden een sleutelrol vervullen bij het waarborgen van een doeltreffende opzet, uitvoering en monitoring van EU-programma’s, aangezien zij dicht bij de burgers staan en diepgaande kennis hebben van de territoriale behoeften; hecht belang aan de naleving van het partnerschapsbeginsel en de Europese gedragscode inzake partnerschap, en aan de nadruk op de plaatsgebonden aanpak, teneinde de volledige deelname van lokale en regionale overheden, sociale partners en maatschappelijke organisaties aan het beheer, de selectie en de monitoring van gefinancierde projecten te waarborgen, in overeenstemming met het beginsel van het in Verordening (EU) 2021/1060 vastgelegde beginsel van bestuur op verschillende niveaus;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Europees Comité van de Regio’s en de nationale en regionale parlementen van de lidstaten.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>