<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF2" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0188</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Mogelijkheden voor de vereenvoudiging van cohesiefondsen</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0138/2025 - Rapporteur: Vladimir Prebilič)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2025 over mogelijkheden voor de vereenvoudiging van cohesiefondsen (2024/2106(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 4, 162, 174 tot en met 178 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1060/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (“de verordening gemeenschappelijke bepalingen — de GB-verordening”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 60, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1058/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1056/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 94, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1059/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1057/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2020/460 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 508/2014 wat betreft specifieke maatregelen om investeringen in de gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en in andere sectoren van hun economieën vrij te maken als antwoord op de COVID-19-uitbraak (Investeringsinitiatief Coronavirusrespons)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 99 van 31.3.2020, blz. 5, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/460/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2025/925 van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2025 betreffende een grensregio-instrument voor ontwikkeling en groei (BRIDGEforEU)<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2025/925, 19.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/925/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD> PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1305/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen<FOOTNOTE><FIELD> PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2014/240/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (de Europese gedragscode inzake partnerschap),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2024 over de uitvoering van territoriale ontwikkeling (GB-verordening, titel III, hoofdstuk II) en de toepassing ervan in de Europese Territoriale Agenda 2030<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/5704, 17.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5704/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 24 januari 2025 getiteld “EU-begroting en plaatsgebonden beleid: voorstellen voor nieuwe ontwerp- en uitvoeringsmechanismen in het MFK na 2027”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 februari 2025 getiteld “Versterking van de resultaatgerichtheid van het cohesiebeleid na 2027 – uitdagingen, risico’s en kansen”<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/2018, 30.4.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/2018/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 februari 2025 getiteld “De weg naar het volgende meerjarig financieel kader” (COM(2025)0046),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 5 december 2024 getiteld “Herziening van de Territoriale Agenda 2030 – Een meer geïntegreerde en burgergerichte benadering en een duidelijker verband met het cohesiebeleid”<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/773, 11.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/773/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de jaarverslagen van de Europese Rekenkamer betreffende het begrotingsjaar 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Europese Rekenkamer van 8 juli 2024 getiteld “Analyse 03/2024: Een overzicht van het zekerheidskader en de belangrijkste factoren die hebben geleid tot fouten in de cohesie-uitgaven voor 2014-2020”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Speciaal verslag 22/2024 van de Europese Rekenkamer van 21 oktober 2024, getiteld “Dubbele financiering uit de EU-begroting – Controlesystemen missen essentiële elementen om het verhoogde risico door het niet‑kostengerelateerde RRF‑financieringsmodel te beperken”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Speciaal verslag 13/2024 van de Europese Rekenkamer, getiteld “Absorptie van middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit – Vooruitgang vertraagd en nog steeds risico’s voor de verwezenlijking van maatregelen en dus van de RRF-doelstellingen”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A10-0138/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid het belangrijkste investeringsinstrument van de EU is om economische, sociale en territoriale verschillen te verminderen, en dat het langetermijnkarakter ervan niet in gevaar mag worden gebracht door noodmaatregelen of wijzigingen die tot doel hebben de cohesiefondsen voor andere prioriteiten te herbestemmen; overwegende dat de middelen van het cohesiebeleid bestemd moeten blijven voor de primaire doelstellingen van deze fondsen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat regionale samenwerking als katalysator voor innovatie en veerkracht kan fungeren, en dat de instrumenten van het cohesiebeleid moeten bijdragen tot doeltreffende samenwerking die (administratieve) grenzen overstijgt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid een cruciale rol speelt bij de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten, het bijbehorende actieplan en de kerndoelen ervan, die gericht zijn op de bestrijding van armoede, de verhoging van de werkgelegenheid en de bevordering van een leven lang leren; overwegende dat conditionaliteit die verband houdt met de rechtsstaat en met sociale en mensenrechtennormen onontbeerlijk is en dat pogingen tot vereenvoudiging deze niet mogen ondermijnen; overwegende dat toegang tot financiering in het kader van het cohesiebeleid de bescherming en inclusie van alle personen in hun regio’s moet waarborgen, ongeacht hun geslacht, leeftijd, nationaliteit, gezondheidstoestand, sociale klasse, etniciteit, seksuele gerichtheid of identiteit;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat financiering in het kader van het cohesiebeleid ongeveer 30 % van de totale EU-begroting vertegenwoordigt en als een belangrijke pijler voor de ondersteuning van de Europese regio’s fungeert en dat het in het toekomstige meerjarig financieel kader (MFK) een afzonderlijk concept moet blijven en niet mag worden samengevoegd met andere fondsen, om de doeltreffendheid ervan bij het verminderen van regionale ongelijkheden en het bevorderen van economische convergentie te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat een vereenvoudigd cohesiebeleid cruciaal is om de veerkracht van Europa, een rechtvaardige en duurzame groene en digitale transitie, en een recht om te blijven voor alle EU-burgers te waarborgen en het concurrentievermogen van de EU te bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat lokale en regionale overheden het best in staat zijn lokale uitdagingen en kansen vast te stellen en belangrijke partners zijn bij de uitvoering van de politieke agenda en het cohesiebeleid van de EU, aangezien zij verantwoordelijk zijn voor 54 tot 58 % van het totale volume aan openbare investeringen door overheden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat het bij de ontwikkeling van belangrijke strategische kaders zoals partnerschapsovereenkomsten, plannen voor een rechtvaardige transitie en nationale hervormingsprogramma’s vaak ontbreekt aan een gecoördineerde aanpak en dat de bevoegde lokale en regionale overheden er niet op zinvolle wijze bij worden betrokken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de huidige programmeringsperiode 2021-2027, die voortbouwt op de eerdere initiatieven met verdere uitbreidingen van de vereenvoudigde kostenopties, een kortere lijst van beleidsdoelstellingen heeft, alsook een duidelijkere interventielogica aan de hand van indicatoren, minder strenge rapportageverplichtingen en een single-auditregeling;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid nog steeds een van de meest zichtbare en tastbare symbolen van Europese solidariteit is; overwegende dat het beginsel “doe geen afbreuk aan cohesie” in de toekomst moet worden toegepast om ervoor te zorgen dat het cohesiebeleid gericht blijft op zijn kerntaak, namelijk het verminderen van regionale verschillen en het bevorderen van economische en sociale convergentie in de hele EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat beheersautoriteiten, intermediaire instanties, begunstigden en burgers echter nog steeds worden geconfronteerd met aanzienlijke administratieve lasten en uitdagingen die niet alleen van invloed zijn op het uitvoeringspercentage van de projecten, maar ook afbreuk doen aan de doeltreffendheid, geloofwaardigheid, effecten, zichtbaarheid en perceptie van het cohesiebeleid als geheel;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de administratieve lasten voor begunstigden bij het aanvragen en uitvoeren van via cohesiefondsen ondersteunde projecten met elke financieringsperiode zijn toegenomen, waardoor er een steeds afschrikkendere werking van uitgaat; overwegende dat de complexiteit en de tijdrovende aard van de aanvraagprocedure vaak leiden tot een kosten-batenanalyse die begunstigden ervan weerhoudt een aanvraag in te dienen, waardoor de algehele doeltreffendheid en toegankelijkheid van het cohesiebeleid wordt beperkt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de vereenvoudiging van cohesiebeleidsfondsen een aanvulling moet vormen op andere instrumenten om verdere harmonisatie en integratie te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de regels inzake overheidsopdrachten en staatssteun een van de grootste bronnen van administratieve kosten en lasten vormen, wat gedeeltelijk het gevolg is van gold-platingpraktijken (nationale en subnationale overheden die extra vereisten opleggen aan begunstigden die verder gaan dan de vereisten die voortvloeien uit de bepalingen van het EU-recht) in alle lidstaten en het feit dat de algemene groepsvrijstellingsverordening<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj).</FIELD></FOOTNOTE> in verschillende territoriale contexten lastig te interpreteren en toe te passen is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat eerdere financieringsperioden voor het cohesiebeleid herhaaldelijk te laat zijn begonnen, hetgeen met name geldt voor de huidige financieringsperiode 2021-2027, met de druk van een enorme achterstand en een tragere uitstroom van cohesiefondsen tot gevolg;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat diverse factoren, waaronder vertragingen bij de voltooiing van het wetgevingspakket en de partnerschapsovereenkomsten en -programma’s, de gelijktijdige uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, en het veranderende en complexe regelgevingsklimaat, een doorslaggevende rol hebben gespeeld in het huidige lage uitvoeringspercentage van het cohesiebeleid in alle lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat het veranderende en complexe regelgevingsklimaat de tijdige, efficiënte en doeltreffende uitvoering van het cohesiebeleid ernstig heeft belemmerd; overwegende dat deze complexiteit de toegang tot financiering in het kader van het cohesiebeleid bijzonder heeft bemoeilijkt voor kleinere lokale overheden, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en maatschappelijke organisaties in de hele EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat er bij vereenvoudigingsmaatregelen een evenwicht moeten worden gevonden tussen de behoefte aan gemakkelijkere en betere toegang tot fondsen om duurzame resultaten te bereiken enerzijds, en de noodzaak om de EU-begroting te beschermen anderzijds, waarbij terdege rekening moet worden gehouden met de zorgen en bijdragen van institutionele en niet-institutionele belanghebbenden, en dat deze maatregelen, zodra ze zijn ingevoerd, niet mogen worden ondermijnd in de vorm van opnieuw geïntroduceerde complexiteit in het kader van nationale auditvereisten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat het Financieel Reglement<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).</FIELD></FOOTNOTE> vereist dat de Commissie corrigerende maatregelen neemt, zoals vereenvoudiging van de toepasselijke bepalingen, verbetering van de controlesystemen en herontwerp van het programma of de uitvoeringssystemen, indien het foutenpercentage tijdens de uitvoering van de EU-begroting aanhoudend hoog is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat de herziene verdeelsleutel (de “Berlijn-formule”) in de huidige formulering in bijlage XXVI bij de GB-verordening, waarin andere belangrijke elementen aan het bbp worden toegevoegd, de ongelijkheden in de praktijk nog niet voldoende weerspiegelt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat bij pogingen van de Commissie om het cohesiebeleid te vereenvoudigen in acht moet worden genomen dat wijzigingen in de bestaande uitvoeringspraktijken in eerste instantie aanvullende lasten kunnen vormen voor administratieve autoriteiten en begunstigden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat gedeeld beheer, het partnerschapsbeginsel, meerlagig bestuur, subsidiariteit en een plaatsgebonden aanpak de hoeksteen moeten blijven vormen van elke hervorming en vereenvoudiging van het cohesiebeleid; overwegende dat het model van gedeeld beheer heeft bewezen een fundamentele pijler te zijn van het cohesiebeleid die waarborgt dat EU-middelen worden afgestemd op de specifieke behoeften van regio’s en lokale gebieden, en tegelijkertijd verantwoordelijkheid en verantwoordingsplicht op alle bestuursniveaus bevordert; overwegende dat het kader voor meerlagig bestuur de samenwerking versterkt tussen EU-, nationale, regionale en lokale overheden en waarborgt dat beleid doeltreffend wordt opgezet en uitgevoerd op een manier die de territoriale diversiteit weerspiegelt en de impact in de praktijk maximaliseert;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat het subsidiariteitsbeginsel beter kan worden toegepast bij cohesiefinanciering, bijvoorbeeld door drempelwaarden in te voeren waaronder kan worden afgezien van bepaalde verplichtingen en vereisten, zoals dit ook gebeurt bij andere EU-fondsen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>W.</NO.P>overwegende dat technische vereenvoudigingen van instrumenten voor territoriale ontwikkeling (zoals geïntegreerde territoriale investeringen en vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling) reeds in het kader van het cohesiebeleid voor de programmeringsperiode 2021-2027 zijn opgenomen, maar dat met kleine projecten nog steeds verhoudingsgewijs hogere administratieve lasten (voor de begunstigden) en administratieve kosten (voor de programma-autoriteiten) gemoeid zijn dan met grotere projecten; overwegende dat de punten van zorg die de Europese Rekenkamer aan de orde heeft gesteld over vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling moeten worden aangepakt, met name de onevenredige administratieve kosten in vergelijking met de begrotingen van lokale actiegroepen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>X.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid in het licht van de huidige geopolitieke uitdagingen een rol kan spelen bij de ontwikkeling van belangrijke infrastructuur voor tweeërlei gebruik die in tijden van vrede civiele behoeften dient, en tegelijkertijd de territoriale veerkracht en crisisrespons kan vergroten; overwegende dat nieuwe prioriteiten niet ten koste mogen gaan van of mogen leiden tot een vermindering van langetermijninvesteringen in de economische, sociale en territoriale cohesie van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Y.</NO.P>overwegende dat met het cohesiebeleid consistent is aangetoond dat het mogelijk is bijna alle toegewezen EU-middelen te absorberen en doeltreffend te investeren; overwegende dat de geleidelijke toename van de betalingen tegen het latere deel van de planningsperiode een inherent kenmerk is van meerjarenprogramma’s en dat er daarom realistischerwijs een vergelijkbaar positief resultaat kan worden verwacht aan het einde van de huidige programmeringsperiode;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Z.</NO.P>overwegende dat het beginsel van één enkele audit moet worden gehandhaafd en versterkt, naast regelmatige audits door de Commissie, en dat er maatregelen moeten worden genomen met het oog op minder dubbele controles en audits die overlappen met nationaal toezicht op regionaal, nationaal en EU-niveau voor hetzelfde project en dezelfde begunstigde, ook door een consistente interpretatie van voorschriften te garanderen en de administratieve lasten voor begunstigden en beheersautoriteiten tot een minimum te beperken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AA.</NO.P>overwegende dat op grond van het beginsel van goed financieel beheer onafhankelijke auditprocedures moeten worden toegepast om naleving van de EU-regels te waarborgen; overwegende dat er discrepanties in de handhaving en monitoring kunnen ontstaan als er alleen beroep wordt gedaan op nationaal toezicht, waardoor de uniforme toepassing van financiële controles in alle lidstaten worden ondermijnd en uiteindelijk de bescherming van de financiële belangen van de EU in gevaar wordt gebracht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AB.</NO.P>overwegende dat het cruciaal is om voor robuuste auditmechanismen te zorgen, zodat EU-middelen op verantwoorde en doeltreffende wijze worden aangewend en traceerbaar zijn, en fraude, wanbeheer en inconsistenties in nationale toezichtstelsels kunnen worden voorkomen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AC.</NO.P>overwegende dat het cohesiebeleid bestand moet blijven tegen fraude, corruptie en pogingen om financiering van de oorspronkelijke opdracht en overeengekomen programmaprioriteiten af te leiden naar investeringen die bepaalde persoonlijke of partijpolitieke belangen dienen; overwegende dat daartoe de voorwaarden en ingebouwde mechanismen om onregelmatigheden zoals fraude te voorkomen, op te sporen en te corrigeren moeten worden aangescherpt; overwegende dat de juiste toepassing van het partnerschapsbeginsel, de transparantievereisten en het fraudebestrijdingsbeleid van essentieel belang is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AD.</NO.P>overwegende dat overlappende prioriteiten tussen de RRF en het cohesiebeleid de fragmentatie van EU-financiering blootleggen en dat hieruit blijkt dat er behoefte is aan een vereenvoudigde en consistente aanpak;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AE.</NO.P>overwegende dat het op grond van artikel 20 van de GB-verordening reeds is toegestaan in buitengewone of ongebruikelijke omstandigheden tijdelijke maatregelen af te kondigen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt de cruciale rol die het cohesiebeleid in de afgelopen vijf jaar heeft gespeeld bij het aanpakken van multidimensionale noodsituaties en sociaal-economische uitdagingen en wel op een flexibele manier die de solidariteit tussen de lidstaten versterkt; is echter van mening dat voortdurende veranderingen in het regelgevingskader ertoe hebben geleid dat de strategische focus ervan is uitgehold; benadrukt dat de hoge ambities met betrekking tot langetermijninvesteringen en de plaatsgebonden grondgedachte en prioriteiten moeten worden gehandhaafd, waarbij het beginsel “doe geen afbreuk aan cohesie” in acht moet worden genomen en de nadruk moet liggen op groei, het scheppen van banen en sociale diensten, om het hoofd te bieden aan uitdagingen die verband houden met onevenwichtigheden tussen de regio’s van de EU, de verbetering van de levenskwaliteit, de rechtvaardige, groene en digitale transitie, het scheppen van hoogwaardige banen, de uitbanning van armoede — met bijzondere aandacht voor kinderarmoede — en de huisvestingscrisis;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>pleit ervoor te voorkomen dat cohesiefondsen systematisch worden overgeheveld om te reageren op crises, aangezien hierdoor de primaire doelstelling ervan (de versterking van de economische, territoriale en sociale cohesie van de EU, de vermindering van regionale ongelijkheden en de bevordering van duurzame ontwikkeling) wordt ondermijnd, omdat er daarvoor slechts beperkt financiering beschikbaar is; roept op in plaats hiervan een permanent, krachtig, toegewijd instrument voor noodhulp te ontwikkelen binnen de EU-begroting, zodat een snelle, gecoördineerde reactie op toekomstige crises kan worden gewaarborgd zonder dat de structurele integriteit van het cohesiebeleid wordt aangetast, om te waarborgen dat de fondsen ervan voor de primaire doelstellingen kunnen worden gebruikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>benadrukt dat bij toekomstige hervormingen gedeeld beheer, meerlagig bestuur en een plaatsgebonden aanpak moeten worden gehandhaafd om doeltreffendheid te waarborgen; dringt voorts aan op een modern, gedecentraliseerd en versterkt cohesiebeleid waarin mensen centraal staan en dat wordt ondersteund door sterke partnerschappen op alle niveaus, aangezien het essentieel is om de eenheid van de EU te behouden en te bevorderen nu de geopolitieke uitdagingen toenemen; benadrukt dat het partnerschapsbeginsel, zoals uiteengezet in artikel 8 van de GB-verordening, bindend moet worden toegepast en strikt moet worden gecontroleerd door de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>neemt nota van de belangrijke vereenvoudigingsmaatregelen die al in de programmeringsperiode 2021-2027 zijn ingevoerd, in het bijzonder de verbeterde digitale instrumenten voor e-cohesie, een bredere harmonisatie van de regels tussen meerdere fondsen, een flexibeler programmabeheer en stroomlijning van de subsidiabiliteitsregels; benadrukt dat het noodzakelijk is om de overgang te maken van een hybride en op papier gebaseerde administratie naar volledig digitale processen en zo de efficiëntie te verhogen en elektronische communicatie tussen begunstigden en beheersautoriteiten te vergemakkelijken; is van mening dat verschillende factoren, waaronder werkdruk als gevolg van vertragingen in de programmering van de financieringsperiode 2021-2027, frequente wijzigingen in de regelgeving tijdens deze periode, complexe meerlagige regelgeving inzake audits en controles, alsook gold-plating (waarbij lasten worden opgelegd aan begunstigden die verder gaan dan de EU-vereisten) deze vereenvoudigingsinspanningen hebben gehinderd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>wijst erop dat de digitalisering van het beheer, de rapportage, het toezicht en de controle op het gebied van EU-middelen essentieel is om de toegang voor potentiële begunstigden te verbeteren en het beheer van de middelen doelmatiger en transparanter te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>onderstreept dat vereenvoudiging een leidend beginsel moet zijn in het cohesiebeleid; wijst erop dat vereenvoudigingsinspanningen met name gericht moeten zijn op het verminderen van de lasten voor begunstigden, het vergemakkelijken van hun toegang tot middelen, het verminderen van administratieve werkzaamheden en het tegengaan van dubbel werk; verzoekt de lidstaten in dit verband gold-plating — de toevoeging van onnodige nationale regels aan de EU-voorschriften — te voorkomen, waardoor begunstigden extra lasten opgelegd krijgen; merkt op dat de uitvoering van de staatssteunregels in de lidstaten in sommige gevallen tot meer complexiteit kan leiden en benadrukt dat de overlapping tussen de programmeringsperioden 2014-2020 en 2021-2027 en de oprichting van de RRF andere factoren waren die tot vertragingen hebben bijgedragen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>wijst erop dat vereenvoudigde regelgeving cruciaal is voor een betere uitvoering van het cohesiebeleid; is van mening dat de late goedkeuring van de sectorale wetgeving en het langdurige proces voor de goedkeuring van programmeringsdocumenten hebben geleid tot vertragingen bij de uitvoering tijdens eerdere programmeringsperioden en verzoekt de Commissie daarom tijdig voorstellen in te dienen voor de financieringsperiode 2028-2034, zodat de regionale programma’s snel na de start van het volgende MFK kunnen worden goedgekeurd; beveelt aan te analyseren of bepaalde technische voorschriften en vereisten uit de GB-verordening kunnen worden geschrapt en kunnen worden opgenomen in een reeks richtsnoeren of een handboek, teneinde zekerheid en een routine te creëren voor beheersautoriteiten en begunstigden; herinnert eraan dat administratieve autoriteiten, als sprake is van onzekerheid omtrent de uitvoering van financieringsinstrumenten, in overeenstemming met het voorzichtigheidsbeginsel vaak geneigd zijn onduidelijke bepalingen restrictiever te interpreteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over zowel het gebrek aan complementariteit in de EU-financiering, met meer dan 50 meerjarenprogramma’s in 2021-2027, als het groeiende aandeel — momenteel 40 % — dat centraal wordt beheerd in het kader van het huidige MFK, en is van mening dat de totale begroting voor het cohesiebeleid moet worden gehandhaafd of zelfs verhoogd om op passende wijze tegemoet te komen aan toekomstige investeringsbehoeften; benadrukt de noodzaak van doeltreffende coördinatie van EU- en nationale financiering, en benadrukt dat elk toekomstig regelgevingskader een grondige beoordeling van de administratieve gevolgen ervan moet omvatten; verzoekt de Commissie beste praktijken te bevorderen, de nationale systemen van de lidstaten te beoordelen en maatregelen te nemen om praktijken die onnodige complexiteit veroorzaken, uit te bannen; wijst nogmaals op de essentiële rol van de Europese structuur- en investeringsfondsen bij het verkleinen van regionale verschillen en het verbeteren van de territoriale toegankelijkheid en connectiviteit, met name in achtergestelde gebieden zoals plattelands-, eiland-, bergachtige, ultraperifere en oostelijke grensregio’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>verzoekt de Commissie om in de komende voorstellen ter vereenvoudiging van het nieuwe cohesiebeleid een gedecentraliseerde en bottom-upbenadering te bevorderen en te bewerkstelligen en ervoor te zorgen dat de verplichte raadpleging en betrokkenheid van lokale en regionale overheden en partners, waaronder maatschappelijke organisaties en kmo’s, worden gegarandeerd, zoals is vastgelegd in de artikelen 3 en 4 van de Europese gedragscode inzake partnerschap;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>is van mening dat een betere coördinatie tussen de fondsen — beheerd via een duidelijker, coherenter, beter gecoördineerd en geharmoniseerd kader voor de verschillende cohesiefondsen — de weg zou kunnen effenen voor een efficiënter en flexibeler cohesiebeleid, met inbegrip van één reeks regels en één controlespoor voor de uitvoering, monitoring en controle; is van mening dat een uniforme, geïntegreerde IT-interface voor begunstigden in elke lidstaat die alle fasen van de programmacyclus bestrijkt en de eenvoudige elektronische uitwisseling van gegevens en documenten mogelijk maakt, wordt ondersteund door een geautomatiseerd rapportage-instrument en wordt onderworpen aan een grondige effectbeoordeling, in dit verband een meerwaarde kan bieden en de transparantie kan vergroten door regelmatige, gemakkelijk toegankelijke updates over de projectresultaten van het cohesiebeleid te verstrekken; is van mening dat de oprichting van nieuwe, kleine afzonderlijke fondsen moet worden vermeden om verdere versnippering van financieringsinstrumenten en de oprichting van parallelle structuren niet te stimuleren; is van mening dat fondsen, die qua omvang en schaal gedefragmenteerd zijn, in sommige gevallen doeltreffender kunnen zijn bij de uitvoering van oplossingen voor strategische uitdagingen van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>erkent het potentieel van de ontwikkeling, bij de volgende herziening na 2027, van één Europees platform (dat is geïntegreerd met nationale platforms) waarmee begunstigden, en dan met name kleine begunstigden, snel toegang kunnen krijgen tot verschillende Europese fondsen; is van mening dat de Commissie en de lidstaten begunstigden via dit platform van alle nodige informatie moeten voorzien om toegang te krijgen tot EU-middelen en ook moeten zorgen voor de realtime-uitwisseling van gegevens over eindontvangers van middelen, met inbegrip van betere gegevensverzameling en de invoering van gemeenschappelijke monitoringdashboards voor alle cohesiebeleidsprogramma’s; is van mening dat dit nodig kan zijn om de acceptatie en het bewustzijn onder begunstigden te verbeteren, en mogelijk het potentieel heeft om de transparantie te vergroten, dubbele financiering te voorkomen en financiële controle, met inbegrip van het opsporen van fraude, te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>dringt erop aan met alle nieuwe IT-systemen of andere digitale platforms die in het kader van de programmeringsperiode na 2027 worden ingevoerd, een bijdrage te leveren aan de stroomlijning van verzoeken om gegevensverzameling en is van mening dat dit niet mag leiden tot aanvullende of zich herhalende informatieverplichtingen voor aanvragers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>benadrukt echter dat meer flexibiliteit niet ten koste mag gaan van strategische langetermijnplanning en de stabiliteit van cohesie-investeringen, en niet mag leiden tot financiële onzekerheid en grotere complexiteit voor eindbegunstigden; pleit ervoor om, indien de financieringsprioriteiten tijdens de programmeringsperiode na 2027 worden aangepast, ervoor te zorgen dat deze afgestemd blijven op de doelstellingen van regionale ontwikkeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>spreekt opnieuw zijn steun uit voor de nieuwe BRIDGEforEU-verordening en benadrukt dat verdere vereenvoudiging nodig is, met name in grensoverschrijdende programma’s, in de vorm van oplossingen op maat waarin de unieke economische, sociale en geopolitieke uitdagingen waarmee grensoverschrijdende regio’s te maken krijgen, worden aangepakt; benadrukt dat het cohesiebeleid de grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking moet blijven bevorderen en vereenvoudigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>is van mening dat gendermainstreaming en de integratie van een genderperspectief moeten worden bevorderd in alle fasen van het ontwerp en de uitvoering van programma’s in het kader van het volgende cohesiebeleid; dringt erop aan consistenter gebruik te maken van het trackinginstrument voor genderbudgettering door alle lidstaten, en benadrukt dat vereenvoudigingsmaatregelen de inspanningen op het gebied van gendermainstreaming niet mogen ondermijnen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>is van mening dat de huidige definitie van “onderneming in moeilijkheden” onredelijke lasten veroorzaakt voor organisaties en onnodige complexiteit veroorzaakt wat betreft innovatie, het concurrentievermogen en potentiële eindbegunstigden van cohesiefondsen, en derhalve moet worden herzien;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>wijst erop dat het actief en verplicht betrekken van lokale en regionale overheden bij de voorbereiding, programmering, uitvoering, monitoring en evaluatie van projecten op de gebieden die zij beheren, een fundamentele voorwaarde is voor geslaagde en op maat gesneden vereenvoudiging; benadrukt dat er een risico bestaat dat het cohesiebeleid, bij gebrek aan een sterk partnerschap met het lokale en regionale niveau en zonder de bestuurlijke capaciteit ervan te versterken, een al te gecentraliseerd proces wordt met te weinig impact op de evenwichtige ontwikkeling van de Europese regio’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>verzoekt de Commissie te onderzoeken of er in het Europees Semester een territoriale en bestuurlijke effectbeoordeling kan worden opgenomen; benadrukt dat het Europees Semester in overeenstemming moet zijn met de doelstellingen van het cohesiebeleid uit hoofde van de artikelen 174 en 175 VWEU en pleit voor deelname van de regio’s aan de verwezenlijking van deze doelstellingen en voor een sterkere territoriale aanpak; benadrukt dat het regionale bbp per hoofd van de bevolking het belangrijkste criterium moet blijven om de toewijzingen van de lidstaten te bepalen in het kader van het cohesiebeleid; is van mening dat het regionale bbp per hoofd van de bevolking mogelijk kan worden aangevuld met andere regionale sociaal-economische indicatoren (bijv. sociale, demografische, enz.) die de sociaal-economische situatie van de regio’s beter weergeven, met als doel de sociale en territoriale verschillen — ook binnen regio’s — verder te verkleinen en doeltreffender gerichte investeringen mogelijk te maken waar deze het hardst nodig zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>is van mening de nationale contactpunten van programma’s onder direct beheer moeten worden betrokken bij de nationale en regionale programmering van cohesiefondsen en middelen voor plattelandsontwikkeling teneinde synergieën te bevorderen tussen en capaciteitsopbouw bij centraal en gezamenlijk beheerde programma’s die actief zijn in dezelfde gebieden en op dezelfde beleidsterreinen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>moedigt het gebruik aan van instrumenten voor geïntegreerde regionale ontwikkeling, zoals geïntegreerde territoriale investeringen en vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, en stelt voor om opties te onderzoeken die erop gericht zijn het deel van de begroting voor het cohesiebeleid te verhogen voor geïntegreerde territoriale investeringen, vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling of andere territoriale instrumenten voor alle regio’s en daarbij ook rekening te houden met de specifieke behoeften van plattelands- en afgelegen gebieden en van de oostelijke grensregio’s van de EU, met de nadruk op projecten waarmee het mogelijk is doeltreffend in te spelen op daadwerkelijke territoriale behoeften; beveelt aan om voorstellen te onderzoeken voor probleemoplossing en technische bijstand voor de uitvoering van strategieën en de voltooiing van studies; is van mening dat bij het groeiende aantal initiatieven voor geïntegreerde territoriale ontwikkeling — binnen en buiten het cohesie- en plattelandsbeleid — vaak geen sprake is van een concrete koppeling met de Europese structuur- en investeringsfondsen, wat de effecten ervan op de lange termijn kan belemmeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>is gekant tegen elke vorm van top-downhervorming waarbij de programmering van het cohesiebeleid wordt gecentraliseerd of gehernationaliseerd en herhaalt dat meerlagig bestuur, subsidiariteit, gedeeld beheer en een plaatsgebonden benadering hiervan de fundamentele leidende beginselen moeten blijven; merkt op dat de RRF is ontworpen om snel te kunnen reageren op economische uitdagingen, maar dat de uitvoering gepaard is gegaan met aanzienlijke complicaties, waaronder een laag absorptiepercentage, vertragingen in de uitbetaling van middelen en een gebrek aan transparantie in het toewijzingsproces; erkent desalniettemin bepaalde positieve ontwikkelingen binnen de RRF, met name de vaststelling van normen voor groene investeringen en het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”; vestigt de aandacht op het feit dat bij programma’s onder direct beheer de uitbetaling van middelen aan de lidstaten niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de hoeveelheid en het belang van de gestelde mijlpalen en streefdoelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>benadrukt dat het gecentraliseerde model meerdere zwakke punten aan het licht heeft gebracht, in het bijzonder met betrekking tot de traceerbaarheid, verantwoordingsplicht, efficiëntie en langetermijneffecten van EU-financiering<FOOTNOTE><FIELD> PB C 114 van 29.3.2023, blz. 5; PB C, C/2024/5471, 10.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5471/oj (punten 53-56).</FIELD></FOOTNOTE>; wijst erop dat het daarbij onder meer gaat om onvoldoende betrokkenheid van lokale en regionale overheden en het maatschappelijk middenveld, alsook om vertragingen, beperkte transparantie en het risico dat maatregelen niet worden verwezenlijkt; waarschuwt dat door het ontbreken van robuuste toezichtsmechanismen en duidelijke auditvereisten de geloofwaardigheid en langetermijneffecten van de financieringsinstrumenten van de EU worden ondermijnd; pleit voor een meer solide toezicht op en een betere afstemming tussen uitbetalingen en geverifieerde resultaten om te waarborgen dat EU-middelen tastbare baten opleveren voor burgers, alsmede voor sociale en economische actoren; wijst erop dat meerlagig bestuur de ontwikkeling van op maat gesneden oplossingen voor alle regio’s mogelijk maakt en onderstreept het belang van inclusieve co-ontwerpprocessen waarbij lokale en regionale overheden betrokken zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>is gekant tegen het idee van één enkel nationaal programma, aangezien de lokale en regionale overheden er onvoldoende bij betrokken zijn en dit absoluut niet aansluit op de praktische realiteit en omdat het de mogelijkheid die het cohesiebeleid biedt om rekening te houden met uiteenlopende behoeften van sectoraal beleid en de doelstellingen en specifieke kenmerken van macroregionale, nationale, regionale en lokale instrumenten, in gevaar zou brengen of zelfs volledig teniet zou doen; is ervan overtuigd dat op regionaal NUTS 2-niveau beheerde, plaatsgebonden programma’s<FOOTNOTE><FIELD> NUTS (nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek) is het classificatiesysteem van de EU om naar de regio’s van landen te verwijzen voor statistische doeleinden. “NUTS 2” verwijst naar basisregio’s (voor regionaal beleid).</FIELD></FOOTNOTE> in het verleden een cruciale rol hebben gespeeld in de aanpak van reële behoeften in het veld en de doeltreffende vermindering van regionale sociaal-economische verschillen, en derhalve in de toekomst de ruggengraat moeten blijven vormen van het cohesiebeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>benadrukt het belang van samenwerking, kennisuitwisseling en capaciteitsopbouw voor lokale en regionale overheden, waaronder investeringen in hun technische en administratieve capaciteit; waarschuwt dat het risico bestaat dat het cohesiebeleid zonder een sterk partnerschap met lokale en regionale overheden te gecentraliseerd raakt en minder goed evenwichtige regionale ontwikkeling kan bevorderen; benadrukt dat vereenvoudigingsinspanningen de rol van lokale en regionale overheden moeten bevorderen, die van cruciaal belang zijn voor de succesvolle uitvoering van door de EU gefinancierde projecten, met name in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds en Interreg-programma’s; wijst erop dat het versterken van de betrokkenheid van lokale en regionale overheden, ook in de programmeringsfase, van cruciaal belang is om de doeltreffendheid, territoriale relevantie en veerkracht van het cohesiebeleid te waarborgen; dringt aan op een evenwichtige aanpak waarbij de procedures worden gestroomlijnd, met behoud van meerlagig bestuur en de territoriale meerwaarde van lokale en regionale betrokkenheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>erkent dat op prestaties gebaseerde mechanismen het cohesiebeleid efficiënter en resultaatgerichter kunnen helpen maken; waarschuwt echter voor een rigide of uniforme toepassing van dit model in de context van de programmeringsperiode 2028-2034; benadrukt dat dergelijke mechanismen weliswaar de doeltreffendheid kunnen bevorderen, maar dat daarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de verschillende uitgavensectoren en de heterogeniteit van de eindbegunstigden, met name op het gebied van onderzoek, sociaal beleid en de lokale infrastructuur, waar meetbare resultaten op de korte termijn mogelijk geen volledig beeld geven van de langetermijneffecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>waarschuwt dat de huidige op prestaties gebaseerde modellen vaak stoelen op gecentraliseerde beheersstructuren die het voor regionale en lokale overheden lastiger kunnen maken om doeltreffend in te spelen op specifieke territoriale behoeften; benadrukt dat een toekomstige toepassing van resultaatgerichte uitvoering niet ten koste mag gaan van de kernbeginselen van het cohesiebeleid, zoals meerlagig bestuur, subsidiariteit en een plaatsgebonden aanpak, en vergezeld moet gaan van aanzienlijk sterkere waarborgen om een goed beheer van EU-middelen te garanderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>verzoekt de Commissie een flexibel en evenwichtig financieringskader vast te stellen waarin resultaatgerichte en traditionele op kosten gebaseerde financiering worden gecombineerd, wat oplossingen op maat mogelijk maakt die zijn aangepast aan de lokale context; is voorstander van een intensiever gebruik van forfaitaire betalingen op basis van mijlpalen, zoals in het programma Creatief Europa wordt gedaan, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de regionale en lokale overheden de nodige autonomie behouden om het cohesiebeleid uit te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>is specifiek van mening dat overheden, maatschappelijke organisaties en kmo’s niet mogen lijden onder de invoering van op prestaties gebaseerde modellen, met name gezien de beperkte financiële middelen waarover zij gemiddeld genomen beschikken om maatregelen te voorfinancieren of een buffer op te bouwen voor potentiële verliezen als het niet lukt om doelstellingen te halen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>erkent dat liquiditeitsproblemen potentiële begunstigden zoals lokale autoriteiten, die in sommige lidstaten te kampen hebben met een gebrek aan fiscale en budgettaire autonomie, ervan weerhouden een aanvraag in te dienen voor projecten die in het kader van het cohesiebeleid worden gefinancierd; dringt daarom aan op een aanzienlijke en op maat gesneden verhoging van de voorfinanciering in zulke gevallen en ook in plattelands-, grensoverschrijdende en eilandgebieden, teneinde de snelle uitbetaling van middelen van het cohesiebeleid te ondersteunen, samen met een vereenvoudiging van de medefinancieringsregels;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>is ingenomen met het door de Commissie in haar tussentijdse evaluatie van het cohesiebeleid 2021-2027 opgenomen voorstel dat programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” die zijn uitgevoerd in NUTS 2-regio’s die grenzen aan Rusland, Belarus of Oekraïne, gebruik kunnen maken van de mogelijkheid van een eenmalige voorfinanciering van 9,5 % van de programmatoewijzing en een EU-financiering van 100 %; dringt er bij de Commissie op aan aanvullende maatregelen voor te stellen om te voldoen aan de behoeften van de oostelijke grensregio’s van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over de regelmatige meldingen van belanghebbenden over de gebrekkige toepassing van horizontale beginselen door de lidstaten bij de voorbereiding van partnerschapsovereenkomsten; is van mening dat een herziene Europese gedragscode inzake partnerschap rechtstreeks in de GB-verordening moet worden opgenomen, om te waarborgen dat deze van bindende aard is en van toepassing is op programma’s onder direct beheer met territoriale impact; verzoekt de Commissie de toepassing van het partnerschapsbeginsel strikt te handhaven en maatregelen te onderzoeken om de toezichts- en monitoringbevoegdheden van het Parlement te versterken met betrekking tot partnerschapsovereenkomsten en -programma’s; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten regelmatig toezicht uitoefenen, ook op partners bij het toezicht op en de selectie van deskundigen, om bekwaamheid te waarborgen en fraude te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>herinnert aan het belang van een strikte toepassing van de financiële regels van de EU in alle programma’s en voor alle begunstigden, teneinde alle vormen van fraude, belangenconflicten, corruptie, dubbele financiering en witwassen van geld te voorkomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten aanvullende maatregelen voor te stellen om dubbele financiering te voorkomen en te vermijden, meer mogelijkheden te bieden voor geïntegreerde projecten, de interoperabiliteit van instrumenten voor datamining te waarborgen en de verplichtingen voor beheersautoriteiten inzake gegevensbewaring tot een minimum te beperken; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om het gebruik van IT-instrumenten zoals het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES) en Arachne verplicht te stellen voor alle EU-fondsen, ook voor die onder gedeeld beheer, en te zorgen voor een beter gebruik van nieuwe technologieën om de controles te verscherpen en de EU-begroting te beschermen tegen fraude en misbruik van middelen; benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor een evenwicht tussen vereenvoudiging en bescherming van de EU-begroting; herinnert eraan dat vereenvoudigingsinspanningen moeten voldoen aan de beginselen van goed bestuur, openbare aanbestedingen en controle — wat allemaal essentieel is om de sociale en eco-conditionaliteit en de rechtstaat in stand te houden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>verzoekt de Commissie studies te laten uitvoeren over de synergie tussen de cohesiefondsen en de sectorale programma’s, zoals ze voor het programma Horizon Europa heeft gedaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>dringt aan op meer rechtstreekse toegang tot EU-financiering voor regionale en lokale overheden, alsook voor steden en stedelijke overheden, door onder meer het gebruik van geïntegreerde territoriale investeringen uit te breiden en de nadruk te blijven leggen op projecten die gericht zijn op sociale en economische partners; verzoekt de Commissie aanvullende manieren te onderzoeken om ervoor te zorgen dat lokale en regionale overheden, het maatschappelijk middenveld en andere begunstigden kunnen blijven profiteren van EU-financiering in gevallen van schending van de rechtsstaat door nationale overheden, zonder de toepassing van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat af te zwakken<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2092/oj).</FIELD></FOOTNOTE>; onderstreept dat financiering niet opnieuw mag worden toegewezen aan andere programma’s, zodat de integriteit van het opschortingsbesluit behouden blijft, totdat de doelstellingen ervan zijn bereikt en alle voorwaarden voor toegang tot financiering zijn vervuld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>pleit bovendien voor de oprichting van een permanent adviesnetwerk om gemeenten te helpen omgaan met de complexiteiten van de uitvoering van het cohesiebeleid, dat zijn werkzaamheden zou coördineren met reeds bestaande programma’s en structuren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>is ingenomen met instrumenten als de toolkit voor het platteland van de EU, waarmee wordt beoogd begunstigden bij de beschikbare programma’s te begeleiden; wijst er echter op dat uit het feit dat er behoefte is aan een dergelijke onestopshop blijkt hoe buitensporig complex de huidige structuren zijn, die ontoegankelijk blijven voor veel begunstigden, met name kleine overheidsinstanties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>benadrukt dat er dringend meer moet worden geïnvesteerd in de opbouw van doeltreffende en adequate bestuurlijke capaciteit, met specifieke financiële middelen en technische bijstand, met name voor lokale en regionale overheden — ook in eiland- en afgelegen gebieden, en met bijzondere aandacht voor regio’s met een historisch laag absorptiepercentage — om het gedecentraliseerde en efficiënte beheer en de uitvoering van EU-middelen te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>dringt aan op de versterking van instrumenten voor technische bijstand in het kader van het cohesiebeleid, waaronder de instrumenten die in samenwerking tussen de Europese Investeringsbank en de Commissie zijn ontwikkeld ter ondersteuning van de strategische planningscapaciteit voor territoriale investeringen, evenals gerichte adviesverlening voor de identificatie, planning en voorbereiding van projecten; erkent de cruciale rol van financiële instrumenten bij de bevordering van het concurrentievermogen in alle EU-regio’s en de mobilisatie van zowel particuliere als overheidsmiddelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>benadrukt dat het welslagen van het cohesiebeleid afhangt van toekomstgerichte en inclusieve strategieën, behoorlijke betrokkenheid van belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld, en goed bestuur; erkent dat het nodig is resultaatgerichte benaderingen voor het beheer te bevorderen, met inbegrip van het gebruik van meetbare indicatoren en veranderingstheoriemodellen voor de evaluatie van programma’s; benadrukt dat het belangrijk is om specifieke middelen toe te wijzen voor de capaciteitsopbouw van de sociale partners en dat maatschappelijke organisaties een belangrijkere rol gaan spelen wat betreft goed bestuur en de uitvoering van EU-fondsen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>verzoekt de Commissie binnen het nieuwe staatssteunkader een verdere vereenvoudiging voor te stellen van de toepassing van staatssteunregels in het geval van aan cohesie gerelateerde, sectoroverschrijdende financiering waarin EU- en nationale middelen worden gecombineerd (bijvoorbeeld bij multifinanciering in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus en het EFRO), teneinde fouten en administratieve lasten op nationaal en regionaal niveau te verminderen en tegelijkertijd de doeltreffendheid van cohesiebeleidinvesteringen in het veld te vergroten en verstoring van de markt te voorkomen; verzoekt de Commissie te onderzoeken of programma’s onder gedeeld beheer in bepaalde gevallen kunnen profiteren van vergelijkbare vrijstellingen van de staatssteunregels als die voor programma’s onder direct beheer, zoals Horizon Europa of de Connecting Europe Facility;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>dringt er in het kader van de aankomende herziening van de Europese richtlijn inzake overheidsopdrachten<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/24/oj).</FIELD></FOOTNOTE> bij de Commissie op aan collectieve onderhandelingen en het gebruik van de sociale clausule verder te bevorderen; benadrukt dat aanbestedende diensten marktdeelnemers moeten uitsluiten van openbare aanbestedingen die zich hebben ingelaten met criminele activiteiten; pleit ervoor dat overheidsgeld op grond van de regels voor het cohesiebeleid voortaan alleen mag worden toegewezen aan ondernemingen die de rechten van werknemers en de geldende regels inzake arbeidsomstandigheden in acht nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>is van mening dat het beginsel van één enkele audit moet worden versterkt en herinnert eraan dat de “single audit”-benadering in de praktijk alleen kan worden toegepast als de door de controle-instanties in de lidstaten uitgevoerde auditwerkzaamheden solide en betrouwbaar zijn; benadrukt dat in het volgende cohesiebeleid een herziene, versterkte, uniforme aanpak van audits en controles moet worden ingevoerd, en dat deze aanpak gericht moet zijn op het verminderen van zowel het foutenpercentage als het fraudepercentage door de preventieve controles (vooraf) aan het begin van de begrotingsperiode te versterken, teneinde tekortkomingen en risico’s van de controles te verminderen; wijst erop hoe belangrijk het is deze benadering af te stemmen op de aanbevelingen uit het jaarverslag van de Europese Rekenkamer, met name wat betreft het versterken van het financieel beheer, het verhogen van de doelmatigheid van uitgaven en het voorkomen van herhaling van in eerdere programmeringsperioden gedetecteerde fouten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>roept op tot een consistentere interpretatie van de regelgeving door controle-instanties in de hele EU en alle fondsen, en pleit voor een meer risicogebaseerde controlestrategie om onnodige overlappingen te voorkomen en tegelijkertijd te zorgen voor doeltreffend financieel toezicht en fraudepreventie; wijst erop dat strikter toezicht moet worden gehouden op programma’s die worden uitgevoerd door de lidstaten die onder het conditionaliteitsmechanisme voor de rechtsstaat of de artikel 7-procedure vallen, of die niet deelnemen aan het Europees Openbaar Ministerie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>verzoekt de Commissie de standaardisering en het bredere gebruik van vereenvoudigde kostenopties en financiering die niet gekoppeld is aan kosten voor te stellen, en benadrukt de sleutelrol ervan bij het verminderen van de administratieve lasten, het verlagen van de foutenpercentages en het verbeteren van de resultaten; beveelt aan deze mechanismen uit te breiden, met name door de vereisten op het gebied van overheidsopdrachten, verificatie en auditdrempels te versoepelen; benadrukt het nut ervan in situaties met duidelijk verifieerbare doelstellingen, met name voor kleinere begunstigden zoals lokale overheden, maatschappelijke organisaties en lokale actiegroepen, of bij projecten waarbij micro-ondernemingen en actoren van de sociale economie betrokken zijn, om de bureaucratie te verminderen en de uitvoering ervan op te schroeven; verzoekt de Commissie opties te onderzoeken die gericht zijn op de invoering van vereenvoudigde rapportage- en auditprocedures voor lokale overheden met minder dan 100 000 inwoners en voor begunstigden in plattelandsgebieden, op eilanden en in de ultraperifere gebieden van de EU, teneinde een evenwicht te vinden tussen vereenvoudiging en goed financieel beheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>is van mening dat de benadering van audits en controles moet worden gewijzigd door af te stappen van het gebruik van statistische extrapolatie voor financiële correcties om een duidelijk onderscheid te maken tussen onopzettelijke fouten en fraude, om ervoor te zorgen dat zulke correcties alleen gericht zijn op gevallen van systemische onregelmatigheden en opzettelijke fraude, en om buitensporige werklast of financiële druk op begunstigden en beheersautoriteiten te voorkomen; benadrukt dat de administratieve en financiële lasten in verband met financiële controle en audits, alsook de follow-up ervan, altijd in verhouding moeten staan tot de omvang van de middelen en de daaraan verbonden risico’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>verzoekt de Commissie verschillende opties te onderzoeken om de complementariteit tussen EU-fondsen te onderzoeken, onder meer door de vanuit de gemeenschap geleide en lokale ontwikkelingsinitiatieven in het kader van Elfpo opnieuw op te nemen in de GB-verordening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de nationale en regionale parlementen van de lidstaten.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>