<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF2" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0196</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Een nieuwe visie voor de allianties van Europese universiteiten</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0135/2025 - Rapporteur: Laurence Farreng)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 11 september 2025 over een nieuwe visie voor de allianties van Europese universiteiten (2025/2036(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 13 en 14 over de vrijheid van kunsten en wetenschappen en het recht op onderwijs,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs en opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013<FOOTNOTE><FIELD> PB L 189 van 28.5.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/817/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie van 11 september 2023 die is uitgevoerd in opdracht van de Commissie cultuur en onderwijs, getiteld “EU funding programmes 2021-2027 in culture, media, education, youth and sport: first lessons, challenges and future perspectives – Erasmus+”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie van 20 juli 2023 die is uitgevoerd in opdracht van de Commissie cultuur en onderwijs, getiteld “Early implementation of the 2021-2027 EU programmes Erasmus+, Creative Europe, European Solidarity Corps and Citizens, Equality, Rights and Values (Strand 3)”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 17 mei 2021 over het initiatief “Europese universiteiten” – Een brug slaan tussen hoger onderwijs, onderzoek, innovatie en samenleving: de weg effenen voor een nieuwe dimensie in het Europese hoger onderwijs,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 14 en 15 december 2017,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 7 juni 2018 over toewerken naar een visie op een Europese onderwijsruimte,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de resolutie van de Raad van 18 november 2019 over het verder ontwikkelen van de Europese onderwijsruimte ter ondersteuning van toekomstgerichte onderwijs- en opleidingsstelsels<FOOTNOTE><FIELD> PB C 389 van 18.11.2019, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de resolutie van de Raad van over 29 november 2021 over een nieuwe Europese agenda voor volwasseneneducatie 2021-2030<FOOTNOTE><FIELD> PB C 504 van 14.12.2021, blz. 9.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 13 mei 2024, getiteld “Europa in beweging” – mogelijkheden voor leermobiliteit voor iedereen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/3364, 14.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/3364/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 28 februari 2025 voor een aanbeveling van de Raad betreffende de beleidsagenda voor de Europese Onderzoeksruimte 2025-2027 (COM(2025)0062),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Aanbeveling (EU) 2021/2122 van de Raad van 26 november 2021 over een pact voor onderzoek en innovatie in Europa<FOOTNOTE><FIELD> PB L 431 van 2.12.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2021/2122/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 18 januari 2022, getiteld “Een Europese strategie voor universiteiten” (COM(2022)0016),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 15 april 2024 over goede praktijken van projecten van allianties van Europese universiteiten (proefproject II),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie, getiteld “Report on the outcomes and transformational potential of the European Universities initiative”<FOOTNOTE><FIELD> <STRING UNDERLINE="on">Europese Commissie: Directoraat-generaal Onderwijs, Jongerenzaken, Sport en Cultuur et al., “Report on the outcomes and transformational potential of the European Universities initiative”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2025.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 27 maart 2024, getiteld “Een blauwdruk voor een Europees diploma” (COM(2024)0144),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 27 maart 2024 (SWD(2024)0074) bij de mededeling van de Commissie (COM(2024)0144), het voorstel van de Commissie van 27 maart 2024 voor een aanbeveling van de Raad over een Europees systeem voor kwaliteitsborging en erkenning in het hoger onderwijs (COM(2024)0147) en het voorstel van de Commissie van 27 maart 2024 voor een aanbeveling van de Raad over aantrekkelijke en duurzame loopbanen in het hoger onderwijs (COM(2024)0145),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 19 december 2024, getiteld “Report on the final outcomes of the Erasmus+ policy experimentation projects: European degree (label) and institutionalised EU cooperation instruments” (SWD(2024)0291),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2025, getiteld “The Union of Skills” (COM(2025)0090),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2025, getiteld “Een strategisch plan voor STEM-onderwijs: vaardigheden voor concurrentievermogen en innovatie” (COM(2025)0089),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de tussentijdse evaluatie van de Europese onderwijsruimte van 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het ministerieel communiqué van Rome, aangenomen op 19 november 2020 tijdens de conferentie van ministers van de Europese ruimte voor hoger onderwijs,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de beginselen, richtsnoeren en indicatoren van de sociale dimensie van het hoger onderwijs van 9 januari 2024, gepubliceerd door de werkgroep sociale dimensie van de follow-upgroep voor het Bolognaproces 2021-2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het onafhankelijk verslag op hoog niveau van Enrico Letta over de toekomst van de interne markt, getiteld “Much more than a market – Speed, Security, Solidarity: Empowering the Single Market to deliver a sustainable future and prosperity for all EU Citizens”, gepubliceerd in april 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van Mario Draghi over de toekomst van het Europese concurrentievermogen, gepubliceerd in september 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag over onderzoek en innovatie van een groep onafhankelijke deskundigen onder voorzitterschap van Manuel Heitor, getiteld “Align, act, accelerate – Research, technology and innovation to boost European competitiveness”, gepubliceerd in oktober 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 juni 2022 over de tenuitvoerlegging van inclusiemaatregelen in het kader van Erasmus+ 2014-2020<FOOTNOTE><FIELD> PB C 32 van 27.1.2023, blz. 58.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 september 2020 over de doeltreffende maatregelen voor een “groen” Erasmus+, Creatief Europa en het Europees Solidariteitskorps<FOOTNOTE><FIELD> PB C 385 van 22.9.2021, blz. 2.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 19 mei 2022 over de totstandbrenging van de Europese onderwijsruimte tegen 2025 – microcredentials, individuele leerrekeningen en leren voor een duurzaam milieu<FOOTNOTE><FIELD> PB C 479 van 16.12.2022, blz. 65.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A10-0135/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit en academische samenwerking voorwaarden zijn om de strategische autonomie van de Europese Unie te verwezenlijken, de waarden van de EU te bevorderen<FOOTNOTE><FIELD> Zoals bepaald in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</FIELD></FOOTNOTE>, tekorten aan vaardigheden te bestrijden door talent aan te trekken en te behouden, en de concurrentie met vooraanstaande universiteiten wereldwijd te bevorderen op basis van de ontwikkeling van menselijk kapitaal, veerkracht en welzijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het belang van de academische wereld en universiteiten voor een concurrerende, veerkrachtige en autonome Europese Unie wordt benadrukt in het verslag van Mario Draghi over de toekomst van het Europese concurrentievermogen, in het verslag van Enrico Letta verslag over de toekomst van de eengemaakte markt en in het verslag van Manuel Heitor over de tussentijdse evaluatie van Horizon Europa;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de versnippering van het hoger onderwijs en onderzoek in de EU het vermogen van de EU ondermijnt om haar soevereiniteit te waarborgen, haar waarden te bevorderen en wereldwijd invloed uit te oefenen; overwegende dat meer integratie de strategische positie van de EU kan versterken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het kompas voor concurrentievermogen de nadruk legt op het belang van onderwijs en opleidingen van hoge kwaliteit en een leven lang leren om de vaardigheids- en arbeidskloof te dichten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat Erasmus+ een vlaggenschipprogramma van de EU is ter ondersteuning van onderwijs, opleiding, jeugd en sport in Europa en op internationaal niveau, waarmee tegelijkertijd de mobiliteit en de academische samenwerking worden bevorderd; overwegende dat een sterkere interactie tussen Erasmus+ en andere EU-programma’s zoals Horizon Europa deze doelstellingen ten goede zou komen en tegelijkertijd een meer omvattende aanpak van het hoger onderwijs zou bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het doel van de allianties van Europese universiteiten multidimensionaal is, te beginnen bij het opstellen van gezamenlijke curricula en het toewerken naar het opzetten van interuniversitaire campussen met een sterke Europese dimensie waarmee de mobiliteit van studenten, mensen die een leven lang leren, onderzoekers, academisch en niet-academisch personeel wordt bevorderd, alsmede het aanzwengelen van zelfs nog transformatievere veranderingen in het hogeronderwijslandschap in de lidstaten en deelnemende landen voor een echt concurrerende Europese onderwijsruimte;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat academische vrijheid een basisbeginsel is van de opdracht en activiteiten van universiteiten, zoals verankerd in artikel 13 van het Handvest van de grondrechten van de EU en de aanbeveling van de Unesco van 11 november 1997 inzake de status van het onderwijzend personeel in het hoger onderwijs; overwegende dat deze vrijheid van cruciaal belang is voor het welzijn van democratische samenlevingen en dus verder moet worden beschermd en bevorderd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de allianties van Europese universiteiten zorgen voor naadloze mobiliteit voor studenten, onderzoekers en academisch en niet-academisch personeel binnen de EU en daarbuiten, en op die manier een rol spelen bij het bevorderen van onderzoek, innovatie en onderwijs op de eengemaakte markt en dus van cruciaal belang zijn voor de verwezenlijking van de “vijfde vrijheid”, zoals beschreven in het verslag-Letta;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat instellingen voor hoger onderwijs in Europa kampen met uitdagingen op het gebied van transnationale samenwerking, met name op het gebied van financiering, aanzienlijke verschillen in nationale en regionale wetgeving, juridische status en bestuursstructuren, en contractuele belemmeringen voor het delen van kennis;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het initiatief “Europese universiteiten” succesvol is en de verwachtingen wat betreft deelname en betrokkenheid heeft overtroffen; overwegende dat de in de conclusies van de Raad van 2017 genoemde doelstelling om twintig allianties tot stand te brengen, is overtroffen, aangezien er nu 65 allianties zijn opgericht die meer dan 570 universiteiten met meer dan 2 200 externe partners omvatten, maar zonder extra begrotingstoewijzingen en zonder enige garantie van continuïteit voor gefinancierde projecten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat deze huidige allianties zijn geselecteerd via vijf vergelijkende open oproepen waarbij de nadruk lag op kwaliteit, excellentie, academische verdiensten, inclusiviteit en eerlijke geografische spreiding;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat het initiatief “Europese universiteiten” een belangrijk instrument is om een geïntegreerde, concurrerende en inclusieve Europese onderwijsruimte tot stand te brengen die in staat is te reageren op mondiale uitdagingen en de Europese identiteit, cultuur en waarden te versterken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de allianties hun transformatiepotentieel hebben bewezen om de hogeronderwijsstelsels van de lidstaten te moderniseren, door een voortrekkersrol op zich te nemen bij het opleiden van een nieuwe generatie mobiele Europese studenten, en hebben bijgedragen aan baanbrekend onderzoek; overwegende dat universiteiten van verschillende allianties belangrijke pleitbezorgers voor en drijvende krachten achter wetswijzigingen in eigen land zijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat momenteel 23 lidstaten allianties vanuit hun nationale begroting medefinancieren;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Stand van zaken, uitdagingen en belemmeringen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>constateert dat de instellingen voor hoger onderwijs zeer ingenomen zijn met en betrokken zijn bij het initiatief “Europese universiteiten” en de rol die het initiatief speelt bij het faciliteren van inspanningen om belemmeringen voor regionale, grensoverschrijdende en internationale samenwerking in het hoger onderwijs weg te nemen, zoals versnipperde financiering, ongelijkheden in accreditatiesystemen en juridische barrières;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt dat mobiliteitsprojecten, de ontwikkeling van gemeenschappelijke curricula en samenwerking tussen universiteiten in Europa van cruciaal belang zijn om tegemoet te komen aan de behoeften in strategische gebieden en het gevoel van Europese saamhorigheid en de eerbiediging van de waarden van de EU te versterken, maar tegelijkertijd de verscheidenheid en de rijkdom van de Europese Unie in stand te houden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>merkt op dat de allianties een krachtig instrument vormen voor de uitvoering en voortgang van het Bolognaproces; wijst op het hefboomeffect dat allianties hebben op transformatieprocessen in het hogeronderwijslandschap door innovatieve benaderingen en nieuwe methoden voor samenwerking aan te zwengelen en te stimuleren, en kansen en toegankelijkheid voor studenten te creëren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt de diversiteit van de allianties op het gebied van bestuur, de behandelde onderwerpen en de grootte en locatie van de deelnemende universiteiten; wijst op de succesvolle deelname van universiteiten uit middelgrote steden, plattelandsgebieden en ultraperifere gebieden, wat het initiatief toegankelijk en inclusief maakt; benadrukt dat voor de allianties een uniforme aanpak niet geschikt is; merkt op dat de geografische vertegenwoordiging van universiteiten uit heel Europa binnen de allianties van cruciaal belang is om braindrain tegen te gaan en internationaal talent aan te trekken, en tegelijkertijd een onschatbare bijdrage levert aan de Europese eenheid en integratie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>is ingenomen met de integratie van studenten in de bestuursstructuren van de allianties, waardoor jongeren wezenlijke invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling daarvan, aangezien jongerenparticipatie in democratische besluitvormingsprocessen ertoe bijdraagt dat allianties toekomstgerichter worden en praktische problemen aanpakken waarmee studenten te maken krijgen; benadrukt dat het engagement van studenten en van studentenorganisaties op elkaar moet worden afgestemd om te zorgen voor transparante, eerlijke en inclusieve betrokkenheid van belanghebbenden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>benadrukt dat allianties het potentieel en de deskundigheid hebben om universiteiten te helpen sociaal-economische uitdagingen aan te pakken; onderstreept dat maatschappelijke effecten als horizontaal element moeten worden opgenomen in de activiteiten van de allianties; pleit voor duidelijke strategieën om de toegankelijkheid en de inclusie van kansarme personen<FOOTNOTE><FIELD> Zoals bepaald in Verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021.</FIELD></FOOTNOTE> in alle activiteiten van allianties te waarborgen en te monitoren, met name door belemmeringen voor mobiliteit weg te nemen en alle vormen van discriminatie te voorkomen, in overeenstemming met het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>is ingenomen met proefprojecten die gericht zijn op het creëren van een Europees diploma en/of een juridische status; wijst er echter op dat allianties niet mogen dienen als het enige instrument voor innovatie in het hoger onderwijs; merkt op dat allianties de vrijheid moeten hebben om zich te specialiseren en flexibel te zijn in wat zij ondernemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>is ingenomen met de resultaten van de zes beleidsexperimenten met Erasmus+ met betrekking tot het Europees diploma en het label voor Europese diploma’s, uitgevoerd door 21 allianties<FOOTNOTE><FIELD> Werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2024)0291.</FIELD></FOOTNOTE>; onderkent de duidelijke meerwaarde van een gemeenschappelijk kader voor Europese diploma’s, op basis van Europese criteria, als een stap in de richting van de erkenning van diploma’s op EU-niveau; beseft dat een dergelijke erkenning op EU-niveau de mobiliteit en de kwaliteit van het onderwijs zou verbeteren, het samenwerkingskader zou versterken, bredere betrokkenheid bij transnationale academische programma’s zou bevorderen en de mondiale zichtbaarheid en het concurrentievermogen van het Europese hoger onderwijs zou versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>merkt op dat het label voor Europese diploma’s toegankelijk moet zijn voor alle andere gezamenlijke universitaire programma’s en een aanvulling moet vormen op nationale kwalificatiekaders, die zo nodig moeten worden aangepast zonder extra administratieve lasten te creëren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>gelooft heilig in het potentieel van de allianties om de Europese ruimte voor hoger onderwijs te versterken en zo de weg vrij te maken voor één accreditatieruimte op EU-niveau; is van mening dat dit een noodzakelijke stap is voor onze Europese autonomie, aangezien diverse Europese instellingen voor hoger onderwijs, zoals instellingen die MBA-diploma’s afgeven, nog steeds afhankelijk zijn van Amerikaanse accreditatie-instanties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>is ingenomen met de aanzienlijke toename van het aantal projecten voor mobiliteit waarbij studenten, mensen die een leven lang leren, onderzoekers en academisch en niet-academisch personeel van universiteiten deelnemen aan allianties, in vergelijking met andere projecten van Erasmus+ voor mobiliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>merkt echter op dat de oorspronkelijke doelstelling van naadloze mobiliteit voor 50 % van de studenten in deelnemende allianties nog niet is bereikt en zonder passende financieringsmechanismen een uitdaging zal blijven; vreest in dit verband voor de mogelijke concurrentie tussen de mobiliteitsregelingen van de allianties en de algemene Erasmus+- mobiliteit van universiteiten, waarvoor dezelfde beperkte financieringsbepalingen gelden, aangezien de mobiliteitsdoelstellingen voor allianties hoger zijn dan de algemene mobiliteitsdoelstellingen van Erasmus+; verzoekt de Commissie dan ook om die vereisten te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>maakt zich grote zorgen over de huidige bedreigingen voor de academische vrijheid in verschillende delen van de wereld, waaronder in sommige lidstaten en in derde landen die deelnemen aan Erasmus+;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>wijst op de noodzaak van allianties om de waarden van de EU, democratische veerkracht en institutionele autonomie te eerbiedigen; benadrukt hun rol als multilaterale en multiculturele leerruimten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>is ingenomen met op waarden gebaseerde initiatieven zoals de samenwerking op het vlak van solidariteit met Oekraïne, het wereldwijde bereik van allianties en de rol van allianties bij de voorbereiding van de toetreding van kandidaat-lidstaten uit het oostelijke nabuurschap en de Westelijke Balkan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>is ingenomen met het initiatief “Vaardigheidsunie”, met name met het op stapel staande voorstel voor een toekomstig investeringstraject en een duidelijke juridische status voor allianties, aangezien het hiermee gemakkelijker wordt voor universiteiten om Europese projecten op te starten en te leiden, middelen te bundelen, hun autonomie te versterken, de administratieve rompslomp te verminderen, financiering aan te trekken en hun bestuursstructuur te verbreden, met name in het geval van universiteiten uit landen buiten de EU, en de institutionalisering van grensoverschrijdende samenwerking te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>onderstreept de cruciale rol die universiteiten, met inbegrip van allianties, spelen bij het beschermen en bevorderen van empirisch onderbouwde wetenschap, het opbouwen van vertrouwen in het democratische discours, het stimuleren van samenwerking op basis van de waarden van de EU en het aantrekkelijker maken van henzelf en de Europese sector hoger onderwijs voor studenten, academisch personeel en onderzoekers van buiten de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>verwelkomt de oprichting van FOREU4ALL, een praktijkgemeenschap voor allianties van Europese universiteiten; wijst op de cruciale rol van deze gemeenschap bij de verspreiding van innovaties die voortkomen uit de allianties naar de bredere academische gemeenschap, aangezien universiteiten en instellingen voor hoger onderwijs die geen deel uitmaken van allianties niet aan hun lot mogen worden overgelaten; herinnert eraan dat beleid en initiatieven ten goede moeten komen aan het hele hogeronderwijsstelsel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>onderkent de belangrijke rol van andere netwerken binnen de sector hoger onderwijs, die een breder spectrum van Europese universiteiten samenbrengen, ongeacht hun deelname aan een alliantie; onderstreept de complementaire aard van deze netwerken met de allianties en hun potentieel om voorbereidingen te treffen voor wetswijzigingen op nationaal niveau;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>onderstreept dat de opdracht van universiteiten alle vier de aspecten van het kennisvierkant omvat: onderwijs, onderzoek, innovatie en dienstverlening aan de samenleving; benadrukt dat allianties nauw moeten aansluiten op de arbeidsmarkt om de tekorten aan vaardigheden en de uitdagingen op het gebied van concurrentievermogen in Europa aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>is met name bezorgd over het gebrek aan onderzoeks- en innovatiepijlers binnen de allianties gezien het huidige kader, aangezien dit het volledige potentieel voor samenwerking tussen universiteiten binnen allianties ondermijnt;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>spoort de allianties aan om de band tussen onderwijs en onderzoek te verdiepen; wijst op het aanzienlijke vermogen van de allianties om grensoverschrijdende excellentienetwerken van onderzoekers op te bouwen en kennis te delen en te verspreiden op EU-niveau en daarbuiten, met name met betrekking tot STEM-onderwerpen (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde), onder andere op terreinen met een strategisch belang voor de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>benadrukt dat de strategische visie voor allianties van universiteiten tot uiting moet komen in het volgende meerjarig financieel kader om hun potentieel en impact zo groot mogelijk te maken; verzoekt de Commissie elke alliantie te evalueren om steun en oplossingen op maat te bieden wat betreft hun toekomstige ontwikkeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>spoort de Commissie, de lidstaten en de allianties aan van een “op projecten gebaseerde logica” over te stappen op transformatieve samenwerking op de lange termijn, door een financieringsaanpak in te voeren die deze overgang mogelijk maakt; benadrukt hoe belangrijk het is dat allianties op kunnen schalen; onderstreept dat er kwalitatieve in plaats van kwantitatieve doelstellingen moeten worden vastgesteld, waarbij de nadruk wordt gelegd op het transformatieve effect op de Europese onderwijsruimte;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>benadrukt dat de huidige allianties gecoördineerde, duurzame en voorspelbare financiering nodig hebben; verzoekt de Commissie te overwegen toekomstige oproepen te reserveren voor de voortzetting van succesvolle allianties om ze in staat te stellen de integratie te verdiepen en voort te bouwen op hun verworvenheden; roept de Commissie ertoe op de aanvraag- en rapportageprocedures zo eenvoudig mogelijk te houden; pleit voor een versnelde verlengingsprocedure voor succesvolle allianties om de financiering te kunnen voortzetten zonder al te veel administratieve rompslomp;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>is van mening dat het initiatief “Europese universiteiten” deel moet blijven uitmaken van het Erasmus+-programma, rekening houdend met het huidige kader; verzoekt de Commissie tegelijkertijd de haalbaarheid te onderzoeken van een oplossing op maat voor de financiering van de allianties van Europese universiteiten in het meerjarig financieel kader voor de periode na 2027, met de mogelijkheid om een afzonderlijk programma op te zetten om allianties in staat te stellen strategisch te plannen, deel te nemen aan langetermijninitiatieven en duurzame samenwerking tot stand te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>verzoekt de lidstaten zich ertoe te verbinden allianties via nationale begrotingen mede te financieren en verzoekt de Commissie een alomvattende investeringsstrategie voor de allianties voor te stellen die hen in staat stelt hun viervoudige opdracht te vervullen; wijst erop dat deze strategie synergieën met EU-programma’s zoals Horizon Europa, Europees Fonds voor concurrentievermogen, het Europees Sociaal Fonds Plus en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling moet omvatten om de middelen te optimaliseren, dubbel werk te voorkomen, de interactie en de samenwerking te versterken en de concurrerende aard van deze programma’s te behouden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>benadrukt dat de steun voor allianties niet alleen uit de EU-begroting afkomstig mag zijn, maar ook uit gecoördineerde bijdragen uit nationale, regionale, lokale en particuliere bronnen moet bestaan om tastbare en duurzame successen te boeken op het vlak van kwaliteit, excellentie en inclusie, op voorwaarde dat deze de autonomie van de instellingen voor hoger onderwijs kunnen waarborgen en de academische vrijheid kunnen garanderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>benadrukt dat een nauwere integratie van allianties met de particuliere sector wederzijds voordeel kan opleveren; moedigt partnerschappen en gestructureerde samenwerking tussen universiteiten en bedrijven aan om geïntegreerde systemen tot stand te brengen die innovatie en hoogwaardige technische en beroepsopleidingen bevorderen en de overgang van studenten naar de arbeidsmarkt en om- en bijscholing voor mensen buiten het hoger onderwijs vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>benadrukt dat de internationalisering van allianties moet worden versterkt, in overeenstemming met onder meer de Global Gateway-strategie en talentpartnerschappen; merkt op dat allianties zich op het juiste niveau bevinden om partnerschappen met landen buiten de EU, met name kandidaat-lidstaten, aan te gaan en de internationale dimensie van Erasmus+, bijvoorbeeld via Erasmus Mundus, kunnen versterken; verzoekt de Commissie en de allianties te waarborgen dat alle betrokken partners de waarden van de EU en het beginsel van academische vrijheid eerbiedigen en zich houden aan het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>merkt op dat allianties innovatieve manieren van onderwijzen en kennisverwerving testen, zoals Europese leertrajecten, microcredentials, mobiliteit voor gemengd leren en de automatische erkenning van kwalificaties; benadrukt dat er moet worden geïnvesteerd in veilige digitale infrastructuur en dat bestaande initiatieven zoals de Europese studentenkaart moeten worden versterkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>benadrukt dat de consolidatie van de interoperabiliteit van computersystemen en de afstemming van Europees en nationaal beleid nodig zijn om echte virtuele Europese interuniversitaire campussen op te zetten; moedigt meer samenwerking tussen allianties aan om veilige, interoperabele studentenidentificatie, inschrijving voor vakken en uitwisseling van academische dossiers mogelijk te maken, alsook investeringen in de integratie van nieuwe onderwijstechnologieën;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>benadrukt dat het gebruik van microcredentials moet worden uitgebreid, voortbouwend op beste praktijken, om de allianties in een bredere leeromgeving te integreren en hun werk te koppelen aan dat van andere niet-formele leerinstellingen; merkt op dat de erkenning van opleidingen en bijscholingscursussen met microcredentials de flexibele herziening, uitbreiding en modernisering van universitaire diploma’s kan vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>verzoekt de Commissie te overwegen criteria toe te voegen aan mogelijke toekomstige oproepen, aansluitend bij onderwerpen die verband houden met Europese strategische autonomie en concurrentievermogen, zoals veerkracht, energie, klimaatverandering, de digitale transitie en digitale vaardigheden, en defensie, rekening houdend met de volgende kerndoelstellingen: eerbiediging van de waarden van de EU, excellentie in onderwijs en innovatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>benadrukt dat allianties over passende structuren en capaciteiten moeten beschikken om de overstap van de academische wereld naar het bedrijfsleven te ondersteunen en zodoende bij te dragen tot de verwezenlijking van de ambities van de EU op het gebied van strategische autonomie; verzoekt de Commissie barrières weg te nemen die het doeltreffend delen en bundelen van gezamenlijke middelen en kennis in de weg staan, onder meer door acties zoals het vergemakkelijken van de gezamenlijke aanwerving van academisch personeel en onderzoekers, alsook de ontwikkeling en het gebruik van gedeelde faciliteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>wijst op de noodzaak van doeltreffende en toegankelijke bewustmakings- en voorlichtingscampagnes over de allianties van Europese universiteiten om een grotere betrokkenheid te bevorderen, met name op lokaal niveau en onder studenten, aangezien de waardering van het initiatief momenteel zeer laag is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>verzoekt de Hongaarse regering de beginselen van de rechtsstaat en de EU-waarden na te leven en de nodige hervormingen door te voeren zodat Hongaarse studenten, docenten en onderzoekers van met overheidsmiddelen gefinancierde universiteiten kunnen profiteren van het Erasmus+-programma, waaronder allianties in het kader van het initiatief “Europese universiteiten”;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°         °</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>