<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF2" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0205</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Péter Magyar</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0182/2025 - Rapporteur: Ilhan Kyuchyuk )</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 oktober 2025 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Péter Magyar (2025/2096(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Péter Magyar d.d. 21 maart 2025, dat is ingediend door de centrale districtsrechtbank van Pest in het kader van een strafrechtelijke procedure die tegen hem is ingeleid door middel van een particuliere aanklacht, dat op 5 mei 2025 ter plenaire vergadering is meegedeeld,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het feit dat Péter Magyar afstand heeft gedaan van zijn recht om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van het Reglement van het Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 4, lid 2, van de Hongaarse grondwet,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013, 19 december 2019 en 5 juli 2023<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115; arrest van het Gerecht van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement, T-272/21, ECLI:EU:T:2023:373.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0182/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de centrale districtsrechtbank van Pest op 21 maart 2025 een verzoek heeft ingediend tot opheffing van de immuniteit van Péter Magyar, een in Hongarije verkozen lid van het Europees Parlement, in verband met een vermeend strafbaar feit op grond van artikel 226, lid 1, van Wet nr. C van 2012 betreffende het Hongaarse wetboek van strafrecht, wegens feiten die zich in april 2024 hebben voorgedaan in een strafzaak die tegen hem door een particuliere aanklager is aangespannen wegens smaad;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat in het verzoek tot opheffing van de immuniteit wordt vermeld dat Péter Magyar ervan wordt beschuldigd tijdens een demonstratie in het openbaar uitspraken te hebben gedaan die bestonden uit valse beweringen, en geruchten te hebben verspreid die de reputatie van de politieke beweging “Mi Hazánk Mozgalom” (Beweging Ons Vaderland) en een van haar ondervoorzitters, lid van het Hongaarse parlement, zouden kunnen schaden; overwegende dat op 13 mei 2024 op basis van een strafrechtelijke klacht wegens smaad particuliere vervolging tegen Péter Magyar is ingesteld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Péter Magyar bij de Europese verkiezingen van juni 2024 is verkozen en dat hij, toen de strafrechtelijke klacht tegen hem werd ingediend, campagne voerde in het kader van de verkiezingen voor het Europees Parlement;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het beweerde strafbare feit geen mening of stem betreft die Péter Magyar in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en dat het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit daar geen verband mee houdt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 4, lid 2, van de Hongaarse grondwet is bepaald dat de leden van het Hongaarse parlement immuniteit genieten; overwegende dat overeenkomstig artikel 79, lid 2, van Wet nr. XXXVI van 2012 inzake het Hongaars parlement een persoon die op definitieve en bindende wijze als kandidaat is ingeschreven, dezelfde immuniteit geniet als de leden totdat de uitslag van de verkiezing definitief en bindend wordt, en dat de leden op grond van artikel 79, lid 1, van die wet in ieder geval immuniteit genieten vanaf de dag van hun verkiezing; overwegende dat uit hoofde van artikel 74, lid 1, van Wet nr. XXXVI van 2012 inzake het Hongaarse parlement alleen met voorafgaande toestemming van dat parlement een strafrechtelijke procedure of, indien er niet vrijwillig afstand wordt gedaan van de immuniteit, een inbreukprocedure tegen een afgevaardigde kan worden ingeleid of dwangmaatregelen in het kader van strafprocedures tegen hem of haar kunnen worden genomen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat volgens artikel 5, lid 2, van het Reglement parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Europees Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de immuniteit als genoemd in Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Parlement volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie “met betrekking tot de richting die het aan een besluit op een verzoek tot opheffing [...] van de immuniteit wil geven, over een ruime discretionaire bevoegdheid [beschikt] wegens de politieke aard van een dergelijk besluit”<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat Péter Magyar voorzitter is van de TISZA-partij (“Tisztelet és Szabadság Párt”) en tevens de kandidatenlijst van die partij aanvoerde voor de Europese verkiezingen van 2024; overwegende dat “Mi Hazánk Mozgalom” ook heeft deelgenomen aan de Europese verkiezingen van 2024 en derhalve kan worden beschouwd als een rechtstreekse politieke concurrent van Péter Magyar; overwegende dat politieke concurrenten in het politieke debat doorgaans meer kritiek en polemiek te verduren krijgen dan burgers die niet politiek actief zijn; overwegende dat er naar Hongaars recht zowel strafrechtelijke als civielrechtelijke vorderingen wegens smaad kunnen worden ingesteld, met zeer verschillende juridische gevolgen, waaronder gevangenisstraf; overwegende dat in dit geval de keuze voor strafrechtelijke vervolging twijfel doet rijzen over het doel ervan – dat mogelijk verder gaat dan het legitieme doel van vergoeding van de gestelde schade – en de indruk wekt dat het nagestreefde doel verder gaat dan dat legitieme doel en in feite ertoe strekt de reputatie van Péter Magyar in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement te schaden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de hierboven uiteengezette elementen ernstige zorgen oproepen over de vraag of het mogelijk de bedoeling is de politieke activiteiten van Péter Magyar, en met name zijn activiteit als lid van het Europees Parlement, schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat het hier derhalve om een geval lijkt te gaan waarin kan worden aangenomen dat er sprake is van fumus persecutionis, dat wil zeggen “concrete elementen”<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 17 september 2020, Troszczynski/Parlement, C-12/19, ECLI:EU:C:2020:725, punt 26.</FIELD></FOOTNOTE> die erop wijzen dat de strafvervolging in kwestie is ingesteld met de bedoeling om schade toe te brengen aan de politieke activiteiten van Péter Magyar door om de opheffing van zijn immuniteit te verzoeken, met name toen hij als lijsttrekker voor zijn politieke partij aan de Europese verkiezingen van 2024 deelnam;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Péter Magyar niet op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde Hongaarse autoriteiten en aan Péter Magyar.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>