<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF2" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0231</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Tweede Wereldtop over Sociale Ontwikkeling</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(B10-0408/2025)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 9 oktober 2025 over de Tweede Wereldtop over Sociale Ontwikkeling (2025/2654(RSP))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name artikel 3 daarvan,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 9, 10 en 19, de artikelen 45 tot met 48, en de artikelen 145 tot en met 161,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Europees Sociaal Handvest,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Europese pijler van sociale rechten (EPSR), die op 17 november 2017 door het Parlement, de Raad en de Commissie is afgekondigd en ondertekend,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het actieplan voor de EPSR en de hoofddoelen voor 2030 die daarin zijn opgenomen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Verklaring van Terhulpen over de toekomst van de Europese pijler van sociale rechten, die op 16 april 2024 door het Parlement, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Raad is ondertekend,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Europese kindergarantie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Europese strategie voor gendergelijkheid en de routekaart voor vrouwenrechten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Europese strategie voor de rechten van personen met een handicap,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties (VN), met name de doelstellingen 1, 2, 8 en 10,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Verklaring van Kopenhagen over sociale ontwikkeling van 14 maart 1995,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de kernverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Resolutie 78/318 van de Algemene Vergadering van de VN van 16 juli 2024 over de modaliteiten van de sociale wereldtop, getiteld “Tweede Wereldtop over Sociale Ontwikkeling”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Pact voor de Toekomst dat werd gesloten tijdens de VN-top van september 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de politieke verklaring die werd aangenomen op het politiek forum op hoog niveau voor duurzame ontwikkeling, onder auspiciën van de Algemene Vergadering van de VN van september 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 136, lid 2, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de ontwerpresolutie van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat duurzame ontwikkeling een kernbeginsel is van het VEU; overwegende dat de 17 SDG’s de kern vormen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die in 2015 door alle VN-lidstaten is aangenomen; overwegende dat de toezegging van de EU voor de Agenda 2030 tot uiting komt in een reeks transformatieve beleidsmaatregelen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat er in de hele EU nog steeds aanzienlijke ongelijkheden tussen mensen en tussen regio’s bestaan, met name als het gaat om inkomens- en genderongelijkheid, terwijl de inflatie en de stijgende kosten van levensonderhoud kwetsbare huishoudens en huishoudens met een laag inkomen onevenredig hard treffen; overwegende dat de huisvestingscrisis in de hele EU een grote uitdaging blijft, die leidt tot uitsluiting van huisvesting, onzekere huisvesting, hogere huisvestingskosten en ontoereikende huisvesting; overwegende dat deze kwesties negatieve gevolgen hebben voor de sociale cohesie, de opwaartse sociale convergentie en het sociale welzijn van de EU-burgers; overwegende dat uit sommige studies blijkt dat 10 % van de rijkste mensen op het Europese continent over maar liefst 67 % van het totale vermogen beschikt, terwijl de onderste helft van de volwassen inwoners slechts 1,2 % in handen heeft<FOOTNOTE><FIELD>Global Wealth Report 2023, Credit Suisse AG.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat in 2023 de ginicoëfficiënt voor de EU27 een lichte neerwaartse trend van 29,6 % ten opzichte van 2014 vertoonde, waarbij 13 lidstaten boven dit gemiddelde uitkwamen<FOOTNOTE><FIELD>Living conditions in Europe – poverty and social exclusion, Eurostat, november 2024.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de EU zich er in het kader van het actieplan voor de EPSR toe heeft verbonden om uiterlijk in 2030 het aantal mensen dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting te verminderen met ten minste 15 miljoen, waaronder ten minste 5 miljoen kinderen; overwegende dat de cijfers erop wijzen dat in bijna de helft van de lidstaten de vooruitgang op het gebied van armoedebestrijding is teruggelopen, wat betreurenswaardig is; overwegende dat een op de vijf kinderen in de EU nog steeds risico loopt op armoede en sociale uitsluiting; overwegende dat als de huidige trend zich voortzet, de EU haar doelstelling voor 2030 niet zal halen; overwegende dat bovendien meer dan een op de tien Europeanen door energiearmoede wordt getroffen, hetgeen de ongelijkheid verergert; overwegende dat de situatie wereldwijd nog ernstiger is, met bijna 700 miljoen mensen die in extreme armoede leven en nog eens 2,8 miljard mensen die boven de grens voor extreme armoede maar onder de norm van 6,85 USD per dag leven<FOOTNOTE><FIELD>Poverty, Prosperity, and Planet Report 2024, Wereldbank.</FIELD></FOOTNOTE>, en dat 35 % van de mensen die in de afgelopen drie decennia uit de armoede zijn geraakt, daarna opnieuw tot armoede zijn vervallen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat er vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de werkgelegenheidsdoelstelling van de EU, namelijk dat ten minste 78 % van de mensen tussen 20 en 64 jaar uiterlijk in 2030 een baan moet hebben; overwegende dat de werkgelegenheidsgraad in de EU volgens de economische najaarsprognose 2024 van de Commissie 75,8 % bedraagt; overwegende dat de werkgelegenheidsgroei in 2023 in twee derde van de lidstaten op schema lag om de nationale doelstellingen voor 2030 te halen; overwegende dat er niettemin aanzienlijke uitdagingen blijven bestaan, zoals de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen en de hoge werkloosheidscijfers in sommige lidstaten, de aanhoudende segmentatie van de arbeidsmarkt, lacunes in de sociale bescherming, een hoge frequentie van onzeker en atypisch werk<FOOTNOTE><FIELD>Living and working in Europe 2024, Eurofound, 2025.</FIELD></FOOTNOTE>, en voortdurende ongelijkheden wat betreft de toegang tot hoogwaardige banen tussen sectoren en regio’s; overwegende dat 66,6 % van de werklozen en 10,9 % van de werkenden in 2024 risico op armoede liepen<FOOTNOTE><FIELD>Living conditions in Europe – poverty and social exclusion, Eurostat, april 2025.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de ondermaatse prestaties op het gebied van basisvaardigheden zoals lezen, wiskunde en wetenschappen in de EU toenemen, met name onder kansarme leerlingen; overwegende dat deze ongelijkheid op onderwijsgebied de gelijke toegang tot aanvullend onderwijs, opleidingsmogelijkheden en hoogwaardige banen ondermijnt en ertoe leidt dat sociale uitsluiting en uitsluiting van de arbeidsmarkt blijven voortduren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de EU zich ten doel heeft gesteld dat in 2030 ten minste 60 % van de volwassenen jaarlijks een opleiding volgt; overwegende dat de lidstaten zich hebben verbonden tot nationale streefdoelen om dit hoofddoel te bereiken maar dat het huidige participatieniveau in de lidstaten slechts 39,5 % is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat demografische uitdagingen, waaronder de vergrijzing, lage geboortecijfers en ontvolking van het platteland – waarbij met name jongeren naar de steden trekken –, de economische ongelijkheid kunnen vergroten, alsook ten koste kunnen gaan van de sociale vooruitgang en de aantrekkelijkheid van regio’s in de EU, arbeidsmarkten, openbare infrastructuur en bijgevolg de houdbaarheid van de socialezekerheidsstelsels, en de regionale ongelijkheden in de EU verder kunnen vergroten; overwegende dat deze uitdagingen derhalve een structurele uitdaging vormen voor de economie van de EU; overwegende dat de integratie van migranten op de arbeidsmarkt een oplossing kan zijn voor de tekorten op de arbeidsmarkt; overwegende dat het gebrek aan universele openbare toegang tot kinderopvang (0-3 jaar) en tertiair onderwijs, en aan betaalbare huisvesting, het ontbreken van of ontoereikende kinderbijslag en onvoldoende betaald ouderschapsverlof onder meer de voornaamste oorzaken zijn van de lage geboortecijfers;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden overal in de EU toenemen als gevolg van demografische veranderingen, de groene en de digitale transitie en de vraag naar nieuwe vaardigheden; overwegende dat de EU als gevolg van slechte arbeidsomstandigheden en vaardigheden die niet aansluiten op de vraag in bepaalde sectoren, minder goed in staat is om talent – zowel uit derde landen als binnen de EU – aan te trekken en te behouden; overwegende dat hoogwaardige banen, waarbij hogere lonen en baanzekerheid worden geboden, en de integratie van onderdanen van derde landen op de arbeidsmarkt een oplossing voor deze uitdagingen kunnen bieden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat uit het verslag van Eurofound van 2024 is gebleken dat het aantal zelfmoorden sinds 2021 is toegenomen, na tientallen jaren van daling; overwegende dat er meer moet worden gedaan om de oorzaken van geestelijke gezondheidsklachten in de context van arbeids- en levensomstandigheden aan te pakken<FOOTNOTE><FIELD>Mental health in the European Union and Norway: risk groups, trends, services and policies, Eurofound, 2025.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de sociale economie, met inbegrip van sociale ondernemingen, verschillende soorten particuliere entiteiten omvat die onafhankelijk zijn van overheidsinstanties, zoals coöperaties, onderlinge maatschappijen, verenigingen (waaronder liefdadigheidsinstellingen), stichtingen (waaronder sociale ondernemingen voor arbeidsintegratie) en andere rechtsvormen die per EU-lidstaat kunnen verschillen; overwegende dat deze ondernemingen en organisaties, die in alle sectoren actief zijn, in al hun verscheidenheid een sterke identiteit delen die berust op gedeelde waarden en kenmerken zoals gendergelijkheid, lokale en regionale verantwoordelijkheid, oog voor klimaat- en milieuvraagstukken, inclusie en democratisch bestuur, en dat zij mensen en sociale doelstellingen boven kapitaal plaatsen, waarbij winsten grotendeels opnieuw worden geïnvesteerd waardoor uitkeringen aan leden en aandeelhouders beperkt blijven, om zo hun doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling te verwezenlijken of bij te dragen aan het collectieve en algemene belang;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat, tegen de achtergrond van een uiterst langzame verbetering van de genderloonkloof, onderzoek van Eurofound laat zien dat veel lidstaten tot op heden geen maatregelen op het gebied van loontransparantie hebben genomen en dat de meeste nationale instrumenten die momenteel van kracht zijn nog niet het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk afdwingen<FOOTNOTE><FIELD>Further experiences with pay transparency, Eurofound – wordt naar verwachting gepubliceerd in 2025.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat eerlijke arbeidsmobiliteit is verankerd in de Verdragen en kansen biedt voor bedrijven en werknemers en zowel onder werknemers binnen de EU als onder werknemers uit derde landen moet worden bevorderd, waarbij wordt verzekerd dat de sociale en arbeidsrechten ten volle worden geëerbiedigd en gehandhaafd — ook voor onderdanen van derde landen en dit via legale migratiemogelijkheden —, alsook dat gelijke behandeling en non-discriminatie worden gewaarborgd en zwartwerk wordt bestreden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) gezien haar tripartiete structuur en brede lidmaatschap toonaangevend is op het gebied van mondiale arbeidsnormen; overwegende dat de grondbeginselen en rechten op het werk van de IAO, in het kader van het streven van de organisatie naar sociale rechtvaardigheid, erop gericht zijn iedereen een eerlijke en fatsoenlijke werkomgeving te garanderen – met inbegrip van de vrijheid van vereniging en het recht op collectieve onderhandelingen –, alle vormen van gedwongen of verplichte arbeid uit te bannen, kinderarbeid daadwerkelijk af te schaffen, een einde te maken aan discriminatie in arbeid en beroep, en het recht op een veilige en gezonde werkomgeving te waarborgen; overwegende dat deze rechten in de context van de EU worden beschermd door de EU-verdragen, het EU-Handvest van de grondrechten en het EU-acquis inzake arbeidsrecht; overwegende dat sommige lidstaten problemen ondervinden bij de uitvoering en handhaving van deze verplichtingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat de sociale partners en maatschappelijke organisaties een sleutelrol spelen bij het garanderen van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en het bevorderen van sociale rechtvaardigheid en gelijkheid; overwegende dat onderzoek heeft uitgewezen dat de industriële democratie nauw samenhangt met de kwaliteit van banen en werkgelegenheid en met het concurrentievermogen van de industrie<FOOTNOTE><FIELD>Measuring key dimensions of industrial relations and industrial democracy, Eurofound, december 2023.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is van mening dat de Commissie en de lidstaten hun inspanningen moeten opvoeren om de EPSR toe te passen, in overeenstemming met de Verklaring van Terhulpen en door middel van een ambitieuze actualisering van het actieplan, teneinde de hoofddoelen voor 2030 te verwezenlijken; verzoekt de Commissie om, als onderdeel van het geactualiseerde actieplan, de huidige hoofddoelen waar nodig aan te vullen en wetgevingsinitiatieven voor te stellen voor de volledige toepassing van de EPSR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten met het Parlement samen te werken aan de ontwikkeling van een nieuwe Europese sociale deal voor de toekomst, met duidelijke toezeggingen en investeringen op de volgende gebieden: de beperking van het risico op armoede en sociale uitsluiting in de EU en de verwezenlijking van de nettonuluitstoot van broeikasgassen in de EU in 2050;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>wijst erop dat de drie hoofdthema’s van de Wereldtop over Sociale Ontwikkeling van 1995 in Kopenhagen, die beschouwd worden als de drie pijlers van sociale ontwikkeling, namelijk uitbanning van armoede, volledige en productieve tewerkstelling en waardig werk voor iedereen, alsmede sociale inclusie, nog steeds relevant en belangrijk zijn en dat deze onderling met elkaar verbonden zijn en elkaar versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt hoe belangrijk het is om gebruik te maken van het sociale scorebord en het kader voor sociale convergentie om risico’s vast te stellen en de geboekte vooruitgang te volgen bij het streven naar opwaartse sociale convergentie, het verminderen van ongelijkheid, het versterken van socialebeschermingsstelsels en het bevorderen van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en steunmaatregelen om ervoor te zorgen dat de transities eerlijk verlopen; benadrukt dat het in dat verband noodzakelijk is om te streven naar een duurzaam, sociaal rechtvaardig en inclusief Europa waar sociale rechten volledig worden beschermd en gewaarborgd; herinnert eraan dat de EU-burgers hebben aangegeven dat een sociaal Europa een van hun prioriteiten is; benadrukt derhalve dat de Commissie dringend met een pakket inzake hoogwaardige banen moet komen, met inbegrip van de nodige wetgevingsinitiatieven en investeringen die hoogwaardige banen moeten opleveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om democratie op het werk, sociale dialoog en collectieve onderhandelingen, en de bescherming van de rechten van werknemers te bevorderen, met name in de context van de groene en de digitale transitie; wijst erop dat er in het kader van het volgende meerjarig financieel kader (MFK) voldoende middelen moeten blijven worden uitgetrokken om de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen te ondersteunen en de capaciteitsopbouw voor de sociale partners te versterken; roept ertoe op verdere inspanningen te leveren om een gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijk werk te garanderen, de loontransparantie te verbeteren en gendergerelateerde ongelijkheid aan te pakken en zo de genderkloven op het gebied van lonen, pensioenen en arbeidsparticipatie in de EU te dichten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om binnen alle beleidsterreinen en in alle wetgevingsteksten gendermainstreaming toe te passen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>dringt erop aan meer inspanningen te leveren in de strijd tegen geweld, discriminatie en intimidatie op de werkvloer; benadrukt het belang van preventieve en beschermende maatregelen op de werkplek om het welzijn en de lichamelijke en geestelijke gezondheid van werknemers te beschermen; wijst op de toename van werkgerelateerde psychologische problemen, die in verband worden gebracht met nieuwe vormen van arbeidsorganisatie, constante bereikbaarheid en digitaal toezicht<FOOTNOTE><FIELD>Living and Working in the EU e-survey 2024, Eurofound, 2024.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>herinnert eraan dat in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN en de daarmee samenhangende doelstellingen wordt erkend dat het uitbannen van armoede in al haar vormen en dimensies, met inbegrip van extreme armoede, de grootste mondiale uitdaging en een onmisbare vereiste voor duurzame ontwikkeling is, alsook dat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten en dat eerst degenen die het meest achterop zijn geraakt, moeten worden geholpen; dringt derhalve aan op een holistische visie op de uitbanning van armoede, sociale bescherming en inclusie en op een voorstel voor een ambitieuze strategie, waarvoor in het kader van het volgende MFK voldoende middelen moeten worden uitgetrokken, dat gebaseerd is op het komende initiatiefverslag van het Parlement over de EU-strategie tegen armoede en een ambitieus plan voor betaalbare huisvesting om de huisvestingscrisis aan te pakken en dakloosheid te bestrijden; wijst erop dat deze nieuwe initiatieven een aanvulling moeten vormen op andere gerelateerde EU-strategieën om een multidimensionale aanpak van armoede te waarborgen; herinnert eraan dat reeds in 2020 door de Commissie geraamd werd dat de sociale investeringen 192 miljard EUR lager waren dan het bedrag dat jaarlijks nodig zou zijn om aan de behoeften van burgers tegemoet te komen; onderstreept in dit verband dat de Europese fondsen een belangrijke rol spelen bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; benadrukt dat in het volgende MFK krachtige, op zichzelf staande instrumenten voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting moeten worden gehandhaafd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>wijst verder op de rol die de EU speelt in de sociale ontwikkeling van derde landen, onder meer via fondsen zoals Europa in de wereld; betreurt ten zeerste dat een aantal landen hun financiering voor ontwikkeling, waaronder sociale ontwikkeling, hebben ingetrokken, hetgeen rampzalige gevolgen heeft voor de levens en de bestaansmiddelen van mensen; dringt er bij de EU op aan zich in het kader van het huidige en het volgende MFK sterk te blijven inzetten voor de ondersteuning van sociale ontwikkeling in het buitenland om stabiliteit en stabiele financiering te waarborgen, en samen te werken met alle relevante actoren om te garanderen dat de doelstellingen op het gebied van sociale ontwikkeling wereldwijd nagestreefd blijven worden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>dringt er bij alle lidstaten op aan verdere inspanningen te leveren om kinderarmoede tegen te gaan door hun nationale actieplan voor de Europese kindergarantie uit te voeren, en verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat hiervoor in het volgende MFK aanzienlijke financiële middelen worden toegewezen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>is ingenomen met de recente goedkeuring van de richtlijn betreffende platformwerk<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn (EU) 2024/2831 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk (PB L, 2024/2831, 11.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/2831/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, hetgeen een belangrijke stap is in de richting van de bescherming van werknemers in de digitale economie; wijst erop dat dezelfde bescherming moet worden geboden aan werknemers in alle sectoren die met AI te maken krijgen door ervoor te zorgen dat het beginsel dat de mens de uiteindelijk controle behoudt een bindende norm wordt, en pleit nogmaals voor nieuwe wetgevingsinitiatieven inzake AI en algoritmisch beheer op de werkvloer, en inzake het recht om offline te zijn; herinnert eraan dat de uitrol van AI-systemen in overeenstemming moet zijn met de groene transitie en de klimaatdoelstellingen; benadrukt dat het noodzakelijk is om duurzame, hoogwaardige banen te creëren in sectoren die zich in de transitiefase bevinden of die vanwege de dubbele transitie zijn omgevormd, en om het rechtskader voor het beheer van en de anticipatie op de transities te versterken, waarbij de rol en de participatie van de sociale partners worden bevorderd en een inclusief arbeidsmarktbeleid wordt gestimuleerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>wijst erop dat er verder moet worden gezorgd voor de voorziening in en universele toegang tot hoogwaardig en gratis openbaar onderwijs, alsmede in een degelijk opleidingsbeleid en een leven lang leren, die leiden tot hoogwaardige banen met fatsoenlijke lonen; merkt op dat alle werknemers, ook werknemers met een handicap, toegang moeten hebben tot strategische bijscholings-, omscholings- en opleidingsprogramma’s – in combinatie met een vergoeding van de opleidingskosten –, die bovendien moeten worden afgestemd op de behoeften en vermogens van de werknemers; pleit er dan ook voor om op EU-niveau een individueel recht op opleiding en bijscholing voor werknemers in te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>benadrukt dat, gezien de klimaat- en biodiversiteitscrises en de economische en demografische uitdagingen, geen enkele generatie of regio in de EU – nu of in de toekomst – aan haar lot mag worden overgelaten en dat een rechtvaardige transitie binnen ieders bereik moet liggen; dringt aan op de indiening van initiatieven om zowel jongeren en ouderen als personen met een handicap te ondersteunen, en op maatregelen voor regio’s die met ontvolking worden geconfronteerd, zoals verbeterde en onbelemmerde toegang tot infrastructuur, met inbegrip van openbaar vervoer, digitale connectiviteit en betaalbare huisvesting, openbare diensten, gezondheidszorg, langdurige zorg, opvang van jonge kinderen en onderwijs, en roept op tot investeringen in de werkgelegenheid om ontvolking te voorkomen; verzoekt de lidstaten om universele, op rechten gebaseerde toegang tot hoogwaardige openbare diensten te garanderen en daarin te investeren; roept tevens de Commissie en de lidstaten ertoe op de Europese zorgstrategie volledig uit te voeren en te zorgen voor hoogwaardige, betaalbare en toegankelijke zorgdiensten in de hele EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de groene transitie sociaal rechtvaardig is, met specifieke steun voor werknemers, huishoudens, regio’s en ondernemingen die worden geraakt door structurele veranderingen en de veranderende behoeften van de arbeidsmarkt; merkt op dat strategieën van aanpassing aan en beperking van de klimaatverandering – mits deze zorgvuldig worden uitgewerkt via een robuuste, sociale dialoog – kunnen zorgen voor veerkrachtige economische ecosystemen, hoogwaardige banen, duurzame ondernemingen en inclusievere samenlevingen, waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten voort te bouwen op het Sociaal Klimaatfonds en de basis te leggen voor de aanpassing en verbetering van de socialebeschermingsstelsels op nationaal niveau met steun van de EU, teneinde te zorgen voor sociale weerbaarheid tegen de gevolgen van de klimaatverandering en de verslechtering van het milieu voor de werkgelegenheid en de levensomstandigheden en te verzekeren dat de getroffen gemeenschappen helemaal klaargestoomd zijn voor een nieuwe arbeidsmarkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>dringt aan op meer steun voor onderdanen van derde landen om zich op de arbeidsmarkt van de EU te integreren en hun talenten ten volle te benutten in banen en onder arbeidsomstandigheden van hoge kwaliteit die worden bevorderd door een doeltreffend integratiebeleid, ter aanvulling op het benutten van talenten uit de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>pleit voor een nauwlettend toezicht op actieve arbeidsmarktmaatregelen en voor voldoende inkomenssteun, toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting, alsmede socialezekerheidsvoorzieningen voor iedereen, zodat mensen die moeilijk hun weg vinden naar de arbeidsmarkt, met name vrouwen, personen met een handicap, migranten, mensen in de lhbtiq+ -gemeenschap, jongeren die hun intrede doen op de arbeidsmarkt, ouderen, mensen in afgelegen en plattelandsgebieden, mensen die langdurig werkloos zijn, en de Roma en andere minderheden, op voet van gelijkheid aan de arbeidsmarkt kunnen deelnemen; wijst er tevens op dat zelfstandigen een behoorlijke sociale bescherming en ondersteuning moeten krijgen; herinnert eraan dat de hoogte van de minimuminkomensuitkeringen in de meeste EU-lidstaten ruim onder het nationale bestaansminimum ligt; dringt er bij de lidstaten op aan de aanbeveling van de Raad over een toereikend minimuminkomen volledig uit te voeren<FOOTNOTE><FIELD>Aanbeveling van de Raad van 30 januari 2023 over een toereikend minimuminkomen met het oog op actieve inclusie (PB C 41 van 3.2.2023, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE>; wijst erop hoe belangrijk minimuminkomensregelingen wereldwijd zijn om mensen te helpen uit de armoede te komen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>is van mening dat de sociale economie een belangrijke drijvende kracht is achter de uitvoering van de EPSR en de doelstellingen daarvan, aangezien de sociale economie kwetsbare en uitgesloten groepen vaak toegang biedt tot werkgelegenheid en bijscholing; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer steun te verlenen aan alle ondernemingen van de sociale economie en zo hoogwaardig, waardig en inclusief werk te bevorderen; benadrukt dat projecten van de sociale economie over het algemeen een nauw partnerschap met overheidsinstanties vereisen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook een kader te ontwikkelen voor samenwerking tussen overheidsinstanties en organisaties van de sociale economie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>benadrukt dat voor de verwezenlijking van de SDG’s voor 2030 ook beginselen van goed bestuur moeten worden toegepast die steunen op de rechtsstaat, verantwoordelijke instellingen, doeltreffendheid van uitvoering, monitoring en handhaving en het vermijden van rechtsonzekerheid, ook voor landen die het EU-lidmaatschap aanvragen; dringt erop aan dat in de politieke verklaring naar aanleiding van de Tweede Wereldtop zinvolle toezeggingen worden opgenomen om vooruitgang met betrekking tot de SDG’s te boeken en aanhoudende lacunes in de sociale ontwikkeling aan te pakken, evenals krachtige monitoring- en evaluatiemechanismen; benadrukt de noodzaak om regelmatig een grondig evaluatieproces uit te voeren, met inbegrip van tweejaarlijkse ministeriële verklaringen; pleit voor de revitalisering van de VN-Commissie voor Sociale Ontwikkeling en een grotere betrokkenheid van de ministeries van Werkgelegenheid en de sociale partners, en verzoekt de IAO om op te treden als het belangrijkste follow-uporgaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>herinnert eraan dat vrede en mondiale samenwerking de fundamentele voorwaarden zijn voor duurzame ontwikkeling, zowel in Europa als wereldwijd; benadrukt dat de EU een leidende rol moet spelen op het gebied van de internationale mensenrechten door de internationale mensenrechteninstrumenten volledig en doeltreffend ten uitvoer te leggen; merkt op dat de wereldwijde inzet voor mensenrechteninstrumenten ook moet worden verhoogd door gebruik te maken van diplomatieke en economische kansen en door anderen, zoals niet-gouvernementele organisaties en vakbonden, in staat te stellen ongehinderd te streven naar betere mensenrechten- en sociale normen in de hele wereld; dringt er bij de VN-lidstaten op aan de rol van de sociale partners en maatschappelijke organisaties op hun grondgebied te ondersteunen en te bevorderen en ervoor te zorgen dat zij op zinvolle wijze worden betrokken bij de voorbereiding en follow-up van de top; benadrukt dat een sterke betrokkenheid van meerdere belanghebbenden bij de beleidsvorming en doeltreffende collectieve onderhandelingen aanzienlijk kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van sociale ontwikkeling; herinnert eraan dat mensenrechten en sociale rechten alleen op geloofwaardige wijze kunnen worden bevorderd door landen die zelf hun verplichtingen nakomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>verzoekt de VN en alle deelnemende landen, en in het bijzonder de gastlanden van de sociale top, om de sociale en arbeidsrechten volledig te eerbiedigen, onder meer door de kernverdragen van de IAO te ratificeren en zich ertoe te verbinden de waarden van de Verklaring over sociale gerechtigheid na te leven; onderstreept hoe belangrijk de EPSR en de Verklaring van Terhulpen zijn om een sterk sociaal Europa op te bouwen; wijst erop dat een hernieuwde toezegging nodig is om uiterlijk in 2030 zowel de sociale doelstellingen van de EU als de SDG’s te verwezenlijken, in Europa en wereldwijd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>neemt met bezorgdheid kennis van het feit dat er in de EU slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt bij de verwezenlijking van de SDG’s en dat het tempo van de vooruitgang in de periode 2020-2023 minder dan de helft bedraagt van dat in de periode 2016-2019; vindt het verontrustend dat de SDG’s niet uitdrukkelijk worden genoemd in de beleidslijnen van de huidige voorzitter van de Europese Commissie; wijst erop hoe belangrijk het is dat de EU zich sterker inzet voor sociale vooruitgang en de verwezenlijking van de SDG’s; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun verbintenis ten aanzien van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EU, en met name artikel 3 VEU, na te komen; dringt er in dit verband op aan dat de EU zich op constructieve wijze inzet voor de vaststelling van het VN-verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten om de activiteiten van transnationale bedrijven en andere ondernemingen te reguleren, eerlijke loonpraktijken buiten de EU te handhaven en slachtoffers van oneerlijke loonpraktijken de mogelijkheid te bieden verhaal te halen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>verzoekt de EU de wereldwijde overgang van informele naar formele werkgelegenheid te ondersteunen, in overeenstemming met Aanbeveling 204 van de IAO, door eerlijke arbeidsnormen, waardig werk en toegang tot sociale bescherming te bevorderen; is er voorstander van deze doelstelling onderdeel te maken van het beleid van de EU op het gebied van ontwikkeling, handel en extern optreden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>