<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF2" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0254</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">VN-klimaatconferentie 2025 in Belém, Brazilië (COP30)</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(B10-0445/2025)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2025 over de VN-klimaatconferentie 2025 (COP30) in Belém (Brazilië) (2025/2666(RSP))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst die op de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP21) van 12 december 2015 in Parijs werd aangenomen (de Overeenkomst van Parijs),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de 29e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP29), de 19e Conferentie van de Partijen voor de Partijen bij het Kyotoprotocol (CMP19), de zesde Conferentie van de Partijen voor de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs (CMA6), en het klimaatpact van Glasgow, dat op de 26e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP26) van 13 november 2021 in Glasgow werd aangenomen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst die werd gesloten op de 27e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP27) om tijdens de 28e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP28) een specifiek Fonds voor respons op verlies en schade en een overgangscomité voor de uitvoering van de nieuwe financieringsregelingen voor respons op verlies en schade op te richten, en gezien het netwerk van Santiago voor verlies en schade,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 14 november 2024 over de VN-klimaatconferentie 2024 (COP29) in Bakoe (Azerbeidzjan)<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/808, 11.2.2025, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/C/2025/808/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst op de COP29 over de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling inzake klimaatfinanciering en de doelstelling om de financiering voor ontwikkelingslanden uiterlijk in 2035 te verdrievoudigen tot 300 miljard USD per jaar en te waarborgen dat alle actoren samenwerken om de financiering voor ontwikkelingslanden, zowel uit particuliere als publieke bronnen, uiterlijk in 2035 op te trekken tot 1,3 biljoen USD per jaar,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 9 juli 2025 over de tenuitvoerlegging en verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen met het oog op het politiek forum op hoog niveau 2025<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P10_TA(2025)0159.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het speciale verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) van 2018 over de gevolgen van een wereldwijde opwarming van 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, zijn speciale verslag over klimaatverandering en land, zijn speciale verslag over de oceaan en de cryosfeer in een veranderend klimaat en zijn zesde evaluatieverslag,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het samenvattend rapport in het kader van het UNFCCC van 28 oktober 2024 over nationaal bepaalde bijdragen (NDC’s) uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) van 19 maart 2025 getiteld “State of the Global Climate 2024”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 15 april 2025 van de dienst van Copernicus voor klimaatverandering en van de WMO getiteld “European State of the Climate – Report 2024”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport in het kader van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van 2024 over de emissiekloof, dat op 24 oktober 2024 is gepubliceerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2025 getiteld “De Clean Industrial Deal: Een gezamenlijke routekaart voor concurrentievermogen en decarbonisatie” (COM(2025)0085),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de EU-wetgeving waarmee twee doelstellingen van de EU worden vertaald naar concreet beleid voor verschillende sectoren, namelijk de doelstelling om de netto-uitstoot voor het einde van 2030 met ten minste 55 % terug te dringen ten opzichte van het niveau van 1990, en de doelstelling om het bindende streefdoel van de EU te halen om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn (het “Fit for 55”-pakket),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030<FOOTNOTE><FIELD> PB L 114 van 12.4.2022, blz. 22, ELI: <STRING UNDERLINE="on">https://eur-lex.europa.eu/eli/dec/2022/591/oj?locale=nl</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>, alsmede het verslag van 20 februari 2025 van het Europees Milieuagentschap waarin de voortgang wordt gemonitord met betrekking tot de doelstellingen van het achtste milieuactieprogramma (MAP), en het verslag van de Commissie van 13 maart 2024 over de tussentijdse evaluatie van het achtste MAP (COM(2024)0123),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu<FOOTNOTE><FIELD> PB C 232 van 16.6.2021, blz. 28.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2024 getiteld “Onze toekomst veiligstellen — De klimaatdoelstelling voor Europa voor 2040 en de weg naar klimaatneutraliteit tegen 2050 met het oog op de totstandbrenging van een duurzame, rechtvaardige en welvarende samenleving” (COM(2024)0063),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 12 maart 2024 getiteld “Klimaatrisico’s beheren — De bevolking en de welvaart beschermen” (COM(2024)0091),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2025 getiteld “EU-brede beoordeling van de definitieve geactualiseerde nationale energie- en klimaatplannen — De energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 verwezenlijken” (COM(2025)0274),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 11 maart 2024 van het Europees Milieuagentschap getiteld “European Climate Risk Assessment”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 15 juni 2023 van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering getiteld “Scientific advice for the determining of an EU-wide 2040 climate target and a greenhouse gas budget for 2030-2050”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 2 juni 2025 van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering getiteld “Scientific advice for amending the European Climate Law – Setting climate goals to strengthen EU strategic priorities”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 28 juni 2023 getiteld “Een nieuwe visie op het verband tussen klimaat en veiligheid: Aanpak van de gevolgen van klimaatverandering en aantasting van het milieu voor vrede, veiligheid en defensie” (JOIN(2023)0019), en het gezamenlijk werkdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 17 februari 2025 getiteld “Progress Report on the implementation of the Joint Communication — “A New Outlook on the Climate and Security Nexus”” (SWD(2025)0049),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het mondiaal kader voor chemische stoffen – voor een planeet zonder schade door chemische stoffen en afval, dat in september 2023 is aangenomen tijdens de door het UNEP georganiseerde vijfde Internationale Conferentie over het beheer van chemische stoffen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal, dat in december 2022 tijdens de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen bij het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD COP15) is overeengekomen, en de 16e bijeenkomst van de Conferentie van de Partijen bij het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD COP16), die in februari 2025 werd gesloten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (BBNJ-verdrag of Verdrag voor de Volle Zee) van 19 juni 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1991 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2024 inzake natuurherstel en tot wijziging van Verordening (EU) 2022/869<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/1991, 29.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1991/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (“verordening natuurherstel”),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn standpunt van 10 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake bodemmonitoring en -veerkracht<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P9_TA(2024)0204.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/3012 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 tot vaststelling van een certificeringskader van de Unie voor permanente koolstofverwijderingen, koolstoflandbeheer en koolstofopslag in producten<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/3012, 6.12.2024, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/reg/2024/3012/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1787 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/942<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/1787, 15.7.2024, ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1787/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de door de Mensenrechtenraad van de VN op 12 juli 2019 aangenomen resolutie over mensenrechten en klimaatverandering (A/HRC/RES/41/21),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring getiteld “Supporting the Conditions for a Just Transition Internationally” van 4 november 2021, die tijdens de COP26 werd aangenomen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad inzake klimaatfinanciering van 10 oktober 2025 in het licht van de 30e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP30) in Belém,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de vragen aan de Commissie en aan de Raad over de VN-klimaatconferentie 2025 (COP30) in Belém (Brazilië) (O-000028/2025 – B10‑0011/2025 and O-000029/2025 – B10‑0012/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 142, lid 5, en artikel 136, lid 2, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid,</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het Europees Parlement een noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu heeft afgekondigd en zich ertoe heeft verbonden deze dreiging met spoed te bestrijden en beheersen; overwegende dat uit recente wetenschappelijke studies<FOOTNOTE><FIELD> Forster, P. M., Smith, C., Walsh, T., Lamb, W. F., Lamboll, R. et al., “Indicators of Global Climate Change 2024: annual update of key indicators of the state of the climate system and human influence”, <STRING ITALIC="on">Earth System Science Data</STRING>, Vol. 17, uitgave 6, 19 juni 2025.</FIELD></FOOTNOTE> blijkt dat de door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde en de stijging van de zeespiegel zelfs sneller gaan dan eerder werd verwacht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de Overeenkomst van Parijs op 4 november 2016 in werking is getreden; overwegende dat het in 2025 tien jaar geleden is dat de Overeenkomst van Parijs is aangenomen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat als de onvoorwaardelijke NDC’s die in de Overeenkomst van Parijs voor 2030 zijn gedaan, volledig zouden worden uitgevoerd, de wereld volgens het UNEP-rapport van 2024 over de emissiekloof<FOOTNOTE><FIELD> Milieuprogramma van de VN, “Rapport over de emissiekloof 2024”, 24 oktober 2024.</FIELD></FOOTNOTE> deze eeuw afstevent op een maximale temperatuurstijging van 2,8 °C, en dat deze stijging 2,6 °C zou bedragen als de voorwaardelijke NDC’s zouden worden uitgevoerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat in het samenvattend rapport<FOOTNOTE><FIELD> UNFCCC-secretariaat, samenvattend rapport van de NDC’s van 2024, 28 oktober 2024.</FIELD></FOOTNOTE> van de NDC’s van 2024 wordt gesteld dat de totale wereldwijde uitstoot van broeikasgassen in 2030 naar verwachting 2,6 % onder het niveau van 2019 zal liggen; overwegende dat de IPCC ten slotte stelt dat de broeikasgasemissies in scenario’s waarin de opwarming beperkt blijft tot 1,5 °C, uiterlijk in 2030 43 % onder het niveau van 2019 moeten liggen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de EU een leidende rol moet blijven spelen in internationale klimaatonderhandelingen; overwegende dat een collectieve inspanning van alle partijen nodig is om de mondiale klimaatdoelstellingen te halen; overwegende dat decarbonisatie in de EU alleen niet zal volstaan; overwegende dat de Verenigde Staten goed zijn voor 23,8 % van de wereldwijde cumulatieve CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-emissies, de EU‑lidstaten voor 16,5 %, China voor 15 %, Rusland voor 6,7 % en het VK voor 4,4 %; overwegende dat de EU momenteel de op drie na grootste jaarlijkse uitstoter van CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING> ter wereld is, goed voor ongeveer 6 % van de wereldwijde uitstoot, na China, de Verenigde Staten en India; overwegende dat de EU 5,7 % van de wereldbevolking en 14,7 % van het mondiale bbp vertegenwoordigt<FOOTNOTE><FIELD> https://ec.europa.eu/eurostat/en/web/products-key-figures/w/ks-01-25-002.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat trajecten om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C netto negatieve emissies na 2050 vereisen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de meeste maatregelen ter beperking van de klimaatverandering in het zesde evaluatierapport van de IPCC, dat in 2023 is gepubliceerd, koolstofafvang, -opslag en -onttrekking omvatten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat het mondiale koolstofbudget waarmee de opwarming van de aarde met 67 % waarschijnlijkheid kan worden beperkt tot 1,5 °C, volgens schattingen van de IPCC ongeveer 400 gigaton CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING> bedraagt vanaf 2020<FOOTNOTE><FIELD> IPCC, “Summary for Policymakers”, in Climate Change 2021 – The Physical Science Basis. Bijdrage van Werkgroep I aan het zesde evaluatierapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, 2021.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat dit koolstofbudget met de huidige wereldwijde uitstootniveaus naar verwachting uiterlijk in 2030 zal zijn opgebruikt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat methaan verantwoordelijk is voor ongeveer 30 % van de stijging van de mondiale temperaturen sinds de industriële revolutie; overwegende dat de EU op de COP26 het mondiale methaanpact mede heeft gelanceerd om de methaanuitstoot tegen 2030 met 30 % te verminderen ten opzichte van 2020; overwegende dat uit het rapport van het Internationaal Energieagentschap van mei 2025 getiteld “Global Methane Tracker 2025” blijkt dat de methaanuitstoot nog steeds toeneemt en dat de uitvoering van het mondiale methaanpact zwak blijft;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het IPCC concludeert dat putten op het land en in de oceanen 56 % van de door de mens veroorzaakte CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-emissies in de afgelopen zes decennia hebben geabsorbeerd<FOOTNOTE><FIELD> IPCC, “Sections” in <STRING ITALIC="on">Climate Change 2023: Synthesis Report. Contribution of Working Groups I, II and III to the Sixth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change</STRING>, 2023.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat zes van de negen planetaire grenzen, zoals gedefinieerd door het Stockholm Resilience Centre, zijn overschreden<FOOTNOTE><FIELD> Richardson, K., Steffen, W., Lucht, W., Bendtsen, J., Cornell, S. et al., “Earth beyond six of nine planetary boundaries”, <STRING ITALIC="on">Science Advances</STRING>, Vol. 9, uitgave 37, 13 september 2023.</FIELD></FOOTNOTE>, waaronder de planetaire grens voor het klimaat;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat het UNEP de onderling verbonden ecologische noodsituaties van klimaatverandering, verontreiniging en biodiversiteitsverlies beschrijft als “de drievoudige planetaire crisis”, aangezien de klimaatverandering het biodiversiteitsverlies verergert, de verontreiniging zowel de klimaatverandering als de instorting van het ecosysteem versnelt, en het biodiversiteitsverlies de klimaatbestendigheid verzwakt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat bescherming, behoud en herstel van biodiversiteit en ecosystemen, onder meer door grotere inspanningen om ontbossing en bosdegradatie een halt toe te roepen en om te keren, noodzakelijke maatregelen zijn om de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs te halen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal concrete maatregelen bevat om het verlies aan natuur een halt toe te roepen en om te keren, waaronder doelstellingen om tegen 2030 30 % van alle aangetaste ecosystemen te herstellen en een doelstelling om 30 % van land, wateren en zeeën in stand te houden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat 2024 het warmste jaar ooit gemeten was en de wereldwijde temperatuur voor het eerst 1,5 °C boven het pre-industriële niveau lag; overwegende dat de gegevens van Copernicus voor de eerste helft van 2025 tot de hoogste geregistreerde temperaturen behoren, waarbij alleen 2024 warmer was in het geval van de maand mei<FOOTNOTE><FIELD> Copernicus, “Copernicus: Exceptionally dry spring in parts of north-western Europe — Second-warmest May globally”, website van Copernicus, 10 juni 2025.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat elk van de tien afgelopen jaren ook in de top tien staat van de warmste jaren sinds het begin van de metingen; overwegende dat Europa van alle continenten het snelst opwarmt en dat het volgens de gegevens van Copernicus sinds de jaren tachtig ongeveer twee keer zo snel opwarmt als het wereldwijde gemiddelde<FOOTNOTE><FIELD> Copernicus, <STRING ITALIC="on">Copernicus Global Climate Report 2024</STRING>, website van Copernicus, 10 januari 2025.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het recht op toegang tot een schoon, gezond en duurzaam milieu als een universeel mensenrecht heeft erkend<FOOTNOTE><FIELD> Resolutie 76/300 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 28 juli 2022 getiteld “The human right to a clean, healthy and sustainable environment”.</FIELD></FOOTNOTE> en dat in artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het beginsel is verankerd dat milieubescherming in het beleid van de Unie moet worden geïntegreerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat luchtverontreiniging een grote bedreiging voor het milieu en de volksgezondheid vormt en onlosmakelijk verbonden is met de klimaatnoodtoestand, zowel wat betreft gedeelde energiebronnen zoals de verbranding van fossiele brandstoffen als wat betreft de noodzaak van geïntegreerde beleidsoplossingen; overwegende dat kortlevende verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor het klimaat, zoals methaan en zwarte koolstof, verantwoordelijk zijn voor bijna de helft van de huidige opwarmingsniveaus van de aarde en ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid, met name onder kwetsbare bevolkingsgroepen<FOOTNOTE><FIELD> Szopa, S., Naik, V., Adhikary, B., Artaxo, P., Berntsen, T., “Short-Lived Climate Forcers” in <STRING ITALIC="on">Climate Change 2021: The Physical Science Basis. Contribution of Working Group I to the Sixth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change</STRING>, juni 2023.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat de Verenigde Staten voor de tweede keer hebben besloten zich eenzijdig uit de Overeenkomst van Parijs terug te trekken; overwegende dat er een grote achterstand zal ontstaan nu de VS zich uit de multilaterale orde hebben teruggetrokken en geen humanitaire en ontwikkelingshulp meer bieden of internationale klimaatfinanciering verstrekken; overwegende dat de EU niet alleen de verantwoordelijkheid heeft te helpen om deze achterstand op te vangen, maar er ook strategisch bij gebaat is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat het in overeenstemming brengen van de wereldwijde financieringsstromen met een traject naar een klimaatneutrale en klimaatbestendige economie een essentieel doel is voor de groene transitie in overeenstemming met artikel 2 van de Overeenkomst van Parijs;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat in het verslag van de permanente commissie Financiën van het UNFCCC van 2021 getiteld “First report on the determination of the needs of developing country Parties” staat dat uit de nationale verslagen die zijn ingediend door de ontwikkelingslanden die partij zijn bij het UNFCCC, blijkt dat de kosten om tot 2030 te voorzien in hun behoeften in verband met de uitvoering van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de Overeenkomst van Parijs, cumulatief 5,8-5,9 biljoen USD bedragen<FOOTNOTE><FIELD> Permanente commissie Financiën van het UNFCCC, “First report on the determination of the needs of developing country Parties related to implementing the Convention and the Paris Agreement”, website van de VN over klimaatverandering, 2021.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling inzake klimaatfinanciering van het UNFCCC een toezegging bevat om de financiering op te schalen tot een bedrag van ten minste 1,3 biljoen USD per jaar tegen 2035;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat het initiatief van het non-proliferatieverdrag inzake fossiele brandstoffen geïnspireerd is op het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en oproept tot een bindend internationaal verdrag om de uitbreiding van fossiele brandstoffen een halt toe te roepen, de bestaande productie geleidelijk af te bouwen en een wereldwijde rechtvaardige transitie te ondersteunen; overwegende dat tot nu toe slechts 17 landen het non-proliferatieverdrag inzake fossiele brandstoffen hebben onderschreven, en dat geen van die landen een EU-lidstaat is<FOOTNOTE><FIELD> Initiatief van het non-proliferatieverdrag inzake fossiele brandstoffen, “Governments participating in discussions on a fossil fuel treaty”, website van het initiatief van het non-proliferatieverdrag inzake fossiele brandstoffen.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering aanbevolen heeft om subsidies voor fossiele brandstoffen zo snel mogelijk en volledig uit te faseren in de EU, in overeenstemming met de gedane toezeggingen; overwegende dat het achtste MAP de vaststelling vereist van een duidelijk tijdstip voor de beëindiging van dergelijke subsidies in overeenstemming met deze klimaatambitie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>W.</NO.P>overwegende dat kinderen bijzonder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering, onder meer als gevolg van dodelijke ziekten, verontreiniging, voedsel- en wateronzekerheid en extreme weergebeurtenissen; overwegende dat bijna 1 miljard kinderen in 33 landen leven die als landen met een “extreem hoog risico” zijn geclassificeerd vanwege een combinatie van blootstelling aan klimaat- en milieugevaren en een hoge mate van kwetsbaarheid<FOOTNOTE><FIELD> Unicef, “The climate crisis is a child rights crisis – Introducing the Children’s Climate Risk Index”, augustus 2021.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>X.</NO.P>overwegende dat ambitieuze multilaterale klimaatkaders en de daarop afgestemde acties ten dienste staan van de strategische belangen van de EU en kansen bieden voor de EU als wereldwijde koploper in de groene transitie;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Algemene inventarisatie, NDC’s en de COP30 in Belém</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>wijst erop dat op de COP28 in het resultaat van de eerste algemene inventarisatie (GST) werd erkend dat het voor trajecten waarbij de opwarming van de aarde wordt beperkt tot 1,5 °C zonder of met een beperkte overschrijding en tot 2 °C, noodzakelijk is dat de wereldwijde broeikasgasuitstoot uiterlijk in 2025 piekt, en wordt beklemtoond dat de opwarming van de aarde slechts kan worden beperkt tot 1,5 °C zonder of met een beperkte overschrijding als de wereldwijde broeikasgasemissies grondig, snel en duurzaam worden verminderd met 43 % tegen 2030 en 60 % tegen 2035 ten opzichte van het niveau van 2019, waarbij de broeikasgasemissies tegen 2050 tot nul moeten zijn teruggebracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>neemt kennis van de relatieve vooruitgang die op de COP29 in Bakoe op bepaalde gebieden is geboekt, in het bijzonder wat betreft de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling inzake klimaatfinanciering, de vooruitgang bij het operationeel maken van het Fonds voor respons op verlies en schade en de overeenkomst over de koolstofmarkt; betreurt echter het gebrek aan voldoende vooruitgang op het gebied van mitigatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de geaggregeerde emissiereducties van de ingediende NDC’s aanzienlijk achterblijven bij de emissietrajecten die nodig zijn om te voldoen aan de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs en de conclusies van de eerste GST; dringt erop aan dat de COP30 de inzet voor de 1,5 gradendoelstelling opnieuw bevestigt, een overeenkomst bereikt over de noodzaak om de ambitie te blijven versterken, en concrete besluiten neemt om de uitvoering van de NDC’s te ondersteunen; is van mening dat GST’s vaker moeten plaatsvinden en roept alle partijen die niet op koers liggen om de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs te halen op om hun NDC’s om de twee jaar te actualiseren en aan te scherpen, naast de vijfjaarlijkse herzieningscyclus;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt dat alle partijen zich tezamen moeten inspannen en verdere actie moeten ondernemen om het teveel aan uitstoot af te bouwen en de maatregelen uit de eerste GST uit te voeren via concrete streefdoelen, en om de nationaal vastgestelde maatregelen op te schalen; onderstreept de bijzondere verantwoordelijkheid van alle grote uitstoters, met inbegrip van opkomende economieën en de G20-landen, om in dit opzicht leiderschap aan de dag te leggen; dringt er bij de EU en gelijkgestemde partners op aan het voortouw te nemen in een coalitie met een hoge ambitie en met alle partijen samen te werken om tijdens COP30 tot een succesvol resultaat te komen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>betreurt ten zeerste het besluit van de regering van de VS om zich voor de tweede keer uit de Overeenkomst van Parijs terug te trekken; dringt er bij de Verenigde Staten op aan hun terugtrekking te heroverwegen en een billijke bijdrage te leveren aan de mondiale inspanningen om de klimaatverandering aan te pakken en aan de mondiale klimaatfinanciering, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, met name gelet op hun verantwoordelijkheid op basis van hun cumulatieve emissies in het verleden; moedigt Amerikaanse staten en niet-gouvernementele actoren aan om zich te blijven inzetten voor internationale samenwerking op klimaatgebied, onder meer tijdens VN-conferenties over klimaatverandering; wijst erop dat geen enkel ander land het voorbeeld van de Verenigde Staten om zich uit de Overeenkomst van Parijs terug te trekken heeft gevolgd; onderstreept de bijzondere verantwoordelijkheid en het strategisch belang van de EU om leiderschap aan de dag te leggen en het vertrouwen in mondiale klimaatactie te herstellen, onder meer door middel van maatregelen om te voorkomen dat niet nog meer landen zich uit de Overeenkomst van Parijs terugtrekken; is van mening dat alle aspecten van het externe optreden van de EU, met inbegrip van het handels- en het ontwikkelingsbeleid, aan deze doelstellingen kunnen bijdragen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>wijst nogmaals op het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, waartoe de EU en haar lidstaten zich hebben verbonden en dat tot doel heeft tegenstrijdigheden tot een minimum te beperken en synergieën tussen de verschillende beleidsterreinen van de EU tot stand te brengen; dringt aan op een coherente aanpak van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling in het kader van zowel het intern als extern beleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>herinnert eraan dat de partijen bij het UNFCCC in de eerste GST hebben erkend dat de broeikasgasemissies drastisch, snel en duurzaam moet worden verminderd, in lijn met het traject van 1,5 °C, en zich ertoe hebben verbonden bij te dragen aan de wereldwijde inspanningen om de capaciteit voor hernieuwbare energie wereldwijd te verdrievoudigen en het wereldwijde gemiddelde jaarlijkse verbeteringspercentage van de energie-efficiëntie tegen 2030 te verdubbelen; blijft bezorgd over de geringe vooruitgang die is geboekt om deze doelstellingen te bereiken; benadrukt dat het van essentieel belang is dat de COP30 op deze doelstellingen voortbouwt en concrete beslissingen neemt over de uitvoering ervan, en ook aanvullende maatregelen neemt indien er nog steeds sprake is van een ambitiekloof; bevestigt opnieuw zijn toezegging om de in de COP28-verklaring over klimaat en gezondheid bereikte consensus waar te maken; neemt kennis van de toezegging om de ontwikkeling van emissievrije en emissiearme technologieën te helpen versnellen; herinnert in dit verband aan paragraaf 28, punt e), van de eerste GST zoals aangenomen tijdens de COP28;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>wijst erop dat in de eerste GST de landen zich ertoe hebben verbonden om de inspanningen voor de uitfasering van steenkoolenergie zonder emissiereductie en de uitfasering van inefficiënte subsidies voor fossiele brandstoffen te versnellen en op een rechtvaardige, ordelijke en billijke manier af te stappen van fossiele brandstoffen in energiesystemen, met het oog op versnelde actie in dit kritieke decennium, teneinde in overeenstemming met de wetenschap uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te worden; verzoekt alle partijen hun inspanningen in deze richting op te voeren en deel te nemen aan de ontwikkeling van een non-proliferatieverdrag inzake fossiele brandstoffen; verwacht dat de COP30 zich sterker zal inzetten voor de transitie weg van fossiele brandstoffen en dringt aan op de dringende noodzaak van ambitieuze en tijdgebonden plannen om subsidies voor fossiele brandstoffen en de productie van fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>stelt vast dat landen hun NDC’s voor 2035 uiterlijk in 2025 moeten indienen en dat deze essentieel zijn om de klimaatambitie te verhogen, de vooruitgang te meten en veerkrachtiger te worden; acht het van cruciaal belang dat de EU het goede voorbeeld geeft en roept haar en alle partijen die dit nog niet hebben gedaan op om te reageren op de GST van de COP28 en zo snel mogelijk en ruim voor de COP30 absolute, in plaats van relatieve, emissiereductiedoelstellingen voor de hele economie in te dienen voor alle broeikasgassen, sectoren en categorieën, die in lijn liggen met de 1,5 gradendoelstelling; betreurt dat de meeste partijen de termijn voor de indiening van hun geactualiseerde NDC’s niet hebben gehaald en wijst erop dat het voor de goede werking van het multilateralisme op het gebied van het klimaatbeleid belangrijk is dat alle UNFCCC-processen en -indieningstermijnen worden nageleefd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>wijst op het belang van gedetailleerde en transparante verslaglegging om de vooruitgang met betrekking tot de NDC’s te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>erkent dat er vooruitgang is geboekt bij de uitvoering van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs en benadrukt dat het gebruik van artikel 6 altijd moet leiden tot een gegarandeerd nettovoordeel voor het klimaat, en roept alle partijen er dan ook toe op ervoor te zorgen dat projecten in het kader van artikel 6 geen belemmering vormen voor binnenlandse emissiereducties; dringt er bij het toezichthoudend orgaan en alle partijen op aan zich aan het klimaatpact van Glasgow te houden en er aldus voor te zorgen dat alle goedgekeurde activiteiten in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling uiterlijk eind 2025 aan de methoden van artikel 6, lid 4, voldoen; roept de Commissie ertoe op te pleiten voor en steun te verlenen aan de ontwikkeling van een robuust internationaal governancekader voor internationaal overgedragen mitigatieresultaten, dat bindende normen voor internationale koolstofcredits omvat om de integriteit op milieu-, klimaat- en sociaal gebied te waarborgen, een eerlijke verdeling van de mitigatievoordelen, duidelijke uitvoeringsregels om transparantie, additionaliteit en duurzaamheid te garanderen, strikte rapportageverplichtingen en doeltreffende toezichtmechanismen voor alle projecten die in het kader van artikel 6 worden uitgevoerd, teneinde het risico van dubbeltelling uit te sluiten en de milieu-integriteit van het systeem te vrijwaren; pleit voor duidelijke regels inzake het delen van verantwoordelijkheden voor monitoring en risico’s van omkering, om de gastlanden niet onnodig te belasten; benadrukt dat particuliere koolstofmarktinitiatieven moeten voldoen aan de strengste normen inzake integriteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>roept alle partijen ertoe op om tijdens de COP30 zinvolle vooruitgang te boeken om ervoor te zorgen dat de tweede GST, die in 2026 van start gaat, gebaseerd is op de beste beschikbare wetenschap en horizontale kwesties integreert, zoals gendergerechtigheid, mensenrechten en de bescherming van ecosystemen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Internationale klimaatfinanciering en duurzame financiering</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>benadrukt dat het verstrekken van adequate klimaatfinanciering essentieel is om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken; herinnert eraan dat de NDC’s van veel ontwikkelingslanden afhankelijk zijn van internationale klimaatfinanciering; benadrukt dat volgens verschillende VN-rapporten de wereldwijde kloof tussen wat nodig is en wat momenteel wordt verstrekt voor klimaatfinanciering groot is en steeds groter wordt, en dat deze groeiende kloof het gevolg is van een aantal factoren, die allemaal adequaat moeten worden aangepakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>wijst erop dat vertragingen in de mobilisatie van klimaatfinanciering zullen leiden tot hogere kosten, stijgende opportuniteitskosten en een afnemend klimaatrendement; merkt in dit verband op dat het IEA schat dat voor elke Amerikaanse dollar die niet vóór 2030 in schone energie wordt geïnvesteerd, er later vier of vijf dollar nodig kan zijn om dit te compenseren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>benadrukt dat klimaatadaptatie ondergefinancierd is en dat de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling niet voldoende inspeelt op de financieringsbehoeften op het gebied van klimaatadaptatie; benadrukt dat alle financieringsbronnen, zowel publieke als particuliere, nodig zijn, maar dat internationale publieke financiering vooral nodig is om in te spelen op de behoeften op het gebied van de klimaatadaptatie en om verlies en schade aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>merkt op dat de EU en haar lidstaten ruwweg een derde van de mondiale publieke klimaatfinanciering voor hun rekening nemen en daarmee wereldwijd de grootste geldschieters zijn, met 28,6 miljard EUR uit publieke bronnen in 2023 en 7,2 miljard EUR aan particuliere financiering die ook is gemobiliseerd; herhaalt dat de begrotingen van de EU en de lidstaten moeten worden aangepast om de overeengekomen nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling te verwezenlijken, zodat de EU haar billijke aandeel in de internationale klimaatfinanciering levert, onder meer door particuliere klimaatfinanciering te mobiliseren; is van mening dat de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling de ondergrens/grens vormt voor het mobiliseren van klimaatfinanciering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>ziet in dat de EU een belangrijke rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het akkoord om de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling inzake klimaatfinanciering te halen; roept alle partijen ertoe op een billijke bijdrage te leveren om de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling te halen, met subdoelstellingen voor de financiering van mitigatie en adaptatie en voor verlies en schade; verzoekt de EU en haar lidstaten voor nieuwe en aanvullende klimaatfinanciering te zorgen, via een specifiek en voorspelbaar EU-mechanisme voor overheidsfinanciering, om overeenstemming met de overeengekomen nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling te waarborgen; herinnert eraan dat, om het noodzakelijke mondiale niveau van klimaatfinanciering te bereiken, een bredere bijdragebasis nodig is die de evoluerende financiële draagkracht van de partijen weerspiegelt; verwacht van hogermiddeninkomenslanden die veel uitstoten dat ze een billijke bijdrage leveren en hun bijdrage sterker verhogen dan nu het geval is; roept alle partijen ertoe op nieuwe en innovatieve bronnen van publieke en particuliere financiering aan te boren; roept de partijen ertoe op om bij de financiering van de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling prioriteit te geven aan instrumenten en maatregelen die op subsidies gebaseerd zijn en niet tot schulden leiden, om ervoor te zorgen dat de ontvangende landen de nodige mitigatie- en adaptatiemaatregelen kunnen uitvoeren zonder hun schuldenlast te verhogen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling wordt bereikt doordat andere fondsen worden herschikt; wijst ook op de bezorgdheid over de dubbelzinnigheid rond de soorten financiering die bijdragen aan de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling, in het bijzonder het probleem van dubbeltelling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>roept alle actoren ertoe op ervoor te zorgen dat de routekaart Bakoe-Belém een duidelijk en uitvoerbaar plan bevat voor het mobiliseren van de relevante middelen; dringt er bij alle partijen op aan sterke publiek-private samenwerking te bevorderen en particuliere investeringen op grote schaal te mobiliseren door de regelgevingskaders voor verantwoordelijke en duurzame investeringen te versterken; merkt op dat particuliere investeringen het grootste deel van de vereiste investeringen in de wereldwijde klimaattransitie zullen moeten uitmaken; wijst erop dat de routekaart een stevig en onafhankelijk verantwoordingsmechanisme moet omvatten om transparantie te waarborgen en de voortgang doeltreffend te kunnen volgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>merkt op dat veel van de klimaatgevoelige landen, waaronder verschillende minst ontwikkelde landen, een zware schuldenlast hebben of een aanzienlijk risico daarop lopen en dat klimaatfinanciering derhalve zodanig moet worden toegewezen dat hun schuldenlast niet wordt verergerd, waarbij voorrang moet worden gegeven aan financiering op basis van subsidies; verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan hoe zij deze schuldenlast kunnen helpen verlichten en onverwijld de nodige maatregelen te nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>wijst erop dat er in alle VN-organen consensus bestaat dat klimaatfinanciering niet op billijke wijze kan worden opgeschaald tenzij de schuldencrisis wordt aangepakt; benadrukt het belang, in deze context, van instrumenten voor schuldverlichting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>roept de Commissie, de lidstaten en internationale partners ertoe op om klimaatmicrofinanciering te integreren als kernonderdeel van klimaatadaptatie- en mitigatiestrategieën, door lokale microfinancieringsinstellingen te steunen bij het ontwikkelen en opschalen van financiële producten voor kwetsbare bevolkingsgroepen, met inbegrip van microkredieten voor groene technologieën, microverzekering tegen klimaatrisico’s en microsparen om gemeenschappen weerbaarder te maken, met bijzondere aandacht voor vrouwen, jongeren en plattelandsgemeenschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>benadrukt dat de procedures voor klimaatfinanciering dringend moeten worden vereenvoudigd, versneld en aangepast aan de realiteit van de ontwikkelingslanden, met name door centrale toegangspunten op te richten, de aanvraagcriteria te harmoniseren en technische bijstand te verlenen bij de voorbereiding van projecten, om ervoor te zorgen dat klimaatfinanciering toegankelijk, snel en doeltreffend is voor lokale organisaties en gemeenschappen die het meest door klimaatverandering worden getroffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>acht het van essentieel belang om op de COP30 vooruitgang te boeken met de omzetting van artikel 2, lid 1, punt c), van de Overeenkomst van Parijs en om hiervan een vast COP-agendapunt te maken; roept de EU ertoe op deel te nemen aan internationale initiatieven, zoals het initiatief Bridgetown 3.0; dringt erop aan de internationale financiële architectuur sneller te hervormen en roept alle grote internationale financiële instellingen en multilaterale ontwikkelingsbanken ertoe op hun rol als klimaatbank op zich te nemen en hun portefeuilles en beleid inzake kredietverstrekking af te stemmen op de Overeenkomst van Parijs op een manier die op lange termijn financieel houdbaar is; roept ook binnenlandse en internationale financiële systemen ertoe op de uitdagingen van de klimaatverandering beter aan te pakken door belemmeringen voor de toegang tot klimaatfinanciering voor schone technologieën weg te nemen en publieke en particuliere financieringsstromen weg te leiden van emissie-intensieve activiteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>is van mening dat de Europese Investeringsbank (EIB) moet fungeren als de klimaatbank van de Unie en neemt derhalve kennis van haar klimaatbankroutekaart en geactualiseerde beleid inzake kredietverstrekking voor energie, alsook van de extra inspanningen van het Europees Investeringsfonds (EIF) als belangrijke stappen om het voortouw te nemen op het gebied van klimaatinvesteringen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Adaptatie, verlies en schade, en een rechtvaardige transitie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>onderstreept dat de klimaatadaptatie, -bestendigheid en -paraatheid binnen de EU en wereldwijd moeten worden opgevoerd om de negatieve gevolgen van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies zoveel mogelijk te beperken en dat dit uitvoerig moet worden aangepakt op de COP’s, waarbij wordt gewezen op de belangrijke rol van lokale en regionale overheden bij het ontwerpen en uitvoeren van deze maatregelen; erkent het belang van wereldwijde samenwerking en de uitwisseling van knowhow en van de beste beschikbare wetenschap en beste praktijken op het gebied van klimaatadaptatie; benadrukt dat de kosten van adaptatie zullen toenemen als er geen actie wordt ondernomen of als die te laat op gang komt, zowel op het gebied van mitigatie als van adaptatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>spreekt nogmaals zijn ernstige bezorgdheid uit over de toenemende intensiteit en frequentie van extreme weergebeurtenissen in de EU en in de wereld, waaronder bosbranden, droogte, hittegolven en overstromingen, en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid, en het toenemende verlies aan mensenlevens; merkt op dat de zeespiegel volgens alle scenario’s van het IPCC in de loop van deze eeuw naar verwachting sneller zal stijgen, hetgeen zal leiden tot financiële kosten en verlies van kustgebieden over de hele wereld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>benadrukt de noodzaak om tijdens de COP30 het kader voor de mondiale doelstelling inzake adaptatie operationeel te maken, onder meer door impactvolle en hanteerbare indicatoren en robuuste, alomvattende traceringssystemen vast te stellen en uitvoeringsmaatregelen aan te pakken, teneinde een doeltreffende monitoring van de vooruitgang bij de verwezenlijking van de tijdens de COP28 vastgestelde adaptatiedoelstellingen mogelijk te maken; wijst erop dat er weliswaar vooruitgang is geboekt met de financiering en uitvoering van mitigatiemaatregelen, maar dat de adaptatie-inspanningen achterblijven, met een groeiende kloof op het gebied van zowel financiering als concrete actie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>benadrukt dat nationale adaptatieplannen belangrijk zijn en dat deze moeten worden afgestemd op de routekaart Bakoe-Belém; roept de partijen die dit nog niet hebben gedaan ertoe op om zo snel mogelijk hun nationale adaptatieplannen op te stellen, en roept alle partijen ertoe op om uiterlijk in 2030 vooruitgang te hebben gemaakt met de uitvoering ervan, en daarbij de nadruk te leggen op op de natuur gebaseerde oplossingen; roept alle partijen ertoe op om horizontale elementen als gendergelijkheid en mensenrechten in hun plannen op te nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>roept ertoe meer te investeren in systemen voor vroegtijdige waarschuwing en risicobeheer in kwetsbare regio’s, waarbij wordt benadrukt dat zij een essentiële rol vervullen bij het beschermen van levens, het veiligstellen van bestaansmiddelen en het versterken van de veerkracht bij klimaatrisico’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>pleit voor meer steun voor het verzamelen, delen en analyseren van gegevens over het klimaat en rampenrisico, evenals het gebruik van geschikte technologieën voor deze activiteiten, om de beschikbaarheid en kwaliteit van informatie voor risicogroepen te verbeteren; beveelt aan dat voor alle door de EU gesteunde initiatieven op het gebied van vroegtijdige waarschuwing speciale middelen worden uitgetrokken teneinde het systeem permanent te onderhouden en te actualiseren, met name in het licht van de wereldwijde uitdagingen voor wetenschappelijk onderbouwde observatie en procedures;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>is verheugd over het besluit op de COP28 om het Fonds voor respons op verlies en schade op te richten en verwacht dat verdere vooruitgang wordt geboekt met de uitvoering en financiering ervan; roept alle partijen ertoe op te zorgen voor transparante regels in dit verband; wijst erop dat het belangrijk is het speciale karakter van verlies en schade te erkennen door dit aspect apart te behandelen van adaptatie, onder meer in het kader van de GST;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>verzoekt alle partijen zich aan hun transparante beloften te houden en in voorspelbare mechanismen ter financiering van verlies en schade te voorzien, waaronder vroegtijdige uitbetalingen uit het Fonds voor respons op verlies en schade; verzoekt alle partijen ervoor te zorgen dat de middelen die naar het fonds gaan, een aanvulling vormen op de bestaande bijdragen aan de klimaatfinanciering; is stellig van mening dat bij de financiering van verlies en schade prioriteit moet worden gegeven aan subsidies en dat die financiering een aanvulling moet vormen op en los moet staan van officiële ontwikkelingshulp;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>pleit er nogmaals voor verlies en schade permanent op de agenda van de COP’s te zetten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>roept alle partijen ertoe op vooruitgang te boeken met het werkprogramma voor een rechtvaardige transitie door concrete maatregelen te nemen ter bestrijding van ongelijkheden die door de klimaatverandering worden uitgediept; is van mening dat het werkprogramma de doelstellingen inzake het scheppen van fatsoenlijk banen en een rechtvaardige transitie voor iedereen moet omvatten, en roept alle partijen ertoe op om de sociale dialoog met werkgevers- en werknemersorganisaties en de betrokkenheid van belanghebbenden te bevorderen als basis om een sterke sociale consensus te smeden; roept alle partijen ertoe op constructief samen te werken om overeenstemming te bereiken over de verdere uitvoering van het werkprogramma, in het besef dat de middelen voor de uitvoering dringend beschikbaar moeten worden gesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>wijst erop dat de klimaatverandering een bedreiging vormt voor de grondrechten en het welzijn van kinderen en jongeren; benadrukt dat de rechten van het kind en intergenerationele rechtvaardigheid in alle aspecten van het klimaatbeleid moeten worden geïntegreerd, met inbegrip van adaptatie, mitigatie, verlies en schade, en klimaatfinanciering;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Afstemming van het klimaatbeleid van de EU op de Overeenkomst van Parijs</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>wijst erop dat de nettobroeikasgasemissies van de EU tegen 2030 met 57 % zouden dalen ten opzichte van 1990 als de huidige klimaatwetgeving van de EU volledig zou worden uitgevoerd; stelt vast dat de EU, gesteld dat de lidstaten de bestaande en geplande nationale maatregelen en het EU-beleid volledig uitvoeren, momenteel op koers ligt om de nettobroeikasgasemissies tegen 2030 met slechts ongeveer 54 % te verminderen ten opzichte van 1990<FOOTNOTE><FIELD> Mededeling van de Commissie van 27 mei 2025 getiteld “EU-brede beoordeling van de definitieve geactualiseerde nationale energie- en klimaatplannen — De energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 verwezenlijken” (COM(2025)0274).</FIELD></FOOTNOTE>; roept de lidstaten ertoe op de nodige maatregelen te nemen om deze kloof te dichten, en verzoekt de Commissie aanvullende maatregelen te nemen om de lidstaten daarbij te steunen; benadrukt dat het klimaatbeleid van de EU ambitieuze doelen moet blijven stellen, overeenkomstig de overeengekomen doelstellingen, en bij haar maatregelen prioriteit moet geven aan kosteneffectiviteit, het concurrentievermogen van de Europese economie, sociale inclusie en een hoog niveau van milieubescherming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is dat de indieningstermijnen voor bijwerkingen van nationale energie- en klimaatplannen worden nageleefd, zodat de Commissie een behoorlijke beoordelingsprocedure kan uitvoeren; is ingenomen met de beoordeling door de Commissie van de definitieve nationale energie- en klimaatplannen voor 2030 van de lidstaten die deze hebben ingediend; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om doortastend op te treden om de kloof tussen de nationale energie- en klimaatplannen en de bindende doelstellingen van de EU te dichten, onder meer door middel van uitvoeringsplannen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>onderstreept dat er een wetenschappelijk onderbouwde EU-klimaatdoelstelling voor 2040 moet worden vastgesteld, in overeenstemming met de Europese klimaatwet<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, rekening houdend met alle criteria van artikel 4, lid 5. van die wet, en in overeenstemming met de conclusies van de eerste GST; herinnert aan de aanbevelingen van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering en neemt nota van het voorstel van de Commissie voor een klimaatdoelstelling voor 2040, vergezeld van flankerend beleid; betreurt voorts dat de Raad vóór de uiterste datum van 23 september 2025 geen overeenstemming heeft kunnen bereiken over een NDC voor 2035; dringt er bij de Raad op aan om het zo snel mogelijk eens te worden over een NDC die binnen de aangegeven grenzen aan de hoge kant ligt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>herinnert eraan dat de EU een voortrekkersrol moet blijven spelen in internationale klimaatonderhandelingen en klimaatmaatregelen om bij te dragen tot een wereldwijd gelijk speelveld en het risico van koolstoflekkage voor Europese bedrijven te vermijden, alsook om publieke steun voor klimaatmaatregelen te behouden en koolstoflekkage te vermijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>benadrukt de rol van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering, zoals vastgesteld door de Europese klimaatwet; roept de Commissie ertoe op om in effectbeoordelingen of andere publiek toegankelijke documenten te motiveren waarom wordt afgeweken van het advies van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering en in te gaan op de beleidsafwegingen; verzoekt de Commissie bovendien om in de komende begrotingsvoorstellen voldoende middelen uit te trekken voor de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering, zodat het zijn wettelijk mandaat kan vervullen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>herhaalt dat het noodzakelijk is klimaatambities te integreren in al het beleid van de EU, evenals in alle maatregelen tot omzetting daarvan, en benadrukt dat de Commissie uit hoofde van artikel 6, leden 2 en 4, van de Europese klimaatwet verplicht is te beoordelen of eventuele bestaande maatregelen, ontwerpmaatregelen of -wetgevingsvoorstellen, waaronder begrotingsvoorstellen, stroken met de klimaatdoelstellingen van de EU; herinnert eraan dat volgens de Europese klimaatwet de acties van de EU en de lidstaten gestuurd moeten worden door het voorzorgsbeginsel en het beginsel “de vervuiler betaalt”, die zijn vastgesteld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en zij ook rekening moeten houden met het beginsel van “energie-efficiëntie eerst” en het “berokken geen schade”-beginsel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>beklemtoont dat doeltreffende toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, overeenkomstig het Verdrag van Aarhus, van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; is van mening dat de EU en de lidstaten het goede voorbeeld moeten geven en de bevindingen en aanbevelingen van het comité van toezicht op de naleving van het Verdrag van Aarhus moeten uitvoeren, met inachtneming van hun eigen internationale verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Aarhus en de rechtsstaat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat de nationale energie- en klimaatplannen en de langetermijnstrategieën van de lidstaten voldoende maatregelen en financiële middelen omvatten om de EU-doelstellingen voor 2030 en daarna te halen; verzoekt de lidstaten hun inspanningen op te voeren om ervoor te zorgen dat de EU haar doelstellingen voor 2030 haalt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>wijst erop dat, in een tijd van toenemende geopolitieke instabiliteit en volatiele energiemarkten, decarbonisatie een krachtige aanjager is van de strategische autonomie en het economisch concurrentievermogen van de EU; herinnert eraan dat dit wordt erkend in de Clean Industrial Deal en de doelstelling ervan om klimaatactie en concurrentievermogen in één overkoepelende strategie samen te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>merkt bezorgd op dat de subsidies voor fossiele brandstoffen de afgelopen jaren zijn gestegen, waarbij de subsidies voor het verbruik van fossiele brandstoffen in 2023 wereldwijd in totaal 620 miljard USD bedroegen, waarvan een aanzienlijk deel in opkomende en ontwikkelingseconomieën is waargenomen; betreurt dat de subsidies voor fossiele energie in de EU hoog zijn gebleven, te weten 111 miljard EUR in 2023, ondanks een daling ten opzichte van 2022; herinnert eraan dat subsidies voor ingevoerde fossiele energie de Europese economieën belasten en de stimulansen voor transities naar schone energie verstoren; onderstreept dat het belangrijk is subsidies voor de meest vervuilende brandstoffen op internationaal niveau te verminderen en transparant over deze subsidies te rapporteren; herhaalt dat de Commissie en de lidstaten uitvoering moeten geven aan het vereiste in het achtste MAP om “een deadline [vast te stellen] voor de afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen, conform de ambitie om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C”; betreurt het gebrek aan vooruitgang sinds de goedkeuring van het programma in 2022, en roept de Commissie ertoe op haar routekaart voor te leggen om subsidies voor fossiele brandstoffen verder te verminderen en uit te faseren, overeenkomstig de klimaatverbintenissen van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>wijst erop dat de huidige geopolitieke context de dringende noodzaak benadrukt om een einde te maken aan de afhankelijkheid van de EU van fossiele brandstoffen en de energietransitie te versnellen; is verheugd over de vooruitgang die in het kader van REPowerEU is geboekt en roept de EU en de lidstaten ertoe op sneller te handelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>kijkt uit naar het komende EU-klimaataanpassingsplan, met inbegrip van wetgevingsmaatregelen, voor zover nodig, om te zorgen voor een gecoördineerde paraatheid van de EU om het hoofd te bieden aan toenemende klimaatrisico’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>verzoekt de EU verder manieren te onderzoeken en uit te werken waarop zij bijdraagt aan de klimaatverandering buiten haar grenzen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De drievoudige planetaire crisis: klimaatverandering, verontreiniging en biodiversiteitsverlies</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>onderstreept dat de crises in verband met klimaatverandering, verontreiniging en biodiversiteitsverlies met elkaar samenhangen en elkaar wederzijds versterken en dat de reacties op deze crises op elkaar moeten worden afgestemd; benadrukt het belang van bescherming, de instandhouding en het herstel van biodiversiteit en ecosystemen, met inbegrip van bestaande koolstofrijke ecosystemen, en van een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen zodat de natuur een grotere rol kan spelen bij het beperken van en aanpassen aan de klimaatverandering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>herinnert aan het belang van de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) voor het halen van de klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen van de EU; herinnert eraan dat de verordening natuurherstel een van de instrumenten is waarmee de EU haar doelstellingen in het kader van de LULUCF-verordening<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/841/oj).</FIELD></FOOTNOTE> en haar internationale verplichtingen op het gebied van biodiversiteit, met name het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal, kan verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>herinnert eraan dat het belangrijk is dat milieubeleid wordt ontworpen en uitgevoerd in volledige overeenstemming met de “één gezondheid”-benadering, die gericht is op het duurzaam in evenwicht brengen en optimaliseren van de gezondheid van mensen, dieren en ecosystemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>beklemtoont dat milieuactivisten moeten worden ondersteund en beschermd en dat diegenen die hen bedreigen ter verantwoording moeten worden geroepen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>benadrukt dat de bodem de grootste terrestrische koolstofopslagplaats is en een onmisbare rol speelt in de mondiale klimaatcyclus; is ingenomen met alle inspanningen van regeringen en niet-gouvernementele organisaties om optimaal gebruik te maken van het potentieel van de bodem om klimaatverandering te beperken en om de beschikbaarheid van water te verbeteren; benadrukt in dit opzicht het akkoord dat op EU-niveau is bereikt over de richtlijn bodemmonitoring, die tot doel heeft de capaciteiten van de lidstaten te verbeteren en de EU te helpen haar internationale verplichtingen na te komen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>wijst op de belangrijke rol van bossen bij klimaatactie en bij de beperking van de klimaatverandering; wijst er in dit verband op hoe belangrijk de wereldwijde inspanningen tegen ontbossing zijn, aangezien bossen tot de grootste koolstofputten ter wereld behoren en essentiële bewaarplaatsen van biodiversiteit zijn; beklemtoont dat het dringend noodzakelijk is de belangrijkste bosgebieden op aarde, zoals het Amazonewoud, te beschermen, ook in de ultraperifere regio’s van de EU; bevestigt de inzet van de EU voor de verklaring van de leiders van Glasgow over bossen en landgebruik (COP26); verzoekt alle partijen om doelen te stellen om de nettoverwijdering van CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-equivalenten door LULUCF-activiteiten te verhogen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>benadrukt het cruciale belang van wetlands – met inbegrip van veengebieden, mangroven en andere wetlandecosystemen aan de kust en in het binnenland – als enkele van de meest doeltreffende natuurlijke koolstofputten van de planeet; verzoekt alle partijen om dringend meer inspanningen te leveren om wetlands in stand te houden, duurzaam te beheren en te herstellen als een centrale strategie voor klimaatmitigatie en -adaptatie, de bescherming van de biodiversiteit en de duurzaamheid van daarmee samenhangende sociale en economische activiteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is mogelijke synergieën tussen biodiversiteits- en klimaatmaatregelen in kaart te brengen en maximaal te benutten, onder meer door in de eerste plaats ecosystemen en soorten die belangrijk zijn in de koolstofcyclus, te beschermen, te herstellen en te beheren, zoals overeengekomen op de COP16 in Cali, Colombia; wijst op het belang van de uitvoering van het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal; is in dit verband ingenomen met de indiening van nationale biodiversiteitsstrategieën en actieplannen door 55 partijen en van nationale doelstellingen door 139 partijen en dringt er bij alle andere partijen op aan dit voorbeeld snel te volgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is water- en watergerelateerde ecosystemen te beschermen, in stand te houden en te herstellen; dringt aan op meer actie op het gebied van duurzaam watergebruik, onder meer door het gebruik van innovatieve watertechnologieën, met name op plaatsen die ernstig worden getroffen door droogte of waterschaarste; wijst op de verwoestende ecologische, sociale en economische gevolgen van woestijnvorming, droogte, overstromingen en waterverontreiniging; is ingenomen met de Europese strategie voor waterweerbaarheid en verzoekt de Commissie en de lidstaten om deze snel uit te voeren; roept op tot verdere actie om de verontreiniging door per- en polyfluoralkylstoffen aan te pakken; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de handhaving van de bestaande wetgeving op te voeren en ervoor te zorgen dat de kaderrichtlijn water wordt nageleefd<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2000/60/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>is ingenomen met de goedkeuring van het Verdrag voor de Volle Zee en roept de partijen bij het verdrag op om het snel te ratificeren en uit te voeren; verzoekt de partijen de werkzaamheden in het kader van de dialoog over oceanen en klimaatverandering voort te zetten; benadrukt dat het mondiale klimaatsysteem afhankelijk is van een gezonde oceaan en gezonde mariene ecosystemen, dat zijn reguleringscapaciteit verliest door de wereldwijde opwarming van het klimaat, verontreiniging, overexploitatie van de mariene biodiversiteit, verzuring, eutrofiëring, zuurstofverlies en kusterosie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>wijst op het belang van mondiale inspanningen ter bestrijding van de aantasting van mariene ecosystemen, aangezien oceanen 30 % van alle koolstofemissies absorberen, 90 % van de overtollige warmte opvangen en meer dan 50 % van de zuurstof in de wereld leveren, en een essentieel reservoir qua biodiversiteit vormen; is ingenomen met de resultaten van de week van de oceaan in Nice met betrekking tot de verhoging van de financieringsverbintenissen voor de instandhouding van de oceanen; dringt aan op dringende actie om mariene ecosystemen te herstellen en de effectieve bescherming van beschermde mariene gebieden te waarborgen; herinnert aan doelstelling 3 van het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal om tegen 2030 30 % van de zeeën te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>wijst erop dat de verbanden tussen klimaatverandering, luchtverontreiniging en volksgezondheid op alomvattende wijze moeten worden aangepakt, ook tijdens de COP; is ingenomen met de COP28-verklaring over klimaat en gezondheid, die door meer dan 150 regeringen is ondertekend; dringt erop aan dat verbeteringen van de luchtkwaliteit worden geïntegreerd in het klimaatbeleid en in aanmerking worden genomen in de NDC’s; verzoekt alle partijen om sneller zinvolle maatregelen te nemen die bijdragen aan de luchtkwaliteit; dringt er bij de partijen op aan ervoor te zorgen dat klimaatfinanciering prioriteit geeft aan schoneluchtoplossingen met meetbare voordelen voor de gezondheid, de billijkheid en het klimaat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>wijst erop dat de klimaatverandering zal bijdragen tot een grotere resistentie tegen antibiotica; herhaalt in dit verband dat dringend actie moet worden ondernomen om resistentie tegen antimicrobiële stoffen aan te pakken en roept op tot verdere inspanningen van alle partijen om tot een vermindering en een verstandiger gebruik van antimicrobiële stoffen te komen teneinde het risico van resistentie te bestrijden; dringt in dit verband aan op bindende verbintenissen in relevante internationale verdragen; betreurt het gebrek aan actie tot nu toe;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>wijst op de noodzaak om het milieueffect van kunststoffen gedurende hun levenscyclus te bestrijden, met inbegrip van hun invloed op het klimaat; wijst op de noodzaak van een adequate koolstofbeprijzing van grondstoffen om het gebruik van fossiele brandstoffen in de kunststofsector aanzienlijk te verminderen; merkt op dat er nog steeds wordt gewerkt aan het wereldwijde verdrag inzake kunststoffen en betreurt het dat de partijen er in augustus 2025 in Genève opnieuw niet in zijn geslaagd het verdrag te sluiten vanwege meningsverschillen over het toepassingsgebied ervan; dringt aan op de goedkeuring van een ambitieuze overeenkomst die betrekking heeft op alle stadia van de productie, het verbruik en het afvalbeheer van kunststoffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>betreurt de hoge kosten van de mondiale chemische verontreiniging, die de klimaat- en biodiversiteitscrisis verergert; verzoekt de partijen om maatregelen uit te voeren om te voldoen aan de strategische doelstellingen en streefcijfers die zijn aangenomen in het kader van het mondiaal kader inzake chemische stoffen van de VN; benadrukt dat de EU en haar lidstaten het voortouw moeten nemen bij de wereldwijde inspanningen om chemische verontreiniging aan te pakken, onder meer door waar nodig haar beleid inzake chemische stoffen te herzien;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De rechten van inheemse volken</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>benadrukt dat de rechten en belangen van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen moeten worden beschermd, zoals uiteengezet in de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volken; wijst erop dat het recht op vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming moet worden gewaarborgd; wijst erop dat bij alle projecten uit hoofde van artikel 6 die van invloed zijn op inheems gebieden of inheemse gemeenschappen, deze inheemse volken moeten worden betrokken en hun rechten moeten worden geëerbiedigd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>benadrukt dat inheemse volken niet alleen belanghebbenden of kwetsbare groepen zijn, maar ook houders van rechten zijn die erkend worden in de preambule van de Overeenkomst van Parijs; wijst op de noodzaak van de politieke deelname van inheemse volken aan de COP’s en andere UNFCCC-processen ter bevordering van zinvolle betrokkenheid in alle besluitvormingsorganen; erkent dat de aanwezigheid van inheemse volken op de COP’s en technische vergaderingen van hulporganen moet worden gefinancierd en gefaciliteerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>erkent dat inheemse gebieden biodiversiteitshotspots zijn en dat inheemse volkeren een cruciale rol spelen bij het behoud en het duurzame beheer van hulpbronnen; herinnert eraan dat volgens het vijfde evaluatieverslag van de IPCC de inheemse, lokale en traditionele vormen van kennis een belangrijke bron zijn bij de aanpassing aan de klimaatverandering; betreurt dat inheemse kennis niet doeltreffend wordt gebruikt; benadrukt met name de rol van deze kennis bij het vermijden van slechte adaptatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>wijst erop dat inheemse volken rechtstreeks toegang moeten hebben tot klimaatfinanciering via internationale klimaatfondsen zoals het Groen Klimaatfonds, het aanpassingsfonds en het fonds voor verlies en schade;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Klimaat, vrede en veiligheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>stelt vast dat er op de COP’s steeds meer aandacht is gegaan naar de agenda voor klimaat, vrede en veiligheid, met name op de COP29, toen de oproep van Bakoe tot klimaatactie voor vrede, hulp en herstel werd gedaan, maar ook met het initiatief inzake klimaatreactie voor duurzame vrede van de COP27 en de verklaring van de COP28 inzake klimaat, hulp, herstel en vrede;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>merkt op dat in het voortgangsverslag van de Commissie over de gezamenlijke mededeling getiteld “Een nieuwe visie op het verband tussen klimaat en veiligheid”, dat in februari 2025 is gepubliceerd, het verband wordt erkend tussen klimaatverandering, aantasting van het milieu en kwesties op het gebied van vrede, veiligheid en defensie, waarbij het belang ervan voor het buitenlands beleid wordt benadrukt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>wijst erop dat klimaatverandering en de aantasting van het milieu dreigingsvermenigvuldigers zijn die kunnen leiden tot voedseltekorten en schaarste van natuurlijke hulpbronnen, spanningen in internationale betrekkingen en conflicten over natuurlijke hulpbronnen kunnen doen toenemen en natuurrampen kunnen veroorzaken, die allemaal belangrijke oorzaken zijn van ontheemding van mensen en migratiestromen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>wijst op de noodzaak van meer internationale aandacht voor de milieueffecten van conflicten; vestigt de aandacht op de verwoesting van het milieu door militaire aanvallen en operaties overal ter wereld en dringt aan op stopzetting van deze activiteiten in overeenstemming met het internationaal recht; wijst erop dat aanhoudende conflicten, naast de onmiddellijke vernietiging en het verlies van mensenlevens, ecosystemen ontwrichten, natuurlijke hulpbronnen uitputten, het milieu verontreinigen en de gezondheid van onze planeet voor toekomstige generaties in gevaar brengen, terwijl ze de inspanningen voor klimaatmitigatie en -adaptatie ondermijnen; benadrukt met name de meest recente UNEP-rapporten over de schrikbarende omvang van de milieuschade als gevolg van de conflicten in Oekraïne<FOOTNOTE><FIELD> Milieuprogramma van de VN, <STRING ITALIC="on">The Environmental Impact of the Conflict in Ukraine: A Preliminary Review</STRING>, 14 oktober 2022.</FIELD></FOOTNOTE> en Gaza<FOOTNOTE><FIELD> Milieuprogramma van de VN, <STRING ITALIC="on">Environmental Impact of the Conflict in Gaza: Preliminary Assessment of Environmental Impacts</STRING>, 18 juni 2024.</FIELD></FOOTNOTE>; herinnert bovendien aan het rapport van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek over de milieuschade die wordt veroorzaakt door de voortdurende Russische aanvalsoorlog in Oekraïne<FOOTNOTE><FIELD> Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, <STRING ITALIC="on">Status of Environment and Climate in Ukraine</STRING>, 2025.</FIELD></FOOTNOTE>, waaruit blijkt dat er sprake is van een sterke toename van toxische vervuiling, bodemdegradatie en verstoringen van monitoringsystemen; is van mening dat entiteiten die door het Internationaal Gerechtshof verantwoordelijk worden gehouden voor conflicten ook verantwoordelijk moeten worden gehouden voor de klimaat- en milieukosten van oorlog en bezetting en de wederopbouw na conflicten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>wijst erop dat versterkte klimaatdiplomatie in het kader van het UNFCCC van cruciaal belang is om het multilateralisme te helpen bekrachtigen, met name tegen de achtergrond van toenemende geopolitieke spanningen en het afnemende vertrouwen in mondiale samenwerking; benadrukt de symbolische betekenis van COP30 als de tiende verjaardag van de Overeenkomst van Parijs; roept de EU en haar lidstaten op om het COP30-voorzitterschap te steunen in zijn streven naar multilateralisme; benadrukt dat Brazilië, met zijn voorzitterschap van zowel BRICS als COP30, de kans kan aangrijpen om een sterkere, meer gecoördineerde agenda te bevorderen om vooruitgang te boeken op economisch, politiek en milieugebied;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>wijst erop dat klimaatdoelstellingen niet kunnen worden bereikt zonder de steun en betrokkenheid van het publiek; roept alle partijen op de bewustwording en het begrip bij het publiek over klimaatverandering en aanverwante kwesties te vergroten en met publieke vertegenwoordigers samen te werken om publieke steun te krijgen voor mitigatie- en aanpassingsmaatregelen; is bezorgd over de toenemende verspreiding van mis- en desinformatie over het klimaat, onder meer door overheidsactoren, en dringt er bij alle regeringen op aan dit met spoed aan te pakken, gezien de bedreiging die dit vormt voor zowel zinvolle klimaatactie als de democratie; benadrukt het belang van toegang tot wetenschappelijk onderbouwde informatie en de bescherming van onafhankelijke media; wijst op het belang van de werkzaamheden van de IPCC om gedegen wetenschappelijke adviezen en gegevens te verstrekken; verzoekt het UNFCCC de inspanningen ter bestrijding van desinformatie over het klimaat op te voeren; verzoekt de Commissie zich aan te sluiten bij het wereldwijde initiatief voor informatie-integriteit over klimaatverandering om desinformatie over het klimaat te bestrijden;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Inspanningen in alle sectoren</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>benadrukt dat alle sectoren moeten helpen de uitstoot te verminderen en klimaatneutraliteit in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs te bereiken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>is verheugd dat bijna 160 landen het mondiale methaanpact hebben ondertekend; dringt er bij de EU-lidstaten die zich nog niet bij het pact hebben aangesloten op aan dit vóór de COP30 te doen; verzoekt de Commissie en de lidstaten verdere maatregelen te nemen om de doelstelling van het methaanpact te halen; roept alle partijen ertoe op specifieke methaanreductiedoelstellingen goed te keuren en deze in hun NDC’s op te nemen; dringt aan op een gekwantificeerde, wetenschappelijk onderbouwde beoordeling van de geboekte voortgang sinds de aanneming van dat pact tijdens de COP26;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>herinnert eraan dat methaan in de eerste twintig jaar in de atmosfeer meer dan tachtig keer het opwarmingsvermogen van koolstofdioxide heeft en wijst derhalve op het belang van een snellere reductie van methaan; neemt met bezorgdheid kennis van de bevindingen van het IEA-rapport van 2025, waarin de nadruk wordt gelegd op de voortdurende stijging van de methaanemissies, de zwakke uitvoering van het mondiale methaanpact en het feit dat landen hun methaanverontreiniging door de energiesector aanzienlijk onderschatten, waarbij het IEA schat dat de emissies ongeveer 80 % hoger liggen dan het totaal dat door regeringen wordt gerapporteerd; herinnert eraan dat methaanemissies uit de energiesector nog steeds een van de gemakkelijkste en economisch voordeligste emissiecategorieën zijn om wereldwijd terug te dringen; roept de EU op om samen met andere grote importeurs van fossiele brandstoffen een kopersvereniging voor methaanreductie op te richten, geïnspireerd door de First Movers Coalition, die een gemeenschappelijke maximale methaanintensiteitswaarde vaststelt, in overeenstemming met Verordening (EU) 2024/1787, en zo de mondiale methaanreductie versnelt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>verwijst naar de goedgekeurde Verordening (EU) 2024/1787 inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector, die vanaf 1 januari 2027 ook van toepassing zal zijn op EU-importeurs van ruwe olie, aardgas en steenkool; wijst op de cruciale rol van deze verordening en de uitvoering ervan bij het stimuleren van de stroomopwaartse terugdringing van de methaanuitstoot, het veiligstellen van het vertrouwen van beleggers en het stellen van mondiale normen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>stelt bezorgd vast dat de vervoerssector de enige sector is waarin de uitstoot sinds 1990 op EU-niveau is toegenomen en dat een grotere reductie noodzakelijk is om de klimaatdoelstellingen van de EU te halen; wijst op het belang van verdere maatregelen ter ondersteuning van de elektrificatie van het wegvervoer als een manier om de emissies van het wegvervoer te verminderen, in combinatie met verdere maatregelen ter ondersteuning van de modal shift, intermodaal vervoer en openbaar vervoer in het algemeen; verzoekt de Commissie emissies als gevolg van internationaal vervoer in NDC’s op te nemen; is bezorgd over het feit dat uit het beoordelingsverslag van de nationale energie- en klimaatplannen van de Commissie uit 2025 blijkt dat sommige lidstaten nog steeds steunregelingen hebben voor voertuigen die op fossiele brandstoffen rijden en verzoekt deze lidstaten om deze regelingen geleidelijk af te schaffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>verzoekt de Commissie nogmaals toe te zien op de sociale rechtvaardigheid van maatregelen voor het koolstofvrij maken van het vervoer, onder meer door emissies van superjachten, privévliegtuigen en zakenvliegtuigen op te nemen in het klimaatbeleid van de EU; herhaalt voorts zijn verzoek aan alle partijen, met inbegrip van de EU-lidstaten, om maatregelen te nemen om het gebruik van privéjets te ontmoedigen; wijst op de onevenredige klimaateffecten van privéjets, die per passagier tot 14 keer meer vervuilend zijn dan commerciële vluchten; benadrukt hoe belangrijk het is het goede voorbeeld te geven en dringt er bij alle deelnemers aan de COP30 – met inbegrip van de EU-instellingen – op aan af te zien van het gebruik van privéjets en te kiezen voor de minst vervuilende vervoersoptie om hun bestemming te bereiken<FOOTNOTE><FIELD> Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2024 over de VN-klimaatconferentie 2024 in Bakoe, Azerbeidzjan (COP29), (PB C, C/2025/808, 11.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/808/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>is verheugd over de vooruitgang die op internationaal niveau is geboekt bij het opleggen van koolstofheffingen aan de internationale scheepvaart; is echter van mening dat er nog steeds een kloof gaapt tussen het door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) bereikte akkoord en de door de IMO vastgestelde langetermijndoelstellingen; benadrukt in dit verband het emissiehandelssysteem (ETS) van de EU, dat vanaf 2025 geleidelijk van toepassing is op scheepvaartverkeer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>verzoekt de Commissie een verslag in te dienen bij het Parlement, zodra de door de IMO tijdens de 83e zitting van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu (MEPC 83) vastgestelde decarbonisatiemaatregelen formeel zijn vastgesteld, waarin de algehele milieu-integriteit en de bijdrage ervan aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs worden beoordeeld, alsook een vergelijking met het niveau van milieu-integriteit waarin de EU-ETS-bepalingen voorzien;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>is ingenomen met de analyse<FOOTNOTE><FIELD> COM(2025)0110.</FIELD></FOOTNOTE> die de Commissie op 18 maart 2025 heeft gepubliceerd en waaruit blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een toenemend gebruik van kleinere schepen buiten het toepassingsgebied van het EU-ETS of schip-tot-schiptransfers als een manier om de recente uitbreiding van het EU-ETS tot het zeevervoer te omzeilen; herinnert aan de EU-ETS-herzieningsclausule voor 2026 die voorziet in de mogelijkheid om het toepassingsgebied uit te breiden tot kleinere schepen, waaronder offshoreschepen met een brutotonnage tussen 400 en 5 000;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>merkt op dat de landbouwsector in 2020 goed was voor 10 tot 12 % van de antropogene emissies wereldwijd, en voor 11 % van de totale EU-emissies; is zich ervan bewust dat het potentieel voor het verminderen van broeikasgasemissies in de landbouwsector aanzienlijk is; wijst erop dat landbouwers en de landbouwsector bijzonder kwetsbaar zijn voor klimaatverandering en dat klimaatverandering wereldwijd een grote bedreiging vormt voor de voedselzekerheid; wijst erop dat bij beleid ter vermindering van de emissies in de landbouwsector alles in het werk moet worden gesteld om de voedselzekerheid te waarborgen; wijst erop dat een beleidskader moet worden ingevoerd dat duurzame landbouwmethoden stimuleert en landbouwers, met name kleinschalige landbouwers, ondersteunt bij de overgang naar veerkrachtige praktijken en landbouwers beloont die mitigatie-inspanningen ondersteunen en de biodiversiteit beschermen; benadrukt de milieuvoordelen van het vernatten van drooggelegde veengebieden en andere maatregelen die de biodiversiteit, bodemgezondheid en waterkwaliteit op landbouwbedrijven bevorderen en tegelijkertijd bijdragen aan klimaatmitigatie en -adaptatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>is ingenomen met het feit dat volgens de Wereldbank 28 % van de wereldwijde emissies nu door koolstofbeprijzing wordt gedekt<FOOTNOTE><FIELD> Wereldbank, “State and Trends of Carbon Pricing 2025”, Wereldbank, Washington DC, mei 2025.</FIELD></FOOTNOTE>; betreurt niettemin dat zowel de dekking als de gemiddelde prijsniveaus veel te laag blijven om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te halen; benadrukt dat koolstofbeprijzing inkomsten genereert die voor klimaatactie en een rechtvaardige transitie moeten worden gebruikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>is ingenomen met het feit dat Brazilië een ETS invoert en dat verschillende handelspartners van de EU koolstofhandel of andere koolstofbeprijzingsmechanismen hebben ingevoerd of van plan zijn in te voeren, onder meer als reactie op de invoering van CBAM; verzoekt de Commissie andere partijen verder aan te moedigen koolstofbeprijzingsmechanismen in te voeren of te verbeteren en ze daarbij te ondersteunen, en verbanden en andere vormen van samenwerking met bestaande koolstofbeprijzingsmechanismen in niet-EU-landen te onderzoeken; verzoekt de Commissie er in dit verband voor te zorgen dat koppelingen met de EU ETS-regeling extra en permanente mitigatiebijdragen blijven opleveren en de verbintenissen van de EU op het gebied van de binnenlandse uitstoot van broeikasgassen niet ondermijnen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>wijst erop dat in de GST wordt gewezen op het belang van de overgang naar een duurzame levenswijze en duurzame consumptie- en productiepatronen, onder meer door middel van een grotere circulaire economie; wijst erop dat de inspanningen om de circulaire economie van de EU te ontwikkelen en te verbeteren, moeten worden opgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan om zo snel mogelijk, na een effectbeoordeling, een doelstelling voor 2030 voor te stellen voor de materiaal- en consumptievoetafdruk van de EU, overeenkomstig de toezegging in het kader van het 8e MAP;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>beklemtoont dat de gevolgen van de textielsector op het klimaat en het milieu aangepakt moeten worden, aangezien de sector verantwoordelijk is voor ongeveer 8 tot 10 % van de wereldwijde broeikasgasemissies en een aanzienlijk verbruik van hulpbronnen, met name water en energie; herhaalt dat de textielindustrie een belangrijke rol moet spelen in de overgang naar een circulaire economie en uitdagingen moet aanpakken op het gebied van afvalpreventie, afvalbeheer, het afwerpen van microplastics, watergebruik, overproductie, ultrafast- en fast-fashionpraktijken, de algemene duurzaamheid en niet-giftigheid van het productieproces en de recyclebaarheid in de textielsector; benadrukt in dit verband het belang van de recente wijziging van de EU-kaderrichtlijn afvalstoffen; wijst erop dat de mensenrechtennormen in de hele textielwaardeketen dringend moeten worden verbeterd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>wijst op de gevolgen van de klimaatverandering voor de toeristische sector, als contribuant alsook als kwetsbare sector, en de noodzaak dat bestemmingen zich aanpassen aan klimaatrisico’s en klimaatveerkrachtig toerisme ontwikkelen; dringt aan op de bevordering van een verschuiving naar duurzamer toerisme, met milieubewuste en koolstofarme praktijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>merkt op dat er vanuit de wetenschap en de politiek een toenemende belangstelling is voor zonnestralingsbeheer, een aantal vormen van klimaatengineering, zoals stratosferische aerosolinjectie, waarbij zonlicht weerkaatst wordt om daarmee de opwarming van de aarde tegen te gaan; wijst erop dat met zonnestralingsbeheer de onderliggende oorzaken van de klimaatverandering niet worden aangepakt en dat er nog geen wetenschappelijke zekerheid bestaat over de effecten ervan en dat zonnestralingsbeheer de klimatologische en geopolitieke stabiliteit in gevaar kan brengen, mogelijk met catastrofale gevolgen; herinnert eraan dat een VN-resolutie over mondiale governance met betrekking tot klimaatengineering is geblokkeerd; beklemtoont dat, bij gebrek aan degelijk wetenschappelijk bewijs met betrekking tot veiligheid, doeltreffendheid en governance, het nastreven van klimaatengineering gebaseerd moet zijn op het voorzorgsbeginsel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>herinnert aan de in december 2024 gepubliceerde aanbevelingen van de groep van wetenschappelijk hoofdadviseurs van de Commissie en verzoekt de Commissie bijgevolg een proactieve rol te spelen bij de onderhandelingen over een mondiaal governancekader voor SRM op basis van een krachtig standpunt tegen het gebruik ervan, en om de capaciteit te versterken om elk niet-aangegeven gebruik van SRM op te sporen en te kwantificeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts in te stemmen met een EU-breed moratorium op het gebruik van SRM en ervoor te zorgen dat eventuele overheidsfinanciering voor verantwoord wetenschappelijk onderzoek en uitgebreide internationale beoordelingen van de risico’s, potentiële effecten en gevolgen van deze technologie niet in de plaats komt van overheidsfinanciering voor onderzoek naar adaptatie en mitigatie;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Klimaatverandering en gender</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>benadrukt het belang van genderperspectieven en inclusieve benaderingen in het UNFCCC-proces, met inbegrip van het werkprogramma voor een rechtvaardige transitie; verzoekt alle partijen, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, meer inspanningen te leveren om gendergelijkheid te integreren in hun herziene NDC’s en nationale adaptatieplannen, alsmede in hun klimaat- en milieubeleid, met name op het gebied van mitigatie, aanpassing, verlies en schade; wijst erop dat alle partijen, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, concretere maatregelen moeten nemen om de toezeggingen die zijn opgenomen in het tijdens de COP25 overeengekomen vernieuwde genderactieplan, na te komen; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan dat zij meer inspanningen leveren om de doelstellingen van het EU-genderactieplan III te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>dringt aan op de ontwikkeling van een nieuw, ambitieus genderactieplan in de aanloop naar COP30, dat intersectioneel, inclusief, meetbaar, op mensenrechten gebaseerd en op alle gebieden van klimaatactie samenhangend is; verzoekt de partijen ervoor te zorgen dat klimaatfinanciering genderresponsief wordt en dat het genderactieplan een adequaat en specifiek plan voor financiering omvat; verzoekt alle partijen tijdens de COP30 de goedkeuring van een nieuw genderactieplan te steunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>herhaalt dat het aanpassingsvermogen en de kwetsbaarheid per geslacht, leeftijd, vaardigheid, ras en beroep verschillen; verzoekt derhalve alle partijen in hun nationale adaptatieplannen, adaptatiemededelingen en NDC’s de behoeften van kwetsbare bevolkingsgroepen te beoordelen, daarop in te spelen en er prioriteit aan te geven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>erkent de onevenredige gevolgen van klimaatverandering voor vrouwen en meisjes, die bestaande genderongelijkheden verergeren en unieke bedreigingen vormen voor hun middelen van bestaan, gezondheid en veiligheid; herhaalt de noodzaak van versnelde actie voor genderresponsieve rampenrisicovermindering en daarmee voor een genderresponsieve uitvoering van het Sendai-kader; pleit ervoor verdere inspanningen te leveren om rekening te houden met en een prioriteit te maken van gender in rampenparaatheid, met name aan de hand van uitgesplitste datasets over rampenrisicovermindering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>is van oordeel dat de toegang van vrouwen tot klimaatfinanciering moet worden verbeterd en vergemakkelijkt, en merkt op dat vrouwen naar verhouding aanzienlijk minder toegang krijgen tot financiële middelen voor projecten op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering en klimaatmitigatie; spoort de EU en haar lidstaten aan verslag uit te brengen over de genderresponsiviteit van hun klimaatfinancieringsbijdragen en de samenhang tussen gender- en klimaatsteun te vergroten via instrumenten voor extern optreden en de Europese Investeringsbank;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>herhaalt het belang van een grotere deelname van vrouwen aan de besluitvorming in de context van klimaatdiplomatie, waaronder in COP-delegaties en leiderschap op alle niveaus van klimaatactie; verzoekt alle partijen te streven naar genderpariteit in hun delegaties en op alle niveaus van de besluitvorming en onderhandelingen over de klimaatverandering; dringt er bij alle partijen op aan een nationaal contactpunt voor gender en klimaatverandering aan te wijzen en de bijbehorende middelen, opleiding en ondersteuning uit te breiden, ook binnen de EU;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Deelname van belanghebbenden aan de COP30</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>wijst er nog eens op dat het belangrijk is dat alle partijen, in een geest van oprechte samenwerking, volledig betrokken worden bij de besluitvormingsprocessen in het kader van het UNFCCC en beseft dat het, met het oog op verantwoordingsplicht en transparantie, van essentieel belang is de ruimte voor het maatschappelijk middenveld en actoren op lokaal en regionaal niveau te beschermen om te werken en deel te nemen aan klimaatgovernance; erkent dat er veel belemmeringen zijn voor de deelname van maatschappelijke organisaties aan COP’s; wijst erop dat het maatschappelijk middenveld en lokale en regionale actoren een cruciale rol spelen bij het bevorderen van de uitvoering van NDC’s door ervoor te zorgen dat de acties doeltreffend zijn, lokaal zijn toegesneden en op de behoeften van de gemeenschap inspelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>verzoekt het voorzitterschap van de COP30 en de toekomstige voorzitterschappen meer te doen om de deelname van ontwikkelingslanden en afgevaardigden van de minst ontwikkelde landen mogelijk te maken en hiervoor extra middelen uit te trekken; moedigt de Partijen aan om jongeren in hun delegaties op te nemen om ervoor te zorgen dat de toekomstige generaties een actieve rol spelen bij het vormgeven van beslissingen die van invloed zijn op hun toekomst; is ingenomen met de totstandbrenging van de rol van jonge klimaatkampioenen tijdens de COP28 als een stap in de richting van de sterkere inclusie van jongeren in het UNFCCC-proces; dringt erop aan dat de COP30 de zinvolle participatie van kinderen en jongeren institutionaliseert, onder meer door middel van gestructureerde dialoogmechanismen en officiële vertegenwoordiging; vraagt dat er bij COP’s meer gebruik wordt gemaakt van virtuele platforms met het oog op een grotere inclusiviteit en deelname van afgevaardigden en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld wereldwijd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>eist dat de organisatoren van de COP’s ervoor zorgen dat mensenrechten, fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van meningsuiting, volledige en onbeperkte participatie van burgers en maatschappelijke organisaties, met inbegrip van het recht op vreedzame vergadering en vereniging, en billijke toegang tot deze en toekomstige COP’s volledig worden vastgelegd en gewaarborgd in de overeenkomst met het gastland, die zo spoedig mogelijk na de ondertekening openbaar moet worden gemaakt; verzoekt het secretariaat van het UNFCCC toezicht te houden op de naleving van dergelijke mensenrechtencriteria en actie te ondernemen in het geval van inbreuken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>meent dat bij de selectie van de gaststad voor eventuele toekomstige COP-vergaderingen rekening moet worden gehouden met een reeks vooraf vastgestelde voorwaarden, waaronder logistieke en organisatorische capaciteit, veiligheid en beveiliging en de milieu-, economische en sociale gevolgen van de organisatie van het evenement; wijst op het belang van de duurzame organisatie van de COP30; betreurt eventuele negatieve effecten van de COP30 op het lokale ecosysteem en de lokale gemeenschap van Belém; dringt erop aan dat er voorzorgsmaatregelen worden genomen teneinde deze risico’s te beperken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Belangenconflicten, transparantie en integriteit</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over het feit dat bij COP29 meer dan 1 770 lobbyisten voor fossiele brandstoffen als geaccrediteerd deelnemer aanwezig waren; verzoekt het UNFCCC en de Partijen ervoor te zorgen dat het besluitvormingsproces wordt beschermd tegen belangen die indruisen tegen de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; dringt er bij het UNFCCC op aan om het voortouw te nemen bij het voorstellen van een ambitieus verantwoordingskader dat de werkzaamheden van het UNFCCC zou beschermen tegen ongepaste beïnvloeding, op basis van het model dat is opgenomen in de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik met betrekking tot de tabaksindustrie; dringt er bij alle partijen op aan om binnen het kader van deze overeenkomst overeenstemming te bereiken over een definitie van “belangenconflicten” met het oog op de aanscherping van de openbaarmakingsvereisten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>dringt erop aan dat de accreditatie van waarnemers afhankelijk wordt gesteld van de indiening van een formele verklaring van vertegenwoordigde belangen bij een voor het publiek toegankelijk UNFCCC-register, teneinde de transparantie van de invloed op de COP te vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>is verheugd over het feit dat de Commissie geen accreditatie heeft verleend aan lobbyisten voor fossiele brandstoffen om COP29 bij te wonen en dringt aan op voortzetting van deze praktijk; betreurt dat 113 lobbyisten voor fossiele brandstoffen door de EU-lidstaten zijn geaccrediteerd voor COP29 en roept alle lidstaten op om geen accreditatie te verlenen aan lobbyisten voor fossiele brandstoffen om COP30 of toekomstige COP’s bij te wonen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Industrie, kmo’s en concurrentievermogen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>104.</NO.P>beschouwt de COP30 als een belangrijke mijlpaal tien jaar na de Overeenkomst van Parijs en benadrukt dat de strijd tegen klimaatverandering een krachtige motor voor groei moet zijn, energiearmoede moet terugdringen en de veerkracht, duurzaamheid en het concurrentievermogen van industrieën en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) moet stimuleren; verzoekt beleidsmakers van alle partijen bij de Overeenkomst om ambitieuze, tijdige en doelgerichte antwoorden te geven binnen een stabiel, voorspelbaar en ondersteunend transitiekader, in overeenstemming met het beginsel van gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>105.</NO.P>wijst erop dat goed ontworpen en uitvoerbaar faciliterend beleid ervoor kan zorgen dat de decarbonisatie en klimaatdoelstellingen hand in hand gaan met industriële groei, banencreatie en innovatie; herinnert eraan dat investeren in duurzame en schone technologieën bijdraagt aan milieu- en economische en sociale doelstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>106.</NO.P>acht het van het grootste belang dat de EU zorgt voor een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit tegen 2050, de steun van het publiek voor klimaatactie handhaaft en het goede voorbeeld geeft, hetgeen moet zorgen voor een pioniersvoordeel op het gebied van schone technologieën en duurzame industrieën; dringt aan op krachtige en doelgerichte maatregelen om de industrie in de EU te beschermen tegen het risico van koolstoflekkage en tegen oneerlijke mondiale concurrentie, en te zorgen voor een gelijk speelveld op mondiaal niveau; wijst erop dat de aanhoudend hoge energieprijzen die het concurrentievermogen van de EU-industrie ondermijnen, dringend moeten worden aangepakt, onder meer door investeringen in schone en hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, netten en flexibiliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>107.</NO.P>erkent dat de doelstelling van de EU om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn en tegelijk haar concurrentievermogen te vergroten, een ingrijpende industriële transformatie vergt, waarvoor massale en gerichte publieke en particuliere investeringen nodig zijn die zijn toegesneden op de uiteenlopende omstandigheden van de lidstaten en industrieën, en waarvoor de steun voor schone technologieën, innovatie, vaardigheden en infrastructuur moet worden opgevoerd; benadrukt dat investeren in industriële waardeketens voor schone technologieën ook essentieel is om de EU te herindustrialiseren en de strategische autonomie te stimuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>108.</NO.P>dringt aan op steun voor industriële ondernemingen in de EU, met inbegrip van kmo’s en kleine midcaps, om hun mondiale leiderschap te behouden, terwijl ze decarboniseren en overstappen op een nettonuleconomie; benadrukt de noodzaak om effectieve oplossingen te bieden om hen in deze overgangsfase te ondersteunen, teneinde hun innovatiecapaciteit te bevorderen en hun concurrentievermogen te waarborgen, om hen voorspelbare en vereenvoudigde administratieve procedures te bieden, bijvoorbeeld onlinevergunningsprocedures en toegang tot financiering, en om hun deelname aan overheidsopdrachten te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>109.</NO.P>roept op tot versnelde decarbonisatie en versterking van het concurrentievermogen; is ingenomen met de verordening voor een nettonulindustrie<FOOTNOTE><FIELD> Mededeling van de Commissie van 26 februari 2025 getiteld “De Clean Industrial Deal: Een gezamenlijke routekaart voor concurrentievermogen en decarbonisatie” (COM(2025)0085).</FIELD></FOOTNOTE>, de Clean Industrial Deal<FOOTNOTE><FIELD> Ibidem.</FIELD></FOOTNOTE> en het actieplan voor betaalbare energie<FOOTNOTE><FIELD> Mededeling van de Commissie van 26 februari 2025, getiteld “Actieplan voor betaalbare energie” (COM(2025)0079).</FIELD></FOOTNOTE> als belangrijke stappen op weg naar een veerkrachtige en klimaatneutrale economie, en de aankomende wetgeving inzake een versnelling van industriële decarbonisatie; is ingenomen met het uitgebreide EU-Innovatiefonds dat de opschaling van nieuwe innovaties en technologieën in Europa gericht op decarbonisatie en de ontwikkeling van de toeleveringsketen ondersteunt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>110.</NO.P>steunt koolstofbeheer als onderdeel van industriële-emissiereductiemaatregelen en benadrukt de sleutelrol van koolstofafvang, -gebruik en -opslag bij de decarbonisatie van moeilijk koolstofvrij te maken industriële emissies en de productie van koolstofarme producten, waaronder koolstofarme waterstof; herinnert aan de strategie voor industrieel koolstofbeheer<FOOTNOTE><FIELD> Mededeling van de Commissie van 6 februari 2024 “Naar een ambitieuzer beheer van koolstof in de EU” (COM(2024)0062).</FIELD></FOOTNOTE> om het afvangen, opslaan, gebruiken en verwijderen van CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING> uit te breiden; is verheugd over de vooruitgang die is geboekt bij het tot stand brengen van een mondiale koolstofmarkt, die moet bijdragen aan de decarbonisatie van industrieën over de hele wereld en moet zorgen voor een gelijk speelveld voor ondernemingen over de hele wereld; herinnert in dit verband aan zijn standpunt over het EU-ETS en CBAM<FOOTNOTE><FIELD> Resolutie van het Europees Parlement van 3 april 2025 over energie-intensieve industrieën (PB C, C/2025/4369, 9.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4369/oj); Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2025 over de Clean Industrial Deal, Aangenomen teksten, P10_TA(2025)0137.</FIELD></FOOTNOTE>; is ingenomen met de voorgestelde vereenvoudiging van CBAM in het eerste omnibuspakket als een belangrijke stap om de doeltreffendheid ervan bij het aanpakken van koolstoflekkage verder te vergroten en roept op tot een werkbare exportoplossing om het risico van koolstoflekkage aan te pakken voor CBAM-goederen die vanuit de EU naar niet-EU-landen worden uitgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>111.</NO.P>dringt aan op betere toegang tot financiering voor Europese industriële ondernemingen om te decarboniseren in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs; benadrukt dat er voldoende financiële middelen moeten worden ingezet om decarbonisatie in het kader van het volgende meerjarig financieel kader te ondersteunen, onder meer door middel van specifieke financieringsinstrumenten die doeltreffend tegemoetkomen aan de financieringsbehoeften van de Europese industrie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>112.</NO.P>erkent de essentiële rol die kmo’s en kleine midcaps, en met name micro-ondernemingen en start-ups, spelen bij het aansturen en verwezenlijken van innovatie, banencreatie en economische groei, alsook bij het leiden van de digitale en de groene transitie door middel van innovatie en geavanceerde technologische oplossingen; wijst op de behoefte aan voorspelbare regels en betere toegang tot financiering in dit verband;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>113.</NO.P>benadrukt dat alle partijen voortdurend veilige en concurrerende toegang moeten hebben tot kritieke grondstoffen, waaronder secundaire grondstoffen; is ingenomen met de verordening kritieke grondstoffen<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (PB L, 2024/1252, 3.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1252/oj).</FIELD></FOOTNOTE> en het voornemen van de Commissie om nieuwe wetgeving op het gebied van circulaire economie voor te stellen, en dringt aan op gediversifieerde toeleveringsketens met EU-equivalente normen; is van mening dat er een voorspelbaar regelgevingskader nodig is dat circulaire bedrijfsmodellen ontsluit, met name modellen die gebaseerd zijn op afvalpreventie, hergebruik en hoogwaardige recycling om de toegang tot kritieke grondstoffen te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>114.</NO.P>benadrukt de urgentie van om- en bijscholing van de beroepsbevolking, met investeringen in wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) en academies voor nettonulvaardigheden, om het tekort aan arbeidskrachten aan te pakken en de vaardigheidskloof bij de decarbonisatie van de Europese industrie te dichten; roept op tot samenwerking met de sociale partners om vaardigheidskloven en de toekomstige vraag naar arbeid in schone technologieën aan te pakken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Energiebeleid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>115.</NO.P>wijst op het belang van een zo spoedig mogelijke uitfasering van fossiele brandstoffen en herhaalt dat er maatregelen moeten worden ontwikkeld om de gasvoorziening tegen beperkte kosten te waarborgen voor sectoren die op korte tot middellange termijn niet substantieel op elektrificatie kunnen vertrouwen; merkt op dat de EU, terwijl zij zich inspant om tijdens de COP30 een mondiale consensus over een dergelijke uitfasering te bereiken, haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen moet blijven verminderen, de diversiteit van haar energieleveranciers moet blijven vergroten en een energie-efficiënte en koolstofarme economie moet blijven ontwikkelen teneinde haar energiezekerheid en industrieel concurrentievermogen te vergroten en huishoudens en bedrijven toegang tot betaalbare energie te bieden; dringt er bij de EU op aan dringend een einde te maken aan de invoer van Russische fossiele brandstoffen, met inbegrip van aardgas, waarmee de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne wordt gesubsidieerd; is in dit verband ingenomen met de recente REPowerEU-routekaart voor beëindiging van de invoer van Russische energie<FOOTNOTE><FIELD> Mededeling van de Commissie van 12 mei 2025 “Routekaart voor beëindiging van de invoer van Russische energie” (COM(2025)0440).</FIELD></FOOTNOTE>; vraagt de G7-landen het goede voorbeeld te geven bij de energietransitie en vraagt alle partijen bij de COP hun energiesystemen koolstofvrij te maken en alle nieuwe investeringen in de winning van fossiele brandstoffen stop te zetten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>116.</NO.P>benadrukt het onaangeboorde potentieel van geothermische energie voor het bereiken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het energiebeleid van de EU, met name voor verwarming en industriële proceswarmte; dringt aan op het delen van beste praktijken, innovaties en technologieën;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>117.</NO.P>herinnert aan de belangrijkste resultaten van de eerste algemene inventarisatie in het kader van de consensus van de VAE op COP28, waaronder een verdrievoudiging van hernieuwbare energiebronnen en een verdubbeling van energie-efficiëntie tegen 2030, alsook een versnelling van investeringen in schone energie; is ingenomen met het feit dat 2023 een recordjaar was voor de groei van de hernieuwbare-elektriciteitscapaciteit<FOOTNOTE><FIELD> IEA, “<STRING ITALIC="on">Renewables”</STRING>, https://www.iea.org/energy-system/renewables#tracking.</FIELD></FOOTNOTE> en roept op tot voortdurende monitoring en het volgen van de vooruitgang, zowel op EU- als op mondiaal niveau; stelt met bezorgdheid vast dat de huidige investeringstrends niet zijn afgestemd op de niveaus die nodig zijn voor de wereld om deze doelen te bereiken<FOOTNOTE><FIELD> IEA, <STRING ITALIC="on">World Energy Investment 2024:Overview and key findings</STRING>, 2024.</FIELD></FOOTNOTE> en wijst erop dat om deze kloof te dichten beleidsmaatregelen en een sterkere publiek-private coördinatie nodig zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>118.</NO.P>benadrukt het belang van een wereldwijde vermindering van de methaanemissies in de toeleveringsketens voor fossiele brandstoffen tijdens de transitie naar schone energiesystemen met het oog op de verlaging van het mondiale niveau van methaanemissies met 75 % in 2030, in overeenstemming met het scenario uit de “Net Zero by 2050 Roadmap” van het IEA; verzoekt de ondertekenaars van het mondiale methaanpact om hun inspanningen op te voeren, aangezien de huidige reductiepercentages ontoereikend blijven<FOOTNOTE><FIELD> IEA, “Tracking pledges, targets and action”, https://www.iea.org/reports/global-methane-tracker-2024/tracking-pledges-targets-and-action.</FIELD></FOOTNOTE> en de mondiale uitstoot jaarlijks de 120 miljoen ton blijft overschrijden; is ingenomen met de routekaart voor partnerschappen voor de terugdringing van de methaanuitstoot, die de Commissie tijdens COP29 heeft gelanceerd, en dringt aan op een snelle uitvoering ervan, onder meer door succesvolle voorbeelden te tonen tijdens COP30;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>119.</NO.P>steunt een mondiale doelstelling om de energieopslagcapaciteit te verzesvoudigen tot 1 500 GW tegen 2030 en meer in het algemeen om de systeemflexibiliteit te verhogen in lijn met de G7-doelstellingen; wijst op de noodzaak van innovatie in technologieën voor de vermindering van de broeikasgasemissies; waarschuwt dat klimaatverandering energiesystemen verstoort, inclusief de efficiëntie van waterkracht en thermische centrales; benadrukt de noodzaak van de ontwikkeling van niet-fossiele flexibiliteit en opslag om hernieuwbare energiebronnen beter te integreren en te beheren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>120.</NO.P>Benadrukt de grondige herziening van de energiewetgeving van de EU in het kader van het Fit for 55-pakket, waarmee deze wetgeving is afgestemd op de verhoogde doelstelling van de EU om de broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen teneinde uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, en die nu effectief moet worden uitgevoerd; is van mening dat andere partijen soortgelijke en relevante inspanningen moeten leveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>121.</NO.P>benadrukt de rol van schone energie en hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie en systeemdiversificatie bij het bereiken van klimaatneutraliteit; is in dit verband ingenomen met de recente hervorming van de opzet van de EU-elektriciteitsmarkt<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn (EU) 2024/1711 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2018/2001 en (EU) 2019/944 inzake het verbeteren van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie (PB L, 2024/1711, 26.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1711/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, die tot doel heeft de opwekking van hernieuwbare energie te stimuleren en consumenten mondiger te maken en te beschermen; is van mening dat verdere actie nodig is om de regels voor de opzet van de elektriciteitsmarkt uit te voeren; benadrukt de noodzaak om pragmatische, duidelijke en randvoorwaarden vast te stellen voor het opvoeren van het gebruik van koolstofarme en hernieuwbare waterstof om de energietransitie vooruit te helpen, met name in sectoren waar het moeilijk is om de emissies te reduceren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>122.</NO.P>brengt in herinnering dat de EU waarde hecht aan het energie-efficiëntie-eerstbeginsel, waarbij rekening wordt gehouden met kostenefficiëntie, systeemefficiëntie, opslagcapaciteit, flexibiliteit aan de vraagzijde en voorzieningszekerheid; wijst op haar rol in het verminderen van emissies, het verlagen van energierekeningen, het verbeteren van de energiezekerheid en het beschermen van kwetsbare consumenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>123.</NO.P>benadrukt de noodzaak van grootschalige publieke en particuliere investeringen in het energienet van de EU en de daarmee samenhangende infrastructuur om deze te kunnen moderniseren, onder meer door digitalisering en uitbreiding, met inbegrip van grensoverschrijdende interconnectie, en de verdere flexibele integratie van schone en hernieuwbare energiebronnen, efficiëntiemaatregelen en opslagoplossingen om schone, voldoende, veilige en betaalbare energie te leveren aan de burgers en de industrie van de EU; benadrukt met name de noodzaak van een verbetering van het elektriciteitsnet van de EU als onderdeel van het komende pakket voor het Europese net;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>124.</NO.P>wijst op de noodzaak van mondiale coördinatie met en ondersteuning van ontwikkelingslanden en minst ontwikkelde landen om nettonuluitstoot te bereiken en capaciteit op te bouwen door grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van beleidsvorming en overdracht van wetenschap en technologie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>125.</NO.P>wijst erop dat betrouwbare partnerschappen met niet-EU-landen op het gebied van de externe dimensies van energiebeleid moeten worden bevorderd; neemt kennis van de inspanningen van de EU om energieallianties op te bouwen vanuit het oogpunt van duurzame ontwikkeling, onder meer door rekening te houden met de belangen van hun bevolking en lokale gemeenschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>126.</NO.P>neemt kennis van de verklaring<FOOTNOTE><FIELD> Verklaring om kernenergie te verdrievoudigen, december 2023.</FIELD></FOOTNOTE> om de mondiale kernenergiecapaciteit tegen 2050 te verdrievoudigen, die werd gelanceerd op COP28 en sinds COP29 is ondertekend door 31 landen, waaronder twaalf EU-lidstaten en Oekraïne; herinnert in dit verband aan de lancering van de nucleaire alliantie die door verschillende EU-lidstaten is voorgesteld en de Europese industriële alliantie voor kleine modulaire reactoren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>127.</NO.P>Benadrukt de centrale rol van lokale gemeenschappen en burgers in een rechtvaardige en inclusieve energietransitie; benadrukt het rechtskader van de EU dat energiegemeenschappen mogelijk maakt en het potentieel ervan als model voor internationale partners;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Beleid inzake onderzoek, innovatie, digitale technologieën en ruimtevaart</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>128.</NO.P>erkent het belang van het Copernicus-programma en het EU-Kenniscentrum voor aardobservatie voor klimaatactie en -observatie; benadrukt het belang van satellietmonitoring voor het klimaatbeleid, waaronder het volgen van methaanemissies, bossen en koolstofputten; roept op tot gezamenlijk onderzoek naar ruimte- en klimaattechnologieën, sterkere publiek-private partnerschappen en meer investeringen in de EU-ruimtevaartsector met het oog op strategische autonomie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>129.</NO.P>wijst op de cruciale rol van onderzoek en innovatie (O&amp;I) bij het bereiken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de Green Deal; betreurt dat de EU haar investeringsdoel van 3 % van het bbp voor onderzoek en ontwikkeling (O&amp;O) nog steeds niet heeft gehaald en dringt aan op strategieën om O&amp;O in de industrie te stimuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>130.</NO.P>is verheugd over de rol van het Horizon Europa-programma en zijn partnerschappen, zoals de gemeenschappelijke ondernemingen en de kennis- en innovatiegemeenschappen van het Europees Instituut voor innovatie en technologie, bij het stimuleren van publiek-private samenwerking in de richting van klimaatneutraliteit, waarbij duurzame, toegankelijke en betaalbare innovatie wordt gewaarborgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>131.</NO.P>wijst erop dat de EU moet samenwerken op het gebied van onderzoek dat gericht is op technologie, industrie en innovatieve wetenschap, waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan de Overeenkomst van Parijs en dringt aan op de snelle afronding van de nieuwe strategie voor Europese biowetenschappen en de herziening van de strategie voor de bio-economie; is ingenomen met het initiatief “Kies Europa voor wetenschap”, dat de financieringsmogelijkheden voor onderzoek in de EU verbetert; verzoekt de Commissie strategische onderzoekspartnerschappen te bevorderen om een gelijk speelveld in Europa mogelijk te maken; is voorstander van verdere actie om de toegankelijkheid van klimaatgerelateerde gegevens voor de internationale onderzoeksgemeenschap op lange termijn veilig te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>132.</NO.P>benadrukt de sleutelrol van digitalisering bij energie-integratie, marktconnectiviteit en emissiereductie; benadrukt het belang van digitale technologieën en op AI gebaseerde instrumenten om de transformatie naar een schone industrie tot stand te brengen, aangezien zij kansen bieden op het gebied van onder meer elektrificatie, flexibiliteit en energie-efficiëntie; kijkt uit naar de strategische routekaart van de EU voor digitalisering en AI in de energiesector; maakt zich zorgen over de koolstofvoetafdruk van de sector informatie- en communicatietechnologie en roept op tot duurzame praktijken in datacentra; herinnert aan de doelstelling van de digitale strategie van de EU om tegen 2030 klimaatneutrale en uiterst energie-efficiënte datacentra en elektronische communicatienetwerken en -diensten te leveren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De rol van het Europees Parlement bij de COP30</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>133.</NO.P>is van mening dat het Parlement een integraal onderdeel moet uitmaken van de EU-delegatie op de COP30, aangezien het zijn goedkeuring moet hechten aan internationale overeenkomsten en, als een van de medewetgevers van de EU, een centrale rol speelt bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs binnen de EU; verwacht dan ook te worden toegelaten tot de coördinatiebijeenkomsten van de EU op de COP30 in Belém en tijdig inzage te krijgen in alle voorbereidende documenten; verbindt zich ertoe onafhankelijk en zonder belangenconflicten te handelen;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>134.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie toe te zenden aan alle niet-EU-partijen bij het verdrag.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>