<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0285</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Institutionele aspecten van het verslag over de toekomst van het Europese concurrentievermogen (rapport-Draghi)</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0196/2025 - Rapporteur: Brando Benifei)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2025 over de institutionele aspecten van het rapport over de toekomst van het Europese concurrentievermogen (rapport-Draghi) (2025/2013(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van 9 september 2024 van Mario Draghi, getiteld “De toekomst van het Europese concurrentievermogen” (rapport-Draghi),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de toespraak van Mario Draghi bij de presentatie van het rapport-Draghi aan het Europees Parlement op 17 september 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van 17 april 2024 van Enrico Letta getiteld “Much more than a market” (Veel meer dan een markt) (rapport-Letta),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 29 januari 2025 getiteld “Het EU-kompas voor concurrentievermogen” (COM(2025)0030),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 februari 2025 getiteld “De weg naar het volgende meerjarig financieel kader” (COM(2025)0046),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 19 maart 2025 getiteld “Spaar- en investeringsunie. Een strategie om in de EU de welvaart van burgers en het economische concurrentievermogen te stimuleren” (COM(2025)0124),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van 30 oktober 2024 van Sauli Niinistö getiteld “Safer Together – Strengthening Europe’s Civilian and Military Preparedness and Readiness” (Samen veiliger – Versterking van de civiele en militaire paraatheid en gereedheid van Europa) (rapport-Niinistö),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 9 mei 2022 over het eindresultaat van de Conferentie over de toekomst van Europa,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 4 mei 2022 over de follow-up van de conclusies van de Conferentie over de toekomst van Europa<FOOTNOTE><FIELD>PB C 465 van 6.12.2022, blz. 109.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 9 juni 2022 over de oproep tot een Conventie voor een herziening van de Verdragen<FOOTNOTE><FIELD>PB C 493 van 27.12.2022, blz. 130.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 22 november 2023 over ontwerpen van het Europees Parlement tot herziening van de Verdragen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/4216, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4216/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 11 juli 2023 over de tenuitvoerlegging van de overbruggingsclausules in de EU-verdragen<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/3996, 17.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/3996/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 7 mei 2025 inzake een vernieuwde langetermijnbegroting voor de Unie in een veranderende wereld<FOOTNOTE><FIELD>Aangenomen teksten, P10_TA(2025)0090.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 12 maart 2025 over het witboek over de toekomst van de Europese defensie<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2025/3151, 20.6.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3151/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 48 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overbruggingsclausules in de EU-verdragen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Verdragsbepalingen inzake nauwere samenwerking en permanente gestructureerde samenwerking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 122 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van het Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A10-0196/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het rapport-Draghi, opgesteld door Mario Draghi op verzoek van Commissievoorzitter Ursula von der Leyen, een uitgebreide diagnose geeft van de structurele uitdagingen waarmee de EU wordt geconfronteerd en waarschuwt dat de EU het risico loopt van langdurige trage economische groei die uiteindelijk de welvaart en het maatschappelijk welzijn zou kunnen bedreigen; overwegende dat het rapport-Draghi schetst hoe Europa niet langer kan vertrouwen op veel van de factoren die in het verleden de groei hebben ondersteund;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat er een brede kloof in bbp is ontstaan tussen de EU en de Verenigde Staten, die is toegenomen van meer dan 15 % in 2002 tot ongeveer 30 % in 2023, uitgedrukt in prijzen van 2015; overwegende dat deze kloof voornamelijk wordt veroorzaakt door een sterkere vertraging van de productiviteit in Europa en het onvermogen van de EU om te profiteren van de digitale revolutie, aangedreven door het internet, en de daarmee gepaard gaande potentiële productiviteitswinst, deels als gevolg van de versnippering van de Europese eengemaakte markt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat in het rapport-Draghi het dichten van de innovatiekloof, een gezamenlijk plan voor decarbonisatie en concurrentievermogen, het vergroten van de veiligheid en het verminderen van afhankelijkheid, en het verwezenlijken van de economische, ecologische en sociale doelstellingen van de EU worden aangemerkt als de fundamentele grondslagen voor de toekomstige groei van Europa; overwegende dat in het rapport wordt ingeschat dat hiervoor een verhoging van het investeringsniveau met ongeveer 5 % van het bbp van de EU nodig is, met een minimum van 750 tot 800 miljard EUR aan extra jaarlijkse investeringen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de mondiale vraag naar kritieke grondstoffen snel toeneemt als gevolg van de transitie naar schone energie, en Europa ook enorm afhankelijk is van de invoer van digitale technologie, met name voor de productie van chips, aangezien 75-80 % van de mondiale capaciteit voor de productie van wafers zich in Azië bevindt; overwegende dat er een echt “buitenlands economisch beleid” van de EU moet worden ontwikkeld om de autonomie en het concurrentievermogen van de EU op dit cruciale gebied en in andere strategische sectoren te behouden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat zowel in het rapport-Letta, dat is opgesteld door Enrico Letta in opdracht van de Europese Raad, als in het rapport-Draghi wordt benadrukt dat de eengemaakte markt van meet af aan een geweldige stimulans voor de economie van de EU is gebleken en een krachtige factor voor haar aantrekkingskracht heeft gevormd, en dat zij nog steeds een hoeksteen van de Europese integratie en waarden is die als een krachtige katalysator voor groei, welvaart en solidariteit fungeert; overwegende dat het internationale landschap echter ingrijpend is veranderd, waardoor het noodzakelijk is geworden de eengemaakte markt verder te verdiepen en te voltooien om het volledige potentieel ervan te benutten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in het rapport-Draghi wordt vastgesteld dat er minimaal 750 tot 800 miljard EUR aan extra jaarlijkse investeringen nodig is om de productiviteit van de EU te herstellen en de milieu- en sociale doelstellingen van de EU te verwezenlijken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de EU-steun voor zowel publieke als particuliere investeringen wordt beperkt door de omvang van de EU-begroting, het gebrek aan focus, het complexe bestuurskader en een te conservatieve houding ten opzichte van risico’s; overwegende dat gemeenschappelijke EU-investeringen, met inbegrip van gezamenlijk gefinancierde marktgebaseerde initiatieven, essentieel zijn voor het aanpakken van uitdagingen die de nationale grenzen overschrijden, doordat zij schaalvoordelen mogelijk maken, strategische autonomie in de hand werken en tegelijkertijd cohesie in de hele Unie beschermen en bevorderen, particulier kapitaal aantrekken, het mondiale concurrentievermogen van de EU in kritieke sectoren vergroten en andere Europese collectieve goederen financieren en leveren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de poging om de kapitaalmarktenunie (KMU) tot stand te brengen, die door Commissievoorzitter Von der Leyen als strategische prioriteit is aangemerkt, de afgelopen tien jaar nog niet tot het beoogde resultaat heeft geleid; overwegende dat uit de werkzaamheden die tot dusverre in het kader van de KMU zijn verricht, blijkt dat de volledige integratie van financiële diensten op de eengemaakte markt cruciaal is voor de verwezenlijking van de strategische economische beleidsdoelstellingen van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het rapport-Draghi een uitgebreide analyse biedt van het economische bestuur en het concurrentievermogen van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de toetredingsprocessen van een aantal landen sinds de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne een nieuwe impuls hebben gekregen, hetgeen heeft geleid tot een situatie waarin de EU zich moet voorbereiden op de volgende uitbreidingsronde en haar besluitvormingsprocessen moet verbeteren om ervoor te zorgen dat zij met een groter aantal lidstaten efficiënt kan functioneren; overwegende dat in het rapport-Draghi wordt opgemerkt dat de wetgevingsactiviteiten van de Commissie zijn toegenomen en dat de EU streng moet zijn bij de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel; overwegende dat er in het rapport-Draghi ook op wordt gewezen dat de besluitvormingsregels van de EU niet noemenswaardig zijn meegegroeid met de uitbreiding van de EU en dat zij moeten worden versterkt en gestroomlijnd met het oog op toekomstige uitbreidingen en de complexe mondiale context; overwegende dat de uitbreiding van de eengemaakte markt een aanzienlijk potentieel biedt voor de groei van de Europese economie en de versterking van de geo-economische positie van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat in het rapport-Draghi voorts wordt gesteld dat het nationale veto door meerdere regeringen wordt gebruikt om maatregelen via het besluitvormingsproces af te remmen of af te zwakken; overwegende dat het rapport ook benadrukt dat, hoewel de versterking van de EU een Verdragswijziging vereist, er veel kan worden bereikt door middel van gerichte aanpassingen; overwegende dat het rapport daarom stelt dat een nieuwe industriële strategie voor Europa gepaard moet gaan met parallelle verbeteringen van de institutionele opzet en werking van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat in het rapport-Draghi wordt benadrukt dat het Europese besluitvormingsproces moet worden vereenvoudigd om de goedkeuring van maatregelen ter bevordering van het concurrentievermogen en de economische groei van de EU te vergemakkelijken, en om ervoor te zorgen dat besluiten tijdig en op een efficiënte wijze worden genomen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat in het rapport-Draghi wordt verduidelijkt dat het politieke en institutionele model van de EU binnen het bestaande rechtskader kan worden versterkt door gerichte gestroomlijnde maatregelen toe te passen zonder dat Verdragswijzigingen nodig zijn; overwegende dat in het rapport wordt gesteld dat dergelijke maatregelen gericht moeten zijn op deregulering in plaats van op uitbreiding van het aantal EU-regels en -procedures;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat het rapport-Draghi digitale transformatie en de ontwikkeling van artificiële intelligentie (AI) aanwijst als belangrijke aanjagers van het toekomstige Europese concurrentievermogen; overwegende dat de EU tot nu toe cruciale kansen in de digitale revolutie heeft gemist en nog steeds achterloopt op de wereldleiders op het gebied van AI-capaciteiten, data-infrastructuur en de schaalvergroting van deeptech;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat in het rapport-Draghi wordt benadrukt dat de EU haar strategische autonomie en defensiecapaciteit moet versterken door de versnippering van de markt tegen te gaan, de interoperabiliteit te verbeteren en de Europese defensie-industrie te consolideren; overwegende dat het rapport-Niinistö deze visie aanvult door te wijzen op de noodzaak om de risicoparaatheid, de crisisrespons en de veerkracht van kritieke infrastructuur en toeleveringsketens te verbeteren; overwegende dat beide rapporten benadrukken dat een geloofwaardige Europese defensie-unie een geïntegreerd bestuurskader en aanhoudende, gecoördineerde investeringen op EU-niveau vereist;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Algemene overwegingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is ingenomen met het rapport-Draghi, de bevindingen daarvan en de daarin vervatte oproep tot actie; sluit zich aan bij de analyse dat Europa voor een existentiële uitdaging staat die een ongekende institutionele inspanning vereist om concurrerend te blijven en groei te realiseren in de snel veranderende geopolitieke context van vandaag; benadrukt dat een dergelijke reactie verankerd moet zijn in het democratisch bestuur van de Unie, het machtsevenwicht tussen de instellingen en de eerbiediging van de Verdragen; roept op tot een hernieuwde Europese strategie die de Unie in staat stelt tijdige en doeltreffende beslissingen te nemen om haar concurrentievermogen en duurzaamheid te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt dat, zoals in het rapport-Draghi wordt gesteld, de EU dringend haar institutionele bestuur moet verbeteren; wijst erop dat deze verbeteringen gepaard moeten gaan met een duidelijke en inclusieve communicatiestrategie bedoeld om de burgers betrokken te houden en op de hoogte te houden van de voordelen van deze veranderingen, teneinde volledige publieke steun te waarborgen en een gevoel van verbondenheid en gedeelde verantwoordelijkheid te bevorderen; beklemtoont dat dit, samen met de noodzaak om versnipperde nationale benaderingen los te laten en een heroriënteerd, versneld en vereenvoudigd besluitvormingsproces op EU-niveau te versterken, de Unie in staat zal stellen om efficiënter en doeltreffender op te treden waar dat het meest van belang is, als een echte wereldspeler; erkent het belang van het aanpakken van blokkades in de Raad op verschillende gebieden; steunt alle initiatieven die gericht zijn op het ontwikkelen van een doeltreffender besluitvormingsproces, wat van cruciaal belang is voor het versterken van het concurrentievermogen van de EU, met volledige inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals vastgelegd in artikel 5, leden 3 en 4, VEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>wijst erop dat de belangrijkste gebieden waarop een strategische beleidshervorming nodig is om het concurrentievermogen van de EU te stimuleren, bestaan uit de voltooiing van de Europese eengemaakte markt, de oprichting van de spaar- en investeringsunie, verbeteringen op het vlak van de efficiëntie van de EU-begroting en de uitvoering ervan, het handhaven van een hoog niveau van sociale bescherming en van sociale en arbeidsrechten, de verdieping van een Europees model van AI en digitale transformatie, en de ontwikkeling van een Europese energie-unie en een Europese defensie-unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt dat de strategische beleidshervormingen en de voorgestelde veranderingen in de institutionele architectuur van de EU moeten worden gezien als onlosmakelijk met elkaar verbonden aspecten die hand in hand moeten worden uitgevoerd om een competitievere EU te stimuleren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Het bestuur van de EU heroriënteren, versnellen en vereenvoudigen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>is verheugd over de inspanningen om het werk van de EU te heroriënteren en te vereenvoudigen door middel van strategische prioritering en institutionele efficiëntie; pleit voor een versterking van het vermogen van de EU om op te treden wanneer dit een duidelijke meerwaarde oplevert, met als uitgangspunt de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; benadrukt dat vereenvoudiging, subsidiariteit en evenredigheid moeten leiden tot slimmere, effectievere wetgeving en niet mogen leiden tot afzijdigheid met betrekking tot gebieden waar maatregelen op EU-niveau nodig zijn; beklemtoont dat er voor doeltreffende ingrepen op beleidsterreinen die bevorderlijk zijn voor een groter economisch concurrentievermogen, een aanpassing nodig is van de bevoegdheden die in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld; benadrukt dat deze vereenvoudiging en hernieuwde focus ook tot uiting moeten komen in een efficiëntere en slankere institutionele opzet, met inbegrip van een reorganisatie van de Commissie en het college van commissarissen, teneinde de doeltreffendheid en het vermogen van de EU om nieuwe uitdagingen aan te gaan te vergroten en haar rol op het wereldtoneel te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>neemt kennis van het kompas voor concurrentievermogen van de Commissie, dat voortbouwt op de visie van het rapport-Draghi en zich richt op de noodzaak van grotere strategische autonomie en veerkracht en de dringende behoefte aan versterking van het concurrentievermogen van de EU, op basis van duurzaamheid, innovatie en energiezekerheid, alsook van sociale, economische en territoriale cohesie; erkent dat de nadruk die in het kompas voor concurrentievermogen wordt gelegd op regelgevingsefficiëntie van essentieel belang is om innovatie te stimuleren, investeringen aan te trekken en duurzame groei mogelijk te maken; steunt de invoering van instrumenten om de gevolgen van nieuwe voorstellen voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor het concurrentievermogen te beoordelen, en beveelt aan de vooruitgang regelmatig te monitoren en digitale oplossingen voor het vereenvoudigen van administratieve procedures te bevorderen; benadrukt dat tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden als een structurele uitdaging voor het concurrentievermogen in de lidstaten moeten worden aangepakt; beklemtoont echter dat het kompas voor concurrentievermogen verder moet worden verbeterd door de institutionele structuur van de EU te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>is verheugd over het idee om de besluitvorming van de EU over gerichte en strategische prioriteiten op het gebied van concurrentievermogen te versterken; is van mening dat elk instrument voor de coördinatie van het concurrentievermogen moet dienen als een overkoepelend institutioneel kader, zodat de EU niet alleen EU- en nationaal beleid kan coördineren maar ook als één geheel kan optreden; benadrukt dat een dergelijk instrument moet worden aangestuurd door de Commissie, gecontroleerd door het Parlement en de Raad, en onderworpen aan een onafhankelijke evaluatie waarbij wordt gekeken naar de doeltreffendheid en transparantie ervan en de verwezenlijking van de doelstellingen; wijst erop dat samenwerking met nationale parlementen en regelgevende instanties noodzakelijk is om te zorgen voor democratische legitimiteit; benadrukt dat de betrokkenheid van sociale partners en belanghebbenden moet worden ingebed in het bestuur van de EU om inclusiviteit en verantwoordingsplicht te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>is verheugd over de doelstelling om de werkzaamheden van de EU te versnellen en herhaalt zijn oproep om vooruitgang te boeken in de richting van meer efficiëntie in de besluitvorming, met inbegrip van de overgang naar de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en de gewone wetgevingsprocedure, wanneer dat nodig is, op belangrijke beleidsterreinen; merkt op dat er voor bepaalde gebieden van cruciaal belang hogere stemmingsdrempels moeten worden overwogen; stelt vast dat in het verleden oplossingen zijn gevonden die de besluitvormingsprocessen slagvaardiger hebben gemaakt; wijst bijvoorbeeld op het feit dat bij het Verdrag van Amsterdam de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen is ingevoerd, terwijl ook de mogelijkheid van constructieve onthouding op bepaalde beleidsterreinen is opgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>dringt er bij de Europese Raad op aan de voorstellen te bespreken die zijn opgenomen in de resoluties van het Parlement van 9 juni 2022 en 22 november 2023 betreffende het bijeenroepen van een conventie overeenkomstig de gewone herzieningsprocedure van artikel 48 VEU, en waar mogelijk gerichte wijzigingen van de Verdragen te overwegen via de vereenvoudigde procedure van artikel 48, lid 6, VEU, teneinde essentiële en dringende hervormingen te bespoedigen; herinnert aan de conclusies van de Conferentie over de toekomst van Europa en dringt er bij de Commissie en de Raad op aan tijdig concrete stappen te ondernemen om deze aanbevelingen op te volgen; is van mening dat de periode voorafgaand aan een akkoord over het volgende meerjarig financieel kader (MFK) een uitgelezen kans vormt om de werkzaamheden ter versterking van de institutionele structuur van de EU te intensiveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>brengt de conclusies van de Conferentie over de toekomst van Europa in herinnering, met name de noodzaak van een Verdragshervorming, en dringt er bij de Commissie en de Raad op aan tijdig concrete stappen te ondernemen om deze aanbevelingen op te volgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>	herhaalt zijn toezegging om het vermogen van de EU tot snel en doeltreffend optreden te versterken en om de efficiëntie van de besluitvorming op belangrijke beleidsterreinen te verbeteren; herhaalt zijn oproep om, indien nodig, de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en de gewone wetgevingsprocedure uit te breiden tot belangrijke beleidsterreinen, met gebruikmaking van de overbruggingsclausules, zoals voorzien in de Verdragen, ter verbetering van het vermogen van de EU om snel en doeltreffend op te treden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>verzoekt de Raad na te denken over het gebruik van nauwere samenwerking overeenkomstig artikel 20 VEU wanneer besluitvorming met eenparigheid van stemmen de vaststelling van besluiten voor de EU als geheel op cruciale beleidsterreinen belet; beklemtoont dat nauwere samenwerking gebaseerd is op de legitieme behoeften van de lidstaten, wanneer de doelstellingen van een dergelijke samenwerking niet binnen een redelijke termijn door de Unie als geheel kunnen worden verwezenlijkt; benadrukt dat nauwere samenwerking twee belangrijke waarborgen biedt, namelijk de instemming van het Parlement en de rechterlijke toetsing door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), en dat in het kader van nauwere samenwerking genomen besluiten gebaseerd zijn op een voorstel van de Commissie; beklemtoont dat het hoofddoel van nauwere samenwerking de vereenvoudiging van de besluitvorming is; raadt de deelnemende lidstaten aan de specifieke overbruggingsclausule van artikel 333 VWEU te activeren om in het kader van nauwere samenwerking over te stappen op besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en de gewone wetgevingsprocedure; merkt op dat in het rapport-Draghi wordt geopperd dat wanneer geen unanieme overeenstemming kan worden bereikt over de invoering van besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de lidstaten die dat wensen ook kunnen overwegen hun toevlucht te nemen tot intergouvernementele samenwerking;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>benadrukt dat het voor de verbetering van het besluitvormingsproces van de EU noodzakelijk is het Parlement meer bevoegdheden te geven door het op gelijke voet te plaatsen met de Raad, en dringt erop aan dat de rol van het Parlement in het wetgevingsproces wordt versterkt; herhaalt zijn oproep om het Parlement het volledige recht van wetgevingsinitiatief te laten verkrijgen; benadrukt hoe belangrijk het is om het enquêterecht van het Parlement te moderniseren en zo het democratisch toezicht op de uitvoerende macht van de EU te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>is van mening dat artikel 122 VWEU een instrument kan zijn voor snel optreden van de EU, zij het uitsluitend in crisissituaties, maar wijst erop dat het gebruik ervan streng toezicht vereist, niet alleen door het HvJ-EU maar ook door het Parlement; wijst erop dat moet worden gezorgd voor nauwe samenwerking tussen de Commissie, het Parlement en andere relevante instellingen en organen van de EU;  dringt erop aan dat de procedures voor de activering van artikel 122 VWEU worden verduidelijkt en systematischer worden gemaakt, met name door beide medewetgevers de bevoegdheid te geven om over de activering ervan te beslissen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>benadrukt de dringende noodzaak tot verbetering van het institutionele en financiële kader van de EU om ervoor te zorgen dat deze functioneel, democratisch en concurrerend blijft en in staat is nieuwe leden op te nemen en hun succesvolle integratie te bevorderen, in het vooruitzicht van toekomstige uitbreidingen; herhaalt derhalve dat uitbreiding hand in hand moet gaan met het versterken van EU-bestuur; moedigt de dialoog aan tussen de EU en de regeringen, parlementen en het maatschappelijk middenveld van kandidaat-lidstaten over eventuele voorstellen voor wijzigingen in de institutionele structuur van de EU die worden overwogen; ziet het belang in van initiatieven zoals de Europese politieke gemeenschap, die politieke samenwerking mogelijk maken, bijdragen aan regionale dialogen en die de geleidelijke integratie van kandidaat-lidstaten in de Unie en haar beleid kunnen vergemakkelijken, zonder een alternatief te vormen voor het EU-lidmaatschap; beklemtoont dat het Parlement regelmatig moet worden geïnformeerd en geraadpleegd over ontwikkelingen in de Europese politieke gemeenschap, teneinde democratische verantwoordingsplicht en samenhang met het institutionele kader van de EU te waarborgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Efficiënt EU-bestuur op belangrijke beleidsterreinen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>roept op tot voltooiing van de Europese eengemaakte markt, zoals verankerd in de artikelen 26 en 114 VWEU en artikel 3, lid 3, VEU, om het volledige potentieel ervan te ontplooien en de resterende belemmeringen, waaronder oneerlijke internationale concurrentie, weg te werken met als doel hoge energieprijzen, tekorten aan vaardigheden en arbeidskrachten, problemen bij de toegang tot kapitaal, versnipperde uitvoering van EU-regels, onvoldoende steun voor de digitale en de groene transitie en hoge administratieve lasten voor burgers en bedrijven tegen te gaan, en economische groei, sociale, economische en territoriale cohesie en culturele uitwisseling binnen de EU te bevorderen; dringt aan op de ontwikkeling van een Europese geïntegreerde kapitaalmarkt, zoals beoogd in de artikelen 26 en 63 VWEU, door middel van een nieuw opgerichte spaar- en investeringsunie, voortbouwend op de onvoltooide KMU; pleit voor een versterkte Europese Autoriteit voor effecten en markten, met artikel 114 VWEU als rechtsgrond, om convergentie van het toezicht en grensoverschrijdende coördinatie in het kader van de spaar- en investeringsunie te verbeteren; neemt er tevens nota van dat in het rapport-Letta het belang wordt erkend van de economische kracht van de eengemaakte markt voor de mondiale en handelsambities van de EU, onder meer in de economische betrekkingen met strategische partners;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>ondersteunt de toevoeging van een “vijfde vrijheid” aan de bestaande vier, zoals voorgesteld in het rapport-Letta, om onderzoek, innovatie, kennis en onderwijs voor onderzoekers, innovatoren en werknemers op de eengemaakte markt te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat toekomstige initiatieven ter versterking van het concurrentievermogen van de EU en ter verdieping van de eengemaakte markt worden verankerd in maatregelen ter bevordering van de sociale, economische en territoriale cohesie, zoals neergelegd in de Verdragen; benadrukt dat institutionele mechanismen voor gelijke kansen, solidariteit en het verminderen van ongelijkheden volledig moeten worden geïntegreerd in het bestuurssysteem van de EU; herhaalt zijn oproep om de uitvoering en monitoring van de Europese pijler van sociale rechten te versterken via de bestuursstructuren van de EU, om zo sociale vooruitgang als een centraal element in de besluitvorming van de EU op te nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>herhaalt dat de doelstellingen van de eengemaakte markt niet alleen moeten worden afgestemd op het recht op vrij verkeer, maar ook op de “vrijheid om te blijven”, zoals uiteengezet in het rapport-Letta; verzoekt de Commissie dan ook om de verantwoordelijkheid voor de “vrijheid om te blijven” toe te wijzen aan een van de commissarissen, met een portefeuille die cohesiebeleid en diensten van algemeen belang omvat, en een gestructureerde en voortdurende dialoog tot stand te brengen tussen de commissaris en de regionale autoriteiten van de lidstaten om ervoor te zorgen dat het beleid inzake de “vrijheid om te blijven” zorgvuldig wordt afgestemd op de specifieke kenmerken van een regio en om de sociaaleconomische en culturele diversiteit van de regio’s in de EU te eerbiedigen; erkent dat het bevorderen van infrastructuurontwikkeling, gemeenschapsopbouw, het scheppen van banen, de toegang tot openbare diensten en een geschikt klimaat voor industrieën en investeringen essentieel zijn voor de handhaving van het recht van mensen om in hun regio te blijven en een bijdrage leveren aan de economische ontwikkeling en het concurrentievermogen van de EU; wijst erop dat het cohesiebeleid een groot deel van de EU-begroting moet blijven uitmaken, zodat het beter kan inspelen op de specifieke behoeften van regio’s en steden, onder meer door directere toegang tot EU-middelen te bieden; benadrukt dat de projecten van het cohesiebeleid efficiënter en zichtbaarder ter plaatse moeten worden uitgevoerd, met tastbare resultaten die het gevoel van verbondenheid bij de burgers en steun voor EU-integratie versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt dat de EU doeltreffender moet optreden op strategische gebieden, als aanvulling op nationale inspanningen en ondersteund door een mix van eigen middelen van de EU en gecoördineerde bijdragen, en dat dergelijke maatregelen het concurrentievermogen, de innovatie, de economische veerkracht, de sociale en territoriale cohesie, de duurzaamheid op het gebied van milieu en energie, en de collectieve veiligheid van Europa zouden versterken; beklemtoont, in het licht van de bevindingen van het rapport-Draghi, de noodzaak om een open en toekomstgericht debat te voeren, rekening houdend met de lessen die zijn getrokken uit de ervaringen met NextGenerationEU; benadrukt hoe belangrijk het is om op EU-niveau investeringsinstrumenten en -middelen te creëren waarmee strategische gezamenlijke investeringen in Europese collectieve goederen en diensten kunnen worden gefinancierd, en hoe belangrijk het is om financieringsprogramma’s aan te passen aan de veranderende dynamiek van handel en innovatie; beklemtoont dat echte nieuwe eigen middelen van de EU van cruciaal belang zijn opdat het Parlement en de Raad flexibele begrotingen kunnen vaststellen, zodat de EU autonomer kan optreden en minder afhankelijk wordt van nationale begrotingsbijdragen; wijst er bijvoorbeeld op dat het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie in aanmerking komt als nieuwe bron van eigen middelen van de EU, waarvoor onder de lidstaten veel bijval bestaat; herinnert aan het standpunt van het Parlement in het MFK-voorstel voor 2028-2034, over de noodzaak om verder te gaan dan de zelfopgelegde regel dat de omvang van de langetermijnbegroting van de EU niet meer dan 1 % van het geaggregeerde nationale bnp mag bedragen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>benadrukt dat, met het oog op het behoud en de versterking van het mondiale concurrentievermogen van de EU, de EU-begroting moet worden vereenvoudigd om onnodige administratieve lasten te verminderen, de toegang tot middelen voor begunstigden te vergemakkelijken en beter bij te dragen aan de doelstelling van versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie door ervoor te zorgen dat de financiering terechtkomt bij degenen die deze het hardst nodig hebben, met name kleine en middelgrote ondernemingen, lokale gemeenschappen en actoren van de sociale economie, ook in plattelands-, perifere of economisch achtergestelde gebieden; herinnert er echter aan dat vereenvoudigingsinspanningen geen afbreuk mogen doen aan de fundamentele beginselen die ten grondslag liggen aan het meerjarig financieel kader en de programma’s daarvan, noch de democratische controle op de uitvoering ervan mogen verzwakken; wijst erop dat vereenvoudiging gepaard moet gaan met sterke waarborgen voor gelijke toegang, non-discriminatie en effectieve verantwoordingsplicht, waarbij het Parlement gedurende de hele financieringscyclus voor democratisch toezicht zorgt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>benadrukt dat het voor het verwezenlijken van de concurrentiedoelstellingen van de EU noodzakelijk is om de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit en duurzaamheid te integreren in het institutionele en bestuurlijke kader van de EU; beklemtoont dat hervormingen de Verdragsbepalingen, met inbegrip van artikel 194 VWEU, in acht moeten nemen en een sterke democratische legitimiteit moeten krijgen door het Parlement te betrekken bij het ontwerp en de financiering ervan en het toezicht erop; benadrukt hoe belangrijk het is om de interinstitutionele coördinatie te versterken en ervoor te zorgen dat besluiten op dit gebied worden onderworpen aan een daadwerkelijke parlementaire controle, om zo de democratische grondslagen van de Unie te verstevigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten om, gezien de huidige geopolitieke uitdagingen, een echte Europese defensie-unie op te richten en investeringen in de Europese defensie-industrie op te voeren, met name door een beroep te doen op echte Europese instrumenten, met nieuwe financiering, in combinatie met een volledig defensieprogramma, ook tegen hybride aanvallen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de planning, ontwikkeling, aanschaf en het beheer van vermogens gezamenlijk plaatsvinden, in groeperingen van een aanzienlijk aantal lidstaten; vraagt de Commissie om de samenhang tussen de bestaande en toekomstige instrumenten te verbeteren, ook op het niveau van het bestuur, teneinde te zorgen voor een doeltreffende democratische controle van de nieuwe defensie-unie; roept de EU op om de marktversnippering het hoofd te bieden, in overeenstemming met de aanbevelingen gedaan in de rapporten van Draghi, Letta en Niinistö, door een eengemaakte markt voor defensie te creëren waar bindende gemeenschappelijke regels gelden; merkt op dat dergelijke gemeenschappelijke regels eerlijke concurrentie zouden garanderen en de wederzijdse certificering van defensieproducten zouden vergemakkelijken, terwijl tegelijkertijd volledige interoperabiliteit en uitwisselbaarheid worden gewaarborgd, schaalvoordelen worden gerealiseerd en vermogens en middelen worden versterkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten defensie-investeringen te integreren in een breder veiligheidsconcept dat ook gemeenschappelijke Europese initiatieven omvat, met name Europese defensieprojecten van gemeenschappelijk belang, waarbij kritieke infrastructuur wordt versterkt en onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten worden bevorderd, waardoor hoogwaardige banen worden gecreëerd en behouden; roept de Europese Raad ertoe op in te stemmen met de activering van artikel 42, lid 2, VEU voor de vaststelling van een gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie; benadrukt dat de nieuwe defensie-unie een aanvulling moet vormen op de NAVO en niet ervoor in de plaats mag komen; neemt nota van het feit dat de lidstaten zijn begonnen met de geleidelijke vormgeving van het Europese defensiebeleid, door de oprichting van het Europees Defensieagentschap (EDA) en de start van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO); roept de lidstaten op om te blijven werken aan de totstandbrenging van een Europese defensie-unie met een gemeenschappelijke defensie; herinnert eraan dat voor de oprichting van het startfonds, het EDA en de PESCO, alsook het gebruik van de EU-begroting, de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen geldt; brengt in herinnering dat een groep lidstaten overeenkomstig artikel 44 VEU ook kan besluiten om gebruik te maken van de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>wijst erop dat de versterking van AI-bestuur gebaseerd moet zijn op transparantie, bescherming van de grondrechten en waarborging van het algemeen belang, overeenkomstig de op regels gebaseerde aanpak van de EU; verzoekt de Commissie om de rol van het bestaande Europees AI-bureau te versterken; is ingenomen met het actieplan voor het AI-continent voor de ontwikkeling van een “AI-model” van de EU, gebaseerd op samenwerking tussen overheids- en private actoren;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>