<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0287</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Begroting 2024 — Beoordeling van de uitvoering van de gendermainstreamingmethode in de EU-begroting</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0212/2025 - Rapporteur: Marit Maij)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2025 over de begroting 2024 — beoordeling van de uitvoering van de gendermainstreamingmethodologie in de EU-begroting (2025/2033(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8, 10 en 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/765 van de Raad van 29 februari 2024 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/765, 29.2.2024, ELI:<STRING UNDERLINE="on"> https://data.europa.eu/eli/reg/2024/765/oj</STRING>.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2022/2496 van de Raad van 15 december 2022 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027<FOOTNOTE><FIELD> PB L 325 van 20.12.2022, blz. 11, ELI: https://data.europa.eu/eli/reg/2022/2496/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027<FOOTNOTE><FIELD> PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11, ELI: https://data.europa.eu/eli/reg/2020/2093/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 3 oktober 2023 over het voorstel voor een tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader 2021‑2027<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/1195, 23.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1195/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen<FOOTNOTE><FIELD> PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28, ELI: https://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2020/1222/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name punt 16, f),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: https://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 33,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 16 juli 2025 voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2028-2034 (COM(2025)0571),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 16 juli 2025 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor het traceren van begrotingsuitgaven en voor begrotingsprestaties en andere horizontale regels voor de programma’s en activiteiten van de Unie (COM(2025)0545), en de bijbehorende effectbeoordeling van 16 juli 2025 (SWD(2025)0590),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 november 2021, getiteld “Better Regulation Guidelines” (Richtsnoeren voor betere regelgeving) (SWD(2021)0305),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van 2025 van de Commissie over gendergelijkheid in de EU,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 7 maart 2025 getiteld “Een routekaart voor vrouwenrechten” (COM(2025)0097),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over de EU-strategie inzake gendergelijkheid<FOOTNOTE><FIELD> PB C 456 van 10.11.2021, blz. 208.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 10 maart 2022 over gendermainstreaming in het Europees Parlement — jaarverslag 2020<FOOTNOTE><FIELD> PB C 347 van 9.9.2022, blz. 139.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 2 april 2025 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2026, afdeling III – Commissie<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/4382, 9.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4382/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 7 mei 2025 inzake een vernieuwde langetermijnbegroting voor de Unie in een veranderende wereld<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P10_TA(2025)0090.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de raming voor het begrotingsjaar 2026 van de Commissie van 4 juni 2025 (SEC(2025)0250),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaringen over de prestaties van de programma’s betreffende beleidsuitgaven, die zijn opgenomen in deel I van het werkdocument van juni 2025 dat gevoegd is bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2026 (COM(2025)0300),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU‑begroting – Begrotingsjaar 2021(COM(2022)0401),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU‑begroting – Begrotingsjaar 2022 (COM(2023)0401),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU‑begroting – Begrotingsjaar 2023 (COM(2024)0401),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU‑begroting – Begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0824),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Speciaal verslag 10/2021 van de Europese Rekenkamer van 26 mei 2021 getiteld “Gendermainstreaming in de EU-begroting: tijd om de daad bij het woord te voegen”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de briefing van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement van februari 2025, getiteld “Gender-responsive budgeting: State of play and opportunities for the European Parliament’s 10th term” (Genderbudgettering: stand van zaken en mogelijkheden voor de 10e zittingsperiode van het Europees Parlement),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>	gezien de in opdracht van zijn Begrotingscommissie en Commissie begrotingscontrole uitgevoerde studie “Genderbudgettering in de Europese Unie – stand van zaken 2024”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de workshop van 25 juni 2025 op verzoek van de Commissie begrotingscontrole, getiteld “Implementation of the gender mainstreaming methodology in the EU budget” (Uitvoering van de gendermainstreamingmethodologie in de EU-begroting),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de schriftelijke antwoorden van de toenmalige kandidaat-commissaris voor Begroting, Fraudebestrijding en Openbaar Bestuur in de periode van de hoorzittingen voorafgaand aan de benoemingen in 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking (Beijing) (1995),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het eindverslag van de groep deskundigen over genderbudgettering van de Raad van Europa (2005),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de activiteiten van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) en de publicaties dienaangaande,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0212/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat gendergelijkheid een in het primaire recht van de Unie verankerde doelstelling van de EU is en een beginsel dat centraal moet staan in alle beleidslijnen van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat gendermainstreaming een wereldwijd erkende strategie is om te zorgen voor de integratie van een genderperspectief bij het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van alle beleidslijnen, programma’s en maatregelen, teneinde gendergelijkheid te bevorderen en discriminatie te bestrijden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat genderbudgettering door de Raad van Europa wordt gedefinieerd als een op gender gebaseerde beoordeling van de begroting, waarbij het genderperspectief in alle niveaus van het begrotingsproces wordt opgenomen en inkomsten en uitgaven worden herschikt ter bevordering van gendergelijkheid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het EIGE genderbudgettering omschrijft als een instrument waarmee beleidsmakers verantwoordingsplicht en transparantie kunnen bevorderen, een evenwichtige deelname van alle genders aan het begrotingsproces kunnen vergroten en gendergelijkheid kunnen bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de Europese Rekenkamer erop heeft gewezen dat in het meerjarig financieel kader (MFK) van de EU voor 2014-2020 onvoldoende rekening is gehouden met gendergelijkheid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de integratie van gendergelijkheid als horizontale prioriteit in de EU‑begroting een kwestie is die al lang een punt van zorg vormt voor zowel de Commissie begrotingscontrole als het Parlement, en wordt beschouwd als een essentieel criterium bij de beoordeling van de uitvoering van de EU-begroting en het goede financiële beheer, de prestaties en de proportionaliteit ervan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat gendermainstreaming in de EU-begroting is versterkt in het kader van het Interinstitutioneel Akkoord bij het MFK 2021-2027, onder meer door de vereisten om de beoordeling van de genderimpact in effectbeoordelingen en evaluaties in het kader van “Beter wetgeven” te versterken en om een proefmethodologie te ontwikkelen voor het meten van uitgaven die relevant zijn voor de bevordering van gendergelijkheid op programmaniveau vanaf 2023;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat het nastreven van gendergelijkheid een horizontale aanpak van genderbudgettering vereist waarbij rekening wordt gehouden met de meervoudige discriminatie van vrouwen die tot geracialiseerde groepen behoren, personen met een handicap, lhbtiq+-personen, en migranten, teneinde te waarborgen dat met EU-uitgaven gelijkheid in alle dimensies wordt bevorderd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het gezin de fundamentele maatschappelijke eenheid is en een kritieke rol vervult bij het bevorderen van het welzijn, de stabiliteit en de ontwikkeling van individuen, gemeenschappen en landen; overwegende dat het daarom van essentieel belang is dat de horizontale beleidsmaatregelen van de EU dit actief bevorderen en ondersteunen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat genderbudgettering een voorwaarde is voor het bereiken van gendergelijkheid en dat gendergelijkheid zelf een voorwaarde is voor slimme, duurzame en inclusieve groei, ook binnen de EU, en dat het EIGE aan de hand van een robuust econometrisch model dat is toegepast op de specifieke context van de EU, heeft aangetoond dat verbetering van de gendergelijkheid zou leiden tot een reeks macro-economische voordelen op verschillende gebieden, zoals onderwijs, arbeidsmarktparticipatie en lonen; overwegende dat het EIGE ook heeft aangetoond dat gendergelijkheid in het algemeen een sterke, positieve invloed heeft op het bbp per hoofd van de bevolking, en dat verbetering van de gendergelijkheid zou leiden tot een stijging van het bbp per hoofd van de bevolking in de EU met ten minste 6,1 % en maximaal 9,6 % tegen 2050, wat neerkomt op respectievelijk 1,95 biljoen EUR en 3,15 biljoen EUR;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het EIGE heeft gerapporteerd dat er sinds 2021 een zorgwekkende afname is van de inspanningen van de lidstaten om gendermainstreaming ten uitvoer te leggen, een trend die zich niet mag voortzetten op EU-niveau;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de systematische integratie van voorafgaande effectbeoordelingen inzake gendergelijkheid en mitigatiemaatregelen in de beleidsvormingsprocessen van de EU noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat toekomstige initiatieven gendergelijkheid bevorderen en niet ondermijnen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat democratische instellingen de diversiteit van de samenleving moeten weerspiegelen, met name in de samenstelling van hun personeelsbestand;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat genderevenwicht op talrijke cruciale besluitvormingsniveaus nog steeds niet is bereikt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat in de Verklaring en het Actieplatform van Peking wordt opgeroepen tot de integratie van een genderperspectief in begrotingsbeslissingen op alle niveaus, en overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden de beginselen daarvan toe te passen, met name om te verzekeren dat overheidsmiddelen effectief bijdragen tot gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen op alle beleidsterreinen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Algemene opmerkingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de Commissie, in overeenstemming met haar bindende toezeggingen en ingevolge herhaalde verzoeken van het Parlement, een proefmethodologie heeft ontwikkeld om de uitgaven die verband houden met gendergelijkheid op programmaniveau in het MFK 2021-2027 te traceren en te meten, teneinde gendermainstreaming in het begrotingsproces van de Commissie te verbeteren en ervoor te zorgen dat beleidsvorming en de toewijzing van middelen de doelstellingen op het gebied van gendergelijkheid beter bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">merkt op dat de Commissie volgens de huidige methodologie verschillende scores toekent aan programma’s op basis van een beoordeling van hun bijdrage aan gendergelijkheid op het meest subtiele niveau van interventie dat mogelijk is, waarbij een score wordt toegekend van:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(a)</SYMBOL>2 voor interventies die als hoofddoel hebben de gendergelijkheid te verbeteren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(b)</SYMBOL>1 voor interventies die gendergelijkheid als belangrijk en weloverwogen streefdoel hebben, maar waarbij gendergelijkheid niet de belangrijkste reden voor de interventie vormt;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(c)</SYMBOL>0 voor niet-gerichte interventies, met andere woorden interventies waarvan verwacht wordt dat ze geen significante invloed hebben op gendergelijkheid;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(d)</SYMBOL>0* voor interventies met een waarschijnlijk maar nog onduidelijk positief effect op gendergelijkheid;</ITEM></LIST></P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>neemt er nota van op dat de methodologie is gebaseerd op de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling ontwikkelde beleidsindicator voor gendergelijkheid, een kwalitatief statistisch instrument dat wordt gebruikt voor het monitoren en registreren van ontwikkelingsactiviteiten die gendergelijkheid als beleidsdoelstelling hebben en dat door de Commissie wordt toegepast op alle begrotingsuitgavenprogramma’s van de EU die onder gedeeld, direct en indirect beheer vallen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>beklemtoont dat de methodologie van de Commissie verschilt van de beleidsmarker voor gendergelijkheid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling aangezien ze geen score bevat voor het traceren van de mogelijk negatieve gevolgen van EU-uitgaven op gendermainstreamingsdoelstellingen en de categorie 0* introduceert voor acties die waarschijnlijk een (vooralsnog evenwel onbekend) positief effect op gendergelijkheid zullen hebben; onderstreept dat de methode van de Commissie in ieder geval niet mag leiden tot onbedoelde gevolgen, zoals het ontmoedigen of weigeren van investeringen in sectoren die van strategisch belang zijn maar traditioneel door één gender worden gedomineerd, met inbegrip van de defensiesector;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De uitvoering van de door de Commissie ontwikkelde methodologie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>merkt op dat de methodologie voor het eerst is gebruikt bij het opstellen van de ramingen voor de EU-begroting voor het begrotingsjaar 2023, en daarnaast met terugwerkende kracht is toegepast op de begrotingen voor de begrotingsjaren 2021 en 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>merkt op dat voor het begrotingsjaar 2021, op het moment van de publicatie van het desbetreffende jaarlijks beheers- en prestatieverslag, van de 352 miljard EUR aan vastleggingen 1 % een score van 2 had gekregen, 3 % een score van 1, 1 % een score van 0 en 95 % een score van 0*;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>neemt er nota van dat voor het begrotingsjaar 2022, op het moment van de publicatie van het desbetreffende jaarlijks beheers- en prestatieverslag, van de 321 miljard EUR aan vastleggingen 2 % een score van 2 had gekregen, 9 % een score van 1, 16 % een score van 0 en 73 % een score van 0*;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>merkt op dat voor het begrotingsjaar 2023, op het moment van de publicatie van het desbetreffende jaarlijks beheers- en prestatieverslag, van de 427 miljard EUR aan vastleggingen 2 % een score van 2 had gekregen, 9 % een score van 1, 69 % een score van 0 en 20 % een score van 0*;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>neemt er nota van dat voor het begrotingsjaar 2024, op het moment van de publicatie van het desbetreffende jaarlijks beheers- en prestatieverslag, van de 195 miljard EUR aan vastleggingen 3 % een score van 2 had gekregen, 17 % een score van 1, 65 % een score van 0 en 16 % een score van 0* (waarbij dient opgemerkt dat deze scores naar boven zijn afgerond);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>begrijpt dat het dalende aandeel van vastleggingen met een score van 0* in de loop der jaren het resultaat is van een verbetering van de verzameling en beschikbaarheid van gegevens en van de verslagleggingscapaciteit van de Commissie, waardoor haar directoraten-generaal de bijdrage van hun programma’s aan gendergelijkheid op een meer gedetailleerd niveau beter kunnen meten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>is zich er verder van bewust dat, gezien de beperkte beschikbaarheid van gegevens en verslagleggingscapaciteit tijdens de eerste boekjaren waarin deze methodologie werd toegepast, het weinig toegevoegde waarde heeft om cijfers van het ene boekjaar met die van het andere te vergelijken op basis van de jaarresultaten of om uit dergelijke vergelijkingen conclusies te trekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>merkt op dat de Commissie van mening is dat interventies met een score van 2 of 1 kunnen worden beschouwd als interventies ter bevordering van gendergelijkheid en dat, gezien dit feit, in 2024 interventies ter waarde van 37,99 miljard EUR gendergelijkheid hebben bevorderd, terwijl dat cijfer in 2021 10,76 miljard EUR bedroeg, in 2022 37,83 miljard EUR en in 2023 47,99 miljard EUR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>neemt er nota van dat de daling in absolute waarde tussen 2023 en 2024 van de interventies die worden geacht gendergelijkheid te bevorderen, een rechtstreeks gevolg is van de daling van het totale bedrag aan vastleggingen tussen die twee begrotingsjaren, die grotendeels kan worden verklaard door de geleidelijke afschaffing van de vastleggingen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>merkt op dat de Commissie in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag voor de EU-begroting 2024, naast de resultaten voor elk begrotingsjaar, een herbeoordeling van alle eerdere resultaten heeft gepubliceerd op basis van recentere en uitgebreidere evaluaties van haar programma’s, waaruit algemene trends naar voren komen die erop wijzen dat voor de interventies in de periode 2021-2024 2 % een score van 2 kregen, 10 % een score van 1, 83 % een score van 0 en 5 % een score van 0*; merkt voorts op dat volgens de herbeoordeling van de Commissie in totaal 12 % van de EU-begrotingsuitgaven in de begrotingsjaren 2021-2024 heeft bijgedragen aan de bevordering van gendergelijkheid (met scores van 1 en 2), wat neerkomt op 158,4 miljard EUR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>benadrukt dat niet alle begrotingsprogramma’s van de EU even goed presteren wat betreft de integratie van gender als horizontale prioriteit, en dat sommige programma’s veel beter presteren dankzij hun beleidsopzet, zoals programma’s in het kader van rubriek 6 “Nabuurschap en de wereld”, waar gender is vastgesteld als een transversale prioriteit met duidelijke doelstellingen en criteria, en specifieke programma’s onder andere rubrieken, zoals Horizon Europa, dat dankzij de vereiste om genderbudgettering toe te passen niet alleen gendergelijkheid bevordert, maar ook een positief effect heeft op de praktijken van de lidstaten door kruisbestuiving tijdens de uitvoeringsfase op nationaal niveau;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>betreurt het dat de gebruikte methodologie, die specifiek is ontworpen als instrument voor het traceren van operationele begrotingen, niet geschikt is om de administratieve begrotingen van de instellingen en organen van de EU adequaat te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>stelt vast dat de reikwijdte van de methodologie beperkt is, aangezien ze de secundaire of indirecte effecten van programma’s op gendergelijkheid, de mogelijke negatieve effecten of de voor een alomvattende beoordeling van de beleidseffecten noodzakelijke intersectionele dimensies, niet adequaat in beeld brengt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>merkt voorts op dat de mogelijke negatieve gevolgen van programma’s voor gendergelijkheid onvoldoende in aanmerking worden genomen, vooral in sectoren als concurrentievermogen, defensie en paraatheid; onderstreept dat de bevordering van gendergelijkheid niet mag leiden tot beperkingen of verlagingen van investeringen in kritieke sectoren; verzoekt de Commissie concrete maatregelen voor te stellen om de gendergelijkheid te verbeteren en er tegelijkertijd voor te zorgen dat investeringsbeslissingen niet negatief worden beïnvloed;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>vindt het zonde dat de methodologie, vanwege het ex post-karakter ervan, niet in staat is om structureel invloed uit te oefenen op het ontwerp van beleid in een ex ante-fase of op de inning en toewijzing van financiële middelen, wat essentieel is voor een adequate integratie van gendergelijkheid in EU-programma’s;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De bredere aanpak van gendermainstreaming in de financiële programma’s van de EU</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>neemt er nota van dat, afgezien van de gendermainstreamingmethodologie die op de EU-begroting wordt toegepast, gendergelijkheid in sommige EU-programma’s in de rechtsgrondslagen is geïntegreerd, terwijl dit in andere programma’s niet het geval is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>merkt op dat de tweeledige aanpak van de Commissie inzake gendermainstreaming, die bestaat uit het traceren van de EU-begroting en het vaststellen van de doelstellingen in de rechtsgrondslagen van de programma’s, weliswaar een nuttig kader vormt, maar dat deze aanpak versnipperd is en niet alle programma’s in dezelfde mate beïnvloedt, wat afbreuk doet aan de samenhang van de aanpak van de EU op het gebied van gendergelijkheid;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Slotopmerkingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>neemt nota van de beoordeling door de Commissie van de uitvoering van gendermainstreaming in de EU-begroting<FOOTNOTE><FIELD> Effectbeoordelingsverslag bij het voorstel van de Commissie voor een verordening tot vaststelling van een kader voor het traceren van begrotingsuitgaven en voor begrotingsprestaties en andere horizontale regels voor de programma’s en activiteiten van de Unie (COM(2025)0545).</FIELD></FOOTNOTE> en deelt het standpunt dat voor de resterende jaren van het MFK 2021-2027 prioriteit moet worden gegeven aan het blijven evalueren van programma’s om hun bijdrage aan gendergelijkheid beter te kunnen beoordelen en lessen te kunnen trekken uit de uitvoering ervan, en dat daarbij terdege gebruik moet worden gemaakt van verbeterde verslaglegging over naar gender uitgesplitste gegevens zoals die sinds 2023 is ingevoerd; benadrukt het belang van nauwere samenwerking met alle lidstaten om de methodologieën op elkaar af te stemmen en een versnipperde aanpak te vermijden, en om de verzameling, aggregatie en rapportage van gegevens te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>erkent dat de door de Commissie ontwikkelde methodologie weliswaar een nuttig instrument is voor het beoordelen van de bijdrage van de begroting van de EU aan gendergelijkheid, maar ook beperkingen kent die afbreuk doen aan haar vermogen om een transformatief effect te sorteren; benadrukt het belang van het waarborgen van de beschikbaarheid van gegevens en het gebruik van specifieke, meetbare, haalbare, relevante en tijdgebonden prestatie-indicatoren (SMART) in dit verband;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>beklemtoont dat, nu de begroting van de EU wordt beïnvloed door meerdere crises en verschuivingen in politieke prioriteiten, het van essentieel belang is dat genderbudgettering vooraf proportioneel wordt geïntegreerd in de kern van de begrotingscyclus van programma’s, ook op nieuwe prioritaire gebieden zoals concurrentievermogen, defensie en paraatheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>verzoekt de Commissie een volwaardige en alomvattende aanpak van genderbudgettering en een specifieke en alomvattende methodologie voor de begroting van de EU te ontwikkelen, die al bij het begin van de volgende programmeringsperiode volledig operationeel moet zijn en een transformatiepotentieel moet bieden door het vermogen om de gehele begrotingscyclus te beïnvloeden en de in deze resolutie gesignaleerde problemen aan te pakken, teneinde een gezond financieel beheer van de middelen van de EU te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>benadrukt dat naast het MFK ook elk instrument dat op grond van artikel 122 VWEU wordt vastgesteld, waar passend bepalingen inzake gendermainstreaming en genderbudgettering moet toepassen, zonder de programmadoelstellingen, subsidiabiliteitscriteria of toekenningscriteria die reeds in sectorspecifieke wetgeving zijn vastgelegd, te wijzigen, teneinde de bijdrage van de EU uit hoofde van alle financieringsinstrumenten aan het bevorderen van gendergelijkheid op een alomvattende en consistente manier te traceren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>verzoekt de Commissie om stelselmatig effectbeoordelingen vooraf uit te voeren, waarbij ook de specifieke effecten van EU-beleid en fiscale beleidsmaatregelen – met inbegrip van belastingregelingen en staatssteunprogramma’s – op gendergelijkheid worden geanalyseerd, in overeenstemming met de richtsnoeren voor betere regelgeving, met als doel genderongelijkheden in kaart te brengen en te verminderen; benadrukt dat ook zorgvuldig moet worden gekeken naar de sociale en economische gevolgen van een betere gendergelijkheid, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de administratieve kosten voor kleine en middelgrote ondernemingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>herinnert eraan dat alle wetgevingsvoorstellen van de EU in overeenstemming moeten zijn met het primair recht van de EU, met inbegrip van het beginsel van gendergelijkheid; verzoekt de Commissie de effectbeoordelingen vooraf te versterken, teneinde alle potentiële negatieve gevolgen voor gendergelijkheid in de EU bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen zorgvuldig in overweging te nemen en tot een minimum te beperken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan een “waarborgmechanisme voor gendergelijkheid” in te voeren als standaardonderdeel van de wetgevingsprocedures van de EU, op grond waarvan elk voorstel dat blijkens de analyse van de Rekenkamer de strategie en doelstellingen van de EU op het gebied van gendergelijkheid ondermijnt, moet worden herzien;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>betreurt het gebrek aan genderevenwicht bij ambtenaren en politieke vertegenwoordigers op zowel het niveau van de EU als dat van de lidstaten, wat op zijn beurt het beginsel van gendergelijkheid in de vertegenwoordiging ondermijnt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>verzoekt de Commissie te onderzoeken of het haalbaar is om verdere maatregelen ter bevordering van gendergelijkheid op managementniveau in te voeren zodat wordt gewaarborgd dat alle genders via gerichte ondersteuningsregelingen voldoende bij de beleidsvorming worden betrokken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>roept de Commissie op ervoor te zorgen dat een minimumpercentage van de EU-begroting wordt besteed aan gendergelijkheid als hoofddoelstelling (overeenkomend met score 2 in de huidige methodologie);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>vraagt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is om in de volgende programmeringsperiode een kwantitatieve doelstelling op te nemen voor een deel van de EU-begroting dat moet bijdragen aan de bevordering van gendergelijkheid (overeenkomend met een score van 2 of 1 in de huidige methodologie), in de wetenschap dat vergelijkbare doelstellingen nuttig zijn gebleken voor de verwezenlijking van de klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>verzoekt de Commissie en de Raad om tijdens de onderhandelingen over de volgende generatie programma’s de bepalingen van het herziene Financieel Reglement na te leven, namelijk dat programma’s en activiteiten, waar mogelijk en passend moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de relevante sectorspecifieke regels, met inachtneming van het beginsel van gendergelijkheid en overeenkomstig een passende methodologie voor gendermainstreaming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>acht het van cruciaal belang om, in overeenstemming met het herziene Financieel Reglement, ervoor te zorgen dat de volgende generatie programma’s doelstellingen bevat die, waar passend, het verzamelen van naar gender uitgesplitste gegevens en de aggregatie van dergelijke gegevens voor alle relevante programma’s mogelijk maken; roept de Commissie op om haar methodologie voor het traceren van de bijdrage van de EU-begroting aan gendergelijkheid verder te ontwikkelen en te verbeteren, onder meer door stelselmatig gebruik te maken van digitale instrumenten zoals kunstmatige intelligentie, teneinde het verzamelen, samenvoegen en analyseren van gegevens van en tussen programma’s naar een hoger plan te tillen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>roept alle relevante actoren, waaronder de Raad, de Commissie, maatschappelijke organisaties en andere relevante partners, ertoe op zich in te spannen om genderbudgettering in de volgende programmeringsperiode te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>verzoekt de Commissie een groter deel van de begroting voor externe acties van de EU toe te wijzen aan interventies die bijdragen tot gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen, en 25 % van de externe financieringsinstrumenten van de EU in het komende MFK verder te besteden aan de bevordering van gendergelijkheid als hoofddoelstelling; verzoekt de Commissie voorts een speciaal fonds op te richten ter bevordering van gendergelijkheid wereldwijd en ervoor te zorgen dat de door haar ondersteunde acties gericht zijn op toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, vergroting van de deelname van vrouwen aan de besluitvorming, ondersteuning van lokale door vrouwen geleide niet-gouvernementele organisaties en bijstand aan lokale vrouwenrechtenverdedigers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>vraagt de Commissie duidelijke doelstellingen vast te stellen voor het volgende MFK om bij te dragen tot het verkleinen van de loon- en pensioenverschillen tussen de genders en het aanpakken van de armoede onder vrouwen, onder meer door betere kinderopvangvoorzieningen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat door de EU gefinancierde programma’s de rechten van vrouwen beschermen en bevorderen, met bijzondere aandacht voor toegang tot volksgezondheid, kinderopvang, en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>roept de EU-instellingen ertoe op om, in overeenstemming met de beginselen van de richtlijn beloningstransparantie<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn (EU) 2023/970 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen (PB L 132 van 17.5.2023, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2023/970/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, hun mogelijke genderloonkloven te analyseren en daarover verslag uit te brengen en waar nodig passende maatregelen te nemen; herhaalt zijn verzoek aan de instellingen, organen en instanties van de EU om het genderevenwicht te verbeteren, met name op het niveau van het hoger management; verzoekt de instellingen, organen en instanties van de EU een analyse uit te voeren om na te gaan op welke gebieden binnen de HR-cyclus — van aanwerving tot toegang tot promoties — dergelijke verbeteringen het meest nodig zijn, en na te gaan of er verdere maatregelen kunnen worden genomen om zo spoedig mogelijk een genderevenwicht te bereiken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>erkent de aanhoudende genderongelijkheid in meerdere sectoren die traditioneel door één gender worden gedomineerd; verzoekt de Commissie genderbudgettering toe te passen om te zorgen voor en toe te zien op niet-discriminerende voorwaarden voor toegang tot de nodige vaardigheidstrainingen en opleidingsprogramma’s voor alle genders, en om de gendergelijkheid in deze specifieke sectoren te verbeteren met het oog op een groter concurrentievermogen van de industrie; dringt erop aan in het bijzonder aandacht te besteden aan vrouwelijke ondernemers, met name in kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups, waaronder door middel van specifieke monitoring in het kader van programma’s zoals InvestEU en Horizon Europa; wijst op het belang van betere monitoring- en rapportagemechanismen, teneinde te waarborgen dat de middelen daadwerkelijk ten goede komen aan vrouwen en gemarginaliseerde groepen;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°         °</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>