<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF2" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0307</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Uitvoering van de handels‐ en samenwerkingsovereenkomst EU‐VK</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0226/2025 - Rapporteurs: Thijs Reuten, Nina Carberry)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2025 over de uitvoering van de handels‐ en samenwerkingsovereenkomst EU‐VK (2024/2108(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 149 van 30.4.2021, blz. 10, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2021/689(1)/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie<FOOTNOTE><FIELD>PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/treaty/withd_2020/sign.</FIELD></FOOTNOTE> (het terugtrekkingsakkoord),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Windsor-kader<FOOTNOTE><FIELD>Gezamenlijke Verklaring nr. 1/2023 van de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ingestelde Gemengd Comité van 24 maart 2023 (PB L 102 van 17.4.2023, blz. 87).</FIELD></FOOTNOTE> waarin de bepalingen van het recht van de Unie zijn opgenomen die van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke verklaring, het veiligheids- en defensiepartnerschap en het gemeenschappelijk akkoord over een vernieuwde agenda voor samenwerking tussen de EU en het VK van 19 mei 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Goede Vrijdagakkoord van 1998 en de daaropvolgende uitvoeringsovereenkomsten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 21 maart 2024 over de uitvoering en toepassing van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: 1 januari – 31 december 2023 (COM(2024)0127),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie van 4 april 2025 over de uitvoering en toepassing van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: 1 januari – 31 december 2024 (COM(2025)0149),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resoluties van 2 april 2025 over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – jaarverslag 2024<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2025/4388, 9.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4388/oj.</FIELD></FOOTNOTE> en over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid – jaarverslag 2024<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2025/4389, 9.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4389/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1755 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2021 tot oprichting van de reserve voor aanpassing aan de Brexit (BAR)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 357 van 8.10.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1755/oj.</FIELD></FOOTNOTE><STRING UNDERLINE="on">,</STRING></P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2023/657 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2023 tot vaststelling van regels voor de uitoefening van de rechten van de Unie bij de uitvoering en handhaving van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds<FOOTNOTE><FIELD>PB L 83 van 22.3.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/657/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 november 2023 over de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst EU-VK<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/4222, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4222/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de bijeenkomsten en standpunten van de Parlementaire Partnerschapsassemblee EU-VK,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030 van 19 maart 2025 (JOIN(2025)0120),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 12 maart 2025 over het witboek over de toekomst van de Europese defensie<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2025/3151, 20.6.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3151/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van Sauli Niinistö van 30 oktober 2024 getiteld “Safer Together – strengthening Europe’s civil and military preparedness and readiness”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 19 maart 2025 voor een verordening van de Raad tot vaststelling van het instrument “Optreden voor de Veiligheid van Europa door middel van versterking van de Europese defensie-industrie” (SAFE‑instrument) (COM(2025)0122),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het memorandum van overeenstemming houdende de vaststelling van een kader voor regelgevingssamenwerking op het gebied van financiële diensten tussen de EU en het VK van 27 juni 2023 en de daaropvolgende oprichting van het gezamenlijk forum voor financiële regelgeving tussen de EU en het VK,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Europees Sociaal Handvest,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verdragen en protocollen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), met name de fundamentele instrumenten van de IAO,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 (Verdrag van Montego Bay),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de uitspraak van het scheidsgerecht van 28 april 2025 in een arbitrageprocedure overeenkomstig artikel 739 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende het besluit van het Verenigd Koninkrijk om de visserij op zandspiering te verbieden<FOOTNOTE><FIELD>Permanent Hof van Arbitrage, Zaak 2024-45, https://pca-cpa.org/en/cases/334/.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit nr. 1/2023 van het Gespecialiseerd Comité voor de coördinatie van de sociale zekerheid dat is opgericht bij artikel 8, lid 1, punt p), van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, van 10 maart 2023 met betrekking tot het gebruik van het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens betreffende sociale zekerheid voor de uitwisseling van gegevens tussen organen en verbindingsorganen<FOOTNOTE><FIELD>PB L 91 van 29.3.2023, blz. 89, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2023/698/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit nr. 2/2023 van het Gespecialiseerd Comité voor coördinatie van de sociale zekerheid dat is opgericht bij artikel 8, lid 1, punt p), van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, van 28 juni 2023 betreffende de aanwijzing van de financiële instelling die als referentie zal dienen voor de bepaling van de moratoire rentevoet en de wisselkoers voor valutaomrekeningen, alsook van de peildatum voor de berekening van de valutaomrekeningskoersen<FOOTNOTE><FIELD>PB L 179 van 14.7.2023, blz. 147, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2023/1460/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement, alsmede artikel 1, lid 1, punt f), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 11 december 2024 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie visserij, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel (A10‑0226/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de EU en het VK, als deel van hetzelfde continent en gebonden door geografische nabijheid, gedeelde waarden en strategische belangen worden geconfronteerd met vergelijkbare uitdagingen zoals klimaatverandering, een kritische en onstabiele mondiale veiligheidsomgeving en een verschuivende wereldorde die wordt gekenmerkt door een oorlog op het Europese continent en de snelle afbrokkeling van de internationale, op regels gebaseerde orde, die onze samenlevingen, economieën en veiligheidsstructuren sterker onder druk zet; overwegende dat deze situatie de noodzaak heeft vergroot om hun onderlinge samenwerking op het gebied van buitenlands beleid en defensie te versterken; overwegende dat in het licht van de huidige geopolitieke situatie en de huidige mondiale uitdagingen nauwere samenwerking tussen de EU en het VK noodzakelijk is voor de veiligheid, stabiliteit en welvaart van het hele continent; overwegende dat nauwere samenwerking tussen de EU en het VK op basis van de voorspelbaarheid en structuur die worden geboden door de handels- en samenwerkingsovereenkomst, belangrijker is dan ooit om de wederzijdse belangen te beschermen en de veerkracht te vergroten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de EU en het VK onlangs blijk hebben gegeven van hernieuwde politieke vastberadenheid om samen te werken en sterke partners te blijven bij het aanpakken van mondiale uitdagingen en veiligheidsdreigingen, waaronder de dreiging van Rusland voor de veiligheid van het hele Europese continent en de op regels gebaseerde wereldorde; overwegende dat de premier van het VK, Keir Starmer, in maart 2025 het initiatief aankondigde om een “coalitie van bereidwilligen” te vormen om de gecoördineerde steun voor Oekraïne te versterken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de open en verbonden samenlevingen en economieën van het VK en de EU steeds vaker het doelwit zijn van schaamteloze hybride campagnes, onder meer in de vorm van cyberaanvallen, buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging (FIMI), sabotage en instrumentalisering van migratie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat beide partijen tijdens de topontmoeting tussen de EU en het VK van 19 mei 2025 opnieuw hun hernieuwde politieke vastberadenheid hebben bevestigd om als hechte en betrouwbare partners samen te werken bij de aanpak van de gemeenschappelijke mondiale uitdagingen waarmee we worden geconfronteerd; overwegende dat dit het duidelijkst tot uiting kwam in de oprichting van een veiligheids- en defensiepartnerschap, alsook door hun blijvende en gezamenlijke steun aan Oekraïne bij de verdediging tegen de Russische agressie en het herstel van een alomvattende, rechtvaardige en duurzame vrede, onder meer door versterkte veiligheidstoezeggingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat multilateralisme, de verdediging van de op regels gebaseerde internationale orde, vrijheid, democratie, de rechtsstaat, mensenrechten, de markteconomie, duurzame ontwikkeling en vrijhandel kernbeginselen zijn van zowel de EU als het VK; overwegende dat de handels‑ en samenwerkingsovereenkomst een kader biedt dat in de loop van de tijd kan worden verbeterd om gezamenlijke strategische en economische doelstellingen te bereiken; overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst de nodige rechtszekerheid biedt om de handel en een vlotte samenwerking te bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst opgerichte governancestructuren, waaronder de Partnerschapsraad en andere gezamenlijke organen, doeltreffend hebben gefunctioneerd en dat er in 2024 meer dan 35 bijeenkomsten zijn gehouden om toezicht te houden op de uitvoering van de overeenkomst;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst betrekking heeft op gebieden als handel, energie, visserij, vervoer, samenwerking op het gebied van justitie en wetshandhaving, en coördinatie van de sociale zekerheid, waardoor een gediversifieerd, alomvattend kader wordt geboden en eerlijke concurrentie wordt gewaarborgd, alsook een gelijk speelveld op de gebieden die eronder vallen; overwegende dat er een hernieuwde inzet is voor samenwerking tussen de EU en het VK op energiegebied, zoals bevestigd tijdens de topontmoeting tussen de EU en het VK, met inbegrip van plannen om na te gaan of het VK opnieuw kan toetreden tot de interne elektriciteitsmarkt van de EU, met als doel de kosten van schone energie te verlagen en het concurrentievermogen te verbeteren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst een goede stimulans kan vormen voor opleiding, de ontwikkeling van vaardigheden en investeringen in immateriële activa, zoals menselijk kapitaal, zowel binnen de EU als daarbuiten; overwegende dat erkend wordt hoe belangrijk het is kennisuitwisseling en samenwerking te bevorderen om de vaardigheden van personen te verbeteren en zo bij te dragen tot een meer concurrerende, duurzame en inclusieve mondiale beroepsbevolking;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst de eerste door de EU ondertekende handelsovereenkomst is waarin de Overeenkomst van Parijs als essentiële clausule is opgenomen; overwegende dat ook de naleving van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens door zowel het VK als de EU-lidstaten een belangrijke bepaling van de overeenkomst is; overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst geen betrekking heeft op financiële diensten, migratie, het Erasmus+-programma, buitenlands beleid of defensie; overwegende dat tijdens de topontmoeting tussen de EU en het VK van 19 mei 2025 belangrijke stappen zijn vastgesteld om deze leemten op te vullen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst beide partijen ertoe verplicht de grondrechten en rechtsbeginselen te eerbiedigen zoals die met name zijn neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens; overwegende dat de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een essentieel onderdeel vormen van de mensenrechtenarchitectuur op het hele Europese continent; overwegende dat Ierland in januari 2024 bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een interstatelijk verzoekschrift tegen het VK heeft ingediend met betrekking tot de Northern Ireland Troubles (Legacy and Reconciliation) Act 2023;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst geen samenwerkingskader bevat voor het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid; overwegende dat zowel de EU als het VK sindsdien expliciet het belang en de toegevoegde waarde van gestructureerde samenwerking op deze gebieden hebben erkend, met name in het licht van de huidige geopolitieke context; overwegende dat de topontmoeting tussen de EU en het VK van 19 mei 2025 heeft geresulteerd in de ondertekening van een veiligheids- en defensiepartnerschap, waarmee een belangrijke stap is gezet in de richting van formalisering van een dergelijke samenwerking; overwegende dat nauwere samenwerking op deze gebieden zou bijdragen aan een sterkere Europese veiligheid, veerkracht en welvaart voor alle burgers en dat de voordelen ervan tot ver over onze grenzen te voelen zouden zijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de EU-lidstaten uiteenlopend militair en veiligheidsbeleid voeren, waaronder beleid inzake neutraliteit; overwegende dat dit beleid moet worden geëerbiedigd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat het VK en Frankrijk de enige Europese landen zijn die over kernwapens beschikken; overwegende dat nucleaire afschrikking van cruciaal belang is voor de bescherming van Europa als continent; overwegende dat het Parlement nogmaals bevestigt zich volledig te scharen achter de inzet van de EU en haar lidstaten voor het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, dat de hoeksteen vormt van het beleid inzake de niet-verspreiding van kernwapens en nucleaire ontwapening; overwegende dat het Parlement benadrukt dat de EU een krachtige en constructieve rol moet spelen bij de ontwikkeling en versterking van wereldwijde, op regels gebaseerde inspanningen op het gebied van de niet-verspreiding van kernwapens, wapenbeheersing en ontwapening;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat het terugtrekkingsakkoord en de handels- en samenwerkingsovereenkomst het kader vormen voor de betrekkingen van het VK met de EU; overwegende dat beide overeenkomsten door de EU en het VK zijn geratificeerd en naar internationaal recht juridisch bindende verdragen zijn; overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en het VK gegrondvest moeten zijn op volledige eerbiediging en de doeltreffende uitvoering van deze internationale verbintenissen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat het Parlement speciale aandacht blijft schenken aan de situatie van EU-burgers die in het VK wonen en van Britse burgers die in de EU wonen; overwegende dat de Britse onafhankelijke toezichthoudende autoriteit (Independent Monitoring Authority – IMA) voor de overeenkomsten inzake burgerrechten tussen 1 januari en 30 juni 2023 79 klachten heeft ontvangen van burgers van de EU en de Europese Economische Ruimte<FOOTNOTE><FIELD>IMA, “Complaints to the IMA: 1 January 2023 - 30 June 2023”.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat het overgrote deel van de klachten betrekking heeft op het recht van verblijf, en met name op de lange wachttijden in verband met aanvragen op grond van de EU-vestigingsregeling, de eveneens lange wachttijden voor aanvragen voor vergunningen voor binnenkomst voor familieleden en de langdurige administratieve beoordelingen in het kader van de EU-vestigingsregeling, gevolgd door de kwestie van gelijke behandeling; overwegende dat de IMA in december 2024 een weigeringspercentage van 21 % meldde voor in Noord-Ierland ingediende aanvragen op grond van de EU-vestigingsregeling, wat het hoogste weigeringspercentage is in het VK<FOOTNOTE><FIELD>IMA, “IMA focus on citizens’ rights in Northern Ireland”.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat de EU de bijzondere verantwoordelijkheid heeft ervoor te zorgen dat het Goede Vrijdagakkoord en de vrede in Noord-Ierland worden gehandhaafd; overwegende dat de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst rechtstreeks gekoppeld is aan de volledige uitvoering van het terugtrekkingsakkoord; overwegende dat de volledige uitvoering ervan werd uitgesteld toen de EU en het VK gemeenschappelijke oplossingen zochten voor de praktische problemen die bij de uitvoering van het protocol inzake Ierland en Noord-Ierland als gevolg van de Brexit zijn ontstaan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat het in 2023 vastgestelde Windsor-kader een oplossing biedt voor enkele van de praktische problemen die zich in de eerste jaren van de uitvoering van het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland hebben voorgedaan en meer rechtszekerheid creëert, en daarmee de weg vrijmaakt voor volledige uitvoering van het terugtrekkingsakkoord en de handels- en samenwerkingsovereenkomst in Noord-Ierland; overwegende dat het Windsor-kader betrekking heeft op een groot aantal gebieden, zoals democratische governance, rechten, waarborgen en kansengelijkheid, handel, douane, agrovoedingsproducten, geneesmiddelen, staatssteun, btw en accijnzen; overwegende dat het Goede Vrijdagakkoord al meer dan 25 jaar de basis vormt voor vrede en stabiliteit op het eiland Ierland; overwegende dat de unieke status van Noord-Ierland, zoals erkend in het protocol en het Windsor-kader, volledig moet worden geëerbiedigd in toekomstige onderhandelingen tussen de EU en het VK om ervoor te zorgen dat geen enkele regeling deze verworvenheid in gevaar brengt; overwegende dat de huidige regering van het VK heeft toegezegd de Legacy Act van de vorige regering in te trekken en te vervangen; overwegende dat de huidige wereldwijde handelsonrust een unieke impact heeft op Noord-Ierland vanwege zijn unieke positie als gevolg van de Brexit, en dat zowel het VK als de EU rekening moeten houden met deze positie wanneer zij handelsbeleid formuleren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat de vaststelling van het Windsor-kader en de belofte van de premier van het VK in juli 2024 om de relatie van het VK met de EU te “resetten” een nieuw en ambitieus hoofdstuk hebben geopend in de betrekkingen tussen de EU en het VK;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat de topontmoeting tussen de EU en het VK van 19 mei 2025 voor beide partijen positieve resultaten heeft voortgebracht en de politieke toezegging van de EU en het VK heeft bevestigd om het partnerschap te verdiepen, onder meer door middel van een strategisch partnerschap; overwegende dat de topontmoeting heeft geleid tot vooruitgang op een aantal punten, waaronder maatregelen op sanitair en fytosanitair gebied (SPS), mobiliteit van jongeren en amenwerking op energiegebied;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat de topontmoeting tussen de EU en het VK de basis heeft gelegd voor een gestructureerdere en toekomstgerichtere bilaterale agenda; overwegende dat deze topontmoeting het begin moest vormen van een regelmatige, gestructureerde politieke dialoog, naar verwachting met verdere bijeenkomsten op gebieden als buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid, mobiliteit, energie, klimaat, onderzoek en interne veiligheid; overwegende dat de Commissie heeft bevestigd dat de verkennende gesprekken die in de aanloop naar de topontmoeting zijn gevoerd, deel uitmaken van een breder, lopend proces dat gericht is op verdieping van de samenwerking op meerdere terreinen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat de toezeggingen die tijdens de topontmoeting tussen de EU en het VK zijn gedaan meer moeten zijn dan louter politieke verklaringen en ook vergezeld moeten gaan van concrete en juridisch bindende overeenkomsten en resultaten voor zowel de EU als het VK binnen een redelijke termijn, met name voor hun burgers en bedrijven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat de EU en het VK zich moeten aanpassen aan de veranderende dynamiek in de trans-Atlantische veiligheid en samen met andere gelijkgestemde partners hun eigen capaciteiten moeten versterken om deze ontwikkelingen het hoofd te bieden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>W.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de bescherming van de grondrechten en fundamentele vrijheden van mensen vereist, die onder meer zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens; overwegende dat deze rechten als leidraad fungeren voor de werkzaamheden van de interne adviesgroepen, waaronder met betrekking tot het hoofdstuk van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; overwegende dat de interne adviesgroepen van de EU een belangrijke rol spelen bij het toezicht op de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; overwegende dat het uit hoofde van artikel 14 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst opgerichte forum van het maatschappelijk middenveld fungeert als een essentieel platform voor maatschappelijke organisaties, EU-bedrijven, vakbonden en werknemersorganisaties om hun mening te geven over de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, en een essentiële rol speelt bij de ondersteuning van de dialoog van de Commissie met het VK;</P></CONS><CONS><P><NO.P>X.</NO.P>overwegende dat de EU en het VK op 19 mei 2025 een politiek akkoord hebben ondertekend dat volledige, wederzijdse toegang tot elkaars viswateren mogelijk maakt tot en met 30 juni 2038<FOOTNOTE><FIELD>Verklaring van de Commissie “A renewed agenda for European Union – United Kingdom cooperation Common Understanding” van 19 mei 2025, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/statement_25_1267.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Y.</NO.P>overwegende dat de EU nog altijd de belangrijkste handelspartner van het VK is; overwegende dat de erkenning van transparantie en stabiliteit op het gebied van internationale handel en investeringen in het voordeel is van alle belanghebbenden en partijen; overwegende dat een voorspelbaar handelsklimaat dat de handel en investeringen tussen de EU en het VK bevordert en zo leidt tot groei en werkgelegenheid, van cruciaal belang is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Z.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst weliswaar zorgt voor nultarieven en nulquota, maar niet de non-tarifaire belemmeringen wegneemt; overwegende dat bedrijven, en met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), als gevolg van de Brexit geconfronteerd worden met meer douaneaangiften, nalevingscontroles en regelgevingsvereisten, wat leidt tot hogere operationele kosten en aanzienlijke vertragingen aan de grenzen; overwegende dat een ontoereikende infrastructuur en een tekort aan opgeleide douanebeambten het systeem verder onder druk hebben gezet, waardoor het tijdige verkeer van goederen is verstoord;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AA.</NO.P>overwegende dat eenvoudig, efficiënt en betaalbaar vervoer over de weg, per spoor, over zee en door de lucht tussen de EU en het VK van cruciaal belang is om ervoor te zorgen dat een aanzienlijk aantal burgers van de lidstaten die in het VK wonen en werken, evenals Britse burgers die voor toeristische doeleinden naar de EU reizen, een hoge mate van mobiliteit kan worden gegarandeerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AB.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst volgens de algemene beoordeling van de Commissie een moderne en alomvattende overeenkomst is die de belangen van de EU op het gebied van handel en samenwerking weerspiegelt en tegelijkertijd de rode lijnen handhaaft die de EU-instellingen en de lidstaten tijdens het terugtrekkingsproces van het VK hebben vastgesteld; overwegende dat de Commissie in haar jaarlijkse uitvoeringsverslagen voor de jaren 2021-2024 heeft vastgesteld dat de in de handels- en samenwerkingsovereenkomst vastgestelde handelsregelingen voor goederen en diensten ondanks enkele uitvoeringsproblemen over het algemeen goed hebben gefunctioneerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AC.</NO.P>overwegende dat in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst dienstverleners of investeerders uit de EU niet minder gunstig mogen worden behandeld dan Britse marktdeelnemers in het VK en vice versa; overwegende dat het non-discriminatiebeginsel van toepassing is op een breed scala van economische activiteiten, waaronder de verlening van diensten, de vestiging van bedrijven en de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AD.</NO.P>overwegende dat het VK zijn sponsoringsysteem voor werkvisa toepast op dienstverleners uit de EU, en dat als gevolg daarvan een werkgever uit het VK die een werknemer uit de EU in dienst wil nemen, een vergunning moet krijgen van het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken en vervolgens een certificaat van sponsoring moet toekennen aan de werknemer uit de EU, en kosten moet betalen voor die werknemer om een visum te kunnen aanvragen (waarbij de werknemer ook extra kosten draagt); overwegende dat deze beperkingen ook van invloed zijn op intermediaire en culturele organisaties, zoals stichtingen en openbare instellingen die diensten van algemeen belang verlenen, en overwegende dat in dit verband meer vergemakkelijking nodig is; overwegende dat dit extra lasten met zich meebrengt die Britse marktdeelnemers kunnen bevoordelen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AE.</NO.P>overwegende dat de Britse markten voor overheidsopdrachten op voet van gelijkheid toegankelijk blijven voor inschrijvers uit de EU en vice versa; overwegende dat beide partijen ervoor moeten zorgen dat het aanbestedingsproces eerlijk en transparant is en openstaat voor concurrentie; overwegende dat het VK en de EU ook zijn overeengekomen hun bestaande verbintenissen op het gebied van overheidsopdrachten te handhaven in het kader van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), waardoor hun markten voor overheidsopdrachten verder worden opengesteld voor bedrijven uit andere landen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AF.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst de enige vrijhandelsovereenkomst is die de EU heeft gesloten waarin voor alle goederen die aan de oorsprongsregels voldoen een nultarief en nulquota zijn vastgesteld; overwegende dat handelsstatistieken voor de periode sinds de inwerkingtreding van de handels- en samenwerkingsovereenkomst aantonen dat de handelsstromen tussen de EU en het VK negatief zijn beïnvloed door de terugtrekking van het VK; overwegende dat de handel tussen het VK en de EU in goederen stagneert; overwegende dat het jaar 2024 heeft bevestigd dat de handel van de EU in goederen en diensten met andere handelspartners aanzienlijk meer is gegroeid dan de handel van de EU met het VK in een vergelijkbare periode;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AG.</NO.P>overwegende dat sanitaire en fytosanitaire controles en de herinvoering van douaneformaliteiten de uitvoer van bederfelijke waren hebben verstoord, wat heeft geleid tot meer afval en financiële verliezen en tot verminderd verkeer en een verminderde beschikbaarheid van producten, niet alleen tussen de EU en het VK, maar ook tussen Groot-Brittannië en Noord-Ierland;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AH.</NO.P>overwegende dat het VK tijdens de topontmoeting tussen de EU en het VK andermaal zijn standpunt om niet opnieuw toe te treden tot de douane-unie van de EU heeft bevestigd, maar dat beide partijen wel de intentie hebben uitgesproken om de douaneprocedures te stroomlijnen, om zo de operationele vertragingen en kosten te verminderen en te werken aan de oprichting van een gemeenschappelijke sanitaire en fytosanitaire ruimte (SPS-ruimte);</P></CONS><CONS><P><NO.P>AI.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst verschillende verbintenissen met betrekking tot e‑commerce omvat, waaronder een verbod op douanerechten op elektronische transmissies; overwegende dat de bevordering van samenwerking op het gebied van regelgeving, onder meer met betrekking tot opkomende technologieën en mechanismen die gegevensoverdracht vergemakkelijken, van essentieel belang is voor e‑commerceactiviteiten; overwegende dat er praktische uitdagingen zijn ontstaan bij de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst en als gevolg van de grote toename van e-commercetransacties in de afgelopen tijd, die gevolgen hebben voor bedrijven en consumenten aan beide zijden van het Kanaal; overwegende dat zowel de EU als het VK het gezamenlijk initiatief van de WTO inzake e‑commerce heeft ondertekend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AJ.</NO.P>overwegende dat voor de verdere uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst bijzondere inspanningen voor toezicht moeten worden gericht op het risico van verdere verschillen in regelgeving; overwegende dat uitgebreide samenwerking tussen de partijen op regelgevingsgebied van het grootste belang is; overwegende dat het een positief teken is dat er in 2024 via het online-instrument van de Commissie slechts twee relevante officiële klachten van belanghebbenden zijn ontvangen over de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; overwegende dat de Europese instellingen regelmatig in contact blijven met belanghebbenden om de praktische aspecten van de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst te bespreken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AK.</NO.P>overwegende dat de verschillen in de regelgeving op het gebied van volksgezondheid tussen de EU en het VK sinds de Brexit zijn toegenomen, met gevolgen voor de vergunningsprocedures voor geneesmiddelen, grensoverschrijdende toeleveringsketens en de toegang tot kritieke behandelingen; overwegende dat deze verschillen reeds hebben bijgedragen tot geneesmiddelentekorten en hogere invoerkosten, met name in kleinere lidstaten en regio’s; overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst slechts in beperkte mate voorziet in mechanismen voor samenwerking op gezondheidsgebied, zodat er behoefte is aan duurzame afstemming van de regelgeving, gestructureerde gegevensuitwisseling en gezamenlijke paraatheid voor noodsituaties om gelijke toegang tot veilige en doeltreffende geneesmiddelen in beide rechtsgebieden te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AL.</NO.P>overwegende dat het VK en de Verenigde Staten op 8 mei 2025 overeenstemming hebben bereikt over een overeenkomst inzake economische welvaart tussen de VS en het VK; overwegende dat dergelijke overeenkomsten gevolgen kunnen hebben voor het gelijke speelveld tussen de EU en het VK dat in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tot stand is gebracht, en zou kunnen leiden tot regelgeving die verder afwijkt van de EU-normen, met name op gebieden als voedselveiligheid, digitale diensten en arbeidsbescherming; overwegende dat de EU ervoor moet zorgen dat dergelijke afwijkingen het gelijke speelveld dat in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tot stand is gebracht, niet ondermijnen en de integriteit van de eengemaakte markt van de EU niet verzwakken; overwegende dat in dit verband bijzondere aandacht moet worden besteed aan de geplande gemeenschappelijke SPS-ruimte van de EU en het VK;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AM.</NO.P>overwegende dat consumenten in zowel de EU als het VK baat zouden hebben bij nauwere samenwerking tussen het samenwerkingsnetwerk van de EU voor consumentenbescherming en de mededingings- en marktautoriteit van het VK; overwegende dat overeenkomstig artikel 211, lid 1, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst de EU en het VK hebben besloten tot samenwerking met betrekking tot verscheidene aspecten van de regelgeving inzake digitale handel; overwegende dat het aanpakken van de uitdagingen die voortvloeien uit het bestaan van twee afzonderlijke douanemarkten constructieve betrokkenheid en tijdige informatie-uitwisseling tussen de douaneautoriteiten van de EU en het VK vereist, met name bij de invoering van nieuwe verplichtingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AN.</NO.P>overwegende dat de EU-medewetgevers het noodzakelijke regelgevingskader voor de interne uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst door de EU hebben voltooid met de vaststelling van Verordening (EU) 2023/657 van 15 maart 2023 tot vaststelling van regels voor de uitoefening van de rechten van de Unie bij de uitvoering en handhaving van het terugtrekkingsakkoord en de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AO.</NO.P>overwegende dat de EU en het VK gemeenschappelijke ambities hebben op het gebied van milieubescherming, klimaat en voedselveiligheid; overwegende dat toenemende verschillen in regelgeving op deze gebieden de handel dreigen te verstoren en de doeltreffendheid van milieu- en klimaatinspanningen dreigen te ondermijnen, met name in de context van Noord-Ierland en Ierland; overwegende dat de regering van het VK in 2024 heeft opgeroepen tot het “resetten” van de betrekkingen om de strategische samenwerking te versterken en de regelgevingen beter op elkaar af te stemmen om zo het hoofd te kunnen bieden aan gedeelde uitdagingen en gemeenschappelijke prioriteiten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AP.</NO.P>overwegende dat de Commissie en het VK in het kader van de topontmoeting tussen de EU en het VK zijn nagegaan op welke gebieden de bilaterale samenwerking kan worden versterkt, en hebben toegezegd te zullen werken aan de totstandbrenging van een gemeenschappelijke SPS-ruimte, om de handel in agrovoedingsmiddelen te vergemakkelijken; overwegende dat de EU en het VK zich er ook toe hebben verbonden hun emissiehandelssystemen (ETS) en mechanismen voor koolstofgrenscorrectie (CBAM) aan elkaar te koppelen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AQ.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst voorziet in coördinatie van de sociale zekerheid ter bescherming van de socialezekerheidsrechten van personen die na 1 januari 2021 van de EU naar het VK verhuizen; overwegende dat de overeenkomst met het oog op eerlijke mededinging ook zorgt voor een gelijk speelveld door de handhaving van een hoog niveau van bescherming op een aantal gebieden, zoals sociale en arbeidsrechten, en met bindende handhavings- en geschillenbeslechtingsmechanismen waarmee naleving van de regels wordt gewaarborgd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AR.</NO.P>overwegende dat de grondrechten om zich te organiseren, collectief te onderhandelen en collectieve actie te voeren zijn verankerd in het internationaal recht en onlosmakelijk zijn verbonden met de veiligstelling van duurzame ontwikkeling en een gelijk speelveld, zoals vastgelegd in de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AS.</NO.P>overwegende dat de Retained EU Law (Revocation and Reform) Act 2023 op 29 juni 2023 is bekrachtigd door de kroon; overwegende dat op grond van deze wet een aantal gehandhaafde EU-wetten eind 2023 is ingetrokken en de bijzondere status van alle gehandhaafde EU-wetgeving in de rechtsorde van het VK is geschrapt; overwegende dat met deze wet aanzienlijke bevoegdheden zijn overgedragen aan de autoriteiten van het VK om gehandhaafde EU-wetgeving in te trekken, aan te passen of te wijzigen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AT.</NO.P>overwegende dat het vrije verkeer van werknemers een grondrecht is in de EU; overwegende dat de EU en het VK al jarenlang een sterke reputatie hebben op het gebied van mobiliteit van werknemers, beroepsopleiding en onderwijs aan studenten; overwegende dat Erasmus+ in dit verband lange tijd een belangrijk instrument is geweest; overwegende dat de overeenkomst tussen de EU en het VK om het VK bij het Erasmus+-programma te proberen betrekken om zo de onderwijs-, beroeps- en culturele mogelijkheden voor jongeren uit te breiden een goede zaak is; overwegende dat het vergroten van de mobiliteit van werknemers tussen de EU en het VK kan helpen om tekorten aan arbeidskrachten aan te pakken; overwegende dat de EU en het VK een alomvattende mobiliteitsovereenkomst moeten sluiten die de bescherming van de rechten van werknemers en het grensoverschrijdende verkeer van werknemers waarborgt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AU.</NO.P>overwegende dat het VK zich niet heeft aangesloten bij het Erasmus+-programma 2021‑2027, het programma Europees Solidariteitskorps 2021‑2027 en het programma Creatief Europa 2021‑2027;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AV.</NO.P>overwegende dat de culturele en de creatieve sector geen onderdeel uitmaken van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, waarin de term “onderwijs” alleen wordt genoemd in verband met cyberbeveiliging en de noodzaak om burgers voor te lichten over daarmee verband houdende uitdagingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AW.</NO.P>overwegende dat EU-burgers<FOOTNOTE><FIELD>Met uitzondering van Ierse burgers.</FIELD></FOOTNOTE> die in het VK studeren als gevolg van de Brexit niet langer hetzelfde inschrijvingsgeld betalen als burgers van het VK, maar een hoger tarief voor internationale studenten; overwegende dat deze wijziging het buitensporig duur maakt om in het VK te studeren, waardoor met name jongeren uit sociaal achtergestelde milieus worden benadeeld, aangezien er geen prijsplafond is voor het inschrijvingsgeld voor internationale studenten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AX.</NO.P>overwegende dat het Turing-programma niet kan worden beschouwd als een alternatief voor het Erasmus+-programma, aangezien hiermee alleen mobiliteit vanuit het VK naar het buitenland wordt gefinancierd; overwegende dat het VK in 2019‑2020, het laatste jaar dat het VK aan Erasmus+ deelnam, 200 miljoen GBP kreeg toegewezen, hetgeen meer is dan het bedrag van 110 miljoen GBP dat in 2022-2023 is toegewezen aan het Turing-programma<FOOTNOTE><FIELD>UK Government, “Turing Scheme funding outcomes for the 2022 to 2023 academic year”.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AY.</NO.P>overwegende dat van de studenten uit het VK die in de periode 2013‑2016 in het buitenland gingen studeren, 52,7 % koos voor een verblijf in een lidstaat van de EU<FOOTNOTE><FIELD>Universities UK International, “Gone International: Expanding Opportunities” https://dera.ioe.ac.uk/id/eprint/31640/1/Gone%20International_expanding%20opportunities_digital.pdf.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat van de studenten die in het academische jaar 2021‑2022 in het kader van het Turing-programma in het buitenland gingen studeren, zes op de tien studenten kozen voor een bestemming buiten de EU<FOOTNOTE><FIELD>Op de drie populairste Erasmus+-bestemmingen voor studenten uit het VK, namelijk Spanje, Frankrijk en Duitsland, is het gemiddelde aantal uit het VK afkomstige studenten in het hoger onderwijs sinds de start van het Turing-programma drastisch gedaald met 43 % (The British Academy, “The Turing Scheme – Understanding impacts and implications”, november 2023, https://www.thebritishacademy.ac.uk/documents/5022/The_Turing_Scheme_-_Understanding_Impacts_and_Implications.pdf).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AZ.</NO.P>overwegende dat het aantal uit de EU afkomstige studenten in het VK is gedaald van 66 685 in het academisch jaar direct voorafgaand aan de Brexit naar 28 375 in het academisch jaar 2023-2024<FOOTNOTE><FIELD>Higher Education Statistics Agency, “UK, 2022/23 – Where students come from and go to study”, 8 augustus 2024, https://www.hesa.ac.uk/news/08-08-2024/sb269-higher-education-student-statistics/location.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>BA.</NO.P>overwegende dat de regering van Wales het Taith-programma voor internationale onderwijsuitwisseling<FOOTNOTE><FIELD>Universities Wales, “Wales beyond borders”.</FIELD></FOOTNOTE> heeft opgezet om studentenmobiliteit naar het buitenland en naar Wales mogelijk te maken, waarbij de nadruk ligt op ondervertegenwoordigde groepen en kleinere organisaties; overwegende dat de Schotse regering in het kader van haar programma voor onderwijsuitwisseling het project “Test and Learn”<FOOTNOTE><FIELD>Scottish Government, “Scottish Education Exchange Programme – Test and Learn: funded projects”, 15 januari 2025.</FIELD></FOOTNOTE> heeft ingevoerd; overwegende dat de Ierse regering Erasmus+-mobiliteit voor studenten van universiteiten in Noord-Ierland financiert, ongeacht hun nationaliteit, door hen voor de duur van hun uitwisseling aan Ierse universiteiten in te schrijven<FOOTNOTE><FIELD>Government of Ireland, “Minister Harris announces mobility funding for Northern Ireland higher education students”, 27 juli 2023.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>BB.</NO.P>overwegende dat het VK zich in zijn International Education Strategy tot doel stelt het aantal internationale studenten dat jaarlijks aan instellingen voor hoger onderwijs in het VK wordt toegelaten tegen 2030 te laten stijgen van 400 000 tot 600 000<FOOTNOTE><FIELD>UK Government, “International Education Strategy: 2021 update”, 6 februari 2021, https://www.gov.uk/government/publications/international-education-strategy-2021-update.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>BC.</NO.P>overwegende dat in de politieke verklaring van 2019 waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK wordt gesteld dat de partijen overeenkomen “zich te beraden op voorwaarden voor de binnenkomst en het verblijf voor doeleinden zoals onderzoek, studie, opleiding en jongerenuitwisselingen”<FOOTNOTE><FIELD>PB C 34 van 31.1.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/treaty/withd_2020/dcl_1/sign.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat jongerenuitwisselingen tijdens de vergadering van de Raad Algemene Zaken van 17 december 2024 werden genoemd als een van de belangrijkste prioriteiten voor de betrekkingen tussen de EU en het VK;</P></CONS><CONS><P><NO.P>BD.</NO.P>overwegende dat voor kunstenaars en cultuurwerkers uit het VK nu de Schengenregels gelden, wat leidt tot problemen, zoals aanzienlijke kostenstijgingen en de noodzaak om vervoersvergunningen voor apparatuur en visa voor culturele optredens te verkrijgen wanneer zij op tournee binnen een kort tijdsbestek verschillende Europese landen aandoen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>BE.</NO.P>overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst een culturele uitzondering bevat waardoor audiovisuele diensten buiten het toepassingsgebied ervan vallen, in weerwil van het feit dat de EU en het VK een groot aantal waarden op het gebied van cultuur en onderwijs gemeenschappelijk hebben; overwegende dat het VK partij blijft bij de Europese Overeenkomst inzake grensoverschrijdende televisie en dat audiovisuele werken uit het VK worden beschouwd als “Europese producties” overeenkomstig artikel 1, lid 1, punt n), iii), van de richtlijn audiovisuele mediadiensten<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2010/13/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>BF.</NO.P>overwegende dat in de conclusies van de top tussen de EU en het VK staat dat er zal worden toegewerkt naar een toekomstig jongerenervaringsprogramma en een hernieuwde associatie van het VK met het Erasmus+-programma, en wordt gewezen op culturele en artistieke uitwisselingen en artiesten op tournee;</P></CONS><CONS><P><NO.P>BG.</NO.P>overwegende dat sporters en atleten uit de EU sinds de Brexit een werkvergunning nodig hebben om hun sport in het VK te beoefenen; overwegende dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst geen bepalingen bevat met betrekking tot capaciteitsopbouw van grassroots- en professionele organisaties, partnerschappen en uitwisselingen op het gebied van sport;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Belangrijkste conclusies</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt dat de EU en het VK hechte buurlanden, gelijkgestemde partners en bondgenoten zijn die waarden, belangen en historische banden delen en worden geconfronteerd met een gemeenschappelijke onstabiele veiligheidssituatie in Europa en zijn nabuurschap; benadrukt dat het versterken van de betrekkingen tussen de EU en het VK bijdraagt tot een versterking van het algemene concurrentievermogen en de strategische autonomie van Europa;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>erkent de belangrijke rol die het VK vervult voor het waarborgen van vrede, veiligheid en stabiliteit op het Europese continent en daarbuiten; beklemtoont dat het toenemende aantal conventionele en hybride dreigingen krachtige en gecoördineerde internationale actie vereist om onze gemeenschappelijke toekomst veilig te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>herinnert eraan dat de betrekkingen tussen de EU en het VK gebaseerd zijn op de volledige eerbiediging en de volledige, tijdige en getrouwe uitvoering van het terugtrekkingsakkoord, met inbegrip van het Windsor-kader, en de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>is ingenomen met de ambitieuze conclusies van de allereerste top tussen de EU en het VK op 19 mei 2025 in Londen en de positieve en constructieve geest bij beide partijen; merkt op dat de leiders aan het einde van de top drie belangrijke documenten hebben aangenomen, namelijk de gezamenlijke verklaring, het veiligheids- en defensiepartnerschap en het gemeenschappelijk akkoord over een vernieuwde agenda voor de samenwerking tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk; is met name ingenomen met de overeenkomst over een nieuw strategisch partnerschap tussen de EU en het VK, die een hernieuwing van wederzijdse verbintenissen en een verdieping van de bilaterale samenwerking inhoudt, en met de afspraak om jaarlijks een top tussen beide partijen te houden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>benadrukt de noodzaak van geografische samenhang om de vrede, veiligheid en stabiliteit van Europa en de veerkracht van de Europese industriële basis te waarborgen; beklemtoont in dit verband dat de top tussen de EU en het VK een mijlpaal vormt die het partnerschap tussen de EU en het VK een nieuw elan en meer diepgang geeft en een startpunt vormt voor een meer gestructureerde samenwerking, met name door de lancering van het veiligheids- en defensiepartnerschap; is van mening dat de politieke verklaringen en goede bedoelingen nu moeten worden omgezet in daden en dringt erop aan dat zowel de EU als het VK hun toezeggingen volledig uitvoeren en waarmaken, met name de industriële acties op defensiegebied;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>benadrukt dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst een van de meest ambitieuze en uitgebreide handelsovereenkomsten is die de EU met een niet-EU-land heeft gesloten; wijst erop dat de overeenkomst weliswaar geen vervangmiddel is en kan zijn voor EU-lidmaatschap en de voordelen die voortvloeien uit toegang tot de eengemaakte markt en de douane-unie, maar wel een aanzienlijk potentieel biedt voor toekomstige samenwerking, zoals blijkt uit de verschillende toezeggingen die tijdens de recente top op politiek niveau zijn gedaan; stelt verheugd vast dat de EU en het VK zich er tijdens de top toe hebben verbonden hun wederzijdse inzet voor vrije, eerlijke, duurzame en open handel, in overeenstemming met hun gemeenschappelijke waarden, te herbevestigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>benadrukt hoe belangrijk het is de bepalingen van beide overeenkomsten volledig uit te voeren en mogelijke uitdagingen bij de uitvoering van het terugtrekkingsakkoord en de handels- en samenwerkingsovereenkomst zo snel mogelijk te beoordelen en aan te pakken, zodat vertragingen en problemen bij de uitvoering van de overeenkomsten kunnen worden voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>stelt tevreden vast dat de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst soepel blijft verlopen en dat alle toezeggingen die voor 2023 en 2024 waren gedaan ofwel zijn afgerond, ofwel op schema liggen; verzoekt de Commissie nauwlettend te blijven toezien op de correcte toepassing van de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>wijst op de specifieke situatie van Noord-Ierland als gevolg van het Protocol inzake Ierland en Noord-Ierland, dat werd gesloten om het Goede Vrijdagakkoord veilig te stellen na de terugtrekking van het VK uit de EU; schaart zich achter de beslissing om de unieke en bijzondere positie van Noord-Ierland te blijven erkennen en de dubbele toegang van het land tot zowel de eengemaakte markt van de EU als de interne markt van het VK te behouden, zoals uiteengezet tijdens de top; dringt aan op de volledige, tijdige en getrouwe uitvoering van alle onderdelen van het Windsor-kader, teneinde te zorgen voor blijvende voordelen, rechtszekerheid, stabiliteit op lange termijn, praktische steun en voorspelbaarheid voor bedrijven en mensen in Noord-Ierland, de economie van het hele eiland beter te beschermen, te voorkomen dat er op het eiland Ierland een harde grens ontstaat, het Goede Vrijdagakkoord in al zijn dimensies veilig te stellen en te zorgen voor soepel verlopende handel en samenwerking, en tegelijkertijd de integriteit van de eengemaakte markt en de douane-unie te beschermen; dringt aan op maatregelen om te voorkomen dat de nauwe economische banden tussen Ierland en Noord-Ierland worden verstoord door wijzigingen in wet- of regelgevingskaders, met name met betrekking tot diensten die worden verleend aan consumenten en kmo’s die geen gebruik kunnen maken van mobiliteit; herinnert eraan dat de EU alle aspecten van het Windsor-kader snel heeft uitgevoerd en nu van het VK verwacht dat het onmiddellijk zijn deel volledig en getrouw uitvoert, zodat de langdurige stabiliteit van de betrekkingen tussen de EU en het VK wordt gewaarborgd; benadrukt dat dit onder meer betrekking heeft op de doeltreffende operationalisering van zijn douane- en SPS-mechanismen om de uitdagingen in verband met het verkeer van goederen van Groot-Brittannië naar Noord-Ierland aan te pakken en te voorkomen dat consumenten in Noord-Ierland te maken krijgen met leveringsproblemen en een verminderde beschikbaarheid van producten; dringt aan op de volledige uitvoering van de mechanismen voor informatie-uitwisseling en op een betere monitoring van nieuwe processen en systemen voor de afhandeling van pakketten overeenkomstig het Windsor-kader en de effecten daarvan op de markttoegang voor consumenten; merkt op dat intensievere samenwerking tussen de autoriteiten en de uitwisseling van informatie over de toekomstige EU-datahub grensoverschrijdingen zouden bevorderen doordat de nodige gegevens en documentatie beschikbaar worden gesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>onderstreept het historische belang van het Goede Vrijdagakkoord en prijst alle betrokkenen dat zij het akkoord en de bijbehorende waarden blijven handhaven en uitvoeren, als cruciale pijler van de verzoeningsprocessen die nog altijd een positief voorbeeld zijn voor anderen op het continent en daarbuiten; herinnert aan de bindende toezegging van het VK overeenkomstig artikel 2 van het Windsor-kader dat er geen verslechtering van rechten, waarborgen of gelijke kansen als vermeld in het Goede Vrijdagakkoord zal plaatsvinden; beklemtoont dat de doeltreffende bescherming van deze rechten ook van essentieel belang is voor het behoud van het vertrouwen en de samenwerking in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, met name op gebieden als rechtshandhaving, arbeidsrechten en toegang tot de rechter; verzoekt de Commissie toezicht te blijven houden op de naleving van deze verplichting en in gesprek te gaan met de bevoegde autoriteiten van het VK wanneer er risico’s op verslechtering van rechten ontstaan; herinnert eraan dat elke wijziging van de zes in bijlage 1 bij het terugtrekkingsakkoord tussen de EU en het VK vermelde EU-richtlijnen inzake gelijke behandeling in het Noord-Ierse recht moet worden opgenomen om te waarborgen dat er geen verslechtering van rechten plaatsvindt; verzoekt de Commissie een specifieke vertegenwoordiger voor de contacten met Noord-Ierland te benoemen om te zorgen voor een gestructureerde en continue dialoog met politieke vertegenwoordigers en belanghebbenden, zodat er vertrouwen wordt opgebouwd en de inspanningen worden gecoördineerd; wijst erop dat de EU met name in gesprek moet gaan met de Noord-Ierse Assemblee met betrekking tot kwesties die onder het Windsor-kader vallen; dringt er in dit verband op aan de parlementen en assemblees van de decentrale naties van het VK, met name Noord-Ierland, een grotere rol te geven in de Parlementaire Partnerschapsassemblee EU-VK, zodat de belangen van de bevolking in Noord-Ierland zo goed mogelijk kunnen worden behartigd; dringt aan op verdere inspanningen ter verbetering van de democratische vertegenwoordiging van in Noord-Ierland woonachtige personen die op grond van het geboorterecht EU-burger zijn; spoort voorts aan tot passende raadpleging van de overheden van de decentrale naties in de betrekkingen tussen de EU en het VK, in overeenstemming met hun respectieve bevoegdheden; merkt op dat de unieke situatie van Noord-Ierland een op maat gemaakte benadering vergt die op de voordelen van de PEACE-programma’s voortborduurt, waarbij moet worden onderzocht hoe het cohesiebeleid in bredere zin kan bijdragen tot het verzoeningsproces; benadrukt dat de toepassing van de elektronische reisautorisatie (ETA) op Noord-Ierland een spijtige zaak is; verzoekt de Britse regering de ETA niet langer toe te passen op Noord-Ierland, zodat toeristen ongehinderd over het eiland Ierland kunnen reizen; acht het belangrijk om er overeenkomstig de beginselen van het Goede Vrijdagakkoord voor te zorgen dat er geen belemmering of beperking bestaat ten aanzien van de mogelijkheid voor personen die in Noord-Ierland en Ierland wonen om over de grens werk te zoeken en te aanvaarden; onderstreept in dit verband het belang van de bescherming van grensarbeiders, met inbegrip van hun sociale en arbeidsrechten; merkt op dat de Northern Ireland Troubles (Legacy and Reconciliation) Act 2023 door het hof van beroep in Noord-Ierland onverenigbaar is verklaard met de wetgeving inzake de mensenrechten en het Windsor-kader; wijst voorts op het interstatelijk verzoekschrift dat Ierland met betrekking tot deze wet tegen het VK heeft ingediend; herinnert aan de toezegging van de huidige regering van het VK om de Legacy Act van de vorige regering in te trekken en te vervangen en roept de regering van het VK ertoe op dit zo snel mogelijk te doen; verzoekt de regering van het VK haar beroep tegen de rechterlijke uitspraak over de Legacy Act in te trekken, de wet in te trekken en zich volledig te schikken naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en al zijn uitspraken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>merkt op dat het overeenkomstig het Goede Vrijdagakkoord aan de bevolking van het eiland Ierland is om over de constitutionele toekomst van Noord-Ierland te beslissen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>doet een oproep aan beide partijen om het partnerschap tussen de EU en het VK te verdiepen, de handels- en samenwerkingsovereenkomst volledig uit te voeren en het potentieel ervan maximaal te benutten op gebieden van wederzijds belang, onder meer door middel van vrijwillige sectorale afstemming, mechanismen voor wederzijdse erkenning en dialoog over innovatie op regelgevingsgebied, en door na te denken over verdere samenwerking op douanegebied; is ingenomen met de conclusies van de top, waarin het gezamenlijke streven naar nauwere samenwerking op belangrijke gebieden als energie – waaronder de mogelijke deelname van het VK aan de interne elektriciteitsmarkt van de EU –, nieuwe technologieën en agrovoeding opnieuw is bevestigd; beklemtoont dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst een toekomstgericht kader biedt om gedeelde welvaart en een gedeeld concurrentievermogen te bevorderen, en moedigt beide partijen aan gebruik te maken van de hernieuwde politieke dynamiek die door de top is ontstaan om tastbare vooruitgang te boeken in deze sectoren en te zorgen voor een snelle en alomvattende uitvoering van de gedane toezeggingen, zoals verwoord in het recente gemeenschappelijke akkoord tussen de EU en het VK en de gestructureerde resultaten van de top; benadrukt dat deze nieuwe agenda flexibel moet blijven en het mogelijk moet maken in te spelen op toekomstige uitdagingen om kansen op het gebied van samenwerking en concurrentievermogen maximaal te benutten, betere consumentenbescherming te bieden, de grensoverschrijdende handel en toegang tot goederen en diensten te verbeteren en een veilige en gezonde digitale omgeving voor iedereen te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>stelt vast dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst geen betrekking heeft op samenwerking op het gebied van buitenlands beleid, veiligheid, defensie en ontwikkelingssamenwerking, en is dan ook ingenomen met het akkoord over een veiligheids- en defensiepartnerschap dat tijdens de top tussen de EU en het VK is bereikt, dat versterkte samenwerking inhoudt, aansluit bij de eerdere instelling van de halfjaarlijkse dialoog over buitenlands beleid, voorziet in een gestructureerd kader dat ontbreekt in de handels- en samenwerkingsovereenkomst en geldt als vastlegging en bewijs van de hernieuwde inzet van het VK om met de EU samen te werken op het gebied van buitenlands beleid en veiligheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>wijst erop dat nauwere samenwerking van cruciaal belang is om een respons te kunnen bieden op mondiale crises in de context van een steeds volatielere veiligheidsomgeving die wordt gekenmerkt door hybride dreigingen, cyberaanvallen en desinformatiecampagnes; benadrukt dat intensievere coördinatie van cruciaal belang is om democratie en mensenrechten te bevorderen en regionale en internationale veiligheid te garanderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>stelt verheugd vast dat het veiligheids- en defensiepartnerschap voorziet in meer gestructureerde en geïnstitutionaliseerde samenwerking op het gebied van buitenlandse zaken, veiligheid en defensie op verschillende bestuursniveaus, in overeenstemming met de politieke verklaring van 2019<FOOTNOTE><FIELD>PB C 384 I van 12.11.2019, blz. 178, ELI: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:12019W/DCL(01).</FIELD></FOOTNOTE>, waaronder de afspraak om tweemaal per jaar een dialoog over het buitenlands en veiligheidsbeleid te organiseren; is van mening dat hiermee een solide basis voor samenwerking kan worden gelegd en dat de mogelijke institutionalisering ervan door middel van een juridisch bindend instrument moet worden onderzocht; beklemtoont dat dit zou helpen om de veiligheid van onze samenlevingen te waarborgen en deze weerbaar te maken tegen gemeenschappelijke en ongekende bedreigingen voor de geopolitieke veiligheid, met name de dreiging van Rusland;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>benadrukt dat de EU en het VK nauwlettend moeten toezien op de uitvoering van de bepalingen van het veiligheids- en defensiepartnerschap en de verbintenissen van het gemeenschappelijk akkoord; erkent dat het gemeenschappelijk akkoord uitgebreide en veelomvattende verbintenissen bevat; herinnert eraan dat het Parlement op de hoogte moet worden gehouden van de stappen en mogelijke obstakels bij de uitvoering ervan; beklemtoont dat het Parlement ervoor moet zorgen dat de Commissie volledige verantwoording aflegt voor het nakomen van haar verbintenissen in het kader van het gemeenschappelijk akkoord dat met de regering van het VK is overeengekomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>is verheugd over de toezegging van de EU en het VK om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor wederzijds voordelige nauwere samenwerking op het gebied van de defensie-industrie, met inachtneming van de beleids- en wettelijke kaders van beide partijen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Institutioneel kader</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>is verheugd over de doeltreffende werking van de gezamenlijke organen voor de handels- en samenwerkingsovereenkomst; benadrukt dat het van belang is het Parlement regelmatiger op de hoogte te houden van en te betrekken bij lopende politieke en technische besprekingen; dringt aan op meer transparantie in de werkzaamheden van de gezamenlijke organen voor de handels- en samenwerkingsovereenkomst, met name ten aanzien van het Parlement; dringt aan op stabiliteit van de handel en harmonisatie van de regelgeving tussen de EU en het VK met het oog op de bescherming van consumentenrechten, zekerheid voor bedrijven en investeringsvoorwaarden, met name in het licht van recente wereldwijde verstoringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>wijst op de hervatting van de Parlementaire Partnerschapsassemblee EU-VK in maart 2025 na de Europese en Britse verkiezingen van 2024; benadrukt de rol van deze assemblee voor de uitoefening van parlementair toezicht en parlementaire controle op de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; onderstreept de waarde van de Parlementaire Partnerschapsassemblee voor het bevorderen van nauwere banden en constructieve samenwerking tussen leden van het Europees Parlement en leden van het Britse parlement; verzoekt de Partnerschapsraad de aanbevelingen van de Parlementaire Partnerschapsassemblee in overweging te nemen; benadrukt het belang van een bredere deelname van gekozen leden van de parlementen en assemblees van Noord-Ierland, Schotland en Wales als waarnemers; beveelt aan om vaker thematische bijeenkomsten te houden buiten het huidige halfjaarlijkse schema, zodat er regelmatig kan worden gediscussieerd over handel, buitenlands beleid, energie en burgerrechten; pleit voor een betere integratie met nationale en regionale parlementen om de diverse democratische perspectieven te weerspiegelen; benadrukt zijn inzet voor de verdere versterking van de Parlementaire Partnerschapsassemblee als belangrijk forum voor interparlementaire dialoog;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt dat bij de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst de belangen van de burger centraal moeten blijven staan en dat in de dialoog zowel het aspect economische samenwerking als het aspect sociale rechtvaardigheid aan bod moet komen door te zorgen voor participatie van vrijwilligersorganisaties, het maatschappelijk middenveld en ondernemersorganisaties; stelt tevreden vast dat het maatschappelijk middenveld, waaronder werkgeversorganisaties en vakbonden, en niet-gouvernementele organisaties worden betrokken bij de uitvoering van de handels‑ en samenwerkingsovereenkomst; wijst op de evenwichtige vertegenwoordiging in de interne adviesgroep van de EU en de waardevolle aanbevelingen van deze groep; benadrukt het belang van het forum voor het maatschappelijk middenveld in dit verband; verzoekt de Partnerschapsraad rekening te blijven houden met de uiteenlopende standpunten van het maatschappelijk middenveld en verzoekt de Parlementaire Partnerschapsassemblee een rechtstreekse uitwisseling mogelijk te maken tussen haar leden en de leden van de interne adviesgroep van de EU tijdens elke halfjaarlijkse vergadering van de Parlementaire Partnerschapsassemblee; verzoekt alle gespecialiseerde comités de dialoog met de interne adviesgroep van de EU te versterken om een beter toezicht en meer transparantie te verzekeren; roept op tot verdere inspanningen om ervoor te zorgen dat een breed scala aan maatschappelijke organisaties, zoals jongerenorganisaties, toetreedt tot het forum voor het maatschappelijk middenveld in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>bevestigt nogmaals de toezegging van het Parlement om nauwlettend toe te zien op de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; herinnert eraan dat de Commissie het Parlement volledig en onmiddellijk moet informeren over de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst om een passende controle te waarborgen; is verheugd over de voortzetting van de goede samenwerking tussen het Parlement en de Commissie en de toegenomen rechtstreekse, positieve en constructieve contacten tussen leden van het Europees Parlement en leden van beide kamers van het Britse parlement; herhaalt zijn oproep om het Parlement te betrekken bij alle toekomstige procedures tot herziening van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; betreurt dat het Parlement niet betrokken was bij de top tussen de EU en het VK en uit zijn bezorgdheid over het ontbreken van elke verwijzing naar de rol van het Parlement en het Britse parlement in het institutionele kader van de vernieuwde agenda voor samenwerking tussen de EU en het VK, het strategisch partnerschap en het veiligheids- en defensiepartnerschap tijdens de top tussen de EU en het VK;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Handel in goederen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>herinnert eraan dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst een brede en ambitieuze basis vormt voor de betrekkingen tussen de partijen, met name voor de handel tussen de EU en het VK, en tegelijkertijd zorgt voor een gelijk speelveld ten behoeve van eerlijke mededinging en duurzame ontwikkeling; herinnert eraan dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst uniek is in de geschiedenis van de EU-vrijhandelsovereenkomsten, omdat het gericht is op het beperken van divergentie in plaats van het bevorderen van convergentie tussen de handelspartners; herinnert eraan dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst ook uniek is omdat deze voorziet in nultarieven en nulquota voor de handel tussen de EU en het VK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>herhaalt dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst het delicate resultaat is van lange en moeizame onderhandelingen en dat deze derhalve volledig en te goeder trouw moet worden uitgevoerd, net als het terugtrekkingsakkoord, in het bijzonder het Windsor-kader, tot wederzijds voordeel van beide partijen; verzoekt beide partijen ten volle gebruik te maken van de enorme mogelijkheden die de handels- en samenwerkingsovereenkomst biedt om de handel tussen de EU en het VK zoveel mogelijk te vergemakkelijken, zonder uit het oog te verliezen dat de voordelen van het lidmaatschap in de vorm van toegang tot de eengemaakte markt van de EU en de douane-unie, alsmede van deelname aan andere gemeenschappelijke en flankerende beleidsmaatregelen, onder geen beding kunnen worden gereproduceerd door middel van een vrijhandelsovereenkomst; erkent niettemin dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst een aanzienlijk onbenut potentieel heeft en juicht toe dat deze nu moet worden gebruikt als een toekomstgericht kader om de samenwerking op gebieden van wederzijds belang te verdiepen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>neemt kennis van het oordeel van de Commissie dat de in de handels- en samenwerkingsovereenkomst vastgestelde regelingen voor de handel in goederen over het algemeen doeltreffend zijn geweest en soepel hebben gefunctioneerd, hoewel er nog steeds sprake is van bepaalde uitvoeringsproblemen die zo snel mogelijk moeten worden opgelost;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>herhaalt dat de EU en het VK nauw moeten samenwerken op het gebied van douane, onder meer door te zorgen voor een doeltreffende uitwisseling van informatie en gegevens, door het opzetten van een gezamenlijke databank over onregelmatigheden en fraude op het gebied van e-commerce en over marktdeelnemers van buiten de EU en buiten het VK met betrekking tot goederen van buiten de EU en het VK; wijst nogmaals op het belang van een constructieve dialoog en doeltreffende samenwerkingsmethoden tussen de douanediensten, met als doel de inklaringsprocessen te vereenvoudigen, te digitaliseren en te versnellen met voldoende douaneambtenaren en vereenvoudigde douaneprocedures, met inbegrip van ruimere toegang tot regelingen voor betrouwbare handelaren en de invoering van slimme digitale oplossingen om processen te stroomlijnen, teneinde de administratieve en financiële kosten voor alle belanghebbenden, met name kmo’s, zoveel mogelijk te beperken, en een ononderbroken grensoverschrijdende stroom van essentiële landbouwgrondstoffen, waaronder diergeneesmiddelen, zaden en diervoeder, te waarborgen, met name voor Ierland en andere grensregio’s die in hoge mate afhankelijk zijn van tijdige leveringen; dringt er bij de Commissie op aan actief samen te werken met het VK om de douaneprocedures te vereenvoudigen door regelingen voor betrouwbare handelaren te ontwikkelen en “green lanes” in te voeren voor goederen met een laag risico;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>erkent de zich ontwikkelende samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van e-commerce sinds de inwerkingtreding van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; onderstreept dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst weliswaar belangrijke bepalingen bevat om de digitale handel te vergemakkelijken, maar dat douaneprocedures sinds de Brexit extra lasten hebben gecreëerd voor e-commercebedrijven, met name door verplichte douaneaangiften, invoerinspecties en complexe oorsprongsregels; is ingenomen met de recente inspanningen van de EU en het VK om de handelslogistiek te stroomlijnen en de uitvoerbeperkingen te verminderen, en benadrukt dat verdere inspanningen nodig zijn om de regelgeving beter op elkaar af te stemmen, de douaneprocedures te vereenvoudigen en te zorgen voor een vlotte en veilige overdracht van gegevens, teneinde het volledige potentieel van grensoverschrijdende e-commerce te ontsluiten en de digitale handel te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>moedigt de EU en het VK aan mogelijkheden te onderzoeken voor nauwere samenwerking op het gebied van regionale toeleveringsketens; benadrukt dat dergelijke stappen flexibelere en veerkrachtigere toeleveringsketens zouden ondersteunen en tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen in verband met complexe oorsprongsregels zouden helpen aanpakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>benadrukt dat de nieuwe invoerregeling van het VK (het Border Target Operating Model) tot problemen leidt als gevolg van de veelvuldige wijzigingen in de indeling in risicocategorieën zonder behoorlijke kennisgeving, de niet-eenduidige interpretatie van invoereisen, lange wachttijden voor het verrichten van controles, en het feit dat de EU niet als één enkele sanitaire en fytosanitaire entiteit wordt erkend; vindt het zorgwekkend dat het VK de hierdoor ontstane problemen nog niet volledig heeft opgelost;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>is ingenomen met de toezegging die op de topontmoeting tussen de EU en het VK is gedaan om te werken aan de totstandbrenging van een gemeenschappelijke SPS-ruimte door middel van een alomvattende SPS-overeenkomst tussen de EU en het VK; erkent dat non-tarifaire belemmeringen en verschillen in regelgeving de handel tussen de EU en het VK momenteel bemoeilijken, met name door toegenomen nalevingsvereisten, dubbele certificeringsprocedures en uiteenlopende productnormen; merkt op dat dergelijke wrijvingen een groot aantal sectoren treffen, waaronder agrovoeding, chemische stoffen, motorvoertuigen en machines, en vooral voor kmo’s een zware last kunnen vormen; moedigt beide partijen aan om volledig en doeltreffend gebruik te maken van de mechanismen van de handels- en samenwerkingsovereenkomst voor samenwerking op het gebied van regelgeving en douane om deze kwesties aan te pakken, om zo de wrijvingen op handelsgebied in de aanloop naar de herziening van de handels- en samenwerkingsovereenkomst in 2026 te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>juicht het toe dat het VK van plan is om wetgeving vast te stellen voor erkenning van de CE-markering voor onbepaalde duur in aanvullende productvoorschriften, hetgeen de naleving van regels voor EU-producenten gemakkelijker zou maken en de export van producten die een dergelijke markering moeten hebben van het VK naar de EU zou vereenvoudigen; dringt er bij de Commissie op aan snel onderhandelingen te starten met het VK om te zorgen voor een verregaande onderlinge afstemming van conformiteitsbeoordelingen voor producten, met name in sterk geïntegreerde sectoren, teneinde overbodige tests af te schaffen, de bedrijfskosten te verlagen en de interne markt te versterken; spoort beide partijen ertoe aan om pragmatische regelingen op te zetten voor de wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordelingen in productsectoren die duidelijk een laag risico hebben, teneinde onnodige nalevingskosten en administratieve lasten te verminderen, met name voor kmo’s, en tegelijkertijd de consumentenveiligheid en -bescherming te handhaven en verder te versterken; moedigt de Commissie aan voort te bouwen op deze ontwikkeling door te streven naar sectorspecifieke regelingen voor wederzijdse erkenning wanneer er reeds sprake is van convergentie van de regelgeving, waardoor onnodige duplicatie van certificeringsprocedures in voorkomend geval wordt voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>merkt op dat het akkoord over de instelling van een gemeenschappelijke SPS-ruimte de handelsfricties aanzienlijk zou verminderen en zou bijdragen tot stabiliteit en voorspelbaarheid voor bedrijven door het merendeel van de certificerings- en controlevoorschriften voor het verkeer van dieren, dierlijke producten, planten en plantaardige producten tussen Groot-Brittannië en de EU af te schaffen, terwijl hoge normen op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming, voedselveiligheid en dierenwelzijn gehandhaafd blijven; onderstreept dat deze voordelen voor landbouwers, kmo’s en consumenten in de EU en de VK zich ook zouden gelden voor het verkeer van dergelijke goederen tussen Groot-Brittannië en Noord-Ierland; merkt op dat de toekomstige SPS-overeenkomst een dynamische afstemming van het VK mogelijk moet maken, onderworpen moet zijn aan een mechanisme voor geschillenbeslechting met een onafhankelijk arbitragepanel en het Hof van Justitie van de Europese Unie moet aanvaarden als de uiteindelijke autoriteit op het gebied van EU-recht; is verheugd over het voornemen om het VK in een vroeg stadium te informeren over het besluitvormingsproces van de EU op gebieden die onder de toekomstige SPS-overeenkomst vallen; dringt er bij de Commissie op aan met een stappenplan voor SPS-onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk te komen; verzoekt beide partijen voorts de regelgevingsdialoog over niet-SPS-aspecten van de regelgeving voor voedingsmiddelen te intensiveren en verschillen op gebieden als etikettering en verpakking te vermijden; benadrukt dat eventuele toegang van het VK tot systemen, databanken of agentschappen van de EU in het kader van EU-programma’s die relevant zijn voor de SPS-overeenkomst, afhankelijk moet worden gesteld van de volledige dekking van de daarmee verband houdende kosten voor de EU-begroting; onderstreept dat een dergelijke deelname duidelijke voordelen moet opleveren voor de EU en haar belanghebbenden, in overeenstemming met het beginsel van budgettaire evenredigheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>wijst nogmaals op de noodzaak van nauwere samenwerking tussen de EU en het VK om de huidige billijke en op regels gebaseerde internationale handelsorde in stand te houden en te moderniseren en gezamenlijke mondiale economische uitdagingen aan te pakken; roept in dit verband op tot extra gezamenlijke inspanningen om te komen tot een inclusieve en alomvattende hervorming van de WTO, een antwoord te bieden op de huidige en toekomstige uitdagingen in een sterk verweven wereld, en tot actieve bestrijding van elk nieuw gevaar van verdeeldheid voor de mondiale politieke en economische orde, alsook van de unilaterale en ongerechtvaardigde handelsmaatregelen en tarieven die onlangs zowel de EU als het VK hebben getroffen; roept daarom beide partijen op om consumenten die te maken hebben met problemen in verband met de kosten van levensonderhoud, te blijven steunen; benadrukt dat in dit verband versterkte samenwerking tussen de EU en het VK van essentieel belang is om de veerkracht van de toeleveringsketens te versterken en strategische afhankelijkheden te verminderen; onderstreept dat beide partijen hun gezamenlijke inspanningen moeten intensiveren om kritieke toeleveringsketens minder kwetsbaar te maken, in overeenstemming met de EU-prioriteiten op het gebied van economische veiligheid; is zich ervan bewust dat samenwerking op het gebied van kritieke grondstoffen geen onderdeel uitmaakte van de conclusies van de topontmoeting tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk, maar moedigt de EU en het VK aan om de autonomie van Europa op dit gebied te versterken; moedigt de lancering aan van gestructureerde dialogen en gerichte initiatieven om diversificatie te bevorderen, wederzijds vertrouwen op te bouwen en strategische autonomie te versterken, met het oog op het stimuleren van duurzame groei en gedeelde welvaart; verzoekt de Commissie de details van de op 8 mei 2025 aangekondigde overeenkomst tussen het VK en de Verenigde Staten (“Economic Prosperity Deal”) te onderzoeken om er zeker van te zijn dat geen enkele bepaling ervan de handels- en samenwerkingsovereenkomst of enige potentiële overeenkomst tussen de EU en het VK ondermijnt; merkt op dat, hoewel de inhoud nog moet worden verduidelijkt, de Economic Prosperity Deal gevolgen kan hebben voor het gelijke speelveld dat de EU en het VK in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst zijn overeengekomen, alsook voor eventuele dynamische afstemmingen die voortvloeien uit de conclusies van de topontmoeting tussen de EU en het VK, zoals met betrekking tot een SPS-ruimte; is ingenomen met het akkoord over tariefvrije handel in staalproducten en erkent dit als een positieve ontwikkeling die de broodnodige stabiliteit en voorspelbaarheid biedt voor belangrijke industriële sectoren; herinnert eraan dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst specifieke verbintenissen bevat om de internationale handelsregels te handhaven, samen te werken in multilaterale fora en informatie uit te wisselen over handelsmaatregelen en ontwikkelingen in de wereldhandel; is ingenomen met de resultaten van de topontmoeting tussen de EU en het VK, waar beide partijen nogmaals hebben bevestigd dat zij de coördinatie van de WTO-hervormingen willen versterken, transparante en op regels gebaseerde handel willen ondersteunen en dringende handelsgeschillen gezamenlijk willen aanpakken, en benadrukt dat de effectieve uitvoering van deze toezeggingen van essentieel belang is voor de versterking van het partnerschap tussen de EU en het VK als een kracht voor stabiliteit en voorspelbaarheid in de governance van de wereldhandel; is ingenomen met de recente aankondiging van de Britse regering dat het VK zal toetreden tot de tijdelijke regeling inzake beroep en arbitrage van de WTO (MPIA) die de blijvende doeltreffendheid van het systeem voor geschillenbeslechting zal waarborgen terwijl er wordt onderhandeld over bredere hervormingen van de WTO; benadrukt dat zowel de Britse regering als de Commissie in de huidige volatiele context van de wereldhandel rekening moeten houden met de unieke positie van Noord-Ierland wanneer zij hun handelsbeleid formuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>is verheugd over de op 21 december 2023 overeengekomen verlenging van de oorsprongsregels voor elektrische voertuigen en accu’s tot 31 december 2026; benadrukt het belang van toezicht op de oorsprongsregels om te voorkomen dat normen en regels worden omzeild voor goederen die afkomstig zijn uit landen waarmee het VK mogelijk andere handelsovereenkomsten heeft gesloten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Diensten, digitale handel en investeringen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>neemt kennis van het oordeel van de Commissie dat de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst op het gebied van diensten en investeringen, digitale handel, intellectuele eigendom, overheidsopdrachten en kmo’s in het algemeen vlot is verlopen, zonder grote problemen, met uitzondering van de kwestie van de toepassing van het sponsoringsysteem van het VK voor werkvisa op EU-dienstverleners, hetgeen nog altijd een obstakel vormt, en merkt op dat de uitvoer van diensten van het VK naar de EU in 2024 met 19 % is gestegen ten opzichte van 2019, waaruit de veerkracht en het potentieel van de dienstensector blijkt; benadrukt de noodzaak om de belemmeringen voor kortetermijnmobiliteit voor EU-dienstverleners aan te pakken, met inbegrip van dienstverleners in de culturele en wetenschappelijke sector en in de landbouwadviessector en wijst op de potentiële voordelen voor beide partijen van verbeterde, wederzijdse regelingen voor zakelijke mobiliteit op korte termijn; dringt aan op vereenvoudiging van de Britse visumprocedures voor professionals uit de EU en contractuele dienstverleners om de financiële en administratieve lasten te verminderen; verzoekt de lidstaten en het VK de verwerkingstijden en -kosten voor aanvragen van werkvergunningen te versnellen wanneer dat nodig is; is verheugd over de toezegging van het VK en de Commissie op de topontmoeting tussen de EU en het VK om specifieke dialogen op te zetten over de toegang en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden, met inbegrip van de sponsoringregeling; verzoekt beide partijen mogelijkheden te onderzoeken om de kortetermijnmobiliteit van dienstverleners en ondernemers, met name kmo’s en vrije beroepen, te vergemakkelijken door middel van gestroomlijnde visumprocedures en wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties, met volledige inachtneming van de respectieve autonomie op het gebied van regelgeving; verzoekt het VK dienstverleners die onder de handels- en samenwerkingsovereenkomst vallen, van de sponsoringregeling vrij te stellen; verzoekt om een nauwere samenwerking tussen het EU en het VK op het gebied van de handel in diensten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>dringt er bij het VK, de Commissie en de lidstaten op aan hun inspanningen voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties voort te zetten; en roept op tot versnelling van de onderhandelingen, naast oplossingen om vlottere kortetermijnmobiliteit en grensoverschrijdende dienstverlening in de hele EU en de Britse markten te vergemakkelijken; wijst op de aanhoudende belemmeringen waarmee onderdanen van de EU en het VK worden geconfronteerd bij de toegang tot gereglementeerde beroepen; benadrukt dat er behoefte is aan duidelijke, gestroomlijnde erkenningsprocedures en dat beroepsorganisaties en bevoegde autoriteiten aan beide zijden betrokken moeten worden; merkt op dat er tot dusver slechts één aanbeveling voor een mogelijke regeling inzake wederzijdse erkenning in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst is ontvangen, namelijk met betrekking tot het beroep van architect; verzoekt de Commissie en het VK de uitvoering van artikel 158 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst te versnellen en prioriteit te geven aan aanvullende sectoren zoals gezondheidszorg, engineering, en juridische en financiële diensten; benadrukt hoe belangrijk het is jongeren te helpen toekomstgerichte vaardigheden te ontwikkelen door het hun gemakkelijker te maken om grensoverschrijdende opleidingen te volgen en professionele ontwikkeling na te streven, met inbegrip van gerichte investeringen in digitale, groene en financiële geletterdheid; roept op tot samenwerking tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk op het gebied van mobiliteitsregelingen en verzoekt de EU en het Verenigd Koninkrijk te onderhandelen over een ambitieuze overeenkomst inzake zakelijke mobiliteit, waarbij wordt erkend dat de doeltreffendheid van regelingen voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties onlosmakelijk verbonden is met vereenvoudigde bepalingen inzake kort verblijf en tijdelijk verblijf; verzoekt de Britse regering alle nodige maatregelen te blijven nemen om discriminatie van burgers van lidstaten die in het VK wonen te bestrijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>roept de EU en het VK op nauw samen te werken met betrekking tot verschillende aspecten van de regelgeving voor digitale handel; verwelkomt in dit verband de op 30 april 2024 door de EU en het VK ondertekende administratieve regeling inzake toezicht op de risicobeoordelings- en beperkingsinspanningen van aanbieders van zeer grote onlineplatforms; is van oordeel dat moet worden gewerkt aan convergentie van en dialoog over de digitale wet- en regelgeving, met name met betrekking tot onlineplatforms;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Gelijk speelveld en mededingingsbeleid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>herhaalt dat het VK de complicaties moet erkennen die zouden voortvloeien uit onnodige systematische verschillen in regelgeving, met name inzake de bescherming van banen en sociale rechten, het milieu, persoonsgegevens, staatssteun, digitale handel en belastingen, en die alleen maar extra problemen zouden opleveren met betrekking tot de in de handels- en samenwerkingsovereenkomst gedane toezeggingen inzake een gelijk speelveld, alsook voor bedrijven in de EU en het VK en voor de handel tussen de EU en het VK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>is verheugd over de afronding van de samenwerkingsovereenkomst op mededingingsgebied tussen de EU en het VK in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, zodat de Commissie, de nationale mededingingsautoriteiten van de lidstaten en de Britse mededingingsautoriteit rechtstreeks kunnen samenwerken bij mededingingsonderzoeken; merkt op dat dit de eerste EU-samenwerkingsovereenkomst op mededingingsgebied is waarbij nationale bevoegde autoriteiten rechtstreeks kunnen samenwerken met een mededingingsautoriteit van een land dat geen lid is van de EU; dringt erop aan de overeenkomst snel te ratificeren om de grensoverschrijdende handhaving en coördinatie in mededingingszaken te versterken en tegelijkertijd de vertrouwelijkheid te waarborgen door middel van de nodige vrijstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>is verheugd over de inspanningen onder leiding van het VK en de EU om op te roepen tot internationale samenwerking bij het beheer van de uitdagingen en risico’s die artificiële intelligentie (AI) met zich meebrengt, teneinde mondiale AI-governance op basis van democratische waarden, gedeelde normen en robuuste waarborgen te bevorderen; merkt op dat de EU in 2024 een alomvattend, risicogebaseerd regelgevingskader heeft vastgesteld door middel van de verordening artificiële intelligentie (AI-verordening)<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 300/2008, (EU) nr. 167/2013, (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1139 en (EU) 2019/2144 en Richtlijnen 2014/90/EU, (EU) 2016/797 en (EU) 2020/1828 (verordening artificiële intelligentie) (PB L, 2024/1689, 12.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, maar dat het VK met betrekking tot de regelgeving tot dusver heeft gekozen voor een lichtere aanpak en geen horizontale AI-wetgeving heeft ingevoerd; dringt aan op meer convergentie tussen de AI-regelgeving van de EU en die van het VK om een dynamische sector in staat te stellen te groeien in een veilige omgeving; betreurt in dit opzicht het feit dat het VK de verklaring over inclusieve en duurzame artificiële intelligentie voor mens en planeet niet heeft ondertekend tijdens de internationale top over actie op het gebied van artificiële intelligentie van 11 februari 2025 in Parijs; benadrukt het belang van gestructureerde samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van AI-governance, gezien de gezamenlijke inzet voor de bevordering van veilige, transparante en controleerbare AI-systemen, en, teneinde versnippering van de regelgeving te voorkomen, aan de vaststelling van normen deel te nemen, en regelingen voor wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordeling te onderzoeken; betreurt het ontbreken van een specifieke verbintenis inzake samenwerking op het gebied van AI in het gemeenschappelijke akkoord over een vernieuwde agenda voor de betrekkingen tussen de EU en het VK, ondanks het strategische belang van het bevorderen van transnationale afstemming op het gebied van betrouwbare AI-ontwikkeling, en herinnert eraan dat artikel 39 van de AI-verordening de erkenning van in derde landen opgerichte conformiteitsbeoordelingsinstanties onder specifieke voorwaarden en onder voorbehoud van een overeenkomst tussen de EU en het betrokken niet-EU-land mogelijk maakt; onderstreept het risico van toenemende verschillen in regelgeving, met name tussen de bindende AI-wet van de EU en de sectorgestuurde benadering van het VK, ondanks convergerende prioriteiten op het gebied van risicogebaseerde classificatie, bescherming van auteursrechten en systeemrisico’s; neemt kennis van het memorandum van overeenstemming tussen het VK en de VS over AI, dat kan leiden tot verschillen in minimumnormen tussen de EU en het VK, en verzoekt de Commissie de gevolgen van deze overeenkomst te beoordelen en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement; dringt aan op de noodzaak om een gemeenschappelijk begrip van de voordelen en uitdagingen van AI tot stand te brengen; dringt aan op een intensievere technische dialoog tussen regelgevers om de interoperabiliteit van de regelgeving te ondersteunen en de complexiteit van de naleving voor bedrijven te verminderen; neemt kennis van de huidige discussies in het VK over wijzigingen van de auteursrechtwetgeving; is bezorgd dat dergelijke plannen negatieve gevolgen kunnen hebben voor Europese kunstenaars en ontwerpers, met name wat betreft het voorstel om een opt-outsysteem in te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>merkt op dat de artikelen 103 tot en met 107 en artikel 109 van de AI-verordening wijzigingen inhouden van de bestaande productwetgeving van de EU die van toepassing is op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland uit hoofde van bijlage 2 bij het Windsor-kader; neemt kennis van het besluit van de Raad van 14 april 2025 waarin het standpunt van de Unie wordt uiteengezet in het EU-VK Gemengd Comité wat betreft de toevoeging van de AI-verordening in bijlage 2 bij het Windsor-kader, erkent dat een betere afstemming van de regelgeving op gebieden als productveiligheid en markttoezicht kan bijdragen tot juridische duidelijkheid en marktcontinuïteit; pleit voor de voortzetting van de dialoog tussen de EU en het VK in het kader van het Gemengd Comité, teneinde wederzijds aanvaardbare benaderingen in kaart te brengen waarbij hoge normen op het gebied van consumentenbescherming en coherentie van de regelgeving in acht worden genomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>herinnert eraan dat in de handels- en samenwerkingsovereenkomst het belang van hoge normen voor gegevensbescherming en privacy wordt erkend, terwijl elke partij haar eigen autonomie op het gebied van regelgeving kan behouden; is van mening dat mogelijke verschillen in regelgeving tussen de EU en het VK risico’s met zich meebrengen; merkt op dat de gegevensbeschermingsregeling van het VK in grote lijnen op één lijn is gebleven met de algemene verordening gegevensbescherming<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).</FIELD></FOOTNOTE> (AVG) van de EU, waardoor het adequaatheidsbesluit van de EU, dat wrijvingsloze gegevensstromen mogelijk maakt die van cruciaal belang zijn voor grensoverschrijdende diensten, kan worden gehandhaafd; neemt kennis van de lopende hervorming van het gegevensbeschermingskader van het VK door middel van de Data (Use and Access) Bill, waarmee een reeks inhoudelijke wijzigingen wordt aangebracht in de bestaande bepalingen van de UK GDPR; wijst er andermaal op dat er strenge gegevensbeschermingsnormen moeten worden gehandhaafd voor de doorgifte en verwerking van persoonsgegevens tussen de twee partijen, ook ten aanzien van personen wier persoonsgegevens in het VK worden verwerkt, met name wanneer gegevens afkomstig zijn uit de EU, en dringt aan op regelmatige informatie-uitwisseling tussen de EU en het VK; is ingenomen met de nauwere samenwerking op regelgevingsgebied op het vlak van digitale kwesties, waaronder met de administratieve regeling van 30 april 2024 tussen het directoraat-generaal Communicatienetwerken, Inhoud en Technologie van de Commissie en het Britse Office of Communications (Ofcom), waarbij prioriteit wordt gegeven aan de uitwisseling van informatie over het toezicht op risicobeoordelings- en risicobeperkingsinspanningen van aanbieders van grote onlineplatforms; dringt aan op een intensievere dialoog in het kader van het Gespecialiseerd Handelscomité voor diensten, investeringen en digitale handel van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, om te zorgen voor stabiele voorwaarden voor gegevensoverdracht en rechtszekerheid voor marktdeelnemers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>herinnert eraan dat de voortzetting van het vrije verkeer van gegevens tussen de EU en het VK afhangt van besluiten van de Commissie over de adequaatheid van gegevens; merkt op dat de Commissie na haar beoordeling van de wet inzake gegevens (Data Use and Access Act) van het VK heeft geconcludeerd dat het rechtskader van het VK nog steeds voorziet in gegevensbeschermingswaarborgen die in wezen gelijkwaardig zijn aan die van de EU; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het huidige adequaatheidsbesluit met zes jaar te verlengen; is van mening dat deze uitbreiding rechtszekerheid moet bieden en onnodige nalevingskosten moet voorkomen, de stabiliteit van grensoverschrijdende gegevensstromen en digitale handel moet waarborgen en ervoor moet zorgen dat de grondrechten van EU-burgers in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst geëerbiedigd blijven worden; benadrukt dat permanente regelingen afhankelijk moeten blijven van de voortdurende aanpassing van het VK aan de EU-normen inzake gegevensbescherming binnen het nieuwe rechtskader van het VK en de handhaving door het VK van een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens, zoals vereist door het EU-recht; verzoekt de regering van het VK ervoor te zorgen dat wetgevingsontwikkelingen in het VK, zoals de wet inzake gegevens (Data Use and Access Act) 2025 niet leidt tot lagere gegevensbeschermingsnormen dan de normen die in de EU worden gehanteerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>neemt kennis van Advies 06/2025 van het Europees Comité voor gegevensbescherming, waarin een technische en in de tijd beperkte verlenging van de adequaatheidsbesluiten voor het VK tot en met 27 december 2025 wordt gesteund, uitsluitend om de Commissie de tijd te geven om de gevolgen van de hervorming te beoordelen zodra deze is goedgekeurd; wijst erop dat de Commissie alle relevante ontwikkelingen in het VK in deze periode op de voet moet volgen en ervoor moet zorgen dat elk toekomstig adequaatheidsbesluit gebaseerd is op een alomvattende en actuele evaluatie van het gegevensbeschermingskader van het VK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>benadrukt dat soortgelijke benaderingen van markthervormingen in de digitale sector moeten worden gehandhaafd; verzoekt het VK beleid uit de weg te gaan dat afwijkt van de grondbeginselen van de digitalemarktenverordening<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2019/1937 en (EU) 2020/1828 (digitalemarktenverordening) (PB L 265 van 12.10.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/1925/oj).</FIELD></FOOTNOTE> en de digitaledienstenverordening van de EU<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (<STRING ITALIC="on">(</STRING>PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1,ELI: <STRING UNDERLINE="on">http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2065/oj</STRING>)<STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">.</STRING></STRING></FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>herinnert aan de gedeelde belangen van de EU en het VK op het gebied van digitale connectiviteit; beveelt aan dat beide partijen een kader voor de coördinatie van informatie-uitwisseling opzetten met het oog op de monitoring van bedreigingen voor de kritieke connectiviteitsinfrastructuur, waaronder onderzeese kabels en satellieten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>herhaalt dat de EU en het VK zich moeten houden aan hun toezegging in de handels- en samenwerkingsovereenkomst om samen te werken aan de bevordering van transparante en redelijke tarieven voor internationale roamingdiensten, teneinde de kosten voor de consumenten in de EU en het VK verlagen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>herinnert eraan dat het economisch partnerschap tussen beide partijen krachtens de handels- en samenwerkingsovereenkomst moet stoelen op een gelijk speelveld voor open en eerlijke mededinging, en dat handel en investeringen krachtens de overeenkomst moeten plaatsvinden op een wijze die bevorderlijk is voor duurzame ontwikkeling, inclusief economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming; herinnert eraan dat het voor de handhaving van een gelijk speelveld in dit verband van essentieel belang is dat de rechten van werknemers worden beschermd, zoals uiteengezet in onder meer de artikelen 355, 386, 387, 399 en 524 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; merkt op dat beide partijen zich er uit hoofde van artikel 355 toe hebben verbonden hun respectieve normen binnen de onder titel XI vallende gebieden te handhaven en te verbeteren; herinnert eraan dat het voor de handhaving van een gelijk speelveld in dit verband van essentieel belang is dat de rechten van werknemers worden beschermd, zoals uiteengezet in onder meer de artikelen 355, 386, 387, 399 en 524 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; merkt op dat beide partijen zich er uit hoofde van artikel 355 toe hebben verbonden hun respectieve normen binnen de onder titel XI vallende gebieden te handhaven en te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>is ingenomen met de voorstellen in de wet van de regering van het VK inzake arbeidsrechten van 2024-2025 om het recht op collectieve onderhandelingen uit te breiden, werknemers gegarandeerde uren te bieden en de wet inzake stakingen en minimale dienstverlening van 2023 (Strikes (Minimum Service Levels) Act) in te trekken; juicht in dit verband de “Good Jobs”-wet inzake arbeidsrechten toe, die door de decentrale Noord-Ierse regering in Belfast is ingevoerd en waarin de EU-normen volledig worden nageleefd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>merkt op dat de autoriteiten van het VK met betrekking tot de Britse wet inzake gehandhaafde EU-wetgeving van 2023 (Retained EU Law (Revocation and Reform) Act) de Commissie zowel in hun officiële antwoord als tijdens een reeks technische vergaderingen hebben meegedeeld dat de wet niet tot doel heeft het beschermingsniveau in onder meer arbeidsaangelegenheden in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst te verlagen; verzoekt de Commissie echter nauw erop toe te zien dat de wet wordt nageleefd, gelet op de ruime bevoegdheid die de autoriteiten van het VK hebben gekregen om de gehandhaafde EU-wetgeving te wijzigen en gelet op de rol van de rechtbanken bij de uitlegging van gehandhaafde EU-wetgeving;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>merkt op dat de regering van het VK in oktober 2024 heeft aangekondigd voornemens te zijn een nieuw agentschap voor eerlijk werk op te richten binnen het ministerie van Bedrijfsleven en Handel (Department for Business and Trade), ter vervanging van de bestaande nationale handhavingsinstanties voor arbeidsbescherming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>verzoekt de Commissie en de Parlementaire Partnerschapsassemblee om nauw toe te zien op non-regressie ten aanzien van arbeidsnormen en op andere ontwikkelingen op het gebied van werknemersrechten in het VK, en hun inspanningen met de regering van het VK voort te zetten om ervoor te zorgen dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst volledig wordt nageleefd; verzoekt de Commissie alle beschikbare middelen in te zetten om eventuele problemen aan te pakken die de toepassing nodig kunnen maken van hoofdstuk 6 van titel XI van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, onder meer door middel van dialoog binnen de Parlementaire Partnerschapsassemblee en de gespecialiseerde comités, raadpleging van de interne adviesgroep van de EU en, waar nodig, de geschillenbeslechtingsmechanismen waarin is voorzien in artikel 389;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>verzoekt de EU en het VK mogelijkheden te verkennen voor verdere samenwerking en uitwisseling van beste praktijken op het gebied van werkgelegenheid en sociale bescherming; erkent het potentieel voor wederzijdse samenwerking om de uitvoering en handhaving te verbeteren van het werkgelegenheidsbeleid, teneinde eerlijke mededinging, duurzame groei voor bedrijven en billijke arbeidsvoorwaarden voor werknemers zowel in de EU als in het VK te waarborgen; herinnert eraan dat de sociale partners een reële rol spelen zowel bij het toezicht op als bij de handhaving van het terugtrekkingsakkoord, onder meer door de bevoegdheid om officiële klachten in te dienen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>is ingenomen met de lopende samenwerking tussen de EU en het VK binnen de IAO, met name wat betreft de ontwikkeling van een nieuw instrument ter regulering van platformwerk;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>is verheugd over de parallelle uitvoering van de digitalemarktenverordening van de EU en de Digital Markets, Competition and Consumers Act van het VK als een stap in de richting van de bevordering van eerlijke en concurrerende digitale markten; neemt kennis van de gedeelde regelgevingsdoelstellingen en benadrukt dat versnippering moet worden voorkomen door intensievere samenwerking in het kader van de samenwerkingsovereenkomst op mededingingsgebied; steunt de ontwikkeling van een memorandum van overeenstemming om de dialoog op regelgevingsgebied, de uitwisseling van informatie en de coördinatie van handhavingspraktijken te vergemakkelijken, met name met betrekking tot poortwachterplatforms; onderstreept het belang van onderlinge afstemming van het mededingingsbeleid voor digitale markten ter ondersteuning van grensoverschrijdende bedrijfszekerheid en consumentenbescherming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>verzoekt de Commissie nauwlettend te blijven toezien op de verschillen in regelgeving in het VK die een risico van niet-naleving van de handels- en samenwerkingsovereenkomst met zich kunnen meebrengen, met name op gebieden die van belang zijn voor een gelijk speelveld, zoals subsidiecontrole, AI, belastingen, arbeids- en sociale normen, milieu en klimaatverandering, en het hoofd te bieden aan vastgestelde verschillen die kunnen leiden tot lagere sociale, arbeids- en milieubeschermingsnormen voor burgers en consumenten uit zowel de EU als het VK; beveelt aan een waarnemingspost voor regelgevingsverschillen tussen de EU en het VK op te richten om toekomstige wetswijzigingen op het gebied van vervoersveiligheid, milieunormen en passagiersrechten te monitoren en te rapporteren; benadrukt het belang van een proactieve regelgevingsdialoog om onnodige verschillen op het gebied van productnormen en marktversnippering te voorkomen; verzoekt de Commissie het Parlement toegang te verlenen tot de gegevens die zijn verkregen door de publicatie van jaarverslagen; benadrukt de bijzondere uitdaging die verschillen in regelgeving vormen voor Noord-Ierland, gezien de unieke dubbele toegang tot zowel de EU-markt als de markt van het VK op grond van het Windsor-kader; benadrukt de noodzaak van op Noord-Ierland toegesneden mechanismen voor vroegtijdige waarschuwing en effectbeoordelingen bij nieuwe wetgeving om ervoor te zorgen dat verschillen in regelgeving de rechtszekerheid, de bedrijfscontinuïteit of het vredesproces niet ondermijnen, om de gevolgen van die verschillen tot een minimum te beperken en om te voorkomen dat daardoor handelsbelemmeringen ontstaan; dringt aan op meer samenwerking met lokale belanghebbenden en de Noord/Zuid-organen die in het kader van het Goede Vrijdagakkoord zijn opgericht;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Financiële diensten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>erkent dat een hoog niveau van samenwerking en een toekomstgerichte dialoog tussen de EU en het VK op het gebied van financiële diensten noodzakelijk zijn; merkt op dat het gezamenlijk forum voor financiële regelgeving tussen de EU en het VK sinds de oprichting ervan slechts drie keer is bijeengekomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>moedigt een toekomstgerichte dialoog in het gezamenlijk forum voor financiële regelgeving tussen de EU en het VK aan waarbij de respectieve regelgevingsstelsels in hoge mate op elkaar worden afgestemd en gedeelde kwesties met betrekking tot financiële stabiliteit, de bescherming van beleggers, de bestrijding van witwassen en het voorkomen van terrorismefinanciering in kaart worden gebracht en aangepakt, met als doel grensoverschrijdende investeringen te vergemakkelijken en innovatie op de financiële markten en samenwerking in internationale fora en bij de uitvoering van nationale normen te stimuleren; merkt op dat in dat verband onder meer informatie kan worden gedeeld over regelgevingsontwikkelingen, van gedachten kan worden gewisseld over de respectieve beleidsmaatregelen, regels en processen in verband met stelsels van discretionaire bevoegdheid, zoals gelijkwaardigheid, en ook risicoanalyses kunnen worden gevoerd van en gekeken kan worden naar de mogelijke economische gevolgen van de voorgestelde maatregelen, en thema’s ter sprake kunnen worden gebracht die verband houden met vrijwillige technische convergentie, waardoor het handelsverkeer stabieler en efficiënter wordt; stelt vast dat het forum het potentieel heeft waar mogelijk een samenhangende aanpak te bevorderen en een kader te bieden voor geschillenbeslechting, en verzoekt de Commissie het forum te versterken en voort te bouwen op deze samenwerking; dringt er bij de Commissie op aan het Parlement volledig en tijdig op de hoogte te brengen van de voorbereidingen voor en de resultaten van de halfjaarlijkse bijeenkomsten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>is van mening dat de efficiëntie en het concurrentievermogen van posttransactionele financiële marktdiensten van vitaal belang zijn voor een goed functionerende spaar- en investeringsunie en is verheugd over de groeiende consensus tussen het VK en de EU over deze kwestie; is ingenomen met het voorlopige politieke akkoord om de afwikkelingsperiode voor transacties in effecten te verkorten tot één dag na de transactie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>wijst erop dat Britse marktdeelnemers na de terugtrekking van het VK uit de EU niet langer automatisch toegang hebben tot de interne markt voor financiële diensten; benadrukt dat de EU slechts voor één specifieke subsector van financiële diensten een gelijkwaardigheidsbesluit voor bepaalde duur heeft afgegeven, namelijk voor centrale tegenpartijen, terwijl het EU-kader voor gelijkwaardigheid op het gebied van financiële diensten ondernemingen uit niet-EU-landen wel toegang tot de EU-markt biedt, op voorwaarde dat hun regelgevings- en toezichtskader gelijkwaardig wordt geacht aan de EU-normen; herinnert eraan dat de EU te allen tijde eenzijdig gelijkwaardigheidsbesluiten kan intrekken indien niet langer aan de voorwaarden voor verlening van de status van gelijkwaardigheid wordt voldaan; erkent dat ervoor moet worden gezorgd dat kmo’s aan beide zijden voordelen genieten als gevolg van een versterkte financiële samenwerking tussen de EU en het VK; benadrukt dat het belangrijk is de grensoverschrijdende toegang tot financiering te vergemakkelijken; moedigt de Commissie aan verdere gelijkwaardigheidsbesluiten te bespreken zodat bedrijven uit zowel het VK als de EU de voordelen van bredere markttoegang kunnen genieten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>is verheugd dat gedachtewisselingen over gelijkwaardigheidsbesluiten deel uitmaken van het mandaat van het forum voor samenwerking op regelgevingsgebied van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; pleit ervoor dergelijke onderwerpen regelmatig te bespreken en te onderzoeken, met name met betrekking tot financiële en beleggingsdiensten, in het belang van meer handel en samenwerking; verzoekt de Commissie om gelijkwaardigheidsbesluiten op strategische en voorwaardelijke wijze te beoordelen en vast te stellen zodat de toelating van Britse financiële dienstverleners tot de interne markt volledig in overeenstemming is met de EU-normen; is van mening dat de gelijkwaardigheidsbeoordeling meer moet behelzen dan een strikt sectorale benadering en in plaats daarvan vanuit een bredere toekomstgerichte optiek moet plaatsvinden, en dat daarbij het totale regelgevings- en toezichtskader van het niet-EU-land in ogenschouw moet worden genomen, met inbegrip van zijn toezeggingen inzake eerlijke concurrentie, de bestrijding van witwassen, belastingsamenwerking, de bescherming van beleggers en financiële stabiliteit, teneinde de financiële stabiliteit van de Unie te waarborgen, de integriteit van de interne markt te vrijwaren en regelgevingsarbitrage te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>herinnert eraan dat besluiten over gelijkwaardigheid EU-bedrijven ten goede kunnen komen wat betreft een betere toegang tot de Britse markt, ook voor banken, betaaldiensten, investeringsdiensten en verzekeraars, en benadrukt dat open en goed gestructureerde financiële betrekkingen tussen de EU en het VK moeten bijdragen aan een concurrerender financieringsklimaat voor kmo’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>neemt tegelijk kennis van de uitgesproken wens van het VK om qua regelgeving op een aantal gebieden af te wijken van de EU; vreest dat die afwijking het gelijke speelveld met de EU zou kunnen ondermijnen; roept ertoe op deze ontwikkelingen en de mogelijke gevolgen ervan voor de EU-markten nauwlettend in de gaten te houden, onder meer door strategisch gebruik van gelijkwaardigheidsbesluiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>erkent dat sommige cryptoactiva weliswaar voornamelijk speculatief van aard zijn, maar dat ze wel steeds meer worden gebruikt in de financiële sector en pleit voor een gecoördineerde benadering van de regelgeving voor en het toezicht op die activa om de risico’s in verband met consumentenbescherming, marktintegriteit, witwassen en milieuproblemen aan te pakken; stelt bezorgd vast dat uitgevers van stablecoins in het VK zullen mogen opereren onder vrijstelling van het nieuwe Britse regelgevings- en toezichtskader, en onderstreept dat als het VK een bilaterale samenwerking met de Verenigde Staten nastreeft inzake een soepeler regelgevingsmodel, de inspanningen van de EU met betrekking tot samenhangende regelgeving, solide toezicht, financiële veerkracht in rechtsgebieden en de wereldwijde financiële stabiliteit zouden worden ondermijnd; roept het VK daarom op wetgeving goed te keuren met dezelfde strekking als Verordening (EU) 2023/1114 betreffende cryptoactivamarkten<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (PB L 150 van 9.6.2023, blz. 40, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1114/oj).</FIELD></FOOTNOTE>; waarschuwt voor de systeemrisico’s van een minder strikt toezichtskader en beveelt aan niet af te wijken van de aanbevelingen van de Raad voor financiële stabiliteit inzake de regulering van cryptoactiva, omdat anders de wereldwijde financiële stabiliteit gevaar loopt; is van mening dat de EU en het VK binnen de internationale gemeenschap samen een consensus moeten vinden over de voordelen en risico’s van AI in financiële diensten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>steunt en verwelkomt de snelle ontwikkeling van de digitale euro, die contant geld aanvult, maar niet vervangt; benadrukt dat de EU sterk afhankelijk is van buitenlandse entiteiten in de betalingssector; erkent dat de EU dringend haar autonomie ten opzichte van buitenlandse betaaldienstaanbieders moet waarborgen met het oog op haar digitale en financiële soevereiniteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>is van mening dat de eventuele invoering van digitale centralebankmunten in zowel de EU als het VK economische gevolgen voor de betrekkingen tussen de twee partijen en hun strategische autonomie kan hebben;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>staat volledig achter de voortzetting van de samenwerking tussen de EU en het VK wat betreft het aanpakken van internationaal witwassen en terrorismefinanciering, het bestrijden van schadelijke belastingregelingen en het opleggen van sancties; is verheugd dat de EU onlangs het wetgevingspakket ter bestrijding van witwassen heeft aangenomen en dat het VK zich onophoudelijk inzet om witwassen en andere vormen van financiële criminaliteit te bestrijden, met name in zijn overzeese en van de Britse Kroon afhankelijke gebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>maakt zich zorgen over het feit dat het VK nieuwe vrijhavens heeft opgericht als nationale knooppunten ter bevordering van wereldwijde handel en investeringen, die uitgebreide belastingvoordelen, deregulering en overheidssubsidies bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>wijst op de inzet van beide partijen voor de tweepijlerbenadering van het inclusief kader van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de G20; betreurt het uitvoeringsdecreet van de Amerikaanse president van 20 januari 2025, waarin wordt verklaard dat de mondiale belastingovereenkomst van de OESO geen rechtskracht en geen rechtsgevolgen heeft in de Verenigde Staten; verzoekt beide partijen om in internationale fora constructief samen te werken om de multilaterale samenwerking op belastinggebied te waarborgen, de wereldwijde uitvoering van de normen inzake minimumbelasting van de tweede pijler te bevorderen en te zorgen voor afstemming op in ontwikkeling zijnde initiatieven van de Verenigde Naties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>erkent de verbintenis in de handels- en samenwerkingsovereenkomst om de samenwerking op het gebied van belangrijke mondiale uitdagingen te bevorderen, met inachtneming van de respectieve bevoegdheden op het gebied van directe belastingheffing; is daarom ingenomen met de eerste dialoog tussen de EU en het VK over de bestrijding van schadelijke belastingregelingen, die op 10 oktober 2024 plaatsvond als forum voor besprekingen over de ontwikkeling en uitvoering van internationale normen ter bestrijding van schadelijke belastingregelingen; benadrukt hoe belangrijk het is het momentum bij de coördinatie tussen de EU en het VK op het gebied van internationale belastinghervormingen vast te houden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>steunt de voortgezette samenwerking tussen de EU en het VK bij de bestrijding van witwassen, terrorismefinanciering, schadelijke belastingpraktijken en fraude; benadrukt dat nauwlettend moet worden toegezien op de verschillen in regelgeving tussen het VK en de EU om regelgevingsarbitrage en financiële risico’s voor de EU te voorkomen en een gelijk speelveld te waarborgen; moedigt beide partijen aan om, met volledige inachtneming van de nationale belastingsoevereiniteit, proactief samen te werken in de relevante bilaterale en multilaterale fora om eerlijke en duurzame belastingstelsels te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>is verheugd dat het Protocol betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en betreffende de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen in verband met belastingen en rechten (btw-protocol) in 2024 volledig is uitgevoerd; stelt voor dat de EU en het VK de uitvoering en doeltreffendheid van het btw-protocol jaarlijks gezamenlijk evalueren, een forum bieden voor discussie over nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot btw-fraude en uitdagingen bij grensoverschrijdende btw-inning, en beoordelen of er aanvullende gezamenlijke maatregelen nodig zijn om deze kwesties aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>wijst erop dat marktdeelnemers in de EU sterk afhankelijk zijn van in het VK gevestigde clearinginstellingen, aangezien meer dan 90 % van de rentederivaten in euro’s door clearinginstellingen in de Londense City wordt verwerkt; is van mening dat deze massale concentratie een strategisch risico kan vormen voor de financiële stabiliteit van de EU; is van mening dat er een goed evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds het aanzienlijk verminderen van de te grote afhankelijkheid van in het VK gevestigde clearinginstellingen en anderzijds het verschaffen van duidelijkheid aan de financiëlemarktdeelnemers in de EU; neemt kennis van de actualiseringen van de verordening Europese marktinfrastructuur<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/648/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, zoals die in december 2024 zijn aangenomen, en die tot doel hebben deze te grote afhankelijkheid aan te pakken door de invoering van een vereiste van een actieve rekening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>uit echter zijn bezorgdheid over het feit dat de ontwikkeling van het vereiste van een actieve rekening dreigt te worden vertraagd door het besluit van de Commissie om de gelijkwaardigheid voor Britse centrale tegenpartijen met nog eens drie jaar te verlengen, d.w.z. tot en met 30 juni 2028;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>verzoekt de Commissie in de tussentijd een permanente en stabiele oplossing te bieden om de te grote afhankelijkheid van de centrale tegenpartijen van het VK te verminderen, overeenkomstig de strategische doelstelling van de EU om buitensporige blootstelling aan centrale tegenpartijen uit niet-EU-landen die van aanzienlijk systemisch belang zijn, te beperken; brengt in herinnering dat het Parlement er voortdurend op heeft gewezen dat clearingactiviteiten naar de EU moeten worden verplaatst en dat langdurige gelijkwaardigheid in een context van uiteenlopende regelgeving de financiële stabiliteit ondermijnt, de autonomie van de EU-markt verzwakt en tegenstrijdige signalen afgeeft aan marktdeelnemers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>merkt op dat Britse financiëledienstverleners als gevolg van de terugtrekking van het VK uit de EU niet langer profiteren van het land-van-oorsprongbeginsel of paspoortregelingen waarmee ze rechtstreekse toegang tot de interne markt van de EU krijgen, terwijl nauwe samenwerking tussen autoriteiten in de geïntegreerde wereldeconomie juist essentieel is, ook op het gebied van financiële diensten en betalingen; merkt ook op dat, hoewel de handels- en samenwerkingsovereenkomst wordt geschraagd door bepalingen die zorgen voor een gelijk speelveld, dit onvoldoende is, met name wat de subsidieregels betreft, en pleit voor strenge en transparante controles op staatssteun, met effectieve binnenlandse handhaving en een bindend mechanisme voor geschillenbeslechting, om concurrentieverstoringen te voorkomen en eerlijke handelsvoorwaarden te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>neemt kennis van de komende strategie van het VK voor de groei en het concurrentievermogen van de financiële dienstverlening, om investeringen in alle sectoren van de economie te ontsluiten; verzoekt de EU en het VK hun respectieve strategieën voor concurrentievermogen in de sector financiële dienstverlening nauw op elkaar af te stemmen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>is bezorgd over de plannen van de Britse toezichthouder voor betalingssystemen (Payment Systems Regulator) om specifiek voor banken, kaartuitgevers en andere aanbieders van betaaldiensten uit de EU een prijsplafond vast te stellen voor grensoverschrijdende afwikkelingsvergoedingen voor “card not present”-transacties van consumenten tussen het VK en de Europese Economische Ruimte (EER); benadrukt dat twee van de drie alternatieve prijsplafonds aanzienlijk lager zijn dan het equivalente prijsplafond dat is vastgesteld voor banken in het Verenigd Koninkrijk, wat aanleiding geeft tot bezorgdheid over de naleving van het non-discriminatiebeginsel in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; benadrukt daarom dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat het non-discriminatiebeginsel in alle regelgevende maatregelen wordt geëerbiedigd; verzoekt de Britse toezichthouder voor betalingssystemen ervoor te zorgen dat de werkzaamheden met betrekking tot de afwikkelingsvergoedingen worden voortgezet teneinde een terugval in de regelgeving te voorkomen en een eerlijk klimaat voor Europese leveranciers te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>beseft dat het belangrijk is om, naast het wettelijk bindend kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, meer samen te werken op het gebied van financiële diensten om gedeelde uitdagingen aan te gaan en manieren te vinden om nauwer en voortdurend samen te werken, met name door diplomatieke inzet op het hoogste niveau, zodat de voordelen van wereldwijd verbonden financiële stelsels kunnen worden benut, gezien de oprichting van de spaar- en investeringsunie en de Londense City als bloeiend centrum voor financiële diensten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>benadrukt dat, gezien de toegenomen trans-Atlantische spanningen, betere economische betrekkingen tussen de EU en het VK belangrijker zijn dan ooit tevoren; verzoekt de Commissie en de Britse regering nauw samen te werken in internationale fora voor financiële diensten om het Europese perspectief te versterken; erkent dat ervoor moet worden gezorgd dat kmo’s aan beide zijden voordelen genieten als gevolg van een versterkte financiële samenwerking tussen de EU en het VK; benadrukt dat normen die zijn overeengekomen in internationale fora zoals de Internationale organisatie van effectentoezichthouders, de Raad voor financiële stabiliteit, de Financiële-actiegroep of het Bazels Comité voor bankentoezicht de basis moeten blijven voor samenwerking tussen de EU en het VK en dat afwijkingen naar behoren moeten worden gemotiveerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>is bezorgd over het besluit van het VK om de tenuitvoerlegging van het kader van Bazel III voor banken tot en met 1 januari 2027 uit te stellen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de Bazel III-normen zoals vastgesteld door de medewetgevers worden uitgevoerd en verzoekt de Commissie toe te blijven zien op de uitvoering van de internationaal overeengekomen Bazel III-normen in andere rechtsgebieden van grote derde landen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>neemt kennis van de aanzienlijke groei van niet-bancaire financiële intermediairs in de EU en het VK, alsook van de belangrijkste kwetsbaarheden die het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) in deze sector heeft vastgesteld, met name wat betreft hefboom- en liquiditeitsmismatches; deelt de in dat verband door het ESRB en het Comité financieel beleid van het VK geuite bezorgdheid over de veerkracht van niet-bancaire financiële intermediairs, vooral als de markt onder druk staat, en dringt aan op een betere monitoring en regulering van deze entiteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>wijst er in dat verband nogmaals op dat de aanbevelingen van de Raad voor financiële stabiliteit tijdig moeten worden uitgevoerd om zo de veerkracht van geldmarktfondsen (MMF’s) te vergroten, met name door factoren weg te nemen die kunnen aanzetten tot bankruns; verzoekt de Commissie daarom snel met een herzien MMF-voorstel te komen, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Raad voor financiële stabiliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>neemt kennis van de door de Britse autoriteiten aangekondigde plannen voor minder strikte regelgeving voor sommige alternatieve beleggingsfondsen; wijst erop dat vereenvoudiging geen voorwendsel mag zijn voor het uitvoeren van een dereguleringsagenda; is voorstander van vereenvoudigingsmaatregelen, mits de beleidsdoelstellingen ongewijzigd blijven; dringt er daarom bij de Britse autoriteiten op aan nauw samen te werken met de EU om ervoor te zorgen dat deze geplande hervorming niet leidt tot een uitholling van Richtlijn 2011/61/EU inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2011/61/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, met name wat de delegatieregels betreft;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Intellectuele eigendom, overheidsopdrachten en kmo’s</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>benadrukt dat uitbreiding van het aantal sectoren dat onder het hoofdstuk over overheidsopdrachten van de handels- en samenwerkingsovereenkomst valt, een belangrijke stap zou zijn in de richting van een gelijker speelveld; verwelkomt de wet op aanbestedingen van het VK van 2023, en in het bijzonder de voordelen die deze behelst in de vorm van grotere standaardisering en stroomlijning van de aanbestedingsprocedures, en benadrukt dat het belangrijk is voor billijke toegang tot openbare aanbestedingen te zorgen; verzoekt de regering van het VK en de Commissie om de markttoegang voor kmo’s te verbeteren door de bureaucratie te verminderen en daarmee economische kansen te creëren en te voorzien in stimulansen om die kansen te grijpen; benadrukt dit verband dat het belangrijk is de obstakels voor grensoverschrijdende handel voor kmo’s te verminderen en eerlijke concurrentie en economische kansen in grensoverschrijdende samenwerking te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>roept de Commissie ertoe op om het hoofdstuk over kmo’s van de handels- en samenwerkingsovereenkomst volledig uit te voeren door de in de overeenkomst voorziene contactpunten voor kmo’s snel op te richten en daarbij te zorgen voor actieve deelname van organisaties die kmo’s vertegenwoordigen; is van mening dat het comité voor kmo’s tot taak moet krijgen handelsbelemmeringen, met inbegrip van investeringsbelemmeringen, die specifiek van invloed zijn op kmo’s in kaart te brengen en gerichte oplossingen voor te stellen om de nalevingskosten en de regelgevingslasten te verminderen, onder meer door de uitwisseling van beste praktijken inzake steunregelingen voor kmo’s en digitale bedrijfsregistratie; benadrukt de noodzaak van meer flexibiliteit met betrekking tot mobiliteit van ondernemingen door de lijst van activiteiten die in het kader van kortlopende visumvrije regelingen zijn toegestaan, uit te breiden en de kosten en complexiteit van visumprocedures voor kmo’s te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>verzoekt voorts om, waar passend en evenredig, duurzaamheidscriteria in aanmerking te nemen bij openbare aanbestedingsprocedures voor specifieke sectoren; benadrukt dat er maatregelen moeten worden genomen om de deelname van kmo’s te bevorderen, onder meer door de procedures te vereenvoudigen, de bureaucratie te verminderen en te zorgen voor de transparante publicatie van aankondigingen en criteria; is van oordeel dat de EU en het VK voor wederkerige en niet-discriminerende toegang tot hun respectieve markten voor openbare aanbestedingen moeten zorgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Milieu</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>wijst op het toenemende risico van uiteenlopende regelgeving in de EU en het VK op het gebied van milieubeleid, wat tot economische ontwrichting kan leiden en milieudoelstellingen kan ondermijnen; onderkent de gedeelde geopolitieke uitdagingen en milieuambities van de EU en het VK; pleit voor verdere strategische samenwerking en afstemming op het gebied van milieu, natuurbehoud en biodiversiteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>wijst erop dat het eiland Ierland één ecologische eenheid vormt; herinnert eraan dat het milieubeleid van het VK gevolgen heeft voor het milieu op het gehele eiland Ierland en bijgevolg ook voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU op het gebied van milieubescherming; benadrukt dat er meer samenwerking op milieugebied nodig is via de instellingen die in het kader van het Goede Vrijdagakkoord zijn opgericht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>herhaalt eerdere oproepen tot nauwere bilaterale samenwerking op het gebied van regelgeving inzake chemische stoffen<FOOTNOTE><FIELD>Regering van het VK en Europese Commissie (2023), “Minutes: Third Meeting of the Trade Partnership Committee under the UK-EU Trade and Cooperation Agreement” (Notulen: derde vergadering van het Comité voor het handelspartnerschap in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK), 7 december 2023, zowel ter plaatse in Londen als virtueel (VK als gastland); gezamenlijke verklaring van de interne adviesgroepen van de EU en het VK in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK van 19 september 2024.</FIELD></FOOTNOTE>; beveelt aan om de Britse regering en de desbetreffende gedecentraliseerde overheden te verzoeken om inbreng met betrekking tot de komende herziening van de Reach-verordening<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/1907/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, teneinde samenwerking te bevorderen en de regelgevingen beter op elkaar af te stemmen, zodat een veilige en juridisch voorspelbare grensoverschrijdende handel in chemische stoffen wordt vergemakkelijkt en tegelijkertijd een hoog niveau van milieubescherming wordt gehandhaafd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>is verheugd over de erkenning door het VK van de CE-markering, met betrekking tot vereisten inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten en beperkingen inzake gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur; is ingenomen met het feit dat dit de voortzetting van de handel tussen het VK en de EU vergemakkelijkt en tegelijkertijd de regeldruk voor fabrikanten vermindert;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>pleit voor een grotere rol voor economische belanghebbenden en belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld bij de uitvoering van, het toezicht op en de adviesverstrekking over verbintenissen op het gebied van handel en duurzame ontwikkeling in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK, in overeenstemming met de gezamenlijke verklaring van de interne adviesgroepen van de EU en het VK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>herinnert eraan dat de EU en het VK zich er in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst toe hebben verbonden een hoog niveau van milieubescherming te handhaven op het gebied van afvalpreventie, afvalbeheer en de circulaire economie; benadrukt de noodzaak om de planning en coördinatie te verbeteren, zodat zij hun afvalbeheerinfrastructuur kunnen aanpassen en kunnen zorgen voor voldoende capaciteit voor recycling, reparatie, herproductie en afvalverwerking overeenkomstig de afvalhiërarchie, en om oplossingen te stimuleren die erop gericht zijn restafvalstromen te verminderen en aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>wijst op het belang van goede coördinatie tussen de EU en het VK met betrekking tot de mogelijke opname van de afvalsector in het emissiehandelssysteem van de EU (EU-ETS), zodat de regelgeving op elkaar wordt afgestemd, koolstoflekkage wordt voorkomen en eerlijke concurrentie over de grenzen heen wordt gehandhaafd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>wijst erop dat industriële offshore-activiteiten en grootschalige duurzame-energieprojecten, zoals offshore-windmolenparken, in strijd kunnen zijn met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden en beschermde mariene gebieden, en eveneens negatieve gevolgen kunnen hebben voor zeebodems en visgronden; onderstreept dat er een zorgvuldig evenwicht moet zijn tussen milieudoelstellingen, duurzame visserij en de opwekking van hernieuwbare energie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>merkt op dat in het VK biodiversiteits- en klimaatgerelateerde regelingen geleidelijk worden ingevoerd ter vervanging van rechtstreekse steun voor landbouwers; roept op tot een uitwisseling tussen de EU en het VK over duurzame landbouwpraktijken die biodiversiteit en klimaatmitigatie bevorderen, alsook voedselzekerheid en een stabiele toeleveringsketen waarborgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Klimaat</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>merkt op dat de EU en het VK gemeenschappelijke ambities hebben op het gebied van klimaatmitigatie; dringt aan op een betere afstemming van het klimaatbeleid om te zorgen voor consistentie en om te voorkomen dat er tegenstrijdige of overlappende maatregelen worden genomen die de doeltreffendheid van de klimaatactie dreigen te ondermijnen; moedigt de uitwisseling van beste praktijken aan op het gebied van klimaatadaptatie en -paraatheid, met name met betrekking tot de gevolgen van stijgende temperaturen voor de gezondheid van kwetsbare groepen, zoals gemeenschappen met een laag inkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>neemt kennis van de gedeelde doelstelling, zoals uiteengezet in het gemeenschappelijk akkoord van 19 mei 2025, om een formele koolstofmarktovereenkomst tussen de EU en het VK tot stand te brengen, waarmee het VK-ETS aan het EU-ETS wordt gekoppeld; dringt er bij beide partijen op aan deze overeenkomst snel te sluiten om dubbele koolstofkosten voor bedrijven te voorkomen; sluit zich aan bij het gezamenlijk standpunt van de Commissie en het VK dat een dergelijke overeenkomst duidelijk en consistent moet worden afgestemd op de regels en beginselen van het Windsor-kader;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>merkt op dat, als het ETS van het VK en dat van de EU niet tijdig aan elkaar worden gekoppeld, de uitvoer van het VK naar de EU vanaf januari 2026 onderworpen zal worden aan het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie; herinnert eraan dat de EU en het VK zich ertoe hebben verbonden om voorwaarden te scheppen waardoor goederen die afkomstig zijn uit hun respectieve rechtsgebieden in aanmerking kunnen komen voor wederzijdse vrijstellingen binnen hun afzonderlijke CBAM-regelingen; benadrukt dat deze vrijstellingen vanuit juridisch oogpunt zo spoedig mogelijk moeten worden toegepast om handelsverstoringen te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>benadrukt dat het bilaterale partnerschap tussen de EU en het VK moet worden versterkt om de samenwerking op het gebied van ontwikkeling van hernieuwbare energie, energiezekerheid en veerkracht van de toeleveringsketen te verbeteren; roept op tot een intensievere dialoog tussen de EU en het VK en tot gezamenlijk onderzoek naar koolstofneutrale energie, teneinde gedeelde uitdagingen aan te pakken en innovatie op het gebied van decarbonisatie te stimuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>neemt nota van het voornemen van de EU en het VK om door te gaan met de technische regelgevende uitwisselingen over nieuwe energietechnologieën, met inbegrip van koolstofafvang, -gebruik en -opslag, waterstof en biomethaan, zoals uiteengezet in het gemeenschappelijk akkoord van 19 mei 2025; moedigt samenwerking tussen de EU en het VK aan om de toegang van kmo’s tot groene technologieën en klimaatbestendige infrastructuur te verbeteren, zodat kleine bedrijven op doeltreffende wijze kunnen bijdragen tot en voordeel kunnen halen uit de transitie naar groene technologie;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Voedselveiligheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>is ingenomen met het voornemen om te werken aan een alomvattende SPS-overeenkomst tussen de EU en het VK en beandrukt dat een dergelijke overeenkomst een hoog niveau van voedselveiligheid, dierenwelzijn en consumenten- en milieubescherming moet waarborgen; benadrukt de noodzaak om de maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen te coördineren, teneinde de menselijke gezondheid te beschermen en de handel in agrovoedingsmiddelen te vergemakkelijken; wijst erop dat een veterinaire overeenkomst moet worden gesloten om de diergezondheid te waarborgen, uitbraken van zoönotische ziekten te voorkomen en resistentie tegen antimicrobiële stoffen te bestrijden, met name in het licht van recente uitbraken en de daaruit voortvloeiende handelsbeperkingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>neemt nota van de uiteenlopende drempelwaarden voor en beperkingen op per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) tussen de EU en het VK; dringt aan op nauwere samenwerking tussen de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) en de bevoegde Britse autoriteiten met betrekking tot het toezicht op en de risicobeoordeling van PFAS; pleit voor een intensievere wetenschappelijke dialoog tussen de EU en het VK over de grenswaarden van deze stoffen in levensmiddelen en diervoeders, teneinde de volksgezondheid te beschermen en tegelijkertijd de hoge normen voor voedselveiligheid te handhaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>neemt kennis van de “Genetic Technology (Precision Breeding) Act” (wet inzake genetische technologie (precisiekweken)), die op 23 maart 2023 in Engeland in werking is getreden en die een herziening inhoudt van de regels voor de introductie, het in de handel brengen en de risicobeoordeling van planten en dieren die het resultaat zijn van genbewerking en precisiekweken; uit zijn bezorgdheid over de onzekerheid als gevolg van regelgevingsverschillen met betrekking tot de wettelijke status en het verkeer van dergelijke producten tussen Noord-Ierland en de EU; benadrukt de noodzaak om te voorkomen dat onjuist geëtiketteerde producten in de EU-voedselketen terechtkomen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Volksgezondheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Uiteenlopende regelgeving</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>104.</NO.P>herinnert eraan dat de terugtrekking van het VK uit de EU een fundamentele verandering heeft veroorzaakt in het gedeelde regelgevingslandschap, dat voordien de samenwerking op het gebied van volksgezondheid, geneesmiddelen en medisch onderzoek ondersteunde; spreekt voorts zijn bezorgdheid uit over de onzekerheid die is ontstaan door de wet van het VK inzake gehandhaafde EU-wetgeving (“Retained EU Law (Revocation and Reform) Act”), waarmee de voorrang van het EU-recht is afgeschaft en die kan leiden tot uiteenlopende interpretaties van gezondheidsvoorschriften;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>105.</NO.P>herinnert eraan dat het Regelgevingsagentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten (Medicines and Healthcare Products Regulatory Agency, MHRA) van het VK nu op onafhankelijke wijze geneesmiddelen in het VK goedkeurt, wat kan leiden tot verschillen in de termijnen voor vergunningen, de goedkeuringscriteria en het toezicht na het in de handel brengen; benadrukt dat toezicht moet worden gehouden op de gevolgen van dergelijke verschillen voor de toegang en de veiligheid van patiënten over de grenzen heen, en dringt aan op een gestructureerde EU-monitoring om dergelijke verschillen te beoordelen en aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>106.</NO.P>is verheugd over de overeenkomst inzake de wederzijdse uitwisseling van informatie tussen het Drugsagentschap van de Europese Unie en de Britse autoriteiten met betrekking tot drugsgerelateerde risico’s en bedreigingen; dringt er in dit verband op aan dat de mogelijke operationele overeenkomst tussen het EU-agentschap en de bevoegde Britse autoriteiten zo spoedig mogelijk wordt gesloten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>107.</NO.P>betreurt de verschillende benaderingen van het VK en de EU met betrekking tot de regulering van AI in de gezondheidszorg, aangezien uiteenlopende benaderingen de grensoverschrijdende interoperabiliteit en samenwerking op het gebied van digitale medische diensten kunnen ondermijnen; dringt aan op een gestructureerde dialoog om convergentie van normen en nalevingsmechanismen voor digitale medische hulpmiddelen en AI-gestuurde diagnostiek te onderzoeken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Samenwerking op het gebied van gezondheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>108.</NO.P>benadrukt dat de samenwerking moet worden verbeterd om alle aspecten van de volksgezondheid te beschermen en ervoor te zorgen dat patiënten toegang kunnen krijgen tot zorg wanneer dit klinisch gerechtvaardigd is; beveelt aan dat bij deze samenwerking prioriteit wordt gegeven aan behandelingen voor zeldzame en kinderziekten en aan complexe behandelingen, wanneer bij een van beide partijen deskundigheid voorhanden is; erkent in dit verband het succes en het verdere potentieel van de Europese referentienetwerken en dringt aan op de totstandbrenging van een kader voor samenwerking met de respectieve referentienetwerken in het VK; dringt aan op intensivering van de samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van regelgeving en onderzoek met betrekking tot volksgezondheid; steunt het feit dat er reeds in deze zin wordt samengewerkt door de deelname van het VK aan de gezondheidscluster in het kader van het programma Horizon Europa en de mogelijke toekomstige betrokkenheid van het VK bij initiatieven in verband met HERA;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>109.</NO.P>merkt op dat verschillen in regelgeving en hogere invoerkosten als gevolg van de Brexit de toegang van Britse patiënten tot levensreddende kankerbehandelingen aanzienlijk hebben belemmerd; benadrukt dat de invoerkosten van nieuwe geneesmiddelen tegen kanker sinds de Brexit bijna verviervoudigd zijn; benadrukt dat deze belemmeringen hebben geleid tot vertragingen en weigeringen van kritieke behandelingen, wat negatieve gevolgen heeft voor de resultaten voor patiënten, met inbegrip van kinderen met terugkerende vormen van kanker; beveelt het VK aan de uitdagingen op dit gebied aan te pakken, teneinde gelijke toegang tot essentiële geneesmiddelen te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>110.</NO.P>onderstreept het feit dat het belangrijk is mobiliteit, opleiding en wederzijdse erkenning van de kwalificaties en van verblijven van gezondheidswerkers tussen de EU en het VK te bevorderen, om tekorten aan arbeidskrachten aan te pakken en de uitwisseling van beste praktijken en deskundigheid te stimuleren; benadrukt dat zich een strategische kans voordoet om de EU en het VK beter te laten samenwerken om talent van wereldklasse aan te trekken en te behouden en wetenschappelijke excellentie te bevorderen; is ingenomen met de initiatieven van de EU om van Europa een mondiale onderzoekshub te maken, met inbegrip van steun voor onderzoekers die verhuizen en voor het verbeteren van de loopbaanperspectieven; moedigt de ontwikkeling van gezamenlijke programma’s en mobiliteitsregelingen van de EU en het VK aan om zowel gezondheidswerkers als onderzoekers te ondersteunen en ervoor te zorgen dat Europa een voortrekkersrol blijft spelen op het gebied van medische innovatie en wetenschappelijke vrijheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>111.</NO.P>merkt op dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK weliswaar een protocol betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid omvat, waarin mechanismen voor wederzijdse gezondheidszorg, zoals de Europese ziekteverzekeringskaart, zijn opgenomen, maar dat er bij het einde van de deelname van het VK aan de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2011/24/oj).</FIELD></FOOTNOTE> niet is voorzien in een vergelijkbare regeling; merkt op dat dit een ongelijke impact heeft gehad, met name in Noord-Ierland, waar voorheen meer dan 1 000 patiënten per jaar in de EU verstrekte zorg uit hoofde van de richtlijn kregen vergoed;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>112.</NO.P>beveelt aan een speciale EU-VK-werkgroep voor geneesmiddelen en medische hulpmiddelen op te richten om de lopende dialoog te vergemakkelijken, verschillen in regelgeving aan te pakken en afstemming te bevorderen op gebieden als klinische proeven, geneesmiddelenbewaking, certificering van medische hulpmiddelen en illegale handel in gezondheidsgerelateerde producten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>113.</NO.P>merkt op dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst slechts beperkte bepalingen omvat over samenwerking op het gebied van gezondheidsbeveiliging, en betreurt dat het VK niet langer deelneemt aan het Gezondheidsbeveiligingscomité van de EU of het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC); waarschuwt dat dit de mogelijkheden voor vroegtijdige waarschuwing en gecoördineerde reacties op grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen zoals pandemieën en resistentie tegen antimicrobiële stoffen beperkt; beveelt aan een formele en regelmatige dialoog in te stellen tussen de volksgezondheidsautoriteiten en volksgezondheidsinstellingen van de EU en het VK, om het vertrouwen en de capaciteit op het gebied van paraatheid bij noodsituaties, respons op pandemieën en grensoverschrijdende epidemiologische surveillance te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>114.</NO.P>is ingenomen met de recente goedkeuring van een gemeenschappelijk akkoord over een vernieuwde agenda voor samenwerking tussen de EU en het VK, waarmee de Commissie en het VK de mogelijkheden zullen onderzoeken voor uitwisseling en samenwerking op het gebied van gezondheidsbeveiliging, met inbegrip van de opsporing van, paraatheid voor en respons op opkomende gezondheidsbedreigingen, teneinde toekomstige pandemieën en gezondheidscrises te voorkomen en te beperken, onder meer in het kader van de bepalingen van de handels- en samenwerkingsovereenkomst inzake gezondheidsbeveiliging, die erin voorzien dat de samenwerking op het gebied van gezondheidsbeveiliging wordt gemaximaliseerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>115.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan om in overeenstemming met de bepalingen van de handels- en samenwerkingsovereenkomst de samenwerking op te schorten in gevallen waarin regelgevingsnormen van het VK inzake de kwaliteit van geneesmiddelen, geneesmiddelenbewaking of vervaardiging niet langer gelijkwaardig worden geacht aan de EU-normen, zoals bepaald in Richtlijn 2001/83/EG;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>116.</NO.P>wijst op de onopgeloste situatie met betrekking tot de huurovereenkomst voor de voormalige gebouwen van het Europees Geneesmiddelenbureau in Londen na de verhuizing ervan naar Amsterdam, en vraagt dat deze kwestie met het VK wordt besproken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Toeleveringsketens</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>117.</NO.P>onderstreept de toegenomen complexiteit van de grensoverschrijdende toeleveringsketens voor geneesmiddelen sinds de Brexit, met name voor producten die voorheen vrij tussen de EU en het VK werden vervoerd; betreurt dat douanecontroles en regelgevingsprocessen hebben geleid tot vertragingen, tekorten en hogere kosten, met gevolgen voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen in het VK, met name in Noord-Ierland, en in kleinere EU-lidstaten die om historische redenen afhankelijk zijn van in het VK gevestigde toeleveringsketens, zoals Malta, Cyprus en Ierland;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>118.</NO.P>benadrukt dat de mogelijke verlenging van afwijkingen van bepaalde verplichtingen betreffende bepaalde geneesmiddelen voor menselijk gebruik die in het VK met betrekking tot Noord-Ierland en in Cyprus, Ierland en Malta beschikbaar worden gesteld, die zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn (EU) 2022/642<FOOTNOTE><FIELD>PB L 118 van 20.4.2022, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/642/oj.</FIELD></FOOTNOTE> tot wijziging van Richtlijn 2001/20/EG en Richtlijn 2001/83/EG, gebaseerd moet zijn op bewijs van de voortdurende noodzaak en het risico van schade voor patiënten in de getroffen lidstaten, en dat niet tot een verlenging mag worden besloten louter voor het administratief gemak;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>119.</NO.P>dringt er bij de EU en het VK op aan samenwerkingsmechanismen te onderzoeken, zoals een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van goede fabricagemethoden op basis van gelijkwaardige normen, om blijvende toegang tot met name kritieke geneesmiddelen te waarborgen, tekorten tegen te gaan en belemmeringen in verband met het testen van partijen, gegevensuitwisseling op het gebied van geneesmiddelenbewaking en leveringslogistiek weg te nemen, teneinde verstoringen van de patiëntenzorg tot een minimum te beperken en de veiligheid van patiënten te waarborgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Internationale samenwerking en ontwikkeling</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>120.</NO.P>benadrukt dat beide partijen gezamenlijk hun betrokkenheid en samenwerking moeten versterken op het gebied van mondiale gezondheidsgovernance en internationale ontwikkelingsprogramma’s, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO); onderstreept dat het belangrijk is in dit verband gecoördineerde actie te ondernemen om een krachtigere, billijkere en doeltreffendere internationale respons op grensoverschrijdende noodsituaties op gezondheidsgebied mogelijk te maken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Consumentenbescherming</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>121.</NO.P>beklemtoont dat consumenten in de EU en het VK met meerdere risico’s worden geconfronteerd die voortvloeien uit onveilige en illegale producten en manipulatieve verkooptechnieken online; benadrukt in dit verband de uitdagingen waar consumenten bij elektronische handel mee te maken kunnen krijgen; is van oordeel dat nauwere samenwerking en de uitwisseling van belangrijke informatie tussen de consumentenrechteninstanties van de EU en het VK van essentieel belang zijn voor het aanpakken van deze uitdagingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>122.</NO.P>benadrukt dat bij de samenwerking tussen de EU en het VK een hoog niveau van consumentenbescherming moet worden gehandhaafd, met bijzondere aandacht voor productveiligheid, e-commerce en grensoverschrijdende digitale diensten; dringt aan op nauwere samenwerking om onveilige producten en oneerlijke handelspraktijken aan te pakken; wijst erop dat convergentie van regelgeving op het gebied van productveiligheid en digitale consumentenrechten noodzakelijk is om een consistent en hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen en zo het vertrouwen van consumenten in grensoverschrijdende handel te ondersteunen; verlangt dat de EU en het VK zich in het kader van hun samenwerking committeren aan dialoog en de uitwisseling van informatie op gebieden van gemeenschappelijk belang, waaronder productveiligheid, digitale consumentenrechten, en oneerlijke handelspraktijken; onderstreept dat de EU en het VK moeten samenwerken om verschillen in regelgeving die een negatieve uitwerking op het consumentenvertrouwen of de grensoverschrijdende handel zouden kunnen hebben, te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>123.</NO.P>betreurt dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst geen regeling bevat voor samenwerking op het gebied van de handhaving van consumentenbeschermingswetgeving, en verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om een regeling tot stand te brengen tussen het samenwerkingsnetwerk van de EU voor consumentenbescherming en de mededingings- en marktautoriteit van het VK; benadrukt dat een dergelijke regeling de autoriteiten in staat zou stellen efficiënter op te treden door informatie over onderzoeken uit te wisselen en mogelijkheden voor gezamenlijke acties te onderzoeken; benadrukt dat dergelijke samenwerking in het kader van de verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2394/oj).</FIELD></FOOTNOTE> moet worden overwogen, aangezien dit de mogelijkheid biedt om met niet-EU-landen samen te werken bij het beschermen van de belangen van consumenten; is ingenomen met het feit dat is afgesproken om de besprekingen over de regelmatige uitwisseling van informatie tussen het Safety Gate-systeem van de EU en de gegevensbank voor markttoezicht en productveiligheid van het VK te hervatten, overeenkomstig artikel 96, lid 4, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>124.</NO.P>roept de EU ertoe op de toetreding van het VK tot het Verdrag van Lugano te vergemakkelijken om wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen tussen het VK en de lidstaten mogelijk te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>125.</NO.P>verwelkomt de administratieve regeling die op 30 april 2024 door de Commissie en Ofcom, de Britse toezichthouder voor omroep, telecommunicatie en postdiensten, is ondertekend om toezicht te houden op de wijze waarop grote onlineplatforms risico’s beoordelen en beheren, onder meer wat de bescherming van minderjarigen, op leeftijd afgestemd ontwerp en de transparantie van platforms betreft; spreekt de hoop uit dat dit het begin vormt van nauwere samenwerking bij het aanpakken van deze en andere gemeenschappelijke uitdagingen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Energie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>126.</NO.P>benadrukt, tegen de achtergrond van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en in de context van de volatiele mondiale energiemarkten, het belang van nauwere samenwerking op het gebied van energie en voorzieningszekerheid tussen de EU en het VK; moedigt de EU en het VK aan samen te werken om een einde te maken aan de afhankelijkheid van Russische energie door de invoer van alle Russische fossiele brandstoffen zo spoedig mogelijk stop te zetten, met inbegrip van olie, gas, vloeibaar aardgas (lng), nucleaire brandstoffen en ander nucleair materiaal; merkt op dat zowel de EU als het VK vooruitgang blijven boeken in de richting van hun gedeelde doelstelling om alle energiebanden met Rusland te verbreken; is ingenomen met de oprichting door de EU en het VK van de nieuwe werkgroep bevoorradingszekerheid in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, zoals op 17 maart 2024 werd aanbevolen door de Partnerschapsraad en later werd uitgevoerd door het Gespecialiseerd Comité voor energie; hoopt dat de nieuwe werkgroep bevoorradingszekerheid van de EU en het VK regelmatig bijeen kan komen en concrete oplossingen en gezamenlijke acties kan ontwikkelen op dit cruciale gebied van de bilaterale samenwerking;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>127.</NO.P>benadrukt het belang van integratie tussen de energiemarkten van de EU en het VK, hetgeen de voorzieningszekerheid kan verbeteren, de productie van schone energie kan stimuleren en de energiekosten voor beide partijen kan verlagen; is van mening dat een hoog niveau van fysieke interconnectiecapaciteit moet worden aangevuld met meer geïntegreerde groothandelsmarkten voor energie die de energiezekerheid en de handel in energie tussen de EU en het VK kunnen vergemakkelijken; constateert dat er, ondanks de nauwere samenwerking tussen regelgevende instanties en transmissiesysteembeheerders, weinig vooruitgang is geboekt bij de ontwikkeling van de in artikel 312 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst bedoelde nieuwe regelingen voor de handel in elektriciteit; herinnert eraan dat het VK niet langer gebruik kan maken van de internemarktinstrumenten van de EU voor marktkoppeling voor de handel in elektriciteit, zoals de eenvormige day-aheadkoppeling van de EU, wat resulteert in inefficiënte handel via interconnectoren met hogere groothandelskosten tot gevolg, hetgeen uiteindelijk wordt doorberekend in hogere rekeningen voor de consument, terwijl investeringen in multifunctionele interconnectoren worden belemmerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>128.</NO.P>stelt verheugd vast dat de EU en het VK recent toezeggingen hebben gedaan en een politiek akkoord hebben bereikt om de samenwerking tussen de EU en het VK op energiegebied op continue basis uit te breiden en te onderzoeken welke parameters nodig zijn voor een potentiële deelname van het VK aan de interne elektriciteitsmarkt, met inbegrip van dynamische afstemming en bijdragen aan de kosten in verband met dit beleidsgebied, zoals uiteengezet in het gemeenschappelijk akkoord tussen de EU en het VK; dringt aan op onmiddellijke onderhandelingen over marktafstemming en op de tijdige afronding daarvan, en benadrukt dat het noodzakelijk is snelle en beslissende vooruitgang te boeken; benadrukt dat een dergelijke deelname de energieprijzen zou verlagen en gunstig zou zijn voor zowel consumenten als bedrijven; benadrukt dat een dergelijke overeenkomst moet worden gesloten vóór de einddatum van de huidige regeling; benadrukt dat de gebieden van duidelijk wederzijds belang, met name in het licht van de veranderende geopolitieke context en de mondiale handelsonzekerheid, gebieden omvatten als samenwerking op het vlak van schone energie in de Noordzee, de koppeling van de respectieve systemen voor de handel in emissierechten van de EU en het VK om wrijving die voortvloeit uit hun respectieve mechanismen voor koolstofgrenscorrectie te voorkomen, het verbeteren van regelingen voor de handel in elektriciteit en nauwere coördinatie van de infrastructuurplanning, waardoor de energiezekerheid en het industriële concurrentievermogen in heel Europa worden vergroot; verzoekt beide partijen nauw samen te werken om ervoor te zorgen dat tijdig een werkbaar kader kan worden vastgesteld, zodat de rechtsonzekerheid wordt beperkt; roept op tot concrete gezamenlijke inspanningen van de EU en het VK om nauwere samenwerking tot stand te brengen op het gebied van kernenergie, een koolstofarme en betaalbare bron van elektriciteit, hetgeen van vitaal belang is voor het bereiken van klimaatneutraliteit en voor het behoud van het concurrentievermogen van de Europese industrieën; herinnert eraan dat gestructureerde samenwerking tussen de EU en het VK op gebieden als elektriciteitsinterconnectoren en offshore-infrastructuur voor hernieuwbare energie raakvlakken kan hebben met financieringsprogramma’s van de EU, met inbegrip van regionale en energie-initiatieven; benadrukt dat een eventuele deelname van het VK aan die kaders gepaard moet gaan met passende governance, naleving van de EU-regels en passende financiële bijdragen die de investeringen van de EU weerspiegelen; verzoekt de Commissie het Parlement volledige informatie te verstrekken over eventuele financiële bijdragen die het VK op deze gebieden moet leveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>129.</NO.P>is ingenomen met het gezamenlijke standpunt dat de Commissie en het VK hebben ingenomen tijdens de recente top tussen de EU en het VK door te stellen dat het koppelen van koolstofmarkten zou bijdragen tot het aanpakken van bezorgdheden in verband met handel en een gelijk speelveld, in overeenstemming met artikel 392, lid 6, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, en dat in het VK gevestigde bedrijven hierdoor zouden worden vrijgesteld van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie, dat de wrijvingen op handelsgebied zouden afnemen en dat hiermee een betere afstemming zou worden bevorderd wat koolstofbeprijzing betreft, zodat de gedeelde decarbonisatiedoelstellingen worden versterkt en een bijdrage wordt geleverd aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van klimaatneutraliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>130.</NO.P>erkent dat de toepassing van verschillende mechanismen voor koolstofgrenscorrectie in de EU en in het VK zou kunnen leiden tot meer ongewenste kosten voor toekomstige grensoverschrijdende handel in hernieuwbare elektriciteit, met negatieve gevolgen voor industrieën en huishoudens en met name risico’s voor de integriteit van de interne elektriciteitsmarkt op het eiland Ierland; is van mening dat de meest efficiënte en eenvoudige oplossing zou zijn dat het VK rechtstreeks wordt gekoppeld aan het EU-emissiehandelssysteem (ETS), zoals voorgesteld in het gemeenschappelijk akkoord; stelt zich op het standpunt dat een volledige ETS-koppeling ongewenste kosten moet voorkomen en onnodige beleidsbelemmeringen voor samenwerking moet wegnemen, met name in de Noordzee; dringt niettemin aan op tijdelijke maatregelen, indien nodig, om ervoor te zorgen dat de mechanismen voor koolstofgrenscorrectie in de EU en het VK geen extra lasten creëren voor de grensoverschrijdende elektriciteitshandel vanaf 2026, wanneer de onderhandelingen over deelname aan de elektriciteitsmarkt en de koppeling aan het ETS mogelijk nog zullen lopen; wijst erop dat deelname van het VK aan mechanismen of systemen die verband houden met het EU-ETS gepaard moet gaan met een billijke en evenredige financiële bijdrage ter dekking van de administratieve en programmagerelateerde kosten van de EU; benadrukt dat toekomstige regelingen volledige bescherming van de financiële belangen en klimaatbelangen van de EU moeten waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>131.</NO.P>wijst erop dat het belangrijk is gemeenschappelijke regels voor offshore hernieuwbare energie en pijpleidinginfrastructuur in het Noordzeegebied vast te stellen om commerciële overeenkomsten tussen de EU en het VK te vergemakkelijken; dringt aan op voortzetting van de samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van internationale energie-inspanningen in de context van VN-klimaatconferenties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>132.</NO.P>neemt kennis van de herbevestigde gezamenlijke internationale toezegging om de Agenda 2030 van de Verenigde Naties, de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de Overeenkomst van Parijs uit te voeren; herhaalt dat de EU en het VK moeten blijven samenwerken op internationale klimaatconferenties, waaronder de komende COP30, om voort te bouwen op de geboekte vooruitgang en het voortouw te nemen bij verdere mondiale actie voor de bevordering van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en de vermindering van methaanemissies uit de energiesector;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>133.</NO.P>is verheugd dat beide partijen vergelijkbare ambities hebben op het gebied van energie-efficiëntie en de bevordering van hernieuwbare energiebronnen tegen 2030, en een gedeelde einddoelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2050; feliciteert het VK met de voltooiing van de geleidelijke afschaffing van de elektriciteitsproductie uit steenkool op 1 oktober 2024, waarmee het VK het eerste G7-land en het eerste geavanceerde, geïndustrialiseerde land is dat dit doel heeft bereikt; vestigt de aandacht op het belang van de non-regressieclausule inzake milieubescherming in de handels- en samenwerkingsovereenkomst, waarvan geen van beide partijen kan afwijken zonder de overeenkomst als geheel in gevaar te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>134.</NO.P>staat positief tegenover de bereidheid van beide partijen om te overwegen de regelgevende en technologische samenwerking op te voeren op het gebied van schone technologieën zoals koolstofafvang, gebruik en opslag, en hernieuwbare energiebronnen zoals offshorewindenergie, waterstof, biomethaan en duurzame biobrandstoffen; merkt evenwel op dat het besluit van het VK om de eengemaakte markt van de EU te verlaten onvermijdelijke uitdagingen voor de vorm van bilaterale samenwerking op energiegebied met zich meebrengt en de ruimte voor een dergelijke samenwerking beperkt; vraagt de partijen nieuwe manieren te vinden om de kwaliteit en diepgang van hun bilaterale samenwerking op het gebied van schone- en hernieuwbare-energietechnologieën te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>135.</NO.P>benadrukt het belang van gecoördineerde planning en convergentie in vergunningsprocedures tussen de EU en het VK om de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen te waarborgen, met name offshorewindenergie, elektriciteitsinfrastructuur en CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-opslag, evenals hybride energieprojecten in de Noordzee; is van mening dat beide partijen nauw moeten samenwerken om de Noordzee om te vormen tot een groene-energiehub die ook kan bijdragen tot de waarborging van de voorzieningszekerheid, onder meer door een hoog niveau van offshorewindenergieproductie tot stand te brengen, in overeenstemming met het niet-bindende EU-doel om tegen 2050 ongeveer 360 GW aan geïnstalleerde offshore-opwekkingscapaciteit te bereiken; verzoekt de Commissie en de lidstaten de regionale samenwerking op het gebied van de planning van offshorenetwerken en de ontwikkeling van kritieke energie-infrastructuur met het VK te versterken, evenals de samenwerking in alle zeebekkens met buurlanden, teneinde de robuustheid van systemen te vergroten en de kans op verstoring van infrastructuur en onderbreking van de energievoorziening te verkleinen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>136.</NO.P>herinnert eraan dat om offshore-energiebronnen volledig te benutten, zeer aanzienlijke investeringen in net- en interconnectiecapaciteit nodig zijn; benadrukt voorts de noodzaak om een vermaasd offshorenet te ontwikkelen, met inbegrip van hybride interconnectoren en passende mechanismen voor kostendeling; is van mening dat de ontwikkeling van elektriciteitsinfrastructuur om het potentieel van offshorewindenergie te benutten een gedeelde prioriteit van de EU en het VK is; onderstreept dat het benutten van gedeelde hernieuwbare energiebronnen voor zowel de EU als het VK voordelig kan zijn en de kosten van de transitie naar schone energie voor beide partijen kan verlagen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>137.</NO.P>is ingenomen met de actieve deelname van het VK aan de North Seas Energy Cooperation (NSEC), waarmee het voortbouwt op het memorandum van overeenstemming dat het in december 2022 heeft ondertekend; blijft erbij dat de deelname van het VK aan de NSEC uiteindelijk moet leiden tot levensvatbare gezamenlijke projecten die in overeenstemming zijn met de gemeenschappelijke doelstelling om de Noordzee om te vormen tot groene-energiecentrale van Europa, zoals uiteengezet in de Verklaring van Oostende, die het VK op 24 april 2023 heeft ondertekend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>138.</NO.P>merkt op dat het Gespecialiseerd Comité voor energie zowel een aanbeveling als een routekaart voor de handel in elektriciteit tegen eind 2024 heeft opgesteld en zowel de EU als het VK heeft verzocht om de technische werkzaamheden die nodig zijn voor de uitvoering van de nieuwe handelsregelingen tussen beide partijen op te schroeven, waaronder een initiële fase ter validering van het concept voor de losse koppeling van volumes in meerdere regio’s (multi-regional loose volume coupling – MRLVC), het in bijlage 29 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst voorgestelde handelsmodel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>139.</NO.P>neemt nota van de op 21 december 2020 in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst gesloten overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) en het VK over samenwerking op het gebied van het veilige en vreedzame gebruik van kernenergie, die wordt geschraagd door toezeggingen van beide partijen om internationale verplichtingen na te komen; onderstreept de wederzijdse voordelen van civiele nucleaire samenwerking tussen de EU en het VK, onder meer met betrekking tot reactoren van de volgende generatie, afvalbeheer, kleine modulaire reactoren, veiligheids- en gezondheidsnormen, veerkracht van de toeleveringsketen en fusietechnologieën, onder andere door middel van onderzoek, medische toepassingen, mobiliteit van onderzoekers en toegang tot gezamenlijke wetenschappelijke infrastructuur, waar passend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>140.</NO.P>herinnert eraan dat het belangrijk is strenge milieu- en arbeidsnormen te handhaven bij energieprojecten; benadrukt dat er samenwerking nodig is op regelgevingsgebied om ervoor te zorgen dat energie-initiatieven opwaartse convergentie bevorderen op het vlak van werknemersrechten, gezondheids- en veiligheidsnormen en milieubescherming;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Vervoer</STRING></STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Algemene opmerkingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>141.</NO.P>is verheugd dat de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst EU-VK op het gebied van vervoer soepel verloopt en dat de wederzijds verleende rechten in dat verband effectief worden uitgeoefend, waardoor sinds de voorlopige toepassing van de overeenkomst in januari 2021 doeltreffende vervoersconnectiviteit wordt gehandhaafd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>142.</NO.P>verzoekt de Commissie toezicht te blijven houden op de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst en nauwer samen te werken om de markten van de EU en het VK verder te integreren, naadloze grensoverschrijdende mobiliteit en de integratie van infrastructuur te stimuleren en wederzijdse klimaat- en vervoersdoelstellingen te verwezenlijken, met volledige inachtneming van het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, op basis van wederkerigheid en met behoud van een gelijk speelveld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>143.</NO.P>stelt bezorgd vast dat de kans op verschillen in regelgeving tussen de EU en het VK toeneemt, hetgeen belemmeringen kan opwerpen voor naadloos vervoer en de voordelen van connectiviteit kan verkleinen; beklemtoont met name dat er behoefte is aan aanhoudende samenwerking wat toekomstige actualiseringen van de regelgeving over passagiersrechten betreft, aangezien er anders asymmetrieën kunnen ontstaan met betrekking tot compensatiedrempels voor vertragingen en bescherming bij multimodale reizen, hetgeen verwarring bij de consument kan veroorzaken en het vertrouwen in grensoverschrijdende diensten aantast;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>144.</NO.P>verzoekt de Commissie en het VK een gezamenlijk mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing inzake verstoringen van het vervoer op te zetten, zodat onmiddellijk informatie kan worden uitgewisseld over incidenten die gevolgen hebben voor corridors van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>145.</NO.P>erkent de voordelen van het Europees inreis-uitreissysteem (EES) voor de veiligheid, maar waarschuwt voor mogelijke verstoringen van het vervoer tijdens de uitrol ervan in 2025; roept op prioriteit te geven aan de snelle uitvoering van dit systeem en de gereedheid van de desbetreffende infrastructuur in luchthavens en havens als Dover en Calais, alsook aan bewustmakingscampagnes voor passagiers om oponthoud aan de grens te voorkomen; stelt vast dat EU-burgers sinds 2 april 2025 voor een kort verblijf in het VK een elektronische reisautorisatie (ETA) moeten hebben, die ongeveer 19 EUR kost, waarmee een nieuwe administratieve verplichting voor het verkeer over het Kanaal wordt ingevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>146.</NO.P>pleit voor nauwe samenwerking tussen de partijen op het gebied van onderwijs, beroepsopleiding en erkenning van de kwalificaties van vervoerswerknemers, om zo het tekort aan geschoolde arbeidskrachten voor ondernemingen tegen te gaan en de mobiliteit van werknemers in overeenstemming met de sociale en veiligheidsnormen van de EU te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>147.</NO.P>wijst op het belang van veilig en efficiënt vrachtvervoer tussen de EU en het VK; wijst er in dat verband op dat vrachtwagenchauffeurs met toenemende problemen worden geconfronteerd, waaronder illegale immigranten die proberen zich in hun voertuig te verbergen om de grens illegaal over te steken, en dat sommige vrachtwagenchauffeurs vlak bij de haven van Calais het slachtoffer van geweld zijn geworden; benadrukt dat vervoersbedrijven en vrachtwagenchauffeurs in de EU niet mogen opdraaien voor de kosten en gevolgen van een gebrekkige beveiliging waar de bevoegde grensautoriteiten voor verantwoordelijk zijn;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Luchtvaart</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>148.</NO.P>neemt met tevredenheid kennis van de soepele transitie op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart, waarbij het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart en de burgerluchtvaartautoriteit van het VK goed samenwerken en de verantwoordelijkheden delen, met name wat betreft de validering van certificeringsverzoeken die door elk van de organen zijn afgegeven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>149.</NO.P>is ingenomen met de bilaterale overeenkomsten die tot nu toe zijn ondertekend wat betreft vracht- en passagiersluchtdiensten, waarmee wordt gezorgd voor een continue en naadloze luchtvaartconnectiviteit tussen de EU en het VK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>150.</NO.P>is ingenomen met de lopende besprekingen in het Gespecialiseerd Comité voor het luchtvervoer over het niet-CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-gerelateerde klimaateffect van de luchtvaart en dringt aan op voortdurende coördinatie op het gebied van onderzoek, toezicht en rapportage, om toekomstige discrepanties in de wetgeving te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>151.</NO.P>is ingenomen met de manier waarop het Gespecialiseerd Comité voor het luchtvervoer beide partijen op de hoogte houdt van de inspanningen om duurzame alternatieve brandstoffen voor de luchtvaart te reguleren en te stimuleren, en beveelt aan initiatieven op elkaar af te stemmen om de duurzaamheidsvoordelen te maximaliseren, innovatie te bevorderen en het concurrentievermogen van de luchtvaartsector te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>152.</NO.P>neemt kennis van de discussie die tussen de EU en het VK bezig is over de bepalingen inzake wet-leasing, nu het VK moet voldoen aan aanvullende beperkingen die van toepassing zijn op niet-EU-landen, en neemt akte van de verzoeken van het VK om de procedures na de Brexit te stroomlijnen om aan een hoge seizoensgebonden vraag te kunnen voldoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>153.</NO.P>benadrukt echter dat deze verzoeken moeten worden behandeld in de context van de huidige verzoeken om dringende verduidelijking inzake wet-leasingvoorschriften en ‑praktijken binnen en buiten de EU, met inbegrip van toezicht en handhaving en efficiëntere luchtdiensten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>154.</NO.P>beveelt de Commissie daarom aan de medewetgevers een voorstel te doen betreffende de herziening van de verordening inzake luchtdiensten<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/1008/oj).</FIELD></FOOTNOTE> en daarbij de regels, toezichtsmechanismen en handhavingsbepalingen inzake wet-leasing binnen en buiten de EU te verduidelijken om problemen die zich in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst EU-VK kunnen stellen aan te pakken, in plaats van richtsnoeren vast te stellen over kwesties waar de medewetgevers nog geen besluit over hebben genomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>155.</NO.P>wijst erop dat verschillende lokale en regionale luchthavens in de EU talrijke verbindingen met het VK aanbieden; onderstreept dat er moet worden gezorgd voor een aanbod van dit soort vluchten, die niet alleen worden gebruikt door EU-burgers die in het VK wonen en werken, maar ook door Britse burgers die voor toeristische doeleinden naar Europa reizen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>156.</NO.P>is zich ervan bewust dat de EU en het VK gezien de aanhoudende groei van het luchtverkeer en de toenemende druk op het wereldwijde luchtverkeersbeheersysteem nauwer moeten gaan samenwerken om de performantie, de efficiëntie en het beheer van het luchtruim te optimaliseren; is verheugd dat het VK blijft samenwerken met Eurocontrol en spoort ertoe aan verdere manieren te vinden voor wederzijds voordelige samenwerking op dit gebied;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Wegvervoer</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>157.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is het VK aan de European Registers of Road Transport Undertakings (ERRU) te koppelen en is ingenomen met de belofte van beide partijen om vooruitgang te boeken met betrekking tot de uitwisseling van gegevens tussen nationale elektronische registers over (ernstige) inbreuken op de regels inzake wegvervoer, met als doel bij te dragen tot de doeltreffende handhaving van de in de handels- en samenwerkingsovereenkomst vastgelegde regels inzake wegvervoer; dringt er bij beide partijen op aan te werken aan een bilaterale overeenkomst om de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2024/3237<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn (EU) 2024/3237 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2024 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/413 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen (PB L, 2024/3237, 30.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/3237/oj).</FIELD></FOOTNOTE> verder te vergemakkelijken om de verkeersveiligheid te verbeteren, met inachtneming van de vereisten voor de bescherming van de gegevens van bestuurders;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>158.</NO.P>is ingenomen met het besluit om versie 2 van de slimme tachograaf te gebruiken in voor het eerst geregistreerde voertuigen in de EU en het VK, met als doel in het goederenvervoer over de weg in beide gebieden een constant hoog verkeersveiligheidsniveau en een gelijk speelveld te waarborgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Zeevervoer</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>159.</NO.P>neemt kennis van de bezorgdheid over mogelijke verschuivingen in scheepvaartroutes en ‑activiteit naar havens in het VK om de kosten van maritieme emissies in het kader van het EU-ETS te vermijden, en dringt er bij de Commissie op aan om nauwlettend toezicht te houden op de havenactiviteit in de havens van het VK; juicht het in dat verband toe dat de EU en het VK tijdens hun gezamenlijke top een gemeenschappelijk akkoord hebben bereikt om een functionele verbinding tussen het EU-ETS en het emissiehandelssysteem van het VK in te richten, ook voor binnenlandse en internationale emissies van de het zee- en luchtvervoer, en benadrukt dat het belangrijk is de koolstofbeprijzing met elkaar af te stemmen en toezichtskaders in te stellen om de milieuambitie hoog te houden, een gelijk speelveld te waarborgen, koolstoflekkage en verstoringen van het concurrentievermogen van havens te voorkomen en havenarbeiders en ondernemingen in de EU te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>160.</NO.P>staat achter het uitvoeringsbesluit van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD>Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/1973 van de Commissie van 11 oktober 2022 inzake de erkenning van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig Richtlijn (EU) 2022/993 voor wat betreft het systeem voor de opleiding en diplomering van zeevarenden (PB L 270 van 18.10.2022, blz. 99, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/1973/oj).</FIELD></FOOTNOTE> om met ingang van 11 oktober 2022 het Britse systeem voor de opleiding en diplomering van zeevarenden overeenkomstig Richtlijn (EU) 2022/993<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn (EU) 2022/993 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2022 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PB L 169 van 27.6.2022, blz. 45, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/993/oj).</FIELD></FOOTNOTE> te erkennen, na te hebben vastgesteld dat aan alle opleidings- en diplomeringsvereisten van het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst is voldaan;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Spoorwegvervoer</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>161.</NO.P>merkt op dat het spoorwegvervoer uitgesloten blijft van het toepassingsgebied van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, hetgeen kan worden verklaard door het beroep dat de EU en het VK doen op bilaterale overeenkomsten; is desalniettemin ingenomen met de vooruitgang die is geboekt met betrekking tot vergunningen van spoorwegondernemingen en veiligheidscertificering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>162.</NO.P>wijst op het strategische belang van de Kanaaltunnel, die een essentiële infrastructurele link vormt tussen het VK en de EU; stelt bezorgd vast dat het aantal goederen en passagiers dat per spoor via de Kanaaltunnel wordt vervoerd ondanks bilaterale vooruitgang ver onder de oorspronkelijke prognoses blijft wegens hoge kosten, regelgevingsbelemmeringen voor zowel vrachtvervoer als passagiersdiensten en infrastructurele capaciteitsbeperkingen voor verdere reizen binnen het VK, aangezien een groot deel van het Britse spoornet niet geschikt is voor Europese standaardmodellen van vrachtcontainers en goederenwagens;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Visserij</STRING></STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Uitvoering van de rubriek “visserij” van de handels- en samenwerkingsovereenkomst</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>163.</NO.P>neemt kennis van de verslagen van de Commissie van 2023 en 2024 over de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, en met name van de punten in de rubriek “visserij”;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>164.</NO.P>stelt verheugd vast dat de samenwerking tussen de partijen bij de jaarlijkse onderhandelingen over de totaal toegestane vangsten (TAC’s) is verbeterd, waardoor in 2023 en 2024 tijdig overeenstemming werd bereikt en er geen voorlopige TAC’s hoefden te worden vastgesteld, zodat de visserijsector duidelijkheid en voorspelbaarheid had over de vangstmogelijkheden voor het volgende jaar;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>165.</NO.P>betreurt dat de Brexit heeft geleid tot instabiliteit in de internationale visserijbetrekkingen met kuststaten, waardoor het moeilijker is geworden evenwichtige regelingen voor het delen van bestanden tot stand te brengen en vangstmogelijkheden uit te wisselen; stelt met bezorgdheid vast dat sommige kuststaten gebruikmaken van deze instabiliteit om te proberen hun vangstmogelijkheden unilateraal en op ongerechtvaardigde wijze te vergroten, ten nadele van die van de EU; wijst er nogmaals op dat de historische visserijrechten gerespecteerd moeten worden; pleit voor nauwere samenwerking tussen de EU en kuststaten om te komen tot een duurzaam beheer van gedeelde visbestanden en een grotere stabiliteit en voorspelbaarheid met betrekking tot de vangstquota, met name in het kader van jaarlijks overleg en trilaterale regelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>166.</NO.P>herinnert eraan dat het VK een vergunningenstelsel heeft ingevoerd op grond waarvan EU-vissersvaartuigen slechts toegang hebben tot de wateren van het VK als zij beschikken over een geldige visvergunning voor deze wateren; merkt op dat dit vergunningenstelsel de doeltreffende uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst aanzienlijk heeft vertraagd, omdat het VK tal van voorwaarden verbindt aan de verlening van dergelijke vergunningen, en dat dit systeem met name nadelig is voor vaartuigen van minder dan twaalf meter die van oudsher in de Britse territoriale wateren hebben gevist maar dit moeilijk kunnen aantonen; betreurt ten zeerste dat dit ertoe heeft geleid dat veel kleine vaartuigen geen visvergunning hebben gekregen, waardoor zij zich genoodzaakt zagen hun activiteiten naar andere gebieden te verleggen of deze te staken, dit bovenop de reeds verslechterde situatie sinds de Brexit en de negatieve gevolgen die de Brexit sowieso al had in de vorm van hogere kosten en meer bureaucratische lasten; betreurt voorts dat het Granville Bay-akkoord, dat tot de Brexit de visserij in de wateren van Jersey regelde, met de handels- en samenwerkingsovereenkomst is komen te vervallen; herinnert er ten slotte aan dat er nog steeds geen volledige duidelijkheid is over de kwestie van het totale maximum door Jersey af te geven visvergunningen, waardoor het voor sommige vissers uiterst onzeker is of zij visserijactiviteiten kunnen ontplooien in de wateren van het Brits Kroonbezit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>167.</NO.P>herinnert eraan dat in artikel 496 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat beheers- en technische maatregelen die gevolgen kunnen hebben voor de vaartuigen van de andere partij ruim van tevoren aan die andere partij moeten worden meegedeeld, zodat die partij opmerkingen kan indienen of om opheldering kan vragen; benadrukt dat alleen evenredige en niet-discriminerende maatregelen mogen worden toegepast, die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies en die rekening houden met ecologische, sociale en economische duurzaamheid op de lange termijn; betreurt dat effectbeoordelingen niet systematisch in aanwezigheid van beide partijen en te goeder trouw worden uitgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>168.</NO.P>betreurt dat het VK eenzijdig tal van maatregelen inzake visserijbeheer heeft vastgesteld, met name van technische aard, waaronder verboden op bepaalde vormen van visserij, de invoering van minimumvangstmaten voor bepaalde soorten, de sluiting van visserijactiviteiten in beschermde mariene gebieden (bijvoorbeeld de Doggersbank) en de bouw van windmolenparken, waardoor de toegang van Europese vaartuigen tot de wateren en visbestanden van het VK drastisch wordt beperkt, met name in de zone van zes tot twaalf zeemijl; betreurt dat deze maatregelen, evenals de maatregelen op sociaal gebied, een grotere impact hebben op EU-vaartuigen dan op Britse vaartuigen, en nadelige sociaaleconomische gevolgen hebben voor de visserijsector van de EU en met name voor kleinschalige vissers; vreest dat dergelijke maatregelen er uiteindelijk toe kunnen leiden dat Europese vaartuigen uit hele visserijgebieden worden geweerd, waardoor de Europese visserijrechten in de wateren van het VK in gevaar komen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>169.</NO.P>verzoekt de Commissie om uitgebreide en systematische beoordelingen uit te voeren van de sociale, economische en milieueffecten van deze maatregelen, waaronder in de wateren van het Brits Kroonbezit, om te bepalen of deze maatregelen evenredig en niet-discriminerend zijn, en verzoekt haar tevens om zo nodig daadkrachtig op te treden en gebruik te maken van het geschillenbeslechtingsmechanisme of de vergeldingsmaatregelen waarin de handels- en samenwerkingsovereenkomst voorziet, waaronder de toepassing van compenserende maatregelen, zoals schorsing van de aan visserijproducten toegekende preferentiële tariefbehandeling, en van alle andere politieke en diplomatieke middelen die haar ter beschikking staan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>170.</NO.P>is in dit verband ingenomen met de definitieve uitspraak van het scheidsgerecht van 28 april 2025 in het geschil tussen de EU en het VK over het besluit van het VK om de visserij op zandspiering in de Engelse wateren van de Noordzee en in de Schotse wateren te verbieden; stelt vast dat het scheidsgerecht in dit specifieke geval van oordeel was dat er geen sprake was van schending van het non-discriminatiebeginsel en dat de maatregel wetenschappelijk onderbouwd was; wijst erop dat het scheidsgerecht van oordeel was dat het verbod op de visserij op zandspiering in de Engelse wateren in strijd is met het in de handels- en samenwerkingsovereenkomst neergelegde evenredigheidsbeginsel en dat het VK niet heeft voldaan aan zijn verplichting om volledige toegang te verlenen tot zijn wateren voor de visserij op zandspiering; herinnert eraan dat het VK verplicht is de nodige maatregelen te nemen om gevolg te geven aan de uitspraak van het scheidsgerecht; is van mening dat deze uitspraak een belangrijk juridisch precedent schept wat betreft de bescherming van de Europese visserijrechten en de wijze waarop in de toekomst op gelijksoortige maatregelen van het VK kan worden gereageerd; verzoekt de Commissie om de unilaterale maatregelen van het VK nauwlettend te blijven monitoren, om te waarborgen dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst wordt nageleefd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>171.</NO.P>vreest dat de unilaterale maatregelen een kettingreactie teweeg zullen brengen waardoor de economische en de sociale levensvatbaarheid van de Europese visserijsector en visserijwaardeketen zullen worden aangetast; vreest voorts dat het beperken van de toegang tot de wateren van het VK ertoe zal leiden dat visserij-activiteiten worden verlegd naar het Kanaal en de Noordzee, wat de druk op TAC-soorten en niet-TAC-soorten zal doen toenemen; benadrukt dat het intensiever gebruik van de EU-wateren gevolgen heeft voor de veiligheid en het beheer van de maritieme ruimte en tevens voor de toegang tot visbestanden, met name voor de kleinschalige visserij, waardoor de sociale, economische en ecologische duurzaamheid van de visserijactiviteiten in het gedrang komt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>172.</NO.P>roept beide partijen op om snel iets te doen aan de toegenomen druk in het Kanaal en de Noordzee door een regionaal beheersplan voor te stellen dat erop gericht is duurzame exploitatie van de hulpbronnen en meerjarig visserijbeheer te waarborgen; herinnert de Commissie in dit verband aan de bepalingen van het meerjarenplan voor de Noordzee, die ook van toepassing zijn op deze wateren, en is van mening dat deze zo nodig moeten worden aangepast om eventuele discrepanties weg te werken en te zorgen voor juridische duidelijkheid voor de exploitanten en de lidstaten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Het einde van de aanpassingsperiode</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>173.</NO.P>roept beide partijen op om het beginsel van artikel 500 inzake toegang tot wateren te eerbiedigen, namelijk dat een wederzijds bevredigend evenwicht tussen de belangen van beide partijen moet worden bereikt; herinnert eraan dat de toegang tot de wateren, met inbegrip van de zone van zes tot twaalf zeemijl, wederkerig moet zijn en in verhouding moet staan tot de TAC’s of gemiddelde vangstniveaus van de andere partij; verzoekt de Commissie om volledig uitvoering te geven aan dit artikel en binnen het Gespecialiseerd Comité voor de visserij de nodige richtsnoeren te ontwikkelen om de praktische toepassing ervan te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>174.</NO.P>wijst erop dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst een herzieningsclausule bevat die voorziet in een herziening in 2030 met als doel de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst verder te versterken en te codificeren, en dat deze clausule niet kan worden gebruikt om de toegang tot de wateren te beperken; dringt er in dit kader bij de Commissie op aan om alles in het werk te stellen om in de komende jaren een betrouwbare, ononderbroken en verbeterde toegang tot de wateren te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>175.</NO.P>benadrukt het belang van een eerlijke, duurzame visserijovereenkomst tussen de EU en het VK; verwelkomt het politieke akkoord dat de EU en het VK op 19 mei 2025 hebben bereikt en met name over het feit dat beide partijen hebben afgesproken elkaar tot en met 30 juni 2038 duurzame toegang te blijven bieden tot hun wateren, wat zorgt voor stabiliteit voor de visserijgemeenschappen; is verheugd dat visserij bij deze recente onderhandelingen een belangrijke plaats innam; spoort beide partijen aan om bij toekomstige onderhandelingen een pragmatische en wederzijds voordelige benadering te volgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>176.</NO.P>is ingenomen met het feit dat het Gespecialiseerd Comité voor de visserij het politieke akkoord heeft geformaliseerd; verzoekt de Commissie waakzaam te zijn bij de tenuitvoerlegging van dit nieuwe akkoord, onder meer wat betreft de toegang tot de zone van zes tot twaalf zeemijl, en dan met name de toegang van Franse kleinschalige en kustvaartuigen tot die zone; benadrukt de noodzaak van robuuste controle en handhaving om de gedeelde toezeggingen na te komen, mariene ecosystemen te beschermen en de bestaansmiddelen van EU-vissers en mensen die in kustgemeenschappen wonen veilig te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>177.</NO.P>wijst er nogmaals op dat het waarborgen van wederzijdse ononderbroken toegang tot wateren en visbestanden een essentieel onderdeel van de betrekkingen tussen de EU en het VK moet blijven en dus moet worden behandeld in samenhang met andere onderdelen van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, zoals handel, toegang tot de interne markt voor visserijproducten en samenwerking op het gebied van energie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>178.</NO.P>merkt op dat in de handels- en samenwerkingsovereenkomst is voorzien in een geleidelijke verlaging met 25 % van de TAC’s van de EU in de Britse wateren tijdens de overgangsperiode tot eind 2026; benadrukt dat deze verlaging een enorme klap betekende voor de vissers in de EU en een grote impact heeft gehad op de visserij in de EU en dat er besloten moest worden tot het onttrekken van schepen aan de vloot en het uit de vaart halen van schepen; is ingenomen met het feit dat de vangstmogelijkheden in de periode na 2026 ten minste op dit niveau zullen blijven en niet ter discussie zullen worden gesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>179.</NO.P>betreurt het gebrek aan gegevens over en studies naar de gevolgen van de Brexit voor de visserijsector; verzoekt de Commissie om een omvattende beoordeling uit te voeren van de gevolgen van de aanpassingsperiode voor de hele waardeketen van de visserijsector in de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>180.</NO.P>wijst erop dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst voorziet in de mogelijkheid om te overwegen meerjarenstrategieën te ontwikkelen voor de instandhouding en het beheer van TAC’s en quotumvrije bestanden; roept beide partijen op om ten behoeve van hun beider visserijsector te streven naar meer stabiliteit en voorspelbaarheid met betrekking tot de vangstquota en te zorgen voor een duurzaam beheer van de visbestanden in de Noordzee en het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Governance en samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van visserij</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>181.</NO.P>wijst op het belang van nauwere en consciëntieuzere samenwerking tussen de EU en het VK, niet slechts op het gebied van visserij en het beheer van beschermde mariene gebieden, maar meer in het algemeen op het gebied van maritieme ruimtelijke planning, en op het gebied van technische, controle-, douane- en sanitaire maatregelen, waarbij alle organen betrokken moeten worden, waaronder het Gespecialiseerd Comité voor de visserij; roept beide partijen op om de werking en de transparantie van governance-instanties te verbeteren en ervoor te zorgen dat eventuele opgelegde maatregelen vooraf worden besproken, gebaseerd zijn op degelijke wetenschappelijke en sociaaleconomische overwegingen en niet discriminerend zijn en de betrokken actoren niet verhinderen de hun toegewezen quota te halen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>182.</NO.P>verzoekt de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat aan de vastgestelde voorwaarden wordt voldaan en dat de overeengekomen bepalingen worden nageleefd, en krachtige maatregelen te nemen als het VK discriminerend zou handelen; spoort de Commissie voorts aan om via het Gespecialiseerd Comité voor de visserij de douane-, sanitaire en controlevoorschriften voor aanlandingen door vaartuigen van de ene partij op het grondgebied van de andere partij aan te passen, bijvoorbeeld door een gezamenlijk controleplan tussen het VK en de afzonderlijke lidstaten op te stellen, mits gelijkwaardige garanties worden geboden met betrekking tot de traceerbaarheid en conformiteit van de visserijproducten; benadrukt dat de logistieke kanalen voor zowel invoer als uitvoer moeten worden veiliggesteld door belemmeringen die verband houden met het ontbreken van gezondheids- en douanecontroles in bepaalde havens weg te nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>183.</NO.P>is bezorgd over het toenemende aantal inbreuken door Britse vaartuigen in Europese wateren; verzoekt de autoriteiten van de lidstaten hun capaciteit op het gebied van maritiem toezicht te versterken, de controles op te voeren en passende sancties op te leggen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>184.</NO.P>dringt er bij de partijen op aan om te zorgen voor samenhang, compatibiliteit en interoperabiliteit van hun controlemaatregelen, met inbegrip van hun systemen voor elektronische monitoring op afstand en camerasystemen die zijn ingevoerd om buitensporige administratieve of financiële lasten te voorkomen, en niet in onredelijke mate van elkaar af te wijken; herhaalt dat beide partijen serieus overleg moeten voeren met vertegenwoordigers van de sector alvorens deze maatregelen vast te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>185.</NO.P>merkt op dat het Gespecialiseerd Comité voor de visserij sinds de inwerkingtreding van de handels- en samenwerkingsovereenkomst negen keer is bijeengekomen; betreurt echter het gebrek aan transparantie en controleerbaarheid van dit orgaan; dringt erop aan dat leden van de Commissie visserij van het Parlement betrokken worden bij en uitgenodigd worden voor de vergaderingen van het Gespecialiseerd Comité voor de visserij, zodat dit orgaan naar behoren gecontroleerd kan worden, en dringt er tevens op aan dat vergaderstukken en notulen zo spoedig mogelijk worden gedeeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>186.</NO.P>verzoekt de EU en het VK om hun inspanningen ter bevordering van de instandhouding en de duurzame exploitatie van visbestanden op te voeren, de samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken ter verbetering van de selectiviteit en ter vermindering van de impact van bepaalde vormen van visserij te intensiveren en de ecosysteemgerichte benadering volledig toe te passen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>187.</NO.P>roept beide partijen op om hun samenwerking en coördinatie op internationaal niveau op het gebied van gedeeld beheer van visbestanden in het kader van regionale organisaties voor visserijbeheer dan wel met kuststaten te versterken; wijst erop dat de EU en het VK hun samenwerking op het gebied van de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij moeten intensiveren en op alle internationale fora de maatregelen moeten steunen die noodzakelijk zijn om dergelijke visserij uit te roeien, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan het aanscherpen van de regels inzake transparantie en traceerbaarheid van ingevoerde visserijproducten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>188.</NO.P>herinnert beide partijen aan de noodzaak om beter samen te werken op het gebied van maritieme ruimtelijke planning, met name als offshorewindmolenprojecten niet stroken met instandhoudingsdoelstellingen of de belangen van de visserijsector; dringt erop aan dat er met betrekking tot het gebruik van de maritieme ruimte een aanpak wordt gevolgd die rekening houdt met alle belangen, waarbij ecologische, economische en sociale aspecten tegen elkaar worden afgewogen en gezorgd wordt voor consistentie en een billijke uitkomst voor alle sectoren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>189.</NO.P>dringt erop aan dat beide partijen gezamenlijke inspanningen leveren om wetenschappelijk onderzoek te bevorderen en beste praktijken uit te wisselen om munitie die zich op de zeebodem bevindt op te sporen en te verwijderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>190.</NO.P>dringt er bij alle partijen op aan ervoor te zorgen dat de afgifte van vergunningen en machtigingen voor EU-vaartuigen om in de wateren van het VK en het Brits Kroonbezit te vissen plaatsvindt zonder administratieve of financiële belemmeringen of aanvullende belastingheffingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>191.</NO.P>verzoekt de Commissie in het licht van de specifieke situatie van de Kanaaleilanden de samenwerking tussen de partijen te vergemakkelijken door de regionale dialoog en de Quad Meeting beter op elkaar af te stemmen; roept de partijen op vertegenwoordigers van de visserijsector, alle relevante belanghebbenden en lokale en regionale overheden erbij te betrekken en het comanagement-model voor de visserij te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>192.</NO.P>herinnert eraan dat de reserve voor aanpassing aan de Brexit (BAR) is opgezet om de negatieve economische, sociale, territoriale en milieugevolgen van de Brexit te verzachten; herinnert eraan dat middelen uit dit fonds ten belope van 5,4 miljard EUR bedoeld waren voor de visserijsector, waaronder de kleinschalige visserij, die onevenredig zwaar is getroffen door de Brexit; herinnert eraan dat in de BAR-verordening is bepaald dat de Commissie het Europees Parlement en de Raad uiterlijk in juni 2024 moest informeren over de stand van zaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de verordening; betreurt dat de Commissie dit tot op heden niet heeft gedaan; dringt erop aan dat het Parlement en de Raad voor het einde van 2025 worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de BAR;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Coördinatie van de sociale zekerheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>193.</NO.P>is ingenomen met het oordeel van de Commissie dat de samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van de coördinatie van de sociale zekerheid constructief is geweest en dat er in 2023 of 2024 geen systemische of structurele problemen zijn vastgesteld, maar dat beide partijen zich ertoe hebben verplicht alle problemen op te lossen die zich bij de tenuitvoerlegging van het bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst gevoegde Protocol betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid kunnen voordoen; neemt nota van de besluiten van het Gespecialiseerd Comité voor coördinatie van de sociale zekerheid met betrekking tot gedetacheerde werknemers en zelfstandigen en die tot doel hebben bepaalde financiële aspecten te verduidelijken; acht het van belang dat het Protocol dynamisch is en in overeenstemming met de herzieningen van de bepalingen inzake de coördinatie van de sociale zekerheid; dringt aan op voortdurende inspanningen om de procedures te vereenvoudigen, te zorgen voor consistente uitlegging in de lidstaten en het VK, en de toegang tot sociale zekerheid voor burgers te verbeteren door middel van betere begeleiding, digitale instrumenten en administratieve samenwerking;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>194.</NO.P>merkt op dat het Gespecialiseerd Comité voor coördinatie van de sociale zekerheid technische werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot onderwerpen als wijzigingen in gestructureerde elektronische documenten en draagbare documenten, de procedures voor de vergoeding van de kosten van prestaties bij ziekte en de omzetting van relevante besluiten van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de EU; verzoekt het comité zijn inspanningen op te voeren en tastbare vooruitgang te boeken bij het verbeteren van de procedures, het waarborgen van een uniforme uitlegging in de lidstaten en het VK, en het verbeteren van de coördinatie van socialezekerheidsrechten voor mobiele en grensoverschrijdende werknemers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>195.</NO.P>benadrukt hoe belangrijk het is fatsoenlijke, eerlijke en veilige arbeidsomstandigheden voor seizoenarbeiders te waarborgen, met name in essentiële sectoren zoals de landbouw, toerisme en de bouw; verzoekt de Commissie om in het kader van de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst EU-VK de invoering te bevorderen van een specifiek mechanisme voor de mobiliteit van seizoenarbeiders, met inbegrip van gemeenschappelijke normen inzake de duur van de arbeidsrelatie, de toegang tot sociale zekerheid en de bescherming tegen uitbuiting, met waarborgen die vergelijkbaar zijn met die van Richtlijn 2014/36/EU<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 375, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/36/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>196.</NO.P>verzoekt de Commissie na te gaan of het haalbaar is één contactpunt tussen de EU en het VK op te richten voor het melden van schendingen van de rechten van werknemers, belemmeringen voor de toegang tot sociale uitkeringen of kwesties in verband met de erkenning van grensoverschrijdende arbeidsovereenkomsten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>197.</NO.P>wijst erop dat het sociaal model van de EU belangrijk en waardevol is en verzoekt de regering van het VK de non-regressieclausule uit te breiden tot het volledige sociale acquis van de EU;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Deelname aan programma’s van de EU</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>198.</NO.P>herhaalt zijn standpunt dat het onderdeel van de handels- en samenwerkingsovereenkomst betreffende de deelname van het VK aan EU-programma’s, goed financieel beheer en financiële bepalingen een billijke basis vormt voor deelname van het VK en bijdraagt tot de bescherming van de financiële belangen van de EU; onderstreept de noodzaak van transparante begrotings- en kostendelingsregelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>199.</NO.P>is ten zeerste ingenomen met het feit dat het VK krachtens de protocollen I en II bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst deelneemt aan Horizon Europa en de Copernicus-component van het ruimtevaartprogramma van de EU en toegang heeft tot diensten van de component EU-ruimtebewaking en ‑monitoring van het ruimtevaartprogramma van de EU; wijst op de voordelen voor de EU en haar burgers van deelname van derde landen aan EU-programma’s; is van mening dat met de deelname van het VK aan Horizon Europa wordt bevestigd dat de wetenschap en innovatie van het VK integraal deel uitmaken van het Europese ecosysteem voor wetenschap en innovatie; is van mening dat het voor beide partijen voordelig is dat het VK wordt geassocieerd bij het toekomstige tiende kaderprogramma voor onderzoek (KP10), en dat die associatie moet zijn gericht op het stimuleren van economische groei in de EU door middel van innovatie; acht het daarom van essentieel belang dat er uiteindelijk een billijk evenwicht wordt gevonden tussen de bijdragen van het VK en de voordelen die het in ruil daarvoor ontvangt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>200.</NO.P>uit niettemin nogmaals zijn bezorgdheid over de bepalingen in protocol I betreffende een automatisch correctiemechanisme voor het VK met betrekking tot Horizon Europa, die niet als onderdeel van de handels- en samenwerkingsovereenkomst zelf zijn overeengekomen; neemt er nota van dat het correctiemechanisme voor het VK van toepassing is tot het einde van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) en minder gunstig is dan het correctiemechanisme in de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>201.</NO.P>wijst bovendien op de problemen die worden veroorzaakt door de hoge visumkosten en de gezondheidszorgtoeslag voor EU-onderzoekers die van Horizon Europa gebruikmaken en hun recht op mobiliteit willen uitoefenen door naar het VK te verhuizen, en dringt er bij het VK op aan dit probleem aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>202.</NO.P>maakt zich nog altijd zorgen over het gewijzigde associatieprotocol bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst van 2023, en in het bijzonder over het feit dat de automatische korting op de bijdrage van het VK aan Horizon Europa in geval van een “lager dan verwachte” deelname van het VK aan het programma heeft geleid tot inconsistenties ten opzichte van de bepalingen van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, waaraan het Parlement in december 2020 zijn goedkeuring heeft gehecht; merkt op dat het Parlement niet in staat was zinvolle goedkeuring te verlenen of daadwerkelijk toezicht uit te oefenen op dit essentiële onderdeel van de algemene overeenkomst, omdat de handels- en samenwerkingsovereenkomst door middel van de goedkeuring van een protocol is gewijzigd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>203.</NO.P>benadrukt dat elke internationale overeenkomst over de deelname van het VK aan EU-programma’s het prerogatief van het Parlement om zinvolle goedkeuring te geven volledig moet eerbiedigen, in overeenstemming met de resolutie van het Parlement van 8 februari 2024 over associatieovereenkomsten betreffende de deelname van derde landen aan programma’s van de Unie<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2024/6341, 7.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6341/oj.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>204.</NO.P>dringt erop aan dat het Parlement volledig wordt betrokken bij alle onderhandelingen over de deelname van het VK aan KP10 en ook over de uitvoering van KP10 in de loop van het volgende MFK; hoopt dat de partijen de vertragingen waardoor de deelname van het VK aan Horizon Europa en aan het Copernicus-programma in het kader van het huidige MFK werd gekenmerkt, kunnen vermijden, om de continuïteit te waarborgen van de financiering van belangrijke onderzoeks- en innovatieprojecten van de EU waarbij Britse partners betrokken zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>205.</NO.P>merkt op dat de Europese Onderzoeksraad (ERC) en de Marie Skłodowska-Curiebeurzen (MSCA) met het initiatief “Kies voor Europa, kies voor de wetenschap” duidelijk naar voren worden geschoven als vitale programma’s die de EU kunnen helpen wereldwijd wetenschappelijk talent aan te trekken; merkt op dat het VK kan deelnemen aan beide programma’s, en onderstreept de sterke prestaties van het VK in beide programma’s; herinnert aan de wettelijke vereiste van artikel 16, lid 3, van de Horizon-verordening<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/695/oj).</FIELD></FOOTNOTE> om de reikwijdte van de associatie van specifieke derde landen afhankelijk te stellen van een analyse van de voordelen voor de Unie en de doelstelling van bevordering van economische groei in de Unie door middel van innovatie; is van mening dat de schaarste aan talent een beperkende factor is voor de economische groei van de EU, met name in hightechsectoren; verzoekt de Commissie daarom een gedetailleerde analyse van de voordelen voor de EU van de deelname van het VK aan de ERC en de MSCA te maken, met name om vast te stellen welke gevolgen dit heeft voor het vermogen van de EU om wetenschappelijk talent aan te trekken, en deze analyse met het Parlement te delen, bij voorkeur parallel aan de onderhandelingen over het wetgevingsvoorstel voor KP10;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>206.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over het feit dat het VK de toeslag voor gezondheidszorg en de visumkosten voor onderzoekers die naar het VK gaan in het kader van Horizon Europa aanzienlijk heeft verhoogd, waardoor de mobiliteit van onderzoekers uit de EU en hun partnerinstellingen in het VK financieel moeilijker is geworden; sluit zich aan bij de oproep om terug te keren naar de oude toeslagen en kosten, die tijdens de derde vergadering van de Partnerschapsraad van 16 mei 2024 door de EU zijn geopperd; zou graag zien dat er een toezegging wordt gedaan tot verdere verlaging van de administratieve lasten en de daaraan verbonden kosten voor onderzoekers uit de EU die in het kader van Horizon Europa, en de opvolger daarvan, KP10, naar het VK moeten reizen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>207.</NO.P>neemt ter kennis dat het VK uiteindelijk heeft besloten niet deel te nemen aan het Euratom-programma voor onderzoek en opleiding, de gemeenschappelijke onderneming Fusion for Energy (F4E) en het kernfusieproject ITER, ook al was deelname van het land voorzien in de gezamenlijke verklaring van de EU en het VK over deelname aan programma’s van de Unie bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst; geeft uiting aan zijn zorgen over het feit dat Rusland nog steeds lid van het ITER-project is; dringt aan op het behoud van de wetenschappelijke erfenis van de Joint European Torus, gevestigd in Culham, Verenigd Koninkrijk, die decennialang heeft gediend als het vlaggenschip van het Europese kernfusieonderzoek; benadrukt dat de lopende ontmanteling van deze unieke faciliteit het onomkeerbare verlies van wetenschappelijke infrastructuur en deskundigheid met zich meebrengt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>208.</NO.P>betreurt dat het VK ervoor heeft gekozen niet deel te nemen aan andere belangrijke EU-programma’s, noch aan Euratom, noch aan F4E, zoals oorspronkelijk was voorzien in de gezamenlijke verklaring van december 2020; is van mening dat de deelname van het VK aan het ITER-project gebaseerd moet zijn op deelname aan F4E; betreurt het besluit om de Joint European Torus te ontmantelen; dringt er bij het VK op aan zijn standpunt over deze kwesties te herzien;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>209.</NO.P>vestigt de aandacht op het Peace Plus-programma, een opvolger van eerdere initiatieven voor grensoverschrijdende samenwerking, en benadrukt de cruciale rol van het programma bij het bevorderen van vrede, verzoening en sociaal-economische welvaart overal in Noord-Ierland en de grensregio; merkt op dat het programma wordt gefinancierd met aanzienlijke bijdragen van de EU en het VK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>210.</NO.P>is ingenomen met de overeenkomst inzake statistische samenwerking tussen Eurostat en de autoriteit voor statistieken van het VK, die de uitwisseling mogelijk maakt van statistische gegevens die relevant zijn voor de deelname van het VK aan EU-programma’s; is van mening dat betrouwbare statistische informatie een belangrijke basis vormt voor de besluitvorming op dit gebied en voor de controle op de naleving van de financiële bepalingen van de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Onderwijs, cultuur, jeugd en sport</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>211.</NO.P>merkt op dat tijdens de recente topontmoeting tussen de EU en het VK sterke nadruk is gelegd op het versterken van de banden tussen mensen, met name onder de jongere generatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>212.</NO.P>herinnert eraan dat de rechten van burgers centraal staan in het terugtrekkingsakkoord en dat deze volledig moeten worden beschermd; merkt echter op dat het sinds de Brexit voor EU-burgers ingewikkelder is geworden om naar het VK te reizen en te verhuizen; is uiterst bezorgd over de wijzigingen van het immigratiebeleid die momenteel in het VK onderwerp van discussie zijn, aangezien deze van invloed kunnen zijn op de rechten van EU-burgers in het VK, met inbegrip van EU-studenten en het collegegeld dat voor hen geldt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>213.</NO.P>onderstreept dat de mobiliteit van jongeren een flinke deuk heeft gekregen door de Brexit; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een mobiliteitsregeling voor jongeren<FOOTNOTE><FIELD>Aanbeveling voor een besluit van de Raad van 18 april 2024 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de mobiliteit van jongeren (COM(2024)0169).</FIELD></FOOTNOTE> in te stellen, alsook met de gezamenlijke toezegging van het gemeenschappelijk akkoord om te werken aan een evenwichtig en wederzijds voordelig jongerenervaringsprogramma, teneinde het voor jongeren uit de EU en het VK gemakkelijker te maken gedurende een beperkte periode deel te nemen aan verschillende activiteiten, zoals werk, studie, werk als au-pair, vrijwilligerswerk of gewoon reizen; moedigt beide partijen aan snel en ambitieus werk te maken van het ontwerp en de uitvoering ervan, waarbij wederzijdse toegang, juridische duidelijkheid en passende sociale bescherming voor de deelnemers worden gewaarborgd, als een belangrijke stap in het herstel van de banden tussen mensen en de samenwerking op lange termijn; benadrukt dat in voorkomend geval moet worden gezorgd voor fatsoenlijke lonen en arbeidsomstandigheden voor deelnemers aan toekomstige jongerenervaringsprogramma’s; moedigt het VK ten zeerste aan open te staan voor de voorstellen die de Commissie in 2024 op dit gebied heeft ingediend; is er stellig van overtuigd dat een overeenkomst over de mobiliteit van jongeren een essentieel onderdeel moet zijn van een eventuele toekomstige herziening van de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>214.</NO.P>is van mening dat een dergelijk programma een aanzienlijk potentieel heeft om een nieuwe generatie jongeren in de EU en het VK te inspireren door wettige persoonlijke uitwisselingen te bevorderen die geworteld zijn in gedeelde democratische waarden, cultureel begrip en wederzijds vertrouwen, en dat het de basis kan leggen voor langdurige samenwerking, sociale cohesie en sterkere transnationale netwerken tussen jongeren; moedigt beide partijen voorts aan te overwegen de mobiliteit tussen het VK en de EU te vergemakkelijken, zelfs buiten het voorgestelde jongerenervaringsprogramma;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>215.</NO.P>onderstreept dat de tijdelijke aard van deze regeling inhoudt dat het om culturele en educatieve uitwisseling gaat en niet om een instrument van migratiebeleid; merkt op dat het Verenigd Koninkrijk al mobiliteitsregelingen voor jongeren heeft met andere landen, zoals Japan; benadrukt dat er billijkere voordelen kunnen worden verkregen als de EU gezamenlijke onderhandelingen voert dan wanneer de lidstaten afzonderlijk bilaterale overeenkomsten sluiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>216.</NO.P>is eveneens ingenomen met de intentieverklaring van de top EU-VK om ervoor te ijveren dat het VK bij het Erasmus+-programma van de EU wordt betrokken, wat voor beide partijen voordelig zou zijn, aangezien het bevorderen van mobiliteit, opleiding en sport voor jongeren tussen de EU en het VK zeer waardevol zou zijn; verzoekt de Commissie en het Verenigd Koninkrijk om de onderhandelingen daartoe te bespoedigen, zodat een oplossing voor deelname wordt gevonden waar beide partijen baat bij hebben; benadrukt in dit verband de bijzondere rol van Erasmus+ als motor van Europese waarden, culturele diversiteit, maatschappelijke betrokkenheid en sociale inclusie, en de daarmee gepaard gaande versterking van de veerkracht van Europa; merkt op dat de mobiliteitsregeling voor jongeren en de hernieuwde associatie van het VK met het Erasmus+-programma gelijktijdig van start zouden kunnen gaan, en benadrukt dat beide initiatieven elkaar moeten aanvullen en versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>217.</NO.P>benadrukt dat deze associatie in overeenstemming moet zijn met het MFK en de handels- en samenwerkingsovereenkomst; herinnert eraan dat een mogelijke deelname van het VK aan EU-programma’s zoals Erasmus+ moet worden beoordeeld en opgezet op een wijze die de belangen van de EU volledig beschermt en bevordert, onder meer door te zorgen voor duidelijke meerwaarde voor de EU en haar burgers; verzoekt de Commissie tijdig gedetailleerde informatie te verstrekken over de financiële voorwaarden voor de toekomstige deelname van het VK aan Erasmus+ en over de financiële gevolgen van een eventueel toekomstig jongerenervaringsprogramma;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>218.</NO.P>betreurt dat culturele uitwisselingen te lijden hebben onder de Brexit; neemt met bezorgdheid kennis van de onzekerheden en moeilijkheden die zijn ontstaan voor studenten, docenten, artiesten op tournee en cultuurwerkers die aan beide zijden van het Kanaal willen leren, lesgeven, optreden en werken; is verheugd dat in de conclusies van de top EU-VK wordt verwezen naar culturele en artistieke uitwisselingen en artiesten op tournee; onderstreept dat bestaande of toekomstige procedures en maatregelen wederkerig moeten zijn; verzoekt de Commissie het effect van de terugtrekking van het VK uit EU-programma’s op culturele en educatieve uitwisselingen te beoordelen en te zoeken naar creatieve oplossingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>219.</NO.P>merkt op dat samenwerking met belanghebbenden in de EU en het VK van vitaal belang zal zijn om culturele uitwisselingen te ondersteunen en belemmeringen weg te nemen waarmee Britse professionals op tournee worden geconfronteerd; dringt aan op een concreter plan om de problemen aan te pakken waarmee artiesten worden geconfronteerd; verzoekt de Commissie in dit verband verder toe te werken naar een hernieuwde associatie van het VK met het programma Creatief Europa;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>220.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat schoolreizen en mobiliteit van jongeren uit de EU worden bemoeilijkt door de nieuwe regels voor binnenkomst van het VK; vraagt daarom dat er een reisregeling voor groepen mensen onder de 18 jaar wordt opgezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>221.</NO.P>is zeer bezorgd over de daling van het aantal studenten uit de EU dat aan Britse universiteiten studeert; onderstreept dat deze situatie duidelijk verband houdt met de terugtrekking van het VK uit het Erasmus+-programma en de beëindiging van de regeling inzake gelijke behandeling met betrekking tot collegegeld en beurzen voor EU-studenten<FOOTNOTE><FIELD>Met uitzondering van Ierse burgers.</FIELD></FOOTNOTE>; dringt er bij het VK en de EU op aan overeenstemming te bereiken over een verlaging van het collegegeld teneinde meer jongeren uit de EU in staat te stellen in het VK te studeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>222.</NO.P>is er stellig van overtuigd dat het VK en de EU hun samenwerking op het vlak van onderwijs moeten verdiepen om de huidige geopolitieke uitdagingen te kunnen aangaan en aan beide zijden meer “soft power” te ontwikkelen; benadrukt in dit verband de cruciale rol van het beginsel van internationale wederkerigheid, zoals verankerd in het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs, bij het opbouwen van stabiele en langdurige partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>223.</NO.P>neemt nota van de invoering van het Turing-programma door de Britse regering en het Taith-programma door de regering van Wales, en van het “Test and Learn”-project in Schotland, dat zich momenteel in een testfase bevindt; betreurt echter dat het Turing-programma alleen betrekking heeft op uitgaande studentenmobiliteit en daarom niet kan worden beschouwd als een volwaardige vervanging van Erasmus+;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>224.</NO.P>merkt met betrekking tot Europese allianties van universiteiten op dat universiteiten uit het VK wel lid mogen zijn maar niet langer in de bestuursstructuur kunnen worden opgenomen, waardoor zij de facto tot tweederangspartners worden gedegradeerd; pleit ervoor om dit partnerschap voort te zetten via het initiatief “allianties van Europese universiteiten”, waarbij zij dankzij de nieuwe vorm van juridische status volwaardige partners kunnen zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>225.</NO.P>onderstreept dat het Verenigd Koninkrijk<FOOTNOTE><FIELD>het Schotse hogeronderwijsstelsel verschilt van dat van de rest van het Verenigd Koninkrijk en wordt daarom in het kader van het Bolognaproces als een afzonderlijke entiteit beschouwd (Europese ruimte voor hoger onderwijs, “Verenigd Koninkrijk (Schotland)”, https://ehea.info/page-united-kingdom-scotland).</FIELD></FOOTNOTE> blijft deelnemen aan de Europese ruimte voor hoger onderwijs (“het Bolognaproces”); dringt er bij het VK, de Commissie en de lidstaten op aan te blijven werken aan de volledige wederzijdse erkenning van onderwijskwalificaties, diploma’s, academische graden en uitwisselingsperioden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>226.</NO.P>merkt op dat de EU en het VK belangrijke markten voor culturele uitwisseling blijven, met langdurige banden en wederzijdse invloeden tussen hun culturele gebieden; erkent de grote economische waarde van de culturele sector in het VK; pleit voor nieuwe en blijvende samenwerking tussen kunstenaars en andere professionals in de culturele en creatieve sectoren en industrieën in de EU en het VK, en voor de bescherming van hun arbeidsrechten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>227.</NO.P>merkt op dat het programma Creatief Europa niet is vervangen door een ander aan cultuur gewijd programma ter ondersteuning van artiesten in het VK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>228.</NO.P>betreurt het ontbreken van bepalingen met betrekking tot cultuur en de culturele en creatieve sectoren in de handels- en samenwerkingsovereenkomst die van toepassing is na de terugtrekking van het VK uit de EU, en het feit dat het VK niet langer deelneemt aan het vrije verkeer, wat leidt tot administratieve hindernissen voor artiesten op tournee, met name voor opkomende en onafhankelijke artiesten; merkt op dat artiesten en cultuurwerkers uit het VK die door de EU toeren, te maken krijgen met 27 verschillende systemen voor visa, immigratie en werkvergunningen; verzoekt de lidstaten daarom meer duidelijkheid te verschaffen over de eisen met betrekking tot ATA-carnets (tijdelijke toelating); vraagt dat de culturele sector wordt opgenomen in de komende herziening van de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>229.</NO.P>dringt erop aan een oplossing te vinden voor de problemen die artiesten en cultuurwerkers, in het bijzonder jonge en opkomende artiesten, sinds de Brexit ondervinden in verband met toeren en deelname aan festivals, zoals douane- en btw-regels voor merchandising en regels inzake internationaal vervoer; verzoekt het VK, de lidstaten en de Commissie werk te maken van het vinden van oplossingen die het voor artiesten gemakkelijker maken om aan beide zijden van het Kanaal actief te zijn, zoals visa en werkvergunningen voor korte culturele verblijven en geharmoniseerde procedures voor douaneformaliteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>230.</NO.P>wijst erop dat er moet worden gezorgd voor convergentie tussen de toekomstige regelgevingskaders voor audiovisuele en mediadiensten in het VK en de EU, zodat in het licht van de toenemende mondiale uitdagingen stabiele, voorspelbare en duidelijke eisen worden gesteld aan de culturele en creatieve sector en de sportsector;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>231.</NO.P>merkt op dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst een culturele uitzondering bevat, waardoor audiovisuele diensten buiten het toepassingsgebied ervan vallen; wijst op de noodzaak van strategische samenwerking in de audiovisuele sector om de zichtbaarheid van in Europa geproduceerde werken en hun concurrentievermogen op wereldvlak te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>232.</NO.P>moedigt nauwere samenwerking tussen het VK en de EU aan om de deelname van sporters aan sportwedstrijden en uitwisselingen van sportpersoneel te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>233.</NO.P>wijst op de negatieve gevolgen van de gefragmenteerde of niet-bestaande erkenning van mobiliteit van studenten en personeelsleden, met name op het gebied van kunst, cultuur en beroepsonderwijs en ‑opleiding; benadrukt dat dit een belemmering vormt voor de inspanningen om tekorten aan vaardigheden overal in Europa aan te pakken; onderstreept dat initiatieven in het kader van de vaardigheidsunie om de vaardigheidskloof, de groene en de digitale transitie, beroepsonderwijs en ‑opleiding en een leven lang leren aan te pakken, deels kunnen worden uitgebreid tot partnerlanden die met het Erasmus+-programma geassocieerd zijn; benadrukt in dit verband de toegevoegde waarde van de hernieuwde associatie van het Verenigd Koninkrijk met het Erasmus+-programma en dringt er bij het VK en de Commissie op aan hun dialoog voort te zetten met het oog op de totstandbrenging van een doeltreffend kader voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>234.</NO.P>spreekt zijn tevredenheid uit over het feit dat de veiligheid van de burgers centraal blijft staan in de hernieuwde agenda voor samenwerking tussen de EU en het VK; stelt tevreden vast dat de gezamenlijke verklaring en het gemeenschappelijk akkoord, aangenomen tijdens de top EU-VK, stimulansen bevat voor versterkte samenwerking op het gebied van rechtshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken, nauwere samenwerking met betrekking tot drugsrisico’s en -dreigingen, en intensievere samenwerking op het gebied van uitdagingen in verband met irreguliere migratie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>235.</NO.P>is ingenomen met de wederzijdse toezegging om het internationaal recht en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) te eerbiedigen door de premier van het VK en de voorzitter van de Commissie in hun gezamenlijke verklaring van 2 oktober 2024 over het versterken van de strategische samenwerking en in de gezamenlijke verklaring van de top tussen de EU en het VK; herinnert eraan dat de algemene voorwaarden voor de toepassing van deel drie van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, zoals bepaald in artikel 524, lid 1, feitelijk betrekking hebben op de jarenlange eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van personen, zoals onder meer vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en in het EVRM, en op het belang om de in dat Verdrag vastgelegde rechten en vrijheden intern te verwezenlijken; herhaalt dat deze voorwaarden volledig moeten worden gewaarborgd bij de toepassing en uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>236.</NO.P>is ingenomen met de toezeggingen in de gezamenlijke verklaring en het gemeenschappelijk akkoord tot nauwere samenwerking bij de bestrijding van mensenhandel en mensensmokkel, drugshandel, zware en grensoverschrijdende criminaliteit, terrorisme en gewelddadig extremisme, ook online, door middel van een snellere, betere en grondigere uitvoering van deel drie van de handels- en samenwerkingsovereenkomst en door het potentieel ervan ten volle te benutten en uit te bouwen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>237.</NO.P>is ingenomen met de conclusie van de Commissie in haar uitvoeringsverslag 2024 dat de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst op het gebied van rechtshandhaving en justitiële samenwerking het afgelopen jaar soepel is verlopen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>238.</NO.P>is met name ingenomen met het feit dat alle lidstaten en het VK elkaar eind 2024 toegang tot hun nationale DNA-databanken hadden verleend voor geautomatiseerde bevragingen, overeenkomstig artikel 530 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; is ingenomen met het feit dat het VK eind 2024 22 vingerafdrukverbindingen had ingesteld en klaar was om de resterende vijf af te ronden; erkent de in het gemeenschappelijk akkoord genoemde ambitie van de partijen om de onderlinge en wederzijdse uitwisseling van gegevens over vingerafdrukken, DNA en strafregisters van onderdanen van niet-EU-landen te versterken, en te onderzoeken of de uitwisseling van gegevens kan worden uitgebreid tot gezichtsopnamen met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, en onderstreept dat bestaande en uitgebreide uitwisselingen afhankelijk zijn van het in stand houden van een hoog niveau van gegevensbescherming en van de zekerheid dat het veranderende rechtskader van het VK verenigbaar blijft met de gegevensbeschermingsvereisten van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>239.</NO.P>herinnert aan het wederzijdse voordeel van en de behoefte aan krachtige rechtshandhaving en gerechtelijke samenwerking om gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken op gebieden als terrorismebestrijding, georganiseerde criminaliteit, witwassen van geld en mensensmokkel en -handel; benadrukt in dit verband dat de EU en het VK concrete samenwerkingsinitiatieven op deze gebieden moeten formuleren; is ingenomen met de nauwe samenwerking tussen het VK en belangrijke agentschappen van de EU zoals Europol, Eurojust en Frontex;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>240.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de regering van het VK heeft gezorgd voor een grotere aanwezigheid van het National Crime Agency van het VK bij Europol en dat zij meer in het algemeen werkt aan nauwere betrekkingen met Europol, onder meer wat het vermogen betreft om gegevens uit te wisselen in real time;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>241.</NO.P>neemt kennis van de jaarverslagen 2023 en 2024 van Eurojust en spreekt zijn tevredenheid uit over de deelname van het VK aan en zijn betrokkenheid bij de werkzaamheden van het agentschap, waarbij het VK het niet-EU-land was dat het vaakst werd verzocht deel te nemen aan nieuwe dossiers die gedurende die twee jaren door de nationale bureaus van Eurojust werden geopend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>242.</NO.P>is ingenomen met de werkregeling die in 2024 is afgesproken tussen Frontex en het ministerie van Binnenlandse Zaken van het VK op basis van de gezamenlijke toezegging om de veiligheid en beveiliging te verbeteren, met inachtneming van de verplichtingen op het gebied van de grondrechten; vertrouwt erop dat deze regeling zal leiden tot betere samenwerking op het gebied van grensbeheer en -beveiliging, waaronder de inzet van personeel voor advies- en coördinatietaken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>243.</NO.P>moedigt nauwere samenwerking aan tussen het Europees migratienetwerk en de agentschappen, waaronder het EU-Asielagentschap en Frontex, en respectieve autoriteiten van het VK, overeenkomstig de in het gemeenschappelijk akkoord gedane toezeggingen; is verheugd over de verwijzing naar samenwerking op het gebied van drugsbestrijding; dringt aan op het vaststellen van een werkregeling inzake de wederzijdse uitwisseling van informatie tussen het Drugsagentschap van de Europese Unie (EUDA) en de bevoegde autoriteiten van het VK voor drugsgerelateerde risico’s en dreigingen, teneinde het werk van het EUDA te vergemakkelijken; is van mening dat de deelname van het VK aan vergaderingen van het Latijns-Amerikaans comité voor binnenlandse veiligheid en zijn tegenhangers in de EU per geval kan worden bekeken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>244.</NO.P>wijst op de gemeenschappelijke uitdagingen waarmee het VK en de EU worden geconfronteerd op het gebied van illegale migratie; spreekt zijn krachtige steun uit voor de toezegging van de partijen om nauwer samen te werken in multilaterale fora en processen ter bestrijding van migrantensmokkel en mensenhandel, bij het delen van operationele informatie over terugkeer naar derde landen, en bij het onderzoeken van afschrikkingsmechanismen, in overeenstemming met het nationale, EU- en internationale recht, met inachtneming van hun toezegging om internationale bescherming te garanderen voor mensen die deze nodig hebben; verzoekt de Commissie en de regering van het VK erop toe te zien dat elke vorm van samenwerking op het gebied van migratie met derde landen passende maatregelen omvat die de naleving waarborgen van het internationale rechtskader, zoals het recht op asiel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>245.</NO.P>merkt op dat de nieuwe Border Security, Asylum and Immigration Bill, die op 30 januari 2025 in het Britse parlement in behandeling is genomen, voorziet in de mogelijkheid om overeenkomsten te sluiten met G7-landen en belangrijke Europese partners teneinde mensensmokkel tegen te gaan; is ingenomen met de wens van het VK om nauwer samen te werken met afzonderlijke lidstaten, waaronder Frankrijk en de andere leden van de Calais-groep, op het gebied van de bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel, en meer in het algemeen met betrekking tot de versterking van grensbeveiliging, met inbegrip van grensbewaking;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>246.</NO.P>herinnert eraan dat het uitleveringssysteem tussen de lidstaten en het VK, zoals vastgelegd in titel VII van deel drie van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, verschilt van het systeem waarin is voorzien in het kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel<FOOTNOTE><FIELD>Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2002/584/oj).</FIELD></FOOTNOTE>; herinnert eraan dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn recente arrest<FOOTNOTE><FIELD>Arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024 in zaak C‐202/24 [Alchaster], ECLI:EU:C:2024:649.</FIELD></FOOTNOTE> heeft geoordeeld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een zelfstandige beoordeling moet verrichten van het risico op schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat volgens de betrokkene zal ontstaan als hij wordt overgeleverd aan het VK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>247.</NO.P>herinnert eraan dat deel drie van de handels‑ en samenwerkingsovereenkomst uitgebreide gegevensstromen tussen de EU en het VK mogelijk maakt, zoals de uitwisseling van DNA‑gegevens, persoonsgegevens van passagiers en informatie uit het strafregister; beklemtoont dan ook dat het van het grootste belang is dat het VK ervoor zorgt dat het beschermingsniveau in essentie gelijkwaardig is aan dat van de EU, zodat de EU-normen en bijgevolg ook de grondrechten van EU-burgers niet in gevaar worden gebracht bij het delen van gegevens met het VK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>248.</NO.P>verzoekt het VK en de lidstaten ervoor te zorgen dat de rechten van burgers een belangrijke gezamenlijke prioriteit blijven in de betrekkingen tussen de EU en het VK, zodat alle burgers van de EU en het VK die begunstigden zijn van het terugtrekkingsakkoord hun rechten ten volle kunnen uitoefenen; stelt met tevredenheid vast dat de EU en het VK hun gedeelde toezegging ten aanzien van de volledige, snelle en getrouwe uitvoering van het terugtrekkingsakkoord in al zijn onderdelen hebben hernieuwd; is ingenomen met de actie die de regering van het VK heeft ondernomen op het gebied van wetgeving door juridische duidelijkheid te scheppen voor EU-burgers die een status hebben in het kader van de EU-vestigingsregeling, en vertrouwt erop dat deze maatregel de komende twee jaar zal zorgen voor een soepele overgang voor burgers van tijdelijk naar permanent verblijf; wijst erop dat de Independent Monitoring Authority for the Citizens’ Rights Agreements het delen van gegevens tussen de EU en het VK heeft aangemerkt als een gebied dat vertragingen kan veroorzaken bij aanvragen in het kader van de EU-vestigingsregeling in gevallen waarin lidstaten over informatie beschikken die relevant is voor de aanvraag; verzoekt de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten daarom meer gehoor te geven aan verzoeken en te zorgen voor een betere informatie-uitwisseling tussen het VK, de EU-lidstaten en de EER/EVA-landen (IJsland, Liechtenstein en Noorwegen) om vertragingen te voorkomen en te zorgen voor een soepel aanvraagproces voor burgers;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Samenwerken op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>249.</NO.P>wijst op de goede en pragmatische coördinatie tussen de EU en het VK op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid om stabiliteit en welvaart in andere regio’s van de wereld te waarborgen, en roept de EU en het VK op tot nauwere samenwerking met andere gelijkgestemde partners; prijst de belangrijke bijdrage die het VK levert aan vrede, veiligheid en stabiliteit in Europa; benadrukt dat vrede in Europa niet mogelijk is zonder een sterk partnerschap tussen de EU en het VK op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid; is verheugd over de deelname van het VK aan de Europese politieke gemeenschap;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>250.</NO.P>is zeer ingenomen met het veiligheids- en defensiepartnerschap tussen de EU en het VK, dat een belangrijk kader vormt voor brede samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van veiligheid en defensie, dat het mogelijk maakt om gemeenschappelijke dreigingen gezamenlijk aan te pakken en dat betrekking heeft op gebieden als het delen van informatie en inlichtingen, militaire mobiliteit, veiligheids- en defensie-initiatieven, ruimteveiligheid, crisisbeheersing, cyberdefensie, hybride dreigingen, terrorismebestrijding, en buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>251.</NO.P>onderstreept de existentiële bedreiging door Ruslands aanvalsoorlog tegen Oekraïne en zijn dreigementen om deze agressie uit te breiden naar andere landen op het Europese continent; beschouwt dit als de allergrootste bedreiging voor ons continent de komende jaren, ook al zijn er andere belangrijke problemen; dringt aan op een passende beleidsreactie waarin het aanpakken van de lacunes in de Europese defensie- en afschrikkingsvermogens, vooral in samenwerking met gelijkgestemde Europese partners, centraal staat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>252.</NO.P>is ingenomen met de nauwe samenwerking tussen de EU en het VK in reactie op de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, zoals tijdens de top EU-VK werd benadrukt; wijst op de voortdurende afstemming tussen de EU en het VK op het gebied van sancties, militaire en financiële steun en diplomatieke coördinatie, alsook op hun gezamenlijke inzet voor het herstel van een alomvattende, rechtvaardige en duurzame vrede op basis van de beginselen van het internationaal recht, gerechtigheid en verantwoordingsplicht; roept de EU en het VK ertoe op om tegenover de rest van de internationale gemeenschap zeer eensgezind te blijven in hun veroordeling van de acties van Rusland, in hun verdediging van de soevereiniteit, territoriale integriteit en onafhankelijkheid van Oekraïne en in hun strijd tegen de Russische desinformatie over de aanvalsoorlog tegen Oekraïne, en zich te blijven inspannen voor een zo breed mogelijke internationale steun voor deze zaken; prijst de vitale bijdrage van het VK aan het vormgeven van een sterk, verenigd Europees antwoord op de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en aan het bijeenroepen van de “coalitie van bereidwilligen”; juicht het toe dat het VK bijdraagt aan de steun voor het toekomstige herstel en de wederopbouw van Oekraïne, en daarbij tegelijkertijd het militaire en veiligheidsbeleid van de lidstaten, waaronder het beleid inzake militaire neutraliteit, eerbiedigt; verzoekt de Britse regering en alle lidstaten hun militaire bijstand aan Oekraïne aanzienlijk op te voeren en alle beperkingen op deze bijstand op te heffen; beveelt in dit verband aan dat de maatregelen die zowel de lidstaten als het VK in het kader van de SAFE-verordening<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2025/1106 van de Raad van 27 mei 2025 tot vaststelling van het instrument “Optreden voor de veiligheid van Europa (SAFE) door middel van versterking van de Europese defensie-industrie” (PB L, 2025/1106, 28.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/1106/oj).</FIELD></FOOTNOTE> hebben genomen, ook Oekraïne en zijn industriële en technologische defensiebasis omvatten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>253.</NO.P>prijst de vastberaden aanpak van het VK om steeds strengere sancties in te voeren en te handhaven, en zijn leidende rol in de “Call to Action”-coalitie, die tot doel heeft om de Russische schaduwvloot te ontwrichten; is verheugd over de versterkte samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van sancties tegen Rusland en zijn schaduwvloot, zoals tijdens de top EU-VK werd benadrukt; dringt erop aan dat de EU en het VK hun respectieve sanctieregelingen op coherente wijze en in onderling overleg verder aanscherpen om zo veel mogelijk effect te sorteren en te voorkomen dat sancties worden omzeild, zodat, met name gezien Ruslands effectieve sabotage van het staakt-het-vuren en eventuele zinvolle vredesonderhandelingen, de economische en politieke druk op de Russische autoriteiten verder wordt verhoogd; dringt er bij de EU op aan zich te richten naar de sancties van het VK in verband met Oekraïne en omgekeerd, door met name sancties op te leggen aan alle resterende bekende en ongesanctioneerde tankers van de schaduwvloot en hun eigenaren, alsook aan verzekeraars en verzekeringsmakelaars en tegelijkertijd sancties in te voeren tegen alle olietankers die het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen overtreden, en strikte uitvoering af te dwingen van maatregelen die schepen, ongeacht de vlag waaronder zij varen, verbieden in EU- en Britse wateren te varen of een haven in de EU of het VK aan te doen indien zij zich niet houden aan de internationale regels inzake schip-tot-schiptransfers op zee of hun automatische identificatiesystemen illegaal hebben uitgeschakeld; dringt er bij beide partijen op aan om schip-tot-schiptransfers van Russische olie in hun wateren te verbieden; moedigt verdere samenwerking en informatie-uitwisseling aan met het oog op het opsporen en volgen van verdachte schepen of verdacht gedrag, het vaststellen en handhaven van strenge maritieme veiligheids- en beveiligingsnormen en het handhaven van de maritieme wetgeving;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>254.</NO.P>verzoekt de EU en het VK ervoor te zorgen dat bevroren Russische staatsactiva door middel van inbeslagname of andere noodzakelijke juridische middelen kunnen worden gebruikt voor steun bij de verdediging en wederopbouw van Oekraïne en voor het betalen van schadeloosstelling aan het land;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>255.</NO.P>benadrukt dat Europese landen gezamenlijk hun eigen vermogens dringend moeten versterken om hun eigen veiligheid en defensie te waarborgen; benadrukt dat het veiligheids- en defensiepartnerschap tot doel heeft de Europese bijdrage aan de NAVO te versterken, waarbij de rol van het VK als belangrijke NAVO-bondgenoot wordt erkend; neemt kennis van de toezegging van de Britse premier, Sir Keir Starmer, om de defensie-uitgaven tussen nu en april 2027 te verhogen tot 2,5 % van het bbp; spoort de lidstaten aan te onderzoeken in hoeverre de EU en het VK gezamenlijke inspanningen kunnen leveren ter ondersteuning van de oprichting van een defensie-, veiligheids- en weerbaarheidsbank, die zal dienen als multilaterale kredietinstelling voor het verstrekken van laagrentende langetermijnleningen waarmee belangrijke nationale veiligheidsprioriteiten, zoals de aanvulling van voorraden, de modernisering van de defensie, wederopbouwinspanningen in Oekraïne en de terugkoop van kritieke infrastructuur die momenteel in handen is van vijandige derde landen, kunnen worden ondersteund;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>256.</NO.P>verzoekt de Commissie snel alle mogelijkheden te onderzoeken voor wederzijds voordelige nauwere samenwerking die door het instrument “Optreden voor de veiligheid van Europa” (SAFE) tot stand wordt gebracht; verzoekt de Commissie het Parlement zo spoedig mogelijk volledige informatie te verstrekken over de voorwaarden en bijzonderheden van eventuele financiële bijdragen die het VK moet leveren; vraagt dat het Parlement overeenkomstig artikel 218, lid 6, punt a), VWEU wordt betrokken bij de goedkeuring van de overeenkomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>257.</NO.P>is van oordeel dat de leidende rol van het VK in de Joint Expeditionary Force van essentieel belang is voor de toekomst van de Europese veiligheid, en moedigt in dit verband voortzetting van de politieke, financiële, operationele en logistieke samenwerking tussen de lidstaten en de Britse strijdkrachten aan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>258.</NO.P>benadrukt dat het VK een leidende speler is in de Europese defensie met een eigen deskundigheid en geavanceerde strategische vermogens; erkent de kracht van zijn industriële defensiebasis, met name op de gebieden die in het Readiness 2030-initiatief en de strategie voor de Europese defensie-industrie als kritieke vermogenslacunes zijn aangemerkt, waaronder geïntegreerde meerlagige lucht- en raketafweer, geavanceerde artillerie, systemen voor langeafstandsraketten en onbemande systemen; erkent de nauwe banden, complementariteit en synergieën tussen de Europese technologische en industriële defensiebasis en de technologische en industriële defensiebasis van het VK bij het nastreven van gemeenschappelijke veiligheidsdoelstellingen door de ontwikkeling van nieuwe samenwerkingsregelingen op gebieden als verdediging tegen ballistische en hypersonische raketten, sensorsystemen in de ruimte en netwerken voor vroegtijdige waarschuwing; verzoekt de EU, de lidstaten en het VK extra inspanningen te leveren om de samenwerking tussen deze industriële sectoren te verdiepen en de geografische samenhang van een gemeenschappelijke Europese industriële defensiebasis, die ook Oekraïne omvat, te versterken, onder meer op het gebied van innovatie en gezamenlijk onderzoek en gezamenlijke ontwikkeling; is ingenomen met de inspanningen van de lidstaten en het VK en hun defensie-industrie om te investeren in de Oekraïense defensie-industrie en daarmee samen te werken, en roept al deze partijen op die inspanningen op te voeren, met name door de oprichting van joint ventures en de opbouw van productiecapaciteit, in zowel Oekraïne als de lidstaten; onderstreept dat de kracht van de industriële defensiebasis van de EU evenzeer kan bijdragen aan de verbetering van de veiligheid van het VK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>259.</NO.P>dringt er bij de EU en het VK op aan om ernaar te streven dat het VK op passende wijze wordt betrokken bij relevante defensie-initiatieven van de EU, zoals het Europees Defensiefonds (EDF), het Europees Defensie-investeringsprogramma (EDIP), het instrument voor de versterking van de Europese defensie-industrie door middel van gemeenschappelijke aanbestedingen (Edirpa) en projecten voor permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), alsook toekomstige defensieprogramma’s van de EU; is verheugd over de aankondiging van het veiligheids- en defensiepartnerschap dat het zal onderzoeken of het mogelijk is een administratieve regeling tussen het Europees Defensieagentschap (EDA) en het VK tot stand te brengen; verzoekt het EDA en het VK een dergelijke regeling met voorrang na te streven om de praktische samenwerking te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>260.</NO.P>wijst op de banden tussen de defensie-industrie van het VK en die van de lidstaten, en ook op kritieke joint ventures; beschouwt de Drone Coalition, een gezamenlijk door het VK en Letland geleid initiatief dat 17 lidstaten omvat, als een positief voorbeeld van samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van essentiële geavanceerde capaciteiten; betreurt dat in het veiligheids- en defensiepartnerschap tussen de EU en het VK de optimalisatie van synergieën en complementariteit tussen de twee industriële bases niet volledig aan bod komt; roept beide partijen op de industriële samenwerking op defensiegebied dringend te verdiepen, met name op het gebied van belangrijke capaciteiten zoals strategische hulpmiddelen, en daartoe een routekaart op te stellen voor industriële samenwerking op defensiegebied;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>261.</NO.P>herinnert eraan dat zowel de EU als het VK wordt geconfronteerd met grote hybride dreigingen en inmenging van kwaadwillende actoren, in het bijzonder, maar niet uitsluitend, Rusland; acht het een goede zaak dat bestrijding van hybride dreigingen, waaronder buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging, en cyberbeveiliging als belangrijke samenwerkingsgebieden zijn aangemerkt tijdens de top EU-VK; is ingenomen met de cyberdialoog tussen de EU en het VK in het kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst; spoort zowel het VK als de EU aan de bestaande vruchtbare samenwerking en informatie-uitwisseling op het punt van geharmoniseerde definities en opsporing van dreigingen, vroegtijdige vaststelling en coördinatie van reacties op hybride campagnes, een meer gezamenlijke aanpak ten aanzien van afschrikkingsstrategieën tegen cyberdreigingen, en de opbouw van cyberweerbaarheid en cybercapaciteit uit te breiden en ook om meer goede praktijken uit te wisselen om de veiligheid en weerbaarheid van onze democratische samenlevingen, ook in de kandidaat-lidstaten van de EU, te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>262.</NO.P>is verheugd over de toezegging om de samenwerking te verbeteren bij de uitwisseling van informatie over situationeel bewustzijn, waaronder gerubriceerde informatie; wijst nogmaals op het belang van coördinatie en samenwerking tussen de EU en het VK op het gebied van militaire training, het delen van informatie en inlichtingen, en terrorismebestrijdingsoperaties, die essentieel zijn voor de Europese veiligheid; betreurt echter dat in het veiligheids- en defensiepartnerschap geen gewag wordt gemaakt van de uitwisseling van inlichtingen; is ingenomen met de gezamenlijke toezegging om de militaire mobiliteit te versterken, onder meer door de voltooiing van het TEN-T-netwerk en de modernisering van infrastructuur voor tweeërlei gebruik; benadrukt dat voorrang moet worden gegeven aan digitalisering bij grensovergangen en in de vervoersinfrastructuur om administratieve procedures te versnellen en verschillen in regelgeving en ontoereikende infrastructuur aan te pakken, die nog steeds een aanzienlijke belemmering vormen voor de snelle verplaatsing van troepen en uitrusting; herinnert eraan dat deze versterkte samenwerking tussen de EU en het VK bij militaire mobiliteit ook in het kader van de NAVO moet worden gerealiseerd door de regelgevingsaspecten te verbeteren, gezamenlijke oefeningen van de lidstaten en het VK uit te voeren en informatie over infrastructuurvereisten uit te wisselen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>263.</NO.P>juicht het toe dat er als cruciaal onderdeel van het veiligheids- en defensiepartnerschap nauwer wordt samengewerkt op het gebied van maritieme veiligheid, aangezien het dringend noodzakelijk is om de veiligheid van kritieke infrastructuur, waaronder energie en communicatie, te versterken en de vrijheid van scheepvaart te waarborgen; wijst op het strategisch belang van het veiligheids- en defensiepartnerschap voor de maritieme vervoerssector, vooral omdat daardoor kritieke vervoersinfrastructuur veerkrachtiger wordt gemaakt, hybride dreigingen worden tegengegaan en de cyberbeveiliging wordt versterkt, ook op het gebied van maritieme autonome oppervlakteschepen; dringt aan op nauwe coördinatie van de bescherming van schepen en havenfaciliteiten door de internationale code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten consistent en geharmoniseerd toe te passen; onderstreept dat voortdurende samenwerking noodzakelijk is om te reageren op de Russische schaduwvloot, en benadrukt dat de uitwisseling van informatie operationeel en de gegevens zelf actueel moeten zijn, zodat zowel de lidstaten als het VK tijdig kunnen ingrijpen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>264.</NO.P>is ingenomen met de toezegging van beide partijen om nauwer samen te werken op belangrijke terreinen, zoals maritieme veiligheid in de Rode Zee, duurzame en rechtvaardige vrede in het Midden-Oosten en stabilisering van de situatie in de Sahel, Sudan, de Democratische Republiek Congo en de Westelijke Balkan, alsook om de samenwerking in het noordpoolgebied te versterken; is ingenomen met de tijdens de top EU-VK gedane toezegging om de samenwerking op deze terreinen te verdiepen door middel van een meer gestructureerde dialoog en gezamenlijk optreden, en ook door samenwerking en coördinatie ter plekke; spoort de EU en het VK daarom aan ten volle gebruik te maken van het strategisch overleg dat in het kader van het strategisch defensiepartnerschap wordt gevoerd over Rusland/Oekraïne, de Indo-Pacifische regio, de Westelijke Balkan en hybride dreigingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>265.</NO.P>verzoekt de EU en het VK de internationale vrede en stabiliteit te versterken, onder meer door gezamenlijke strategieën te ontwikkelen om de inspanningen van de VN voor vredeshandhaving en crisisbeheersing te bevorderen; verzoekt beide partijen een cultuur van vrede en dialoog te bevorderen als middel voor conflictpreventie, conflictbeheersing en conflictoplossing, en als middel om vrouwen- en genderrechten te ondersteunen; is er voorstander van de huidige samenwerking op deze gebieden voort te zetten; pleit voor systematische preferentiële samenwerking tijdens vredeshandhavingsoperaties; betreurt het dat er met de Brexit een einde is gekomen aan de deelname van het VK aan missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, zoals EU Althea of Atalanta, en verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten en de autoriteiten van het VK actie te ondernemen om het VK daar weer aan te laten deelnemen in het kader van de praktische uitvoering van het veiligheids- en defensiepartnerschap; pleit voor betere samenwerking tussen de EU en het VK bij kwesties in verband met democratische ontwikkeling, hervormingsprocessen en de democratische parlementaire praktijk in derde landen, waaronder verkiezingswaarneming; is verheugd over de gezamenlijke wil om de consulaire samenwerking te versterken en zo de consulaire reactie op crises te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>266.</NO.P>onderstreept het belang van de op regels gebaseerde orde, waaronder volledige eerbiediging en naleving van het internationaal recht, met inbegrip van het VN-Handvest, het internationaal humanitair recht en de internationale mensenrechtenwetgeving, alsook multilateralisme; juicht het toe dat tijdens de top EU-VK daartoe nogmaals een gezamenlijke toezegging is gedaan, en roept op tot blijvende gezamenlijke inspanningen om deze orde te handhaven en te versterken in het licht van de toenemende mondiale instabiliteit; dringt aan op meer steun om ervoor te zorgen dat multinationale en regionale fora en instellingen soepel functioneren, met name die welke door recente geopolitieke verschuivingen zijn getroffen, zoals het ICC, dat een hoeksteen is van het internationale rechtssysteem, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa of de VN-Mensenrechtenraad;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>267.</NO.P>is verheugd over de recente toezegging van de EU en het VK, zoals verwoord in het gemeenschappelijk akkoord, om een regelmatige dialoog over ontwikkelingssamenwerking tot stand te brengen en de samenwerking op het gebied van internationale rampenbestrijding en humanitaire bijstand te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>268.</NO.P>prijst de voortdurende steun van het VK voor de Euro-Atlantische integratie en de stabiliteit en welvaart van de zes landen van de Westelijke Balkan, en ook zijn inzet voor het proces van Berlijn; dringt aan op verdere samenwerking tussen de EU en het VK bij het nastreven van gedeelde beleids- en veiligheidsdoelstellingen in het ruimere Oost-Europese nabuurschap, waaronder het Zwarte Zeegebied en de Westelijke Balkan, op basis van gedeeld situationeel bewustzijn, in het bijzonder bij het ondersteunen van de territoriale integriteit, soevereiniteit, stabiliteit en democratische veerkracht van de kandidaat-lidstaten van de EU; beveelt aan de balans op te maken van de lessen die zijn geleerd van 25 jaar betrokkenheid in de Westelijke Balkan en daarbij opnieuw de nadruk te leggen op het waarborgen van tastbare vorderingen en transformatieve hervormingen die de vooruitgang van de landen op weg naar EU-lidmaatschap zullen versnellen en zullen bijdragen tot een veiligere toekomst voor Europa; erkent de gezamenlijke rol die de EU en het VK spelen bij het handhaven van het vredesakkoord van Dayton en de bijlagen daarbij;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>269.</NO.P>verzoekt de EU en het VK samen te werken aan duurzame vrede in het Midden-Oosten, onder meer door steun te verlenen aan een politieke transitie en de bescherming van alle minderheden in Syrië en de straffeloosheid te bestrijden van alle partijen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van het internationaal humanitair recht in Syrië; juicht het toe dat de EU en het VK sinds jaar en dag samenwerken en inspanningen leveren om tot een staakt-het-vuren in Gaza te komen, en dringt met klem aan op de vrijlating van alle resterende gijzelaars, alsook op de inzet voor een tweestatenoplossing waarbij twee soevereine, democratische staten zij aan zij leven in vrede en gegarandeerde veiligheid, en met volledige eerbiediging van het internationaal recht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>270.</NO.P>dringt er bij de EU en het VK op aan snel uitvoering te geven aan en voort te bouwen op de oprichting van het veiligheids- en defensiepartnerschap door het potentieel ervan ten volle te benutten met concrete toezeggingen en maatregelen om het volledige toepassingsgebied en de voordelen ervan te verwezenlijken, onder meer via een interinstitutioneel kader uit hoofde van de Partnerschapsraad EU-VK en de dialoog tussen de EU en het VK over buitenlands beleid; merkt op dat er gezien het belang van de besluitvormingsautonomie van de EU nog moet worden onderhandeld over de begrotings- en regelgevingsvoorwaarden van het partnerschap;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>271.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van het Verenigd Koninkrijk.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>