<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2025)0309</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Toepassing van de Verdragsbepalingen inzake de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen en de rol van nationale parlementen in het EU-wetgevingsproces</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0224/2025 - Rapporteur: Marieke Ehlers)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2025 over de toepassing van de Verdragsbepalingen inzake de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen en de rol van nationale parlementen in het EU-wetgevingsproces (2025/2042(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name artikel 5 over bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit en evenredigheid, artikel 10, lid 1, over representatieve democratie, artikel 10, lid 2, over de vertegenwoordiging van de Europese burgers, artikel 10, lid 3, over het recht van de EU-burger om aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen, artikel 11 over participatiedemocratie en artikel 12 over de rol van de nationale parlementen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Protocol nr. 1 bij het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">1</STRING>PB C 202 van 7.6.2016, blz. 203, ELI: http://data.europa.eu/eli/treaty/tfeu_2016/pro_1/oj.</FIELD></FOOTNOTE> en Protocol nr. 2 bij het VEU en het VWEU over de toepassing van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">2</STRING>PB C 115 van 9.5.2008, blz. 206.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 2 tot en met 6, 15 en 122 van het VWEU,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resoluties van 7 mei 2009 over de ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van het Verdrag van Lissabon<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">3</STRING>PB C 212E van 5.8.2010, blz. 94.</FIELD></FOOTNOTE>, van 16 april 2014 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">4</STRING>PB C 443 van 22.12.2017, blz. 40.</FIELD></FOOTNOTE>, van 19 april 2018 over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nationale parlementen<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">5</STRING>PB C 390 van 18.11.2019, blz. 121.</FIELD></FOOTNOTE> en van 17 januari 2024 over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nationale parlementen<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">6</STRING>PB C, C/2024/5714, 17.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5714/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 22 november 2023 over ontwerpen van het Europees Parlement tot herziening van de Verdragen<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">7</STRING>PB C, C/2024/4216, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4216/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, met name de voorgestelde wijzigingen in verband met het subsidiariteitsbeginsel en Protocol nr. 2,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van 9 september 2024 van Mario Draghi over de toekomst van het Europese concurrentievermogen<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">8</STRING>Draghi, M., “The future of European Competitiveness”, Europese Commissie, 9 september 2024, https://commission.europa.eu/topics/eu-competitiveness/draghi-report_en#paragraph_47059.</FIELD></FOOTNOTE> (het rapport-Draghi),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de jaarverslagen van de Commissie over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en de betrekkingen met de nationale parlementen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het eindverslag van de taskforce inzake subsidiariteit, evenredigheid en “minder en efficiënter optreden” van 10 juli 2018<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">9</STRING>https://commission.europa.eu/document/download/8530a17b-e2b8-4cd4-a68d-597767cfbad7_en?filename=report-task-force-subsidiarity-proportionality-and-doing-less-more-efficiently_en.pdf.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 23 oktober 2018 getiteld “Een grotere rol voor de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bij de beleidsvorming van de EU” (COM(2018)0703),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A10-0224/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat artikel 5, lid 3, VEU als volgt luidt: “Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.”: overwegende dat dit beginsel het machtsevenwicht in de EU waarborgt; overwegende dat het in artikel 5, lid 4, VEU vervatte evenredigheidsbeginsel bepaalt dat de inhoud en de vorm van het EU-optreden niet verder mag gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de toepassing van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen essentieel is om de democratische legitimiteit en de impact en de efficiëntie van het wetgevend optreden van de EU te waarborgen; overwegende dat het van essentieel belang is dat de EU de diversiteit van haar lidstaten eerbiedigt en onnodige regeldruk voor de lidstaten en rechtspersonen vermijdt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat in de artikelen 2 tot en met 6 VWEU de exclusieve, gedeelde en ondersteunende bevoegdheden van de EU duidelijk zijn afgebakend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen voor de eerste keer expliciet zijn genoemd in het Verdrag van Maastricht, met als doel om het evenwicht te waarborgen tussen de toenemende bevoegdheden van de Europese Unie en de soevereiniteit van de lidstaten; overwegende dat de rol van de nationale parlementen werd versterkt door Protocol nr. 2 bij de Verdragen, toegevoegd met het Verdrag van Lissabon, dat een systeem voor vroegtijdige waarschuwing invoerde;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat er sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in 2009, 577 subsidiariteitstoetsen en met redenen omklede adviezen van nationale parlementen, 3 803 bijdragen van nationale parlementen, drie gele kaarten en geen oranje kaarten zijn ingediend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat, overeenkomstig de beginselen die zijn verankerd in het Verdrag van Lissabon, met name Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, het gehele institutionele kader van de EU consistente en aanhoudende inspanningen moet leveren om de actieve betrokkenheid van nationale parlementen bij het Europese besluitvormingsproces te waarborgen; overwegende dat de “gele” en “oranje kaart”-mechanismen waarin het Verdrag van Lissabon voorziet, moeten worden versterkt en dat moet worden nagedacht over een verdere verbetering van de doeltreffendheid van deze mechanismen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat alleen de eerste van de drie gelekaartprocedures heeft geleid tot intrekking van een voorstel voor een verordening<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">10</STRING>Voorstel voor een verordening van de Raad van 21 maart 2012 betreffende de uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting (COM(2012)0130).</FIELD></FOOTNOTE>, dat de tweede heeft geleid tot nauwere samenwerking tussen twintig lidstaten in plaats van unanieme invoering<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">11</STRING>De oprichting van een Europees Openbaar Ministerie (EOM): de gele kaart is in 2013 ingeroepen en de nauwere samenwerking is in 2017 aangenomen op grond van artikel 86 VWEU.</FIELD></FOOTNOTE> en dat de derde geen effect heeft gehad, ondanks de veertien met redenen omklede adviezen die door de parlementen van elf lidstaten waren ingediend<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">12</STRING>Richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 173 van 9.7.2018, blz. 16, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/957/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat het systeem voor vroegtijdige waarschuwing heeft geleid tot slechts twee procedures bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) om de juiste toepassing van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen te beoordelen; overwegende dat het HvJ-EU in beide gevallen heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een schending van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat een strikte naleving van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen door de Commissie en de medewetgevers kan helpen om de regeldruk te verlichten en zal bijdragen tot meer efficiëntie in het wetgevingsproces;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat volgens de vaste praktijk het roulerend voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie een parlementaire dimensie heeft, waarbij de nationale parlementen samen met het Europees Parlement deelnemen aan talrijke interparlementaire conferenties over uiteenlopende onderwerpen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de nationale parlementen deel uitmaken van het wetgevingsproces van de EU, zowel krachtens de specifieke bepalingen van Protocol nr. 2 bij het VWEU als door democratische controle uit te oefenen op hun respectieve nationale regeringen, die de belangen van de lidstaten in de Raad vertegenwoordigen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat artikel 122 VWEU is bedoeld om enkel in uitzonderlijke en crisissituaties te worden gebruikt en niet mag worden misbruikt als een manier om andere in de Verdragen vastgelegde procedures te omzeilen, met name omdat dit het Parlement zou uitsluiten en daardoor het vertrouwen van het publiek zou kunnen verzwakken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat het toezicht op de Commissie, als uitvoerend orgaan van de EU, zowel door het Europees Parlement als door de nationale parlementen moet worden uitgeoefend;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>bevestigt het fundamentele belang van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen voor het juridische en institutionele kader van de EU; herinnert eraan dat de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen essentiële elementen moeten zijn van de aanpak van de Commissie voor betere regelgeving, die is gebaseerd op de drie fundamentele processen van evaluatie, effectbeoordeling en raadpleging van belanghebbenden; wijst er nogmaals op dat eerbiediging van deze beginselen essentieel is voor het waarborgen van de verdeling van bevoegdheden en om ervoor te zorgen dat het optreden van de EU noodzakelijk en passend is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt dat de achterliggende gedachte van het subsidiariteitsbeginsel is ervoor te zorgen dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers worden genomen, waarbij het vermogen van de lidstaten om besluiten en maatregelen te nemen moet worden gewaarborgd en optreden van de EU is toegestaan wanneer de doelstellingen van dat optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter op het niveau van de EU kunnen worden verwezenlijkt “vanwege de omvang en de gevolgen van het overwogen optreden”, met als hoofddoel de doeltreffendheid te maximaliseren en te zorgen voor minder afstand tot de burger;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>herinnert eraan dat de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen vereisen dat maatregelen van de EU-instellingen niet verder gaan dan wat passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met EU-wetgeving worden nagestreefd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt dat het concept van “actieve subsidiariteit”, zoals ontwikkeld door de taskforce inzake subsidiariteit, evenredigheid en “minder en efficiënter optreden” (“de taskforce”), is gebaseerd op constructieve samenwerking tussen alle bestuursniveaus in alle stadia van de levenscyclus van EU-wetgeving, ten behoeve van EU-burgers;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Rol van de Commissie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>roept de Commissie op bij het voorstellen van wetgeving die onder de gedeelde bevoegdheden valt, te werk te gaan met passende zorgvuldigheid en discretie; roept de Commissie op de rechtsgrondslag voor EU-optreden duidelijk en grondig te definiëren, met volledige inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten en een juist gebruik van rechtsgrondslagen; onderstreept dat het gehele institutionele kader van de EU consistente en aanhoudende inspanningen moet leveren om de actieve betrokkenheid van nationale parlementen bij het Europese besluitvormingsproces te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>neemt met bezorgdheid kennis van de keuze van de Commissie voor artikel 122 VWEU als rechtsgrondslag voor het gebruik van 800 miljard EUR voor het ReArm Europe-plan/Readiness 2030-instrument; verzoekt de Commissie de rechtsgrondslag van dit initiatief te herzien; dringt er bij de Commissie op aan in alle toekomstige voorstellen artikel 122 VWEU te interpreteren zoals het aanvankelijk bedoeld was, namelijk als een oplossing in buitengewone en crisissituaties, en in de geest van het subsidiariteitsbeginsel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>benadrukt dat elk wetgevingsinitiatief van de Commissie dat onder gedeelde bevoegdheden valt, voorafgegaan moet worden door een grondige effectbeoordeling, waarbij met cijfers en argumenten wordt aangetoond dat doeltreffende maatregelen nodig zijn en dat de instrumenten die daarvoor zijn gekozen passend zijn; verlangt van de Commissie dat zij aan de hand van een vergelijkende analyse tussen de lidstaten uitdrukkelijk motiveert dat de harmonisatie van de wetgeving op EU-niveau een aanzienlijke toegevoegde waarde heeft en geen verkapte uitbreiding van bevoegdheden vormt; herinnert aan het voornemen van de Commissie, zoals verwoord in haar mededeling van 2018, om een beoordelingstabel op te nemen in haar richtsnoeren voor betere regelgeving en deze te gebruiken als onderdeel van de effectbeoordelingen, evaluaties en toelichtingen bij haar wetgevingsvoorstellen; betreurt dat dit tot dusver niet in praktijk is gebracht; verwelkomt in dit verband het subsidiariteitsschema dat het Europees Comité van de Regio’s heeft ontwikkeld en moedigt de Europese Commissie aan dit als basis te gebruiken voor haar subsidiariteitsbeoordelingen; dringt aan op een striktere controle op het gebruik van de artikelen 122 en 352 VWEU als rechtsgrondslag en dringt aan op een versterkte raadpleging vooraf van de nationale en regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden alvorens wetgeving op EU-niveau voor te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>neemt kennis van de bezorgdheid die de Commissie Europese Zaken<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">13</STRING>Le Sénat, Commission des affaires européennes, Dérive normative de l’Union européenne - Rapport d’information nr. 190 (2024-2025), 4 december 2024.</FIELD></FOOTNOTE> van de Franse Senaat unaniem heeft geuit over de zwakke rechtsgrondslag voor bepaalde wetgevingsinitiatieven van de EU, de toenemende neiging om verordeningen te verkiezen boven richtlijnen en het buitensporige gebruik van uitvoerings- of gedelegeerde handelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>herinnert eraan dat de Commissie uit hoofde van artikel 5 van Protocol nr. 2 bij de Verdragen een gedetailleerde beoordeling moet geven van de vraag of zij de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen heeft nageleefd; dringt er bij de Commissie op aan om samen met het Europees Parlement bij de opstelling van wetgevingsvoorstellen een systematischer analyse uit te voeren van de subsidiariteit en de evenredigheid; herinnert eraan dat subsidiariteitstoetsen essentieel zijn voor goed bestuur en niet mogen worden gereduceerd tot het afvinken van vakjes; dringt aan op meer transparantie bij de toepassing van deze beginselen, waarbij elk wetgevingsvoorstel een gedetailleerde rechtvaardiging van het EU-optreden en een toelichting op de toegevoegde waarde van de actie en de evenredigheid van de maatregelen ten opzichte van de doelstellingen moet bevatten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>merkt op dat de reacties van de Commissie op met redenen omklede adviezen zorgvuldig moeten worden bestudeerd, ook wanneer ze niet door een groot aantal nationale parlementen worden gesteund; benadrukt dat er altijd aandacht moet worden besteed aan de specifieke situatie in de afzonderlijke lidstaten, rekening houdend met de diversiteit van rechtstradities en de regionale verschillen in de EU; uit zijn bezorgdheid over het feit dat er weinig aanwijzingen zijn dat de Commissie haar voorstellen wezenlijk wijzigt naar aanleiding van met redenen omklede adviezen van nationale parlementen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>wĳst erop dat de uitvoering van nieuwe EU-wetgeving zeer hoge kosten met zich mee kan brengen voor gemeenten, met name in afgelegen of dunbevolkte gebieden; is van mening dat gemeenten over voldoende financiële middelen moeten beschikken om de EU-wetgeving ten uitvoer te leggen, zodat zij kunnen voldoen aan de nieuwe wettelijke normen van de EU; wijst erop dat deze financiële middelen moeten overeenstemmen met de uitvoeringskosten van de gemeenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>wijst erop dat nationale parlementen zelden gebruik hebben gemaakt van de gele- of oranjekaartprocedures; benadrukt dat dit niet het gevolg is van desinteresse van de nationale parlementen; merkt op dat er een aantal mogelijke verklaringen zijn voor het beperkte gebruik van de gele kaartprocedure, waaronder het gebrek aan transparantie in het EU-wetgevingsproces, het gebrek aan kennis over het EU-wetgevingsproces en tijdgebrek; is van mening dat parlementen die het instrument niet gebruiken, het moeilijker maken om de vereiste drempel te bereiken; is van mening dat de huidige procedure te omslachtig is en voor verbetering vatbaar is; herinnert in dit verband aan zijn eerdere voorstellen om de termijn voor “gele kaart”-procedures te verlengen tot twaalf weken en om in een breder verband na te denken over de mogelijkheid om het systeem voor vroegtijdige waarschuwing op te waarderen tot een instrument waarmee nationale parlementen vorm kunnen geven aan het EU-beleid; herinnert in dit verband aan zijn meest recente resolutie over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nationale parlementen, waarin het de lidstaten verzocht ervoor te zorgen dat de nationale parlementen over voldoende middelen beschikken om hun constitutionele toezichthoudende rol te vervullen en de nationale parlementen aanbeveelt het interparlementair EU-informatie-uitwisselingssysteem (IPEX) doeltreffender te gebruiken en hun regionale parlementen te betrekken bij het in werking stellen van het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>is verheugd over de invoering van informele procedures om de coördinatie tussen de Commissie, het Europees Parlement en de nationale parlementen te verbeteren, zoals de politieke dialoog, de rapporteursdialoog en de website getiteld “National Parliament opinions and Commissions replies”<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">14</STRING>https://national-parliaments-opinions.ec.europa.eu/home.</FIELD></FOOTNOTE>; dringt er bij de Commissie op aan om na te gaan hoe het overleg met de nationale parlementen over subsidiariteitskwesties verder kan worden verbeterd, bijvoorbeeld door de oprichting van een “centrale subsidiariteitshub” (SSH) op basis van het IPEX-platform, waar met redenen omklede adviezen, alsmede bijdragen, adviezen van het Europees Comité van de Regio’s, antwoorden van de Commissie, resoluties van het Europees Parlement en dergelijke worden verzameld, en daar vrij toegankelijk zijn; is van mening dat een SSH een geschikte plaats is voor de lidstaten om de Commissie te verzoeken ondersteunende of coördinerende wetgeving voor te stellen op een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten valt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>verwelkomt de recente inspanningen van de Commissie om het subsidiariteitsschema uit te breiden en te verbeteren als onderdeel van haar voorafgaande effectbeoordeling van EU-wetgeving met gebruikmaking van de toolkit voor betere regelgeving; verzoekt de Commissie de subsidiariteitsbeoordeling verder te integreren in haar beleidscyclus, onder meer door de subsidiariteitsevaluatie na interinstitutionele onderhandelingen uit te breiden indien de daaruit voortvloeiende wijzigingen dit vereisen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>wijst erop dat er bezorgdheid bestaat dat de contacten van de Commissie met de nationale parlementen beperkt zijn en te laat in het wetgevingsproces plaatsvinden, waardoor de mogelijkheden van de nationale parlementen om invloed uit te oefenen op wetgevingsvoorstellen worden beperkt; dringt er bij de Commissie op aan om de nationale parlementen al in een eerder stadium om hun inbreng te vragen, en meer in het bijzonder bij de raadplegingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>is van mening dat de formele en informele interparlementaire dialoog in een eerder stadium van het wetgevingsproces van cruciaal belang is voor de correcte omzetting van het subsidiariteitsbeginsel; is van mening dat dit de vorm kan aannemen van maandelijkse of driemaandelijkse bijeenkomsten tussen leden van het Europees Parlement (EP-leden) en parlementsleden in de geest van artikel 9 van Protocol nr. 1;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>verzoekt de Commissie altijd zorgvuldig na te gaan of een betere coördinatie met de nationale autoriteiten op bepaalde gebieden een betere oplossing zou zijn dan de oprichting van nieuwe transnationale agentschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>benadrukt dat parlementen een sleutelrol spelen in het hart van de democratie en acht het noodzakelijk dat de duidelijke bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende niveaus van de Europese liberale democratie, te weten het lokale, het regionale, het nationale en het Europese niveau, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 5 VEU, wordt geëerbiedigd, teneinde de democratische legitimiteit en een efficiënt besluitvormingsproces te waarborgen en het vertrouwen en de samenwerking tussen parlementen op verschillende niveaus te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>verzoekt de Commissie meer rekening te houden met de adviezen van het Europees Comité van de Regio’s via het netwerk voor subsidiariteitstoezicht, dat is opgericht voor het vergemakkelijken van de uitwisseling van informatie tussen regionale en lokale overheden en de EU over de verschillende wetgevingsvoorstellen die na de goedkeuring ervan rechtstreekse gevolgen zullen hebben voor deze organen en voor het beleid waarvoor zij verantwoordelijk zijn;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Rol van de nationale parlementen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt dat de nationale parlementen een centrale rol spelen bij de naleving van het subsidiariteitsbeginsel door de EU en dat het wetgevingsproces de geldigheid en de democratische legitimiteit van de EU en haar wetgevingsinitiatieven vergroot; benadrukt dat de EU-wetgeving voortdurend moet worden getoetst en dat nationale parlementen hier actiever aan moeten deelnemen via de mechanismen waarin de Verdragen voorzien, waaronder de gele- en oranjekaartprocedures; moedigt de nationale parlementen aan hun capaciteit te vergroten om EU-maatregelen effectief te toetsen en aan te vechten op grond van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen, teneinde wetgevingsvoorstellen grondiger en in een vroeger stadium te kunnen controleren en ervoor te zorgen dat EU-wetgevingsvoorstellen het machtsevenwicht en de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar lidstaten eerbiedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>herinnert eraan dat de nationale parlementen democratische controle uitoefenen op hun respectieve nationale regeringen, die de belangen van de lidstaten in de Raad vertegenwoordigen; benadrukt dat sommige lidstaten zorgen voor een actievere deelname van hun nationale en/of regionale parlementen aan het Europese wetgevingsproces, bijvoorbeeld door gebruik te maken van parlementaire voorbehouden; moedigt alle lidstaten aan maatregelen te nemen om te zorgen voor een actievere deelname van de nationale parlementen aan de vorming van hun nationale standpunten, teneinde de democratische legitimiteit van de beraadslagingen van de Raad te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>is ingenomen met de bijdragen van de 72e plenaire vergadering van de Conferentie van parlementaire commissies voor Unieaangelegenheden (COSAC)<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">15</STRING>https://secure.ipex.eu/IPEXL-WEB/download/file/8a8629a8930500d90193061cc8e70006/LXXII%20COSAC%20Contribution%20EN.pdf.</FIELD></FOOTNOTE>, waarin werd aanbevolen de subsidiariteitscontrole door de nationale parlementen te versterken door de termijn voor het indienen van adviezen van acht weken tot tien weken te verlengen en de drempel voor het geven van een gele kaart te verlagen tot een kwart van de uitgebrachte stemmen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>dringt erop aan de rol van nationale parlementen in de EU te versterken door de transparantie, dialoog en samenwerkingsmechanismen tussen nationale parlementen en de Europese te versterken; benadrukt dat de nationale parlementen weliswaar geen formele rechtstreekse bevoegdheden hebben ten aanzien van de Commissie, zoals het Europees Parlement die wel heeft, maar dat hun politieke invloed moet worden versterkt om te zorgen voor meer transparantie en een grotere legitimiteit van de Commissie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>is van mening dat de nationale parlementen een positievere en meer proactieve rol moeten krijgen door bijvoorbeeld een groene kaart in te voeren met lagere drempels; dringt er voorts op aan om in het kader van de volgende herziening van de Verdragen de huidige termijn van acht weken waarbinnen de nationale parlementen met redenen omklede adviezen uit hoofde van artikel 4 van Protocol nr. 1 moeten indienen te verlengen tot twaalf weken; herinnert eraan dat de Commissie reeds heeft voorzien in een zekere flexibiliteit in de termijnen, door de periode tussen 20 december en 10 januari niet mee te tellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>herhaalt dat de structurele samenwerking van de EU-wetgever met nationale, regionale en lokale wetgevers moet worden versterkt; benadrukt dat de “Europese parlementaire week” en de interparlementaire commissievergaderingen in dit verband een belangrijke rol spelen; is van mening dat de verdere ontwikkeling van een uitgebreide jaarlijkse Europese parlementaire week de EP-leden, leden van de Commissie en ministers van de fungerende voorzitterschappen van de Raad in staat zou stellen te verschijnen voor alle nationale en, in voorkomend geval, regionale parlementen om samen met nationale parlementsleden de Europese agenda te bespreken en toe te lichten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>stelt voor om een discussie op gang te brengen over het opstellen van een gezamenlijke politieke verklaring of kaderakkoord tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement over de organisatie van de voorgestelde Europese parlementaire week, om te zorgen voor een coherenter kader voor samenwerking op politiek, institutioneel en administratief niveau; is van mening dat de voorgestelde Europese parlementaire week moet aansluiten bij de huidige en eerdere fora, zoals de parlementaire week van de Conferentie over het Europees Semester, de interparlementaire conferentie over stabiliteit, economische coördinatie en bestuur in de Europese Unie, alsook de Conferentie over de toekomst van Europa; is voorts van mening dat vergaderingen van politieke stromingen en bijeenkomsten van partijleden tussen en binnen nationale en Europese fracties in het kader van interparlementaire samenwerking in de EU toegevoegde waarde zouden kunnen opleveren in de vorm van een echt Europees politiek debat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>is van mening dat uit het beperkte gebruik van de gelekaartprocedure en de ondoeltreffendheid van de oranjekaartprocedure blijkt dat er nog ruimte voor verbetering is en dat deze procedures hun beperkingen hebben omdat ze niet verbindend zijn voor de wetgevingsvoorstellen van de Commissie; is van mening dat in dit verband een betere coördinatie tussen de nationale parlementen mogelijk is; benadrukt dat een betere samenwerking tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement zou leiden tot een actievere betrokkenheid bij de wetgevingsvoorstellen van de EU, en dat samenwerking via nationale regeringen als intermediairs zou zorgen voor een grotere rol voor de nationale parlementen bij het vormgeven van EU-wetgeving;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>benadrukt de belangrijke rol van regionale en lokale gemeenschappen en dringt er bij de Commissie op aan na te gaan hoe hun inbreng beter kan worden meegenomen in wetgevingsvoorstellen en in de evaluatie van huidige EU-wetgeving; is in dit verband van mening dat de Commissie de organisatie van openbare raadplegingen op lokaal en regionaal niveau moet ondersteunen en de rol en participatie van burgers in de beleidsvorming van de EU moet vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>moedigt de EU-instellingen en regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden aan om zich actiever in te zetten en meer rechtstreekse interacties te onderhouden met elkaar, en daarbij de rol en bevoegdheden van de nationale parlementen ten volle in acht te nemen; roept de nationale parlementen op om in hun definitieve met redenen omklede adviezen die naar de voorzitters van het Parlement, de Raad en de Commissie worden verstuurd, de met redenen omklede adviezen op te nemen van regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden wanneer er gevolgen zijn voor exclusieve bevoegdheden op regionaal niveau; herhaalt dat artikel 12 VEU en Protocol nr. 1 de nationale parlementen het recht geven om rechtstreeks informatie te ontvangen van de EU-instellingen; is van mening dat het recht op informatie uitgebreid moet worden tot regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>roept de Commissie op om, overeenkomstig de aanbevelingen van het rapport-Draghi, een onderzoek in de hele EU te starten om de redenen voor de beperkte uitoefening van de controlebevoegdheid van de nationale parlementen met betrekking tot subsidiariteit vast te stellen en te analyseren; moedigt de Commissie aan om voort te bouwen op de deskundigheid en ervaring van nationale en regionale autoriteiten met betrekking tot de omzetting en uitvoering van EU-wetgeving;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Rol van het HvJ-EU</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>benadrukt dat het HvJ-EU een cruciale rol vervult bij de toepassing en uitlegging van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen in het rechtskader van de EU; benadrukt dat het subsidiariteitsbeginsel sinds de invoering ervan als algemeen beginsel niet meer aan een intensieve rechterlijke toetsing door het HvJ-EU is onderworpen; wijst erop dat de advocaten-generaal in hun conclusies weinig aandacht besteden aan subsidiariteitsargumenten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>waarschuwt dat de kennelijke terughoudendheid van het HvJ-EU om subsidiariteit af te dwingen, ertoe kan leiden dat de lidstaten terughoudend zijn om het HvJ-EU überhaupt te benaderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>beveelt de Commissie aan om er bij haar overleg met de lidstaten op toe te zien dat de regeringen met bewijzen staven dat zij rekening houden met de standpunten van de nationale en regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>wijst erop dat het HvJ-EU terughoudend lijkt te zijn om subsidiariteit krachtig te handhaven als een zinvolle beperking van het wetgevende optreden van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>neemt er nota van dat het HvJ-EU ook gebonden is door het subsidiariteitsbeginsel wanneer het zaken interpreteert die onder gedeelde bevoegdheden vallen, aangezien de rechterlijke interpretatie van wetgeving neerkomt op het maken van wetten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>neemt nota van de uitlegging van het HvJ-EU dat het niet in aanmerking nemen van de bijzondere situatie van een of meer lidstaten bij de beoordeling van een wetgevingsinitiatief geen schending van het evenredigheidsbeginsel inhoudt<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">16 </STRING>Arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 2015, Republiek Estland tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, C-508/13, ECLI:EU:C:2015:403.</FIELD></FOOTNOTE>; dringt erop aan dat de individuele bijzondere situatie van de lidstaten relevant is voor het opstellen van wetgeving voor de EU als geheel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het arrest van het HvJ-EU dat het niet uitvoeren van een effectbeoordeling niet kan worden beschouwd als een schending van het evenredigheidsbeginsel<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">17</STRING>Arrest van het Hof van Justitie van 3 december 2019, Tsjechische Republiek tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, C-482/17, ECLI:EU:C:2019:1035.</FIELD></FOOTNOTE>; roept de Commissie op om zonder uitzondering effectbeoordelingen uit te voeren en ervoor te zorgen dat, als het toepassingsgebied van het wetgevingsvoorstel verandert, de Commissie een nieuw wetgevingsvoorstel indient;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>benadrukt dat inachtneming van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen essentieel is voor het vertrouwen van de burgers in de EU en haar wetgeving, en dat dit duidelijker aan het publiek moet worden meegedeeld bij de communicatie over afzonderlijke wetgevingsinitiatieven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>herhaalt dat effectbeoordelingen gebaseerd moeten zijn op nauwkeurige, objectieve en volledige informatie; beschouwt het dan ook als essentieel dat de EU-medewetgevers de inbreng bijeenbrengen van de lokale en regionale overheden, die in staat zijn de meest nauwkeurige informatie over verschillende kwesties te verstrekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>dringt aan op een enquête onder de nationale parlementen om na te gaan welke factoren van invloed zijn op hun gebruik van de gelekaartprocedure en hoe zij de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel in de besluitvorming van de EU ervaren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>acht het zinvol een enquête te houden onder nationale wetgevende instanties om hun feedback te krijgen over de toepassing van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen; stelt daarom voor dat de Commissie een dergelijke enquête houdt om vast te stellen op welke gebieden en in hoeverre nationale wetgevende instanties het voortouw moeten nemen bij veranderingen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Slotopmerkingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>dringt aan op een duidelijkere en consequentere definitie en toepassing van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen, waarbij rekening wordt gehouden met de door de taskforce ontwikkelde actieve benadering van subsidiariteit en ervoor wordt gezorgd dat alle EU-instellingen in het wetgevingsproces een gedeelde opvatting van deze fundamentele beginselen hanteren; stelt voor een discussie te starten over de oprichting van een “subsidiariteitsrechtbank” als onderdeel van een toekomstige herziening van het Verdrag;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>verlangt dat lacunes worden gedicht met het oog op meer transparantie bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen door de Commissie, met inbegrip van een eerdere betrokkenheid van nationale parlementen om ervoor te zorgen dat subsidiariteitskwesties adequaat worden aangepakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>onderschrijft de conclusie van het rapport-Draghi dat het beleid en de wetgeving van de EU zich moeten concentreren op gebieden waar de EU “echt” een grotere toegevoegde waarde heeft dan nationale of subnationale beleidsmaatregelen; dringt er verder bij de EU-instellingen op aan om bij de beleidsvorming het beginsel van zelfbeheersing te hanteren door toekomstige initiatieven zorgvuldiger te selecteren en de huidige wetgeving te stroomlijnen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>is van mening dat de huidige EU-wetgeving regelmatig moet worden beoordeeld op evenredigheid en geschiktheid voor de moderne realiteit; benadrukt dat artificiële intelligentie een belangrijke rol kan spelen bij het opsporen van juridische inconsistenties of onevenredige effecten, en zo de inachtneming kan vergemakkelijken en, waar nodig, onevenredige effecten kan aanpakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>is er voorstander van dat alle in het kader van Protocol nr. 1 bij het Verdrag van Lissabon door de nationale parlementen en het Europees Parlement ontwikkelde interparlementaire activiteiten (met inbegrip van COSAC, IPEX, ECPOD enz.) beter worden benut, en met gebruikmaking van synergieën worden geïntegreerd ten behoeve van een betere toepassing van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>wijst erop dat leden van het Europees Parlement, die rechtstreeks verkozen zijn door de Europese burgers, veel invloed kunnen uitoefenen op de vaststelling van de wetgevingsagenda van de EU; verbindt zich ertoe gebruik te maken van het initiatiefrecht uit hoofde van artikel 225 VWEU om voorstellen in te dienen tot intrekking van wetgeving teneinde de regelgevingslast te verminderen, met volledige inachtneming van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>herhaalt dat eerbiediging van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen betere wetgeving vergemakkelijkt en regelgevingslasten en bureaucratische rompslomp vermindert; dringt erop aan dat de Commissie vóór het indienen van een wetgevingsvoorstel moet beoordelen of het gewenste positieve effect op lokaal, regionaal of nationaal niveau kan worden bereikt en dat, als er onzekerheid bestaat over het meest geschikte niveau voor actie, er een weerlegbaar vermoeden ten gunste van lagere bestuursniveaus moet zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>onderstreept de conclusies van de taskforce dat de Commissie en de medewetgevers hun inspanningen moeten concentreren op de effectievere uitvoering van wetgeving in plaats van nieuwe wetgeving te initiëren of de huidige wetgeving voortdurend te wijzigen op gebieden waar de huidige wetgeving verouderd is en/of onlangs ingrijpend is herzien;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de nationale parlementen.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>