<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0003</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Richtlijn voor een rechtvaardige transitie in de arbeidswereld: voor nieuwe banen zorgen en lokale economieën nieuw leven inblazen</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0261/2025 - Rapporteur: Jana Toom)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2026 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende een richtlijn voor een rechtvaardige transitie in de arbeidswereld: voor nieuwe banen zorgen en lokale economieën nieuw leven inblazen (2025/2131(INL))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 153 en 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 47 en 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 4, 9, 46, 149, 151, 153, 162, 164, 174 tot en met 178 en 349 VWEU,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 4 maart 2021 over het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten (COM(2021)0102),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit<FOOTNOTE><FIELD> PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17.</FIELD></FOOTNOTE> (Recovery and Resilience Facility – RRF),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE> (Just Transition Fund – JTF),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013<FOOTNOTE><FIELD> PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/691 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EFG) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1309/2013<FOOTNOTE><FIELD> PB L 153 van 3.5.2021, blz. 48.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2023/955 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot oprichting van een sociaal klimaatfonds en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1060<FOOTNOTE><FIELD> PB L 130 van 16.5.2023, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad<FOOTNOTE><FIELD> PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de briefing over de beoordeling van de Europese meerwaarde van september 2025, getiteld “Just transition directive in the world of work: ensuring the creation of jobs and revitalising local economies” (richtlijn voor een rechtvaardige transitie in de arbeidswereld: voor nieuwe banen zorgen en lokale economieën nieuw leven inblazen),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 november 2023 over het scheppen van werkgelegenheid: rechtvaardige transitie en investeren met impact,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de resolutie van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) over een rechtvaardige transitie naar ecologisch duurzame economieën en samenlevingen voor iedereen<FOOTNOTE><FIELD> ILC.111/resolutie V, 16 juni 2023.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van Enrico Letta van 10 april 2024 getiteld “Much more than a market” (Veel meer dan een markt) (het rapport-Letta),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van Mario Draghi van 9 september 2024 getiteld “The future of European competitiveness” (De toekomst van het Europese concurrentievermogen) (het rapport-Draghi),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de routekaart voor hoogwaardige banen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 10 september 2025 over de rol van het cohesiebeleid bij de ondersteuning van de rechtvaardige transitie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad inzake het garanderen van een eerlijke transitie naar klimaatneutraliteit van 2022,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad inzake het garanderen van een eerlijke transitie naar klimaatneutraliteit van 2022 en de kernboodschappen van het EMCO en het SPC over de uitvoering hiervan,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 17 december 2020 over een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 9 september 2025 over overheidsopdrachten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de politieke beleidslijnen voor de Europese Commissie 2024-2029,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2025 over de Clean Industrial Deal (COM(2025)0085),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van juli 2025 getiteld “Kader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de Clean Industrial Deal” (C/2025/3602),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van Terhulpen over de toekomst van de Europese pijler van sociale rechten van 16 april 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies over de dimensies van de kwaliteit van banen van het Comité voor de werkgelegenheid (EMCO) van de Raad van de Europese Unie van 6 juni 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld “Wetgevingsvoorstel voor een rechtvaardige transitie en EU-beleidsinstrumenten voor een socialere Europese Green Deal” van 4 december 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A10-0261/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de groene en de digitale transitie op verschillende manieren ingrijpende veranderingen teweegbrengen in economieën, samenlevingen, regio’s en de arbeidswereld in Europa, waardoor uitgebreide maatregelen op het gebied van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid nodig zijn om nadelige effecten te voorkomen en de economische, sociale en territoriale cohesie te bevorderen; overwegende dat een doeltreffende overgang naar een klimaatneutrale en gedigitaliseerde economie en een vermindering van de afhankelijkheid van derde landen voor de energievoorziening van groot belang zijn om welvaart, welzijn, duurzaamheid en groei en het concurrentievermogen van Europa op lange termijn te waarborgen; overwegende dat het uiteindelijke succes van de groene en de digitale transitie in hoge mate zal afhangen van de vraag of deze transities op rechtvaardige en inclusieve wijze verlopen voor werknemers, bedrijven en regio’s, en of zij bijdragen aan sociale rechtvaardigheid voor iedereen, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbaren, om ervoor te zorgen dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten; overwegende dat een eerlijke transitie alleen al 261 miljard EUR per jaar aan voordelen zou kunnen opleveren, met name doordat sociale ongelijkheden en regionale verschillen worden aangepakt<FOOTNOTE><FIELD> https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/BRIE/2025/774668/EPRS_BRI(2025)774668_EN.pdf.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat de trajecten van de getroffen regio’s zullen verschillen, op basis van ieders economische en sociale realiteit;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de gevolgen van de dubbele transitie voor de werkgelegenheid in de Unie asymmetrisch zijn en dat de sociaal-economische gevolgen sterk verschillen per regio; overwegende dat er een ruimtelijke uitdaging ontstaat, aangezien banen in de moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie kunnen worden gecreëerd in andere regio’s dan degene waar banen verloren gaan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de transities zodanig moeten worden beheerd dat sociale inclusie wordt gewaarborgd, armoede en ongelijkheid worden teruggedrongen en het potentieel wordt benut om hoogwaardige banen te scheppen, democratie op het werk te bevorderen, de rechten van werknemers te beschermen en de arbeidsvoorwaarden in de getroffen sectoren te verbeteren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de arbeidsmarkten in de EU nog steeds territoriaal verdeeld liggen en dat arbeidskwaliteit en arbeidsovereenkomsten wijzen op een toename van atypische vormen van werk, met name onder jongeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat bij de transitie naar een koolstofneutrale economie niet alleen nieuwe, hoogwaardige banen moeten worden gecreëerd in opkomende sectoren, maar dat ook bestaande banen en sectoren behouden moeten blijven en omgevormd moeten worden, om te komen tot meer duurzame en schone industrieën en technologieën, ten behoeve van de mensen, met name degenen die in de gebieden wonen waar dit meer speelt; overwegende dat bijzondere aandacht voor regio’s en industrieën die afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen van cruciaal belang is, aangezien deze opnieuw moeten worden vormgegeven om aan de klimaatverbintenissen van de Unie te voldoen; overwegende dat het belangrijk is dat iedereen, ook werknemers en werkzoekenden, gesteund wordt bij het omgaan met transities, omdat dat bijdraagt aan het begrip voor, de acceptatie van en de doeltreffendheid van de doelstellingen van de langetermijnstrategie voor 2050; overwegende dat, zoals blijkt uit onderzoek van Eurofound<FOOTNOTE><FIELD> Eurofound (2024), “Creating a new social contract for the just transition: Is partnership working?”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.</FIELD></FOOTNOTE>, een brede betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, de sociale partners en overheidsinstanties bij het transitieproces van cruciaal belang is om de opbrengsten van economische activiteiten en middelen veilig te stellen en eerlijk te verdelen, en om conflicten te beheersen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat voor de economische transformatie van Europa een sterke focus op concurrentievermogen en groei is vereist; overwegende dat ondernemers en banenscheppers de juiste voorwaarden moeten krijgen om te investeren en uit te breiden, en dat het waarborgen van een efficiënt gebruik van middelen van essentieel belang is om particuliere investeringen aan te trekken; overwegende dat het van belang is dat burgers, zowel in stedelijke als plattelandsgebieden, betrokken zijn bij en hun steun geven aan een rechtvaardige transitie die concurrentiekracht en solidariteit met elkaar in evenwicht brengt, en dat zij erop kunnen vertrouwen dat hun baan, bijdrage en levenswijze worden gewaarborgd zodat niemand aan zijn lot wordt overgelaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat enkele belangrijke wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven van de Unie gericht zijn op of kunnen bijdragen tot het aanpakken van de gevolgen van de dubbele transitie (met name het mechanisme voor een rechtvaardige transitie, het JTF, het EFG, de Unie van vaardigheden, het Sociaal Klimaatfonds, het ESF+ en het RRF) en het vergroten van het concurrentievermogen, maar dat er nog steeds sprake is van lacunes in het wetgevings- en beleidskader als het gaat om verstoringen op de werkplek, werknemersrechten, sociale bescherming, sociale dialoog en onderwijs- en opleidingsmogelijkheden; overwegende dat alleen maatregelen op het niveau van de Unie kunnen zorgen voor echte toegevoegde waarde en gelijktijdige opwaartse sociale convergentie, zodat de belofte “niemand aan zijn lot over te laten” kan worden gerealiseerd, rekening houdend met nationale arbeidsmarktmodellen en tradities;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat in het rapport-Draghi wordt geconstateerd dat de aanhoudende tekorten aan vakkrachten een belemmering vormen voor innovatie, toepassing van nieuwe technologieën en decarbonisatie-inspanningen, en daardoor ook in de weg staan aan groei en het waarborgen van het concurrentievermogen; overwegende dat bijna vier op de vijf kleine en middelgrote ondernemingen in de EU aangeven moeite te hebben om werknemers met de juiste vaardigheden te vinden; overwegende dat door een achteruitgang in onderwijs- en opleidingsstelsels, met name volwassenenonderwijs en -opleiding, de beroepsbevolking niet wordt voorbereid op de dubbele transitie; overwegende dat de deelname aan volwassenenonderwijs ontoereikend blijft, aangezien slechts 39,5 % van de volwassenen jaarlijks een opleiding volgt<FOOTNOTE><FIELD> https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX%3A52025DC0090.</FIELD></FOOTNOTE>, ver onder het doel van ten minste 60 % voor 2030, en ongeveer 50 miljoen meer werknemers een opleiding zouden moeten volgen om dat te bereiken<FOOTNOTE><FIELD> Rapport-Draghi, blz. 37.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de EU, door in de ontwikkeling van hooggekwalificeerde vaardigheden te investeren, een positieve cyclus van hogere productiviteit, hogere lonen en meer economische gelijkheid kan bevorderen; overwegende dat bijna 50 % van de volwassenen mogelijk bij- of omscholing nodig heeft<FOOTNOTE><FIELD> https://www.cedefop.europa.eu/nl/publications/4223#group-downloads.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat de energiesector van de EU alleen al tegen 2030 ten minste 145 000 geschoolde arbeidskrachten nodig zal hebben<FOOTNOTE><FIELD> https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/4826f429-0545-11f0-b1a3-01aa75ed71a1/language-nl.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat schone technologie een van de aanjagers van economische welvaart in Europa is, goed voor 30 % van de groei in de EU en de creatie van miljoenen banen in 2023 alleen<FOOTNOTE><FIELD> https://www.cedefop.europa.eu/en/news/green-transition-creates-more-jobs-it-destroys.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de Europese strategieën voor vaardigheden, concurrentievermogen en investeringen kansen moeten creëren voor zowel grote ondernemingen als kmo’s, terwijl ook rekening wordt gehouden met nationale, regionale en lokale behoeften; overwegende dat beleidsmaatregelen ter versterking van de industriële capaciteit, ter bevordering van ondernemerschap en voor de totstandbrenging van een beroepsbevolking met vaardigheden die zijn aangepast aan de lokale realiteit, van essentieel belang zijn om ervoor te zorgen dat alle Europeanen baat kunnen hebben van groei en innovatie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat adequaat gefinancierde stelsels van sociale zekerheid en sociale bescherming een noodzakelijke voorwaarde zijn om een eerlijke en rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit en digitale transformatie te waarborgen; overwegende dat in het rapport-Draghi verder wordt benadrukt dat productiviteitsgroei en sociale inclusie hand in hand moeten gaan met de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten, die van cruciaal belang zijn voor sterke openbare diensten, sociale bescherming, huisvesting, vervoer en kinderopvang tijdens de transitie; overwegende dat hoogwaardige banen, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, toegang tot sociale bescherming, sociale dialoog en collectieve onderhandelingen een cruciale rol spelen bij het aantrekken en behouden van arbeidskrachten en belangrijk zijn voor het concurrentievermogen van de Unie en de democratie op de werkplek;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat volgens het verslag van de Commissie over werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa 2024<FOOTNOTE><FIELD> https://employment-social-affairs.ec.europa.eu/employment-and-social-developments-europe-2024-upward-social-convergence-eu-and-role-social_en.</FIELD></FOOTNOTE> beperkingen op de deelname aan volwassenenonderwijs en -opleiding onder andere verband houden met het feit dat opleidingen niet nodig worden geacht, dat het aanbod ontoereikend is of dat zich moeilijkheden voordoen bij de toegang tot relevante kwaliteitsopleiding, dat opleidingen niet verenigbaar zijn met de dienstregeling of met gezinstaken, en dat er financiële beperkingen zijn; overwegende dat de EU er in het rapport-Draghi toe wordt opgeroepen ervoor te zorgen dat alle werknemers recht hebben op onderwijs en omscholing, zodat zij kunnen overstappen op een nieuwe functie naarmate hun bedrijven nieuwe technologie invoeren of op een hoogwaardige baan in nieuwe sectoren<FOOTNOTE><FIELD> Rapport-Draghi, blz. 19.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat een geïntegreerde beleidsmix waarin onderwijs en de ontwikkeling van vaardigheden, financiën en industriebeleid worden gecombineerd, van cruciaal belang is voor Europa’s concurrentievermogen, sociale weerbaarheid en billijkheid, strategische autonomie, investeringen en het scheppen van duurzame banen; overwegende dat de groene en de digitale transitie aanzienlijke investeringen vereisen in omscholing, bijscholing, beroepsonderwijs en -opleiding en een leven lang leren om werknemers de specifieke technische vaardigheden voor elk beroep en de vereiste zachte vaardigheden bij te brengen; overwegende dat oudere, laaggeschoolde en vrouwelijke werknemers te maken kunnen krijgen met grotere belemmeringen bij het “bijscholen” en meedingen naar nieuwe banen; overwegende dat inspanningen op het gebied van onderwijs en opleiding daarom nauw gekoppeld moeten zijn aan beleid voor een rechtvaardige transitie; overwegende dat kwetsbare werknemers en kansarme gemeenschappen doelgerichte steun nodig hebben om ervoor te zorgen dat zij niet aan hun lot worden overgelaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat er nog steeds grote economische verschillen bestaan tussen de EU-lidstaten en -regio’s, met grote verschillen in bbp sinds 2012, die verband houden met het aandeel van de industrie in de economische activiteit;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat in het rapport-Letta wordt gesteld dat de vrijheid van verkeer en de “vrijheid om te blijven” twee zijden van dezelfde medaille zijn en samen moeten worden ontwikkeld; overwegende dat in het rapport-Letta wordt gesteld dat vrij verkeer een vrije keuze moet zijn, en niet een noodzaak om het gebrek aan banen in sommige regio’s te compenseren; overwegende dat in het rapport wordt benadrukt dat kansen moeten worden geboden aan burgers in alle regio’s, met name in plattelandsgebieden, waarbij er behoefte is aan hoogwaardige banen, en dat ongelijkheden binnen en tussen landen moeten worden aangepakt<FOOTNOTE><FIELD> https://cohesiondata.ec.europa.eu/stories/s/py4s-5ad4.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat als de groene transitie niet adequaat wordt vormgegeven en ondersteund, zij kwetsbare regio’s in Oost- en Zuid-Europa onevenredig zwaar<FOOTNOTE><FIELD> https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/24c7aa49-2451-11ee-94cb-01aa75ed71a1/language-nl.</FIELD></FOOTNOTE> kan treffen wat het risico op werkloosheid en banenverlies betreft; overwegende dat er voor steenkoolafhankelijke gebieden nog een extra laag kwetsbaarheid bijkomt, met een arbeidsparticipatie die 10-15 % onder het EU-gemiddelde ligt<FOOTNOTE><FIELD> https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2025/759354/CASP_STU(2025)759354_EN.pdf.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat de routekaart voor hoogwaardige banen naar verwachting maatregelen zal bevorderen die de lidstaten en industrieën ondersteunen bij het bieden van behoorlijke arbeidsomstandigheden en toegang tot opleiding, het vaststellen van strenge normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk, het waarborgen van eerlijke loopbaanovergangen voor werknemers en met name zelfstandigen en van collectieve onderhandelingen, teneinde talenten aan te trekken en bij te dragen aan het concurrentievermogen van de Europese industrieën; overwegende dat in dit verband van de Commissie wordt verwacht met de sociale partners een kader te bespreken om herstructureringsprocessen op het niveau van de EU en de lidstaten te ondersteunen; overwegende dat dit kader betrekking zal hebben op een rechtvaardige transitie, anticipatie op veranderingen, vroegtijdige interventie ingeval herstructurering dreigt en betere informatie en raadpleging;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat de administratieve en technische capaciteit van lokale belanghebbenden die betrokken zijn bij het ontwerp en de uitvoering van de rechtvaardige transitie moet worden versterkt; overwegende dat de lidstaten nog steeds voor aanzienlijke uitdagingen staan bij het doeltreffend beheer en de doeltreffende uitvoering van de EU-fondsen op lokaal niveau en bij de beoordeling van de verschillende effecten van het klimaatbeleid; overwegende dat de uitvoering van het Fonds voor een rechtvaardige transitie traag verloopt, zoals blijkt uit het betalingspercentage van slechts 32,2 % tegen eind 2024<FOOTNOTE><FIELD> Just Transition Mechanism — Performance 2025, Europese Commissie.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat het aantal door het JTF gecreëerde banen niet op schema ligt om het aantal banen te dekken dat naar verwachting verloren zal gaan naarmate koolstofintensieve industrieën op schonere technologieën overschakelen; overwegende dat kmo’s de ruggengraat van de Europese economie vormen en een groot deel van de permanente lokale banen creëren; overwegende dat er behoefte is aan specifieke bepalingen voor kmo’s om hun rol in de rechtvaardige transitie te versterken;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt dat een succesvolle overgang naar duurzamere energiebronnen en naar gemoderniseerde industrieën en een meer gedigitaliseerde economie van groot belang is voor het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven op de wereldmarkt op de lange termijn en moet leiden tot de creatie van hoogwaardige banen in de Unie; benadrukt dat ervoor gezorgd moet worden dat bedrijven en werknemers goed toegerust zijn om de kansen te grijpen die door de overstap naar nieuwe en innovatieve oplossingen worden geboden en onderstreept dat fatsoenlijk werk en banen die onder collectieve arbeidsovereenkomsten vallen belangrijk zijn en onontbeerlijk voor meer sociale vooruitgang en aanvaarding van de transitie; is van mening dat een wetgevend kader dat gericht is op de aanpak van uitdagingen en het benutten van de kansen die zich op de werkplek voordoen in verband met een rechtvaardige transitie, uiterst belangrijk is om toereikende minimumnormen te waarborgen die zowel werknemers als werkgevers duidelijkheid en structuur bieden bij het anticiperen op en het in goede banen leiden van veranderingen, en die uiteindelijk de veerkracht, het concurrentievermogen en de opwaartse sociale convergentie en sociale rechtvaardigheid van de Unie ten goede komen; wijst erop dat regio’s de rechtvaardige transitie kunnen ondersteunen door middel van een combinatie van sociale bescherming, economische diversificatie en territoriale coördinatie, met als doel negatieve gevolgen te beperken, lokale economieën te versterken en inclusieve ontwikkeling te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>wijst erop dat het effect van de decarbonisatie op de arbeidsmarkt verder gaat dan louter banenverlies in fossiele-brandstofsectoren en dat er ook een algemener effect zal zijn doordat banen worden geherdefinieerd en de arbeidsmarkt als geheel een transitie doormaakt; is in dit opzicht ingenomen met de aankondiging van een verordening betreffende hoogwaardige banen om te waarborgen dat de arbeidsomstandigheden gelijke tred houden met de ontwikkelingen in de moderne economie; is van mening dat in het kader van deze verordening en bij de komende actualisering van het actieplan voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en de nieuwe routekaart voor hoogwaardige banen concrete maatregelen moeten worden vastgesteld die leiden tot een daadwerkelijke verbetering van de arbeidsomstandigheden, de gezondheid en veiligheid, de democratie op het werk, de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen, en scholing en vaardigheden van werknemers en zelfstandigen, en die zorgen voor een effectieve handhaving van de EU-wetgeving op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid; benadrukt dat dergelijke maatregelen ook een kans bieden om werkgevers in de Unie, en met name kmo’s, te ondersteunen bij het behouden en verbeteren van hun concurrentievermogen, door te voorzien in een duidelijk kader, met inbegrip van praktische begeleiding en ondersteunende instrumenten, om ze in staat te stellen in samenwerking met de werknemers te anticiperen op veranderingen en deze in goede banen te leiden, en om te investeren in beroepsonderwijs en -opleiding, bijscholing en omscholing van werknemers, met als doel tekorten aan vaardigheden en arbeidskrachten die de productiviteit en groei belemmeren, aan te pakken, en in toekomstperspectieven voor werknemers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>benadrukt dat digitalisering op een mensgerichte manier zijn beslag moet krijgen, waarbij buitensporig toezicht op werknemers wordt voorkomen en het recht om offline te zijn alsook billijke arbeidstijdregelingen worden gewaarborgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>wijst erop dat het anticiperen op en het in goede banen leiden van veranderingen van het allergrootste belang is om ervoor te zorgen dat zowel werkgevers en werknemers als regionale en lokale overheden en gemeenschappen met succes de groene en de digitale transitie kunnen doorstaan en doeltreffend het hoofd kunnen bieden aan de economische uitdagingen in verband met ongunstige geopolitieke gebeurtenissen en deze in mogelijkheden kunnen ombuigen; benadrukt dat met een goede voorafgaande planning van de transitie ontslagen kunnen worden voorkomen en banen kunnen worden gecreëerd, blijvende veerkracht in het bedrijfsleven kan worden gerealiseerd en optimaal gebruik kan worden gemaakt van de beschikbare middelen; benadrukt dat dergelijke plannen beslissingen vereisen die waarschijnlijk zullen leiden tot substantiële veranderingen in de arbeidsorganisatie en daarom moeten worden ontwikkeld in een ruim partnerschap, via het kader van de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen, met volledige eerbiediging van het recht op informatie en raadpleging; verzoekt de Commissie in dit verband de volledige tenuitvoerlegging te monitoren en te handhaven van het in Richtlijn 2002/14/EG vastgestelde kader; verzoekt de lidstaten voorts op relevante niveaus een sociale dialoog te faciliteren om het overstappen naar een andere baan te vergemakkelijken, met name voor beroepen die kunnen verdwijnen of aanzienlijk worden teruggedrongen; herinnert aan de instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing waarin is voorzien in Richtlijn (EU) 2019/1023 en is van mening dat het aanpassen van dergelijke instrumenten om ook omstandigheden op te nemen die relevant zijn voor de dubbele transitie zou zorgen voor een betere opsporing van en respons op toekomstige verschuivingen in bedrijfsactiviteiten; benadrukt dat bedrijven stimulansen geboden moeten worden om hun eigen transitieplannen op te stellen; benadrukt dat de belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld vanaf de vroegste stadia van de transitieplanning bij de zaak betrokken moeten worden, met zinvolle participatie in plaats van het in een laat stadium houden van een raadpleging;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>benadrukt dat het tekort aan geschoolde werknemers alleen maar op doeltreffende wijze kan worden teruggedrongen als de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van onderwijs, (om)scholing en opleidingen worden verbeterd; benadrukt dat een sociale dialoog tussen werknemers en werkgevers over de manier om te voorzien in opleidingsmogelijkheden die zijn afgestemd op de behoeften van de arbeidsmarkt en die het evenwicht tussen werk en privéleven eerbiedigen, van essentieel belang is en moet worden vergemakkelijkt<FOOTNOTE><FIELD> Employment and Social Developments in Europe 2024, Europese Commissie, blz. 20.</FIELD></FOOTNOTE>; is er vast van overtuigd dat een individueel recht op opleiding voor werknemers tijdens de werktijd om de belangrijkste belemmeringen in verband met het volgen van opleiding aan te pakken, kan zorgen voor hoogwaardige bijscholing of omscholing, opleiding voor werknemers en ondersteuning bij loopbaanontwikkeling, met het oog op een voorspelbaar en stabiel aanbod aan geschoolde werknemers; benadrukt dat de financiële drempel moet worden aangepakt door ervoor te zorgen dat opleiding kosteloos is voor werknemers, via ondersteuning door middel van financiering, fiscale stimulansen en partnerschappen; benadrukt dat nationale instellingen en sociale partners verantwoordelijk zijn voor de opleiding van werknemers en wijst op hun essentiële rol bij de tenuitvoerlegging van het recht op opleiding; verzoekt de lidstaten in dit verband prioriteit te geven aan opleidingsprogramma’s die gezamenlijk door werknemers en hun werkgevers zijn ontwikkeld en deze te bevorderen, om ervoor te zorgen dat bij- en omscholing beantwoorden aan de werkelijke vraag en bijdragen tot loopbaanontwikkeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>onderstreept dat jongeren op zinvolle wijze moeten worden betrokken bij het ontwerp, de uitvoering en de monitoring van beleid in verband met een eerlijke en rechtvaardige transitie; roept op tot grotere inspanningen voor de uitvoering van de jongerengarantie, waarbij de lidstaten meer middelen toewijzen, d.w.z. ten minste 15 % van hun ESF+-middelen, aan gerichte acties en structurele hervormingen om hoogwaardige werkgelegenheid voor jongeren, beroepsonderwijs en -opleiding te bevorderen, met name door middel van betaalde, hoogwaardige stages en leerlingplaatsen, en om de overgang van school naar werk, herintegratie in onderwijs of opleiding en tweedekansonderwijs te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>benadrukt dat de lidstaten, met de betrokkenheid van de regio’s, bedrijven en werknemers moeten ondersteunen door op nationaal niveau strategieën en beleidsmaatregelen voor een rechtvaardige transitie te ontwikkelen die afgestemd zijn op de specifieke lokale kenmerken; is van mening dat in dergelijke nationale strategieën de gevolgen van de groene en de digitale transitie voor regio’s, afzonderlijke sectoren en de respectieve werknemers in kaart moeten worden gebracht en dat er een omvattend transversaal plan moet worden vastgesteld om de gevolgen ervan te verzachten; wijst erop dat het belangrijk is dat er een langetermijnvisie en een langetermijnstrategie voor de lokale en regionale economische transitie worden ontwikkeld, met betrokkenheid van publieke en private actoren, het maatschappelijk middenveld en de sociale economie; wijst erop dat directe investeringen in innovatie en het vergroten van de aantrekkelijkheid van regio’s door middel van het verbeteren en aanbieden van hoogwaardige, betaalbare en toegankelijke infrastructuur, openbare diensten en voorzieningen noodzakelijk zijn om werknemers te behouden en hoogwaardige banen te scheppen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>acht het essentieel de economische levensvatbaarheid van Europese industriële ondernemingen te bevorderen en sluitingen en gedwongen ontslagen zoveel mogelijk te voorkomen; benadrukt dat het belangrijk is ondernemingen, met name kmo’s, te ondersteunen om gedwongen ontslagen te voorkomen, bijvoorbeeld door middel van tijdelijke steunprogramma’s om de werkgelegenheid tijdens transities te beschermen, teneinde te voorkomen dat strategische industriële capaciteit en geschoolde arbeidskrachten verloren gaan; merkt op dat, wanneer de overstap naar een andere baan noodzakelijk is, het essentieel is werknemers in dezelfde regio te houden en hun voor de omschakeling voldoende tijd te gunnen, met zo weinig mogelijk persoonlijk financieel verlies; eist een grotere bescherming tegen onterecht ontslag en dringt erop aan dat aan werknemers die getroffen worden door herstructureringen toegang wordt gegarandeerd tot passende schadevergoeding, omscholingsmogelijkheden en steun bij het vinden van een nieuwe baan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>benadrukt dat de regionale prognoses van Eurostat wijzen op een voortzetting van de daling van de bevolking in de werkende leeftijd in veel gebieden in de jaren 2020 en 2030, met name in regio’s die al met vergrijzing en geografische mobiliteit te kampen hebben; onderstreept dat dergelijke trends het aanbod van arbeidskrachten dreigen te verzwakken, wat op zijn beurt een risico inhoudt voor de ontwikkeling op lange termijn, juist nu geschoolde werknemers essentieel zijn voor de groene en de digitale transitie; benadrukt dat het “recht om te blijven” van mensen in hun regio’s of lokale gebieden belangrijk is en dat er behoefte is aan gerichte strategieën voor plattelands- en perifere gebieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten plaatsgebonden beleid te ondersteunen dat economische kansen creëert voor zowel mensen als bedrijven in plattelandsgebieden, particuliere investeringen aantrekt en lokale banen genereert; onderstreept dat dergelijke strategieën noodzakelijk zijn om de economische kansen in plattelandsgebieden te versterken, hoogwaardige banen te scheppen, innovatie en lokale industriële vernieuwing te ondersteunen en er uiteindelijk voor te zorgen dat burgers hun toekomst kunnen opbouwen in hun gemeenschap;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>wijst erop dat kmo’s de belangrijkste bron van duurzame lokale werkgelegenheid zijn; benadrukt dat vereenvoudigde, proportionele en kmo-vriendelijke toegang tot transitiefinanciering moet worden gefaciliteerd, onder meer door gezamenlijke regelingen mogelijk te maken voor de toegang tot middelen en de rapportageverplichtingen, digitale centrale aanspreekpunten in te stellen en te voorzien in verplichte technische bijstand bij het ontwerpen van projecten en het naleven van de regels; dringt er bij de lidstaten en de regionale autoriteiten op aan om programma’s te ontwikkelen en bestaande programma’s te versterken die erop gericht zijn start-ups en kmo’s in regio’s die te maken hebben met de dubbele transitie te ondersteunen, zodat zij kunnen overleven en groeien; benadrukt dat investeringsstimulansen in combinatie met sociale voorwaarden kunnen helpen bedrijven aan te trekken naar kwetsbare regio’s en tegelijkertijd de duurzame ontwikkeling van de lokale economie kunnen waarborgen; benadrukt dat bedrijven, met name kmo’s, moeten worden geholpen om tekorten aan vaardigheden in de Unie aan te pakken en om- en bijscholing te bevorderen, zodat mensen de juiste vaardigheden voor hoogwaardige banen kunnen verwerven; verzoekt de Commissie specifieke steun voor kmo’s te garanderen in het kader van de toekomstige financiering voor een rechtvaardige transitie; verzoekt de Commissie voorts de deelname van kmo’s aan programma’s voor een rechtvaardige transitie bij te houden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>benadrukt dat de sociale economie, met name sociale ondernemingen voor arbeidsintegratie, een cruciale rol speelt bij het waarborgen van inclusieve en eerlijke transities; wijst erop dat er steun moet worden verleend bij de toegang tot financiering, capaciteitsopbouw en technische bijstand;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten zowel grootschalige als kleinschalige investeringen te faciliteren en beleid te ontwikkelen dat economische kansen biedt voor de particuliere sector, met name voor kmo’s, door de administratieve lasten te verminderen, de medefinancieringsvereisten te verlagen en de toegang tot financiering te vereenvoudigen, en tegelijk de werknemersrechten en de rechten op het gebied van consumentenbescherming te eerbiedigen; onderstreept dat dergelijke investeringen van essentieel belang zijn om de industriële en technologische basis van Europa te versterken, hoogwaardige banen te scheppen en te zorgen voor een geschoolde beroepsbevolking die is aangepast aan de lokale realiteit, middelen en specifieke behoeften, teneinde het regionale potentieel ten volle te benutten en het concurrentievermogen, duurzame groei en waardecreatie op lange termijn te stimuleren; benadrukt dat ondernemers en kleine ondernemingen van cruciaal belang zijn voor investeringen, innovatie en het scheppen van banen, met name in plattelands- en minder ontwikkelde gebieden, en dat financieringsvensters en technische bijstand moeten worden afgestemd op hun behoeften, om hun potentieel in het kader van de groene en digitale economie ten volle te benutten en duurzame groei en waardecreatie op lange termijn te stimuleren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>merkt op dat er geen nauwkeurige uitgesplitste gegevens beschikbaar zijn over het aantal banen dat verdwijnt, wordt gecreëerd of verandert ten gevolge van de groene en de digitale transitie; wijst erop dat prognoses van veranderingen op de arbeidsmarkt en ontwikkelingen op het gebied van behoeften aan vaardigheden belangrijk zijn voor doeltreffend beleid en tijdige maatregelen; benadrukt dat beste praktijken in kaart moeten worden gebracht, uitgewisseld en bevorderd; dringt aan op consolidatie van de verzameling van relevante gegevens en de impactanalyse van het transitiebeleid; benadrukt dat indicatoren voor energie- en transportarmoede systematisch moeten worden geïntegreerd in structuren voor monitoring van de rechtvaardige transitie om ervoor te zorgen dat financiering en maatregelen voor het scheppen van banen in de eerste plaats gericht zijn op kwetsbare gezinnen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>moedigt renovatieregelingen op gemeenschapsniveau aan voor buurten of dorpen, waarbij de kosten worden verlaagd, de cohesie wordt versterkt en de transitie wordt versneld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>betreurt dat het voorstel voor het meerjarig financieel kader 2028-2034 geen specifiek instrument met betrekking tot de rechtvaardige transitie bevat; benadrukt dat specifieke financiering noodzakelijk blijft om de betrokken regio’s te ondersteunen bij het aanpakken van de uitdagingen die voortvloeien uit de groene transitie; dringt in dit verband aan op een uitgebreid en verruimd Fonds voor een rechtvaardige transitie voor de programmeringsperiode na 2027, waarbij ervoor gezorgd wordt dat het fonds functioneert volgens de beginselen van gedeeld beheer en partnerschap, binnen het kader van het cohesiebeleid, en over een groter budget beschikt; benadrukt dat het nieuwe fonds werkgevers moet ondersteunen bij het waarborgen van het recht van werknemers op opleiding en bij de uitvoering van transitieplannen op bedrijfsniveau; benadrukt dat opleidingen van hoge kwaliteit moeten zijn, afgestemd moeten zijn op de behoeften van de arbeidsmarkt en moeten leiden tot kwalificaties en referenties die worden gevalideerd door middel van transparante en duidelijke certificeringssystemen die wederzijdse erkenning tussen de lidstaten mogelijk maken; dringt erop aan dat aan transitiefinanciering sociale voorwaarden worden verbonden, om inclusie te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>herinnert eraan dat er bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het JTF, ondanks de transformatieve ambities van het fonds, aanzienlijke uitdagingen zijn ondervonden, met name wat het waarborgen van billijke resultaten en het verstrekken van toegang tot het fonds aan kleine en middelgrote ondernemingen betreft<FOOTNOTE><FIELD> Just Transition in the World of Work, EPRS, september 2025, https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/BRIE/2025/774668/EPRS_BRI(2025)774668_EN.pdf.</FIELD></FOOTNOTE>; dringt aan op vereenvoudigde toegang tot het Fonds voor een rechtvaardige transitie voor kmo’s door technische bijstand te verlenen en de administratieve lasten te verminderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>benadrukt dat het voor werknemers, zowel op basis- als op hoger niveau, belangrijk is hun digitale vaardigheden te ontwikkelen; onderstreept dat burgers moeten worden toegerust met essentiële digitale geletterdheid, gegevensbewustzijn en het veilige gebruik van online-instrumenten om inzetbaar en flexibel te blijven, terwijl ook meer geavanceerde competenties worden bevorderd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>benadrukt dat onderwijs- en opleidingsinstellingen de relevantie van hun opleiding moeten vergroten om te voorzien in de behoeften van een concurrerende arbeidsmarkt, en lerenden, opleiders en leerkrachten met de relevante kennis en vaardigheden moeten voorbereiden om actief mee te werken aan de verandering in het kader van een rechtvaardige transitie naar ecologisch duurzame economieën en een samenleving voor iedereen; benadrukt dat een doeltreffende opleiding afhangt van de beschikbaarheid van leerkrachten en opleiders met actuele kennis over duurzame en groene economie, energie-efficiëntie en groene en digitale technologieën; beklemtoont dat hun rol van cruciaal belang is voor het bevorderen van de juiste vaardigheden en competenties voor zowel jongere als oudere generaties werknemers en voor passende om- en bijscholing voor de personen die door de groene transitie worden getroffen; benadrukt dat het onderwijzen en opleiden van deze leerkrachten en opleiders daarom een prioriteit moet zijn in elke vaardighedenstrategie op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>benadrukt dat directe publieke en particuliere investeringen in schone infrastructuur, projecten op het gebied van hernieuwbare energie en activiteiten op het gebied van de circulaire economie nodig zijn om lokale economieën nieuw leven in te blazen en bij te dragen tot het scheppen van hoogwaardige banen; benadrukt dat regionale troeven moeten worden ingezet door te investeren in sectoren waar regio’s al over sterke punten of comparatieve voordelen beschikken; is van mening dat regionale specialisatie de basis kan vormen voor groene industriële clusters; benadrukt dat het ondersteunen van onderzoek en innovatie en het aanmoedigen van samenwerking tussen universiteiten en bedrijven de aanzet kunnen geven tot nieuwe duurzame bedrijfsmodellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt dat een coherente, geïntegreerde beleidsmix noodzakelijk is om de doelstellingen van de rechtvaardige transitie te verwezenlijken; dringt erop aan dat bij klimaat- en industriële maatregelen van de EU rekening wordt gehouden met doelstellingen op het gebied van inclusie, sociale bescherming en vaardigheden; benadrukt hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat Europese en nationale financiering wordt aangewend om de groene en de digitale transitie te vergemakkelijken, onder meer door de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen te bevorderen; dringt erop aan dat EU-financiering en staatssteun door de lidstaten worden afgestemd op een Europees industriebeleid, teneinde hoogwaardige banen te bieden, collectieve onderhandelingen te bevorderen, de arbeidsrechten en -normen van de EU te eerbiedigen, het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven te verbeteren en betere arbeidsomstandigheden te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>verzoekt de lidstaten om voldoende financiering beschikbaar te stellen voor programma’s ter bevordering van vaardigheden en beroepsopleiding, omdat daarmee wordt bijgedragen aan de productiviteit en groei en het concurrentievermogen van werknemers en bedrijven op de lange termijn; verzoekt de lidstaten om, met de steun van de Commissie, de bestaande instrumenten van de Unie strategisch te benutten om de Unie van vaardigheden uit te voeren, met name de vaardighedengarantie; verzoekt de lidstaten meer gebruik te maken van de nationale inkomsten uit het emissiehandelssysteem voor het opleiden van werknemers en de herverdeling van arbeidskrachten, met name met betrekking tot werknemers in koolstofintensieve regio’s; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar en richtsnoeren te verstrekken over de wijze waarop publiek-private partnerschappen tussen lidstaten en ondernemingen kunnen bijdragen aan de financiering van de opleiding, omscholing en bijscholing van werknemers, en met name van het recht van individuele werknemers op opleiding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>herinnert eraan dat het belangrijk is in alle beleidsmaatregelen die betrekking hebben op de dubbele transitie, handicaps te mainstreamen en voor jonge, oudere, laaggeschoolde en vrouwelijke werknemers een intersectionele aanpak te volgen, bijvoorbeeld door te zorgen voor redelijke aanpassingen in onderwijs en opleiding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>herinnert aan de rol die tijdens het resterende deel van de looptijd van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) voor het fonds is weggelegd bij het ondersteunen van werknemers die getroffen worden door de groene en de digitale transitie en moedigt de lidstaten ertoe aan het fonds met de steun van de Commissie ten volle te benutten; is ingenomen met het doel in het kader van de voorgestelde herziening van het huidige EFG om werknemers die dreigen ontslagen te worden proactief te ondersteunen en de goedkeuringsprocedure voor aanvragen te versnellen; benadrukt echter dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat ondernemingen die een herstructurering ondergaan en een aanvraag voor het fonds willen indienen, dit doen in volledig overleg met de werknemers en hun vertegenwoordigers, onder meer bij het ontwerp van het individueel maatregelenpakket; stelt met bezorgdheid vast dat het EFG in het voorstel voor het meerjarig financieel kader 2028-2034 wordt stopgezet; benadrukt dat actieve arbeidsmarkt- en socialebeschermingsmaatregelen belangrijk zijn voor de terugkeer van ontslagen werknemers op de arbeidsmarkt na grote herstructureringen; verzoekt de Commissie in het volgende MFK te zorgen voor voortgezette specifieke steun voor werknemers die ontslagen worden of voor wie ontslag dreigt als gevolg van grote herstructureringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>herinnert eraan dat het belangrijk is een hoog niveau van gezondheid en veiligheid op het werk van werknemers te waarborgen; benadrukt dat het belangrijk is in de context van de dubbele transitie op proactieve wijze de veranderende risico’s aan te pakken die werktaken, patronen en werkplekken kunnen inhouden inzake gezondheid en veiligheid op het werk, met name milieu- en psychosociale risico’s; verzoekt de Commissie een alomvattende evaluatie uit te voeren van het huidige strategische kader voor gezondheid en veiligheid op het werk en het bestaande wetgevingskader inzake gezondheid en veiligheid op het werk, teneinde de resterende lacunes in kaart te brengen, ervoor te zorgen dat het EU-acquis geschikt blijft voor het beoogde doel en input te verkrijgen voor het ontwerp van het strategisch kader voor de periode na 2027;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>benadrukt dat transformaties en herstructureringen op de werkplek tijdens de dubbele transitie psychosociale risico’s met zich kunnen meebrengen, zoals stress, onzekerheid en de dreiging van banenverlies; benadrukt dat tijdens de transities de geestelijke gezondheid en het psychosociale welzijn van werknemers moeten worden beschermd, onder meer door middel van een risicobeoordeling van de werkplek en de verlening van ondersteunende diensten; dringt erop aan dat programma’s ter ondersteuning van de geestelijke gezondheid, zoals begeleiding, stressbestrijding en regelingen voor evenwicht tussen werk en privéleven, in transitieplannen op bedrijfsniveau worden geïntegreerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is werknemers te ondersteunen bij het versterken van hun transformatieve, kern- en cognitieve vaardigheden, zoals creatief en kritisch denken, vooruitzien, veerkracht, flexibiliteit en wendbaarheid, motivatie en zelfbewustzijn, nieuwsgierigheid en een leven lang leren – als erkenning van het feit dat het belangrijk is dat werknemers zich kunnen aanpassen aan verstoorde werkplekken, zelfredzaam zijn en de nieuwe oplossingen vinden die de groene en de digitale transformatie vereisen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>is ingenomen met de beleidsnota van Cedefop over het opstellen van een Europese kwalificatiekaart ter versterking van de transparantie, vergelijkbaarheid en overdraagbaarheid van kwalificaties in heel Europa; benadrukt dat een dergelijke kaart meer moet zijn dan een academische oefening en als praktisch instrument moet dienen voor concurrentievermogen, relevantie voor de arbeidsmarkt en mobiliteit; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het Europees kwalificatiekader nauw gekoppeld is aan de economische behoeften, het industriebeleid en investeringen in vaardigheden en verzoekt haar de bestaande vaardigheidskloof op regionaal niveau uitvoerig en systematisch in kaart te brengen en een prognose te maken van de toekomstige vraag naar vaardigheden; onderstreept dat een dergelijke inventarisatie een effectbeoordeling moet omvatten en moet leiden tot sectorale en territoriale maatregelen om het potentieel van de groene transitie in alle regio’s ten goede te komen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>benadrukt dat sterke sociale vangnetten en socialebeschermingsstelsels essentieel zijn om tijdens transitieperioden werknemers te ondersteunen en sociale cohesie te garanderen; verzoekt de lidstaten in overleg met de sociale partners en relevante maatschappelijke organisaties hun socialebeschermingsstelsels en essentiële overheidsdiensten te moderniseren en te versterken en tegelijkertijd de duurzaamheid ervan op lange termijn te waarborgen, zonder de financiële lasten voor kmo’s te vergroten, met bijzondere aandacht voor gezondheidszorg, vervoer, onderwijs, beleid inzake sociale inclusie, inkomenssteun en betaalbare huisvesting, en voor de ondersteuning van aanbieders van sociale diensten zonder winstoogmerk, om deze bestand te maken tegen schokken als gevolg van de dubbele transitie en de gevolgen daarvan voor de arbeidsmarkt en ervoor te zorgen dat werknemers die getroffen worden door het verlies van hun baan, hun levensstandaard zo veel mogelijk kunnen handhaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>dringt er bij de lidstaten op aan de aanbeveling van de Raad inzake sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen volledig uit te voeren; verzoekt de Commissie de risico’s en de vooruitgang bij het uitvoeren van dergelijke maatregelen te monitoren via het sociaal scorebord en het kader voor sociale convergentie; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat het aanbod van nationale openbare diensten voor arbeidsvoorziening relevant is voor veranderende ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, om mensen die als gevolg van transities van baan veranderen te ondersteunen en veranderingen van baan te faciliteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is gerichte beleidsmaatregelen te nemen ter ondersteuning van mensen die het zwaarst door de dubbele transitie worden getroffen, met name mensen in kwetsbare situaties; onderstreept dat actieve steun en vroegtijdige interventies nodig zijn om te voorkomen dat mensen in kwetsbare situaties langdurig werkloos worden of ontmoedigde werknemers worden; verzoekt de lidstaten de actieve steun voor hoogwaardige werkgelegenheid aanzienlijk te verhogen, met name door de toegang tot het behoud van hoogwaardige werkgelegenheid te ondersteunen, ondernemerschap te bevorderen en het scheppen van hoogwaardige banen te stimuleren; wijst op de rol die programma’s voor integratie op de arbeidsmarkt, gerichte aanbestedingen en lokale openbare werken spelen bij het scheppen van overgangsbanen; benadrukt dat bij lokale en regionale autoriteiten de capaciteit moet worden vergroot om met succes investeringen aan te trekken, samen te werken met doelgroepen bij de ontwikkeling en uitvoering van sociale steunregelingen en verdelingseffecten te meten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>onderstreept dat regelingen voor arbeidsduurvermindering moeten worden ondersteund en dat het belangrijk is gerichte steun te verlenen aan werknemers die door transities worden getroffen, voortbouwend op de positieve ervaring met SURE; verzoekt de Commissie een versterkt SURE-mechanisme voor te stellen dat gericht is op de groene en de digitale transitie, aangezien de ondersteuning van dergelijke tijdelijke maatregelen ter bescherming van de werkgelegenheid in tijden van crisis de overheidsuitgaven voor werkgelegenheidsbeleid en maatregelen voor een rechtvaardige transitie kan stabiliseren om de onmiddellijke gevolgen van de noodzakelijke transformatie van de EU-economie voor de werkgelegenheid te beperken, overeenkomstig de doelstellingen van een rechtvaardige transitie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>benadrukt dat de gevolgen voor de werkgelegenheid per regio en per bevolkingsgroep zullen verschillen; benadrukt in dit verband dat lokale burgers en belanghebbenden, met inbegrip van relevante maatschappelijke organisaties, bij de transitie moeten worden betrokken en de mogelijkheid moeten krijgen er actieve actoren van te zijn; benadrukt dat lokale en regionale overheden rechtstreeks moeten worden betrokken bij het ontwerp, de selectie en de monitoring van projecten, om ervoor te zorgen dat de financiering tegemoetkomt aan specifieke lokale behoeften en de diversificatie van regionale economieën ondersteunt; benadrukt dat overheidsinstanties tijdens de transitie strategisch overleg moeten voeren en moeten samenwerken met de sociale partners; benadrukt dat zinvolle participatie kan worden gewaarborgd door in een vroeg stadium raadplegingen te organiseren en duidelijke mandaten en stemrechten vast te leggen voor sociale partners, kmo’s, het maatschappelijk middenveld, ondernemingen in de sociale economie en jongeren in regionale coördinatieorganen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>onderstreept dat collectieve onderhandelingen van cruciaal belang zijn voor eerlijke lonen, sociale rechtvaardigheid en democratie op het werk, maar dat nog steeds sprake is van een ongelijke dekkingsgraad; herinnert aan de verplichting van de lidstaten met een dekkingsgraad inzake collectieve onderhandelingen van minder dan 80 % om nationale actieplannen op te stellen met duidelijke tijdschema’s en specifieke maatregelen om de dekkingsgraad te verhogen; verzoekt de Commissie de lidstaten richtsnoeren en ondersteuning te bieden om de onderhandelingsstelsels te versterken, met name op sectoraal niveau, met volledige betrokkenheid van de sociale partners; benadrukt dat de EU en de lidstaten in het kader van de uitvoering van de aanbeveling van de Raad inzake het garanderen van een eerlijke transitie naar klimaatneutraliteit financiering moeten ondersteunen voor het opbouwen van de capaciteit van de sociale partners, met name op regionaal niveau, om deel te nemen aan een gestructureerde sociale dialoog en collectieve onderhandelingen over transitieplannen op ondernemingsniveau;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>is van mening dat de financiële gevolgen van het verlangde voorstel gedekt moeten worden door bestaande begrotingstoewijzingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST><TXTLST><ANNEX><TI><STRING BOLD="on">BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:</STRING></TI><STI><STRING BOLD="on">AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL</STRING></STI><P><STRING BOLD="on">Richtlijn voor een rechtvaardige transitie in de arbeidswereld: voor nieuwe banen zorgen en lokale economieën nieuw leven inblazen</STRING></P><P>Het Europees Parlement is van mening dat de Commissie moet voorzien in de volgende beginselen en doelstellingen verstrekken:</P><P><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Aanbeveling 1: Algemeen doel van het voorstel</STRING></STRING></P><P>De algemene doelstelling van het voorstel moet de vaststelling zijn van een Uniekader van beleidsmaatregelen die kunnen worden toegepast in regio’s die grote gevolgen ondervinden van de groene en de digitale transitie, met als doel een sociaal rechtvaardige en inclusieve transitie en het scheppen en beschermen van hoogwaardige banen te waarborgen.</P><P><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Aanbeveling 2: Vorm van het voorstel</STRING></STRING></P><P>Aangezien er een uitgebreid pakket maatregelen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken, moet het voorstel maatregelen bevatten op de volgende gebieden:</P><P><NO.P>a)</NO.P>arbeidsvoorwaarden;</P><P><NO.P>b)</NO.P>de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten;</P><P><NO.P>c)</NO.P>het informeren en raadplegen van werknemers;</P><P><NO.P>d)</NO.P>verbetering van het arbeidsmilieu, om de veiligheid en de gezondheid van werknemers te beschermen.</P><P><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Aanbeveling 3: Onderwerp van het voorstel</STRING></STRING></P><P>Het voorstel moet gericht zijn op het volgende:</P><P><NO.P>a)</NO.P>het opzetten van een specifiek kader met het oog op het anticiperen op en het in goede banen leiden van veranderingen in regio’s en sectoren die een transitie doormaken, op basis van de beginselen van verplichte en tijdige informatieverstrekking en raadpleging van werknemers en hun vertegenwoordigers, sociale dialoog en collectieve onderhandelingen;</P><P><NO.P>b)</NO.P>het waarborgen dat het recht op informatieverstrekking aan en raadpleging van werknemers en hun vertegenwoordigers, zoals vastgelegd in Richtlijn 2002/14/EG en nationale bepalingen, in het kader van transities doeltreffend wordt toegepast;</P><P><NO.P>c)</NO.P>het invoeren van een individueel recht op opleiding tijdens werktijd voor werknemers;</P><P><NO.P>d)</NO.P>het vaststellen van nationale strategieën voor een rechtvaardige transitie, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van een langetermijnvisie voor lokale economieën en de beroepsbevolking in alle regio’s en sectoren die een transitie doormaken, ontwikkeld en uitgevoerd via een constructieve betrokkenheid van sociale partners en lokale actoren;</P><P><NO.P>e)</NO.P>het ontwikkelen van steunprogramma’s voor bedrijven, met name kmo’s en lokale actoren, om het scheppen van lokale banen te bevorderen;</P><P><NO.P>f)</NO.P>ervoor zorgen dat vraag en aanbod van arbeidskrachten en vaardigheden op elkaar worden afgestemd door middel van het gebruik van arbeidsmarktinformatie, betere samenwerking van lokale actoren en de sociale partners met aanbieders van opleidingen, en bevordering van de ontwikkeling van transitieplannen op bedrijfsniveau;</P><P><NO.P>g)</NO.P>het ontwikkelen van een monitoringstructuur om strategische prognoses op te stellen met betrekking tot de gevolgen van de transitie en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.</P><P><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Aanbeveling 4: Toepassing en handhaving</STRING></STRING></P><P><NO.P>1.</NO.P>Het voorstel moet de bevoegdheid van de lidstaten eerbiedigen om voor werknemers gunstiger wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren, dan wel de toepassing van voor werknemers gunstiger collectieve arbeidsovereenkomsten te bevorderen of toe te staan.</P><P><NO.P>2.</NO.P>Het voorstel moet de autonomie van de sociale partners eerbiedigen, met inbegrip van het recht om over collectieve overeenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten, en moet het mogelijk maken, als zij hier gezamenlijk om verzoeken, dat zij belast worden met de uitvoering ervan, op voorwaarde dat het nationale systeem te allen tijde kan waarborgen dat de met het voorstel beoogde resultaten worden behaald.</P></ANNEX></TXTLST></SDOCTA>