<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF2" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0021</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Keuze van prestatie-indicatoren voor audits en begrotingscontrole in de context van financieringsmaatregelen ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de toekomstige Europese strategie voor het concurrentievermogen</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0268/2025 - Rapporteur: Olivier Chastel)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 22 januari 2026 over de keuze van prestatie-indicatoren voor audits en begrotingscontrole in de context van financieringsmaatregelen ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de toekomstige Europese strategie voor het concurrentievermogen (2025/2034(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 318 en artikel 322, lid 1, punt a),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027<FOOTNOTE><FIELD> PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2093/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2022/2496 van de Raad van 15 december 2022 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027<FOOTNOTE><FIELD> PB L 325 van 20.12.2022, blz. 11, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2496/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/765 van de Raad van 29 februari 2024 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/765, 29.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/765/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen<FOOTNOTE><FIELD> PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2020/1222/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 8 juni 2021 over het prestatiekader voor de EU-begroting in het MFK 2021-2027 (COM(2021)0366) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2021)0133),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 16 juli 2025 voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2028-2034 (COM(2025)0571),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 16 juli 2025 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor het traceren van begrotingsuitgaven en voor begrotingsprestaties en andere horizontale regels voor de programma’s en activiteiten van de Unie (COM(2025)0545), en de bijbehorende effectbeoordeling (SWD(2025)0590),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 16 juli 2025 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Fonds voor concurrentievermogen, met inbegrip van een specifiek programma voor onderzoeks- en innovatieactiviteiten op defensiegebied, tot intrekking van de Verordeningen (EU) 2021/522, (EU) 2021/694, (EU) 2021/697 en (EU) 2021/783, tot intrekking van bepalingen van de Verordeningen (EU) 2021/696 en (EU) 2023/588, en tot wijziging van Verordening (EU) [EDIP] (COM(2025)0555),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509.</FIELD></FOOTNOTE> (Financieel Reglement), en met name artikel 33,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de publicatie van Commissievoorzitter Ursula von der Leyen van 18 juli 2024 getiteld “De keuze van Europa – Politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2024-2029”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van 9 september 2024 van Mario Draghi, getiteld “The future of European competitiveness” (rapport-Draghi),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van 17 april 2024 van Enrico Letta getiteld “Much more than a market” (rapport-Letta),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 29 januari 2025 getiteld “Het EU-kompas voor concurrentievermogen” (COM(2025)0030),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 11 februari 2025 getiteld “De weg naar het volgende meerjarig financieel kader” (COM(2025)0046),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 7 mei 2025 inzake een vernieuwde langetermijnbegroting voor de Unie in een veranderende wereld<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P10_TA(2025)0090.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de publicaties van de Europese Rekenkamer (ERK),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de op verzoek van de Begrotingscommissie uitgevoerde studie getiteld “Performance framework for the EU budget – Concepts and practices”, gepubliceerd in maart 2024<FOOTNOTE><FIELD> Studie: “Performance framework for the EU budget – Concepts and practices”, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, Beleidsondersteunende afdeling Begrotingszaken, maart 2024.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0268/2025),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat goed financieel beheer, zoals omschreven in het Financieel Reglement, inhoudt dat de EU-middelen worden besteed met inachtneming van de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid; overwegende dat het begrip prestaties met betrekking tot de begroting gekoppeld moet worden aan de rechtstreekse toepassing van het beginsel van goed financieel beheer;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de Commissie op grond van artikel 318 VWEU jaarlijks aan het Parlement en de Raad de rekeningen over het afgelopen begrotingsjaar welke betrekking hebben op de uitvoering van de begroting moet voorleggen, samen met een evaluatieverslag over de financiën van de Unie op basis van de bereikte resultaten; overwegende dat voorts op grond van artikel 322 VWEU financiële regels moeten worden vastgesteld waarin de procedure voor de uitvoering van de begroting en voor de indiening en controle van de rekeningen wordt bepaald; overwegende dat het gebruik van passende, betrouwbare en transparante indicatoren voor het meten van de resultaten en voor controledoeleinden de evaluatie van de begrotingsuitvoering en -vergelijking die het Parlement en de Raad jaarlijks verrichten, kan verbeteren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat overeenkomstig het Financieel Reglement een verband moet worden gelegd tussen de vastgestelde doelstellingen en de prestatie-indicatoren, de resultaten en de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid; overwegende dat de herschikking van het Financieel Reglement in 2024 de rechtsgrondslag van het prestatiekader heeft versterkt en heeft bevestigd dat de voortgang bij het bereiken van de doelstellingen moet worden gemonitord aan de hand van prestatie-indicatoren die voldoen aan de RACER-criteria (relevant, erkend, geloofwaardig, eenvoudig, betrouwbaar), die zijn gebaseerd op algemeen erkend wetenschappelijk bewijs, die duidelijk zijn gedefinieerd en die beschikbaar zijn in een open, machinaal leesbaar formaat; overwegende dat deze indicatoren in voorkomend geval moeten worden uitgesplitst naar geslacht en moeten kunnen worden geaggregeerd; overwegende dat waar nodig een doeltreffende, transparante en alomvattende methodologie moet worden vastgesteld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het voorstel van de Commissie voor een verordening tot vaststelling van een kader voor het traceren van begrotingsuitgaven en voor begrotingsprestaties één enkel kader voor resultaatgericht begroten vaststelt; overwegende dat in het voorstel “outputindicator” wordt gedefinieerd als een kwantitatieve prestatie-indicator die monitort wat rechtstreeks wordt geproduceerd of ondersteund door de uitvoering van een activiteit, en “resultaatindicator” als een kwantitatieve prestatie-indicator die de directe effecten van ondersteunde activiteiten monitort; overwegende dat “impactindicatoren” algemeen worden gebruikt voor het meten van trends in de langetermijndoelstellingen die met een interventie worden nagestreefd; overwegende dat “inputindicatoren” algemeen worden gebruikt voor het meten van de financiële, personele, materiële, administratieve of regelgevingsmiddelen die worden gebruikt om een interventie uit te voeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat het waarborgen van de duurzame welvaart en het concurrentievermogen van de EU, het bevorderen van sociale rechtvaardigheid en het versterken van regionale cohesie deel uitmaken van de politieke prioriteiten van de Commissie voor 2024-2029; overwegende dat het noodzakelijk is particuliere investeringen aan te trekken en te mobiliseren om deze doelstellingen doeltreffend te verwezenlijken, en dat de voltooiing van de bankenunie en de ontwikkeling van de spaar- en investeringsunie daartoe van essentieel belang zullen zijn;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in het rapport-Draghi wordt gewaarschuwd dat het tanende concurrentievermogen van de EU, nog verergerd door de steeds instabielere geopolitieke situatie en de opeenvolgende crises waarmee de EU de afgelopen jaren te kampen heeft gehad, een existentiële bedreiging voor de Unie vormt; overwegende dat in het rapport wordt geraamd dat de EU, om de investeringskloof te dichten, 4,4 tot 4,7 % van het bbp van de EU aan extra publieke en particuliere investeringen moet mobiliseren, wat neerkomt op ongeveer 750 tot 800 miljard EUR per jaar tussen 2025 en 2030;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat in het Competitiveness Compass, dat eveneens gebaseerd is op het rapport-Draghi, de strategische koers van de EU wordt uiteengezet voor het herstel van haar mondiale concurrentievermogen door zich te concentreren op drie centrale pijlers – innovatie, decarbonisatie en economische veiligheid – aangevuld met horizontale stimulerende factoren zoals vereenvoudiging, meer coördinatie op EU- en lidstaatniveau en een versterkte interne markt, in overeenstemming met het rapport-Letta;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de ERK herhaaldelijk tekortkomingen heeft geconstateerd in het ontwerp, de uitvoering en de verantwoordingsplicht van de prestatiemeetsystemen die worden gebruikt voor EU-financieringsprogramma’s, en heeft opgeroepen tot een intensiever gebruik van prestatie-indicatoren die de langetermijneffecten van EU‑uitgaven meten en monitoren; overwegende dat het waarborgen van de betrouwbaarheid van prestatie-informatie onontbeerlijk is voor de bescherming van de financiële belangen van de EU en voor de versterking van het vertrouwen van het publiek in de EU-begroting;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat er daadkrachtige maatregelen nodig zijn om het concurrentievermogen van Europa te vergroten ter ondersteuning van hogere niveaus van productiviteit, werkgelegenheid en welvaart; overwegende dat de geïntegreerde interne markt nog steeds de ruggengraat van de economische kracht van de EU en het fundament van haar welvaart op lange termijn is; overwegende dat innovatie, de ontwikkeling van vaardigheden en het vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en werknemers belangrijke aanjagers van concurrentievermogen en groei zijn;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Algemene opmerkingen over het prestatiekader voor de EU-begroting en het gebruik van prestatie-indicatoren</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>wijst erop dat de EU-begroting moet bijdragen aan de verwezenlijking van de beleidsprioriteiten van de EU, waaronder het stimuleren van het concurrentievermogen, het bevorderen van duurzame en inclusieve welvaart en het waarborgen van de soevereiniteit en onafhankelijkheid van de EU als geopolitieke speler; benadrukt dat wijzigingen in de wet- en regelgeving net zo belangrijk zijn als financieringsmaatregelen om deze doelstellingen te bereiken; onderstreept dat EU‑uitgaven tastbare resultaten moeten opleveren in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer en moeten worden geïnvesteerd in gebieden waar gezamenlijk EU-optreden een grotere impact en toegevoegde waarde heeft dan nationale of subnationale beleidsmaatregelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt dat maatregelen ter versterking van het concurrentievermogen kunnen bijdragen tot bredere maatschappelijke voordelen, op voorwaarde dat die maatregelen gericht blijven op productiviteit, groei en het scheppen van banen; dringt erop aan dat elk overkoepelend prestatiekader voor de EU-begroting voornamelijk moet voorzien in economische resultaten en meetbare beleidsresultaten, waar nodig rekening houdend met relevante, bredere maatschappelijke gevolgen, zonder het efficiëntie- en effectiviteitsbeginsel te ondermijnen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>acht het van essentieel belang dat de EU-begroting meer op resultaten wordt gericht en dat elke euro die wordt uitgegeven meetbare waarde oplevert voor burgers en bedrijven; herhaalt dat er specifieke, meetbare, haalbare, relevante en tijdgebonden (SMART) prestatie-indicatoren moeten worden vastgesteld en gebruikt om ervoor te zorgen dat de middelen van de EU efficiënt en effectief en duurzaam worden besteed en om de voortgang bij de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de EU te monitoren en te evalueren; is van mening dat alle soorten indicatoren essentieel zijn om de prestaties van programma’s te beoordelen, en dat derhalve moet worden gestreefd naar een evenwicht tussen input-, resultaat- en impactindicatoren; beklemtoont dat prestatie-indicatoren uitdrukkelijk moeten worden afgeleid van de doelstellingen van elk programma; benadrukt dat bij de keuze van de passende indicatoren ook rekening moet worden gehouden met de administratieve lasten, de kosten van het verzamelen van gegevens en met de vergelijkbaarheid en aggregeerbaarheid van die gegevens;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>merkt met bezorgdheid op dat de Rekenkamer bij haar controles herhaaldelijk heeft vastgesteld dat de meeste prestatie-indicatoren die voor EU-financieringsprogramma’s worden gebruikt, input- en outputindicatoren zijn, die geen relevante informatie verschaffen over de voortgang bij het bereiken van de doelstellingen van door de EU gefinancierde acties; betreurt bovendien dat in veel gevallen de basisgegevens voor de indicatoren ontbraken en dat de onderliggende gegevens die voor de indicatoren werden gebruikt, niet traceerbaar en onbetrouwbaar waren; is bezorgd over het feit dat de definities van prestatie-indicatoren verschillen tussen financieringsprogramma’s; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de indicatoren die voor door de EU gefinancierde projecten worden gebruikt, meetbaar en verifieerbaar zijn en gebaseerd zijn op betrouwbare gegevensbronnen die de traceerbaarheid van de onderliggende gegevens tot op contract- en eindbegunstigdenniveau waarborgen, met duidelijke uitgangswaarden en definities om uiteenlopende interpretaties te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>betreurt het dat het prestatiekader voor de EU-begroting voor 2021-2027 nog steeds te complex en gefragmenteerd is; betreurt de vaststelling van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD> Effectbeoordelingsverslag (SWD(2025)0590) bij het voorstel van de Commissie voor een verordening tot vaststelling van een kader voor het traceren van begrotingsuitgaven en voor begrotingsprestaties (COM(2025)0545).</FIELD></FOOTNOTE> dat er in verband met het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 meer dan 5 000 uiteenlopende, niet-aggregeerbare prestatie-indicatoren worden gebruikt, waardoor het moeilijker wordt om de doeltreffendheid van de EU-uitgaven voor alle financieringsinstrumenten uitgebreid te evalueren, en dat er in het kader van de Faciliteit voor herstel en veerkracht (RRF) ongeveer 7 000 mijlpalen en streefdoelen zijn vastgesteld die betrekking hebben op verschillende behoeften, zoals het beoordelen van de prestaties in het kader van de ontwerpbegroting en het monitoren en evalueren van programma’s, plannen van lidstaten en uitbetalingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>wijst er met name op dat de opzet van het RRF de traceerbaarheid, transparantie en controleerbaarheid van het gebruik van EU-middelen en de vergelijkbaarheid van de resultaten met die van andere EU-uitgaveninstrumenten onvoldoende waarborgt; verzoekt de Commissie voor toekomstige instrumenten een omvangrijker, geharmoniseerd, transparanter en controleerbaarder kader van prestatie-indicatoren vast te stellen, zodat het Parlement en de Rekenkamer hun toezichthoudende verantwoordelijkheden volledig kunnen uitoefenen; verzoekt de Commissie de toepassing van prestatiegerichte instrumenten in andere landen en regio’s te analyseren en daaruit lessen te trekken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>wijst op het voorstel van de Commissie om het MFK 2028-2034, met inbegrip van het Europees Fonds voor concurrentievermogen (ECF), te monitoren aan de hand van een gestandaardiseerde reeks prestatie-indicatoren die van toepassing zijn op alle EU‑begrotingsprogramma’s, zoals uiteengezet in haar voorstel voor een prestatieverordening<FOOTNOTE><FIELD> COM(2025)0545.</FIELD></FOOTNOTE>; merkt op dat een vereenvoudigde toepassing van het prestatiekader is voorgesteld voor de begrotingsgaranties en financiële instrumenten in het kader van het ECF;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>is van mening dat het prestatiekader voor de EU-begroting moet worden vereenvoudigd om te zorgen voor een geharmoniseerde en evenredige aanpak voor het nauwkeurig meten van de effecten van EU-uitgaven in alle lidstaten, de algehele administratieve lasten en rapportageverplichtingen te rationaliseren, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en lokale overheden, en de transparantie te vergroten door de informatieoverload te verminderen, terwijl de effecten van EU‑financiering volledig in kaart kunnen worden gebracht, met inbegrip van de toegevoegde waarde van EU-maatregelen die door de lidstaten alleen niet zouden kunnen worden gerealiseerd; verzoekt de Commissie indicatoren te stroomlijnen, modellen te vereenvoudigen, dubbele verzoeken om gegevens te voorkomen en het eenmaligheidsbeginsel toe te passen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>is van mening dat de impact het best kan worden beoordeeld door middel van evaluaties; benadrukt dat het ECF en alle toekomstige instrumenten tussentijdse evaluaties door de Commissie moeten omvatten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat corrigerende maatregelen, waaronder die welke door de Rekenkamer na haar controles worden aanbevolen, onverwijld worden genomen indien de resultaten achterblijven bij de doelstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>benadrukt dat vereenvoudiging niet ten koste mag gaan van transparantie, verantwoording en controleerbaarheid, maar moet helpen de rapportage te rationaliseren en informatie over de prestaties van de EU-financiering toegankelijker en nuttiger te maken; onderstreept voorts dat een vermindering van het aantal indicatoren gepaard moet gaan met een kosten-baten- en een risicoanalyse; benadrukt de noodzaak van duidelijkere koppelingen tussen uitgaven en meetbare beleidsresultaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>wijst erop dat de methoden voor het verzamelen van gegevens van lidstaat tot lidstaat en ook binnen de lidstaten verschillen, wat het moeilijk maakt om prestatiegegevens op EU-niveau te aggregeren en te vergelijken; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een veilige en interoperabele IT-infrastructuur te ontwikkelen en daarbij gebruik te maken van kunstmatige intelligentie, machine learning en datamining om de uitvoering van het beleid te verbeteren en de monitoring, de verslaglegging en het toezicht te vergemakkelijken; benadrukt dat het gebruik van artificiële intelligentie bij monitoring en gegevensverwerking gepaard moet gaan met robuust menselijk toezicht en moet worden beheerst door ethische beginselen om misbruik en algoritmische discriminatie of vooringenomenheid te voorkomen en transparantie en verantwoordingsplicht te waarborgen, waarbij gegevensbescherming en volledige eerbiediging van de grondrechten worden gewaarborgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>dringt erop aan dat de indicatorgegevens en methodologieën in realtime openbaar worden gemaakt via een interoperabel monitoring-, rapportage- en auditsysteem, waardoor de transparantie wordt vergroot en de traceerbaarheid tot op het niveau van het project en de eindbegunstigde wordt gewaarborgd; wijst nogmaals op het belang van het beginsel van transparantie met betrekking tot de eindbegunstigde voor EU‑financiering; wijst erop dat EU-financiering, met inbegrip van die onder indirect beheer, transparant moet zijn, doeltreffende controle mogelijk moet maken en dubbele financiering moet voorkomen; dringt er voorts op aan dat deze gegevens uitgebreide informatie moeten bevatten over de gefinancierde projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>verzoekt de Commissie haar prestatieverslagen te versterken door de financiële en prestatie-informatie met betrekking tot EU-middelen te integreren en duidelijke, gebruiksvriendelijke samenvattingen over prestaties en uitgaven te publiceren, waaronder overzichten van één bladzijde en interactieve dashboards met machineleesbare datasets, in overeenstemming met de aanbevelingen van de OESO<FOOTNOTE><FIELD> OESO (2025), “Strengthening performance reporting practices”, <STRING ITALIC="on">OECD Papers on Budgeting</STRING>, No 2025/07, OECD Publishing, Parijs.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>acht het van essentieel belang dat de betrouwbaarheid van de gegevens die worden gebruikt om prestatie-indicatoren vast te stellen, wordt gecontroleerd en gewaarborgd; merkt met bezorgdheid op dat, als gevolg van de invoering en het toenemende gebruik van uitvoeringsmodellen, zoals het RRF, die zijn gebaseerd op financiering die niet gekoppeld is aan kosten – waarbij uitbetalingen worden gedaan op basis van het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen en doelstellingen – tekortkomingen in de betrouwbaarheid van gegevens het moeilijker maken om de financiële belangen van de EU te beschermen; dringt derhalve aan op verplichte verificatie van mijlpalen en streefdoelen vooraf en achteraf, het systematisch doorverwijzen van vermoedelijke fraude of ernstige onregelmatigheden naar het Europees Bureau voor fraudebestrijding en het Europees Openbaar Ministerie en de mogelijkheid om betalingen op te schorten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>verzoekt de Commissie in haar prestatieverslagen inhoudelijke informatie op te nemen over de kwaliteitsborgingsmaatregelen die voor de prestatie-indicatoren wordt gebruikt; benadrukt dat een regelmatige, transparante beoordeling van de relevantie en betrouwbaarheid van indicatoren uitermate belangrijk is om de geloofwaardigheid en het vertrouwen van het publiek in de uitgaven van de EU te waarborgen; verlangt dat door de lidstaten gerapporteerde prestatiegegevens worden onderworpen aan onafhankelijke verificatie, onder meer door nationale controle-instanties en de Rekenkamer, en dat de resultaten daarvan aan het Parlement worden meegedeeld; verzoekt voorts dat verificatieverslagen en datasets ter beschikking worden gesteld van de bevoegde toezichthoudende autoriteiten in een toegankelijk, vergelijkbaar en verifieerbaar formaat, zodat burgers toegang hebben tot de resultaten van het toezicht op het gebruik van EU-middelen, waarbij de regels inzake gegevensbescherming en vertrouwelijkheid worden nageleefd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>wijst erop dat een doeltreffend prestatiebeheer ervan uitgaat dat de rechtsstaat wordt geëerbiedigd en de financiële belangen van de EU worden beschermd; herinnert eraan dat wanneer ernstige tekortkomingen in de controlesystemen blijven bestaan, de betalingen moeten worden opgeschort en financiële correcties moeten worden toegepast;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>is van mening dat de rechtsstaat een essentiële voorwaarde is om het concurrentievermogen van de EU te versterken; benadrukt dat uitdagingen op het gebied van de rechtsstaat een negatieve invloed hebben op het vertrouwen van investeerders, het vertrouwen van de consument en de integriteit van de interne markt, zoals opgemerkt in het verslag over de toestand van de rechtsstaat 2025 van de Commissie; is derhalve van mening dat het prestatiekader voor de EU-begroting ook indicatoren met betrekking tot de rechtsstaat moet omvatten, zoals de werking van het rechtsbestel, de bestrijding van corruptie en doeltreffende teugels en tegenwichten, die bijdragen tot rechtszekerheid en een voorspelbare omgeving voor bedrijven om zaken in te doen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Prestatie-indicatoren in verband met het bevorderen van het concurrentievermogen van de EU</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>wijst erop dat de EU er in het rapport-Draghi toe wordt aangespoord om diepgaande hervormingen door te voeren om het concurrentievermogen te vergroten, met de nadruk op innovatie, decarbonisatie en defensie, en dat de EU wordt aangespoord om fors te investeren in strategische sectoren zoals groene energie, digitale infrastructuur en geavanceerde productie, ondersteund door vereenvoudiging van de regelgeving en intensievere coördinatie op EU-niveau; is in dit verband van mening dat een betrouwbaar prestatiekader en indicatorsysteem essentieel zijn om de voortgang te volgen en de gevolgen voor het concurrentievermogen, de economische kracht, de duurzaamheid en de veerkracht van de EU te meten, waarbij de prestaties rechtstreeks worden gekoppeld aan de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>wijst erop dat uitgaven gericht op concurrentievermogen voorrang moeten geven aan efficiëntie en productiviteitsstijgingen op de lange termijn boven herverdeling op de korte termijn; benadrukt dat de middelen van de EU gericht moeten zijn op het corrigeren van marktinefficiënties, het katalyseren van particuliere investeringen en het ondersteunen van projecten met meetbare economische effecten en een duidelijke toegevoegde waarde;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt dat de uitvoering van de aanbevelingen uit het rapport-Draghi moet worden gemonitord aan de hand van relevante, betrouwbare en transparante prestatie-indicatoren die aangeven in hoeverre de EU vooruitgang boekt bij het vergroten van haar concurrentievermogen en haar economische groei door middel van innovatie, technologisch leiderschap en industriële veerkracht waarbij tegelijkertijd sociale rechtvaardigheid wordt gewaarborgd; benadrukt dat de indicatoren zorgvuldig moeten worden ontwikkeld en niet alleen de output (bijvoorbeeld het aantal gefinancierde projecten) moeten weergeven, maar ook de resultaten en effecten (bijvoorbeeld groei van de productiviteit, vermindering van de uitstoot, gecreëerde duurzame en zekere banen, verbeteringen in sociale en territoriale cohesie, veranderingen in de handelsbalans, toename van de diversificatie van de uitvoer, hefboomeffect van EU‑programma’s, met name wat betreft het aantrekken van particuliere investeringen, en versterkte strategische autonomie), teneinde de efficiëntie en doeltreffendheid van de EU-uitgaven te meten; herinnert eraan dat hervormingen een fundamentele rol spelen bij de verwezenlijking van doelstellingen op het gebied van concurrentievermogen en tot uiting moeten komen in de kaders voor prestatiemeting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>herinnert eraan dat indicatoren inzake de absorptie van middelen of het uitvoeringspercentage van de begroting veeleer informatie verschaffen over de administratieve vooruitgang dan over de werkelijke economische of maatschappelijke effecten van de EU-uitgaven; benadrukt dat dergelijke indicatoren voor een misleidende indruk van succes kunnen zorgen wanneer middelen volledig zijn besteed maar geen meetbare verbeteringen op het gebied van innovatie, investeringen of werkgelegenheid opleveren; herinnert eraan dat de Rekenkamer herhaaldelijk kritiek heeft geuit op de buitensporige afhankelijkheid van bestedingspercentages en betalingsmijlpalen in het prestatiekader voor EU-programma’s; dringt aan op een verschuiving naar resultaat- en impactindicatoren die de werkelijke effecten van EU-uitgaven op het concurrentievermogen weergeven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>benadrukt dat het concurrentievermogen afhankelijk is van een samenhangend geheel van randvoorwaarden, met inbegrip van geschoolde en gezonde arbeidskrachten, efficiënte strategische infrastructuur, een solide financiële sector die in staat is financiering op maat te bieden voor innovatie, en goed functionerende instellingen en markten die prestaties en ondernemerschap belonen; verzoekt de Commissie specifieke prestatie-indicatoren te ontwikkelen die deze structurele randvoorwaarden en hun bijdrage aan productiviteit en groei weerspiegelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>herinnert eraan dat in het Draghi-verslag wordt benadrukt dat excellentie op het gebied van onderzoek en innovatie van fundamenteel belang is voor het concurrentievermogen van de EU en dat er binnen het onderzoeks- en innovatiesysteem van de EU, met inbegrip van het programma Horizon Europa, slechts één selectiecriterium zou mogen zijn, namelijk excellentie; herhaalt in dit verband zijn standpunt dat de financiering van onderzoek en innovatie bepaald moet blijven door het beginsel van excellentie en gebaseerd moet blijven op verdienste;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>benadrukt dat gegevens op projectniveau de grondslag moeten vormen voor verbeterde prestatieverslagen met betrekking tot financiële instrumenten die onder indirect beheer worden uitgevoerd, zoals InvestEU; merkt echter op dat deze in een gestandaardiseerd formaat moeten zijn en beperkt moeten blijven tot de essentiële informatie die nodig is om het succes van het programma te meten, zoals de mobilisering van publieke en particuliere investeringen die zonder het programma niet mogelijk zou zijn geweest; wijst erop dat, gezien het markt- en vraaggestuurde karakter van financiële instrumenten, de prestaties van dergelijke programma’s afhankelijk zijn van de mate waarin de markt er gebruik van maakt, waardoor de Commissie beperkt is in haar mogelijkheden om vooraf vastgestelde mijlpalen en doelstellingen vast te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>wijst erop dat voor de stimulering van het concurrentievermogen van de EU een verschuiving nodig is van crisisbeheersing op korte termijn naar een langetermijnstrategie die gebaseerd is op innovatie, efficiëntie, duurzaamheid, strategische autonomie en mondiale openheid; dringt aan op een hernieuwde inzet om de interne markt te versterken, de versnippering van de regelgeving tegen te gaan en ervoor te zorgen dat EU-programma’s de reële economie ondersteunen; benadrukt dat het welslagen van Europese projecten inzake concurrentievermogen afhankelijk is van de mobilisatie van publiek en particulier kapitaal; verzoekt de Commissie specifieke indicatoren in te voeren voor het meten van het hefboomeffect van EU-middelen bij het mobiliseren van publieke en particuliere investeringen, de verhouding tussen publieke en private financiering en het behaalde rendement op investeringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>acht het noodzakelijk een alomvattend kader voor risicobeoordeling vooraf vast te stellen, met name voor projecten met een hoog risico en een hoge beloning, om te zorgen voor een evenwichtige evaluatie van hun toegevoegde waarde, kosten en baten; benadrukt dat voor de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de EU inzake concurrentievermogen een robuust audit- en controlesysteem vereist is dat wordt ondersteund door een coherente risicobeoordelingsmethode; wijst erop dat een dergelijke methode evenredige risiconiveaus mogelijk moet maken die essentieel zijn voor de bevordering van innovatie, en tegelijkertijd adequate waarborgen moet bieden voor de bescherming van de EU-begroting, met name tegen fraude en niet-financiële risico’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>stelt voor om, met het oog op een betere evaluatie van het effect van EU‑financiering op het concurrentievermogen, meer diepgaande macro-economische modellen te gebruiken, waarin de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van economisch onderzoek zijn opgenomen; merkt op dat modellen die rekening houden met de heterogeniteit van huishoudens en ondernemingen en met verdelingseffecten, een uitgebreidere beoordeling vooraf mogelijk maken van het effect van EU-financiering op de productiviteit, het investeringsgedrag en het regionale concurrentievermogen; stelt voor deze aanpak aan te vullen met het gebruik van microgegevens en regionale prestatie-indicatoren om het nodige feitenmateriaal voor het ontwerpen van beleid en het gericht inzetten van middelen te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten in het volgende MFK een geharmoniseerde set kernindicatoren, zoals de indicatoren die reeds deel uitmaken van het Europees innovatiescorebord, vast te stellen en deze consequent te gebruiken, bij het bevorderen van het concurrentievermogen in alle lidstaten, zodat gegevens op EU-niveau kunnen worden vergeleken, gebenchmarkt en geaggregeerd, waarbij in voorkomend geval ook gebruik kan worden gemaakt van indicatoren die zijn afgestemd op nationale of regionale behoeften; benadrukt dat alle relevante belanghebbenden moeten worden geraadpleegd bij het vaststellen en herzien van indicatoren, om ervoor te zorgen dat deze een afspiegeling zijn van de werkelijke behoeften op het gebied van concurrentievermogen, met inachtneming van hoge arbeids- en sociale normen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>is van mening dat voor projecten die innovatie bevorderen en strategische technologieën ondersteunen, de volgende outputindicatoren kunnen worden gebruikt: het volume van de gemobiliseerde EU- en particuliere financiering, het aantal gefinancierde projecten per sector (d.w.z. kunstmatige intelligentie, kwantumtechnologie, biotechnologie) en het aantal eenhoorns, start-ups en scale-ups dat in de EU is opgericht of gegroeid en EU‑financiering heeft ontvangen, waarbij, in voorkomend geval, ook het percentage door vrouwen geleide start-ups wordt gemeten dat financiering heeft ontvangen; is van mening dat resultaatindicatoren betrekking kunnen hebben op het aantal octrooien dat door de EU gefinancierde projecten is aangevraagd, het rendement op EU-investeringen per sector, de verandering in de arbeidsparticipatie, het overlevingspercentage van door de EU gefinancierde bedrijven na drie jaar, de toename van het aantal Europese beursintroducties, de toename van het aantal exporterende bedrijven en het aantal ondernemingen dat een hoge digitale intensiteit bereikt; is van mening dat het nodig is om impactindicatoren te volgen en te rapporteren zoals de toename van de capaciteit (output per jaar) bij de productie van deep tech en digitale technologieën (bv. specifieke soorten apparatuur), de toename van het volume aan durfkapitaal dat in de EU wordt geïnvesteerd, de toename van de marktkapitalisatie van EU-bedrijven, en de marktacceptatie en groei van de inkomsten die toe te schrijven zijn aan door de EU gefinancierde innovaties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>is van mening dat de verplaatsing van industriële activiteiten en de zelfvoorziening op het gebied van kritieke grondstoffen moeten worden ondersteund om de strategische afhankelijkheden van de EU te verminderen; stelt voor om de vooruitgang op dit gebied te meten aan de hand van outputindicatoren, zoals het aantal projecten en kmo’s dat naar de EU is verplaatst, het aantal opgerichte of gegroeide start-ups en scale-ups – waarbij in voorkomend geval ook het percentage door vrouwen geleide start-ups en scale-ups wordt gemeten – en het aantal gecreëerde industriële banen in de beoogde regio’s; is van mening dat resultaatindicatoren betrekking kunnen hebben op de toename van het aandeel kritieke grondstoffen dat wordt ingevoerd van nieuwe strategische partners of afkomstig is uit de EU, en de toename van het volume (in ton) gerecyclede kritieke grondstoffen, hogere productiviteit en bruto toegevoegde waarde in specifieke waardeketens, grotere weerbaarheid van de bevoorrading, en verbeterde handelsprestaties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>wijst erop dat investeringen moeten worden gedaan in slimme netten, energieopslag en waterstofcorridors om een veerkrachtig en concurrerend energiesysteem mogelijk te maken; benadrukt dat maatregelen op dit gebied essentieel zijn om de volatiliteit van de energieprijzen te verminderen, het industriële concurrentievermogen te versterken en de transitie van Europa naar een duurzame, koolstofarme economie veilig te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>is van mening dat gezamenlijke aankoop van industriële energie en het koolstofvrij maken van de industrie moeten worden nagestreefd om de energiekosten te verlagen en de voorzieningszekerheid te vergroten, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de daaruit voortvloeiende maatregelen geen ongewenste gevolgen hebben voor de energiezekerheid van de lidstaten; stelt voor om de voortgang op dit gebied te meten aan de hand van outputindicatoren, zoals het aantal deelnemende bedrijven, het volume van de energieaankopen en het aandeel van hernieuwbare energie in gezamenlijke contracten; is van mening dat resultaatindicatoren zoals extra geïnstalleerde energiecapaciteit in elektriciteitsopwekking (MW) kunnen worden gebruikt; is voorts van mening dat impactindicatoren betrekking kunnen hebben op veranderingen in de gemiddelde energieprijzen in specifieke sectoren, de vermindering van onderbrekingen in de voorziening, de toename van het gebruik van schone energie en de vermindering van broeikasgasemissies (bv. in tCO2e);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>is van mening dat de EU moet investeren in talent in strategische en cruciale sectoren om het concurrentievermogen van de EU op lange termijn te vergroten door middel van bekwame arbeidskrachten, onder meer door deelname aan beroepsopleidingen, een leven lang leren en de ontwikkeling van vaardigheden te ondersteunen; stelt voor om de vooruitgang te meten aan de hand van outputindicatoren zoals het aantal personen dat jaarlijks wordt opgeleid (met specifieke aandacht voor genderevenwicht en sociale inclusie), het aantal personen dat een universitaire opleiding in wetenschap, technologie, engineering of wiskunde (STEM) heeft afgerond of een beroepsopleiding of een cursus op dit gebied heeft gevolgd, de participatiegraad in programma’s voor volwassenenonderwijs en een leven lang leren, en de mate van tevredenheid van partnerbedrijven en sociale partners; is van mening dat resultaatindicatoren betrekking kunnen hebben op veranderingen in de arbeidsparticipatie, de overgang van opleiding of tijdelijk werk naar vast werk, de bezettingsgraad, de loonontwikkeling en het retentiepercentage in specifieke sectoren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>merkt met bezorgdheid op dat buitensporige regeldruk en administratieve lasten het concurrentievermogen van ondernemingen in de EU blijven ondermijnen in vergelijking met andere mondiale economische blokken; wijst erop dat dergelijke lasten de operationele kosten verhogen, de productiviteit van de sectoren verlagen en belemmeringen voor de toegang van nieuwe ondernemingen tot de markt opwerpen, waardoor concurrentie en innovatie worden ontmoedigd; merkt voorts op dat deze inefficiënties zich ook kunnen vertalen in hogere prijzen voor de consument;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>is van mening dat, om zowel de groene als de digitale transitie te versnellen, bijzondere aandacht moet worden besteed aan innovatieve kmo’s, voor wie vereenvoudiging van essentieel belang is; wijst erop dat vereenvoudiging erop gericht moet zijn onnodige bureaucratie en administratieve kosten voor kmo’s te verminderen; beklemtoont dat vereenvoudiging moet worden doorgevoerd onder een evenredig en efficiënt regelgevingskader, waarbij regelgevingszekerheid wordt gewaarborgd, evenals een behoorlijke effectbeoordeling; wijst erop dat de vooruitgang bij het verminderen van de administratieve lasten kan worden gemeten aan de hand van indicatoren zoals het aantal goedgekeurde projecten en het aantal projecten dat jaarlijks met kmo’s wordt afgerond, de daling van het aantal ingestelde beroepen of geschillen in verband met aanvraagprocedures en de vermindering van de tijd die nodig is om toegang te krijgen tot EU-financiering – van aanvraag tot uitbetaling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>verzoekt de Commissie meer inspanningen te leveren om de regeldruk te verminderen en ervoor te zorgen dat de wetgeving van de EU evenredig en empirisch onderbouwd is en een duidelijke toegevoegde waarde oplevert voor burgers en bedrijven; acht de huidige “one in, one out”-benadering in dit verband ontoereikend; dringt derhalve aan op de toepassing van het “one in, two out”-beginsel, waarbij de introductie van nieuwe kosten als gevolg van wettelijke verplichtingen wordt gecompenseerd door verlagingen van de regelgevingskosten die voortvloeien uit andere EU-wetgeving met ten minste tweemaal het equivalente bedrag, met als doel een nettovermindering van de regeldruk te verwezenlijken, waarbij de lasten voor bedrijven en overheidsdiensten afzonderlijk worden behandeld;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>