<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0027</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petr Bystron</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0009/2026 - Rapporteur: Adrián Vázquez Lázara)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 10 februari 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petr Bystron (2025/2077(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petr Bystron, dat is ontvangen bij brief d.d. 24 oktober 2024 van het Duitse Bondsministerie van Justitie en waarbij een verzoek is doorgestuurd van de hoofdaanklager bij het openbaar ministerie te München in het kader van de strafrechtelijke vervolging van Petr Bystron, en waarvan op 3 april 2025 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het feit dat Petr Bystron wordt geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht om te worden gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van het Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013, 19 december 2019 en 5 juli 2023<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, ECLI:EU:C:2019:1115; arrest van het Gerecht van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement, T‑272/21, ECLI:EU:T:2023:373.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 46 van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10‑0009/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het Duitse Bondsministerie van Justitie een verzoek van de hoofdaanklager te München heeft doorgestuurd, strekkende tot opheffing van de immuniteit van Petr Bystron, een in Duitsland gekozen lid van het Europees Parlement, in verband met vermeende handelingen die kunnen neerkomen op fraude op grond van § 263, lid 1, van het Strafgesetzbuch (Duitse wetboek van strafrecht), en betrekking hebben op een vermeende valse verklaring in verband met de uitbetaling van een forfaitaire vergoeding;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat in het verzoek te lezen staat dat Petr Bystron van 2017 tot juli 2024 lid was van de Duitse Bondsdag; overwegende dat hij in zijn hoedanigheid van lid van de Duitse Bondsdag uit hoofde van § 12, lid 3, van het Abgeordnetengesetz (Duitse wet op de volksvertegenwoordigers, AbgG) recht had op een forfaitaire vergoeding, onder meer bestemd voor de indienstneming van personeel; overwegende dat Petr Bystron op 10 november 2021 een arbeidsovereenkomst heeft ondertekend om een personeelslid in dienst te nemen als “administratief medewerker/typist” in zijn kiesdistrictkantoor te München; overwegende dat wordt gesteld dat Petr Bystron, door het indienen van de arbeidsovereenkomst bij de administratie van de Bondsdag, uitdrukkelijk heeft verklaard dat dat personeelslid in zijn kiesdistrictkantoor als administratief medewerker/typist zou werken; overwegende dat in het verzoek wordt aangegeven dat het betrokken personeelslid in feite niet als administratief medewerker/typist heeft gewerkt; overwegende dat wordt gesteld dat de administratieve diensten van de Bondsdag wegens de onjuiste gegevens in de arbeidsovereenkomst ten onrechte hebben verondersteld dat aan de voorwaarden voor de uitbetaling van de forfaitaire vergoeding overeenkomstig § 12, lid 3, AbgG was voldaan en zij daarom opdracht hebben gegeven tot betaling van het loon aan het personeelslid (in totaal ongeveer 14 850 EUR); overwegende dat Petr Bystron volgens het verzoek op de hoogte was van deze omstandigheden en dus wordt verdacht van het opzettelijk afleggen van een valse verklaring;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Petr Bystron bij de Europese verkiezingen van juni 2024 werd verkozen tot lid van het Europees Parlement, en dat hij geen lid van het Europees Parlement was ten tijde van het vermeende strafbare feit;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de ten laste gelegde strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petr Bystron niet bestaan uit, respectievelijk geen verband houden met een mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 46, leden 2, 3, en 4, van het Grundgesetz (de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland) het volgende wordt bepaald:</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P><LIST LEVEL="1" TYPE="ARAB"><INT.LI LEVEL="0">“2)	Een lid mag slechts dan ter verantwoording worden geroepen of worden gearresteerd op grond van een strafbaar feit als de Bondsdag daarvoor toestemming verleent, behalve in gevallen waarin hij op heterdaad of op de dag volgend op het strafbare feit wordt aangehouden.</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>3)</SYMBOL>Beperking van de persoonlijke vrijheid van een lid of het inleiden van een procedure krachtens artikel 18 is alleen geoorloofd na toestemming van de Bondsdag.</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>4)</SYMBOL>Een tegen een lid ingestelde strafrechtelijke vervolging, een procedure krachtens artikel 18, alsmede iedere vorm van hechtenis of andere beperking van de persoonlijke vrijheid van een lid worden op verzoek van de Bondsdag opgeschort.”;</ITEM></LIST></P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de immuniteit waarin Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voorziet, tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van zijn Reglement, geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de desbetreffende strafrechtelijke procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T‑214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Petr Bystron op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland en aan Petr Bystron.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>