<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0063</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Gezonde regelgeving van de Europese Unie en subsidiariteit en evenredigheid – verslag over beter wetgeven in de jaren 2023 en 2024</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0020/2026 - Rapporteur: Jörgen Warborn)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2026 over gezonde regelgeving van de Europese Unie en subsidiariteit en evenredigheid – verslag over beter wetgeven in de jaren 2023 en 2024 (2025/2015(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de daarin verankerde beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Protocol nr. 1 bij het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">1 </STRING>PB C 202 van 7.6.2016, blz. 203, ELI: http://data.europa.eu/eli/treaty/tfeu_2016/pro_1/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Protocol nr. 2 bij het VEU en het VWEU betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">2 </STRING>PB C 326 van 26.10.2012, blz. 206, ELI: http://data.europa.eu/eli/treaty/tfeu_2012/pro_2/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">3 </STRING>PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag 2023 van de Commissie van 25 oktober 2024 over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en over de betrekkingen met de nationale parlementen (COM(2024)0493),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag 2024 van de Commissie van 8 september 2025 over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en over de betrekkingen met de nationale parlementen (COM(2025)0473),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 24 juni 2021 over gezonde regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid in de Europese Unie – verslag over beter wetgeven betreffende de jaren 2017, 2018 en 2019<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">4 </STRING>PB C 81 van 18.2.2022, blz. 74.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 23 november 2023 over gezonde regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid in de Europese Unie – verslag over beter wetgeven betreffende de jaren 2020, 2021 en 2022<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">5 </STRING>PB C, C/2024/4228, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4228/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 17 januari 2024 over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nationale parlementen<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">6 </STRING>PB C, C/2024/5714, 17.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/5714/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 29 april 2021 getiteld “Samen zorgen voor betere regelgeving” (COM(2021)0219 final),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 7 juli 2022 getiteld “Beter wetgeven: samen zorgen voor betere regelgeving”<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">7 </STRING>PB C 47 van 7.2.2023, blz. 250.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de studie getiteld “The ‘one in, one out’ principle”, gepubliceerd door zijn beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken in oktober 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien alle eerdere mededelingen van de Commissie over de behoefte aan beter wetgeven teneinde betere resultaten te bereiken ten gunste van de EU-burgers,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van Mario Draghi van 9 september 2024 getiteld “The future of European competitiveness – A competitiveness strategy for Europe” (het Draghi-verslag),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van Enrico Letta van 17 april 2024 getiteld “Much more than a market” (het Letta-verslag),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0020/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat overeenkomstig artikel 5 VEU de afbakening van de bevoegdheden van de EU wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling; overwegende dat de uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; overwegende dat de EU krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling enkel handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken; overwegende dat bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de EU zijn toegedeeld, toebehoren aan de lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat EU-wetgeving doelmatig, evenredig, duidelijk en omvattend moet zijn om daadwerkelijk in het voordeel van de burgers en de belanghebbenden te kunnen werken; overwegende dat beter wetgeven ertoe bijdraagt dat EU-beleid en -wetgeving gericht zijn op de toekomst, rekening houdend met de snellere technologische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen; overwegende dat het daarom steeds belangrijker wordt om voorstellen voor regelgeving te baseren op empirisch onderbouwde beoordelingen; overwegende dat kwaliteitsvolle wetgeving iedereen ten goede moet komen als langetermijninvestering in de gedeelde welvaart van onze samenlevingen en onze toekomst;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de waarden en eisen inzake eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van mensenrechten, zoals verankerd in artikel 2 VEU, de basis vormen voor de wetgeving van de EU; overwegende dat de rechtsstaat waarborgt dat elk optreden van de Unie, met inbegrip van de wetgevings- en regelgevingsprocessen, gestoeld is op wettigheid, transparantie en een doeltreffende rechterlijke toetsing;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat beter wetgeven een gemeenschappelijk doel is voor alle EU-instellingen en een gedeelde verantwoordelijkheid is tussen de EU-instellingen en de lidstaten, en moet worden geschraagd door transparantie, evenredigheid, verantwoordingsplicht en samenwerking tussen de instellingen en de lidstaten, burgers en belanghebbenden, waarbij de volledige inachtneming van alle fundamentele Europese waarden, met inbegrip van democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, gewaarborgd wordt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de nieuwgekozen voorzitter in haar politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2024-2029 van 18 juli 2024 verklaarde dat toekomstige wetgeving moet worden vereenvoudigd en ontworpen met kleine bedrijven in gedachten en in een geest van subsidiariteit; overwegende dat zij eveneens verklaarde dat beter wetgeven een gezamenlijke taak moet zijn die alle betrokken instellingen en het gehele wetgevingsproces omvat;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de Commissie in verschillende van haar mededelingen duidelijk heeft gesteld dat beter wetgeven vereist dat erop wordt toegezien dat de wetgeving en beleidsvorming van de EU op degelijk bewijs gebaseerd zijn, tot stand komen met betrokkenheid van belanghebbenden, waaronder burgers en bedrijven, voorkomen dat onnodige lasten worden opgelegd en tastbare en duurzame voordelen voor EU-burgers opleveren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de nationale parlementen de natuurlijke hoeders zijn van het subsidiariteitsbeginsel en een cruciale rol spelen bij het waarborgen van de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid door middel van interparlementaire dialoog en het systeem voor vroegtijdige waarschuwing, dat nationale parlementen en/of kamers in staat stelt een met redenen omkleed advies in te dienen indien zij van mening zijn dat een wetgevingsvoorstel niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de EU en haar lidstaten, overeenkomstig artikel 4 VEU, gebonden zijn aan het beginsel van loyale samenwerking, op basis waarvan zij elkaar moeten steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien; overwegende dat dit voor de lidstaten de taak omvat alle passende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de uit de Verdragen of EU-handelingen voortvloeiende verplichtingen worden nagekomen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het concurrentievermogen, de innovatie en de groei van EU-bedrijven niet onnodig mogen worden belemmerd door buitensporige regeldruk, die zou leiden tot een uitstroom van investeringen en banen buiten de EU, met bijzonder nadelige gevolgen voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s); overwegende dat juridische voorspelbaarheid en rechtszekerheid van essentieel belang zijn voor de werking van de eengemaakte markt; overwegende dat de eengemaakte markt nog steeds te kampen heeft met belemmeringen en versnippering;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat transparante, correcte en uniforme toepassing van de EU-wetgeving cruciaal is om het vertrouwen van de burgers in de EU te bevorderen en tegelijkertijd onnodige lasten en extra kosten voor iedereen, met inbegrip van bedrijven en consumenten, te voorkomen; overwegende dat doeltreffende uitvoering volgens artikel 197 VWEU moet worden beschouwd als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang voor de lidstaten; overwegende dat de lidstaten moeten vermijden dat de administratieve belasting of de nalevingslasten bij de omzetting van het EU-recht onnodig toenemen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de Commissie in 2021 het “one in, one out”-beginsel heeft ingevoerd met de bedoeling nieuwe lasten die uit de wetgevingsvoorstellen van de Commissie voortvloeien te compenseren door reeds bestaande lasten op hetzelfde beleidsterrein weg te nemen; overwegende dat dit concept in zijn huidige vorm geen instrument voor beter wetgeven is, met name omdat het geen betrekking heeft op de kwaliteit van de wetgeving, die niet kan worden teruggebracht tot kwantitatieve streefdoelen voor de vermindering van lasten en kosten alleen, en geen beoordeling omvat van de mogelijke gevolgen ervan voor de huidige regelgevingsdoelstellingen van de EU;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat het “one in, one out”-beginsel niet moet worden opgevat als een numeriek streefdoel voor wetgevingshandelingen, maar eerder als een op kosten gebaseerd mechanisme dat gericht is op de verwezenlijking van een tastbare nettoverlaging van de regelgevingskosten en een betere werking van de EU-markt en de samenleving in de EU; overwegende dat de nadruk moet blijven liggen op de totale administratieve, nalevings- en uitvoeringskosten voor bedrijven, en dat er daarbij voor moet worden gezorgd dat nieuwe verplichtingen worden gecompenseerd; overwegende dat het huidige “one in, one out”-beginsel in dit verband ongeschikt is; overwegende dat er een ambitieuzere overkoepelende aanpak moet worden vastgesteld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat de recente vooruitgang op het gebied van artificiële intelligentie (AI) de manier waarop het EU-recht kan worden beoordeeld en toegepast, verandert van beperkte, op kennis gebaseerde deskundigensystemen in voorspellende en generatieve modellen voor machinaal leren; overwegende dat dergelijke technologieën nieuwe mogelijkheden en uitdagingen bieden in de hele wetgevingscyclus — onder meer tijdens de voorafgaande analyse, effectbeoordeling, het opstellen van ontwerpwetgeving, de openbare raadpleging en in het bijzonder de monitoring achteraf — en aldus aanzienlijke mogelijkheden bieden om de tijdigheid, nauwkeurigheid en diepgang van de EU-wetgeving te verbeteren indien zij met de nodige zorgvuldigheid en met eerbiediging van de grondrechten worden behandeld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat beter wetgeven gericht moet zijn op het verwezenlijken van de politieke ambities van de EU, met name haar langetermijndoelstellingen; overwegende dat goed uitgevoerde effectbeoordelingen, zowel vooraf als achteraf, onder meer met betrekking tot sociale, economische en milieueffecten, en openbare raadplegingen essentiële instrumenten zijn voor goed onderbouwd, beter, efficiënt, verantwoordelijk en transparant wetgeven; overwegende dat de Raad voor regelgevingstoetsing verantwoordelijk is voor de beoordeling van de kwaliteit van effectbeoordelingen, alsook die van geschiktheidscontroles en brede evaluaties om politieke besluitvorming te ondersteunen;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Subsidiariteit en evenredigheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>wijst erop dat de EU op grond van de in artikel 5 VEU verankerde beginselen van subsidiariteit en evenredigheid alleen verplicht is wetgeving vast te stellen waar en voor zover dat nodig is; herinnert eraan dat het doel van deze verplichting is wetgeving zo dicht mogelijk bij de burgers van de EU vast te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>wijst erop dat beter wetgeven is gebaseerd op een interinstitutioneel evenwicht tussen de medewetgevers en een gedeelde inzet voor loyale en transparante samenwerking gedurende de volledige wetgevingscyclus; merkt op dat dit moet worden weerspiegeld in de vaststelling of herziening van meerjarige prioriteiten en de jaarlijkse gezamenlijke verklaring over de jaarlijkse interinstitutionele prioriteiten; wijst erop dat voornemens van de Commissie om hangende rechtshandelingen in te trekken, zoals aangekondigd in haar jaarlijkse werkprogramma’s, naar behoren moeten worden gemotiveerd en onderbouwd, om de medewetgevers van de EU naar behoren te kunnen raadplegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>wijst erop dat het gebruik van andere rechtsgrondslagen dan de gewone wetgevingsprocedure zorgvuldig is vastgelegd in de Verdragen; waarschuwt voor elk gebruik van wetgevingsprocedures waarin specifiek is voorzien voor noodsituaties op grond van artikel 122 VWEU, buiten specifieke situaties die een snelle respons op zich ontwikkelende crises vereisen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>herinnert eraan dat evaluaties, effectbeoordelingen en raadplegingen van belanghebbenden belangrijke pijlers van een doelmatig, verantwoord en democratisch regelgevingsproces zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>stelt vast dat de nationale parlementen in 2023 22 met redenen omklede adviezen hebben ingediend, wat een derde minder is dan in 2022 en in overeenstemming is met de neerwaartse langetermijntrend met betrekking tot het aantal met redenen omklede adviezen; merkt op dat de nationale parlementen dat jaar ook in grotere mate deelnamen aan de bredere politieke dialoog met de Commissie, te weten ruim 10 % meer ten opzichte van 2022;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>merkt op dat de nationale parlementen sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in 2009 slechts 577 subsidiariteitscontroles en met redenen omklede adviezen, 3 803 bijdragen, drie “gele kaarten” en geen “oranje kaarten” hebben ingediend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>stelt vast dat de Commissie, naast het bij Protocol nr. 2 ingestelde subsidiariteitscontrolemechanisme, in 2006 een politieke dialoog heeft ingevoerd, in het kader waarvan in 2023 402 adviezen zijn ingediend; merkt voorts op dat de nationale parlementen zich in die adviezen hebben gericht op het werkprogramma van de Commissie voor 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>merkt op dat het in 2024 15 jaar geleden was dat het Verdrag van Lissabon in werking trad en werd toegepast, en dat dit verdrag voorzag in meer parlementaire toetsing en democratische verantwoording in de EU, met name door middel van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>merkt op dat 2024 bovendien een overgangsjaar was tussen twee ambtstermijnen van de Commissie, waarin de intensiteit van de nationale parlementaire toetsing doorgaans afneemt; stelt vast dat dit ook het geval was in 2024, aangezien de nationale parlementen dat jaar 252 adviezen indienden, waarvan 14 met redenen omklede adviezen; merkt op dat dit weliswaar een aanzienlijke daling was ten opzichte van 2023, maar dat dit niet ongebruikelijk is voor een overgangsjaar, en dat de daling ten opzichte van het voorgaande overgangsjaar, 2019, bescheidener was;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de Commissie in 2024 de manier waarop de adviezen van de nationale parlementen en de antwoorden van de Commissie op deze adviezen openbaar worden gemaakt, aanzienlijk heeft verbeterd door een nieuwe onlinedatabank met een aantal zoekfilters in te voeren; is eveneens tevreden dat deze verbetering ook van toepassing is op de adviezen en antwoorden die sinds 2014 werden verkregen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>vraagt dat de nationale parlementen eerder en op gestructureerde en zinvolle wijze worden betrokken bij de cyclus van beleidsvorming in de EU, ook tijdens de raadplegingsfase en de fase waarin de agenda wordt vastgesteld, en niet alleen wanneer de Commissie een voorstel heeft aangenomen; onderstreept dat door de nationale parlementen tijdig toegang te verschaffen tot ontwerpinitiatieven, achtergrondanalyses en effectbeoordelingen, de overwegingen met betrekking tot subsidiariteit en evenredigheid doeltreffender kunnen worden getoetst en ervoor kan worden gezorgd dat er vroeger in het EU-wetgevingsproces rekening wordt gehouden met de nationale expertise;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>neemt kennis van de verzoeken van verschillende nationale parlementen om een grotere betrokkenheid bij de toetsing van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen; benadrukt het belang van voorafgaande toetsing van dergelijke handelingen door de nationale parlementen om de eerbiediging en naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>dringt aan op een versterkte samenwerking met de nationale parlementen door middel van digitale platforms voor een gestructureerde dialoog om tijdige informatie-uitwisseling over nieuwe EU-initiatieven te waarborgen; spoort aan om mogelijkheden in overweging te nemen die de nationale parlementen in staat zouden stellen een proactievere rol te spelen bij de beleidsvorming in de EU, onder meer door middel van een gestructureerd “groene kaart”-mechanisme dat collectieve suggesties voor Commissie-initiatieven mogelijk maakt en werkt met redelijke en haalbare drempels; benadrukt dat lokale en regionale vertegenwoordigers aan interparlementaire uitwisselingen moeten deelnemen om de transparantie van en betrokkenheid van het publiek bij de EU-wetgeving te verbeteren; merkt op dat als parlementen een rol krijgen die niet louter reactief is, de betrokkenheid bij en de democratische legitimiteit van het optreden van de EU zouden toenemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>stelt vast dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in 2024 een tijdens de wetgevingsonderhandelingen toegevoegde bepaling van een verordening nietig heeft verklaard omdat er onvoldoende informatie was om de evenredigheid ervan te kunnen beoordelen en ondubbelzinnig vast te kunnen stellen; bevestigt nogmaals dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van essentieel belang blijven voor de legitimiteit van de EU, en pleit voor nauwere samenwerking en een intensievere gestructureerde dialoog met de nationale parlementen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>onderstreept dat er ondanks de gedeelde doelstelling van loyale samenwerking die aan de basis ligt van de beleidsvorming en het vaststellen van wetgeving in de EU, en de rol van de lidstaten, die maatregelen treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de EU voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, nog steeds grote verschillen zijn met betrekking tot de tijdige omzetting van richtlijnen en de uitvoering van EU-wetgeving; moedigt verdere ondersteuning aan om de administratieve en technische capaciteit van de lidstaten op dit gebied te vergroten en dringt er bij de Commissie op aan om resoluut te handhaven wanneer samenwerking mislukt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>neemt kennis van de instelling van “uitvoeringsdialogen” door de Commissie als onderdeel van haar inspanningen op het gebied van transparantie en participatieve democratie met het oog op beter wetgeven; moedigt meer in het algemeen initiatieven aan die bevorderlijk zijn voor de betekenisvolle betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en bedrijven bij de beleidsvorming; merkt in dit verband op dat er verbeteringen kunnen worden aangebracht om ervoor te zorgen dat het wetgevingsproces van de EU transparanter is, openstaat voor input van alle belanghebbenden en makkelijker te volgen is;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Beter wetgeven</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>onderstreept dat er, ondanks de vooruitgang die is geboekt in het kader van de agenda voor beter wetgeven, de EU-wetgeving nog steeds veel regeldruk met zich meebrengt en dat er derhalve verbeteringen kunnen worden aangebracht om ervoor te zorgen dat het wetgevingsproces van de EU transparanter is, openstaat voor input van alle belanghebbenden en gemakkelijker te volgen en uit te voeren is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>roept de Commissie en de medewetgevers op om systematisch goede wetgevingstechnieken toe te passen en duidelijke en toegankelijke juridische bewoordingen te hanteren, en daarbij te zorgen voor coherentie in het hele EU-<STRING ITALIC="on">acquis</STRING> en overlappingen of tegenstrijdigheden te vermijden die onnodige complexiteit veroorzaken en de uitvoering belemmeren; herhaalt dat duidelijk en coherent taalgebruik de rechtszekerheid vergroot en de administratieve lasten voor burgers, bedrijven en overheidsdiensten verkleint;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>erkent de essentiële rol van rechtshandhaving bij de handhaving van de rechtsstaat en de bescherming van de grondrechten; wijst erop dat rechtszekerheid en toegankelijke en voorspelbare wetgeving cruciale voorwaarden voor de rechtsstaat zijn; verzoekt de Commissie en de medewetgevers ervoor te zorgen dat instrumenten voor betere regelgeving, waaronder effectbeoordelingen, raadplegingen en evaluaties, bijdragen tot duidelijkere, coherentere en voorspelbaardere EU-wetgeving; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hervormingen van de grondwet of van wetgeving die van invloed zijn op de scheiding der machten, volledig in overeenstemming zijn met de fundamentele waarden en rechtsbeginselen van de EU, en dat ten volle gebruik wordt gemaakt van het EU-instrumentarium voor de rechtsstaat, aangezien deze hervormingen enorme gevolgen zouden hebben voor de cohesie in de EU en de levens van burgers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>betreurt ten zeerste dat de Commissie steeds vaker nalaat effectbeoordelingen uit te voeren, die een onderdeel vormen van haar eigen kader voor betere regelgeving; is van mening dat de kwaliteit en het gebruik van effectbeoordelingen aanzienlijk moeten worden verbeterd ter verwezenlijking van de doelstellingen van de agenda voor betere regelgeving;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>benadrukt de noodzaak van passende, onafhankelijke en transparante effectbeoordelingen van alle wetgevingsvoorstellen en van passende ex-postevaluaties van initiatieven van de Unie; wijst erop dat het Parlement bij verschillende gelegenheden zijn eigen effectbeoordelingen heeft uitgevoerd in plaats van de Commissie; herinnert er verder aan dat het Parlement een apart directoraat (directoraat Effectbeoordeling en Europese meerwaarde) heeft opgericht om zowel effectbeoordelingen vooraf als ex-postevaluaties te kunnen uitvoeren met als doel goed onderbouwde beleidsvorming te ondersteunen; wijst er niettemin op dat effectbeoordelingen informatie kunnen verschaffen, maar politieke besluitvorming niet kunnen vervangen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>benadrukt dat alle belangrijke wetgevings- en beleidsinitiatieven vergezeld moeten gaan van een kosten-batenanalyse als onderdeel van de effectbeoordeling, ook met betrekking tot de sociale, economische en milieueffecten ervan; is van mening dat dergelijke analyses onontbeerlijk zijn voor empirisch onderbouwde beleidsvorming en voor het behoud van het vertrouwen van burgers en bedrijven in EU-wetgeving;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>herhaalt zijn oproep tot mainstreaming van kinderrechten in alle EU-wetgeving door de invoering van een kinderrechtentoets in het kader van het instrumentarium voor effectbeoordelingen, die ervoor zou zorgen dat voor alle EU-wetgevingsvoorstellen een beoordeling van hun mogelijke effecten op de rechten van het kind wordt gemaakt, dat probleemgebieden in kaart worden gebracht en dat waar nodig ook alternatieve maatregelen aan een beoordeling worden onderworpen; onderstreept dat de EU-site voor jongereninspraak bij dit proces moet worden betrokken om de stem van kinderen luider te laten weerklinken in het besluitvormingsproces;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>herinnert eraan dat de behoefte aan nieuwe wetgeving niet automatisch betekent dat de huidige wetgeving niet meer nodig is; is in dit verband van mening dat tevens voor de eventuele intrekking van wetgeving een grondige effectbeoordeling moet worden uitgevoerd teneinde onverwachte gevolgen en ongewenste effecten te voorkomen; dringt erop aan dat deze aanpak gebaseerd is op een transparante en empirisch onderbouwde methodologie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>benadrukt dat de Commissie het Parlement en de Raad, en in voorkomend geval de nationale parlementen, gedurende de hele wetgevingscyclus systematisch moet informeren en raadplegen om de democratische verantwoordingsplicht, het institutioneel evenwicht en de transparantie van de beleidsvorming in de EU te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>erkent dat de huidige mechanismen, die bedoeld zijn om de regeldruk te beheersen, zoals het “one in, one out”-beginsel, moeite hebben om doeltreffend te functioneren omdat er geen adequate ex-postevaluaties van de werkelijke kosten van wetgeving worden uitgevoerd; merkt met betrekking tot het “one in, one out” -beginsel in het bijzonder op dat dit beperkt is tot basiswetgevingshandelingen; onderstreept dat de uitvoering van dit beginsel de politieke verplichtingen en doelstellingen van betere regelgeving niet mag beïnvloeden en benadrukt dat dit niet mag leiden tot ondoordachte of mathematische besluiten om wetgeving in te trekken; is voorts van mening dat het gebrek aan efficiënte mechanismen voor het verwijderen van verouderde of overbodige maatregelen een ernstige tekortkoming vormt; onderstreept dat de nadruk moet liggen op het verbeteren van de EU-wetgeving om ervoor te zorgen dat deze doelmatig blijft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>neemt kennis van de doelstellingen van de Commissie om de lasten te verminderen als een stap in de richting van slimmere regelgeving; wijst erop dat de systematische, empirisch onderbouwde evaluatie van wetgeving, zoals voorzien in het instrumentarium voor betere regelgeving, de hoeksteen van dit proces moet blijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>wijst erop dat gedelegeerde handelingen slechts bepaalde niet-essentiële onderdelen van een basishandeling aanvullen of wijzigen, terwijl uitvoeringshandelingen uniforme voorwaarden voor de uitvoering waarborgen, en dat beide derhalve dienovereenkomstig en evenredig moeten worden gebruikt, en beperkt moeten blijven tot de technische aspecten die nodig zijn voor de toepassing van de basishandelingen, waarbij dubbel werk, overlappingen of tegenstrijdigheden die onnodige complexiteit veroorzaken, worden vermeden; benadrukt dat het belangrijk is dat gedelegeerde en uitvoeringshandelingen aan transparante procedures worden onderworpen, met een duidelijk tijdschema waarbij de medewetgevers voldoende tijd krijgen voor een betekenisvolle en doeltreffende toetsing; vraagt dat deze gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ruim op voorhand worden bekendgemaakt, zodat de belanghebbenden zich op de naleving ervan kunnen voorbereiden; dringt erop aan dat gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, waar mogelijk, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de basishandeling beschikbaar worden gesteld, teneinde de rechtszekerheid en de juridische afdwingbaarheid te waarborgen; verzoekt de Commissie bij de algemene beoordeling van de regeldruk ook rekening te houden met de kosten en baten alsmede met de correcte uitvoering en toepassing van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>verzoekt de Commissie meer inspanningen te leveren om de wettelijke verplichtingen voor burgers en bedrijven in te dammen en de kwaliteit en doeltreffendheid van de EU-wetgeving te verbeteren door ervoor te zorgen dat regelgeving evenredig en empirisch onderbouwd is en een duidelijke meerwaarde voor EU-burgers en -bedrijven oplevert; acht het huidige “one in, one out”-beginsel in dit verband ongeschikt; dringt daarom aan op de vaststelling van een ambitieuzere overkoepelende aanpak, ook in gevallen waarin verschillende wetgevingsinstrumenten tegelijkertijd kunnen worden vervangen, herroepen of ingetrokken, bijvoorbeeld om versnippering, dubbel werk, overlappingen of redundantie te voorkomen en de kosten te verlagen; merkt op dat deze aanpak een duidelijke methodologie en een onafhankelijk en transparant monitoringmechanisme moet omvatten om een nettovermindering van de regelgevingskosten te bereiken, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de kosten van het niet vaststellen van wetgeving waar EU-meerwaarde wordt verwacht; onderstreept dat de nadruk moet liggen op het verlagen van onnodige administratieve lasten, en het tegelijkertijd verwezenlijken van de beleidsdoelstellingen van de EU, onder meer op het gebied van sociale, milieu- en consumentenbescherming; dringt er voorts op aan dat het Parlement een grotere rol speelt bij de ex-postevaluatie van EU-wetgeving en bij de monitoring van de uitvoering van bovengenoemde vereenvoudigingsaanpak;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>neemt kennis van de betrokkenheid van de Raad voor regelgevingstoetsing bij de effectbeoordelingen, geschiktheidscontroles en grootschalige evaluaties van huidige wetgeving; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe de onafhankelijkheid, de capaciteit, het mandaat en de procedures van de Raad voor regelgevingstoetsing kunnen worden verbeterd, onder meer door ervoor te zorgen dat deze over voldoende middelen beschikt om een groter deel van de wetgevingsinitiatieven van de Commissie te evalueren; pleit voor meer transparantie met betrekking tot de Raad voor regelgevingstoetsing, onder meer door een snellere bekendmaking van zijn adviezen en meer duidelijkheid over de follow-up van zijn aanbevelingen; onderstreept dat de werkzaamheden van de Raad voor regelgevingstoetsing de goedkeuring van wetgevingsvoorstellen niet onnodig mogen vertragen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>is van mening dat het Parlement, in gevallen waarin de Raad voor regelgevingstoetsing een negatief advies uitbrengt inzake een effectbeoordeling, naar behoren en tijdig in kennis moet worden gesteld om na te kunnen gaan of het voorstel verder moet worden bestudeerd of verworpen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>merkt op dat het jaarlijks lastenoverzicht van de Commissie een centrale rol speelt bij het volgen van de vooruitgang op het gebied van lastenvermindering; benadrukt evenwel dat er meer transparantie nodig is met betrekking tot de berekeningen en de methodologie die worden toegepast om kosten en cumulatieve effecten te meten, teneinde verantwoording en vergelijkbaarheid tussen beleidsterreinen te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>is ingenomen met het idee dat in het Draghi-verslag werd uiteengezet om één duidelijke methodologie te ontwikkelen om de kosten van nieuwe wetgeving te kwantificeren en is van mening dat de Commissie een dergelijke methodologie moet ontwikkelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>merkt op dat verslagleggingsverplichtingen vaak aanzienlijke administratieve kosten voor bedrijven, en met name voor kmo’s, met zich meebrengen; is van mening dat dergelijke verplichtingen moeten worden gestroomlijnd en dat er meer steun moet worden geboden voor de digitalisering van de verslaglegging; erkent niettemin het belang van doeltreffende verslaglegging om legitieme doelstellingen van overheidsbeleid te volgen en wetgeving te handhaven en zo het algemeen belang te dienen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom mogelijke ondersteunende maatregelen voor bedrijven te beoordelen om de kosten in verband met verslaglegging bij de uitvoering van EU-wetgeving tot een minimum te beperken en in een verslag tevens de haalbaarheid te beoordelen van het opzetten van mechanismen om bedrijven te compenseren voor naar behoren uitgevoerde verslagleggingstaken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>verzoekt de Commissie om de systematische integratie van bottom-upgegevens over de manier waarop burgers hun rechten ervaren, begrijpen en in de praktijk uitoefenen, met inbegrip van hun ervaringen met handhavings- en beroepsmechanismen; dringt erop aan dat deze gegevens beter worden weerspiegeld in de richtsnoeren en het instrumentarium voor betere regelgeving; verzoekt de Commissie en de medewetgevers om er tijdens elke fase van de beleidscyclus voor te zorgen dat de EU-wetgeving beter toepasbaar wordt in de praktijk, onder meer door de burgers en bedrijven daadwerkelijk te betrekken bij het beleidsontwerp, door gebruikersgericht taalgebruik te hanteren, door ontwerphandelingen aan een gebruikerstest te onderwerpen en door na de vaststelling van de wetgeving een raadpleging te organiseren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Gezonde regelgeving en beter wetgeven ten behoeve van het concurrentievermogen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>roept op om vaker gebruik te maken van processen die bedoeld zijn om de wetgeving te vereenvoudigen, zoals evaluaties en het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit); is eveneens van mening dat verschillende wetgevingstechnieken die zouden kunnen helpen bij achterhaalde of overbodige maatregelen, te weinig worden gebruikt of wanneer ze wel worden gebruikt, slecht worden uitgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>brengt in herinnering dat in het Draghi-verslag wordt beklemtoond dat de vereenvoudiging van de regels een van de drie overkoepelende doelstellingen voor een hernieuwd Europees partnerschap is<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">8 </STRING>Draghi M., ‘The future of European competitiveness – a competitiveness strategy for Europe’, Europese Commissie, 9 september 2024, deel A, blz. 67-68.</FIELD></FOOTNOTE>; wijst erop dat vereenvoudiging vereist dat er tevens aandacht uitgaat naar slimme uitvoeringsstrategieën, waarbij de administratieve lasten van bedrijven en in het bijzonder kmo’s op pragmatische, rechtsgeldige en efficiënte wijze worden verlicht en de uitvoering van de vastgestelde regels zo eenvoudig mogelijk wordt gemaakt; herinnert er voorts aan dat in het Letta-verslag eveneens wordt benadrukt dat regelgeving de economische activiteit en innovatie op de eengemaakte markt niet moet belemmeren maar vergemakkelijken<FOOTNOTE><FIELD><STRING SUPERSCRIPT="on">9 </STRING>Letta E., ‘Much more than a market’, Europese Raad, april 2024, blz. 130.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>is ingenomen met de invoering, in 2023, van de nieuwe kmo- en concurrentievermogenstoets, die een verplichte bijlage bij effectbeoordelingen is geworden; is verheugd over de belofte van Commissievoorzitter Ursula von der Leyen dat deze nieuwe toets zal helpen regeldruk te voorkomen en tegelijkertijd hoge normen te handhaven; merkt op dat de daad nu bij het woord moet worden gevoegd en dat de nadruk moet liggen op de ondersteuning van kmo’s, die moeten worden voorzien van de instrumenten die ze nodig hebben om de EU-doelstellingen te halen en de EU-wetgeving uit te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>vraagt dat het uitvoeren van een volledige concurrentievermogenstoets vaste praktijk wordt, met inbegrip van de evaluatie van de cumulatieve effecten van grootschalige wetgevingspakketten in plaats van de aparte evaluatie van elke individuele handeling; bevestigt dat, om het Europese concurrentievermogen en de Europese soevereiniteit te versterken, moet worden weerstaan aan de externe druk om het rechtskader van de EU af te zwakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>vestigt andermaal de aandacht op het belang van het “denk eerst klein”-beginsel als hoeksteen van betere regelgeving, waarbij ervoor wordt gezorgd dat in elke fase van de beleidscyclus, van ontwerp tot uitvoering en evaluatie, systematisch rekening wordt gehouden met de behoeften en capaciteiten van kmo’s; benadrukt dat het belangrijk is dat oorzakelijke verbanden tussen regelgevende bepalingen, het gedrag van bedrijven en de voordelen voor gebruikers in kaart worden gebracht en dat mogelijke onbedoelde gevolgen en buitensporige nalevingslasten voor kmo’s worden geëvalueerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>is ingenomen met het ruimere gebruik van testomgevingen voor regelgeving in toekomstgerichte sectoren en moedigt dit aan, teneinde innovatie te ondersteunen, nalevingskosten te verlagen en kmo’s rechtszekerheid te bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>erkent de toezegging van de Commissie om de verslagleggingsverplichtingen met 25 % te verminderen, maar beklemtoont dat dit streefdoel niet ten koste mag gaan van de transparantie en toetsing en tegelijkertijd de beleidsdoelstellingen van de EU moet verwezenlijken; neemt voorts kennis van de opname daarin van een vermindering van de administratieve kosten en verslaglegging voor kmo’s met 35 %; herinnert er bovendien aan dat verslagleggingsverplichtingen slechts een klein deel uitmaken van de totale regeldruk, die ook administratieve, uitvoerings- en nalevingskosten omvat die voortvloeien uit zowel EU- als nationale wetgeving; merkt op dat het streefdoel voor reductie van de Commissie van 25 % daarom moet worden gezien als deel van de bredere doelstelling van vermindering van de totale kosten en de algehele complexiteit, onder meer door, in voorkomend geval, de nationale regels verder op elkaar af te stemmen; dringt daarom aan op een ambitieuzere aanpak van betere kwaliteit, waarbij wordt gestreefd naar een nog grotere verlaging van alle regelgevingskosten, met inbegrip van een proefproject om de effecten van regelgeving op innovatie te beoordelen, bijvoorbeeld door belemmeringen voor start-ups en nieuwe technologieën in een vroege wetgevingsfase in kaart te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>is daarnaast verheugd over de benoeming van een vicevoorzitter van de Commissie die uitdrukkelijk belast is met uitvoering en vereenvoudiging; is ingenomen met het gebruik van uitvoeringsdialogen en spoort aan om het <STRING ITALIC="on">acquis</STRING> van de Unie regelmatig aan realitychecks en stresstests te onderwerpen om de cumulatieve effecten ervan op het concurrentievermogen, de innovatie en de kmo’s te beoordelen, om de beleidsdoelstellingen van de EU te verwezenlijken en om mogelijkheden voor doeltreffende vereenvoudiging in kaart te brengen; wijst in dit verband op het belang van grondige effectbeoordelingen en de systematische integratie van geschiktheidscontroles, concurrentievermogenstoetsen en kmo-toetsen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>roept de Commissie en de lidstaten op om overwegingen met betrekking tot het concurrentievermogen systematisch te integreren in de vereenvoudigingsinitiatieven en ervoor te zorgen dat administratieve procedures die gevolgen hebben voor burgers en bedrijven worden gestroomlijnd zonder dat essentiële waarborgen hierdoor in het gedrang komen; benadrukt dat door onnodige bureaucratie te verminderen, digitale oplossingen uit te breiden en wederzijdse erkenning te verbeteren, de nalevingskosten kunnen dalen, de mobiliteit kan worden vergemakkelijkt en het concurrentievermogen en de aantrekkelijkheid van de eengemaakte markt kunnen worden versterkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>is van mening dat vereenvoudiging met het oog op het concurrentievermogen en de verdere integratie van de eengemaakte markt een overkoepelende aanpak van de desbetreffende EU- en nationale wetgeving vereist; wijst erop dat de verschillen tussen de nationale regels in verschillende lidstaten ook kunnen leiden tot rechtsonzekerheid en extra administratieve kosten; roept in dit verband de Commissie op om een overzicht te maken van alle bestaande financiële en niet-financiële wetgeving en administratieve verplichtingen voor bedrijven op grond van EU-recht, alsook van de verplichtingen op grond van nationaal vennootschapsrecht; dringt erop aan dat dit overzicht de basis vormt voor een alomvattende beoordeling, onder meer met betrekking tot kosten en baten, de uiteenlopende openbare belangen die de wetgeving dient, overlappingen tussen wetgevingen en mogelijkheden voor harmonisatie en onderlinge aanpassing; verzoekt de Commissie om die beoordeling te gebruiken om, indien nodig en met de daadwerkelijke participatie van alle relevante actoren en belanghebbenden en op basis van een gedegen effectbeoordeling, voorstellen te doen om achterhaalde bepalingen te actualiseren en ongerechtvaardigde belemmeringen weg te werken door middel van evenredige maatregelen, teneinde een opwaartse convergentie te bereiken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>benadrukt dat het gebruik van digitale instrumenten en op AI gebaseerde oplossingen grote mogelijkheden biedt om de naleving te vereenvoudigen, de regelgevingskosten te verlagen en de toegankelijkheid van informatie te verbeteren; is van oordeel dat de potentiële kracht van digitale instrumenten om in dit verband betere en snellere oplossingen te bieden, nader moet worden onderzocht en dat recent aangenomen wetgeving moet worden uitgevoerd; onderstreept dat hiervoor capaciteitsopbouw en ondersteunende maatregelen vereist zijn om alle bedrijven ongeacht hun omvang, autoriteiten en burgers te voorzien van de noodzakelijke digitale infrastructuur en vaardigheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>roept de Commissie op om nieuwe AI-instrumenten — met inbegrip van met retrieval-augmented generation aangevulde grote taalmodellen — te testen en te overwegen deze in te zetten om de monitoring van de uitvoering van EU-wetgeving efficiënter en nauwkeuriger te maken waardoor niet-naleving sneller kan worden opgespoord, tijdiger op klachten kan worden gereageerd en opkomende problemen op proactieve wijze kunnen worden opgelost;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>dringt er bij de lidstaten op aan geen onnodige extra administratieve of nalevingslasten toe te voegen bij de omzetting van EU-wetgeving (“gold-plating”) en verzoekt de Commissie gevallen van dergelijke praktijken in kaart te brengen en te publiceren in haar jaarlijkse uitvoeringsverslagen; benadrukt de noodzaak van een consistente en doeltreffende omzetting van richtlijnen door de lidstaten om rechtszekerheid en een gelijk speelveld te waarborgen; dringt er bij de lidstaten op aan zich te onthouden van een te late, onvolledige of onjuiste omzetting van richtlijnen en moedigt hen aan samen te werken en deel te nemen aan de uitwisseling van goede praktijken, zodat de tenuitvoerlegging van richtlijnen evenredig en doeltreffend is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>roept de Commissie en de lidstaten op om de fragmentatie van de regelgeving die kmo’s in de eengemaakte markt treft, aan te pakken, met inbegrip van onnodige nationale formaliteiten, en prioriteit te geven aan kaders voor wederzijdse erkenning en interoperabiliteit;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>