<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0075</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid 2026</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0036/2026 - Rapporteur: Kira Marie Peter-Hansen)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2026 over het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid 2026 (2025/2214(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 121, 126 en 136,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Protocol nr. 1 bij het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het VWEU betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Protocol nr. 2 bij het VEU en het VWEU betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Overeenkomst van Parijs van de Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering van 12 december 2015 en de VN‑doelstellingen voor duurzame ontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 243 van 9.7.2021, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Protocol nr. 12 bij het VEU en het VWEU betreffende de procedure bij buitensporige tekorten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/1263, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1263/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1264 van de Raad van 29 april 2024 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/1264, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1264/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn (EU) 2024/1265 van de Raad van 29 april 2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/85/EU betreffende voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/1265, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1265/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied<FOOTNOTE><FIELD>PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/1173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied<FOOTNOTE><FIELD>PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/1174/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden<FOOTNOTE><FIELD>PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/1176/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit<FOOTNOTE><FIELD>PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/472/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone<FOOTNOTE><FIELD>PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/473/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de economische voorjaarsprognose 2025 van de Commissie van 19 mei 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de economische najaarsprognose 2025 van de Commissie van 17 november 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het najaarspakket van het Europees Semester 2026 van de Commissie van 25 november 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Debt Sustainability Monitor 2024 van de Commissie van 17 maart 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 19 maart 2025 getiteld “Hogere defensie-uitgaven opvangen binnen het stabiliteits- en groeipact” (C(2025)2000),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag 2025 van het Europees Begrotingscomité, dat op 22 oktober 2025 is bekendgemaakt,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van 9 september 2024 van Mario Draghi over de toekomst van het Europese concurrentievermogen (het rapport-Draghi),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling door de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 19 maart 2025 getiteld “White Paper for European Defence Readiness 2030” (JOIN(2025)0120),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek getiteld “Measuring sustainable and inclusive well-being: a multidimensional dashboard approach”, gepubliceerd op 28 januari 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten op 13 december 2017,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van Terhulpen over de toekomst van de Europese pijler van sociale rechten van 16 april 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het sociaal engagement van Porto van 7 mei 2021 van de Raad, de Commissie, het Parlement en de sociale partners,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Begrotingscommissie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A10‑0036/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het Europees Semester een essentiële rol vervult bij het coördineren en op elkaar afstemmen van het economisch en begrotingsbeleid van de lidstaten, teneinde de macro-economische stabiliteit van de Economische en Monetaire Unie te vrijwaren en een sociaal rechtvaardige transitie naar een duurzame economie te bewerkstelligen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de aanbevelingen van het Europees Semester in 2026 cruciaal zullen zijn bij het opstellen van de plannen voor nationaal en regionaal partnerschap, die de lidstaten moeten indienen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester regelmatig bezuinigingen op sociale uitgaven omvatten, en nauwelijks aandacht besteden aan inkomstenverhogingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de economische vooruitzichten onzeker blijven, met name wegens de Russische invasie van Oekraïne en de onzekerheid als gevolg van protectionistisch beleid, tarieven en handelsspanningen, die allemaal negatieve gevolgen hebben voor de economie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat volgens de economische najaarsprognose 2025 van de Commissie de bbp-groei in de EU naar verwachting het potentiële groeipercentage zal naderen, waarbij de volledige werkgelegenheid en de inflatie dicht bij de streefcijfers zullen liggen, hoewel de inflatie in sommige lidstaten hoog blijft;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat voor de EU als geheel de Commissie een groei verwacht van 1,4 % tot 1,5 % tussen 2025 en 2027, terwijl de dynamiek in de eurozone naar verwachting lager zal zijn (1,2 % tot 1,4 %); overwegende dat de potentiële groei in de EU naar verwachting zal afnemen van ongeveer 1,5 % in 2024 tot 1,3 % in 2027 (in de eurozone van 1,4 % tot 1,2 %), hoofdzakelijk als gevolg van ongunstige demografische trends;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de EU enorme investeringsbehoeften heeft, waaronder extra jaarlijkse investeringen van 800 miljard EUR die volgens het rapport-Draghi nodig zijn om het concurrentievermogen en de productiviteit van Europa te verbeteren, met inbegrip van 450 miljard EUR alleen al voor de energietransitie, waarvan 260 miljard EUR volgens het Institut Rousseau uit de publieke sector moet komen; overwegende dat er nog eens 800 miljard EUR aan extra investeringen is voorzien voor defensie-uitgaven in het kader van het ReArm Europe-plan/Readiness 2030; overwegende dat voor deze investeringsdoelen geen bijbehorende nieuwe eigen middelen beschikbaar zijn en de Unie derhalve niet over de begrotingscapaciteit beschikt die nodig is om haar doelstellingen te verwezenlijken; overwegende dat aan deze behoeften niet uitsluitend kan worden voldaan met overheidsfinanciering;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de EU voor grote uitdagingen staat, gaande van aanhoudende dreigingen aan haar oostelijke grenzen in verband met de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne tot geopolitieke instabiliteit en handelsonzekerheid, terwijl uitdagingen op lange termijn, zoals de groene en de digitale transitie, blijven bestaan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat in het VWEU referentiewaarden zijn vastgesteld van maximaal 3 % voor het overheidstekort en 60 % voor de schuldquote; overwegende dat het nominale tekort en de overheidsschuldquote van de EU boven de referentiewaarden blijven; overwegende dat zowel het nominale tekort als de overheidsschuldquote variëren in de EU, met sterk uiteenlopende situaties in de lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de Raad sinds de invoering van de procedure met betrekking tot buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in 2011 nog nooit een dergelijke procedure heeft ingeleid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de huidige Commissie een “investeringscommissie” wil zijn en vertrouwt op de steun van het Parlement, als medewetgever, om wezenlijke maatregelen te nemen om EU-investeringen te stimuleren tot een niveau dat in verhouding staat tot de behoeften van de groene en de digitale transitie; overwegende dat de Commissie nog geen adequate respons heeft gegeven op de enorme investeringsbehoeften van de Unie, met name gezien het feit dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit eind 2026 ten einde zal lopen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat crises uit het verleden, waaronder de COVID‑19-pandemie, hebben aangetoond dat een gemeenschappelijke en gecoördineerde Europese respons de Unie sterker maakt; overwegende dat Europa in een concurrerende geo-economische omgeving zijn belangen en waarden alleen met eenheid kan beschermen, wat de noodzaak onderstreept van een solide macro-economisch beleidskader en een nog nauwere coördinatie van het economisch en sociaal beleid via het Europees Semester;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Economische vooruitzichten voor de EU</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>merkt op dat de EU de afgelopen vijf jaar voor grote uitdagingen heeft gestaan, waaronder de uitbraak van de COVID‑19-pandemie en de illegale en ongerechtvaardigde Russische oorlog in Oekraïne, die grote economische gevolgen hebben gehad; neemt nota van de snelheid en impact van EU-brede initiatieven en instrumenten om de economische en sociale gevolgen van externe schokken aan te pakken, en met name de herstel- en veerkrachtfaciliteit en het Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand (SURE);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>merkt op dat het bbp van de EU volgens de op 17 november 2025 gepubliceerde economische najaarsprognose 2025 van de Commissie naar verwachting met 1,4 % zal toenemen in 2025 ten opzichte van 2024 en met 1,4 % in 2026; wijst erop dat de EU volgens deze prognose wat betreft groeiverwachtingen nog steeds aanzienlijk achterloopt op de VS en China; benadrukt dat de eurozone en de EU ondanks aanzienlijke uitdagingen blijk hebben gegeven van veerkracht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>merkt op dat de potentiële groei, die het groeipercentage aangeeft dat een economie kan aanhouden zonder buitensporig hoge inflatie, naar verwachting zal dalen van 1,5 % in 2024 tot 1,3 % in 2027 in de EU, en van 1,4 % tot 1,2 % in de eurozone, aangezien de groei van de beroepsbevolking afneemt; is van mening dat deze potentiële groeiniveaus te laag zijn om de uitdagingen waar de Europese economie de komende jaren voor staat, het hoofd te bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>merkt op dat volgens de economische najaarsprognose 2025 van de Commissie het totale tekort in de eurozone naar verwachting zal toenemen van 3,1 % van het bbp in 2024 tot 3,2 % van het bbp in 2025; neemt er nota van dat op basis van het huidige beleid het tekort naar verwachting zal stijgen tot 3,3 % van het bbp in 2026;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>merkt op dat 12 lidstaten in 2027 naar verwachting een tekort van meer dan 3 % van het bbp zullen hebben, en dat tegen 10 lidstaten een buitensporigtekortprocedure loopt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>neemt er nota van dat de bruto-overheidsschuldquote in de EU naar verwachting 82,8 % zal bedragen in 2025 en volgens de prognoses zal stijgen tot 83,8 % in 2026 en 84,5 % in 2027, wat hoger is dan de in de Verdragen vastgelegde referentiewaarde van 60 % voor individuele lidstaten; noteert dat de overheidsschuld in de eurozone naar verwachting zal stijgen tot 89,8 % in 2026 en 90,4 % in 2027; merkt op dat de schuldniveaus aanzienlijk verschillen tussen de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>verzoekt de lidstaten een prudent begrotingsbeleid te voeren om de houdbaarheid van de overheidsschuld te vrijwaren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>herinnert eraan dat extreme weersomstandigheden materiële gevolgen hebben voor de overheidsfinanciën; is zich ervan bewust dat de gevolgen en de frequentie van extreme weersomstandigheden de komende jaren alleen maar zullen toenemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de inflatie in de eurozone is teruggebracht tot het streefniveau van de Europese Centrale Bank, nadat in oktober 2022 de piek van 10,6 % was gehaald; merkt echter op dat de inflatie in de lidstaten nog steeds uiteenloopt, met soms hogere niveaus, onder meer in die lidstaten met energie-intensieve industrieën; neemt er nota van dat zowel de kerninflatie als de inflatieverwachtingen nog steeds boven het streefniveau liggen; benadrukt de aanhoudende gevolgen van de voedsel- en energie-inflatie voor Europese huishoudens; merkt op dat de inflatie ongelijke gevolgen heeft voor inkomensgroepen, en dat huishoudens met een laag inkomen het hardst worden getroffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over het feit dat het gebrek aan particuliere en overheidsinvesteringen de duurzame groei en het concurrentievermogen in Europa waarschijnlijk zal belemmeren en de EU zal beletten de gemeenschappelijke prioriteiten te verwezenlijken die zijn opgenomen in de strategische agenda 2024‑2029 van de EU; beklemtoont dat de lidstaten meer inspanningen moeten leveren om belemmeringen weg te nemen en meer particuliere investeringen aan te trekken, in overeenstemming met de strategie van de Commissie voor de spaar- en investeringsunie; erkent de politieke doelstelling van de Commissie om het regelgevingskader te vereenvoudigen en de administratieve lasten aanzienlijk te verminderen teneinde particuliere investeringen te bevorderen; benadrukt dat investeringen op gebieden als onderzoek en ontwikkeling, infrastructuur en innovatie dringend nodig zijn om de potentiële groei van de EU te verhogen; wijst op de cruciale rol van het volgende meerjarig financieel kader, niet alleen bij het verstrekken van overheidsinvesteringen, maar ook bij het aantrekken van particuliere investeringen, en beklemtoont in dit verband dat financiële instrumenten en begrotingsgaranties krachtige en doeltreffende instrumenten zijn om essentiële beleidsdoelstellingen van de EU te verwezenlijken, alsook gebruiksklare financieringsinstrumenten voor de hele EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>merkt op dat in het Europees macro-economisch verslag van de Commissie wordt erkend dat de betaalbaarheid van huisvesting een macro-economisch en sociaal probleem is, met name omdat het op lange termijn mogelijk beperkingen oplegt aan de arbeidsmobiliteit en de productiviteitsgroei verzwakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>benadrukt dat een consistent en gericht industriebeleid van cruciaal belang is om de technologische transformatie van de EU te ondersteunen en de weerbaarheid van toeleveringsketens te waarborgen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat markten concurrerend blijven en niet worden verstoord;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>merkt op dat de gemiddelde arbeidsparticipatie in de EU een recordniveau heeft bereikt, hetgeen wijst op een dynamische arbeidsmarkt in de meeste lidstaten; wijst op de opname van het kader voor sociale convergentie in het Europees Semester; benadrukt dat het model van beroepsonderwijs en -opleiding succesvol is gebleken in de lidstaten die ervoor hebben gekozen; betreurt dat er grote verschillen bestaan tussen de lidstaten wat de werkloosheidspercentages betreft, met name voor jongeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>herhaalt hoe belangrijk het is om een gelijk speelveld op de eengemaakte markt te vrijwaren en verzoekt de lidstaten actie te ondernemen om de eengemaakte markt te verdiepen door interne belemmeringen weg te nemen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Toepassing van het herziene EU-kader voor economische governance</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>herinnert eraan dat de hervorming van het kader voor economische governance tot doel heeft het eenvoudiger te maken, transparanter en effectiever met meer nationale zeggenschap en betere handhaving, en beter in te kunnen spelen op de heterogeniteit van begrotingssituaties, overheidsschulden en economische uitdagingen, en bij te dragen tot het aanpakken van de uitdagingen op middellange en lange termijn waarmee de EU en haar lidstaten worden geconfronteerd, onder meer door het bevorderen van anticyclisch begrotingsbeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>beklemtoont dat in het hervormde kader voor economische governance de groei van de netto-uitgaven de enige operationele indicator is om na te gaan of de lidstaten de respectieve aanbevelingen van de Raad naleven; benadrukt dat veel lidstaten nog steeds te kampen zullen hebben met onvoldoende begrotingscapaciteit om aan aanzienlijke investeringsbehoeften te voldoen; neemt er nota van dat de nationale ontsnappingsclausule slechts één jaar na de inwerkingtreding van de herziene regels al is geactiveerd voor defensie-uitgaven, als kortetermijnrespons op buitengewone gebeurtenissen waarop een land geen vat heeft; onderstreept dat de nationale ontsnappingsclausule bedoeld is voor tijdelijke, landspecifieke noodsituaties en niet geschikt is om structurele behoeften op lange termijn aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>benadrukt dat de Commissie haar discretionaire bevoegdheden onder het hervormde kader voor economische governance heeft uitgebreid, met name via het proces dat ten grondslag ligt aan de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn; neemt nota van de bevinding van het Europees Begrotingscomité dat de Commissie met discretie heeft gehandeld bij het besluit om buitensporigtekortprocedures uit te stellen of niet in te leiden; beklemtoont dat een gelijke toepassing van de begrotingsregels van de EU van het grootste belang is om de geloofwaardigheid van het kader voor economische governance te behouden, gelijke behandeling van de lidstaten te waarborgen en een coherente en werkelijk Europese aanpak te handhaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>neemt nota van de gerichte wijzigingen van het EU-kader voor economische governance die de Commissie op 2 oktober 2025 heeft bekendgemaakt en die tot doel hebben voor consistentie te zorgen na de meest recente actualisering van het kader voor economische governance;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>neemt met bezorgdheid kennis van de bevindingen van het Europees Begrotingscomité dat ongeveer de helft van de onafhankelijke begrotingsinstellingen niet formeel heeft deelgenomen aan de voorbereiding van de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn; is van mening dat een grotere deelname van onafhankelijke begrotingsinstellingen de transparantie en het externe toezicht op een cruciaal moment in de transitie zou vergroten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Begrotingskoers</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt dat de overheidsinvesteringen de afgelopen jaren aanzienlijk zijn toegenomen, waarbij de EU ongeveer de helft van de toename tussen 2019 en 2025 heeft gefinancierd, voornamelijk via de herstel- en veerkrachtfaciliteit; merkt op dat deze voordelen naar verwachting zullen voortduren na 2026, met belangrijke overloopeffecten in alle lidstaten, en dat het langetermijneffect van structurele hervormingen de potentiële output van de eurozone in de periode 2020 tot 2033 met wel 1,3 % van het bbp zou kunnen verhogen in vergelijking met een scenario zonder de herstel- en veerkrachtfaciliteit; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit in 2026 ten einde loopt en over de gevolgen die dit kan hebben voor de algemene begrotingskoers van de EU; dringt er bij de lidstaten op aan om de uitvoering van hun herstel- en veerkrachtplannen tegen augustus 2026 af te ronden; herinnert eraan dat de schuld die is uitgegeven om de herstel- en veerkrachtfaciliteit te financieren, uiterlijk in 2058 moet zijn terugbetaald, op een wijze die een gestage en voorspelbare vermindering van verplichtingen waarborgt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>neemt nota van de aanbeveling van de Commissie dat de algemene begrotingskoers van de lidstaten in 2026 grotendeels neutraal blijft, ondanks aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>wijst erop dat overheidsinkomsten en overheidsuitgaven van essentieel belang zijn om de houdbaarheid van de nationale begrotingen te waarborgen; herinnert aan de aanbeveling van de Raad betreffende het economisch beleid van de eurozone van 17 februari 2026, waarin wordt opgeroepen tot het verkleinen van belastingkloven door belastingnaleving te verbeteren, met inbegrip van het aanpakken van belastingontwijking en belastingontduiking en het bestrijden van agressieve belastingplanning; benadrukt dat een zwakke handhaving in de belastingadministratie en in de strijd tegen belastingontduiking en belastingontwijking de houdbaarheid van de begroting ondermijnt en bijdraagt tot macro-economische onevenwichtigheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>neemt kennis van de programmatische heroriëntatie van het beleid van de Commissie in de huidige cyclus van het Europees Semester, waarbij het kompas voor concurrentievermogen richtsnoeren biedt voor het Semesterpakket in plaats van de jaarlijkse duurzamegroeianalyse; benadrukt dat deze wijziging de focus van het kader van het Semester versterkt; beklemtoont het belang van continuïteit met betrekking tot landspecifieke aanbevelingen die zijn opgezet als meerjarige en langetermijnhervormingstoezeggingen en met betrekking tot de inspanningen van de lidstaten om de langetermijndoelstellingen te verwezenlijken; verzoekt de Commissie te waken over een holistische visie op het Europese concurrentievermogen en ervoor te zorgen dat de transitieprioriteiten voor de lange termijn consequent en coherent tot uiting blijven komen in de landspecifieke aanbevelingen in de opeenvolgende cycli van het Semester;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Landspecifieke aanbevelingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>merkt op dat de landspecifieke aanbevelingen voor elke lidstaat een aanbeveling bevatten over het begrotingsbeleid, met inbegrip van budgettair-structurele hervormingen, waar relevant; neemt kennis van de toezegging van de Commissie om het Europees Semester te gebruiken om het concurrentievermogen, stabiliteit, economische groei, duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid te bevorderen, alsook om de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en de Europese pijler van sociale rechten op te nemen in het Europees Semester; benadrukt dat het Semester een belangrijk instrument is om gezond macro-economisch en begrotingsbeleid in de lidstaten te coördineren en zodoende de macro-economische stabiliteit van de economische en monetaire unie te vrijwaren; onderstreept het belang van landspecifieke aanbevelingen als hoeksteen van de Europese economische beleidscoördinatie; herinnert eraan dat landspecifieke aanbevelingen beleidsacties zijn die ook een integraal deel uitmaken van de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn, de nationale herstel- en veerkrachtplannen en het aangekondigde voorstel voor de plannen voor nationaal en regionaal partnerschap;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>herinnert aan de rol van landspecifieke aanbevelingen bij de coördinatie van de prioriteiten van de EU; wijst op het gebrek aan vooruitgang bij de doeltreffende opvolging van de landspecifieke aanbevelingen; merkt op dat tussen 2019 en 2023 bij 25,1 % van de landspecifieke aanbevelingen geen of beperkte vooruitgang is geboekt; verzoekt de Commissie opnieuw na te denken over de wijze waarop landspecifieke aanbevelingen worden ontwikkeld en gemonitord, met name gelet op hun toekomstige rol bij de toegang tot EU-middelen; herinnert aan zijn verzoek om mindere en gerichtere landspecifieke aanbevelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>neemt kennis van de ambitie van de Commissie om acties die nodig zijn voor de spaar- en investeringsunie, hun verdere neerslag te laten vinden in landspecifieke aanbevelingen, zoals aangekondigd in haar mededeling van 19 maart 2025<FOOTNOTE><FIELD>Mededeling van de Commissie van 19 maart 2025 getiteld “Spaar- en investeringsunie. Een strategie om in de EU de welvaart van burgers en het economische concurrentievermogen te stimuleren” (COM(2025)0124).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>merkt op dat landspecifieke aanbevelingen in het volgende meerjarig financieel kader een grotere rol zullen spelen bij het sturen van investeringen en hervormingen op nationaal en regionaal niveau; is van mening dat de keuze van hervormingen en investeringen moet worden bepaald door de doeltreffendheid ervan bij het aanpakken van de relevante landspecifieke aanbevelingen voor het verwezenlijken van een rechtvaardige transitie naar een groene en concurrerende Europese economie; onderstreept dat dit proces gepaard moet gaan met een sterker democratisch toezicht en een grotere betrokkenheid van de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>benadrukt het toenemende belang van landspecifieke aanbevelingen die verband houden met de plannen voor nationaal en regionaal partnerschap; vestigt de aandacht op het feit dat er op dit moment geen transparante of traceerbare methode is voor de ontwikkeling en selectie van landspecifieke aanbevelingen, noch duidelijkheid over de vraag waarom sommige wel en andere niet worden voorgesteld, hetgeen aanleiding geeft tot bezorgdheid over de verantwoordingsplicht en de gelijke behandeling van de lidstaten; verzoekt de Commissie de onderliggende procedures en selectiecriteria te verduidelijken; beklemtoont dat elke uitbreiding van de discretionaire bevoegdheid van de Commissie gepaard moet gaan met overeenkomstige verantwoordingsmechanismen achteraf en een substantiële verbetering van de informatiestroom naar het Parlement;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>merkt op dat de landspecifieke aanbevelingen voor 2025 meer gericht waren op concurrentievermogen en vereenvoudiging, in overeenstemming met de prioriteiten aangeduid in het kompas voor concurrentievermogen, maar ook de noodzaak benadrukten om wetenschappelijke excellentie, onderzoek en innovatie te stimuleren, evenals technologische ontwikkeling als drijvende krachten voor productiviteit en veerkracht op de lange termijn; benadrukt dat er minder landspecifieke aanbevelingen worden gewijd aan sociaal en klimaatbeleid; neemt er nota van dat de landspecifieke aanbevelingen voor sommige lidstaten een aanbeveling bevatten inzake de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>merkt op dat de Commissie de aanbeveling voor de eurozone in de eerste plaats beschouwt als een instrument om de besprekingen van de Eurogroep te sturen; verzoekt de Commissie echter gevolg te geven aan de aanbevelingen voor de eurozone, onder meer door er rekening mee te houden wanneer landspecifieke aanbevelingen worden ontwikkeld; betreurt dat de Commissie in 2025 geen overzicht van de uitvoering van de aanbevelingen voor de eurozone heeft gepubliceerd, zoals zij gewoonlijk deed als onderdeel van de verslagen over de eurozone; neemt er nota van dat de landspecifieke aanbevelingen in 2025 geen enkele aanbeveling bevatten die rechtstreeks betrekking heeft op klimaatverandering;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Het investeringstekort dichten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>brengt in herinnering dat er in het rapport-Draghi met klem op wordt gewezen dat de particuliere en overheidsinvesteringen moeten worden verhoogd en ambitieuze hervormingen moeten worden nagestreefd om het concurrentievermogen van de EU te stimuleren; verzoekt de Commissie en de lidstaten een strategie voor te stellen om aan de investeringsbehoeften na 2026 te kunnen voldoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>is van mening dat het EU-kader voor economische governance in voorkomend geval moet worden aangevuld met instrumenten en hulpmiddelen op EU-niveau om de kosten voor de belastingbetalers in de EU tot een minimum te beperken en de efficiëntie bij de levering van Europese collectieve goederen te maximaliseren, en om te reageren op Uniebrede crises, zoals de huidige crisis op het gebied van veiligheid en defensie; merkt op dat EU-schuldbewijzen als benchmark kunnen dienen, en zo de integratie van de financiële markten in de EU kunnen versterken; dringt aan op de invoering van nieuwe eigen middelen om het Uniebeleid te financieren; steunt de oprichting van het Europees Fonds voor concurrentievermogen en het Scaleup Europe-fonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>onderstreept het akkoord in de Europese Raad om Oekraïne voor 2026‑2027 een lening van 90 miljard EUR te verstrekken op basis van door de EU-begrotingsmarge gedekte EU-leningen op de kapitaalmarkten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>merkt op dat het veranderende geopolitieke klimaat nog meer eenheid en solidariteit tussen de lidstaten vereist, in het bijzonder wanneer rekening wordt gehouden met de bezorgdheid over de veiligheid van de Unie en haar lidstaten; is van mening dat het versterken van de veiligheid van Europa door het verminderen van strategische afhankelijkheden van essentieel belang blijft om de veerkracht van de Unie op lange termijn te waarborgen; steunt de inspanningen van de Commissie om een meer gecoördineerde aanpak van defensie te bewerkstelligen; merkt op dat in het kader van het SAFE-instrument (Security Action for Europe – Optreden voor de veiligheid van Europa) een leningsfaciliteit van 150 miljard EUR is opgezet om investeringen van de lidstaten in defensie te ondersteunen; betreurt echter het feit dat het SAFE-instrument is gebaseerd op artikel 122 VWEU, waardoor het parlementaire toezicht wordt beperkt; is ingenomen met het feit dat de indicator voor netto-uitgaven alle nationale medefinanciering in door de EU gefinancierde programma’s uitsluit, waardoor de lidstaten meer begrotingsruimte krijgen om te investeren in de gemeenschappelijke prioriteiten van de EU, zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2024/1263<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad (PB L, 2024/1263, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1263/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, wat bijdraagt tot het versterken van de synergieën tussen de EU-begroting en de nationale begrotingen, waardoor de versnippering wordt verminderd en de algemene efficiëntie van overheidsuitgaven op sommige gebieden, zoals defensie, wordt vergroot; benadrukt dat de toezegging van de lidstaten om de defensie-uitgaven te verhogen niet ten koste mag gaan van andere gemeenschappelijke prioriteiten van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>merkt op dat 16 lidstaten de nationale ontsnappingsclausule hebben geactiveerd voor defensie-uitgaven; onderstreept dat dit de lidstaten flexibiliteit biedt om de defensie-uitgaven te verhogen, zonder dat dergelijke verhogingen onmiddellijk hoeven te worden gefinancierd met uitgavenverlagingen of inkomstenverhogende maatregelen; wijst erop dat deze flexibiliteit de lidstaten dus de nodige tijd geeft om hogere defensie-uitgaven in te passen in de nationale begrotingen; benadrukt dat de gedeeltelijke deelname de geraamde extra defensie-uitgaven aanzienlijk vermindert van 650 miljard EUR tot ongeveer 297-337 miljard EUR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>waarschuwt ervoor dat defensie-uitgaven van nature investeringen in gebruiksgoederen zijn en niet per se de potentiële output van een economie verhogen; is van mening dat defensie-uitgaven daarom niet moeten worden gefinancierd door meer schuldemissies op de lange termijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>benadrukt het belang van meer samenhang en samenwerking bij defensie-investeringen tussen de lidstaten, met name wat betreft strategische hulpmiddelen of strategische wapensystemen die te duur zijn voor afzonderlijke lidstaten, gezien de dringende noodzaak om de Europese defensiesector op te schalen en de veiligheid en strategische autonomie op lange termijn te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>herinnert eraan dat de Commissie nooit een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden heeft ingeleid, ondanks het feit dat sommige lidstaten terugkerende onevenwichtigheden op hun lopende rekening hebben; merkt op dat de Commissie zal nagaan of er sprake is van macro-economische onevenwichtigheden voor de zeven lidstaten die in haar waarschuwingsmechanismeverslag van 2026 waren geselecteerd voor een diepgaande evaluatie;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>