<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0076</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid: werkgelegenheids- en sociale prioriteiten voor 2026</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0033/2026 - Rapporteur: Nela Riehl)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2026 over het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid: prioriteiten op het vlak van werkgelegenheid en sociaal beleid – jaarverslag 2026 (2025/2183(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 9, 121, 148 en 149 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Europese pijler van sociale rechten (EPSR), die op 17 november 2017 door de Raad, het Parlement en de Commissie is afgekondigd en ondertekend, en het in 2021 vastgestelde actieplan daarvan, met name de voorgestelde kerndoelen voor 2030 op het gebied van werkgelegenheid, vaardigheden en armoedebestrijding,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2024/1263, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1263/oj.</FIELD></FOOTNOTE> van de Raad, en met name de artikelen 3, 4, 13 en 27,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie getiteld “Employment and Social Developments in Europe”, gepubliceerd in september 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie getiteld “Labour Market and Wage Development in Europe”, gepubliceerd in oktober 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 25 november 2025 voor een gezamenlijk verslag van de Commissie en de Raad over de werkgelegenheid (COM(2025)0958),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Commissie van 25 november 2025 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2025)0957),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 25 november 2025 over het waarschuwingsmechanismeverslag 2026 (COM(2025)0956),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Commissie van 25 november 2025 voor een aanbeveling van de Raad over menselijk kapitaal in de Europese Unie (COM(2025)0959),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de bijdragen van de Europese sociale partners aan het Europees Semester 2026 en met name het najaarspakket,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van Mario Draghi getiteld “The future of European competitiveness”, gepubliceerd in september 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van Enrico Letta over de toekomst van de eengemaakte markt, getiteld “Much more than a market”, gepubliceerd in april 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Groep op hoog niveau over de toekomst van de sociale bescherming en de verzorgingsstaat in de EU, gepubliceerd in januari 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A10‑0033/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de werkgelegenheidsdoelstelling van de EU dat tegen 2030 ten minste 78 % van de mensen tussen 20 en 64 jaar werk heeft, op schema ligt om te worden gehaald; overwegende dat in oktober 2025 het werkloosheidspercentage in de EU 6 % bedroeg, variërend van 2,6 % tot wel 10,6 % tussen de lidstaten, terwijl de jeugdwerkloosheid met 13,2 % hoog blijft; overwegende dat de werkloosheid en onzekere arbeidsomstandigheden aanhoudend hoog blijven onder jongeren, vrouwen, oudere werknemers, laag- en middelhoogopgeleide onderdanen van derde landen, personen met een handicap en Roma en andere etnische minderheden, voor wie allen structurele belemmeringen op de arbeidsmarkt bestaan; overwegende dat de werkloosheid onder personen met een handicap 15,1 % bedraagt; overwegende dat een hogere werkgelegenheid in de EU gepaard moet gaan met goede banen, fatsoenlijke salarissen, loonsverhogingen en productiviteitsstijgingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het Europees Semester een centraal instrument blijft voor de coördinatie van het economisch, begrotings-, werkgelegenheids- en sociaal beleid in de hele EU, en erop gericht moet zijn sociale rechtvaardigheid, milieuduurzaamheid en intergenerationele rechtvaardigheid systematischer in het macro-economisch bestuur te integreren, waarbij de EPSR centraal staat en het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd; overwegende dat er inspanningen zijn geleverd om het toezicht op de economische en sociale doelstellingen in het proces van het Europees Semester beter af te stemmen op de ontwikkeling van het sociaal scorebord en de recente integratie van het kader voor sociale convergentie in het proces; overwegende dat het najaarspakket 2026 werd gepresenteerd zonder een jaarlijkse duurzamegroeianalyse waarin een holistische en evenwichtige strategie voor de economische, sociale, werkgelegenheids- en milieudoelstellingen van de EU wordt uiteengezet en het Europees Semester wordt verankerd in een brede visie op duurzame groei voor de Unie; overwegende dat de EU zich moet blijven inzetten voor concurrentievermogen, duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid, zonder dat de verwezenlijking van één doelstelling ten koste gaat van de verwezenlijking van de andere doelstellingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat 93,3 miljoen mensen, oftewel 21 % van de EU-bevolking, in 2024 het risico liepen op armoede of sociale uitsluiting (Arope), wat aantoont dat er beperkte vooruitgang is geboekt bij het bereiken van de EPSR-doelstelling voor armoedebestrijding voor 2030, waarbij de trend zich in meer dan de helft van de lidstaten in de verkeerde richting beweegt; overwegende dat het risico op armoede veel groter is voor vrouwen, kinderen, ouderen, personen met een handicap, de lhbti+-gemeenschap, laaggeschoolden, onderdanen van derde landen, Roma, eenoudergezinnen en mensen die in ontvolkte gebieden wonen, en dat er aanzienlijke verschillen blijven bestaan tussen en binnen de lidstaten, onder meer tussen plattelands- en stedelijke gebieden; overwegende dat dit verschil tussen stijgende gemiddelde inkomens en aanhoudende armoedeniveaus wijst op structurele problemen op het gebied van inkomensverdeling, arbeidsmarkten en de opzet en dekking van socialebeschermingsstelsels; overwegende dat meer dan 40 miljoen mensen in de EU, wat overeenkomt met ongeveer 9,2 % van de bevolking, in 2024 kampten met energiearmoede, leidend tot materiële deprivatie; overwegende dat ontoereikende dekking en ontoereikende minimuminkomensregelingen, werkloosheidsuitkeringen en gezins- en kinderbijslagen, alsook belemmeringen voor integratie op de arbeidsmarkt en toegang tot hoogwaardige openbare diensten zoals gezondheidszorg, onderwijs, zorg en huisvesting, bijdragen tot het voortbestaan van armoede en sociale uitsluiting, met name onder de meest kansarme groepen; overwegende dat het zonder een andere aanpak van armoede op EU- en nationaal niveau niet mogelijk zal zijn om deze trend te keren; overwegende dat een ambitieuze EU-strategie voor armoedebestrijding van essentieel belang zal zijn om een antwoord te bieden voor het multidimensionale verschijnsel van armoede;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat een op de vier kinderen in de Europese Unie nog steeds het risico loopt op armoede of sociale uitsluiting, een hoger risiconiveau dan voor de bevolking als geheel; overwegende dat er onvoldoende vooruitgang wordt geboekt bij de verwezenlijking van de doelstelling om het aantal kinderen dat het risico loopt op armoede of sociale uitsluiting tegen 2030 met 5 miljoen te verminderen, aangezien het percentage kinderen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd tussen 2019 en 2023 elk jaar is gestegen en aanhoudend hoog blijft; overwegende dat volgens het voorstel van de Commissie voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2026, in 2024 ongeveer 19,5 miljoen kinderen (24,2 %) het risico liepen op armoede of sociale uitsluiting in de EU; overwegende dat preventieve beleidsmaatregelen en diensten ter ondersteuning van kinderen en gezinnen, in overeenstemming met de Europese kindergarantie, van essentieel belang zijn om de sociaal-economische omstandigheden aan te pakken die kunnen leiden tot het uiteenvallen van gezinnen en de plaatsing van kinderen in instellingen; overwegende dat een specifiek financieringsinstrument voor de Europese kindergarantie, alsook synergieën met andere EU- en nationale fondsen van het grootste belang zijn, zowel in het huidige als in het volgende meerjarig financieel kader; overwegende dat volgens de Commissie de EU jaarlijks meer dan 11 miljard euro extra moet investeren om de Barcelona-doelstellingen voor 2030 op het gebied van voor- en vroegschoolse educatie en opvang (ECEC) te halen<FOOTNOTE><FIELD>Europese Commissie, “Employment and Social Developments in Europe (ESDE) 2024”, september 2024.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat kinderen die het meest baat hebben bij het volgen van voor- en vroegschoolse educatie en opvang, zoals kinderen uit kansarme milieus, doorgaans het minst deelnemen en nog steeds worden geconfronteerd met belemmeringen bij de toegang;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat er in de EU nog steeds ten minste 1,4 miljoen personen met een handicap en bijna 300 000 kinderen in instellingen wonen; overwegende dat bewoners van instellingen geïsoleerd zijn van de rest van de gemeenschap en onvoldoende controle hebben over hun leven en de beslissingen die hen aangaan; overwegende dat de EU zich al geruime tijd inzet voor de-institutionalisering, maar dat er zowel op EU- als op nationaal niveau nog steeds inspanningen nodig zijn om kwetsbare groepen in staat te stellen onafhankelijk in een gezins- of gemeenschapsomgeving te leven;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in 2024 één op de twaalf werknemers (8,2 %) in de EU te maken had met armoede onder werkenden, wat de sociale cohesie ondermijnt en aantoont dat werk op zich geen volledige bescherming tegen armoede biedt en niet automatisch leidt tot betere levensomstandigheden, vanwege de stijgende kosten van levensonderhoud en de gedaalde koopkracht; overwegende dat recente verhogingen van het wettelijk minimumloon, vaak met meer dan 20 % tussen 2022 en 2025 en met meer dan 40 % in verschillende lidstaten, hebben bijgedragen tot het beschermen van de koopkracht van laagbetaalde werknemers en de loonstijging in laagbetaalde sectoren hebben ondersteund; overwegende dat de reële lonen in de meeste lidstaten weliswaar hoger waren dan vóór de pandemie, maar dat verschillende grote economieën dit niveau nog niet hebben bereikt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de klimaatverandering de ongelijkheid heeft vergroot en met name de meest kwetsbare groepen heeft getroffen, die doorgaans meer worden blootgesteld aan milieurisico’s, zoals hoge temperaturen, wat leidt tot een lagere kwaliteit van de banen, productiviteitsverlies en grotere onzekerheid op de arbeidsmarkt; overwegende dat de transitie naar klimaatneutraliteit voor iedereen sociaal rechtvaardig en inclusief moet zijn, en naar verwachting tussen 1 miljoen en 2,5 miljoen extra banen zal opleveren tegen 2030, mits ondersteund door het juiste werkgelegenheids- en onderwijsbeleid; overwegende dat een sterke en adequaat gefinancierde sociale bescherming, evenals beleid voor het scheppen van hoogwaardige banen, een voorwaarde zijn voor een eerlijke en rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit en digitale transformatie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de EU in verschillende sectoren te kampen heeft met een aanhoudend tekort aan arbeidskrachten en vaardigheden, dat wordt veroorzaakt door verschillende factoren, zoals demografische en technologische veranderingen, discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden, de kwaliteit van banen en het gebrek aan aantrekkelijkheid van en investeringen in hoogwaardige openbare diensten, wat is aangemerkt als een belangrijke belemmering voor de groei en het concurrentievermogen van de EU; overwegende dat beperkte loopbaanvooruitzichten en onzekere arbeidsomstandigheden voor jongeren in delen van de Unie bijdragen aan de uitstroom van talent tussen EU-regio’s en derde landen, waardoor deze tekorten nog groter worden; overwegende dat in het voorstel van de Commissie voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2026 wordt benadrukt dat het aanpakken van structurele tekortkomingen op de arbeidsmarkt door middel van betere arbeidskwaliteit bevorderlijk is voor een hogere productiviteit, betere economische prestaties, sociale rechtvaardigheid en cohesie; overwegende dat het verbeteren van de rechten van werknemers, collectieve onderhandelingen, actief arbeidsmarktbeleid, toegang tot sociale bescherming en mogelijkheden voor de ontwikkeling van vaardigheden voor iedereen, met inbegrip van onderdanen van derde landen, alsmede gerichte activeringsmaatregelen voor de 51 miljoen mensen in de werkende leeftijd die momenteel niet tot de beroepsbevolking behoren, zouden bijdragen tot een grotere participatie, inclusie en concurrentievermogen; overwegende dat de beroepsbevolking van de EU tegen 2050 naar verwachting met 18,8 miljoen mensen zal krimpen, wat erop wijst dat legale arbeidsmigratie kan helpen om in te spelen op de veranderende behoeften van de arbeidsmarkt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat in 2022 het percentage volwassenen dat deelnam aan onderwijs 39,5 % bedroeg, wat erop wijst dat in de meeste lidstaten meer inspanningen nodig zijn om de doelstelling te halen dat tegen 2030 60 % van de volwassenen onderwijs of een opleiding volgt; overwegende dat de geïntegreerde aanpak van beleidscoördinatie binnen het Europees Semester het kader biedt voor de noodzakelijke investeringen in de ontwikkeling van menselijk kapitaal en onderwijs- en opleidingsstelsels; overwegende dat er nog aanzienlijke inspanningen nodig zijn om te zorgen voor kwalitatief hoogwaardig scholingsbeleid en toegang daartoe, met name voor werknemers in laaggeschoolde beroepen, om een leven lang leren te bevorderen en het concurrentievermogen, de veerkracht van de EU en de inclusiviteit van de EU‑beroepsbevolking te versterken; overwegende dat overheidsuitgaven alleen wellicht niet voldoende zijn om te voorzien in de omvangrijke behoeften op het gebied van bijscholing en omscholing, gezien de transformatie-uitdagingen waarmee de EU wordt geconfronteerd; overwegende dat in 2022 de gemiddelde score voor basisvaardigheden onder 15-jarigen in het Programme for International Student Assessment (PISA) is gedaald ten opzichte van 2018, waarbij achterblijvende prestaties onevenredig grote gevolgen hebben voor kansarme leerlingen, wat de noodzaak onderstreept van hervormingen en aanhoudende investeringen in onderwijs en opleiding om toekomstige generaties en hun overgang van onderwijs naar werk te ondersteunen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de extra investeringsbehoeften in sociale infrastructuur worden geraamd op 192 miljard EUR per jaar, onder meer voor betaalbare huisvesting, gezondheidszorg en langdurige zorg, onderwijs en een leven lang leren<FOOTNOTE><FIELD>Werkdocument van de diensten van de Commissie van 27 mei 2020 getiteld “Identifying Europe’s recovery needs” (SWD(2020)0098) bij de mededeling van de Commissie getiteld “Het moment van Europa: herstel en voorbereiding voor de volgende generatie” (COM(2020)0456).</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat waarde moet worden gehecht aan het economisch rendement van sociale investeringen, met name overheidsuitgaven voor kinderen en jongeren, die niet alleen de levensstandaard verbeteren en armoede terugdringen, maar ook belangrijke aanjagers zijn van duurzame en inclusieve economische groei, een hogere productiviteit en een hogere arbeidsparticipatie; overwegende dat onderinvestering in onderwijs en onderzoek de groeivooruitzichten op lange termijn verzwakt; overwegende dat sociale investeringen in kinderen een investering in de toekomst zijn, die leidt tot beter onderwijs en betere kansen op de arbeidsmarkt, wat op zijn beurt de economische indicatoren een impuls geeft; overwegende dat er meer moet worden gedaan om de kloof in sociale investeringen na het herstel in de EU te meten, alsook de investeringen in en de reikwijdte van sociale diensten en het economisch rendement daarvan; overwegende dat de ontwikkeling van gemeenschappelijke gegevensindicatoren voor uitgaven en dekking van sociale diensten, zoals de Europese index voor sociale diensten, zou leiden tot beter onderbouwde aanbevelingen en een doeltreffender toezicht op de uitvoering ervan in het kader van het Europees Semester;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat de druk op de uitgaven voor huisvesting en de hoge energieprijzen een aanzienlijke last vormen voor huishoudens, maar het huisvestingsbeleid vaak te weinig aandacht krijgt in de landspecifieke aanbevelingen, ondanks het macro-economische belang ervan en de centrale rol die het speelt bij inkomenszekerheid, sociale inclusie en veerkracht ten aanzien van de kosten van levensonderhoud; overwegende dat investeringen in sociale diensten en het vergroten van het woningaanbod, met inbegrip van sociale en betaalbare huisvesting, alsook in energie-efficiëntie en renovatie van gebouwen en het aanpakken van tekorten aan vaardigheden, een cruciale rol spelen bij het terugdringen van armoede, waaronder energiearmoede, en het verbeteren van de betaalbaarheid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen in de EU momenteel 12 % bedraagt, onder meer als gevolg van het onevenredige aandeel van vrouwen in huishoudelijke en zorgtaken en de aanhoudende onderwaardering van beroepen waarin vrouwen oververtegenwoordigd zijn; overwegende dat vrouwen een groter risico op armoede lopen, met name op oudere leeftijd, en dat de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen momenteel 25 % bedraagt<FOOTNOTE><FIELD>Europees Instituut voor gendergelijkheid, “Gender Equality Index”, https://eige.europa.eu/gender-equality-index/2025/country.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt het concurrentievoordeel van investeringen in het sociale model van de EU; dringt erop aan dat de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake de toekomst van de sociale bescherming en de verzorgingsstaat, alsook de aanbevelingen van de verslagen van Letta en Draghi, worden geïntegreerd in het proces van het Europees Semester om de sociale markteconomie van de EU te beschermen en te versterken; benadrukt de noodzaak van een evenwichtige aanpak die sociale rechten, openbare diensten en collectieve onderhandelingsstructuren en -dekking evenzeer ondersteunt als concurrentievermogen; is ingenomen met de integratie van de EPSR in het kader voor economische governance en verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de mogelijkheid om de aanpassingsperiode voor investeringen in de EPSR-prioriteiten te verlengen; dringt erop aan dat het geïntegreerde governancekader tot uiting te brengen in de interne processen van de EU-instellingen, waarbij hun economische en sociale organen in gelijke mate worden betrokken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de EPSR volledig uit te voeren; benadrukt dat het geactualiseerde EPRS-actieplan politieke toezeggingen moet omzetten in concrete en ambitieuze maatregelen, ondersteund door duidelijke, meetbare doelstellingen en robuuste monitoringindicatoren, om armoede en sociale uitsluiting doeltreffend aan te pakken en werknemers te ondersteunen bij het omgaan met de groene en de digitale transitie, met name op het gebied van vaardigheden, beroepsonderwijs en -opleiding en een leven lang leren; verzoekt de doelstellingen van het EPSR-actieplan centraal te stellen in het Europees Semester door ze als benchmarks op te nemen in de beoordelingen van het Europees Semester; merkt op dat het voorstel van de Commissie voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2026 grotendeels gericht is op tekorten aan vaardigheden en arbeidskrachten en geen uitgebreide beoordeling bevat van de uitvoering van de 20 beginselen van de EPSR, zoals voorgeschreven door Verordening (EU) 2024/1263; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle beginselen van de EPSR in toekomstige cycli aan bod komen om te zorgen voor een nauwkeurig en volledig beeld van de sociale situatie in de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>is ingenomen met de ambitie van de Commissie om armoede tegen 2050 uit te bannen, met haar Europees plan voor betaalbaar wonen en met haar voornemen om wetgeving voor hoogwaardige banen voor te stellen; is voorts ingenomen met de eerste EU-strategie tegen armoede en de versterking van de Europese kindergarantie; benadrukt de noodzaak van samenhang tussen het Europees Semester, de follow-up van het EPSR-actieplan en deze toekomstige instrumenten, met meetbare doelstellingen en bijbehorende landspecifieke aanbevelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>herinnert eraan dat Commissievoorzitter Ursula von der Leyen zich in 2019 ertoe heeft gecommitteerd om erop toe te zien dat elk kind in Europa dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, toegang heeft tot de meest elementaire rechten, zoals gezondheidszorg en onderwijs, hetgeen in 2021 werd gevolgd door de vaststelling van Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot instelling van een Europese kindergarantie<FOOTNOTE><FIELD>PB L 223 van 22.6.2021, blz. 14, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2021/1004/oj.</FIELD></FOOTNOTE>; wijst erop dat de doelstellingen van de Europese kindergarantie niet kunnen worden verwezenlijkt zonder een ambitieuze specifieke begroting op zowel EU-niveau als nationaal niveau; wijst in dit verband nogmaals op zijn verzoek om een aanzienlijk bedrag aan specifieke begrotingsmiddelen van ten minste 20 miljard EUR beschikbaar te stellen voor de Europese kindergarantie; acht het dringend noodzakelijk dat deze specifieke begrotingsmiddelen in het volgende meerjarig financieel kader worden toegewezen om het hoofd te bieden aan het groeiende probleem van kinderarmoede en sociale uitsluiting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>benadrukt het belang van het uitbannen van kinderarmoede en sociale uitsluiting om intergenerationele cycli te doorbreken; is ingenomen met de opname van een beoordeling van de uitvoering van de kindergarantieregeling in alle landverslagen in het voorjaarspakket 2025 en moedigt aan de vooruitgang in het kader van het Europees Semester te blijven monitoren; betreurt echter het gebrek aan follow-up van deze bevindingen aangezien in slechts twee landspecifieke aanbevelingen in 2025 werd opgeroepen tot maatregelen om kinderarmoede aan te pakken; is van mening dat in de landspecifieke aanbevelingen rekening moet worden gehouden met de mate waarin de lidstaten voldoen aan de vereisten inzake minimumtoewijzingen voor de bestrijding van kinderarmoede, zoals vastgelegd in de ESF+-verordening<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013 (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1057/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>herhaalt zijn oproep om de financiering van de Europese kindergarantie te verhogen met een aanzienlijk bedrag aan specifieke begrotingsmiddelen en verzoekt de lidstaten ten minste 5 % van de hun toegewezen ESF+-middelen te reserveren voor de bestrijding van kinderarmoede en de bevordering van het welzijn van kinderen, waarbij ten minste 10 % wordt bestemd voor lidstaten met een kinderarmoedecijfer dat hoger ligt dan het EU-gemiddelde;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>is bezorgd over het niveau van de jeugdwerkloosheid, dat nog steeds meer dan twee keer zo hoog is als het gemiddelde werkloosheidspercentage in de EU; benadrukt dat het voor jongeren van essentieel belang is om de maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid aan te vullen met duurzame ondersteuning, met inbegrip van toegang tot geïntegreerde sociale diensten, huisvesting en geestelijke gezondheidszorg, om ervoor te zorgen dat zij onderwijs blijven volgen of aan het werk blijven; benadrukt dat de lidstaten moeten investeren in de versterkte jongerengarantie om te zorgen voor kwalitatief hoogwaardige en tijdige ondersteuning voor alle jongeren onder de 30 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen; dringt er bij de lidstaten op aan het gebruik van de jongerengarantie als instrument ter ondersteuning van jongeren die uit de jeugdzorg komen en ter voorkoming van de “zorgklif” te intensiveren, onder meer door toegang tot loopbaanbegeleiding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van het Europees Semester hoogwaardige en fatsoenlijk betaalde stages te bevorderen en te voorkomen dat deze worden misbruikt als vervanging voor reguliere banen; dringt erop aan dat de komende richtlijn betreffende de verbetering van de arbeidsomstandigheden van stagiairs<FOOTNOTE><FIELD>Voorstel van de Commissie van 20 maart 2024 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering en handhaving van de arbeidsomstandigheden voor stagiairs en de bestrijding van reguliere arbeidsverhoudingen die als stages worden verhuld (“richtlijn inzake stages”) (COM(2024)0132).</FIELD></FOOTNOTE> ambitieus en alomvattend is, waarbij de volledige bescherming van de rechten van stagiairs wordt gewaarborgd, zo ook de mogelijkheid om de stage voortijdig te beëindigen in het geval van een schending van de grondrechten, en dringt aan op een snelle afronding van de onderhandelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>is van mening dat maatregelen op EU- en lidstaatniveau nodig zijn om aanhoudend hoge niveaus van armoede en sociale uitsluiting te voorkomen en aan te pakken, en is ingenomen met de aankondiging van de eerste EU-strategie tegen armoede in dit verband; is van mening dat de strategie een alomvattende aanpak moet bieden om de onderliggende oorzaken en multidimensionale aspecten van armoede en sociale uitsluiting aan te pakken, met concrete actie, een robuuste begrotingstoewijzing, duidelijke doelstellingen, mijlpalen en structurele maatregelen, en tegelijkertijd moet zorgen voor een gedegen uitvoering en monitoring; verzoekt de lidstaten de richtlijn betreffende toereikende minimumlonen<FOOTNOTE><FIELD>Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (PB L 275 van 25.10.2022, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2041/oj).</FIELD></FOOTNOTE> ten uitvoer te leggen om armoede onder werkenden te bestrijden en werken te bevorderen; roept op om de bestrijding van kinderarmoede centraal te stellen in de EU-strategie tegen armoede, teneinde de armoedecyclus te doorbreken; dringt er bij de lidstaten op aan de aanbeveling van de Raad over een toereikend minimuminkomen volledig uit te voeren<FOOTNOTE><FIELD>Aanbeveling van de Raad van 30 januari 2023 over een toereikend minimuminkomen met het oog op actieve inclusie (2023/C 41/01), (PB C 41 van 3.2.2023, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>herinnert eraan dat het belangrijk is de toegang van zelfstandigen tot sociale bescherming te verbeteren en verzoekt de Commissie het proces van het Europees Semester te gebruiken om toezicht te houden op de nationale uitvoering van de aanbeveling van de Raad met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen<FOOTNOTE><FIELD>Aanbeveling van de Raad van 8 november 2019 met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen (PB C 387 van 15.11.2019, blz. 1).</FIELD></FOOTNOTE>, onder meer in het kader van de landspecifieke aanbevelingen; herinnert eraan dat, aangezien het percentage zelfstandigen in de culturele en creatieve sectoren meer dan twee keer zo hoog is als onder de algemene bevolking, gerichte maatregelen voor de sector nodig zijn; is in dit verband ingenomen met de aankondiging van een EU-handvest voor kunstenaars, dat tot doel heeft de aandacht te vestigen op de belangrijkste grondbeginselen en toezeggingen voor eerlijke arbeidsomstandigheden in deze sector, maar dringt er bij de Commissie op aan de publicatie ervan te vervroegen naar 2026, aangezien het hier om reeds lang bestaande kwesties gaat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>betreurt het feit dat de doelstellingen van het strategisch EU-kader voor de Roma niet actiever worden nagestreefd in de lidstaten en niet meer aandacht krijgen in het proces van het Europees Semester, met name in de landspecifieke aanbevelingen; benadrukt dat het strategisch kader tot doel heeft de arbeidsparticipatiekloof tussen de Roma en de algemene bevolking te halveren en ervoor te zorgen dat ten minste 60 % van de Roma tegen 2030 betaald werk heeft; dringt er bij de lidstaten op aan een geïntegreerde, op gelijkheid gerichte aanpak te hanteren en ervoor te zorgen dat overheidsbeleid en ‑diensten alle Roma daadwerkelijk bereiken, ook in afgelegen en plattelandsgebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>herinnert met bezorgdheid aan de aanhoudende arbeidsparticipatiekloof tussen personen met en zonder handicap van ongeveer 24 % en aan de doelstelling van de EU om voor alle betrokkenen over te stappen van institutionele naar gemeenschaps- of gezinszorg; verzoekt de Commissie de arbeidsparticipatiekloof tussen personen met en zonder handicap aan te pakken via het Europees Semester, onder meer in de landspecifieke aanbevelingen, en de EU-strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030 te actualiseren in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met nieuwe vlaggenschipinitiatieven, waaronder een Europese garantie voor werkgelegenheid en vaardigheden voor personen met een handicap; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een actieplan voor de‑institutionalisering voor te stellen dat alle groepen personen omvat die nog steeds in instellingen wonen, met inbegrip van kinderen, personen met een handicap, personen met psychische problemen en daklozen; benadrukt dat de voortgang op het gebied van de-institutionalisering moet worden gemonitord in het kader van het Europees Semester, en verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van het ESF+ en andere EU- en nationale fondsen om dit proces te voltooien, gemeenschapsgerichte diensten te ontwikkelen en in preventie te investeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>is ingenomen met de permanente opname van het kader voor sociale convergentie in het Europees Semester; benadrukt het belang ervan, samen met het sociaal scorebord, voor het in kaart brengen van risico’s en het volgen van de vooruitgang op het gebied van opwaartse sociale convergentie, het verminderen van ongelijkheden, het versterken van socialebeschermingsstelsels en het bevorderen van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en ondersteunende maatregelen om een eerlijke transitie te waarborgen; verzoekt de Commissie binnen dit nieuwe kader innovatieve kwantitatieve en kwalitatieve analyse-instrumenten te ontwikkelen, zodat deze in toekomstige cycli van het Europees Semester optimaal kunnen worden benut; verzoekt de Commissie in de tweede fase van de analyse de risico's voor opwaartse sociale convergentie te onderzoeken die in haar gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2025 worden benadrukt, met inbegrip van de werkgelegenheidsresultaten van ondervertegenwoordigde groepen, voortijdig schoolverlaten en volwassenenonderwijs, en armoede, en met de betrokken lidstaten te bespreken welke maatregelen genomen of gepland zijn om deze risico's aan te pakken; merkt op dat het aanpakken van de uitdagingen die in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid zijn vastgesteld, zal bijdragen tot opwaartse sociale convergentie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>verzoekt de Commissie het sociaal scorebord te verbeteren en bij te werken, en ervoor te zorgen dat het een afspiegeling is van de oorzaken en gevolgen van ongelijkheid, waaronder gelijke kansen, hoogwaardige werkgelegenheid, welvaartsverdeling, toegang tot openbare en sociale diensten, adequate pensioenen, huisvesting en dakloosheid, geestelijke gezondheid, discriminatie en de sociale gevolgen van milieuvervuiling en klimaatverandering; verzoekt de Commissie armoede onder werkenden te behandelen als een waarschuwingssignaal in het kader van het sociaal scorebord en landspecifieke aanbevelingen voor te stellen wanneer dergelijke trends aanhouden; benadrukt dat de uitdagingen die in het scorebord als “kritiek” of “te volgen” zijn aangemerkt, moeten worden aangepakt, waaronder voortijdig schoolverlaten, bovenmatige uitgaven aan huisvesting, de gevolgen van sociale overdrachten, de arbeidsparticipatiekloof tussen personen met en zonder handicap, zelfgerapporteerde onvervulde behoeften aan medische zorg, kinderopvang, digitale basisvaardigheden en kinderarmoede; dringt aan op het toevoegen van een index voor sociale vooruitgang en de gendergelijkheidsindex om ongelijkheid, toegang tot kansen en welzijn beter te meten aan de hand van uitgesplitste gegevens; benadrukt dat de noodzaak van tijdige, geharmoniseerde en transparante gegevens en methoden om empirisch onderbouwde beleidsvorming en gerichte sociale investeringen te verbeteren, en om het sociale scorebord af te stemmen op alle 20 beginselen van het EPSR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>herinnert eraan dat de indicator voor het risico op armoede of sociale uitsluiting onvoldoende rekening houdt met de onderliggende oorzaken van armoede en complexe ongelijkheden, met name de inclusie van personen die buiten particuliere huishoudens leven, de kwalitatieve aspecten van armoede en ervaringen met marginalisering, en wijst erop dat armoede meer omvat dan alleen onvoldoende inkomen of materiële deprivatie; verzoekt het Comité voor sociale bescherming om te werken aan de vernieuwing van de statistische indicator voor het risico op armoede of sociale uitsluiting, om de indicator te verbreden tot een sterker, meer gedifferentieerd en multidimensionaal inzicht in armoede en sociale uitsluiting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>herinnert eraan dat sociale investeringen een positief effect kunnen hebben op economische groei, productiviteit en concurrentievermogen, en tegelijkertijd aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën kunnen bijdragen en de opwaartse sociale cohesie, de levens- en arbeidsomstandigheden en de inclusie van kwetsbare groepen kunnen bevorderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten sociale investeringen te beschouwen als de basis voor duurzame groei en zich te richten op investeringen die hun doeltreffendheid hebben bewezen wat betreft groei, productiviteit, kwaliteit van banen en grotere arbeidsmarktparticipatie; verzoekt de lidstaten tot 31 december 2026 ten volle en gericht gebruik te maken van de herstel- en veerkrachtfaciliteit om de uitdagingen aan te pakken die in de landspecifieke aanbevelingen zijn vastgesteld; verzoekt de Commissie richtsnoeren te verstrekken voor het aantrekken van particuliere investeringen en publiek-private partnerschappen om lacunes in de sociale infrastructuur te dichten; is ingenomen met de oprichting van het kenniscentrum voor sociale investeringen om wederzijds leren en technische bijstand te bevorderen, de tijdigheid en beschikbaarheid van sociale indicatoren te blijven verbeteren, vertragingen bij de beoordeling van trends op het gebied van armoede en ongelijkheid terug te dringen en de toegang van de lidstaten tot gegevens voor beleidsevaluatie en effectbeoordeling te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>herinnert eraan dat de sociale economie een belangrijk onderdeel van sociale investeringen is en een unieke rol speelt bij de ontwikkeling van inclusieve en innovatieve oplossingen op lokaal niveau, die bijdragen aan het scheppen van hoogwaardige banen, het aanbieden van betaalbare en toegankelijke sociale en buurtgerichte diensten, en de groene en digitale transitie; merkt op dat de publieke steun voor de sociale economie groot is: 88 % van de Eurobarometer-respondenten steunt strategieën en wetgeving om de sociale economie te bevorderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de randvoorwaarden ervan te versterken door de toegang tot financiering te vergemakkelijken, mogelijkheden voor capaciteitsopbouw te bieden en de zichtbaarheid ervan te waarborgen, en om de doelstellingen van het actieplan voor de sociale economie te weerspiegelen in het Europees Semester, onder meer door middel van landspecifieke aanbevelingen en het gericht gebruik van EU-middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>benadrukt dat het plan voor betaalbare huisvesting van de Commissie beter moet worden geïntegreerd in het Europees Semester, met een sterkere nadruk op betaalbare, fatsoenlijke en duurzame huisvesting in landspecifieke aanbevelingen, met name voor lage- en middeninkomensgroepen, alsook voor personen met een handicap en ouderen; dringt aan op strenger toezicht op de vooruitgang van de lidstaten bij het waarborgen van toegang tot adequate, veilige en niet-gesegregeerde huisvesting voor Romagemeenschappen die met extreme armoede te kampen hebben; herinnert de ondertekenaars van de Verklaring van Lissabon over het Europees platform voor de bestrijding van dakloosheid aan de doelstelling om dakloosheid tegen 2030 uit te bannen; verzoekt de lidstaten om maatregelen die het aanbod vergroten, de bouwkosten verlagen en tekorten aan arbeidskrachten in de bouw- en huisvestingssector aanpakken, te combineren met steun aan de vraagzijde die mensen, met name huishoudens in kwetsbare situaties, toegang biedt tot betaalbare, fatsoenlijke en duurzame huisvesting; benadrukt dat nationale begrotings- en structuurplannen voor de middellange termijn en investeringsstrategieën sociale en betaalbare huisvesting, preventie en vermindering van dakloosheid en renovatie van gebouwen moeten ondersteunen om energiearmoede te verminderen en de huisvestingsomstandigheden te verbeteren, met name voor kwetsbare huishoudens; herinnert eraan dat het Sociaal Klimaatfonds vanaf 2026 financiering zal verstrekken aan lidstaten ter ondersteuning van kwetsbare huishoudens en micro-ondernemingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>benadrukt dat investeringen in hoogwaardig, toegankelijk onderwijs en een leven lang leren een strategische sociale investering zijn die essentieel is voor cohesie, inclusie en de voorbereiding van de beroepsbevolking op de groene en de digitale transitie en de defensiegerelateerde behoeften van de EU, onder meer door middel van beroepsonderwijs en -opleiding en leerlingplaatsen; is ingenomen met het voorstel voor een aanbeveling van de Raad over menselijk kapitaal in de EU en de nadruk die daarin wordt gelegd op het aanpakken van tekorten aan vaardigheden, het gebruik van informatie over vaardigheidsbehoeften voor het ontwerpen van vaardighedenstrategieën en de ontwikkeling van een breed scala aan basisvaardigheden, waaronder digitale en burgerschapsvaardigheden en AI-geletterdheid, ter voorbereiding op het moderne leven; erkent dat onvoldoende investeringen in menselijk kapitaal een belemmering vormen voor innovatie, concurrentievermogen en het vermogen van mensen om hun volledige potentieel te benutten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt dat EU-initiatieven inzake tekorten aan vaardigheden meer steun moeten bieden voor alomvattende, inclusieve onderwijs- en opleidingsstelsels, onder meer door middel van actief arbeidsmarktbeleid, individuele leerrekeningen en microkwalificaties, en de versterking van procedures voor de validatie van niet-formeel en informeel leren; benadrukt voorts het belang van het verbeteren en vergemakkelijken van eerlijke arbeidsmobiliteit binnen de EU en van de rol van legale migratie en de erkenning van buitenlandse kwalificaties om tekorten aan vaardigheden aan te pakken; is bezorgd over het feit dat de deelname van volwassenen aan opleidingen in de meeste lidstaten ver onder het streefcijfer van 60 % blijft, met name onder laaggeschoolde werknemers, oudere werknemers, niet-EU-burgers en personen met een handicap; verzoekt de Commissie in het komende pakket voor eerlijke arbeidsmobiliteit concrete oplossingen voor te stellen voor tekorten aan vaardigheden en hardnekkige uitdagingen aan te pakken, en ervoor te zorgen dat het komende initiatief voor de overdraagbaarheid van vaardigheden de huidige belemmeringen voor de erkenning van vaardigheden aanpakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>is er vast van overtuigd dat een individueel recht op opleiding voor werknemers tijdens de werktijd om de belangrijkste belemmeringen in verband met het volgen van opleiding aan te pakken, kan zorgen voor hoogwaardige bijscholing of omscholing, opleiding voor werknemers en ondersteuning bij loopbaanontwikkeling, met het oog op een voorspelbaar en stabiel aanbod aan geschoolde werknemers; benadrukt dat de financiële drempel moet worden aangepakt door ervoor te zorgen dat opleiding kosteloos is voor werknemers, via ondersteuning door middel van financiering, fiscale stimulansen en partnerschappen; benadrukt dat nationale instellingen en sociale partners verantwoordelijk zijn voor de opleiding van werknemers en wijst op hun essentiële rol bij de tenuitvoerlegging van het recht op opleiding; verzoekt de lidstaten in dit verband prioriteit te geven aan opleidingsprogramma’s die gezamenlijk door werknemers en hun werkgevers zijn ontwikkeld en deze te bevorderen, om ervoor te zorgen dat bij- en omscholing beantwoorden aan de werkelijke marktvraag en bijdragen tot loopbaanontwikkeling; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar en richtsnoeren te verstrekken over de wijze waarop publiek-private partnerschappen tussen lidstaten en ondernemingen kunnen bijdragen aan de financiering van de opleiding, omscholing en bijscholing van werknemers, en met name van het recht van individuele werknemers op opleiding;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>benadrukt dat intergenerationele rechtvaardigheid een structureel onderdeel van het Europees Semester moet worden; verzoekt de Commissie om, als onderdeel van haar strategie voor intergenerationele rechtvaardigheid, indicatoren inzake het welzijn van jongeren en ouderen, toegang tot hoogwaardige banen, betaalbaarheid en beschikbaarheid van huisvesting, fysieke toegankelijkheid, toereikendheid van het minimuminkomen en pensioenen, toegang tot hoogwaardige geestelijke gezondheidszorg en hoogwaardig onderwijs en hoogwaardige vaardigheden op te nemen in het beoordelingskader van het Europees Semester, en de langetermijn- en verdelingseffecten van begrotings- en hervormingsaanbevelingen te evalueren; verzoekt de Commissie de economische, ecologische en sociale langetermijngevolgen van beleidsaanbevelingen, met inbegrip van onderinvestering, voor toekomstige generaties te beoordelen; benadrukt dat de gevolgen van demografische transformatie en een hogere levensverwachting beter moeten worden geïntegreerd in het Europees Semester; benadrukt dat de demografische veranderingen beleid vereisen om de arbeidsparticipatie te verhogen; benadrukt dat er maatregelen nodig zijn om actief ouder worden te ondersteunen en de houdbaarheid van de pensioen- en zorgstelsels op lange termijn te waarborgen; is van mening dat landspecifieke aanbevelingen pensioenen moeten bevorderen die een waardig leven, welzijn en toegang tot hoogwaardige, betaalbare gezondheidszorg en preventieve diensten voor iedereen waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>benadrukt dat, in het kader van het Europees Semester, defensie-uitgaven op gecoördineerde, efficiënte, transparante en Europese wijze moeten worden gepland om de maatschappelijke voordelen te maximaliseren; onderstreept dat veiligheidsgerelateerde investeringen ook maatschappelijke veerkracht moeten omvatten, met inbegrip van infrastructuur met grote civiele voordelen, sociale bescherming, burgerschapsvorming, democratische veerkracht en bescherming tegen desinformatie, waarbij wordt erkend dat sociale stabiliteit en democratisch vertrouwen belangrijke onderdelen zijn van de veiligheidsarchitectuur van Europa en in het kader van het Semester tot uiting moeten komen in de analyse van de behoeften op het gebied van langetermijnhervormingen en investeringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>onderstreept dat de aanbevelingen van het Europees Semester in 2026 van cruciaal belang zullen zijn voor de vormgeving van het volgende meerjarig financieel kader; is van mening dat hervormingen en investeringen moeten worden geselecteerd op grond van hun efficiëntie en doeltreffendheid bij het uitvoeren van de relevante landspecifieke aanbevelingen; waarschuwt dat als EU-financiering gekoppeld wordt aan de richtsnoeren van het Semester, deze richtsnoeren sociaal evenwichtig moeten zijn en volledig in overeenstemming met het EPSR, en dat regionale en lokale actoren een belangrijke rol moeten spelen bij de uitbetaling van de middelen; neemt in dit verband met bezorgdheid kennis van het Commissievoorstel voor sociale uitgaven, dat het risico met zich meebrengt dat de aandacht voor werkgelegenheids- en sociale doelstellingen verwatert, en dringt aan op een op zichzelf staand en versterkt ESF+ met thematische concentraties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>is van mening dat het sociale model van de EU een integraal onderdeel vormt van haar concurrentievermogen en dat bij inspanningen om de administratieve lasten voor bedrijven te vereenvoudigen, de sociale rechten moeten worden behouden en gewaarborgd; benadrukt dat de kwaliteit van banen en niet-kostengebonden concurrentievermogen, zoals de kwaliteit van producten en diensten, ook kunnen bijdragen aan productiviteit en loongroei; benadrukt het belang van meer duidelijkheid, evenredigheid en rechtszekerheid, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen en zelfstandigen, en benadrukt dat bij een dergelijke aanpak de diversiteit van de arbeidsmarktmodellen in de lidstaten moet worden gerespecteerd en duurzame economische activiteit en het scheppen van hoogwaardige banen moeten worden ondersteund;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>is voorstander van een democratischer proces van het Europees Semester, waarin het Parlement nauw betrokken is bij het vaststellen van de prioriteiten voor het economisch en sociaal beleid en het nemen van besluiten op het gebied van economische governance; dringt erop aan dat de sociale partners, maatschappelijke organisaties en regionale en lokale actoren systematisch, met voldoende tijd en transparantie, worden betrokken bij de formulering, monitoring en follow-up van nationale hervormingen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat zij in alle stadia van de analyse, ook binnen het kader voor sociale convergentie, naar behoren worden geraadpleegd, teneinde het verantwoordelijkheidsgevoel te versterken en ervoor te zorgen dat de sociale rechten van de EU daadwerkelijk worden gewaarborgd; benadrukt dat de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel en de nationale bevoegdheden centraal blijven staan in het Europees Semester; herinnert eraan dat de Commissie ervoor moet zorgen dat in het kader van het Europees Semester en de economische governance van de EU wordt beoordeeld welke gevolgen de aanbevolen hervormingen hebben voor gendergelijkheid en de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt, en dat zij investeringen in hoogwaardige openbare diensten en zorginfrastructuur moet bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>wijst op het ontbreken van een transparante methode voor het formuleren van landspecifieke aanbevelingen en van duidelijkheid over de criteria die worden gehanteerd voor de selectie van die aanbevelingen; waarschuwt dat dit de verantwoordingsplicht ondermijnt en het risico op ongelijke behandeling van lidstaten met zich meebrengt; verzoekt de Commissie te zorgen voor volledige transparantie van de procedures en interne besluitvorming, met inbegrip van de betrokken directoraten-generaal, en de verantwoordingsplicht en informatie-uitwisseling met het Parlement te versterken; maakt zich zorgen over het feit dat de naleving van de landspecifieke aanbevelingen nog steeds ondermaats is; verzoekt de lidstaten beter gevolg te geven aan de aanbevelingen op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid; verzoekt de Commissie haar dialoog met de lidstaten over de uitvoering van bestaande aanbevelingen en de werkgelegenheidsrichtsnoeren te intensiveren, met inbegrip van de follow-up van huidige en geplande beleidsmaatregelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>