<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0080</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Toonaangevende Europese defensieprojecten van gemeenschappelijk belang</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0014/2026 - Rapporteur: Lucia Annunziata)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2026 over toonaangevende Europese defensieprojecten van gemeenschappelijk belang (2025/2144(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name artikel 42, leden 2 en 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 2, artikel 107, lid 3, punt b), artikel 114 en artikel 346,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 2, onder e), van Protocol nr. 10 betreffende de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), ingesteld bij artikel 42, lid 6, VEU, en de gezamenlijke kennisgeving over PESCO, ondertekend door de ministers van 23 EU‑lidstaten op 13 november 2017,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Verklaring van Versailles, die tijdens de informele bijeenkomst van de staatshoofden en regeringsleiders van 11 maart 2022 is aangenomen, en met name lid 22,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het “Strategisch kompas voor veiligheid en defensie – Voor een Europese Unie die haar burgers, waarden en belangen beschermt en bijdraagt aan de internationale vrede en veiligheid”, dat op 21 maart 2022 door de Raad werd goedgekeurd en op 25 maart 2022 door de Europese Raad werd bekrachtigd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 18 mei 2022 over de analyse van de lacunes op het gebied van defensie-investeringen en de te volgen koers (JOIN(2022)0024),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 10 maart 2023 getiteld “Een ruimtestrategie voor veiligheid en defensie van de Europese Unie” (JOIN(2023)0009),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 5 maart 2024 getiteld “Een nieuwe strategie voor de Europese defensie-industrie – De paraatheid van de EU waarborgen door te zorgen voor een snel reagerende en weerbare Europese defensie-industrie” (JOIN(2024)0010),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 21 februari 2025 getiteld “EU-actieplan inzake kabelbeveiliging” (JOIN(2025)0009),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het gezamenlijke witboek van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 19 maart 2025 getiteld “Gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030” (JOIN(2025)0120),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2021/697 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het Europees Defensiefonds (EDF)<FOOTNOTE><FIELD>PB L 170 van 12.5.2021, blz. 149, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/697/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2025/2643 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2025 tot vaststelling van het programma voor de Europese defensie-industrie en van een kader van maatregelen ter waarborging van de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2025/2643, 29.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/2643/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (“EDIP-verordening”), en met name hoofdstuk IV betreffende Europese defensieprojecten van gemeenschappelijk belang (EDPGB),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 19 maart 2025 voor een verordening van de Raad tot vaststelling van het instrument “Optreden voor de Veiligheid van Europa door middel van versterking van de Europese defensie-industrie” (SAFE-instrument) (COM(2025)0122),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 22 april 2025 tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/694, (EU) 2021/695, (EU) 2021/697, (EU) 2021/1153, (EU) 2023/1525 en (EU) 2024/795 wat betreft het stimuleren van defensiegerelateerde investeringen in de EU-begroting met het oog op de uitvoering van het ReArm Europe-plan (COM(2025)0188),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2025/1106 van de Raad van 27 mei 2025 tot vaststelling van het instrument “Optreden voor de veiligheid van Europa (SAFE) door middel van versterking van de Europese defensie-industrie”<FOOTNOTE><FIELD>PB L, 2025/1106, 28.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/1106/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 16 oktober 2025 “Vrede bewaren – routekaart voor defensiegereedheid 2030” (JOIN(2025)0027),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie<FOOTNOTE><FIELD>PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99, ELI: http://data.europa.eu/eli/compos/2008/944/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verkennend document van de Commissie van 29 september 2025 “routekaart voor defensiegereedheid 2030”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan de Raad van 11 april 2025 “Jaarlijks voortgangsverslag over de uitvoering van het strategisch kompas voor veiligheid en defensie”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Europese Raad van 22 en 23 juni 2017, met name die van punt 8 over PESCO, en van 6 maart 2025, met name die van punt 3, onder f),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 oktober 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de nationale veiligheidsstrategieën van de lidstaten van de EU,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Advies 02/2024 van de Europese Rekenkamer van 3 oktober 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma voor de Europese defensie-industrie en van een kader van maatregelen ter waarborging van de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten (EDIP), en met name paragraaf 42,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag 2024 van het Europees Defensieagentschap (EDA), zijn verslag van 14 november 2023 “The 2023 EU Capability Development Priorities” en het verslag van 2024 “Gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voortgangsverslag van het PESCO-secretariaat van september 2025 over PESCO-projecten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van Mario Draghi van 9 september 2024 over de toekomst van het Europese concurrentievermogen en Hoofdstuk 4 daarvan over het vergroten van de veiligheid en het verminderen van afhankelijkheden,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van Enrico Letta van 17 april 2024 getiteld “Much more than a market”, en met name hoofdstuk 3: “A single market to play big: scale matters,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het rapport van Sauli Niinistö van 30 oktober 2024 getiteld “Safer Together – Strengthening Europe’s Civilian and Military Preparedness and Readiness”, en met name hoofdstuk 7,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke verklaring over de samenwerking tussen de EU en de NAVO van 10 januari 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de top van Den Haag, die werd afgegeven door de staatshoofden en regeringsleiders die op 25 juni 2025 aanwezig waren bij de vergadering van de Noord-Atlantische Raad in Den Haag,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het tiende voortgangsverslag van 10 juni 2025 over de uitvoering van de gemeenschappelijke reeks voorstellen als bekrachtigd door de Raad van de Europese Unie en de Noord-Atlantische Raad op 6 december 2016 en 5 december 2017,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de samenwerkingsprogramma’s voor uitrusting die worden beheerd door de Gezamenlijke Organisatie voor Samenwerking op Defensiematerieelgebied (Occar),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 12 maart 2025 over het witboek over de toekomst van de Europese defensie<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2025/3151, 20.6.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3151/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de paragrafen 4 en 58,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 2 april 2025 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid – jaarverslag 2024<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2025/4389, 9.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4389/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name paragraaf 46,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie veiligheid en defensie (A10-0014/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de uitdagingen als gevolg van de aantasting van de mondiale vrede en veiligheid, de agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne en de opkomst van nieuwe en veranderende bedreigingen voor de veiligheid van de EU vereisen dat de EU en haar lidstaten hun defensie-investeringen aanzienlijk verhogen om militaire en inlichtingenvermogens te ontwikkelen die hen in staat stellen hun soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit te verdedigen, de afschrikking te versterken alsook autonoom of in partnerschap met hun bondgenoten, met name binnen de NAVO, op te treden en op onmiddellijke en toekomstige dreigingen te reageren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de toenemende aanvallen op Europese kritieke infrastructuur, waaronder cyberaanvallen en sabotage, ons dagelijks leven en de economische activiteiten in de hele EU ernstig bedreigen en een gecoördineerde reactie van de EU vereisen door middel van grootschalige Europese projecten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat oorlogsvoering, die van oudsher wordt gedomineerd door conventionele wapens, lijkt te veranderen en steeds meer in de virtuele wereld plaatsvindt; overwegende dat cybervermogens en netwerkoperaties steeds meer worden geïntegreerd en dat oorlogsstrategieën er vanwege nieuwe technologieën en artificiële intelligentie (AI) anders uit komen te zien, waarbij zij niet langer beperkt zijn tot massavuurkracht en grootschalige confrontaties, maar zich ontwikkelen in de richting van miniaturisering en decentralisatie van systemen, zoals blijkt uit het gebruik van drones en dronezwermen in alle domeinen, op AI gebaseerde wapens, slimme mijnen en draagbare raketsystemen op het slagveld; overwegende dat gevechtsvliegtuigen, schepen, artillerie, tanks en andere voertuigen kwetsbaarder worden voor precisieaanvallen en daarom meer bescherming behoeven, aangezien zij nog steeds essentieel zijn voor militaire en veiligheidsoperaties; overwegende dat het noodzakelijk blijft om waar nodig op grote schaal traditionele wapensystemen en munitie te produceren en in te zetten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat dit nieuwe patroon van het uitvechten van conflicten betekent dat geen enkele regio van de EU gevrijwaard is van de potentiële dreiging van agressie, inmenging, desinformatie, psychologische oorlogvoering of hybride aanvallen; overwegende dat strategische voorbereiding op een langdurig conflict van cruciaal belang blijft om de veerkracht op het gebied van veiligheid en defensie op lange termijn te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de ruimte als strategisch domein steeds voller met satellieten raakt en ook steeds omstredener wordt, waarbij systemen op de grond en in de ruimte steeds vaker als wapen worden ingezet; overwegende dat de NAVO de ruimte heeft aangemerkt als het vijfde strategische operationele domein, rekening houdend met de toenemende veiligheidsuitdagingen die het gebruik van het ruimtedomein met zich meebrengt en met de noodzaak om de veiligheid van dat domein te versterken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat de Commissie in haar gezamenlijke mededeling van 5 maart 2024 “Een nieuwe strategie voor de Europese defensie-industrie” benadrukt dat in 2022 slechts 18 % van de totale uitgaven van de EU-lidstaten voor uitrusting bestemd was voor gezamenlijke EU-aankopen van defensiematerieel, ver onder de huidige collectieve benchmark van 35 % die de lidstaten in 2007 binnen het bestuur op ministerieel niveau van het EDA hebben vastgesteld; overwegende dat in de routekaart voor defensiegereedheid 2030 de doelstelling is vastgesteld om uiterlijk eind 2027 ten minste 40 % van de aanbestedingen op defensiegebied te organiseren als gezamenlijke aanbestedingen; overwegende dat de Europese Raad de lidstaten op 23 oktober 2025 heeft opgeroepen om, teneinde de capaciteit van de Europese defensie-industrie op te voeren, defensie-investeringen steeds meer te richten op gezamenlijke ontwikkeling, productie en aankoop met de steun van het EDA; overwegende dat gecoördineerde inspanningen van de lidstaten om een efficiënte toewijzing van middelen te waarborgen, versnippering te verminderen en de ontwikkeling van innovatieve defensietechnologieën te versnellen, van essentieel belang zijn voor de totstandbrenging van een volledig operationele markt; overwegende dat het voor het bereiken van deze doelstellingen nodig is om sterkere stimulansen te bieden en de administratieve lasten te verminderen, terwijl ervoor moet worden gezorgd dat de samenwerking marktgericht blijft en gebaseerd is op de behoeften op het gebied van defensievermogen en de onderling afgestemde defensieplanning van de EU, haar lidstaten en de NAVO;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de “Europese vlaggenschipinitiatieven voor gereedheid”, zoals gepresenteerd in “Vrede bewaren – routekaart voor defensiegereedheid 2030”, gebaseerd zijn op een alomvattende aanpak van defensie, die zowel bescherming tegen directe militaire aanvallen als paraatheid voor hybride dreigingen omvat; overwegende dat deze een kans bieden om innovatie, interoperabiliteit en concurrentievermogen binnen de defensie-industrie van de EU te bevorderen door innovatieve gezamenlijke industriële partnerschappen op het gebied van grensverleggende technologieën te ontwikkelen, waardoor de Europese technologische en industriële defensiebasis (EDTIB) aanzienlijk wordt versterkt en minder afhankelijk wordt van technologieën uit derde landen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de lidstaten aan de oostelijke grenzen van de EU het meest zijn blootgesteld aan ernstige bedreigingen en een cruciale rol spelen voor de veiligheid van de EU als geheel; overwegende dat de Europese Raad in zijn conclusies van 23 oktober 2025 heeft opgemerkt dat de onmiddellijke dreigingen aan de oostflank van de EU zo snel mogelijk moeten worden aangepakt en dat concrete steun aan de lidstaten prioriteit moet krijgen; overwegende dat in de gezamenlijke mededeling “Vrede bewaren – routekaart voor defensiegereedheid 2030” het Europees initiatief voor droneverdediging en de oostflankwacht worden aangemerkt als de urgentste initiatieven; overwegende dat de oostflankwacht erop gericht is de oostgrenzen van de EU te versterken door grond-, zee- en luchtverdedigingscapaciteiten te integreren met effectieve en geavanceerde systemen en technologieën voor de bestrijding van drones, die ook van cruciaal belang zijn voor het Europees initiatief voor de verdediging tegen drones;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de eindgebruikers van defensieproducten in de eerste plaats de nationale strijdkrachten van de lidstaten zijn en dat deze daarom alleen kunnen overwegen hun investeringen in industriële defensieprojecten te verhogen als deze projecten betrekking hebben op de ontwikkeling van militaire vermogens van gemeenschappelijk belang voor hun strijdkrachten; overwegende dat in artikel 346 VWEU wordt bepaald dat elke lidstaat de maatregelen kan nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het strategisch kompas voor veiligheid en defensie tot doel heeft stimulansen te ontwikkelen voor coöperatieve investeringen van de lidstaten in gezamenlijke projecten en de gezamenlijke aankoop van defensievermogens die binnen de EU op coöperatieve wijze worden ontwikkeld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat Verordening (EU) 2025/2643 tot vaststelling van het programma voor de Europese defensie-industrie (EDIP) voorziet in de uitvoering van EDPGB’s; overwegende dat EDPGB’s bestaan uit industriële samenwerkingsprojecten die erop gericht zijn het concurrentievermogen van de EDTIB in de hele Unie te versterken en bij te dragen aan de ontwikkeling van de militaire vermogens van de lidstaten die van cruciaal belang zijn voor de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie, waarbij open en modulaire architecturen, innovatie voor tweeërlei gebruik en grensoverschrijdende deelname van kmo’s en midcaps op alle operationele domeinen, te weten land, zee, lucht, ruimte en cyberspace worden bevorderd; overwegende dat het EDIP ook een nieuw instrument omvat, namelijk de structuren voor een Europees bewapeningsprogramma (SEAP’s), een nieuw rechtskader dat gebruikt kan worden voor samenwerkingsinitiatieven op het gebied van bewapening uit hoofde van vlaggenschipprojecten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat Oekraïne, zoals wordt benadrukt in de routekaart voor defensiegereedheid 2030, de eerste verdedigingslinie van Europa blijft en integraal deel uitmaakt van de Europese defensie- en veiligheidsarchitectuur; overwegende dat samenwerking tussen de defensie-industrie van de EU en Oekraïne, met name in het kader van vlaggenschipprojecten of EDPGB’s, van groot belang is voor hun respectieve markten, concurrentievermogen en innovatiepotentieel;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>wijst op de algemene stijging van de defensie-uitgaven van de EU-lidstaten als een duidelijke weerspiegeling van hun vastberadenheid om te reageren op de verslechterende veiligheidsomgeving, door de militaire vermogens uit te breiden, de afschrikkende werking te versterken en hun collectieve inzet voor Europese en trans-Atlantische defensie te versterken; merkt op dat sommige lidstaten, met name die aan de oostelijke grenzen van de EU, de NAVO-uitgavendoelstelling om 2 % van hun bbp te besteden aan defensie-uitgaven tegen eind 2025 hebben gehaald of overschreden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>onderkent ook dat het versterken van de veiligheid en defensie van Europa niet alleen een verhoging van de nationale defensie-uitgaven vereist, maar ook een verregaande verschuiving naar meer coördinatie, efficiëntie en integratie in de wijze waarop de lidstaten hun defensiebeleid ontwikkelen, financieren en uitvoeren; benadrukt dat deze verschuiving van een overwegend nationale benadering van defensie naar een collectief kader van de Unie voor veiligheid en afschrikking moet plaatsvinden met volledige inachtneming van de soevereiniteit van de lidstaten en hun bevoegdheden op het gebied van veiligheid en defensie, overeenkomstig artikel 4, lid 2, VEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>merkt op dat de EU en haar lidstaten ondanks toegenomen defensie-inspanningen nog steeds te kampen hebben met aanhoudende tekortkomingen op het gebied van strategische collectieve vermogens, commando- en controlestructuren en duurzame militaire vermogens; wijst er met name op dat de lidstaten prioritaire vermogenstekorten hebben vastgesteld op de volgende gebieden<FOOTNOTE><FIELD>Zoals aangeven op bladzijde 3 van de gezamenlijke mededeling getiteld “Vrede bewaren – routekaart voor defensiegereedheid 2030”.</FIELD></FOOTNOTE>: lucht- en raketverdediging, artilleriesystemen, raketten en munitie, drones en droneafweersystemen, strategische hulpmiddelen, ook met betrekking tot de ruimte en kritieke infrastructuur, militaire mobiliteit, cyberbeveiliging, AI en elektronische oorlogvoering, grondgevechten en maritieme veiligheid; benadrukt dat deze lacunes in grote mate afbreuk doen aan het vermogen van de EU en haar lidstaten om de afschrikking kracht bij te zetten en langdurige grootschalige defensiemaatregelen in stand te houden, gezien de toegenomen kans op hybride of conventionele oorlogsvoering; pleit voor dringende maatregelen om deze kritieke capaciteitstekorten aan te pakken door middel van nauwere samenwerking op het gebied van zowel strategische als industriële aangelegenheden, gecoördineerde planning en gerichte investeringen om de gereedheid op defensiegebied te waarborgen; erkent de inspanningen van de belanghebbenden van de EDTIB om dergelijke uitdagingen aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>benadrukt dat het opvullen van capaciteitslacunes de ontwikkeling van autonome strategische hulpmiddelen vereist, zonder welke de strijdkrachten van de lidstaten niet doeltreffend gezamenlijke militaire operaties kunnen uitvoeren; beveelt in dit verband aan een veilige en beveiligde gemeenschappelijke architectuur te ontwikkelen voor commando, controle, communicatie, inlichtingen, surveillance, doelverwerving en verkenning, alsook gemeenschappelijke defensiecapaciteit op het gebied van de ruimte, strategisch lucht- en zeetransport, bijtanken in de lucht en chemische, biologische, radiologische en nucleaire risicopreventie; prijst het werk van het EDA, dat een overzicht en analyse van het defensielandschap van de EU biedt en aanbevelingen doet inzake mogelijkheden voor samenwerking op het gebied van vermogensontwikkeling en -verwerving via de vermogensontwikkelingsprioriteiten en de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>herinnert eraan dat de NAVO en de EU een complementaire, samenhangende en wederzijds versterkende rol spelen; roept de EU-lidstaten en de NAVO-bondgenoten op om nauwer samen te werken, in overeenstemming met de derde gezamenlijke verklaring van 10 januari 2023 over de samenwerking tussen de EU en de NAVO, teneinde defensiecapaciteiten te ontwikkelen en bestaande lacunes op te vullen; benadrukt dat alle Europese inspanningen op dit gebied in nauwe samenwerking met de NAVO moeten worden geleverd, met als doel de industriële samenwerking en interoperabiliteit te versterken; roept op tot een grotere Europese betrokkenheid bij de bestaande NAVO-structuren voor samenwerking en wijst er ook op dat de samenhang tussen het proces van vermogensontwikkeling van de EU en het plannings- en evaluatieproces van de NAVO moet worden gewaarborgd; roept ertoe op de interoperabiliteit van militair materieel tussen de EU-lidstaten en de NAVO-bondgenoten te verbeteren, met name door ervoor te zorgen dat de normen en specificaties compatibel zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>ziet in dat er onmiddellijke defensiebehoeften zijn waaraan moet nog worden voldaan door middel van leveringen of steun uit niet-EU-landen; benadrukt voorts dat de Europese veiligheid nog steeds sterk afhankelijk is van de defensie-industrie van niet-EU-landen; benadrukt dat er in de huidige geopolitieke context en gezien de aan de EU gestelde eis om meer verantwoordelijkheid voor defensie op zich te nemen, een beheerste en geleidelijke overgang nodig is van afhankelijkheid van niet-EU-landen naar strategische autonomie en dat de EDTIB moet worden versterkt; is het eens met de doelstelling om de afhankelijkheid van niet-EU-fabrikanten en -leveranciers, onder meer op het gebied van grondstoffen en zeldzame aardmetalen, waarvoor binnen de EU gelijkwaardige oplossingen bestaan of kunnen worden ontwikkeld, aanzienlijk te verminderen of geleidelijk af te bouwen, voor zover dat mogelijk is, aangezien deze oplossingen van essentieel belang zijn voor de strategische autonomie en de voorzieningszekerheid van de EU; dringt daarom aan op maatregelen om de EDTIB te versterken en het concurrentievermogen ervan te vergroten, onder meer door vol overtuiging te kiezen voor Europese bedrijven bij de inkoop van defensiemateriaal en door te zorgen voor open en concurrerende markten voor EU-bedrijven, grensoverschrijdende industriële samenwerking binnen de EU en met betrouwbare en gelijkgestemde partners, en eerlijke toegang tot overheidsopdrachten voor kmo’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>benadrukt dat zonder de totstandbrenging van een echte eengemaakte EU-markt voor defensieproducten en -diensten het risico bestaat dat de stijgende nationale defensie-uitgaven teniet worden gedaan door inefficiënties, wat tot verdere versnippering binnen de EDTIB zal bijdragen; roept de lidstaten op meer gezamenlijke defensieaankopen te doen en de samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van defensiecapaciteit te versterken om de interoperabiliteit en uitwisselbaarheid te verbeteren, een efficiënte toewijzing van middelen te waarborgen, de EDTIB te versterken, particuliere investeringen aan te trekken, de versnippering van de EU-defensiemarkt te verminderen en het aantal verschillende defensieproducten dat in de hele Unie in vergelijkbare operationele behoeften voorziet, te verminderen; benadrukt dat aanbestedingen in het kader van vlaggenschipprojecten gezamenlijk door de deelnemende lidstaten moeten worden uitgevoerd en dat vlaggenschipprojecten moeten bijdragen aan de doelstelling om tegen eind 2027 40 % van de aankopen op defensiegebied als gezamenlijke aanbesteding te organiseren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Ontwikkeling van defensievermogens via vlaggenschipprojecten op prioritaire gebieden</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>neemt kennis van het voorstel van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid om een reeks initiële vlaggenschipinitiatieven voor Europese gereedheid op te zetten, in het kader van “Vrede bewaren– routekaart voor defensiegereedheid 2030”; stelt vast dat de Europese Raad zijn goedkeuring heeft gehecht aan deze routekaart en dat de lidstaten hebben toegezegd om vier initiële vlaggenschipinitiatieven voor Europese gereedheid te ontwikkelen: het Europese initiatief voor droneverdediging, de oostflankwacht, het Europees luchtschild en het Europees ruimteschild; merkt op dat deze voorgestelde vlaggenschipprojecten een zeer breed scala aan defensievermogens bestrijken; wijst er verder op dat deze projecten horizontaal van aard zijn en bijdragen aan de veiligheidsbelangen van de Unie in breedste zin; dringt er bij de Commissie, de deelnemende lidstaten en het EDA op aan de specifieke doelstellingen, een tijdschema en mijlpalen voor de uitvoering, financieringsvoorstellen, governancemechanismen, de technologische reikwijdte en de verwachte omvang van elk van deze projecten duidelijk vast te stellen; benadrukt de noodzaak van een operationeel concept en duidelijke governance om te bepalen wie wat doet, met name in gevallen met grensoverschrijdende gevolgen, bijvoorbeeld wanneer een vijandige drone van de ene lidstaat naar de andere vliegt; benadrukt dat het ontwerp en de uitvoering van deze projecten breed van opzet moeten zijn, zodat zij zowel conventionele defensiecomponenten als geavanceerde technologieën omvatten, om de operationele duurzaamheid te waarborgen in geval van langdurige conflicten; roept de deelnemende lidstaten op ervoor te zorgen dat de mijlpalen van elk project worden gehaald, de in de routekaart beschreven vermogenscoalities af te ronden en alles in het werk te stellen om de vlaggenschipprojecten zo snel mogelijk van de grond te krijgen, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van 23 oktober 2025;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>verwelkomt de voorgestelde aanpak voor het Europees initiatief voor droneverdediging, dat tot doel heeft een technologisch geavanceerd, meerlagig systeem te ontwikkelen met interoperabele capaciteiten om drones te detecteren, te volgen en te neutraliseren, en met vermogens om gronddoelen te raken door gebruik te maken van dronetechnologie voor precisieaanvallen; is van mening dat de vermogens op het gebied van droneafweer van de lidstaten volledig interoperabel en verbonden moeten zijn om het situationeel bewustzijn op EU-niveau te waarborgen en ervoor te zorgen dat de lidstaten van de EU gezamenlijk kunnen optreden om, samen met de NAVO, kritieke infrastructuur te beveiligen; wijst op de uitdagingen die gepaard gaan met de totstandbrenging van een functioneel droneverdedigingssysteem in het kader van dit initiatief en dringt daarom, als eerste stap, aan op de uitvoering van proefprojecten waarbij een kleiner aantal lidstaten betrokken is, hetgeen vervolgens moet resulteren in een 360-gradenbenadering zodra de systemen voldoende operationeel en doeltreffend zijn om op grotere schaal te kunnen worden ingezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>benadrukt dat bij vlaggenschipprojecten rekening moet worden gehouden met de specifieke vereisten inzake defensie en afschrikking van de oostelijke flank van de EU; is ingenomen met de voorgestelde aanpak voor de oostflankwacht, die bedoeld is om de capaciteit van de aan Rusland grenzende lidstaten op te bouwen om het hoofd te bieden aan een breed scala aan dreigingen en risico’s, waaronder hybride dreigingen, het gebruik van de Russische schaduwvloot voor sabotageoperaties en surveillance, en het risico van gewapende agressie; benadrukt dat die aanpak de integratie omvat van de vier elementen grondverdediging, situationeel bewustzijn, luchtafweer en droneafweersystemen, en daarnaast betrekking heeft op de maritieme veiligheid in de Oostzee en de Zwarte Zee; verwelkomt het voorgestelde doel om een alomvattend grensverdedigingsvermogen tot stand te brengen om de veiligheid van de hele Unie te versterken, met systemen voor bewaking op verschillende domeinen, drone- en droneafweervermogens, vermogens voor elektronische oorlogsvoering, systemen voor precisieaanvallen en responsieve operationele coördinatie; dringt erop aan dat er in dit kader ook maatregelen worden genomen om de proactieve weerbaarheid te vergroten, om de capaciteiten op het gebied van de bescherming van infrastructuur en op het gebied van cyberdefensie te versterken, en om regionale interoperabiliteit en volledige operationele paraatheid in tijden van crisis te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>benadrukt dat vlaggenschipprojecten een unieke kans bieden om het concurrentievermogen, de efficiëntie en de innovatiecapaciteit van de EDTIB te versterken; is van mening dat er een breed overeengekomen definitie moet worden vastgesteld van “vlaggenschipprojecten van gemeenschappelijk belang” als grootschalige, pan-Europese samenwerkingsinitiatieven, met deelname van zoveel mogelijk lidstaten, op het gebied van defensievermogens en industriële ontwikkeling, met inbegrip van strategische hulpmiddelen binnen een gemeenschappelijk kader zoals het EDIP, die het mogelijk maken deze op coherente wijze vast te stellen en uit te voeren binnen het defensie- en industriebeleid van de EU; benadrukt dat het definiëren van vlaggenschipprojecten van cruciaal belang is om een doeltreffende samenwerking tussen de lidstaten te waarborgen, middelen te bundelen om kritieke vermogenslacunes aan te pakken en stappen te zetten naar een echte Europese defensie-unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>onderstreept het strategische belang van het versterken van de EDTIB door middel van samenwerking met Oekraïne, geassocieerde landen in het kader van de samenwerking die is opgezet uit hoofde van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte<FOOTNOTE><FIELD>PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/1994/1/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, gelijkgestemde niet-EU-landen en landen waarmee de EU partnerschappen op het gebied van veiligheid en defensie heeft gesloten; benadrukt in dit verband dat de Oekraïense defensie-industrie belangrijke technologische expertise en knowhow heeft opgedaan op basis van de lessen die zijn getrokken uit de ervaringen van de Oekraïense strijdkrachten op het slagveld, en neemt nota van het voorstel voor een drone-alliantie met Oekraïne; beveelt aan om, teneinde de trage innovatiecycli in de EU aan te pakken, onderzoek en ontwikkeling te koppelen aan productie en te zorgen voor voortdurende technologische ontwikkeling, en de vlaggenschipprojecten zoveel mogelijk open te stellen voor deelname van Oekraïne, geassocieerde landen en landen die een veiligheids- en defensiepartnerschap met de EU hebben gesloten, met volledige inachtneming van de veiligheidsbelangen van de EU en haar lidstaten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Vaststellen en waarborgen van de juiste opzet en uitvoering van vlaggenschipprojecten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>benadrukt dat de doelstellingen van de vlaggenschipprojecten moeten worden afgestemd op de overeengekomen defensiedoelstellingen van de EU en moeten aansluiten bij de doelstellingen van de NAVO voor de ontwikkeling van vermogens; benadrukt daarnaast dat zij betrekking moeten hebben op aan defensie gelieerde innovatieve technologische gebieden en moeten bijdragen tot de ontwikkeling van geavanceerde defensievermogens die beantwoorden aan de vereisten van moderne oorlogvoering, zoals de toenemende behoefte aan het onderling verbinden van militaire operaties op verschillende domeinen, troepen en wapens, het waarborgen van cyberdefensie, het ontwikkelen van het verzamelen, opslaan, verwerken en delen van inlichtingen, van onbemande systemen en van op AI gebaseerde instrumenten ter ondersteuning van de besluitvorming, het uitvoeren van diepe en nauwkeurige aanvallen en het bestrijden van droneaanvallen; benadrukt het belang van een ethisch en verantwoord gebruik van AI-systemen, met volledige inachtneming van het internationaal humanitair recht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>verzoekt de Commissie en de EU-lidstaten het cyberdomein en digitale technologieën te integreren in de kernprioriteiten van de EU op defensiegebied, teneinde gegevenssoevereiniteit en collectieve paraatheid tegen hybride en cyberdreigingen te waarborgen; benadrukt dat het waarborgen van cyberveiligheid en cyberweerbaarheid in alle vlaggenschipprojecten een horizontale doelstelling moet zijn, waarbij wordt gezorgd voor beveiligde digitale infrastructuur, bescherming van commando- en besturingssystemen en de integriteit van gegevensstromen tussen operationele domeinen, overeenkomstig het cyberdefensiebeleid van de EU en de prioriteiten van het strategisch kompas;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>wijst op de noodzaak van vlaggenschipprojecten binnen het domein van de ruimte, dat van steeds groter militair belang wordt, omdat daar verschillende veiligheidsgerelateerde activiteiten van afhankelijk zijn, zoals beveiligde communicatie en het verzamelen van inlichtingen; benadrukt bovendien het belang van de integratie van vlaggenschipprojecten met strategische vervoers- en logistieke infrastructuur, zoals grensoverschrijdende militaire mobiliteitscorridors en infrastructuur voor tweeërlei gebruik, met name in Oost- en Zuidoost-Europa, die van cruciaal belang zijn voor een snelle inzet en weerbaarheid langs de oostelijke flank;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>benadrukt dat vlaggenschipprojecten gericht moeten zijn op het bevorderen van nauwere samenwerking en innovatie op het gebied van governancemechanismen op EU-niveau en tussen lidstaten van de EU, door optimale werkwijzen te delen met het oog op een gemeenschappelijke en gecoördineerde strategie voor Europese defensie, rekening houdend met de kennis van Oekraïne over hoe moderne oorlogsvoering in de praktijk functioneert; benadrukt dat de Commissie een duidelijk beleid voor de korte, middellange en lange termijn moet vaststellen met betrekking tot de ontwikkeling van vlaggenschipprojecten, waarbij ervoor wordt gezorgd dat O&amp;O- en innovatie-inspanningen op lange termijn coherent worden gecoördineerd met kortetermijninvesteringen in kritieke defensievermogens, teneinde zowel technologische vooruitgang als onmiddellijke operationele paraatheid te waarborgen; benadrukt daarnaast dat een goed beheer van vlaggenschipprojecten gebaseerd moet zijn op een gedeelde visie en doeltreffende coördinatie tussen de “programma-actoren”, d.w.z. de Commissie, de regeringen, de militaire hoofdkwartieren en de instanties van de EU‑lidstaten die verantwoordelijk zijn voor overheidsopdrachten, en bedrijven in de defensie-industrie; is van mening dat vlaggenschipprojecten baat kunnen hebben bij en voort kunnen bouwen op bestaande samenwerking in het kader van PESCO-projecten en EDF-projecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>merkt op dat verschillende Europese defensiebedrijven in de loop der tijd al grote transnationale samenwerkingsprojecten hebben opgezet op verschillende gebieden die verband houden met de veiligheidsdimensie; benadrukt dat deze casestudy’s als voorbeeld kunnen dienen voor het ontwerp en het beheer vlaggenschipprojecten; benadrukt dat bij vlaggenschipprojecten, naast hun ontwikkelings- en productiefasen, ook moet worden gezorgd voor de vaststelling van gemeenschappelijke kaders voor de exploitatie, het onderhoud en het levenscyclusbeheer ervan op Unieniveau;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>neemt kennis van de invoering van EDPGB’s als nieuwe instrumenten in het kader van het EDIP; merkt op dat vlaggenschipprojecten ook binnen dat kader kunnen worden ontwikkeld; merkt op dat EDPGB’s kunnen worden ontwikkeld binnen het kader van SEAP’s; benadrukt dat EDPGB’s moeten bijdragen aan de interoperabiliteit en de veerkracht van aanvoerketens en volledig aanvullend moeten blijven op de vermogensplanning van de NAVO, zoals uiteengezet in de routekaart voor defensiegereedheid 2030;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>verzoekt de Commissie te streven naar volledige conceptuele en procedurele afstemming tussen de uitvoeringskaders van vlaggenschipprojecten en bestaande instrumenten zoals PESCO, EDF, EDIP en de EDPGB’s, zodat deze instrumenten coherent functioneren en elkaar wederzijds versterken binnen de defensiearchitectuur van de EU; verzoekt de Commissie voorts te verduidelijken hoe EDPGB’s in de praktijk moeten worden gestructureerd en gecombineerd om een vlaggenschipproject te vormen, met inbegrip van de nodige governance-, volgordebepalings- en coördinatiemechanismen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>benadrukt dat moet worden gestreefd naar sterkere synergieën tussen onderzoek, innovatie en industriële ontwikkeling binnen het defensie-ecosysteem van de EU; wijst in dit verband op de bijdrage van relevante belanghebbenden, zoals onderzoeksorganisaties, academische instellingen, innovatiehubs, technologiecentra en test- en certificeringsinstanties uit alle lidstaten; pleit ervoor een zo breed mogelijk scala aan industriële actoren te betrekken bij vlaggenschipprojecten, met name midcaps, kmo’s en start-ups, om de verspreiding van innovatie over het gehele spectrum van de EDTIB mogelijk te maken en de Europese voorzieningszekerheid te versterken; dringt aan op de oprichting van een groep op hoog niveau voor de Europese defensie-industrie om te zorgen voor doeltreffende samenwerking, en op een nauwere dialoog met en betrokkenheid van de sector in heel Europa;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor een evenwichtige geografische deelname aan vlaggenschipprojecten, die gericht moeten zijn op een zo breed mogelijke deelname van de lidstaten, met inbegrip van de lidstaten met opkomende defensie-industrieën; benadrukt dat vlaggenschipprojecten alle deelnemende lidstaten in staat moeten stellen te profiteren van technologische vooruitgang en productiecapaciteiten en moeten bijdragen aan de versterking van de vermogens en veerkracht in de hele Unie; benadrukt ook dat nieuwe lidstaten zich bij deze projecten moeten kunnen aansluiten en dat de deelname van andere lidstaten in de loop van de tijd moet worden aangemoedigd en vergemakkelijkt; dringt aan op flexibele en inclusieve cofinancieringsmechanismen die ervoor zorgen dat alle lidstaten, ongeacht hun economische omvang, op zinvolle wijze kunnen deelnemen aan vlaggenschipprojecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>benadrukt dat het belangrijk is om de regionale dimensie van de industriële defensiestrategie van de EU te versterken en wijst op de potentiële impact van vlaggenschipprojecten in termen van technologische spillovereffecten, economische voordelen, hoogwaardige werkgelegenheid en sociale cohesie in alle regio’s van de EU; dringt aan op de betrokkenheid van regionale en lokale overheden en op de mogelijkheid voor regio’s in de EU om te profiteren van vlaggenschipprojecten, teneinde gezamenlijke verantwoordelijkheid voor defensiekwesties te bevorderen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>benadrukt dat moet worden voorkomen dat militaire technologieën, met name gevoelige opkomende technologieën en kritieke producten voor tweeërlei gebruik, vooral op het gebied van de ruimte, kwantumtechnologieën en AI, worden overgebracht naar vijandige landen of systeemrivalen buiten de EU; dringt er bij de lidstaten die deelnemen aan vlaggenschipprojecten op aan de coördinatie te versterken en zich ertoe te verbinden een gemeenschappelijke aanpak te volgen en een gemeenschappelijke strategie en voorwaarden vast te stellen en overeen te komen voor het verlenen van uitvoervergunningen aan niet-deelnemende landen buiten de EU voor producten die voortkomen uit vlaggenschipprojecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>roept op tot de instelling van een gecoördineerd risicogebaseerd uitvoercontrolemechanisme tussen de lidstaten die deelnemen aan vlaggenschipprojecten dat is afgestemd op de doelstellingen van het strategisch kompas van de EU en in overeenstemming is met nationale vermogens, prerogatieven en internationale verplichtingen van de lidstaten, met inbegrip van die in het kader van de NAVO;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Het beheer van vlaggenschipprojecten en de rol van het Parlement</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten verdere voorstellen in te dienen voor vlaggenschipprojecten die gericht zijn op de ontwikkeling van defensiecapaciteiten en die de lidstaten in staat stellen hun nationale inspanningen beter af te stemmen op de overeengekomen defensiedoelstellingen van de EU en in overeenstemming te brengen met de relevante NAVO-doelstellingen voor vermogensontwikkeling; benadrukt dat in projectvoorstellen rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van de lidstaten die het grootste risico lopen dat conventionele militaire en hybride dreigingen werkelijkheid worden; benadrukt dat het belangrijk is de defensie-industrieën te betrekken bij de vaststelling van de prioriteiten en reikwijdte van toekomstige vlaggenschipprojecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>benadrukt dat de selectie van vlaggenschipprojecten gebaseerd moet zijn op verdiensten en transparante procedures, waarbij een geografisch evenwichtige spreiding wordt gewaarborgd en concentratie van besluiten of industriële voordelen in een beperkt aantal lidstaten wordt voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>beveelt aan dat de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en het EDA een adviserende, ondersteunende en coördinerende rol spelen om de uitvoering van vlaggenschipprojecten te vergemakkelijken; wijst op de cruciale rol van het Militair Comité van de Europese Unie bij het verstrekken van strategisch militair advies en het doen van aanbevelingen aan het Politiek en Veiligheidscomité, met name wat betreft de ontwikkeling, beoordeling en herziening van vermogensdoelstellingen, en dringt er in dit verband op aan dat het Militair Comité formeel wordt opgenomen in het bestuurskader van vlaggenschipprojecten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>zet zich ervoor in zijn toezichthoudende, wetgevende en budgettaire rol met betrekking tot de coördinatie, uitvoering en financiering van vlaggenschipprojecten uit te oefenen op basis van regelmatige en uitgebreide informatie en verslagen van de Commissie; wijst op zijn bevoegdheden op het gebied van de begroting en op zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot het gebruik van EU-middelen; dringt aan op regelmatige openbare verslaglegging en parlementaire controle om de verantwoordingsplicht te waarborgen en het vertrouwen in vlaggenschipprojecten te bevorderen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De financiering van vlaggenschipprojecten op lange termijn waarborgen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>roept op tot toereikende en specifieke financiering in het kader van het volgende meerjarig financieel kader om de langetermijnfinanciering van vlaggenschipprojecten te waarborgen; onderstreept dat er adequate en passende financiering nodig is voor vlaggenschipprojecten die niet ten koste gaat van de middelen voor andere strategische gebieden van de EU-begroting voor defensie; benadrukt dat een deel van de financiering moet worden besteed aan initiatieven op het gebied van opleiding, ontwikkeling van vaardigheden en behoud van talent;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>benadrukt dat het gezamenlijk ontwikkelen van defensievermogens op Unieniveau aanzienlijke schaalvoordelen kan opleveren, kosten kan verlagen en ervoor kan zorgen dat overheidsmiddelen en belastinggeld op de meest efficiënte en verantwoorde manier worden ingezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>sluit zich aan bij de opmerking van de Europese Rekenkamer over het EDIP-voorstel, namelijk dat de tijd die nodig is om proefprojecten af te ronden waarschijnlijk langer zal zijn dan de in het EDIP voorziene uitvoeringsperiode van twee jaar; benadrukt daarom dat, willen vlaggenschipprojecten in aanmerking komen voor EDIP-financiering, de betrokken lidstaten zich ertoe moeten verbinden deze projecten gedurende hun gehele looptijd te cofinancieren, ver na de eerste periode van twee jaar; benadrukt daarom het belang van langetermijnplanning voor duurzame investeringen en industriële continuïteit om de strategische autonomie van Europa te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>benadrukt dat de medefinanciering van vlaggenschipprojecten gebaseerd moet zijn op goed beheer en een degelijke begrotingsplanning, op kostenefficiëntie en op transparantie; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom mijlpalen, prestatie-indicatoren, periodieke financiële controles en evaluaties van uitgaven voor de uitvoering van vlaggenschipprojecten vast te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>roept de EU-lidstaten ertoe op te overwegen een deel van hun nationale defensiebegrotingen systematisch toe te wijzen aan de ontwikkeling van partnerschapsinitiatieven en de aankoop van defensiematerieel dat in het kader van vlaggenschipprojecten wordt geproduceerd in sectoren waar gezamenlijke inspanningen meerwaarde opleveren, overeenkomstig artikel 4, lid 2, VEU en artikel 346 VWEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>moedigt de lidstaten aan de nationale begrotingsplanning voor defensie af te stemmen op de vermogensdoelstellingen van de NAVO om complementariteit te waarborgen en versnippering van middelen te voorkomen; verzoekt de lidstaten na te gaan hoe een buiten de begroting vallend financieel instrument kan worden ingesteld dat het mogelijk maakt bepaalde delen van de nationale defensiebegrotingen op EU-niveau te bundelen en gemeenschappelijk te maken, teneinde de gehele levenscyclus van vlaggenschipprojecten te dekken;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de NAVO, de Parlementaire Vergadering van de NAVO, de EU-agentschappen die bevoegd zijn op het gebied van veiligheid en defensie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>