<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0088</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Grzegorz Braun</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0076/2026 - Rapporteur: Dainius Žalimas)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Grzegorz Braun (2025/2192(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Grzegorz Braun d.d. 4 september 2025, dat door de procureur-generaal van Polen op verzoek van de aanklager van de Commissie voor de vervolging van misdaden tegen de Poolse natie van het Instituut voor Nationale Herinnering (Oddział Instytutu Pamięci Narodowej w Krakowie - Komisja Ścigania Zbrodni przeciwko Narodowi Polskiemu), afdeling Krakau, werd ingediend in verband met een strafrechtelijke procedure tegen Grzegorz Braun, en van de ontvangst waarvan op 6 oktober 2025 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het feit dat Grzegorz Braun wordt geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht om te worden gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 105, leden 2 en 5, van de grondwet van de Republiek Polen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0076/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de procureur-generaal van Polen bij brief d.d. 4 september 2025 op verzoek van de aanklager van de Commissie voor de vervolging van misdaden tegen de Poolse natie van het Instituut voor Nationale Herinnering (Oddział Instytutu Pamięci Narodowej w Krakowie - Komisja Ścigania Zbrodni przeciwko Narodowi Polskiemu), afdeling Krakau, een verzoek tot opheffing van de immuniteit van Grzegorz Braun, in Polen verkozen lid van het Europees Parlement, heeft ingediend, omdat deze ervan wordt verdacht in 2025 diverse strafbare feiten te hebben gepleegd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat in deze brief wordt gesteld dat Grzegorz Braun op 10 juli 2025 in Jedwabne (in het woiwodschap Podlachië) tijdens een radio-interview publiekelijk en in strijd met de feiten heeft ontkend dat de nazi’s in de periode 1941-1944 tijdens het Derde Duitse Rijk in het concentratie- en vernietigingskamp KL Auschwitz-Birkenau in Auschwitz genocide hebben gepleegd; overwegende dat de vermeende handeling een strafbaar feit vormt in de zin van artikel 55 van de wet van 18 december 1998 betreffende het Instituut voor Nationale Herinnering – Commissie voor de vervolging van misdaden tegen de Poolse natie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat in deze brief wordt gesteld dat Grzegorz Braun op 14 juli 2025 in Warschau en tijdens een podcast-interview publiekelijk en in strijd met de feiten heeft ontkend dat de nazi’s in de periode 1941-1944 tijdens het Derde Duitse Rijk in het concentratie- en vernietigingskamp KL Auschwitz-Birkenau in Auschwitz genocide hebben gepleegd; overwegende dat de vermeende handeling een strafbaar feit vormt in de zin van artikel 55 van de wet van 18 december 1998 betreffende het Instituut voor Nationale Herinnering – Commissie voor de vervolging van misdaden tegen de Poolse natie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat Grzegorz Braun bij de Europese verkiezingen van juni 2024 werd verkozen tot lid van het Europees Parlement en dus ten tijde van de vermeende strafbare feiten lid was van het Europees Parlement;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de vermeende strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Grzegorz Braun niet bestaan uit, respectievelijk geen verband houden met een mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat een afgevaardigde overeenkomstig artikel 105, leden 2 en 5, van de grondwet van de Republiek Polen vanaf de dag waarop de verkiezingsuitslagen bekend worden gemaakt tot de dag waarop zijn of haar mandaat afloopt alleen met toestemming van de Poolse Sejm strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld en alleen met toestemming van de Sejm kan worden aangehouden of gearresteerd, behalve in geval van ontdekking op heterdaad of wanneer zijn of haar aanhouding noodzakelijk is om een goed verloop van de procedure te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de immuniteit waarin Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voorziet, tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat in artikel 5, lid 2, van zijn Reglement wordt bepaald dat de parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de desbetreffende strafrechtelijke procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van Grzegorz Braun in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Grzegorz Braun op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Republiek Polen en aan Grzegorz Braun.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>