<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0089</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Nikos Pappas</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0077/2026 - Rapporteur: Krzysztof Śmiszek)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Nikos Pappas (2025/2194(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Nikos Pappas, dat werd ingediend bij brief d.d. 10 september 2025 van het openbaar ministerie bij het hooggerechtshof van Griekenland, waarbij een verzoek werd doorgestuurd van de aanklager bij de rechtbank van eerste aanleg te Athene in het kader van de strafrechtelijke vervolging van de heer Pappas, en van de ontvangst waarvan op 6 oktober 2025 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Nikos Pappas op 28 januari 2026 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0077/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het openbaar ministerie bij het hooggerechtshof van Griekenland bij brief d.d. 10 september 2025 een verzoek heeft doorgestuurd van de aanklager bij de rechtbank van eerste aanleg te Athene tot opheffing van de immuniteit van Nikos Pappas, in de Helleense Republiek verkozen lid van het Europees Parlement, wegens vermeende laster en belediging: handelingen die strafbare feiten vormen in de zin van artikel 361, lid 1, en artikel 363 van het Griekse wetboek van strafrecht, en zijn aangemerkt als delicten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat volgens het verzoek in de aanklacht wordt gesteld dat Nikos Pappas in een interview in een onlineshow, in aanwezigheid van derden, valse, lasterlijke feiten zou hebben aangevoerd over een journalist, en daarmee bewust diens naam door het slijk zou hebben gehaald; overwegende dat Nikos Pappas deze strafbare feiten op 20 maart 2024 in Athene zou hebben gepleegd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Nikos Pappas bij de Europese verkiezingen van juni 2024 werd verkozen tot lid van het Europees Parlement, en geen lid van het Europees Parlement was ten tijde van de vermeende strafbare feiten; overwegende dat de aanklacht tegen hem dateert van 10 juni 2024;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de ten laste gelegde strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Nikos Pappas niet bestaan uit, respectievelijk geen verband houden met een mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat overeenkomstig artikel 62 van de Griekse grondwet een parlementslid gedurende zijn ambtstermijn niet kan worden vervolgd, gearresteerd, gevangengezet of onderworpen aan andere vrijheidsbenemende maatregelen zonder toestemming van de Kamer van Afgevaardigden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de immuniteit waarin Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voorziet, tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van zijn Reglement, geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de desbetreffende strafrechtelijke procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden beschouwd<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T‑214/18, ECLI:EU:T:2019:266, punt 91.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Nikos Pappas op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Helleense Republiek en aan Nikos Pappas.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>