<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0106</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Daniel Obajtek</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0115/2026 - Rapporteur: Pascale Piera)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Daniel Obajtek (2025/2172(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Daniel Obajtek dat bij brief van 21 juli 2025 door de procureur-generaal van de Republiek Polen, op verzoek van het regionaal Openbaar Ministerie van Warschau werd ingediend in verband met een tegen Daniel Obajtek in te stellen strafrechtelijke procedure en waarvan de ontvangst op 8 september 2025 ter plenaire vergadering is meegedeeld,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Daniel Obajtek op 12 februari 2026 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 105, leden 2 en 5, van de grondwet van de Republiek Polen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0115/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de procureur-generaal van de Republiek Polen bij brief van 21 juli 2025 op verzoek van het regionaal Openbaar Ministerie van Warschau een verzoek tot opheffing van de immuniteit van Daniel Obajtek, een in Polen verkozen lid van het Europees Parlement, heeft ingediend in verband met een vermoedelijk strafbaar feit uit hoofde van artikel 233, lid 1, van het Poolse Wetboek van Strafrecht, alsook artikel 49 daarvan in samenhang met artikel 3 van de Perswet van 26 januari 1984;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het Openbaar Ministerie van Warschau volgens het verzoek tot opheffing van de immuniteit op 15 mei 2024 een onderzoek heeft ingesteld naar het vermeend afleggen van een valse getuigenis; dat deze vermeende valse getuigenis volgens dat verzoek op 11 mei 2023 zou zijn afgelegd door twee personen, onder wie Daniel Obajtek, als getuige en na in kennis te zijn gesteld van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid in geval van valse getuigenis, in een procedure voor de regionale rechtbank van Warschau-Śródmieście in Warschau met betrekking tot de civiele vordering die verzoeker tegen verweerder had ingesteld wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 212, lid 2, van het Poolse Wetboek van Strafrecht, met betrekking tot smaad;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat, volgens het verzoek, Polski Koncern Naftowy ORLEN Spółka Akcyjna een overeenkomst heeft gesloten om het weekblad “NIE”, dat door de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid URMA wordt uitgegeven, op alle verkooppunten in de tankstations van ORLEN te verspreiden; dat op 10 maart 2023 nummer 10 van het weekblad is verspreid; dat Daniel Obajtek, als voorzitter van de raad van bestuur van Polski Koncern Naftowy ORLEN Spółka Akcyjna, op 14 maart 2023 in Warschau zou hebben verzocht om het nummer 10/2023 van het weekblad “NIE” met spoed uit de rekken van alle verkooppunten van Polski Koncern Naftowy ORLEN Spółka Akcyjna te verwijderen en het niet langer te koop aan te bieden omdat op de voorpagina van dat nummer een afbeelding van paus Johannes Paulus II prijkte met in zijn handen een kruis met een naakte pop in de plaats van Jezus en omdat de verslaggeving zich negatief uitliet over de maatregelen van paus Johannes Paulus II met betrekking tot de seksuele uitbuiting van minderjarigen door geestelijken, waardoor de verkoop van het blad, dat Polski Koncern Naftowy ORLEN Spółka Akcyjna had toegezegd te zullen verspreiden, aan banden werd gelegd, hetgeen strafbaar is op grond van artikel 49 juncto artikel 3 van de Perswet van 26 januari 1984;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat Daniel Obajtek bij de Europese verkiezingen van juni 2024 tot lid van het Europees Parlement is verkozen en hij dus noch op het moment waarop de vermeende strafbare feiten zijn gepleegd, noch op het moment waarop het strafrechtelijk onderzoek voor die vermeende strafbare feiten is geopend, lid van het Europees Parlement was;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de vermeende strafbare feiten en het daaruit voortvloeiende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Daniel Obajtek geen betrekking hebben op een mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft geuit respectievelijk uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement, tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement, op het grondgebied van hun eigen lidstaat de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging van hun lidstaat zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat een afgevaardigde overeenkomstig artikel 105, leden 2 en 5, van de grondwet van de Republiek Polen vanaf de dag waarop de verkiezingsuitslagen worden bekendgemaakt tot de dag waarop zijn of haar mandaat afloopt alleen met toestemming van de Sejm strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld en alleen met toestemming van de Sejm kan worden aangehouden of gearresteerd, behalve in geval van ontdekking op heterdaad of wanneer zijn of haar aanhouding noodzakelijk is om een goed verloop van de procedure te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat in artikel 5, lid 2, van zijn Reglement wordt bepaald dat de parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de immuniteit als genoemd in Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, en dat de gerechtelijke procedure in kwestie bijgevolg niet bedoeld lijkt om de politieke activiteit van Daniel Obajtek als lid van het Europees Parlement en dus de onafhankelijkheid van het Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Daniel Obajtek op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Republiek Polen en aan Daniel Obajtek.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>