<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0107</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Tomasz Buczek</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0116/2026 - Rapporteur: David Cormand)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Tomasz Buczek (2025/2193(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Tomasz Buczek, dat bij brief van 12 september 2025 is ingediend door de rechtbank in eerste aanleg in Tarnobrzeg, tweede kamer bevoegd voor strafzaken, in verband met een tegen hem ingestelde strafrechtelijke procedure die is ingeleid middels een aanklacht van een particuliere partij door de gevolmachtigde van deze particuliere aanklager, en waarvan op 6 oktober 2025 ter plenaire vergadering kennis is gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Tomasz Buczek op 23 maart 2026 te hebben gehoord, en gezien de door hem verstrekte documenten, overeenkomstig artikel 9, lid 6 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 105, leden 2 en 5, van de grondwet van de Republiek Polen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0116/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de rechtbank in eerste aanleg in Tarnobrzeg, tweede kamer bevoegd voor strafzaken, bij brief van 12 september 2025 een verzoek tot opheffing van de immuniteit van Tomasz Buczek, een in Polen verkozen lid van het Europees Parlement, heeft ingediend in verband met een aanklacht die een particuliere partij tegen hem heeft ingediend wegens een vermeend strafbaar feit op grond van artikel 217, lid 1, van het Poolse wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat, volgens het verzoek tot opheffing van de immuniteit, op 21 september 2024 in Tarnobrzeg een verkiezingsbijeenkomst plaatsvond die Tomasz Buczek bijwoonde; overwegende dat de particuliere aanklager aan bovengenoemde bijeenkomst heeft deelgenomen en daar met name haar mening heeft geuit over politieke onderwerpen, onder meer over de activiteiten van Tomasz Buczek; overwegende dat Tomasz Buczek, volgens het verzoek, de particuliere aanklager de minimegafoon waardoor zij sprak uit handen zou hebben gerukt, en overwegende dat deze actie naar verluidt dermate gewelddadig was dat de megafoon zwaar beschadigd raakte;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat het optreden van Tomasz Buczek de bestanddelen kan vervullen van een strafbaar feit in de zin van artikel 217, lid 1, van het Poolse wetboek van strafrecht, te weten aantasting van de lichamelijke integriteit;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat Tomasz Buczek bij de Europese verkiezingen van juni 2024 werd verkozen tot lid van het Europees Parlement, en dat hij dus lid van het Parlement was ten tijde van het vermeende strafbare feit;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat het vermeende strafbare feit en het daaruit voortvloeiende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Tomasz Buczek geen betrekking hebben op een mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft geuit respectievelijk uitgebracht in de zin van artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat een afgevaardigde overeenkomstig artikel 105, leden 2 en 5, van de  grondwet van de Republiek Polen vanaf de dag waarop de verkiezingsuitslagen worden bekendgemaakt tot de dag waarop zijn of haar mandaat afloopt alleen met toestemming van de Sejm strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld en alleen met toestemming van de Sejm kan worden aangehouden of gearresteerd, behalve in geval van ontdekking op heterdaad of wanneer zijn of haar aanhouding noodzakelijk is om een goed verloop van de procedure te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van zijn Reglement, geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit, waarin Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voorziet, tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, dat wil zeggen dat de gerechtelijke procedure in kwestie bijgevolg niet bedoeld lijkt om de politieke activiteiten van Tomasz Buczek als lid van het Europees Parlement en dus de onafhankelijkheid van het Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>.</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Tomasz Buczek op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van Polen en aan Tomasz Buczek.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>