<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0108</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Diana Iovanovici Şoşoacă</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0117/2026 - Rapporteur: Dominik Tarczyński)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Diana Iovanovici Şoşoacă (2025/2196(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Diana Iovanovici Şoşoacăr 2025, dat bij brief van 24 september 2025 door de minister van Justitie van Roemenië op verzoek van het openbaar ministerie bij de hoogste rechterlijke instantie (<STRING ITALIC="on">Înaltă Curte de Casație și</STRING> Justiție) van Roemenië werd ingediend in verband met een tegen Diana Iovanovici Şoşoacă ingestelde strafrechtelijke procedure, en van de ontvangst waarvan op 9 oktober 2025 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Diana Iovanovici Şoşoacă op 24 maart 2026 te hebben gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 72, leden 1 en 2, van de Roemeense grondwet,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0117/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de Roemeense minister van Justitie bij brief d.d. 24 september 2025 een verzoek heeft doorgezonden van het openbaar ministerie bij de hoogste rechterlijke instantie (<STRING ITALIC="on">Înaltă Curte de Casație și Justiție</STRING>) van Roemenië tot opheffing van de immuniteit van Diana Iovanovici Şoşoacă, een in Roemenië verkozen lid van het Europees Parlement, in verband met een strafrechtelijke procedure met betrekking tot verschillende strafbare feiten die op verschillende data tussen 10 december 2021 en 11 februari 2025 zouden zijn gepleegd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat, volgens het verzoek, drie personen een klacht hebben ingediend die inhield dat Diana Iovanovici Șoșoacă en anderen de klagers en een vierde persoon op 10 december 2021 gedurende ongeveer 20 minuten tussen 15.40 uur en 16.00 uur van hun vrijheid zouden hebben beroofd in een appartement in Boekarest; overwegende dat de vermeende handelingen een strafbaar feit vormen in de zin van artikel 205, lid 1, van het Roemeense wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat volgens het verzoek het Nationaal Instituut “Elie Wiesel” voor de studie van de Holocaust in Roemenië op 28 februari 2024 de gerechtelijke autoriteiten ervan in kennis heeft gesteld dat op 19 februari 2024 op de officiële website van de partij SOS România een persbericht van die partij zou zijn gepubliceerd, ondertekend door Diana Iovanovici Șoșoacă als voorzitter van dezelfde partij, waarin zij een persoon zou hebben verheerlijkt die is veroordeeld als oorlogsmisdadiger op grond van de Roemeense wet nr. 312/1945 inzake de vervolging en bestraffing van personen die schuldig zijn aan het leiden van het land naar de ondergang of aan oorlogsmisdaden; overwegende dat de vermeende handeling een strafbaar feit vormt in de zin van artikel 5 van Spoedverordening nr. 31/2002 van de regering van Roemenië;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het Centrum voor de monitoring en bestrijding van antisemitisme in Roemenië volgens het verzoek op 27 mei 2024 heeft gemeld dat Diana Iovanovici Șoșoacă op 13 mei en 14 mei 2024, terwijl zij zich in de gebouwen van het Roemeense Parlement bevond, openbare uitspraken heeft gedaan, onder meer via haar openbare Facebookaccount, waarin zij Joden collectief beschuldigde van historische misdaden tegen de Roemeense bevolking; overwegende dat de vermeende handeling een strafbaar feit vormt op grond van artikel 3 van Wet nr. 157/2018 van Roemenië betreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van antisemitisme;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat Diana Iovanovici Șoșoacă volgens het verzoek op 14 mei 2024, terwijl zij zich in de gebouwen van het Roemeense parlement bevond om een gezamenlijke zitting van de Roemeense Kamer van Afgevaardigden en Senaat bij te wonen, naar verluidt uitspraken heeft gedaan waarin Joden collectief werden beschuldigd van historische misdaden tegen de Roemeense bevolking; overwegende dat de vermeende handelingen een strafbaar feit vormen in de zin van artikel 6, lid 1, van Spoedverordening nr. 31/2002 van de regering van Roemenië;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat Diana Iovanovici Șoșoacă volgens het verzoek op 5 en 6 oktober 2024 online verschillende openbare uitspraken zou hebben gedaan waarin bepaalde personen en bewegingen die naar Roemeens nationaal recht worden geacht oorlogsmisdaden te hebben gepleegd of eraan te hebben deelgenomen, worden verheerlijkt, en Joden collectief worden beschuldigd van historische en religieuze misdaden; overwegende dat de vermeende handelingen een strafbaar feit vormen in de zin van artikel 5 van Spoedverordening nr. 31/2002 van de regering van Roemenië;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat Diana Iovanovici Șoșoacă volgens het verzoek op 1 december 2024 een persoon die op grond van het Roemeense nationale recht is veroordeeld voor oorlogsmisdaden publiekelijk zou hebben verheerlijkt door online uitspraken te doen en door publiekelijk legionaristische (verband houdend met de Roemeense fascistische beweging Mișcarea Legionară die actief was in de jaren 30), racistische en xenofobe ideeën met betrekking tot de Joodse gemeenschap te promoten; overwegende dat de vermeende handelingen een strafbaar feit vormen in de zin van artikel 5 van Spoedverordening nr. 31/2002 van de regering van Roemenië;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat Diana Iovanovici Șoșoacă volgens het verzoek op 15 december 2024 rechtstreeks zou hebben gedreigd met het plegen van gewelddaden tegen twee politieagenten bij de uitvoering van hun taken in verband met een eerder opgelegde administratieve boete; overwegende dat de vermeende handelingen een strafbaar feit vormen uit hoofde van artikel 257, leden 1 en 4, van het Roemeense wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat volgens het verzoek het Instituut voor onderzoek naar communistische misdrijven en de herinnering aan de Roemeense ballingschap, een overheidsorganisatie, de gerechtelijke autoriteiten op 25 februari 2025 ervan in kennis heeft gesteld dat Diana Iovanovici Șoșoacă op 11 februari 2025 een toespraak heeft gehouden in de plenaire vergadering van het Europees Parlement waarin zij haar collega’s naar verluidt heeft aanbevolen strategieën voor buitenlands beleid te ontwikkelen naar het voorbeeld van Nicolae Ceaușescu, die op grond van een arrest van 25 december 1989 van het territoriale militaire tribunaal van Boekarest is veroordeeld voor genocide; overwegende dat de vermeende handelingen een strafbaar feit vormen in de zin van artikel 5 van Spoedverordening nr. 31/2002 van de regering van Roemenië;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat Diana Iovanovici Șoșoacă bij de Europese verkiezingen van juni 2024 is verkozen tot lid van het Europees Parlement en derhalve geen lid van het Europees Parlement was op het moment van de in het verzoek vermelde acties die zouden zijn begaan op 10 december 2021, 19 februari 2024 en 13 en 14 mei 2024; overwegende dat Diana Iovanovici Șoșoacă ten tijde van de in het verzoek vermelde acties die zouden zijn begaan op 5 en 6 oktober 2024, 1 december 2024, 15 december 2024 en 11 februari 2025 lid van het Europees Parlement was; overwegende dat, afgezien van de klachten of strafrechtelijke procedures tegen Diana Iovanovici Șoșoacă met betrekking tot de vermeende acties van 10 december 2021 en 19 februari 2024, alle andere strafrechtelijke procedures zijn ingeleid na haar verkiezing tot lid van het Europees Parlement;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat in artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie wordt bepaald dat tegen leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en dat zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben geuit of uitgebracht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat het vermeende strafbare feit van 11 februari 2025 met betrekking tot de vermeende verheerlijking van Nicolae Ceaușescu, die naar Roemeens nationaal recht als oorlogsmisdadiger is veroordeeld, betrekking heeft op een uitspraak die zij tijdens de plenaire vergadering van het Europees Parlement in Straatsburg heeft gedaan in het kader van een debat over de “bredere alomvattende EU-strategie voor het Midden-Oosten”; overwegende dat de desbetreffende uitspraak dus aangemerkt dient te worden als een mening die door Diana Iovanovici Șoșoacă is geuit of als stem die zij heeft uitgebracht in de uitoefening van haar ambt in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat alle andere beweerde strafbare feiten geen mening vormt die Diana Iovanovici Șoșoacă heeft geuit of een stem die zij heeft uitgebracht in de uitoefening van haar ambt in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en dat het verzoek tot opheffing van haar immuniteit geen verband houdt met dergelijke mening of stem;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun lidstaat zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat in artikel 72, leden 1 en 2, van de Roemeense grondwet het volgende wordt bepaald:</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P>“1.	Geen enkele afgevaardigde of senator is gerechtelijk aansprakelijk voor de stemmen die hij heeft uitgebracht of de politieke meningen die hij heeft geuit tijdens de uitoefening van zijn ambt.</P></CONS><CONS><P>2.	Afgevaardigden en senatoren kunnen strafrechtelijk worden vervolgd en gedagvaard voor feiten die geen verband houden met politieke opvattingen of met een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun mandaat. Zij kunnen echter alleen worden gefouilleerd, aangehouden of gearresteerd met toestemming van de kamer waarvan zij deel uitmaken en pas nadat zij zijn gehoord. Uitsluitend het parket van de openbare aanklager bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție kan de strafrechtelijke procedure inleiden en de betrokkene dagvaarden. De Înaltă Curte de Casație și Justiție is bevoegd de zaak in behandeling te nemen.”;</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat de immuniteit waarin Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voorziet, tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat in artikel 5, lid 2, van zijn Reglement wordt bepaald dat de parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis dat wil zeggen dat de gerechtelijke procedure in kwestie bijgevolg niet bedoeld lijkt om de politieke activiteit van Diana Iovanovici Șoșoacă als lid van het Europees Parlement en dus de onafhankelijkheid van het Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Diana Iovanovici Șoșoacă op te heffen met betrekking tot de vermeende strafbare feiten die zijn bedoeld in de overwegingen B, C, D, E, F, G en H;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>besluit de immuniteit van Diana Iovanovici Șoșoacă niet op te heffen met betrekking tot het vermeende strafbare feit dat wordt bedoeld in overweging I;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van Roemenië en aan Diana Iovanovici Șoșoacă.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>