<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0110</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Alvise Pérez</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0119/2026 - Rapporteur: Mario Furore)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Alvise Pérez (2025/2222(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Alvise Pérez (Luis Pérez Fernández), dat bij brief van 7 oktober 2025 werd ingediend door het hooggerechtshof van Spanje in verband met een tegen hem aangespannen strafrechtelijke procedure, en waarvan op 22 oktober 2025 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Alvise Pérez op 24 maart 2026 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 71, leden 1 en 2, van de Spaanse grondwet,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0119/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de voorzitter van het hooggerechtshof van Spanje bij brief van 7 oktober 2025 een verzoek tot opheffing van de immuniteit van Alvise Pérez, in Spanje verkozen lid van het Europees Parlement, heeft ingediend omdat deze ervan wordt verdacht in 2024 strafbare feiten te hebben gepleegd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat in het verzoek wordt aangegeven dat de beheerder van het Telegram-kanaal “<STRING ITALIC="on">Alvise Pérez Chat</STRING>” in januari en februari 2024 naar verluidt verklaringen heeft gepubliceerd met de namen van “degenen die verantwoordelijk zijn voor de ideologische vervolging die ‘haatmisdrijven’ wordt genoemd”, waarbij hij met name verwees naar de voor haatmisdrijven bevoegde openbaar aanklager in Valencia; overwegende dat de op dat kanaal gepubliceerde verklaringen leidden tot een onmiddellijke reactie van talrijke volgers van het kanaal, waarbij zij de openbaar aanklager in kwestie meer dan 1 500 berichten stuurden, voornamelijk beledigend van aard; overwegende dat de vermeende gedragingen zouden kunnen worden aangemerkt als intimidatie of stalking, het aanzetten tot geweld tegen een autoriteit of overheidsfunctionaris, dwang en/of het verspreiden van haat via sociale media, overeenkomstig artikel 172 ter en artikel 18, lid 1, van het Spaanse wetboek van strafrecht in samenhang met artikel 553 van het Spaanse wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Alvise Pérez bij de Europese verkiezingen van juni 2024 werd verkozen tot lid van het Europees Parlement en dus ten tijde van de vermeende strafbare feiten lid was van het Europees Parlement;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de vermeende strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Alvise Pérez niet bestaan uit, respectievelijk geen verband houden met, een mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement, tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement, op het grondgebied van hun eigen lidstaat de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging van hun lidstaat worden verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 71, leden 1 en 2, van de Spaanse grondwet het volgende wordt bepaald:</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P>“1)	Afgevaardigden en senatoren genieten onschendbaarheid voor de in de uitoefening van hun taken geuite opvattingen.</P></CONS><CONS><P>2)	Afgevaardigden en senatoren genieten gedurende hun mandaat immuniteit en kunnen slechts worden aangehouden in het geval van ontdekking op heterdaad. Zij kunnen niet in staat van beschuldiging worden gesteld of worden vervolgd zonder voorafgaande toestemming van de desbetreffende parlementaire Kamer.”;</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de immuniteit waarin Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voorziet, tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat in artikel 5, lid 2, van zijn Reglement wordt bepaald dat de parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis en dat de gerechtelijke procedure in kwestie bijgevolg niet bedoeld lijkt om de politieke activiteit van Alvise Pérez als lid van het Europees Parlement en dus de onafhankelijkheid van het Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Alvise Pérez op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk Spanje en aan Alvise Pérez.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>