<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0120</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Belang van op instemming gebaseerde wetgeving inzake verkrachting in de EU</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0047/2026 - Rapporteurs: Evin Incir, Joanna Scheuring-Wielgus)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2026 over het belang van op instemming gebaseerde wetgeving inzake verkrachting in de EU (2025/2040(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 2 en artikel 3, leden 2 en 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de artikelen 8, 10 en 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 83, lid 1, en artikel 82, lid 2, VWEU, die betrekking hebben op de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en politiële en justitiële samenwerking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 83, lid 1, VWEU, op grond waarvan het Parlement en de Raad minimumvoorschriften kunnen vaststellen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, waaronder gendergerelateerd geweld,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 21, dat discriminatie verbiedt, artikel 45, dat het recht op vrij verkeer instelt, en artikel 47, dat het recht op een eerlijk proces instelt,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), dat de EU in 2023 heeft geratificeerd, en met name artikel 36, dat bepaalt dat seksuele handelingen zonder instemming strafbaar moeten worden gesteld, en gezien de monitoringverslagen per land van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 21 en 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin gendergelijkheid wordt aangemerkt als kernwaarde van de Unie die in alle beleidsmaatregelen en programma’s moet worden geïntegreerd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het tweede algemene verslag over de werkzaamheden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, gepubliceerd in april 2021,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Aanbeveling Rec(2002)5 van 30 april 2002 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa inzake de bescherming van vrouwen tegen geweld, waarin de lidstaten van de Raad van Europa worden opgeroepen om seksuele handelingen tegen personen die daar niet mee instemmen, zelfs als zij geen tekenen van verzet vertonen, strafbaar te stellen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn (EU) 2024/1385 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/1385, 24.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1385/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ<FOOTNOTE><FIELD> PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/29/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (richtlijn slachtofferrechten), die voorziet in een kader voor slachtoffergerichte rechtspraak, onder meer in gevallen van seksueel geweld,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie van 6 februari 2024 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en van materiaal van seksueel misbruik van kinderen, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (COM(2024)0060), dat een definitie van een niet-consensuele handeling bevat, en gezien het standpunt van het Parlement van 17 juni 2025 over dit voorstel<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P10_TA(2025)0116.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de resolutie van het Europees Parlement van 16 september 2021 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het aanmerken van gendergerelateerd geweld als een nieuwe vorm van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, VWEU<FOOTNOTE><FIELD> PB C 117 van 11.3.2022, blz. 88.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de EU-strategie voor gendergelijkheid 2020-2025, waarin wordt gepleit voor een betere bescherming tegen gendergerelateerd geweld en voor uitgebreide seksuele voorlichting om leerlingen bewust te maken van het feit dat seksuele handelingen alleen zijn toegestaan bij wederzijdse instemming,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 februari 2023 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld<FOOTNOTE><FIELD> PB C 283 van 11.8.2023, blz. 149.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 december 2003 in de zaak MC tegen Bulgarije (verzoek nr. 39272/98), waarin het EHRM stelde dat staten de positieve verplichting hebben om strafrechtelijke bepalingen vast te stellen om verkrachting doeltreffend te onderzoeken en te bestraffen, verduidelijkte dat het vereisen van bewijs van fysiek verzet het risico inhoudt dat bepaalde soorten verkrachting onbestraft blijven, en oordeelde dat de artikelen 3 en 8 van het EVRM vereisen dat seksuele handelingen zonder instemming, ook als er geen fysiek verzet is, strafbaar wordt gesteld en doeltreffend worden vervolgd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het arrest van het EHRM van 27 mei 2021 in de zaak J.L. tegen Italië (verzoek nr. 5671/16), waarin werd geoordeeld dat het gebruik van stereotypen en het belasteren van slachtoffers tijdens verkrachtingsprocessen een schending vormt van het recht op eerbiediging van het privéleven uit hoofde van artikel 8 van het EVRM,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Yogyakarta-beginselen, aangenomen in november 2006, en de Yogyakarta-beginselen plus 10, aangenomen in november 2017,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de enquêtes en verslagen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), zoals de enquête van 2014 over geweld tegen vrouwen en met name de enquête van 2024 over gendergerelateerd geweld in de EU, waaruit blijkt dat 17,2 % van de vrouwen in de EU-lidstaten te maken heeft gehad met seksueel geweld<FOOTNOTE><FIELD> FRA, EIGE en Eurostat, “EU gender-based violence survey – Key results: Experiences of women in the EU-27”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2024, blz. 14.</FIELD></FOOTNOTE>, en het verslag van 2024 over lhbtiq+-personen in Europa,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van het FRA van 10 juni 2025 getiteld “Verslag over de grondrechten 2025”, en met name Advies 2 van het FRA inzake effectieve bescherming van vrouwelijke slachtoffers van geweld<FOOTNOTE><FIELD> FRA, Verslag over de grondrechten 2025, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2025, blz. 77.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de VN-verklaring van 15 september 1995 (verklaring en actieprogramma van Peking) en de resultaten van de betreffende toetsingsconferenties,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979 en algemene aanbeveling nr. 35 (2017) van het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen over gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, aangenomen op 26 juli 2017,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN en het daarin vastgelegde beginsel dat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten, en gezien met name duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG) 3, 4, 5, 10 en 16,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien mededeling nr. 34/2011 van het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen van 21 februari 2014, waarin er bij de staten op wordt aangedrongen om de wetgeving inzake verkrachting te herzien door de vereisten inzake geweld of bewijs van penetratie te schrappen en het ontbreken van instemming centraal te stellen in het strafbare feit,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, en met name artikel 7, lid 1, punt g), waarin verkrachting en andere vormen van seksueel geweld worden erkend als misdrijven tegen de menselijkheid wanneer zij worden gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval tegen een burgerbevolking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de speciale rapporteur inzake geweld tegen vrouwen en de oorzaken en gevolgen daarvan van 19 april 2021 getiteld “Rape as a grave, systematic and widespread human rights violation, a crime and a manifestation of gender-based violence against women and girls, and its prevention”, dat is voorgelegd aan de 47e zitting van de VN-Mensenrechtenraad, en het bijbehorende kader voor wetgeving inzake verkrachting,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 59 van het Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (A10-0047/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat in het internationaal recht inzake de mensenrechten is bepaald dat seksueel geweld zowel in oorlogs- als in vredestijd strafbaar is; overwegende dat verkrachting in de context van zowel het internationaal humanitair recht als het internationaal strafrecht wordt aangemerkt als een potentiële oorlogsmisdrijf, een misdrijf tegen de menselijkheid of een daad die bijdraagt tot genocide, mits andere vereiste bestanddelen van deze misdrijven aanwezig zijn; overwegende dat deze classificatie is vastgelegd in het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (artikel 8), de Verdragen van Genève van 1949 en de Aanvullende Protocollen; overwegende dat bij de juridische definitie van verkrachting als oorlogsmisdrijf, zoals gehanteerd door het Internationaal Strafhof, het ontbreken van instemming een cruciaal element is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat definities die op het gebruik van geweld als belangrijkste bestanddeel van het misdrijf gebaseerd zijn, volgens het EHRM onvoldoende bescherming bieden aan slachtoffers van seksueel geweld en de effectieve bescherming van de seksuele autonomie van het individu in gevaar brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat verkrachting een schending is van een reeks mensenrechten, waaronder het recht op lichamelijke integriteit, het recht op autonomie en seksuele autonomie, het recht op privacy, het recht op de hoogst haalbare standaard van lichamelijke en geestelijke gezondheid, het recht van vrouwen op gelijkheid voor de wet en het recht om vrij te zijn van geweld, discriminatie, foltering en andere wrede of onmenselijke behandeling; overwegende dat verkrachting het slachtoffer ook het volledige genot van een reeks andere mensenrechten ontzegt, zoals onder andere het recht op leven, waardigheid, lichamelijke en geestelijke integriteit, het recht op vrijheid en persoonlijke veiligheid, het recht op gelijkheid binnen het gezin en voor de wet ongeacht geslacht en genderidentiteit, en het recht om gevrijwaard te blijven van discriminatie, foltering en andere vormen van mishandeling;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat gendergerelateerd geweld nog steeds een van de meest voorkomende en ondergerapporteerde schendingen van de mensenrechten in Europa is en om een Europees antwoord vraagt; overwegende dat het huidige internationale rechtskader inzake mensenrechten verkrachting erkent als zowel een schending van de mensenrechten als een vorm van gendergerelateerd geweld die voornamelijk vrouwen en meisjes treft; overwegende dat verkrachting een van de meest voorkomende en wreedste vormen van gendergerelateerd geweld is, die inbreuk maakt op iemands fysieke, psychologische en seksuele integriteit en lichamelijke autonomie en die ernstige en langdurige gevolgen heeft voor de overlevers;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat gendergerelateerd geweld de deelname van vrouwen en meisjes aan het openbare leven en hun toegang tot de rechter, onderwijs en economische onafhankelijkheid ernstig beperkt, en daarom een structurele belemmering vormt voor het bereiken van echte gendergelijkheid; overwegende dat slachtoffers van verkrachting ernstige en langdurige gevolgen ondervinden, waaronder sociale en economische gevolgen, zoals verlies van werk, financiële afhankelijkheid, onstabiele huisvesting en verminderde deelname aan onderwijs of werk, die de effecten van geweld verergeren en genderongelijkheid bestendigen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat volgens het FRA en het EIGE 17,2 % van de vrouwen in de EU te maken heeft gehad met seksueel geweld, waaronder verkrachting en andere ongewenste seksuele handelingen, en dat 1 op de 20 vrouwen sinds de leeftijd van 15 jaar met geweld is verkracht<FOOTNOTE><FIELD> FRA en EIGE, “Violence against women: an EU-wide survey – Results at a glance”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2014, blz. 20.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat het geweld tegen lhbtiq+-personen volgens het FRA de afgelopen jaren is toegenomen, en dat transvrouwen onevenredig vaak te maken hebben met fysiek en seksueel geweld; overwegende dat ook lhbtiq+-personen het slachtoffer zijn van seksueel geweld vanwege hun gender, genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken; overwegende dat de jaarlijkse kosten van gendergerelateerd geweld in de EU worden geraamd op 366 miljard EUR;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de grensoverschrijdende dimensie van het misdrijf verkrachting een bijzondere noodzaak met zich meebrengt om verkrachting binnen de EU op een gemeenschappelijke basis te bestrijden, teneinde in alle lidstaten een consistentere bescherming en gelijke toegang tot de rechter voor slachtoffers te waarborgen, met een aantal essentiële elementen: de noodzaak om voor alle vrouwen in alle lidstaten een minimumniveau van bescherming te waarborgen, de noodzaak om een minimumniveau van bescherming te waarborgen voor vrouwen die hun recht van vrij verkeer in de Unie uitoefenen, aangezien het ontbreken van een geharmoniseerde definitie van verkrachting de rechtszekerheid en de toegang tot de rechter voor slachtoffers ondermijnt en aldus een belemmering voor het vrije verkeer kan vormen, en de noodzaak en verplichting om het EU-recht in overeenstemming te brengen met internationale normen zoals het Verdrag van Istanbul, waarin wordt bepaald dat er sprake is van verkrachting, en dus strafbaarheid, als een seksuele handeling plaatsvindt zonder instemming;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat het huidige juridische landschap in de EU nog steeds gefragmenteerd is, met een verscheidenheid aan rechterlijke interpretaties en uiteenlopende definities van verkrachting die niet altijd beantwoorden aan de internationale mensenrechtennormen of de vereisten van het Verdrag van Istanbul inzake instemming; overwegende dat het ontbreken van geharmoniseerde wettelijke definities in de lidstaten de rechten van slachtoffers ondermijnt, grensoverschrijdende samenwerking belemmert en bijdraagt tot straffeloosheid voor daders en een gebrek aan bewustzijn van wat een daad van seksueel geweld is; overwegende dat verscheidene lidstaten verkrachting nog steeds definiëren op basis van het gebruik van geweld of bedreiging, waardoor veel slachtoffers worden uitgesloten van rechtsbescherming; overwegende dat dit de dringende noodzaak onderstreept van een EU-brede, op instemming gebaseerde definitie van verkrachting; overwegende dat de invoering van een gemeenschappelijke juridische definitie van verkrachting op basis van het ontbreken van instemming de politiële en justitiële samenwerking zou helpen verbeteren en de verzameling en vergelijkbaarheid van gegevens over verkrachting in de Unie zou helpen vergemakkelijken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat alle lidstaten het Verdrag van Istanbul hebben ondertekend, maar dat vijf lidstaten het nog moeten ratificeren<FOOTNOTE><FIELD> Bulgarije, Hongarije, Litouwen, Slowakije en Tsjechië.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat slechts twee daarvan hun wetgeving onlangs hebben hervormd om instemming een centrale rol te geven in de definitie van het misdrijf verkrachting<FOOTNOTE><FIELD> Bulgarije en Tsjechië.</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Istanbul 16 lidstaten hun wetgeving hebben gewijzigd om het begrip instemming als bestanddeel van het misdrijf verkrachting op te nemen of explicieter te maken; overwegende dat de EU in 2023 tot het verdrag is toegetreden voor gebieden die onder haar exclusieve bevoegdheid vallen; overwegende dat de bepaling van het Verdrag van Istanbul inzake een op instemming gebaseerde definitie van verkrachting een keerpunt is geweest voor juridische hervormingen waarbij wordt afgestapt van de traditionele benadering die gebaseerd is op de definitie van verkrachting met de veronderstelling dat er sprake is van geweld; overwegende dat het FRA in zijn verslag over de grondrechten 2025 stelt dat de lidstaten die het Verdrag van Istanbul hebben geratificeerd, seksueel geweld strafbaar moeten stellen aan de hand van op instemming gebaseerde definities van verkrachting en andere vormen van seksueel geweld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het EHRM een centrale rol heeft gespeeld bij het vormgeven van het moderne begrip van verkrachting in het kader van het mensenrechtenrecht, met name door zijn baanbrekende arrest van 2003 in de zaak M.C. tegen Bulgarije, waarin het staten de positieve verplichting oplegde om strafrechtelijke bepalingen vast te stellen om verkrachting doeltreffend te onderzoeken en te bestraffen, oordeelde dat het vereisen van bewijs van fysiek verzet van het slachtoffer het risico inhoudt dat bepaalde vormen van verkrachting ongestraft blijven en de seksuele autonomie niet beschermt, zoals vereist op grond van de artikelen 3 en 8 EVRM, en stelde dat deze artikelen vereisen dat seksuele handelingen zonder instemming strafbaar worden gesteld en doeltreffend worden vervolgd, ook wanneer er geen sprake is van fysiek verzet; overwegende dat het EHRM in latere arresten, zoals die in de zaken J.L. tegen Italië (2021) en X tegen Cyprus (2025)<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 februari 2025, X tegen Cyprus, verzoek nr. 40733/22.</FIELD></FOOTNOTE>, het gebruik van argumenten waarbij de schuld bij het slachtoffer wordt gelegd en van stereotypen in gerechtelijke procedures heeft gelaakt en heeft geoordeeld dat dergelijke praktijken een schending vormen van het recht op eerbiediging van het privéleven uit hoofde van artikel 8 van het EVRM, vooroordelen in stand houden en de toegang tot de rechter voor overlevers van seksueel geweld belemmeren; overwegende dat het EHRM in zijn arrest in de zaak H.W. tegen Frankrijk<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 23 januari 2025, H.W. tegen Frankrijk, verzoek nr. 13805/21.</FIELD></FOOTNOTE> heeft geoordeeld dat een seksuele handeling zonder instemming een vorm van seksueel geweld vormt; overwegende dat het EHRM in zijn arrest in de zaak de zaak L. e.a. tegen Frankrijk<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 april 2025, L. e.a. tegen Frankrijk, verzoeken nrs. 46949/21, 24989/22 en 39759/22.</FIELD></FOOTNOTE> de artikelen 3 en 8 van het EVRM aldus heeft uitgelegd dat partijen bij het EVRM over strafrechtelijke stelsels moeten beschikken waarmee seksuele handelingen zonder instemming kunnen worden bestraft;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het VN-handboek voor wetgeving inzake geweld tegen vrouwen stelt dat wetgeving ook moet voorzien in verzwarende omstandigheden, waaronder bijvoorbeeld de leeftijd van de overlever, de relatie tussen de overlever en de dader, het gebruik van of de dreiging met fysiek geweld, de aanwezigheid van meerdere daders en ernstige fysieke of geestelijke gevolgen van de aanval voor het slachtoffer; overwegende dat het handboek voorts stelt dat seksueel geweld binnen een relatie (d.w.z. verkrachting tussen echtgenoten) specifiek strafbaar moet worden gesteld, hetzij door te bepalen dat bepalingen betreffende seksueel geweld van toepassing zijn “ongeacht de aard van de relatie” tussen de dader en de klager, hetzij door te bepalen dat “een huwelijk of andere relatie geen verweer vormt tegen een aanklacht wegens seksueel geweld op grond van de wetgeving”;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat het Parlement op 16 september 2021 een resolutie heeft aangenomen om gendergerelateerd geweld aan te merken als een nieuwe vorm van criminaliteit als bedoeld in artikel 83, lid 1, VWEU; overwegende dat de lidstaten in die resolutie wordt gevraagd de definitie van “verkrachting” in hun nationale wetgeving aan te passen zodat deze is gebaseerd op het ontbreken van instemming, en dat erin wordt benadrukt dat gendergerelateerd geweld een ernstige schending van de mensenrechten en de menselijke waardigheid is en dat verkrachting een vorm van gendergerelateerd geweld is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat artikel 83 VWEU de toepasselijke rechtsgrondslag dient te zijn voor wetgevingsvoorstellen inzake het misdrijf verkrachting, aangezien verkrachting aan te merken is als bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie en onder het misdrijf “seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen” valt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat de term “seksuele uitbuiting” in artikel 83, lid 1, VWEU niet uitsluitend mensenhandel omvat, aangezien een dergelijke enge interpretatie “mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen” ten onrechte zou beperken tot mensenhandel; overwegende dat uit de bewoordingen en de wetgevingspraktijk, met inbegrip van de richtlijn inzake seksueel misbruik van kinderen<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2011/93/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, blijkt dat “seksuele uitbuiting” een breder scala aan strafbare feiten omvat, waaronder seksueel misbruik; overwegende dat seksuele uitbuiting doorgaans verwijst naar het onrechtmatig gebruikmaken van een andere persoon voor seksuele doeleinden, waarbij het slachtoffer kwetsbaar is, hetgeen een centraal element vormt van het misdrijf verkrachting;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat in artikel 36 van het Verdrag van Istanbul is bepaald dat het plegen van seksuele handelingen zonder instemming strafbaar moet worden gesteld en dat “de instemming [...] vrijwillig [dient] te zijn gegeven en [dient] voort te vloeien uit de vrije wil van de betrokken persoon, hetgeen wordt vastgesteld in het licht van de omstandigheden”; overwegende dat dit beginsel in overeenstemming is met de arresten van het EHRM en met nationale jurisprudentie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat instemming een vrijwillige toestemming is om een bepaalde seksuele handeling te verrichten en te allen tijde kan worden ingetrokken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat veel lidstaten<FOOTNOTE><FIELD> België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Kroatië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Spanje en Zweden.</FIELD></FOOTNOTE> en een aantal andere Europese landen<FOOTNOTE><FIELD> IJsland, Noorwegen, Montenegro, Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk.</FIELD></FOOTNOTE> reeds op instemming gebaseerde definities van verkrachting in hun wetboek van strafrecht hebben opgenomen, wat heeft geleid tot een efficiëntere preventie, aangifte en vervolging van seksueel misbruik en tot meer bewustmaking bij het publiek;</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat het Parlement in zijn standpunt en zijn mandaat inzake de richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld sterk vóór het opnemen van een op instemming gebaseerde definitie van het misdrijf verkrachting in de tekst, zoals voorgesteld door de Commissie, was; overwegende dat de Raad helaas van mening was dat de strafbaarstelling van verkrachting niet in die richtlijn diende te worden opgenomen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat in het voorstel van de Commissie voor een richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld werd voorgesteld om verkrachting strafbaar te stellen op basis van de erkenning dat “seksuele uitbuiting van vrouwen” ook verkrachting omvat; overwegende dat deze interpretatie in overeenstemming is met het streven naar gelijkheid van vrouwen en mannen, zoals verankerd in de Verdragen; overwegende dat artikel 83, lid 1, VWEU daarom een passende rechtsgrondslag is voor de vaststelling van minimumvoorschriften van de EU voor de definitie van verkrachting;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat overlevers van verkrachting vaak wordt gevraagd waarom zij zich niet tegen het seksueel geweld hebben verzet, en dat daders vaak beweren dat het feit dat het slachtoffer zich niet heeft verzet, wijst op passieve instemming; overwegende dat uit een Zweeds onderzoek blijkt dat 70 % van de slachtoffers van seksueel geweld melding maakte van aanzienlijke tonische immobiliteit, ook wel “freeze-reactie” genoemd; overwegende dat een reactie die “freeze-reactie” of “tonische immobiliteit” wordt genoemd, in plaats van actief fysiek verzet tegen de dader, de meest voorkomende reactie is bij overlevers van verkrachting; overwegende dat zich niet verzetten of “bevriezen” een veel voorkomende onwillekeurige reactie en een overlevingsreflex bij bedreiging is die kan resulteren in immobiliteit (starre houding, verlies van spierspanning, onvermogen om vrijwillige handelingen te verrichten) en dissociatie, waarbij iemands bewustzijn wordt losgekoppeld van verontrustende en pijnlijke gewaarwordingen en emoties die in het lichaam opkomen, en waarbij het slachtoffer zich niet meer in staat voelt te handelen; overwegende dat deze realiteit niet kan worden genegeerd als het erom gaat overlevers van verkrachting toegang tot de rechter te garanderen en een rechtskader en een maatschappelijk klimaat te bevorderen waarin verkrachting niet langer wordt getolereerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat factoren zoals dwang, geweld, bedreigingen, financiële en psychologische afhankelijkheid, lichamelijke of geestelijke aandoeningen — zoals tonische immobiliteit, bevriezing, verrassing, een staat van angst, intimidatie, bewusteloosheid, intoxicatie, bedwelming, slaap, ziekte, lichamelijk letsel, een handicap of andere aandoeningen, of een andere situatie van bijzondere kwetsbaarheid — of structurele en intersectionele discriminatie kwetsbaarheid en gevaar kunnen veroorzaken en vrije instemming kunnen verhinderen, wat bij verkrachting een belangrijke rol speelt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat trauma’s als gevolg van seksueel geweld gevolgen kunnen hebben voor het functioneren van het geheugen, wat kan leiden tot gefragmenteerde of ontbrekende herinneringen aan de gebeurtenissen en vervormingen in de tijdsvolgorde, waardoor het moeilijk is om te onthouden in welke volgorde de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden; overwegende dat trauma als gevolg van verkrachting in verband wordt gebracht met posttraumatische stressstoornis en andere ernstige psychische symptomen, zoals verminderde concentratie, angst, paniekaanvallen, ernstige depressie, flashbacks en nachtmerries;</P></CONS><CONS><P><NO.P>W.</NO.P>overwegende dat het vasthouden aan materiële bewijzen van verzet, bedreigingen of geweld schadelijke mythes over verkrachting en stereotypen over hoe slachtoffers geacht worden zich te gedragen in stand houdt, wat bijdraagt tot secundaire victimisatie, met name in gevallen waarin slachtoffers niet voldoen aan de maatschappelijk geconstrueerde verwachtingen ten aanzien van trauma, verzet of zichtbaar letsel; overwegende dat deze praktijken bijdragen tot wantrouwen in de wetshandhavings- en rechtssystemen, wat leidt tot een laag percentage aangifte door de slachtoffers en straffeloosheid voor de daders;</P></CONS><CONS><P><NO.P>X.</NO.P>overwegende dat seksuele autonomie en lichamelijke integriteit onschendbare rechten zijn en dat op instemming gebaseerde verkrachtingswetgeving tot doel heeft die beter te beschermen; overwegende dat overstappen op een op instemming gebaseerd model voor verkrachtingswetgeving van cruciaal belang is om te erkennen dat er in situaties waarin er geen sprake is van fysiek geweld toch sprake kan zijn van schending van de seksuele autonomie en integriteit, bijvoorbeeld als er sprake is van dwangdynamiek of machtsmisbruik;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Y.</NO.P>overwegende dat het benadrukken van het belang van seksuele autonomie tot doel heeft gendergelijkheid en in het bijzonder de verwezenlijking van de rechten van vrouwen en meisjes te bevorderen; overwegende dat op instemming gebaseerde verkrachtingswetgeving met name het recht van vrouwen benadrukt om over zichzelf en hun eigen lichaam te beslissen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Z.</NO.P>overwegende dat instemming een centraal onderdeel van wetgeving inzake verkrachting moet zijn; overwegende dat op instemming gebaseerde verkrachtingswetgeving nodig is voor een doeltreffendere aanpak van situaties waarin de seksuele handeling zo plotseling begint dat slachtoffers niet de kans hebben om hun wil kenbaar te maken of zich te verdedigen voordat de handeling begint; overwegende dat op instemming gebaseerde verkrachtingswetgeving ook van essentieel belang is om beter om te gaan met situaties waarin het slachtoffer zich uit angst niet tegen de daad kan verzetten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AA.</NO.P>overwegende dat is aangetoond dat de meeste verkrachtingen worden gepleegd door bekenden of intieme partners en binnenshuis plaatsvinden, maar dat slachtoffers in dergelijke gevallen binnen het strafrechtsysteem vaak met argwaan en ongeloof worden bejegend, met name in rechtsgebieden waar nog steeds verouderde bewijsvereisten gelden, waardoor de mythe in stand wordt gehouden dat verkrachtingen doorgaans worden gepleegd door vreemden in openbare ruimten en dat slachtoffers verkrachting uitlokken of verzinnen; overwegende dat dergelijke mythes verder worden versterkt door gebrekkige berichtgeving in de media, het publieke discours en een gebrek aan bewustzijn bij het publiek;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AB.</NO.P>overwegende dat gangbare mythes en opvattingen over verkrachting en aanranding het definiëren van het misdrijf verkrachting bemoeilijken en ook een bedreiging vormen voor het welzijn van overlevers, hun aangiftebereidheid en hun bescherming tegen secundaire victimisatie, en vervolging en toegang tot de rechter belemmeren; overwegende dat deze gangbare opvattingen en mythes behoren tot de factoren die de straffeloosheid rond verkrachting in stand helpen te houden en de ontwikkeling van passende wetgeving in de weg staan;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AC.</NO.P>overwegende dat de omvang van seksueel geweld nog steeds sterk wordt onderschat en gebagatelliseerd, aangezien de overgrote meerderheid van de seksuele misdrijven niet ruchtbaar wordt gemaakt; overwegende dat veel aangegeven verkrachtingen nooit tot vervolging leiden, en dat de overgrote meerderheid van de vervolgingen wegens verkrachting niet in een veroordeling resulteert; overwegende dat dit het gebrek aan vertrouwen van vrouwen in het systeem nog groter maakt, leidt tot lage aangiftecijfers en een maatschappelijk gevoel van straffeloosheid in stand houdt, wat resulteert in de normalisering van seksueel geweld, met inbegrip van verkrachting; overwegende dat de wijdverbreide straffeloosheid bij verkrachting bijdraagt tot het gangbare geheel van opvattingen en sociale normen dat seksuele agressie door mannen aanmoedigt en geweld tegen vrouwen in de hand werkt, waardoor een klimaat ontstaat waarin seksueel geweld wordt genormaliseerd en gerechtvaardigd door aanhoudende genderongelijkheid en schadelijke attitudes ten aanzien van gender en seksualiteit; overwegende dat het onaanvaardbaar is dat er geen gevolgen verbonden zijn aan het plegen van verkrachting zonder fysiek geweld; overwegende dat een consequente vervolging van alle vormen van verkrachting essentieel is om het vertrouwen van het publiek in het rechtssysteem te behouden en van groot belang is om seksueel geweld te voorkomen; overwegende dat op instemming gebaseerde verkrachtingswetgeving van cruciaal belang is om de attitudes ten aanzien van seksuele misdrijven zowel te weerspiegelen als te doen veranderen en om in de hele EU aan bewustmaking te doen, en zo uiteindelijk het aantal seksuele misdrijven te verminderen; overwegende dat op instemming gebaseerde wetgeving een paradigmaverschuiving teweeg kan brengen in de richting van de noodzaak van instemming in plaats van het ontbreken van duidelijk verzet tegen een seksuele handeling;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AD.</NO.P>overwegende dat in het toelichtend verslag bij het Verdrag van Istanbul met betrekking tot artikel 36, lid 2, van het Verdrag wordt verduidelijkt dat vervolging van seksueel geweld, waaronder verkrachting, een contextgevoelige beoordeling van het bewijsmateriaal vereist om per geval vast te stellen of het slachtoffer uit vrije wil heeft ingestemd met de seksuele handeling; overwegende dat bij een dergelijke beoordeling rekening moet worden gehouden met het brede scala aan gedragsreacties van slachtoffers op seksueel geweld en verkrachting en niet mag worden uitgegaan van veronderstellingen over typisch gedrag in dergelijke situaties; overwegende dat het ook belangrijk is ervoor te zorgen dat de interpretatie van verkrachtingswetgeving en de vervolging in verkrachtingszaken niet worden beïnvloed door genderstereotypen en mythes over mannelijke en vrouwelijke seksualiteit;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AE.</NO.P>overwegende dat het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen er in zijn mededeling nr. 34/2011 bij de staten op aandringt om de wetgeving inzake verkrachting te herzien door de vereisten inzake geweld of bewijs van penetratie te schrappen en het ontbreken van instemming centraal te stellen in het strafbare feit, en dat het er in zijn algemene aanbeveling nr. 35 (2017) bij de staten op aandringt om gendergerelateerd geweld als een vorm van discriminatie te erkennen en wettelijke hervormingen door te voeren opdat dergelijk geweld wordt uitgebannen, onder meer door seksuele handelingen zonder instemming strafbaar te stellen en de toegang tot de rechter en diensten voor alle vrouwen en meisjes te ondersteunen, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes die te maken hebben met intersectionele vormen van discriminatie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AF.</NO.P>overwegende dat gendergelijkheid en non-discriminatie kernwaarden van de EU, grondrechten en kernbeginselen van de Europese pijler van sociale rechten en essentiële voorwaarden voor vooruitgang zijn; overwegende dat discriminatie op grond van geslacht, gender en andere gronden verboden is krachtens artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AG.</NO.P>overwegende dat intersectionaliteit een belangrijk leidend beginsel is dat in het EU-recht is verankerd; overwegende dat vrouwen ongelijkheden en discriminatie ondervinden op het snijvlak van onder andere hun ras, etnische of sociale achtergrond, seksuele gerichtheid, genderidentiteit en genderexpressie, godsdienst of overtuiging, verblijfsstatus en handicap; overwegende dat gendergerelateerd seksueel geweld een van de belangrijkste kwesties op het gebied van gendergelijkheid is en dat op het gebied van gendergelijkheid slechts echte vooruitgang kan worden geboekt als er een intersectionele aanpak wordt gevolgd; overwegende dat een intersectionele benadering het mogelijk maakt structurele belemmeringen voor gendergelijkheid aan te pakken en bewijsmateriaal te verzamelen om benchmarks vast te stellen en een koers uit te stippelen met het oog op strategisch en doeltreffend beleid ter bestrijding van systemische discriminatie, uitsluiting en sociale ongelijkheden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AH.</NO.P>overwegende dat instemming, gezien het structurele karakter van genderongelijkheid en gendergerelateerd geweld, zou kunnen worden gegeven onder omstandigheden van dwang of sociale druk, wat de noodzaak onderstreept van een benadering die niet alleen rekening houdt met individuele autonomie, maar ook met sociale machtsdynamiek, gendernormen en de ongelijke verdeling van handelingsmogelijkheid tussen mannen en vrouwen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AI.</NO.P>overwegende dat gendergerelateerd geweld, waaronder seksueel geweld, zowel een oorzaak als een gevolg is van de structurele ongelijkheden en machtsasymmetrieën die geworteld zijn in genderstereotypen en sociale normen; overwegende dat het aanpakken van dergelijk geweld vereist dat deze normen ter discussie worden gesteld en dat er uitgebreide juridische, sociale en educatieve hervormingen worden doorgevoerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AJ.</NO.P>overwegende dat diepgewortelde genderstereotypen met betrekking tot de seksualiteit en moraliteit van vrouwen bijdraagt tot het gangbare geheel van opvattingen en sociale normen dat seksuele agressie door mannen aanmoedigt en geweld tegen vrouwen in de hand werkt, waardoor een klimaat ontstaat waarin seksueel geweld wordt genormaliseerd en gerechtvaardigd door aanhoudende genderongelijkheid en schadelijke attitudes ten aanzien van gender en seksualiteit; overwegende dat dit leidt tot stigmatisering en discriminerende behandeling van bepaalde vrouwen en andere personen omdat zij gendergerelateerde sociale en seksuele normen overschrijden of zich niet conformeren met genderrollen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AK.</NO.P>overwegende dat verkrachting, met inbegrip van elementen die mogelijk aan het misdrijf voorafgaan, zoals grooming en onlineoplichting, in een grensoverschrijdende context kan plaatsvinden; overwegende dat geweld tegen vrouwen en meisjes zowel in online- als fysieke ruimten voorkomt, en seksueel geweld, intimidatie, het zonder toestemming delen van intieme beelden en dwingende controle omvat die door technologie mogelijk wordt gemaakt; overwegende dat dergelijke vormen van misbruik onevenredig vaak vrouwen en gemarginaliseerde groepen treffen en in veel nationale kaders onvoldoende aan bod komen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AL.</NO.P>overwegende dat slachtoffers van verkrachting behoefte hebben aan onmiddellijke, multidisciplinaire, toegankelijke en omvattende medische zorg, klinische behandeling van verkrachting, seksuele en reproductieve gezondheidszorg, inclusief noodanticonceptie, profylaxe na blootstelling, behandeling van seksueel overdraagbare infecties, toegang tot veilige en legale abortus en traumazorg, en dat zij ook de mogelijkheid moeten hebben om langdurig te worden ondersteund, bijvoorbeeld door een psycholoog; overwegende dat in sommige lidstaten geen toegang wordt geboden tot bepaalde essentiële gezondheidszorgdiensten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AM.</NO.P>overwegende dat een verkrachtingscultuur wordt gedefinieerd als een structureel en wijdverbreid systeem van houdingen, gedragingen, waarden en sociale normen die seksueel geweld normaliseren en bagatelliseren, instemming ondermijnen, verkrachtingsmythen in stand houden en de maatschappelijke normalisering van dergelijk geweld bevorderen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AN.</NO.P>overwegende dat de hoge prevalentie van secundaire victimisatie aantoont dat niet alleen rechtsstelsels, maar ook verouderde wetten die niet op instemming zijn gebaseerd, ernstig tekortschieten als het erom gaat overlevers toegang tot de rechter te bieden<FOOTNOTE><FIELD> Raad van Europa, “Case of L. and Others v. France: criminal-law system inadequate for the punishment of all non-consensual sexual acts, exposing rape victim to secondary victimisation”, nieuwsartikel, Raad van Europa, Straatsburg, Frankrijk, 24 april 2025.</FIELD></FOOTNOTE>, zoals blijkt uit het lage percentage aangifte door slachtoffers, het gebrek aan hulp die aan hun behoeften beantwoordt, de beschikbaarheid van toegankelijke procedures en de lage veroordelingspercentages in verkrachtingszaken, hetgeen wijst op systematische tekortkomingen in de manier waarop wetshandhavingsinstanties en rechtsstelsels omgaan met verkrachtingszaken, wat op zijn beurt leidt tot een wijdverbreid maatschappelijk gevoel van straffeloosheid voor het misdrijf verkrachting en ernstig afbreuk doet aan gendergelijkheid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AO.</NO.P>overwegende dat sprake is van secundaire victimisatie wanneer slachtoffers verdere schade lijden, niet als rechtstreeks gevolg van het misdrijf verkrachting, maar als gevolg van de wijze waarop instellingen en andere personen met hen omgaan; overwegende dat secundaire victimisatie wordt veroorzaakt door herhaalde blootstelling van het slachtoffer aan de dader, door ongevoelige behandeling, zoals herhaalde ondervraging over dezelfde feiten, door een attitude waarbij het slachtoffer wordt de schuld krijgt, door ongepast taalgebruik of ongevoelige opmerkingen van mensen die met slachtoffers in contact komen, door medische ingrepen en door – vaak lange – gerechtelijke procedures en andere institutionele processen; overwegende dat secundaire victimisatie de rechten van slachtoffers ondermijnt, hun toegang tot de rechter belemmert en hun trauma in stand houdt, onder meer door posttraumatische stressstoornissen, depressies en angst te veroorzaken, waardoor hun herstel wordt belemmerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AP.</NO.P>overwegende dat verkrachting traumatisch is en langdurige gevolgen heeft voor de lichamelijke en psychologische gezondheid, de veiligheid, de lichamelijke integriteit, het welzijn en het sociale leven van slachtoffers, en dat politie en justitie daarom moeten beschikken over goed opgeleid en gespecialiseerd personeel dat een gecoördineerde, gender- en traumabewuste respons kan bieden om met verkrachtingszaken om te gaan en secundaire victimisatie te voorkomen; overwegende dat rechtsbeoefenaars en wetshandhavers in de verschillende lidstaten een uiteenlopende en ontoereikende opleiding krijgen; overwegende dat de effectieve toepassing van op instemming gebaseerde definities van verkrachting in de wetgeving afhangt van het vermogen van politieagenten, aanklagers en rechters om deze bepalingen correct te interpreteren en toe te passen en er zo voor te zorgen dat de nadruk blijft liggen op het ontbreken van vrijwillige instemming in plaats van op bewijs van verzet of fysiek geweld; overwegende dat het bij de slachtoffers leggen van de bewijslast om aan te tonen dat er geen sprake was van instemming, schadelijke stereotypen over verkrachting versterkt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AQ.</NO.P>overwegende dat omvattende, op instemming gebaseerde seksuele en relationele voorlichting van essentieel belang is om verkeerde informatie en mythes over verkrachting en seksualiteit tegen te gaan, gendernormen aan de kaak te stellen en alle vormen van gendergerelateerd geweld, waaronder verkrachting, te voorkomen; overwegende dat het voor preventie-inspanningen van cruciaal belang is om mannen en jongens te betrekken bij het bevorderen van gendergelijkheid, het in twijfel trekken van schadelijke genderstereotypen en ongezonde en schadelijke mannelijkheidsmodellen, en het ter discussie stellen van een “recht op seks”-attitude; overwegende dat een shift naar een op instemming gebaseerde cultuur essentieel is om te zorgen voor een omgeving van wederzijds respect en veiligheid waarin gezonde sociale interacties centraal staan; overwegende dat genderbewuste, omvattende en op de leeftijd afgestemde voorlichting over seksualiteit, instemming en relaties een cruciaal instrument is om verkrachting en seksueel geweld te voorkomen en de onderliggende oorzaken aan te pakken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AR.</NO.P>overwegende dat met SDG 5 van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling wordt opgeroepen tot het bewerkstelligen van gendergelijkheid en empowerment voor alle vrouwen en meisjes, en met SDG 16 tot het bevorderen van vreedzame en inclusieve samenlevingen, toegang tot de rechter en doeltreffende instellingen die verantwoording afleggen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AS.</NO.P>overwegende dat in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN, met het beginsel “niemand achterlaten”, en in het bijzonder met duurzameontwikkelingsdoelstellingen 3, 4, 5, 10 en 16, wordt oproepen tot de uitbanning van seksueel geweld, de verwezenlijking van gendergelijkheid, toegang tot de rechter, inclusief onderwijs over instemming en respect, en de bescherming van de eenieders lichamelijke en geestelijke integriteit;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AT.</NO.P>overwegende dat het feit dat de lidstaten er niet in slagen om de structurele en normatieve factoren aan te pakken die tot straffeloosheid van daders leiden, aan de kaak wordt gesteld door middel van marsen, protesten en maatschappelijke bewegingen, zoals de #MeToo-beweging, die het stilzwijgen over verkrachting doorbreken en in een aantal lidstaten de aanzet hebben gegeven tot wetswijzigingen; overwegende dat zaken zoals de “roedel”-zaak in Spanje en de zaak-Gisèle Pelicot in Frankrijk tot grote protesten hebben geleid, waaruit blijkt dat definities van verkrachting die op geweld en niet op instemming zijn gebaseerd, ontoereikend zijn;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verzoekt de Commissie onverwijld een wetgevingsvoorstel in te dienen tot vaststelling van een EU-brede definitie van verkrachting die is gebaseerd op het vereiste van vrije, geïnformeerde en herroepbare instemming, overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag van Istanbul;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt de lidstaten die nog steeds definities van verkrachting hanteren die gebaseerd zijn op de veronderstelling van dwang, een begin te maken met wetgevingswijzigingen om de definitie in overeenstemming te brengen met de meest recente internationale normen en de nodige en adequate steun en bescherming te bieden aan slachtoffers en overlevers van verkrachting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>is ingenomen met het feit dat steeds meer lidstaten op instemming gebaseerde definities van seksueel geweld hebben ingevoerd, in overeenstemming met artikel 36 van het Verdrag van Istanbul, en verzoekt de Commissie de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan, aan te moedigen om het Verdrag van Istanbul te ratificeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>herhaalt dat wetgeving die verkrachting strafbaar stelt op basis van het ontbreken van instemming een internationale mensenrechtennorm is die is vastgelegd in het Verdrag van Istanbul; herinnert eraan dat de lidstaten aan internationale mensenrechtennormen moeten voldoen en verzoekt hen nog verder te gaan om overlevers en slachtoffers van verkrachting te beschermen en te ondersteunen en om een einde te maken aan alle uitingen van het gangbare complexe geheel van opvattingen en sociale normen dat seksuele agressie door mannen aanmoedigt en geweld tegen vrouwen in de hand werkt, waardoor een klimaat ontstaat waarin seksueel geweld wordt genormaliseerd en gerechtvaardigd door aanhoudende genderongelijkheid en schadelijke attitudes ten aanzien van gender en seksualiteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>herhaalt dat wetgeving op basis van het ontbreken van instemming het enige adequate, alomvattende, traumabewuste en op wetenschappelijk bewijs gebaseerde kader is dat slachtoffers van verkrachting toegang tot de rechter biedt; merkt op dat op instemming gebaseerde verkrachtingswetgeving positieve gevolgen heeft voor de toegang de rechter, waaronder hogere aangifte- en veroordelingspercentages, en betere vooruitzichten biedt voor het herstel en het emotionele welzijn van slachtoffers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om op grond van artikel 83, lid 1, derde alinea, VWEU, een voorstel in te dienen voor een besluit van de Raad waarin gendergerelateerd geweld wordt aangemerkt als een nieuwe vormvan EU-criminaliteit, teneinde te zorgen voor een gemeenschappelijke aanpak met het oog op een doeltreffende bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld, dat een van de meest voorkomende schendingen van de grondrechten in de EU vormt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>benadrukt dat alleen een duidelijke, bevestigende, vrijwillig gegeven en ondubbelzinnige blijk van instemming geldig is, dat zwijgen, geen verbale of fysieke weerstand bieden of niet “nee” zeggen niet als instemming mogen worden opgevat, en dat eerdere instemming, seksueel gedrag in het verleden of een vroegere of huidige relatie met een dader, met inbegrip van een huwelijk of enige andere partnerschapsstatus, geen doorlopende of toekomstige instemming met seksuele handelingen inhoudt; benadrukt dat instemming op om het even welk moment vóór of tijdens een seksuele handeling kan worden ingetrokken; merkt op dat instemming op om het even welke wijze kan worden uitgedrukt, zolang deze maar vrijwillig wordt gegeven uit eigen vrije wil en wordt beoordeeld in het licht van de omringende omstandigheden, overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag van Istanbul;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>benadrukt dat instemming moet worden beoordeeld in het licht van de omringende omstandigheden, en erkent dat er geen sprake kan zijn van instemming wanneer er sprake is van geweld, bedreiging, verrassing, bedrog, machtsmisbruik — waaronder controle en dwang —, een fysieke of mentale toestand, zoals angst, intimidatie, bewusteloosheid, verlamming door angst of trauma, roes, bedwelming, slaap, ziekte, lichamelijk letsel, een handicap of een anderszins bijzonder kwetsbare situatie, of door de leeftijd; erkent dat dergelijke toestanden in de weg kunnen staan van het vermogen om vrijwillige en geïnformeerde instemming te geven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>wijst erop dat het belangrijk is traumareacties te herkennen, zoals tonische immobiliteit of de freeze-reactie, een onwillekeurige neurobiologische reactie op angst of dreiging die kan leiden tot tijdelijke verlamming en immobiliteit en het verlies van het spraakvermogen, en de “fawn-reactie“, een overlevingsstrategie die onder dwang ontstaat en waarbij de dader wordt gesust in een poging escalatie of letsel te voorkomen; onderstreept dat dergelijke traumareacties zich voordoen bij verkrachting en seksueel geweld en dat er daarom rekening mee moet worden gehouden in de wetgeving en de gerechtelijke praktijk om voor een traumabewuste, overlevergerichte aanpak te zorgen, waarbij bij wet wordt erkend dat het ontbreken van verzet niet gelijk staat aan instemming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij alle relevante beleidsmaatregelen een intersectionele en slachtoffergerichte benadering te hanteren teneinde de toegang tot de rechter te waarborgen en gendergelijkheid te verwezenlijken, en te erkennen dat gendergerelateerd geweld en discriminatie, met inbegrip van seksueel geweld zoals verkrachting, vaak worden versterkt door andere discriminerende factoren en genderstereotypen, en dat het snijvlak van deze factoren leidt tot meervoudige en unieke vormen van discriminatie die gerichte, contextspecifieke maatregelen, waaronder wetgeving, vereisen om te zorgen voor gelijke bescherming en steun voor alle slachtoffers en overlevers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>benadrukt dat op instemming gebaseerde verkrachtingswetgeving ook van toepassing moet zijn in digitale en virtuele omgevingen, waar seksuele handelingen zonder instemming, zoals gesimuleerde verkrachting of gedwongen seksuele interacties, kunnen plaatsvinden; onderstreept dat dergelijke handelingen voor overlevers ernstige psychologische gevolgen kunnen hebben en daarom wettelijk moeten worden erkend en dienovereenkomstig moeten worden vervolgd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat slachtoffers en overlevers van verkrachting zolang dat nodig is volledige toegang hebben tot onmiddellijke, omvattende, veilige, vertrouwelijke en gespecialiseerde medische zorg en dienstverlening, zoals klinische behandeling na verkrachting en de verstrekking van diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, met inbegrip van klinische noodanticonceptie, profylaxe na blootstelling, behandeling van seksueel overdraagbare aandoeningen en toegang tot veilige en legale abortus, aangevuld met toegang tot langdurige traumazorg, psychologische en psychosociale ondersteuning en passende nazorg om het herstel te ondersteunen; herhaalt dat deze diensten cruciaal zijn voor overlevers en belangrijk zijn om de best mogelijke gezondheidsresultaten te garanderen en overlevers te helpen hun gevoel van lichamelijke autonomie terug te krijgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten zich houden aan artikel 26 van Richtlijn (EU) 2024/1385 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, betreffende het bieden van gespecialiseerde ondersteuning van slachtoffers van seksueel geweld die is afgestemd op hun specifieke behoeften, kosteloos is, voldoende geografisch gespreid is en voldoende capaciteit heeft; benadrukt dat alle slachtoffers en overlevers van seksueel geweld toegang moeten hebben tot voorzieningen zoals permanent geopende crisiscentra, waar zij medische zorg, psychologische hulp en juridisch advies kunnen krijgen zonder dat zij formeel aangifte hoeven te doen; verzoekt de lidstaten voorts ervoor te zorgen dat slachtoffers en overlevers toegang hebben tot rechtsbijstand;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>moedigt een voortdurende uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten aan om de harmonisatie van behandelingsnormen te bevorderen en overal in de EU te zorgen voor consistente, deskundige en hoogwaardige ondersteuning en behandeling van slachtoffers en overlevers van seksueel geweld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>benadrukt met klem dat er in alle fasen van het herstelproces openbare diensten beschikbaar moeten zijn, met name wat betreft het verlenen van essentiële psychologische en juridische ondersteuning en hulp bij het vinden van een baan; verzoekt de lidstaten het Verdrag van Istanbul na te leven door te voorzien in beschermende en ondersteunende maatregelen voor slachtoffers en overlevers, met bijzondere aandacht voor de mensenrechten en de veiligheid van de persoon, zodat secundaire victimisatie wordt voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat beroepsbeoefenaars die in contact kunnen komen met slachtoffers van verkrachting, waaronder wetshandhavers, forensisch medisch personeel, gerechtelijk personeel, rechters en openbare aanklagers, advocaten, gezondheidswerkers, medewerkers van sociale diensten, onderwijs- en ander relevant personeel en eerstelijnswerkers, op verplichte basis regelmatig passende, doeltreffende en op maat gesneden opleiding krijgen; benadrukt dat deze opleiding erop gericht moet zijn secundaire victimisatie van overlevers te voorkomen, teneinde schadelijke genderstereotypen te vermijden en te herkennen, gedragingen en attitudes waarbij de schuld bij het slachtoffer wordt gelegd uit te bannen en slachtoffers op een trauma-, gender-, kind- en handicapbewuste manier te behandelen, in overeenstemming met artikel 36 van Richtlijn (EU) 2024/1385 en onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en verschillen in de organisatie van de rechterlijke macht in de EU; verzoekt de Commissie door de EU ondersteunde opleidingsprogramma’s uit te breiden die zijn afgestemd op beste justitiële praktijken en verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat eerstelijnsdiensten over de capaciteit en middelen beschikken om doeltreffend op de behoeften van slachtoffers en overlevers in te spelen, door verplichte opleidingen in te voeren voor alle juridische beroepsbeoefenaars en wetshandhavers die in contact komen met slachtoffers van verkrachting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat gezondheidswerkers, met inbegrip van kinderartsen, gynaecologen, verloskundigen, vroedvrouwen en psychologisch ondersteunend personeel, gerichte opleiding krijgen om de fysieke, psychologische en seksuele gevolgen van verkrachting bij overlevers te herkennen en op een intersectionele manier aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen politie, justitie, het maatschappelijk middenveld, lokale organisaties, het EIGE en andere relevante gespecialiseerde actoren te intensiveren bij de ontwikkeling van opleidingen, met name over schadelijke genderstereotypen, intersectionele discriminatie mythes en stereotypen over verkrachting, die de tenuitvoerlegging van verkrachtingswetgeving op basis van instemming nog steeds in de weg staan; benadrukt dat politieagenten en rechters die over meer kennis en vaardigheden beschikken om alle slachtoffers van seksueel geweld te begrijpen en te respecteren, ertoe bijdragen dat er vaker aangifte wordt gedaan, dat herhaald slachtofferschap tot een minimum wordt beperkt en dat er een veiligere omgeving voor slachtoffers wordt gecreëerd; verzoekt de lidstaten voorts ervoor te zorgen dat de opleiding van leden van de rechterlijke macht, rechtsbeoefenaars en wetshandhavers in overeenstemming is met de internationale mensenrechtennormen en jurisprudentie met betrekking tot verkrachting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>verzoekt de lidstaten om, in overleg met maatschappelijke organisaties en gespecialiseerde hulpverleningsinstanties voor vrouwen, gespecialiseerde en genderbewuste richtsnoeren op te stellen en te publiceren voor de relevante autoriteiten, waaronder rechters die betrokken zijn bij strafrechtelijke en, indien van toepassing, civielrechtelijke procedures in verband met het misdrijf verkrachting; benadrukt dat deze richtsnoeren instructies moeten bevatten over hoe op een trauma- en genderbewuste manier met slachtoffers moet worden omgegaan, hoe genderstereotypen kunnen worden herkend en vermeden, en hoe ervoor kan worden gezorgd dat slachtoffers, met inbegrip van slachtoffers die te maken hebben met intersectionele discriminatie, worden gerespecteerd en worden beschermd tegen secundaire en herhaalde victimisatie; onderstreept voorts dat de richtsnoeren instructies moeten bevatten over hoe slachtoffers kunnen worden doorverwezen naar gespecialiseerde ondersteunende diensten, waaronder medische diensten, opdat zij een passende behandeling krijgen; vraagt dat de richtsnoeren regelmatig worden herzien en geactualiseerd in samenwerking met maatschappelijke organisaties en gespecialiseerde diensten voor vrouwen om de doeltreffendheid ervan te waarborgen en de best mogelijke resultaten voor slachtoffers te garanderen, alsook om een einde te maken aan de systemische en structurele tekortkomingen die een maatschappelijk gevoel van straffeloosheid voor verkrachting in de hand werken en de daders van seksueel geweld ongestraft laten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>merkt op dat de hervorming van de wetgeving moet worden aangevuld met educatieve maatregelen om gedragsverandering in de hand te werken en het begrip van het belang van instemming bij seksuele relaties te vergroten; verzoekt de Commissie in 2026 in alle 24 EU-talen beschikbare EU-richtsnoeren inzake genderbewuste, intersectionele en omvattende seksuele en relationele voorlichting op basis van instemming voor te stellen, die tot doel moeten hebben genderstereotypen aan de kaak te stellen, de structurele aard van genderongelijkheid en de aanwezigheid daarvan in seksualiteit en relaties te benadrukken, geweldloos gedrag te bevorderen en toe te werken naar de uiteindelijke uitbanning van gendergerelateerd geweld, waaronder verkrachting, ongelijkheid en discriminatie; verzoekt de Commissie voorts nauwlettend toe te zien op de uitvoering van deze richtsnoeren door de lidstaten en vóór het einde van de huidige zittingsperiode een evaluatie daarvan te publiceren; verzoekt de lidstaten derhalve ervoor te zorgen dat op de leeftijd afgestemde, omvattende seksuele en relationele voorlichting in de nationale leerplannen wordt opgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>wijst op de cruciale rol van bewustmakingscampagnes en preventieprogramma’s bij het ontkrachten van mythes over verkrachting en het bevorderen van een cultuur van instemming, met name onder jongeren, aangezien het aanhoudende gebrek aan seksuele voorlichting misinformatie en schadelijke stereotypen in de hand werkt; verzoekt de Commissie om EU-brede bewustmakingscampagnes te voeren om mensen voor te lichten over instemming, relaties, seksuele integriteit en lichamelijke autonomie, en om mythes rond verkrachting te weerleggen; verzoekt de Commissie voorts campagnes te ontwikkelen ter bestrijding van antigendercontent en incelpropaganda op het internet, die met name op jonge mannen zijn gericht, seksueel geweld normaliseren en schadelijke genderstereotypen in stand houden die bijdragen tot het gangbare complexe geheel van opvattingen en sociale normen dat seksuele agressie door mannen aanmoedigt en geweld tegen vrouwen in de hand werkt, waardoor een klimaat ontstaat waarin seksueel geweld wordt genormaliseerd en gerechtvaardigd door aanhoudende genderongelijkheid en schadelijke attitudes ten aanzien van gender en seksualiteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de lidstaten artikel 35 van Richtlijn (EU) 2024/1385 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld naleven door onderwijsinitiatieven op basis van bewijs en instemming op te zetten, bewustmakingscampagnes te voeren en maatregelen nemen ter bevordering van veranderingen in gedragspatronen en het inzicht dat instemming dient te worden erkend als vrijwillig gegeven, wederzijds en volledig gegrondvest op de beginselen van lichamelijke autonomie en seksuele integriteit; verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de omzetting van deze richtlijn, en met name artikel 35, door de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>verzoekt de lidstaten hun wetgeving inzake de verjaringstermijn voor verkrachting aan te passen, aangezien het ontbreken van instemming het centrale bestanddeel van dit misdrijf vormt en veel slachtoffers de feiten pas na verloop van tijd kunnen onderkennen, benoemen of aangeven, vaak als gevolg van trauma, angst, sociale druk of een gebrek aan kennis van de dynamiek van instemming; benadrukt daarom dat de verjaringstermijn moet worden verlengd om daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen in overeenstemming met de grondrechten; herinnert eraan dat het Parlement de lidstaten onlangs heeft verzocht ervoor te zorgen dat er geen verjaringstermijn geldt voor de in de artikelen 3 en 9 van de richtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik van kinderen genoemde strafbare feiten; benadrukt dat buitensporig korte verjaringstermijnen slachtoffers beletten hun recht te halen en afbreuk doen aan hun bescherming; verzoekt de lidstaten de onderliggende oorzaken van lage aangiftecijfers aan te pakken en ervoor te zorgen dat verjaringstermijnen geen belemmering vormen voor een doeltreffende vervolging van verkrachtingsdelicten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle slachtoffers van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van seksueel geweld, overeenkomstig het nationale recht daadwerkelijk herstel, met inbegrip van een schadevergoeding, krijgen; herinnert eraan dat dit herstel toereikend, onmiddellijk en alomvattend moet zijn, in verhouding moet staan tot de ernst van het ervaren leed en rekening moet houden met het risico van intersectionele discriminatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>verzoekt de lidstaten passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er programma’s voor daders beschikbaar zijn voor wie wordt doorverwezen of zichzelf aanmeldt, ook buiten het strafrechtsysteem, en dat er onmiddellijk toegang tot ondersteuning beschikbaar is, wetende dat dit toekomstig gendergerelateerd geweld helpt voorkomen, het stilzwijgen rond verkrachting helpt doorbreken en een einde helpt te maken aan het gangbare complexe geheel van opvattingen en sociale normen dat seksuele agressie door mannen aanmoedigt en geweld tegen vrouwen in de hand werkt, waardoor een klimaat ontstaat waarin seksueel geweld wordt genormaliseerd en gerechtvaardigd door aanhoudende genderongelijkheid en schadelijke attitudes ten aanzien van gender en seksualiteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>steunt het maatschappelijk middenveld en de overlevers van verkrachting krachtig bij het doorbreken van het stilzwijgen rond verkrachting; erkent dat de druk van het maatschappelijk middenveld en van overlevers van verkrachting de belangrijkste drijvende kracht is geweest achter de roep om wetswijzigingen in de lidstaten; wijst nogmaals op het belang van het recht op vreedzame vergadering bij het bewerkstelligen van maatschappelijke veranderingen en het aandringen op verkrachtingswetgeving op basis van instemming;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>erkent de cruciale rol die niet-gouvernementele organisaties en gespecialiseerde diensten voor vrouwen, waaronder hulpcentra voor vrouwen, opvanghuizen voor vrouwen, hulplijnen, crisiscentra voor slachtoffers van verkrachting, doorverwijzingscentra voor slachtoffers van seksueel geweld en diensten voor primaire preventie, spelen bij het verstrekken van advies en ondersteuning aan slachtoffers; verzoekt de Commissie en de lidstaten voldoende financiering beschikking te stellen om het voortbestaan en de ontwikkeling van dergelijke diensten te waarborgen; dringt aan op meer steun voor deze maatschappelijke organisaties en verdedigers van vrouwenrechten, door meer en geoormerkte financiële steun in de EU-begroting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>wijst op de noodzaak van sterke en duurzame partnerschappen met basisorganisaties en verdedigers van vrouwenrechten, met name in landen waar de ruimte voor het maatschappelijk middenveld wordt bedreigd en het verzet tegen gendergelijkheid en seksuele en reproductieve rechten toeneemt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>benadrukt het belang van een betere uitvoering, handhaving en monitoring van de wetgeving inzake seksueel geweld en verkrachting, en vraagt dat er EU-brede benchmarks en indicatoren worden ontwikkeld om de doeltreffendheid en het effect ervan te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>wijst op de rol van de EU bij het versterken van de samenwerking met VN-agentschappen zoals UN Women en het Bevolkingsfonds van de VN en met internationale partners, waaronder de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, bij het bevorderen van gendergelijkheid en het bestrijden van seksueel en gendergerelateerd geweld in het kader van de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, het actieplatform van Peking en het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>moedigt de EU-instellingen, de lidstaten en het maatschappelijk middenveld aan om de dialoog voort te zetten en verder samen te werken om ervoor te zorgen dat seksueel geweld niet alleen wordt aangepakt als een individuele daad, maar ook als een uiting van meer algemene genderongelijkheid en structurele discriminatie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de bestaande systemen voor het verzamelen van gegevens over gendergerelateerd geweld ook het verzamelen, ontwikkelen, produceren en verspreiden omvatten van statistieken over verkrachting, met uitgesplitste gegevens over onder andere geslacht, leeftijdsgroep (kind/volwassene), ras en etnische afkomst van het slachtoffer en de dader, en de relatie tussen het slachtoffer en de dader; verzoekt het EIGE en FRA het monitoringproces te ondersteunen en verder bij te dragen aan gegevensverzameling en onderzoek naar alle vormen van gendergerelateerd geweld, waaronder verkrachting;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>