<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0125</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Kwijting 2024: algemene begroting van de EU – Commissie</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0085/2026 - Rapporteur: Daniel Freund)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><NR>1.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/207, 22.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/budget/2024/207/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0359 – C10‑0145/2025)<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/4944, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4944/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2025)0373) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2024 (COM(2025)0824),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2024 uitgevoerde interne controles (COM(2025)0314) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2025)0159),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de instellingen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en de speciale verslagen van de Rekenkamer,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2026 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05749/2026 – C10‑0037/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD> PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>2.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/207, 22.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/budget/2024/207/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0359 – C10‑0145/2025)<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/4944, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4944/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/6001, 18.11.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6001/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2025)0373) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2024 uitgevoerde interne controles (COM(2025)0314) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2025)0159),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2026 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05752/2026 – C10‑0050/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD> PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD> PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD> PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD> PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>3.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/207, 22.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/budget/2024/207/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0359 – C10‑0145/2025)<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/4944, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4944/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/6003, 18.11.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6003/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2025)0373) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2024 uitgevoerde interne controles (COM(2025)0314) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2025)0159),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2026 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05752/2026 – C10‑0050/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD> PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD> PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD> PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD> PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de waarnemend directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>4.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/207, 22.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/budget/2024/207/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0359 – C10‑0145/2025)<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/4944, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4944/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/6015, 18.11.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6015/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2025)0373) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2024 uitgevoerde interne controles (COM(2025)0314) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2025)0159),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2026 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05752/2026 – C10‑0050/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD> PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD> PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD> PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD> PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>5.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/207, 22.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/budget/2024/207/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0359 – C10‑0145/2025)<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/4944, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4944/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/6023, 18.11.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6023/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2025)0373) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2024 uitgevoerde interne controles (COM(2025)0314) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2025)0159),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2026 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05752/2026 – C10‑0050/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD> PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD> PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s<FOOTNOTE><FIELD> PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE> worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD> PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie, uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>6.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/207, 22.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/budget/2024/207/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0359 – C10‑0145/2025)<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/4944, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4944/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/6041, 18.11.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6041/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2025)0373) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2024 uitgevoerde interne controles (COM(2025)0314) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2025)0159),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2026 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05752/2026 – C10‑0050/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD> PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD> PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD> PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD> PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>7.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/207, 22.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/budget/2024/207/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0359 – C10‑0145/2025)<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/4944, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4944/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/6023, 18.11.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6023/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2025)0373) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2024 uitgevoerde interne controles (COM(2025)0314) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2025)0159),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2026 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05752/2026 – C10‑0050/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD> PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD> PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 14, lid 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD> PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1653/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/173 van de Commissie van 12 februari 2021 tot oprichting van het Europees Uitvoerend Agentschap klimaat, infrastructuur en milieu, het Europees Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en digitaal beleid, het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluiten 2013/801/EU, 2013/771/EU, 2013/778/EU, 2013/779/EU, 2013/776/EU en 2013/770/EU<FOOTNOTE><FIELD> PB L 50 van 15.2.2021, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/173/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de waarnemend directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de waarnemend directeur van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het<STRING ITALIC="on"> Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>8.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de balansen en resultatenrekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0354 – C10‑0158/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2025)0354),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5405, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5405/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbevelingen van de Raad van 17 februari 2026 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2024 (05886/2026 – C10‑0051/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2025)0373) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000<FOOTNOTE><FIELD> PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE> en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010<FOOTNOTE><FIELD> PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2021/1764 van de Raad van 5 oktober 2021 inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie enerzijds en Groenland en het Koninkrijk Denemarken anderzijds (Besluit betreffende de LGO-associatie, met inbegrip van Groenland)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 355 van 7.10.2021, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2021/1764/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD> PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD> PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD> PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_eums/2013/806/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD> PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_financ/1998/430/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD> PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_financ/2003/401/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD> PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/215/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 44 van Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323<FOOTNOTE><FIELD> PB L 307 van 3.12.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1877/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 en artikel 102, derde streepje, van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>9.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/207, 22.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/budget/2024/207/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0359 – C10‑0145/2025)<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/4944, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4944/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2023 (COM(2025)0373) en de gedetailleerde antwoorden op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2024 (COM(2025)0824),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2024 uitgevoerde interne controles (COM(2025)0314) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2025)0159),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de instellingen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en de speciale verslagen van de Rekenkamer,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2026 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05749/2026 – C10‑0037/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2026 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05752/2026 – C10‑0050/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD> PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name de artikelen 69, 266, 267 en 268,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd<FOOTNOTE><FIELD> PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/58/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 14, leden 2 en 3,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsook aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>10.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over de afsluiting van de rekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de balansen en resultatenrekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2024 (COM(2025)0354 – C10‑0158/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2025)0354),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de Commissie<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbevelingen van de Raad van 17 februari 2026 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2024 (05886/2026 – C10‑0051/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000<FOOTNOTE><FIELD> PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE> en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010<FOOTNOTE><FIELD> PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Besluit (EU) 2021/1764 van de Raad van 5 oktober 2021 inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie enerzijds en Groenland en het Koninkrijk Denemarken anderzijds (Besluit betreffende de LGO-associatie, met inbegrip van Groenland)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 355 van 7.10.2021, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2021/1764/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD> PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD> PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 juni 2013 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn<FOOTNOTE><FIELD> PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_eums/2013/806/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst<FOOTNOTE><FIELD> PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_financ/1998/430/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD> PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_financ/2003/401/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds<FOOTNOTE><FIELD> PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/215/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 44 van Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323<FOOTNOTE><FIELD> PB L 307 van 3.12.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1877/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 en artikel 102, derde streepje, van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><RESOL><TI><NR>11.</NR> <STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2026 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen en het negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds (2025/2145(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, afdeling III – Commissie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 101 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de brief van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0085/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) zijn laatste fase heeft bereikt toen de vervalclausule op 31 december 2020 in werking trad; overwegende dat er echter nog tot en met 31 december 2023 specifieke contracten voor bestaande financieringsovereenkomsten zijn ondertekend en dat de uitvoering van de lopende projecten die uit het EOF worden gefinancierd, zal worden voortgezet totdat deze definitief zijn voltooid;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het negende, tiende en elfde<FOOTNOTE><FIELD> Het elfde EOF heeft betrekking op het MFK 2021-2027.</FIELD></FOOTNOTE> EOF niet in de algemene begroting van de Unie zijn geïntegreerd en dat de uitvoering van en rapportage over deze fondsen afzonderlijk zullen blijven plaatsvinden totdat zij worden afgesloten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat in het MFK 2021-2027 de ontwikkelingshulp voor ACS-landen geïntegreerd is in het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld (“NDICI – Europa in de wereld”), als onderdeel van de algemene begroting van de EU, en dat de ontwikkelingshulp voor LGO’s, met inbegrip van Groenland, geïntegreerd is in het besluit betreffende de LGO-associatie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de EOF’s bijna volledig worden beheerd door het directoraat-generaal Internationale Partnerschappen (DG INTPA) van de Commissie en dat een klein deel (7 %) van de EOF-uitgaven voor 2023 wordt beheerd door het directoraat-generaal Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen (DG NEAR);</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Politieke prioriteiten</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>benadrukt het belang van eerbiediging van de fundamentele waarden en beginselen van de Unie als gedefinieerd in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU); legt in het kader van de kwijtingsprocedure bijzondere nadruk op het beginsel van de rechtsstaat zoals vastgesteld in artikel 2 VEU, het beginsel van goed financieel beheer zoals vastgesteld in artikel 317 VWEU, en de bestrijding van fraude en bescherming van de financiële belangen van de Unie zoals vastgesteld in artikel 325 VWEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>herinnert eraan dat eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten een voorwaarde is voor goed financieel beheer van de begroting van de Unie en dat de Commissie over een breed scala aan instrumenten beschikt om de eerbiediging van deze beginselen te waarborgen; wijst diep bezorgd op de aanhoudende achteruitgang op het gebied van de rechtsstaat en systemische corruptie en de aantasting van de grondrechten in verschillende lidstaten, met rechtstreekse gevolgen voor het goede beheer van Uniemiddelen; merkt op dat het gebrek aan Uniemiddelen een verontrustend effect heeft op de verlening van openbare diensten; wijst in het bijzonder op de verslechterende situatie in Hongarije, die wordt gekenmerkt door wijdverspreide corruptie en diepgewortelde oligarchische netwerken, hetgeen blijvende aandacht vereist; betreurt dat de problemen aanhouden of nog verergeren, maar dat de druk die de Commissie uitoefent om zinvolle hervormingen op gang te brengen afneemt naarmate de bedragen aan middelen die nog bevroren zijn dalen; benadrukt dat de Commissie verder moet gaan dan monitoring en in alle betrokken lidstaten volledig en consequent gebruik moet maken van de beschikbare instrumenten om Uniefinanciering op te schorten of te beschermen wanneer tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat een goed financieel beheer aantasten; benadrukt dat eerbiediging van de rechtsstaat moet gelden voor alle deelnemers aan programma’s van de Unie, met inbegrip van derde landen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>wijst er nogmaals op dat het uiterst belangrijk is dat bij elk optreden van de Unie aandacht wordt besteed aan de bescherming van de rechten van het kind; uit zijn ernstige bezorgdheid over de bevindingen in de verslagen van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie van de Verenigde Naties voor Oekraïne met betrekking tot de deportatie en gedwongen overbrenging van Oekraïense kinderen naar Rusland; is van mening dat de Europese Unie zich, met inachtneming van haar bevoegdheden, binnen het internationale juridische en institutionele kader moet opstellen als een constructieve en betrouwbare speler en een bijdrage moet leveren aan de multilaterale inspanningen die erop gericht zijn in kaart te brengen welke kinderen het slachtoffer zijn geworden van deze praktijken, uit te vinden waar zij zich bevinden, de familieleden van deze kinderen op te sporen, te helpen deze kinderen en hun familieleden te herenigen en ervoor te zorgen dat de kinderen veilig kunnen terugkeren, in overeenstemming met het internationaal recht en volledig in lijn met de belangen van deze kinderen; is van mening dat de beleids- en financieringsinstrumenten van de Unie te allen tijde internationale samenwerking moeten bevorderen die erop gericht is de rechten van kinderen te beschermen en de toegang tot rechtsmiddelen en de rehabilitatie en re-integratie van deze kinderen te bevorderen, en tevens te waarborgen dat verantwoording wordt afgelegd voor de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>stelt verheugd vast dat de Europese Rekenkamer (de Rekenkamer) voor het begrotingsjaar 2024 opnieuw een goedkeurend oordeel heeft afgegeven over de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de ontvangsten; betreurt evenwel dat de Rekenkamer voor het zesde jaar op rij een afkeurend oordeel heeft moeten afgeven over de wettigheid en regelmatigheid van de begrotingsuitgaven van de Unie, en een oordeel met beperking over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (Recovery and Resilience Facility, RRF);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer in haar jaarverslag voor 2024 verschillende kwesties belicht die aanleiding geven tot ernstige bezorgdheid; is verheugd dat het totale foutenpercentage is gedaald van 5,6 % voor 2023 tot 3,6 % voor 2024; wijst er echter op dat deze daling met de nodige voorzichtigheid moet worden geïnterpreteerd, aangezien deze niet noodzakelijkerwijs een verbetering van het financieel beheer of van de doeltreffendheid van de controlesystemen weerspiegelt, maar ook beïnvloed kan zijn door contextuele factoren zoals de beëindiging van de nooduitgaven in verband met de COVID-19-pandemie, een relatief laag niveau van begrotingsuitvoering in 2024 en het vroege stadium van uitvoering van het MFK 2021-2027; stelt met name bezorgd vast dat het foutenpercentage voor de rubriek “Cohesie, veerkracht en waarden” weliswaar is gedaald van 9,3 % tot 5,7 % maar nog steeds ruim boven de materialiteitsdrempel van 2 % ligt, en dat de Rekenkamer zowel bij de Commissie als bij de lidstaten nog steeds tekortkomingen vaststelt op het vlak van controle- en opsporingssystemen; vreest dat het terugkerende karakter van deze bevindingen het risico met zich meebrengt dat het huidige foutenpercentage in het cohesiebeleid wordt genormaliseerd; spreekt in dit verband zijn ernstige bezorgdheid uit over voorstellen om in het kader van het volgende MFK een nieuw uitgavenmodel in te voeren dat nog sterker zou steunen op controlesystemen van de lidstaten, terwijl de onderliggende oorzaken van de aanhoudend hoge foutenpercentages nog niet adequaat lijken te zijn aangepakt; herinnert eraan dat het cohesiebeleid een fundamenteel instrument van de Unie blijft om economische, sociale en territoriale convergentie te bevorderen en een evenwichtige ontwikkeling in alle regio’s te ondersteunen, en benadrukt dat bij elke toekomstige hervorming van uitgavenmodellen de doelstellingen, de voorspelbaarheid en het specifieke begrotingskader van het cohesiebeleid behouden moeten blijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de aanhoudende tekortkomingen bij de uitvoering van de RRF; merkt op dat de Rekenkamer voor het derde jaar op rij een oordeel met beperking heeft afgegeven over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven van de RRF en dat zij schat dat de minimale financiële impact van haar bevindingen boven de materialiteitsdrempel ligt; benadrukt de door de Rekenkamer vastgestelde ernstige tekortkomingen op het gebied van audit en controle die de zekerheid over het regelmatige gebruik van RRF-middelen blijven ondermijnen; is met name bezorgd over het aanzienlijke gebrek aan verantwoording als gevolg van het ontbreken van betrouwbare en volledige informatie over eindbegunstigden van Uniefinanciering, met name als gevolg van de interpretatie die de Commissie geeft aan het begrip “eindbegunstigde” in het kader van de RRF, die in strijd is met de bestaande wetgeving; herinnert eraan dat het Parlement in eerdere kwijtingsresoluties herhaaldelijk ernstige bezorgdheid heeft geuit met betrekking tot de RRF, onder meer over de transparantie van eindbegunstigden; is van mening dat de Commissie inbreukprocedures moet inleiden; is tevens van mening dat de Commissie zonder onnodige vertraging moet optreden en ten aanzien van de lidstaten ten volle haar bevoegdheden als hoedster van de Verdragen moet uitoefenen om ervoor te zorgen dat burgers en belanghebbenden volledige toegang hebben tot deze informatie; wijst erop dat het Parlement anders binnen zijn prerogatieven alle passende maatregelen zal overwegen om naleving te waarborgen, met inbegrip van gerechtelijke stappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>stelt bezorgd vast dat het huidige uitvoeringspercentage voor de cohesiefondsen aanzienlijk lager ligt dan het uitvoeringspercentage tijdens het vorige MFK 2014-2020, hetgeen strookt met het feit dat eind 2024 slechts ongeveer 50 % van de middelen in het kader van de RRF was uitbetaald, hetgeen betekent dat de resterende 50 % van de middelen vóór het einde van de uitvoeringsperiode van de RRF in december 2026 moet worden uitbetaald; constateert met bezorgdheid dat het totale bedrag aan uitstaande Unieobligaties eind 2024 is gestegen tot 578,2 miljard EUR en neemt met bezorgdheid kennis van de ramingen van de Rekenkamer dat dit bedrag eind 2027 tot 900 miljard EUR zou kunnen oplopen, hetgeen een aanzienlijke last zal betekenen voor toekomstige MFK’s vanwege de bijbehorende rentebetalingen en aflossingen van de hoofdsom; wijst erop dat bij alle toekomstige begrotingsbesluiten rekening moet worden gehouden met de houdbaarheid van de schuld van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>benadrukt dat transparantie geen abstract governancebeginsel maar een kernelement van een doeltreffende controleomgeving is; beklemtoont dat onvolledige documentatie, inconsistente registratiepraktijken of vertrouwen in informele communicatiekanalen controlesporen direct verzwakken en de kwijtingsautoriteit belemmeren in haar vermogen om de wettigheid en regelmatigheid en het goed financieel beheer te beoordelen; betreurt in dit verband dat er de afgelopen jaren tal van voorbeelden zijn geweest waarbij de Commissie niet aan redelijke transparantienormen voldeed en neemt kennis van het arrest van het Gerecht in zaak T-36/23<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 14 mei 2025, Matina Stevi en The New York Times Company/Europese Commissie, T-36/23, ECLI:EU:T:2025:483.</FIELD></FOOTNOTE>, Stevi en The New York Times/Commissie; herinnert eraan dat door ambtenaren van de Unie verzonden of ontvangen tekstberichten op grond van Verordening (EG) nr. 1049/2001 alleen als documenten worden aangemerkt indien zij betrekking hebben op beleid of besluiten van de Unie; benadrukt dat de Commissie erop moet toezien dat transparantiepraktijken voldoen aan hoge governancenormen om te garanderen dat de kwijtingsautoriteit de wettigheid en regelmatigheid en het goed financieel beheer van de Uniebegroting volledig kan beoordelen; wijst op het belang van tijdige antwoorden op verzoeken om toegang tot documenten; spoort de Commissie aan haar procedures aan te scherpen om ervoor te zorgen dat toezichthoudende instanties de wettigheid en regelmatigheid en het goed financieel beheer volledig kunnen beoordelen; is van mening dat het verzuim om te zorgen voor behoorlijke documentatie en transparantie op het niveau van het hogere management het vertrouwen van het publiek, de institutionele verantwoordingsplicht en de geloofwaardigheid van de Commissie als hoedster van de Verdragen dreigt te ondermijnen; verzoekt de top van de Commissie erop toe te zien dat de transparantieverplichtingen volledig worden nageleefd en dat alle werkgerelateerde communicatie naar behoren wordt geregistreerd, ook op het niveau van de voorzitter en de leden van het college van commissarissen, en de interne procedures en verantwoordingsmechanismen te versterken om soortgelijke tekortkomingen in de toekomst te voorkomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>merkt op dat een voormalige premier van Tsjechië tijdens zijn vorige ambtstermijn in een situatie van belangenconflict bleek te verkeren, wat tot de opschorting en financiële correctie van Uniefinanciering heeft geleid; neemt kennis van publieke verklaringen van de premier waarin deze aangaf van plan te zijn afstand te doen van de eigendom van en zeggenschap over zakelijke belangen die mogelijk baat hebben bij middelen van de Unie door de oprichting van een naar verluidt onomkeerbare trustregeling; herinnert eraan hoe belangrijk het is verifieerbare juridische regelingen vast te stellen om elk risico te voorkomen dat middelen van de Unie ten goede kunnen komen aan de particuliere zakelijke belangen van ambtsdragers; beklemtoont dat de lidstaten moeten zorgen voor doeltreffende waarborgen ter bescherming van de transparantie, onder meer wat bekendmaking van informatie over de uiteindelijk begunstigden, integriteit en goed financieel beheer van Uniemiddelen betreft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>wijst erop dat de leden van de Commissie moeten voldoen aan de hoogste normen op het gebied van integriteit, onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht, zowel in hun huidige functies als in hun eerdere rollen; stelt met bezorgdheid vast dat bij DG NEAR verschillende hogere managementfuncties vacant zijn gebleven in de periode waarin de huidige commissaris voor Gezondheid en Dierenwelzijn verantwoordelijk was voor dit directoraat-generaal in zijn hoedanigheid van commissaris voor Nabuurschap en Uitbreiding, en merkt op dat de informatie die de Commissie in dit verband tijdens de gedachtewisseling met de kwijtingsautoriteit heeft verstrekt onjuist was; benadrukt dat de Commissie erop moet toezien dat alle leden van het college van commissarissen voldoen aan de normen op het gebied van integriteit, onafhankelijkheid en beroepsethiek die vereist zijn om hun verantwoordelijkheden uit te oefenen, met name wanneer deze verantwoordelijkheden het beheer van politiek gevoelige portefeuilles en aanzienlijke middelen van de Unie omvatten; is van mening dat de combinatie van de ernstige en langdurige tekortkomingen die zich hebben voorgedaan in het beheer van DG NEAR, de verstrekking van onjuiste informatie aan het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure en de hierboven beschreven bijkomende punten van zorg over gedrag en onafhankelijkheid wijst op een patroon dat onverenigbaar is met de normen op het gebied van verantwoordingsplicht, betrouwbaarheid en goed bestuur die van een lid van de Commissie worden verlangd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>benadrukt dat de Commissie volledig onpartijdig en transparant moet handelen, onder meer door een einde te maken aan belangenconflicten, duidelijke verantwoording af te leggen voor het beheer van Uniemiddelen en haar eigen richtsnoeren op het gebied van de rechtsstaat na te leven; verzoekt de Commissie de transparantie en verantwoordingsplicht in verband met de benoeming en activiteiten van haar bijzondere adviseurs te versterken door systematisch gedetailleerde informatie te publiceren over de criteria voor hun selectie, hun mandaat en taken, de duur van hun opdracht, hun bezoldiging en hun belangenverklaringen; benadrukt dat bijzondere adviseurs aanzienlijke invloed kunnen uitoefenen op beleidsontwikkeling en daarom onderworpen moeten worden aan duidelijke governancenormen, regelmatige rapportageverplichtingen en proactieve openbaarmaking in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer en artikel 15, lid 3, VWEU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>benadrukt dat de follow-upacties van de Commissie niet mogen leiden tot een uitbreiding van haar bevoegdheden tot gebieden die verder reiken dan de werkingssfeer van de Verdragen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer de afgelopen jaren in verschillende speciale verslagen tekortkomingen heeft vastgesteld in de methode van de Commissie voor het ramen van de klimaateffecten van de uitgaven van de Unie, waardoor er sprake is van een systemische overschatting als gevolg van het gebruik van systemen voor markering vooraf die gebaseerd zijn op het verwachte effect van activiteiten en geen rekening houden met de werkelijke resultaten; benadrukt dat beperkingen van de huidige methoden de betrouwbaarheid van de gerapporteerde cijfers kunnen aantasten en gevolgen kunnen hebben voor de beoordeling van de prestaties door de kwijtingsautoriteit; merkt voorts op dat de huidige methoden voor het volgen van de uitgaven voor klimaat en biodiversiteit niet alle effecten van de activiteiten van de Unie weergeven, waaronder bepaalde maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; merkt op dat de toepassing van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” helpt voorkomen dat er niet-conforme maatregelen worden uitgevoerd; benadrukt dat dergelijke methodologische beperkingen de kwijtingsautoriteit voor uitdagingen kunnen stellen wat verantwoordingsplicht betreft; benadrukt dat het vermogen van het Parlement om doeltreffende begrotingscontrole uit te oefenen afhangt van transparant en verifieerbaar bewijs op projectniveau wat naleving van de milieuwetgeving en milieueffecten betreft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>herinnert eraan dat in de evaluatie van subsidieovereenkomsten met ngo’s die de Commissie in 2024 heeft uitgevoerd geen inbreuken op het recht werden vastgesteld; benadrukt niettemin dat alle ontvangers van Uniefinanciering, met inbegrip van ngo’s, moeten worden onderworpen aan robuuste, evenredige en risicogebaseerde controle- en transparantievereisten, in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en met de beginselen van goed financieel beheer; wijst erop dat begrotingscontrole, waarborgen en transparantievereisten op een neutrale, evenredige en empirisch onderbouwde manier moeten worden toegepast, waarbij wordt gewaarborgd dat transparantie en toezicht doeltreffend worden toegepast op alle categorieën begunstigden en dat de controle risicogebaseerd is; benadrukt dat een gebrek aan transparantie het vertrouwen in de kwijtingsprocedure ondermijnt en dat voor een effectieve controle de toepassing van gelijkwaardige normen op alle begunstigden vereist is; neemt kennis van de bevindingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag 11/2025 getiteld “Transparantie van aan ngo’s toegekende EU-financiering”;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>merkt op dat maatschappelijke organisaties op grond van de Verdragen legitieme begunstigden van Uniefinanciering zijn en dat zij vaak de verwezenlijking van doelstellingen van de Unie ondersteunen; wijst erop dat begrotingscontrole, waarborgen en transparantievereisten op een neutrale, evenredige en empirisch onderbouwde manier moeten worden toegepast, met inachtneming van de rechtszekerheid; benadrukt dat selectieve transparantie het vertrouwen in de kwijtingsprocedure kan ondermijnen en dat voor een doeltreffende controle de consistente toepassing van vergelijkbare normen op alle begunstigden vereist is; neemt kennis van de werkgroep voor toezicht die in dit verband binnen het Parlement is opgericht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>vestigt de aandacht op de cruciale rol die maatschappelijke organisaties spelen bij de handhaving van de democratische waarden ter ondersteuning van een dynamische en levendige democratische samenleving, omdat ze een solide basis bieden voor een brede uitwisseling van alle relevante standpunten in verschillende debatten, en wijst erop dat maatschappelijke organisaties steun van de Unie kunnen ontvangen, in overeenstemming met het Financieel Reglement, om deze taken te vervullen, zoals bepaald in artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>stelt verheugd vast dat vanwege de dringende noodzaak om de defensievermogens van de Unie te versterken de financieringsinstrumenten van de Unie op defensiegebied sinds het begin van de Russische illegale aanvalsoorlog tegen Oekraïne zijn toegenomen in aantal en omvang; is van mening dat defensie en steun aan Oekraïne in de huidige geopolitieke context als begrotingsprioriteit moeten worden behandeld en dat er toereikende middelen moeten worden toegewezen om deze doelstelling te verwezenlijken; benadrukt de noodzaak van een alomvattende Unie-aanpak ten aanzien van veiligheids- en defensiefinanciering, waarbij wordt ingespeeld op zowel conventionele militaire dreigingen als niet-conventionele dreigingen, met inbegrip van hybride dreigingen, zoals dreigingen in verband met artificiële intelligentie, drones en cyberaanvallen; is van mening dat bij de financiering van technologieën prioriteit moet worden gegeven aan technologieën die het grootste operationele voordeel opleveren; benadrukt dat democratische verantwoordingsplicht, controleerbaarheid en transparantie parallel met de uitgaven moeten toenemen, maar ziet tegelijkertijd in dat legitieme veiligheidseisen de openbaarmaking van bepaalde gevoelige informatie kunnen beperken, zonder afbreuk te doen aan de algemene capaciteit van de kwijtingsautoriteit om doeltreffend toezicht uit te oefenen; benadrukt dat de transparantie van de Uniefinanciering voor defensie verder moet worden verbeterd, onder meer door te zorgen voor controleregelingen die in verhouding zijn met de gevoeligheid van defensieactiviteiten maar waarbij doeltreffend toezicht volledig wordt gewaarborgd, en door te garanderen dat de kwijtingsautoriteit tijdens de goedkeurings-, ontwerp- en uitvoeringsfase democratische controle kan uitoefenen op alle door de Unie gefinancierde activiteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>wijst erop dat gelijkheid een fundamentele waarde van de Unie is en verankerd is in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest); herinnert aan de toezegging van de Unie op het gebied van gendermainstreaming in haar beleidsvorming en bij de uitvoering van middelen van de Unie, met inbegrip van genderbudgettering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>herinnert aan het akkoord tot instelling van een interinstitutioneel orgaan voor ethische normen voor leden van de in artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde instellingen en adviesorganen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>herinnert eraan dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie worden toegewezen en uitgevoerd in volledige overeenstemming met het Financieel Reglement en de fundamentele waarden van de Unie; benadrukt de noodzaak van passend toezicht, transparantie en waarborgen ter voorkoming van fraude, belangenconflicten, corruptie, dubbele financiering, het witwassen van geld en misbruik van middelen, onder meer in het geval van begunstigden die activiteiten ontplooien die onverenigbaar zijn met de waarden van de Unie; wijst in dit verband op de sleutelrol van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie in haar totaliteit en heeft bedenkingen bij de weigering van sommige lidstaten om hun medewerking te verlenen aan een van de onderdelen daarvan, het Europees Openbaar Ministerie (EOM);</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Voornaamste aanbevelingen:</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie met name om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>de verslechtering van de rechtsstaat en de risico’s voor de Uniebegroting in Hongarije dringend opnieuw te evalueren en aan te pakken, en alle nodige maatregelen te nemen overeenkomstig de conditionaliteitsverordening en andere beschikbare instrumenten, waaronder volledige opschorting van Uniemiddelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de bepalingen met betrekking tot de “eindontvangers” van Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit<FOOTNOTE><FIELD> PB L 57 van 18.2.2021, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/241/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (de RRF-verordening) consistent en nauwkeurig toe te passen door haar richtsnoeren over herstel- en veerkrachtplannen te herzien, met de lidstaten over de correcte toepassing van de definitie van “eindontvangers” te communiceren, ervoor te zorgen dat de lidstaten gegevens verzamelen en verstrekken over de laatste entiteiten die middelen ontvangen, met uitsluiting van intermediaire entiteiten zoals ministeries of beheersautoriteiten, en deze gegevens vóór het verstrijken van de laatste indieningstermijn voor de uitbetaling van RRF-betalingen ter beschikking te stellen van de kwijtingsautoriteit, en zo nodig inbreukprocedures in te leiden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>de lijst van eindontvangers en contractanten voor alle instrumenten bekend te maken in een geharmoniseerd, machineleesbaar formaat;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat de regels van de Unie inzake de toegang tot documenten, met inbegrip van tekstberichten, worden nageleefd en te erkennen dat institutionele communicatie van openbaar belang op evenredige wijze en met inachtneming van de wettelijke en veiligheidseisen toegankelijk moet worden gemaakt om democratisch toezicht en verantwoordingsplicht te waarborgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat geen middelen van de Unie direct of indirect worden betaald aan begunstigden, waaronder begunstigden die banden hebben met leden van de Europese Raad, indien er een belangenconflict is vastgesteld en dit niet aantoonbaar en verifieerbaar is opgelost, in overeenstemming met de toepasselijke regels en waarborgen van de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>erop toe te zien dat alle commissarissen en hoge ambtenaren hun functie uitoefenen met volledige inachtneming van de regels van de Unie op het vlak van integriteit, belangenconflicten en goed bestuur;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>het controlekader voor de uitgaven van de Unie in verband met klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen naar behoren toe te passen, met inbegrip van een evenredig verificatiemechanisme, tijdige rapportage van klimaatgegevens op projectniveau en transparante communicatie over milieueffecten, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Rekenkamer en met inachtneming van operationele haalbaarheid en economisch concurrentievermogen; de monitoring en rapportage van resultaten te verbeteren en hierbij niet alleen naar uitgavendoelstellingen te kijken, met als doel de effecten van de financiering van de Unie voor klimaat en biodiversiteit te maximaliseren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>in overeenstemming met het Financieel Reglement een onderzoek in te stellen naar alle potentieel frauduleuze of onregelmatige begunstigden; herinnert aan het belang van passend toezicht op de financiering van de Unie, met bijzondere aandacht voor de eerbiediging van de fundamentele waarden van de Unie, en aan de wettelijke verplichting van de Commissie om erop toe te zien dat begunstigden deze waarden eerbiedigen en geen beroepsfouten begaan;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat het EOM over voldoende middelen beschikt om gevallen van fraude in verband met Uniefinanciering, waaronder RRF-uitgaven, te onderzoeken, gezien het toenemende aantal onderzoeken en de hoge geraamde schade;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>inspanningen te blijven leveren op het gebied van genderbudgettering en het traceren van de impact van de begroting van de Unie om gendergelijkheid te bevorderen;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">HOOFDSTUK I – Meerjarig financieel kader (MFK)</STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING BOLD="on">Betrouwbaarheidsverklaring van de Europese Rekenkamer en begrotings- en financieel beheer</STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Betrouwbaarheid van de rekeningen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer in haar jaarverslag over de uitvoering van de begroting betreffende het begrotingsjaar 2024<FOOTNOTE><FIELD>4.  PB C, C/2025/5409, 8.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5409/oj.</FIELD></FOOTNOTE> dat de geconsolideerde rekeningen van de Europese Unie voor dat jaar betrouwbaar zijn; merkt op dat de Rekenkamer sinds 2007 elk jaar een goedkeurend oordeel heeft afgegeven over de betrouwbaarheid van de rekeningen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>merkt op dat op 31 december 2024 de totale passiva 827,3 miljard EUR bedroegen en de totale activa 518,5 miljard EUR; merkt op dat het resulterende verschil van 308,8 miljard EUR de negatieve nettoactiva van de Unie vertegenwoordigt, die de schuld en het deel van de reeds gedane uitgaven vóór 31 december 2024 weerspiegelen die uit toekomstige begrotingen moeten worden gefinancierd; merkt voorts op dat het negatieve economische resultaat voor 2024 in totaal 97,2 miljard EUR bedroeg, waarbij de bedragen die voor NextGenerationEU (NGEU) werden uitgegeven aanzienlijk aan zowel de negatieve nettoactivapositie als het economische resultaat bijdroegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>merkt op dat eind 2024 de gedane subsidiabele uitgaven die aan de begunstigden verschuldigd maar nog niet gedeclareerd waren, die zijn geboekt als te betalen kosten, geschat werden op 160,7 miljard EUR (2023: 155,2 miljard EUR), waarvan 7,9 miljard EUR betrekking heeft op verwachte toekomstige betalingen in het kader van de RRF;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat de activa, passiva, ontvangsten en uitgaven, ook die in verband met NGEU, de raming met betrekking tot het terugtrekkingsproces van het VK, en de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, getrouw zijn weergegeven in de geconsolideerde jaarrekening;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Wettigheid en regelmatigheid van de ontvangsten van de Unie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat de ontvangsten van de Unie geen materiële fouten bevatten en dat de door de Rekenkamer onderzochte beheersystemen over het algemeen doeltreffend waren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven van de Unie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>betreurt ten zeerste dat de Rekenkamer voor het zesde achtereenvolgende jaar een afkeurend oordeel heeft afgegeven over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven uit de begroting van de Unie; wijst erop dat de kwijtingsautoriteit de ontwikkelingen op de voet blijft volgen en de situatie opnieuw beoordeelt in het kader van de kwijtingsprocedure; onderstreept het belang van niet-aflatende inspanningen om de onderliggende tekortkomingen aan te pakken en het financieel beheer en de controlemechanismen van zowel de Commissie als de lidstaten te versterken; wijst op de moeilijkheden voor de kwijtingsautoriteit wanneer de Rekenkamer en de Commissie verschillende juridische en methodologische definities toepassen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>is ingenomen met de daling van het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage tot 3,6 % in de uitgaven voor 2024, een daling met twee procentpunten ten opzichte van de 5,6 % in 2023; constateert met bezorgdheid dat de Rekenkamer aanzienlijke problemen blijft ontdekken met betrekking tot uitgaven in het kader van vergoedingen, die de grootste bijdrage leveren aan het totale foutenpercentage, waarbij het geschatte foutenpercentage 5,7 % bedraagt; merkt op dat de gevolgen van de door de Rekenkamer aangetroffen fouten zowel van materieel belang als van diepgaande invloed zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>merkt op dat het door de Commissie voor 2024 geschatte risico bij betaling, dat betrekking heeft op alle MFK-rubrieken behalve rubriek 3, consequent lager is dan de betrouwbaarheidsintervallen van de Rekenkamer, met name voor de rubrieken 2 en 6, en is van mening dat dit ook de significante methodologische en mandaatgerelateerde verschillen tussen de twee instellingen weerspiegelt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>merkt op dat, in tegenstelling tot de Rekenkamer, die alle fouten moet melden ongeacht of een financiële correctie mogelijk is, de Commissie alleen onregelmatigheden meldt waarvoor zij terugvorderingen wettelijk gerechtvaardigd acht; wijst erop dat de Commissie overeenkomstig de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening) elke inbreuk op het toepasselijke recht als gevolg van een handeling of nalatigheid van een economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld als “onregelmatigheid” beschouwt, terwijl de definitie van de Rekenkamer van “fout” alle betalingen omvat die worden verricht zonder dat aan de vereiste voorwaarden is voldaan; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat de Commissie en de Rekenkamer, vanwege hun verschillende institutionele rol, verschillende juridische interpretaties en methodologische definities toepassen, wat tot verwarring kan leiden; is bezorgd over het feit dat de Commissie het bestaande foutenpercentage stelselmatig kan onderschatten; spreekt zijn steun uit voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke controleaanpak en -methode;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>benadrukt dat erop moet worden toegezien dat overheidsinstanties bedragen die ten onrechte verloren zijn gegaan als gevolg van fraude, belastingontduiking, onregelmatigheden en administratieve versnippering daadwerkelijk terugvorderen, als essentieel onderdeel van de bescherming van de overheidsfinanciën; verzoekt de Commissie de transparantie te vergroten door duidelijke, jaarlijkse informatie te publiceren over terugvorderingen, financiële correcties en confiscaties in verband met uitgaven van de Unie en samenwerking op het gebied van handhaving, gepresenteerd op een coherente en toegankelijke manier die de verantwoordingsplicht ondersteunt en tegelijkertijd onnodige administratieve lasten vermijdt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>herhaalt zijn bezorgdheid over de opmerking van de Rekenkamer dat de Commissie in haar risicobeoordeling het werkelijke risiconiveau op verschillende terreinen waarschijnlijk onderschat; merkt op dat tekortkomingen die in bepaalde beheer- en controlesystemen zijn vastgesteld van invloed kunnen zijn op de algemene betrouwbaarheid van de conclusies van de controle; benadrukt dat er moet worden gezorgd voor een robuust toezicht op alle beheersvormen; is verheugd dat de Rekenkamer vanaf 2025 niet langer controlesteekproeven zal nemen uit verrichtingen die al door de Commissie of nationale controle-instanties zijn beoordeeld — een verandering die noodzakelijk wordt geacht omdat deze aanpak, hoewel de verwachting is dat deze weinig of geen fouten aan het licht zal brengen, herhaaldelijk onbetrouwbaar is gebleken; benadrukt dat deze ontwikkeling ernstige twijfels doet rijzen over de doeltreffendheid van de controlesystemen van de Unie en het al lang bestaande verzoek van het Parlement om deugdelijke betrouwbaarheidsmechanismen voor alle beheersvormen kracht bijzet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan om sneller interoperabele fraudebestrijdings- en datamininginstrumenten voor alle beheersvormen in te zetten, waarbij kruiscontroles van uiteindelijke begunstigden, indicatoren voor aanbestedingsrisico’s en signalen van dubbele financiering mogelijk worden gemaakt; dringt er bij de Commissie op aan jaarlijks verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de reikwijdte en doeltreffendheid van deze instrumenten, met inbegrip van de ingebruikneming door de beheersautoriteiten; wijst nogmaals op de dringende noodzaak van het verplichte gebruik van instrumenten voor datamining en artificiële intelligentie om fraude en onregelmatigheden doeltreffend te bestrijden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>benadrukt dat het geschatte foutenpercentage in de uitgaven van de Unie, zoals vermeld in de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer, betalingen weerspiegelt die volgens de beoordeling van de Rekenkamer niet volledig aan de toepasselijke regels en voorwaarden voldeden; is van mening dat dit weliswaar geen indicator van fraude of corruptie is en niet automatisch een verspilling van middelen impliceert, maar wijst op gebieden waar corrigerende maatregelen de correcte toepassing van de regels kunnen versterken en de financiële belangen van de Unie doeltreffend kunnen beschermen; betreurt dat de aanhoudende foutenpercentages, hoewel vaak van technische aard, niettemin het vertrouwen van het publiek in een goed financieel beheer van de begroting van de Unie kunnen ondermijnen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>wijst erop dat, zoals bepaald in de Verdragen, de kwijtingsautoriteit voor haar kwijtingsbesluit voor het betreffende jaar een verklaring van de Rekenkamer nodig heeft over de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen aan het einde van het jaar; merkt op dat de uitgavenprogramma’s van de Unie meerjarig zijn en dat hun beheer- en controlesystemen meerdere jaren bestrijken, waardoor correcties en terugvorderingen na het einde van het jaar mogelijk zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>wijst erop dat de Commissie de hoofdverantwoordelijkheid draagt voor het voorkomen en opsporen van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad; merkt op dat de Rekenkamer, overeenkomstig haar mandaat, alle onregelmatigheden die tijdens haar controlewerkzaamheden aan het licht komen, moet melden; merkt voorts op dat de Rekenkamer vermoedens van strafbare feiten die onder de bevoegdheid van het EOM vallen en vermoedens van fraude, corruptie of andere illegale activiteiten doorverwijst naar het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF); merkt op dat de Rekenkamer in 2024 19 gevallen van vermoedelijke fraude aan OLAF heeft gemeld, en tegelijkertijd 7 van deze gevallen aan het EOM heeft doorgegeven, hetgeen er tot nu toe heeft geleid dat OLAF 6 onderzoeken heeft ingesteld en het EOM 7; prijst de Rekenkamer voor haar systematische verslaglegging aan OLAF en het EOM, met name gezien het feit dat informatie die voortvloeit uit controleactiviteiten een hoge mate van betrouwbaarheid heeft; wijst erop dat alle door de Rekenkamer vastgestelde gevallen van onregelmatige uitgaven aan OLAF en het EOM moeten worden gemeld, waarbij het aan deze bevoegde organen wordt overgelaten om te beoordelen of er sprake is van bedrieglijke bedoelingen die nader onderzoek rechtvaardigen; wijst op het belang van voortdurende coördinatie tussen de Commissie, OLAF, het EOM en de Rekenkamer om te zorgen voor een tijdige en doeltreffende follow-up van alle gemelde gevallen, in overeenstemming met hun respectieve mandaat; herhaalt dat de Commissie deze organen moet uitrusten met voldoende middelen om volledig doeltreffende grensoverschrijdende onderzoeks- en opsporingscapaciteiten te waarborgen; wijst op het belang van volledige operationele onafhankelijkheid van het EOM en OLAF;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Begrotings- en financieel beheer </STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>merkt op dat bij de tussentijdse herziening van het MFK, die in februari 2024 is goedgekeurd, een herziene technische aanpassing is doorgevoerd waardoor het maximum voor de vastleggingskredieten voor 2024 is verhoogd van 186,0 miljard EUR tot 186,8 miljard EUR, en het niveau van de betalingskredieten met 7,1 miljard EUR is verhoogd, waarbij de begroting voor definitieve betalingskredieten uitkwam op 149,7 miljard EUR, terwijl het totale betalingsmaximum op 170,5 miljard EUR gehandhaafd bleef; merkt voorts op dat bij de herziening ook de reserve voor Oekraïne en het herstelinstrument van de Europese Unie (EURI) zijn ingesteld als nieuwe speciale instrumenten die buiten de MFK-maxima vallen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>merkt op dat de begrotingsautoriteit aanvankelijk een begroting van de Unie voor 2024 van 189,4 miljard EUR aan vastleggingskredieten had goedgekeurd; merkt op dat vijf gewijzigde begrotingen die in de loop van het jaar zijn goedgekeurd, tot een nettoverhoging van 5,9 miljard EUR hebben geleid, waarbij de totale vastleggingen 195,3 miljard EUR bedroegen en het MFK-maximum van 186,8 miljard EUR werd overschreden; benadrukt dat dit mogelijk werd gemaakt door het gebruik van speciale MFK-instrumenten, die voorzien in extra middelen boven de maxima om in te spelen op nieuwe of onvoorziene behoeften;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>merkt op dat de absorptie van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) voor 2014-2020 in een vergevorderd stadium is, met betalingen ten belope van in totaal 475,2 miljard EUR, hetgeen overeenkomt met 97,0 % van de 489,9 miljard EUR die in het kader van de programma’s beschikbaar is; is ingenomen met het feit dat 21 lidstaten voor de programmeringsperiode 2014-2020 een absorptiepercentage van meer dan 95,0 % hebben gehaald, hetgeen blijk geeft van een sterke uitvoeringscapaciteit nu de periode ten einde loopt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>benadrukt dat de door de Commissie gepresenteerde cumulatieve absorptiepercentages, gebaseerd op voorfinanciering en tussentijdse betalingen aan de lidstaten, geen volledig beeld geven van de voortgang van de projectuitvoering ter plaatse, aangezien zij niet de totale bedragen omvatten die door nationale autoriteiten aan de eindontvangers zijn uitbetaald;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>merkt bezorgd op dat, ondanks een aanzienlijke toename van de betalingen in 2024, de absorptie in het kader van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening) voor 2021-2027 laag blijft, met 14,7 miljard EUR uitbetaald in 2024 ten opzichte van 6,3 miljard EUR in 2023, hetgeen nog steeds bescheiden is in verhouding tot de totale toewijzingen; merkt voorts op dat RRF-subsidiebetalingen in 2024 slechts 55,9 miljard EUR bedroegen, ongeveer de helft minder dan de prognose van de Commissie van juni 2023, als gevolg van aanhoudende vertragingen bij het indienen en verwerken van betalingsverzoeken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>merkt op dat de Commissie in 2024 voor de periode 2025-2027 een bedrag van 8,8 miljard EUR aan vrijmakingen had geraamd, een stijging ten opzichte van de in 2023 geraamde 8,1 miljard EUR voor de periode 2024-2027, waarbij deze stijging voornamelijk toe te schrijven is aan programma’s in het kader van het cohesiebeleid uit hoofde van het huidige MFK en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), aangezien de programma’s voor 2014-2020 in 2026 zullen worden afgesloten; stelt dat het lage uitvoeringspercentage in 2024 betekent dat vanaf 2025 aanzienlijke bedragen in de risicozone terecht zouden kunnen komen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>merkt bezorgd op dat de Commissie voor het Cohesiefonds (CF), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het ESF+ in totaal 2,7 miljard EUR aan vrijmakingen verwacht, een aanzienlijke stijging ten opzichte van de 2,2 miljard EUR die in 2023 werd geraamd en bijna zeven keer zoveel als de 0,4 miljard EUR die in 2022 werd geraamd, ondanks de aanname van een sterk versnelde uitvoering in 2026 en 2027; wijst erop dat, indien dit versnelde uitvoeringspercentage niet wordt gehaald, de bedragen die het risico lopen te worden vrijgemaakt verder zullen stijgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>waarschuwt dat de verschillende risico’s die de Rekenkamer in de begroting van de Unie heeft vastgesteld, met inbegrip van niet-afgewikkelde vastleggingen, de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen; verzoekt de Commissie, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Rekenkamer, proactief op te treden om ervoor te zorgen dat haar risicobeperkende instrumenten (zoals het gemeenschappelijk voorzieningsfonds) over voldoende capaciteit beschikken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>merkt op dat de uitstaande nominale waarde van de leningen van de Unie eind 2024 was opgelopen tot 601,3 miljard EUR, wat het gebruik van kapitaalmarkten voor de financiering van programma’s van de Unie, zoals het instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand (SURE) en NGEU, weerspiegelt; merkt op dat de totale uitstaande leningen tegen 2027 meer dan 900 miljard EUR zouden kunnen bedragen, bijna tien keer het niveau van 2020, vóór de introductie van NGEU; merkt op dat de Commissie sinds december 2022 een gediversifieerde financieringsstrategie toepast als haar standaardmethode voor het aantrekken van middelen op kapitaalmarkten, en wijst op het belang van transparante verslaglegging, budgettaire verantwoordelijkheid en goed financieel beheer in de context van toegenomen leningen en een groter renterisico om de budgettaire houdbaarheid te waarborgen en volledige verantwoordingsplicht en democratisch toezicht door de kwijtingsautoriteit te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>merkt op dat de rente-uitgaven in verband met de financiering van de niet-terugvorderbare NGEU-steun 5,4 miljard EUR bedroegen voor de periode 2021-2024, waarvan 3,4 miljard EUR alleen al in 2024, bijna 50,0 % hoger dan de oorspronkelijke prognose van 3,7 miljard EUR; constateert dat de totale rente-uitgaven in het huidige MFK tussen de 29,0 en 30,4 miljard EUR kunnen liggen, ongeveer het dubbele van de oorspronkelijke raming van de Commissie van 14,9 miljard EUR; merkt voorts op dat in een op verzoek van de Begrotingscommissie opgestelde briefing van 2024 getiteld “Management of debt liabilities in the EU budget under the post-2027 MFF”<FOOTNOTE><FIELD> https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/BRIE/2024/766173/IPOL_BRI(2024)766173_EN.pdf.</FIELD></FOOTNOTE> wordt geraamd dat de rentebetalingen voor de niet-terugvorderbare NGEU-steun in het volgende MFK kunnen oplopen tot 70,9 en 73,8 miljard EUR, hetgeen de langetermijngevolgen van NGEU-leningen voor de begroting benadrukt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>merkt op dat de blootstelling van de begroting van de Unie in 2024 is blijven toenemen, hetgeen het toenemende volume van opgenomen leningen en bijbehorende garanties weerspiegelt; wijst erop dat de totale blootstelling van de begroting van de Unie eind 2024 342,0 miljard EUR bedroeg, hetgeen neerkomt op een stijging van 14,8 % ten opzichte van de 298,0 miljard EUR eind 2023; beklemtoont dat deze trend het belang van een robuust systeem, budgettaire verantwoordelijkheid en transparante verslaglegging benadrukt om ervoor te zorgen dat de Unie onder alle omstandigheden haar schuldverplichtingen kan nakomen; wijst erop dat, in de context van stijgende schuldniveaus, de ontwikkeling van echte nieuwe eigen middelen essentieel is om te voorkomen dat de kosten van schuldaflossing prioriteiten binnen toekomstige meerjarige financiële kaders verdringen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>stelt bezorgd vast dat, zoals de Rekenkamer in Speciaal verslag 18/2025 “Flexibiliteit van de EU-begroting” heeft benadrukt, het MFK-voorstel van de Commissie voor de periode 2021-2027 niet voldoende was gebaseerd op een toereikende vaststelling en analyse van de behoeften en risico’s die met de begroting van de Unie moeten kunnen worden aangepakt; merkt op dat, hoewel de Unie dankzij de bestaande flexibiliteitsregelingen op nieuwe prioriteiten kon inspelen, verscheidene flexibiliteitsinstrumenten in de eerste jaren van het MFK herhaaldelijk waren uitgeput, waardoor de marge voor de rest van de periode werd beperkt; benadrukt dat het flexibiliteitskader te complex is en geen duidelijk gedefinieerde volgorde omvat voor het activeren van marges onder de maxima en speciale instrumenten daarboven; merkt bovendien op dat bepaalde flexibiliteitsinstrumenten niet alleen elkaar overlappen maar ook overlappen met thematische programma’s die op dezelfde behoeften zijn gericht, waardoor het financieel beheer en de besluitvorming onnodig ingewikkeld worden;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>steunt ten volle de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar jaarverslag over de uitvoering van de begroting betreffende het begrotingsjaar 2024 en in de bijbehorende speciale verslagen; verzoekt de Commissie deze aanbevelingen onverwijld uit te voeren en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de vorderingen die worden gemaakt met de uitvoering ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie met name om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>de betrouwbaarheid en transparantie van de financiële verslaglegging te versterken, met name door de helderheid van de presentatie van negatieve nettoactiva en te betalen kosten verder te verbeteren en door ervoor te zorgen dat de langetermijngevolgen van NGEU-leningen voor de begroting duidelijk en systematisch aan de begrotingsautoriteit worden meegedeeld;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>alle nodige maatregelen te nemen om de aanhoudende tekortkomingen in de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven aan te pakken, onder meer door de beheersautoriteiten betere en duidelijkere richtsnoeren te verstrekken, inspanningen voor het aanpakken van tekortkomingen die zijn vastgesteld in de uitgaven op basis van vergoedingen voort te zetten en toe te zien op de consequente toepassing van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat wanneer risico’s blijven bestaan;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>haar methode voor het risico bij betaling aan te passen om te zorgen voor volledige afstemming tussen haar risicoschattingen en de controleomgeving waarop zij zich baseert;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>de monitoring van de uitvoering van fondsen onder gedeeld beheer voor de periode 2021-2027 te versterken, met inbegrip van een actievere follow-up van lage absorptiepercentages, meer administratieve ondersteuning en gerichte technische bijstand aan de lidstaten en systematische vaststelling van structurele knelpunten waardoor de uitvoering wordt vertraagd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>volledig gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten om vrijmakingen te voorkomen en ervoor te zorgen dat toegewezen middelen volledig en doeltreffend worden geabsorbeerd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>duidelijk te communiceren over de impact van de verwachte rente-uitgaven op de door de Unie opgenomen leningen, met inbegrip van de gevolgen daarvan voor de begroting van toekomstige MFK’s, en de duurzaamheid van de huidige gediversifieerde financieringsstrategie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>de flexibiliteitsarchitectuur van de begroting van de Unie voor het volgende MFK te herzien en te vereenvoudigen, onder meer door een duidelijke volgorde vast te stellen voor het mobiliseren van marges en speciale instrumenten, de complementariteit tussen flexibiliteitsinstrumenten te waarborgen en de transparantie en voorspelbaarheid bij het gebruik ervan te vergroten, waarbij het democratische toezicht door de begrotingsautoriteit volledig wordt gewaarborgd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>aan te bevelen dat de Commissie in toekomstige MFK-voorstellen een alomvattende analyse van behoeften, risico’s en crisisresponscapaciteit opneemt om ervoor te zorgen dat flexibiliteitsinstrumenten voldoende gerechtvaardigd en adequaat gefinancierd zijn en onvoorziene gebeurtenissen kunnen opvangen zonder voortijdig uitgeput te raken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie, met name OLAF en het EOM, wordt voorzien van voldoende en passende middelen, en dat robuuste samenwerking tussen hen en met de Commissie wordt vergemakkelijkt, onder meer door de tijdige overdracht van vermoedelijke fraudegevallen en de versterking van strategieën voor fraudepreventie, met name op uitgavengebieden met een hoog risico en grootschalige financieringsinstrumenten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>duidelijke, gebruiksvriendelijke samenvattingen van prestatie- en uitgavenoverzichten te publiceren, met inbegrip van overzichten van één pagina en interactieve dashboards met machineleesbare datasets;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Ontvangsten</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>is verheugd dat de controle-informatie over het geheel genomen ook voor het begrotingsjaar 2024 erop wijst dat de ontvangsten geen materieel foutenpercentage vertoonden; blijft er tegelijkertijd op wijzen dat de problemen met onjuist of in het geheel niet opgegeven douanerechten (de “douanekloof”) leiden tot een tekort aan geïnde invoerrechten, hetgeen al vele jaren een hardnekkig probleem is voor de Unie en haar lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>onderstreept het belang van de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de inning van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) en de traditionele eigen middelen (TEM) om eerlijke mededinging en eerlijke belastingheffing op de eengemaakte markt te waarborgen en ervoor te zorgen dat de lasten van de financiering van de uitgaven van de Unie eerlijk over de lidstaten worden verdeeld; stelt met tevredenheid vast dat de door de Rekenkamer onderzochte stelsels voor ontvangsten over het algemeen doeltreffend waren; dringt er tegelijkertijd bij de Commissie op aan de inspanningen op te voeren om de inning van de bestaande eigen middelen te verbeteren, onder meer door de door de Rekenkamer vastgestelde resterende tekortkomingen aan te pakken, met name in verband met aanslepende kwesties inzake punten van voorbehoud inzake btw en openstaande punten inzake TEM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>benadrukt dat de hervorming van het douanesysteem van de Unie belangrijk blijft voor zowel de modernisering van de eigen middelen als voor de doeltreffende bestrijding van de georganiseerde criminaliteit op Europees en op nationaal niveau; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer over de noodzaak van verdere planning van de uitvoering en operationalisering; onderstreept dat het belangrijk is de overeengekomen hervormingselementen tijdig en op gecoördineerde wijze te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>wijst erop dat snelle goedkeuring en uitvoering van alle elementen van het voorstel voor een douanehervorming een kernprioriteit moet blijven; benadrukt dat met de oprichting van de EU-douaneautoriteit en de EU-douanedatahub moet worden bijgedragen tot realtime risicobeoordeling, opsporing van fraude en uniforme toepassing van douaneregels, ter vervanging van gefragmenteerde nationale systemen voor een sterkere gedigitaliseerde douane-unie; onderstreept dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de hervorming bijdraagt tot een aanzienlijke vermindering van de douanekloof en de doeltreffendheid van de douanecontroles van de Unie vergroot; wijst op het belang van realtime risicobeoordeling en gedigitaliseerde douanecontroles;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>prijst de inspanningen van het EOM en OLAF om de georganiseerde uitbuiting van tekortkomingen in de douanecontroles van de Unie te bestrijden; pleit voor verdere versterking van de operationele capaciteit en deskundigheid van het EOM bij het aanpakken van patronen van georganiseerde criminaliteit die van invloed zijn op de inkomsten en uitgaven van de Unie, onder meer door middel van gespecialiseerde gezamenlijke taken, een betere uitwisseling van inlichtingen en capaciteiten op het gebied van de analyse van risico’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>onderstreept het belang van preventieve en voorzorgsmaatregelen in het kader van de bestrijding van btw-fraude; moedigt de verkenning aan van innovatieve benaderingen, zoals risicogebaseerde steekproeven en statistische extrapolatie van controleresultaten naar bredere transactiepopulaties, met volledige inachtneming van juridische waarborgen en evenredigheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>is ingenomen met de voorstellen voor nieuwe eigen middelen die door de Commissie zijn ingediend, onder meer als onderdeel van het pakket voorstellen voor het volgende MFK, die op zijn minst de uitgaven in verband met de rente op en terugbetaling van leningen in het kader van de RRF moeten kunnen dekken, om ervoor te zorgen dat dergelijke uitgaven middelen van de Unie die beschikbaar zijn voor reguliere uitgavenprogramma’s van de Unie niet beperken; erkent dat ook andere inkomstenbronnen in overweging kunnen worden genomen indien de bestaande voorstellen niet worden uitgevoerd zonder de budgettaire verantwoordelijkheid in het gedrang te brengen; is van mening dat de inkomsten die een belasting op digitale diensten en een belasting op financiële transacties kunnen genereren, mogelijke oplossingen zijn;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen:</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie met name om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>de noodzakelijke stappen te zetten om de uitvoering van de douanehervorming tijdig en doeltreffend te ondersteunen, met inbegrip van de oprichting en de initiële werking van de EU-douaneautoriteit en de ontwikkeling, de uitvoering en het onderhoud van de EU‑douanedatahub;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de samenwerking op douanegebied met andere landen buiten de Unie te intensiveren teneinde de handel te vergemakkelijken en de strijd tegen grensoverschrijdende belasting- en douanefraude op te voeren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>de inspanningen op te voeren om de inning van de bestaande inkomstenbronnen van de Unie te verbeteren, onder meer die van elektronische handel, door de door de Rekenkamer vastgestelde resterende tekortkomingen aan te pakken, met name die welke verband houden met aanslepende kwesties inzake punten van voorbehoud inzake btw en openstaande punten inzake traditionele eigen middelen (TEM);</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>te blijven werken aan de invoering van nieuwe eigen middelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>de grote uitdagingen op het gebied van de douanekloof die de snelle groei van de elektronische handel voor de douaneautoriteiten met zich meebrengt, blijven aanpakken; te zorgen voor voldoende personele, technische en financiële middelen;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder rubriek 1 van het MFK “Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid” 25,9 miljard EUR (13,5 % van de begroting van de Unie) bedroeg, en als volgt was verdeeld: 14,9 miljard EUR (57,6 %) voor onderzoek, 4,1 miljard EUR (15,9 %) voor vervoer, energie en digitaal beleid, 3,1 miljard EUR (11,9 %) voor het InvestEU-programma, 2,3 miljard EUR (8,8 %) voor ruimtevaart en 1,5 miljard EUR (5,8 %) voor andere gebieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer 127 verrichtingen heeft onderzocht die het volledige scala aan uitgaven onder deze MFK-rubriek bestrijken; stelt met bezorgdheid vast dat 32 (25 %) van de 127 door de Rekenkamer onderzochte verrichtingen fouten bevatten; betreurt dat de Rekenkamer, op basis van de 28 kwantificeerbare fouten die zij heeft aangetroffen en aanvullende fouten die zijn ontdekt in verrichtingen van rubriek 1 van het MFK die zijn uitgevoerd door agentschappen van de Unie, gemeenschappelijke ondernemingen en het Europees Instituut voor innovatie en technologie, het foutenpercentage in de uitgaven voor “Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid” in 2024 op 3,2 % schat; merkt voorts op dat de Commissie voor deze rubriek het risico bij betaling op 1,6 % schat, hetgeen in de onderste helft van het bereik van de schatting van de Rekenkamer ligt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>neemt kennis van de categorisering van fouten door de Rekenkamer, waarbij niet-subsidiabele directe personeelskosten 76 % van de fouten uitmaken, niet-subsidiabele andere directe kosten (btw, reis- of uitrustingskosten) 18 %, niet-subsidiabele onderaanneming 4 % en niet-subsidiabele indirecte kosten 2 %;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>wijst met bezorgdheid op de opmerking van de Rekenkamer dat onderzoek een uitgaventerrein met een hoog risico blijft, met name op het gebied van personeelskosten; merkt op dat de Rekenkamer bij haar steekproef in 26 van de 99 onderzoeks- en innovatieverrichtingen kwantificeerbare fouten heeft aangetroffen; erkent dat de wijze waarop middelen worden uitbetaald van invloed is op het foutenrisico en de complexe regels voor financiering op basis van vergoedingen die doorgaans op het gebied van onderzoek worden gebruikt; onderstreept in dit verband dat de regels voor onderzoeks- en innovatieprogramma’s van de Unie moeten worden vereenvoudigd om het risico op fouten te verminderen en tegelijkertijd de toegang van begunstigden, met name kmo’s, tot financiering van de Unie te vergemakkelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer tevens een aantal problemen heeft vastgesteld bij projecten in het kader van de Connecting Europe Facility (CEF), waaronder de rapportage van indirecte kosten, verschillen tussen gedeclareerde en daadwerkelijke betalingen, en niet-conforme aanbestedingsprocedures, en dringt aan op strikte naleving door alle partners van de regels aangaande de subsidiabiliteit van uitgaven en de regels van goed financieel beheer; beklemtoont verder dat met deze problemen rekening moet worden gehouden in het kader van de volgende CEF-verordening (2028-2034), teneinde de transparantie bij de uitvoering van CEF-projecten en de meerwaarde van deze projecten voor de EU te vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>is verheugd dat de Rekenkamer voor haar jaarverslag 2024 ook de prestatie-informatie in rubriek 1 van het MFK heeft beoordeeld, die was opgenomen in de verklaringen over de prestaties van de programma’s van het door de Commissie opgestelde jaarlijks beheers- en prestatieverslag 2023; waardeert de algemene conclusie van de Rekenkamer dat het ontwerp van de prestatie-indicatoren is verbeterd ten opzichte van de programmeringsperiode 2014-2020, met inbegrip van het evenwicht tussen verschillende soorten indicatoren (input, output, resultaat en impact) in het geval van Horizon Europa, het EU-ruimtevaartprogramma en InvestEU; stelt met bezorgdheid vast dat de wetgeving voor de Connecting Europe Facility (CEF) 2021-2027 geen resultaat- of impactindicatoren bevat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>is bezorgd over het feit dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de traceerbaarheid van de gerapporteerde resultaten nog te wensen over laat, met name wat betreft Horizon 2020; onderstreept het belang van het controleren en waarborgen van de traceerbaarheid en betrouwbaarheid van de gegevens die worden gebruikt om prestatie-indicatoren vast te stellen; merkt op dat door de invoering en het toenemende gebruik van vereenvoudigde kostenopties en financieringsmodellen die niet gekoppeld zijn aan de kosten, tekortkomingen in de traceerbaarheid en betrouwbaarheid van prestatiegegevens moeten worden aangepakt om de financiële belangen van de Unie te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>neemt met bezorgdheid kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat de Commissie geen informatie op projectniveau kon verstrekken voor InvestEU, aangezien InvestEU onder indirect beheer wordt uitgevoerd, aangevuld met monitoringbezoeken; betreurt het antwoord van de Commissie dat de uitvoerende partners van InvestEU noch op grond van de garantieovereenkomsten noch op grond van de InvestEU-verordening verplicht zijn om kernprestatie-indicatoren (KPI’s) op projectniveau te verstrekken; is van mening dat gegevens op projectniveau de grondslag moeten vormen voor verbeterde verslaglegging over de prestaties met betrekking tot financiële instrumenten die onder indirect beheer worden uitgevoerd, zoals InvestEU; benadrukt dat de Europese Investeringsbank (EIB), als belangrijkste uitvoerende partner van InvestEU, aan de hoogste normen inzake transparantie en verantwoordingsplicht moet voldoen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>is bezorgd over het feit dat de Rekenkamer constateerde dat de vooruitgang bij het behalen van de KPI-streefdoelen over het algemeen beperkter was dan in de beoordeling van de Commissie; merkt op dat de programma’s van het MFK 2021-2027 grotendeels op schema liggen om de streefdoelen te behalen, terwijl de streefdoelen van de programma’s van 2014-2020 slechts gedeeltelijk zijn bereikt; neemt bezorgd kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat minder dan de helft van de prestatie-indicatoren van Horizon 2020 en de CEF 2014-2020 aangeeft dat resultaten zijn behaald of op schema liggen; merkt op dat voor InvestEU 50 % van de indicatoren in de prestatieoverzichten van het programma geen streefdoel bevatten; neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat, gezien de markt- en vraaggestuurde aard van financieringsinstrumenten zoals InvestEU, de resultaten van dergelijke programma’s afhangen van de mate waarin zij door de markt worden benut, waardoor de Commissie in beperkte mate in staat is vooraf bepaalde mijlpalen en streefdoelen vast te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>wijst op het belang van financieringsprogramma’s van de Unie voor onderzoek en innovatie (O&amp;I) voor de wetenschappelijke, maatschappelijke, economische en technologische ontwikkeling van de Unie, de adequate aanpak van nieuwe prioriteiten en uitdagingen, het terugdringen van ongelijkheden, de verwezenlijking van de groene en de digitale transitie en de vermindering van de energieafhankelijkheid van de Unie ten opzichte van Rusland; benadrukt dat meer financiering voor O&amp;I nodig is om het concurrentievermogen, het technologisch leiderschap en de strategische autonomie van de Unie te vergroten en de innovatiekloof met mondiale concurrenten te dichten, en dat een sterkere en gerichtere investeringsinspanning op het gebied van O&amp;I, in combinatie met een vermindering van de administratieve lasten voor aanvragers en een betere mobilisering van particulier kapitaal, van essentieel belang is, ook om gevolg te geven aan de aanbevelingen ter zake uit het Draghi-verslag; wijst erop dat in het Draghi-verslag wordt benadrukt dat excellentie op het gebied van onderzoek en innovatie van fundamenteel belang is voor het concurrentievermogen van de Unie en dat er binnen het onderzoeks- en innovatiesysteem van de Unie, waaronder het programma Horizon Europa, één selectiecriterium zou moeten worden gehanteerd, namelijk excellentie; herhaalt in dit verband zijn standpunt dat de financiering van onderzoek en innovatie ook in de toekomst door het beginsel van excellentie moet worden bepaald en gebaseerd moet zijn op verdienste;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>merkt op dat volgens de ex-postevaluatie van Horizon 2020 elke euro die aan het programma wordt uitgegeven tegen 2040 vijf euro aan voordelen voor de samenleving zal opleveren; betreurt ten zeerste dat 74 % van de door onafhankelijke deskundigen als hoogwaardig beoordeelde voorstellen niet konden worden gefinancierd vanwege budgettaire beperkingen; merkt op dat er nog eens 159 miljard EUR nodig zou zijn geweest om alle hoogwaardige voorstellen te financieren; wijst op het belang van voldoende financiering voor O&amp;I in de Unie om de duurzame welvaart en het concurrentievermogen van de Unie te stimuleren; acht het van belang dat er ten volle gebruik wordt gemaakt van het excellentiekeurmerk en andere aanvullende Unie- en nationale financieringsinstrumenten, waaronder die in het kader van het cohesiebeleid, om hoogwaardige maar niet-gefinancierde onderzoeks- en innovatieprojecten te ondersteunen en regionale innovatie-ecosystemen in de hele Unie te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>benadrukt het belang van vereenvoudiging van de regels en procedures voor de financiering van O&amp;I door de Unie om de toegang van begunstigden tot financiering en de uitvoering van programma’s te vergemakkelijken; benadrukt dat vereenvoudigingsmaatregelen zodanig moeten worden geformuleerd dat ze ten goede komen aan aanvragers en begunstigden, waaronder nieuwe aanvragers, kmo’s en universiteiten, en tevens de aanzet geven tot kleinere en flexibelere consortia, modulaire projectstructuren en gefaseerde deelname en daarmee een bredere deelname en doeltreffende inclusie in de hele Unie vergemakkelijken; is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat zij, hoewel in het kader van Horizon Europa vereenvoudigingen waren ingevoerd om de kostenrapportage van begunstigden te vergemakkelijken, geen significante verschillen heeft vastgesteld tussen Horizon 2020 en Horizon Europa wat betreft de regelmatigheid van de uitgaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat de Commissie de meeste van haar aanbevelingen uit voorgaande jaren heeft uitgevoerd; is niettemin bezorgd over het feit dat het instrument Personnel Costs Wizard, waarvan de Rekenkamer het gebruik sterk aanmoedigt, met name door bepaalde categorieën begunstigden die meer geneigd zijn om fouten te maken, zoals kmo’s en nieuwkomers, nog niet gereed was ten tijde van de controle van de Rekenkamer; neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer in haar steekproef van 2024 dat bij 5 van de 34 Horizon Europa-verrichtingen begunstigden voor de berekening van personeelskosten de berekeningsmethode gebruikten die van toepassing was op Horizon 2020 of zich niet volledig aan de nieuwe regels hielden die van toepassing zijn op Horizon Europa; is van mening dat de ontwikkeling en het gebruik van instrumenten zoals de Personnel Costs Wizard begunstigden zou kunnen helpen om de juiste regels toe te passen voor de berekening van personeelskosten, de grootste bron van fouten in MFK-rubriek 1;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>merkt op dat de Commissie in 2024 de invoering van vereenvoudigde kostenopties zoals forfaitaire bedragen en eenheidskosten in Horizon Europa heeft voortgezet, waarbij forfaitaire financiering goed is voor 27 % van de totale begroting (toegewezen aan oproepen) in de werkprogramma’s voor 2024; herinnert aan de verduidelijking van de Rekenkamer dat wanneer forfaitaire subsidies worden verstrekt, de begunstigden een vooraf vastgesteld forfaitair bedrag krijgen voor elk voltooid werkpakket, ongeacht de werkelijk gemaakte kosten; merkt voorts op dat de Commissie voornemens is om uiterlijk in 2027 tot 50 % van haar begroting (toegewezen aan oproepen) in het kader van Horizon Europa in de vorm van forfaitaire financiering te verstrekken; is bezorgd over het feit dat de Rekenkamer om de in kader 5.4 van haar jaarverslag toegelichte redenen niet kon beoordelen of het opnemen van een specifiek apparaat in het begrotingsvoorstel noodzakelijk en gerechtvaardigd was in het geval van een door haar gecontroleerde forfaitaire subsidie; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat toekomstige financieringsinstrumenten waarborgen bevatten om overcompensatie te voorkomen voor apparatuur die niet daadwerkelijk is aangekocht, maar wel in de forfaitaire begroting is opgenomen, waarmee gevolg wordt gegeven aan de opmerkingen van de Rekenkamer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>erkent dat uit de tussentijdse evaluatie van Horizon Europa is gebleken dat forfaitaire bedragen in een reële vereenvoudiging voor de begunstigden voorzien, aangezien de geraamde besparingen variëren tussen 14 % en 30 % van hun administratieve kosten; neemt kennis van de bevindingen van de beoordeling door de Commissie van de forfaitaire financiering in Horizon 2020 en Horizon Europa 2018-2024, waaronder het feit dat begunstigden de Commissie ook hebben laten weten dat zij meer duidelijkheid zouden willen over de manier waarop forfaitaire subsidies worden gecontroleerd; stelt het op prijs dat de Commissie in 2024 een strategie voor verificatie achteraf van Horizon Europa-subsidies heeft ingevoerd, met inbegrip van een methode voor technische evaluaties achteraf van forfaitaire subsidies; merkt op dat de Commissie in het vierde kwartaal van 2024 met de eerste dertig technische evaluaties achteraf van Horizon Europa is gestart; is zich tegelijkertijd bewust van de opmerking van de Rekenkamer dat forfaitaire bedragen weliswaar geschikt worden geacht voor nauwkeurig omschreven werkpakketten, maar dat problemen met de toepassing van een dergelijk systeem zouden ontstaan wanneer vertragingen zijn opgetreden bij de uitvoering van werkpakketten, wanneer pakketten slechts ten dele zijn uitgevoerd of activiteiten in de werkpakketten door andere activiteiten zijn vervangen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat de financiële steun van de EU aan derden in onderzoeksprogramma’s aanzienlijk is toegenomen, aangezien in het kader van Horizon 2020-subsidies voor de gehele programmeringsperiode 2,5 miljard EUR aan dergelijke financiering werd verstrekt, terwijl tegen het einde van 2024 5,5 miljard EUR in het kader van Horizon Europa werd verstrekt; is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat bij negen van de elf in de steekproef opgenomen verrichtingen met betrekking tot subsidies aan derden, de in artikel 207 van het Financieel Reglement vastgestelde financieringsdrempel van 60 000 EUR werd overschreden zonder deugdelijke motivering voor een afwijking in het werkprogramma of de oproep; merkt op dat volgens de Commissie de noodzaak van hogere subsidiebedragen inherent is aan bepaalde soorten acties; is gealarmeerd door de bevinding van de Rekenkamer dat derden niet verplicht zijn de doeltreffendheid van hun controles aan te tonen om de regelmatigheid van de uitgaven van de Unie te waarborgen; is het met de Rekenkamer eens dat dit een bijzonder risico vormt voor goed financieel beheer en de bescherming van de financiële belangen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>merkt op dat onderzoeks- en innovatieprogramma’s van de Unie, waaronder Horizon Europa, de ontwikkeling van geavanceerde technologieën voor civiele toepassingen ondersteunen, maar erkent dat bepaalde technologieën inherente risico’s voor tweeërlei gebruik kunnen meebrengen; is van mening dat er voor de versterking van de defensie van de Unie meer steun voor onderzoek en innovatie in het kader van Horizon Europa nodig is; wijst op het aanzienlijke potentieel van opkomende technologieën, met name op gebieden als artificiële intelligentie, cyberbeveiliging en kwantumcomputing, om bij te dragen aan de veiligheid en weerbaarheid van de Unie; is van mening dat civiele onderzoeks- en innovatieprogramma’s daarom op passende wijze moeten worden ondersteund en strategisch op elkaar moeten worden afgestemd, onder meer door, in voorkomend geval, ervoor te zorgen dat de resultaten ervan kunnen worden ingezet voor toepassingen voor tweeërlei gebruik om de defensievermogens van de EU te waarborgen; neemt echter met bezorgdheid kennis van het antwoord van de Commissie dat zij momenteel na afloop van een project niet specifiek monitort of de resultaten van door de Unie gefinancierde O&amp;I-projecten voor tweeërlei gebruik, militaire of defensietoepassingen worden gebruikt; verzoekt de Commissie te zorgen voor passende monitoring van de follow-up van door de Unie gefinancierde O&amp;I-projecten met mogelijke toepassingen voor tweeërlei gebruik, militaire of defensietoepassingen, in overeenstemming met de Unievoorschriften; benadrukt het belang ervoor te zorgen dat de financiering van de Unie volledig in overeenstemming is met de waarden en verplichtingen van de Unie krachtens het internationaal recht; wijst er tegelijkertijd op dat de Commissie de follow-up van door de Unie gefinancierde onderzoeksresultaten moet versterken, met inbegrip van de overgang ervan naar commercieel gebruik, teneinde de maatschappelijke impact te maximaliseren en voor een adequaat rendement op investeringen voor de belastingbetaler te zorgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>wijst erop dat 75 % (19,6 miljard EUR) van de begrotingsgarantie van de Unie in het kader van de InvestEU-verordening aan de EIB-groep is toegewezen; wijst tevens op de aanbevelingen van de kwijtingsautoriteit in haar eerdere verslagen over de controle van de financiële activiteiten van de EIB; wijst op de lacunes op het gebied van verantwoording en controle met betrekking tot de verrichtingen van de EIB, zoals vastgesteld in verklaring CC 1/2025 van het Contactcomité; benadrukt dat het controlekader moet worden afgestemd op en aangepast aan het uitgebreide mandaat van de EIB; dringt er bij de Commissie op aan de Rekenkamer actief te ondersteunen bij het verlenen van volledige toegang tot EIB-activiteiten voor controledoeleinden; onderstreept de noodzaak van uitgebreide informatie over de kwaliteit van de portefeuille en de risicobeheerpraktijken van de EIB om zinvol democratisch toezicht op haar activiteiten mogelijk te maken; verzoekt de Commissie samen te werken met de EIB om de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de kwaliteit van haar portefeuille, ervoor te zorgen dat risicobeoordelingsprofielen voor grootschalige investeringen aan een onafhankelijke evaluatie worden onderworpen en dat de EIB de lessen bekendmaakt die zijn getrokken uit gevallen waarin aanzienlijke leningen tot wanbetaling hebben geleid; benadrukt dat het vertrouwen van het publiek in een goed beheer van door de Unie gesteunde leningen staat of valt met de hoogste normen van institutionele integriteit; dringt er daarom bij de Commissie op aan van de EIB te verlangen dat zij de mechanismen ter voorkoming van belangenconflicten versterkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>onderstreept het strategische belang van onderzoek op het gebied van defensie voor het versterken van de veiligheid en de weerbaarheid van de Unie op lange termijn; benadrukt dat er voor onderzoek op het gebied van defensie en veiligheid nauwe en op vertrouwen gebaseerde samenwerking tussen de lidstaten nodig is om ervoor te zorgen dat het geld van de belastingbetalers in de Unie kosteneffectiever en efficiënter wordt besteed, onnodig overlapping wordt voorkomen en synergieën worden bevorderd; benadrukt dat onderzoeksactiviteiten op dit gebied noodzakelijkerwijs gepaard gaan met zeer gevoelige gegevens, technologieën en informatie en dat daarvoor de hoogste normen moeten gelden inzake bescherming tegen inmenging van buitenaf of kwaadwillige manipulatie; acht het daarom dringend noodzakelijk dat er een gemeenschappelijke en solide beschermende architectuur op Unieniveau wordt ontwikkeld om hybride dreigingen tegen te gaan en kritieke kennis-, infrastructuur- en innovatie-ecosystemen te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>herinnert eraan dat het Europees Parlement op 10 maart 2022 heeft besloten de commissie PEGA in te stellen om vermeende inbreuken op of wanbeheer bij de toepassing van Uniewetgeving met betrekking tot het gebruik van Pegasus en gelijkwaardige spyware voor surveillance te onderzoeken, en herinnert aan de aanbeveling van het Europees Parlement van 15 juni 2023 aan de Raad en de Commissie, die is aangenomen naar aanleiding van de werkzaamheden van de commissie PEGA<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten: P9_TA(2023)0244. https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/TA-9-2023-0244_NL.html.</FIELD></FOOTNOTE>; uit zijn ontevredenheid over het feit dat de Commissie nog steeds geen handhavingsmaatregelen en wetgevende follow-up heeft voorgelegd naar aanleiding van de aanbevelingen van het Parlement over het gebruik van Pegasus en soortgelijke spyware; neemt nota van berichten in de media<FOOTNOTE><FIELD> https://www.ftm.eu/articles/spyware-industry-eu-subsidies-surveillance-concers.</FIELD></FOOTNOTE> waarin wordt beweerd dat financiering van de Unie mogelijk rechtstreeks is gebruikt ter ondersteuning van bedrijven die betrokken zijn bij de ontwikkeling, uitrol en uitvoer van spyware door entiteiten waarvan de technologieën in verband zijn gebracht met onrechtmatige surveillance van journalisten, mensenrechtenverdedigers en politieke actoren in de Unie en in derde landen; neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat het correcte gebruik van middelen van de Unie wordt gewaarborgd door diverse contractuele bepalingen om het toepasselijk recht en de waarden van de Unie na te leven en dat niet-naleving van deze verplichtingen kan leiden tot diverse contractuele maatregelen, waaronder opschorting van het contract of de betalingen en beëindiging van het contract; neemt ook kennis van het schriftelijke antwoord van de Commissie dat zij van mening is verschillende maatregelen te hebben genomen om het risico aan te pakken dat spyware in verkeerde handen valt en om de bescherming van potentiële slachtoffers van spyware te verbeteren, met inbegrip van de Europese verordening mediavrijheid, de e‑privacyrichtlijn, de verordening cyberweerbaarheid en de verordening tweeërlei gebruik, en dat in haar jaarlijkse rechtsstaatverslagen ook aandacht wordt besteed aan ontwikkelingen met betrekking tot beschuldigingen van illegaal gebruik van spyware;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>neemt kennis van het antwoord van de Europese Commissie aan de Commissie begrotingscontrole dat de bedrijven in kwestie sinds 2021 in totaal 12,77 miljoen EUR uit de begroting van de Unie hebben ontvangen; betreurt het dat de Europese Commissie slechts gedeeltelijke informatie met de Commissie begrotingscontrole heeft gedeeld over het totale bedrag aan financiering van de Unie dat is toegewezen aan ondernemingen die zich bezighouden met spyware of binnendringsoftware, aangezien het antwoord dat zij heeft gegeven beperkt is tot informatie die al openbaar beschikbaar is in het systeem voor financiële transparantie (FTS), dat momenteel alleen informatie publiceert over begunstigden en contractanten onder direct beheer en over uitvoerende partners onder indirect beheer; betreurt het dat de kwijtingsautoriteit een onvolledig antwoord op haar verzoek heeft ontvangen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>benadrukt het belang van investeringen van de Unie in de ontwikkeling van goed presterende, duurzame en onderling efficiënt verbonden trans-Europese netwerken op het gebied van vervoer, energie en digitale diensten, en merkt op dat de CEF, met 4,1 miljard EUR aan uitgaven in 2024, een belangrijk instrument van de Unie is om deze doelstellingen te verwezenlijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>neemt kennis van het schriftelijke antwoord van de Commissie dat sinds 2021 12,63 miljoen EUR aan financiering in het kader van CEF Hernieuwbare energie aan de productie van hernieuwbare waterstof en bijbehorende infrastructuur is besteed en 187,21 miljoen EUR aan financiering in het kader van CEF Vervoer aan tankstations is besteed; merkt voorts op dat de Commissie tussen 2021 en 2024 791,13 miljoen EUR aan subsidies in het kader van het Innovatiefonds aan projecten op het gebied van e‑brandstoffen heeft toegewezen; acht het van belang dat middelen van de Unie worden toegewezen voor het ondersteunen van oplossingen waarmee decarbonisatie en schaalbaarheid op lange termijn kunnen worden verwezenlijkt en dat met het oog op een efficiënt gebruik van overheidsmiddelen en de grootst mogelijke klimaatimpact een empirisch onderbouwde aanpak van nieuwe oplossingen wordt gevolgd; benadrukt dat alle technologieën moeten worden beoordeeld op hun doeltreffendheid en schaalbaarheid; vraagt voorzichtig te zijn met het toewijzen van middelen van de Unie aan technologieën waarvan de rol op lange termijn in het decarbonisatietraject onzeker of beperkt is; benadrukt dat het van doorslaggevend belang is om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken; benadrukt dat er moet worden gezorgd voor een betrouwbare, betaalbare en veerkrachtige energievoorziening in de Unie; merkt in dit verband op dat de Commissie een technologieneutrale benadering van onderzoek en innovatie moet bevorderen; vraagt met name om steun voor grensoverschrijdende projecten om echte Europese oplossingen op het gebied van energievoorziening te bevorderen, een kostenefficiënt gebruik van middelen van de Unie te waarborgen, de interne markt te versterken en EU-meerwaarde te creëren; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de financieringscriteria gestoeld zijn op meetbare resultaten op het gebied van emissiereductie in plaats van op voorgeschreven technologische voorkeuren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>herinnert eraan dat de digitalemarktenverordening tot doel heeft te zorgen voor eerlijke en innovatievriendelijke digitale markten in Europa en te voorkomen dat één enkele speler deze markten domineert ten koste van consumenten, concurrenten of democratisch toezicht; wijst op de aanzienlijke negatieve gevolgen die een dominante positie op de digitale markt heeft voor de grondrechten en de verspreiding van informatiemanipulatie en desinformatie, en op de noodzaak van gezamenlijk optreden van de Unie op deze gebieden; merkt op dat het directoraat-generaal Concurrentie (DG COMP) in 2024 te kampen had met een ernstig personeelstekort, zoals blijkt uit zijn jaarlijks activiteitenverslag 2024; merkt op dat DG COMP personeel heeft overgeplaatst naar eenheden die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de digitalemarktenverordening, waardoor bij andere afdelingen personeelstekorten zijn ontstaan;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>de aanbevelingen van de Rekenkamer inzake wettigheid en regelmatigheid en prestatieverslaglegging volledig op te volgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>te zorgen voor aanzienlijk meer financiering van de Unie voor onderzoek en innovatie, op basis van het beginsel van excellentie en verdienste;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>bindende vereisten in te voeren voor uitvoerende partners, met inbegrip van de EIB, om te voorzien in prestatieverslaglegging op basis van gegevens op projectniveau, ook voor financieringsinstrumenten die in indirect beheer worden uitgevoerd, zoals InvestEU; verlangt dat dergelijke verslaglegging gebaseerd is op een evenwichtige mix van output-, resultaat- en impactindicatoren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>de vereenvoudigingsmaatregelen die voor Horizon Europa zijn ingevoerd, te evalueren om na te gaan of deze voor begunstigden en aanvragers van projecten een echte vereenvoudiging inhouden, en daarbij onder meer te kijken naar het effect ervan op de administratieve lasten, de deelnamepercentages, het geografische evenwicht en de toegang voor nieuwe aanvragers, vooral uit minder goed presterende regio’s, en de bevordering van synergieën met andere instrumenten van de Unie, waaronder het cohesiebeleid en het excellentiekeurmerk;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>het gebruik te ontwikkelen en te stimuleren van hulpmiddelen, zoals de Personnel Costs Wizard, die begunstigden helpen de juiste regels voor het berekenen van personeelskosten toe te passen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>de lessen te evalueren die zijn getrokken uit de technische evaluaties achteraf voor forfaitaire subsidies die in 2024 en 2025 zijn gestart, en hierover verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat toekomstige financieringsinstrumenten waarborgen bevatten om overcompensatie te voorkomen voor uitrusting die niet daadwerkelijk is aangekocht, maar wel in de forfaitaire begroting is opgenomen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>een evaluatie te maken van een representatieve steekproef van forfaitaire subsidies, en de lessen die zijn getrokken uit de uitvoering ervan en de methoden die zijn gebruikt voor het vaststellen van de financiële steun van de Unie te analyseren alvorens het gebruik van forfaitaire subsidies in toekomstige financieringsinstrumenten verder uit te breiden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>een alomvattend overzicht op te stellen van de financiering van de Unie voor de ontwikkeling, uitrol en uitvoer van spyware of binnendringsoftware voor alle beheersvormen sinds 2021, een actieplan te formuleren om het gebruik van spyware in de Unie tegen te gaan, en dit alles te delen met de kwijtingsautoriteit;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>een technologieneutrale benadering van onderzoek en innovatie te volgen, onder meer door grensoverschrijdende projecten te bevorderen, teneinde de verwezenlijking van klimaatneutraliteit in uiterlijk 2050 te ondersteunen, een stabiele, veerkrachtige en betaalbare energievoorziening in de Unie te bevorderen, en tegelijk kosteneffectiviteit te waarborgen, vaart te zetten achter de verwezenlijking van de Europese klimaatdoelstellingen en het concurrentievermogen te versterken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xi)</SYMBOL>de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van defensie- en veiligheidsgerelateerd onderzoek te versterken via door de Unie gefinancierde O&amp;I-programma’s en daarbij synergieën te bevorderen, voor een solide bescherming van gevoelige gegevens en technologieën tegen buitenlandse inmenging en hybride dreigingen te zorgen en zo nodig een verantwoord gebruik van onderzoeksresultaten voor tweeërlei gebruik mogelijk te maken ter ondersteuning van de weerbaarheid, de defensievermogens en de strategische onafhankelijkheid van de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat de financiering van onderzoek door de Unie, onder meer in het kader van Horizon Europa en via overeenkomsten met niet-EU-partners, wordt toegewezen op een wijze die in overeenstemming is met de waarden van de Unie en niet bijdraagt tot de ondersteuning van spyware, overeenkomstig de desbetreffende aanbevelingen van het Parlement van 15 juni 2023<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/494, 23.1.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/494/oj.</FIELD></FOOTNOTE>;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Cohesie, veerkracht en waarden</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>onderstreept de rol van het cohesiebeleid van de Unie bij het verkleinen van de economische, sociale en territoriale verschillen binnen de Unie, zoals vastgelegd in de Verdragen, en bij het ondersteunen van de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten; dringt aan op blijvende steun voor cohesie in het MFK voor de periode na 2027, met inachtneming van de beginselen van partnerschap en multilevel governance en in samenspraak met lokale en regionale overheden en betrokken belanghebbenden; neemt er nota van dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 2 “Cohesie, veerkracht en waarden” 61,4 miljard EUR bedroeg (32,1 % van de begroting van de Unie) en als volgt is verdeeld: 47,7 % voor het EFRO en andere regionale acties, 16,4 % voor het Europees Sociaal Fonds (ESF), 6,7 % voor het Cohesiefonds, 6,6 % voor Erasmus+, 2,2 % voor CEF Vervoer, 3,6 % voor EU-herstel en 3,1 % voor andere regelingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>neemt er nota van dat de Rekenkamer een steekproef van 223 verrichtingen heeft onderzocht die het volledige scala van uitgaven onder MFK-rubriek 2 bestrijkt; merkt met bezorgdheid op dat het door de Rekenkamer geraamde totale foutenpercentage bij de uitgaven onder deze rubriek in 2024 met 5,7 % opnieuw aanzienlijk boven de materialiteitsdrempel ligt; herinnert eraan dat het foutenpercentage van de Rekenkamer ook de fouten omvat die niet door de lidstaten en de Commissie zijn ontdekt, hetgeen aantoont dat de foutenpercentages van de Commissie te laag zijn geschat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>neemt kennis van de categorisering door de Rekenkamer van fouten die werden aangetroffen in cohesie-uitgaven, waarbij niet-subsidiabele kosten 49 %, ernstige niet-naleving bij openbare aanbestedingsprocedures 23 % en niet-subsidiabele projecten 18 % van de fouten uitmaken; merkt voorts op dat uitgaven in verband met het EFRO en het Cohesiefonds het grootste deel van de fouten hadden veroorzaakt (54 %);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>neemt er nota van dat het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO) in zijn jaarlijkse activiteitenverslag in het algemeen concludeerde dat in de rekeningen over 2024 voor het EFRO/Cohesiefonds een materieel niveau of onregelmatige uitgaven bleven bestaan, ondanks de resultaten van de controles en correcties die al op het niveau van de lidstaten waren toegepast, en dat het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie (DG EMPL) hetzelfde concludeerde voor het ESF/jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het FEAD;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>uit nogmaals zijn bezorgdheid over de conclusie van de Rekenkamer in haar Analyse 03/2024 “Een overzicht van het zekerheidskader en de belangrijkste factoren die hebben geleid tot fouten in de cohesie-uitgaven voor 2014-2020” dat de Commissie het door haar gerapporteerde foutenpercentage onderschat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>is bezorgd over de aanhoudende tekortkomingen die de Rekenkamer heeft vastgesteld in de werkzaamheden van de nationale auditautoriteiten, zoals naar voren komt in de tekortkomingen die zijn vastgesteld in de zekerheidspakketten, met een restfoutenpercentage boven de materialiteitsdrempel in zekerheidspakketten die goed zijn voor meer dan 60 % van de totale waarde van de in 2024 gecontroleerde zekerheidspakketten; stelt met bezorgdheid vast dat beheersautoriteiten er steevast niet in slagen onregelmatigheden in door begunstigden gedeclareerde uitgaven te voorkomen of op te sporen en dat de Commissie daarom minder op hun werk kan vertrouwen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>is bezorgd over de opmerking van de Rekenkamer dat de fouten die zij heeft aangetroffen door de auditautoriteiten hadden kunnen en moeten worden ontdekt toen zij hun controles uitvoerden; merkt op dat dit de mate vermindert waarin de Commissie kan vertrouwen op de resultaten van hun werkzaamheden; wijst met bezorgdheid op de opmerking van de Rekenkamer dat het aandeel van de zekerheidspakketten met een restfoutenpercentage van meer dan 2 % sinds 2017 niet is gedaald tot onder de 39 % van de uitgaven in haar steekproeven, hetgeen erop wijst dat er tekortkomingen blijven bestaan in de werkzaamheden van de auditautoriteiten, die niet voldoende worden aangepakt door het werk van de Commissie met betrekking tot zekerheidsverschaffing; is echter verheugd dat de Commissie een actieplan heeft geïntroduceerd om de opsporingscapaciteit van de autoriteiten in de periode 2021-2027 te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer in haar Analyse 04/2025 getiteld “De toekomst van het cohesiebeleid van de EU — lessen trekken uit het verleden” herinnerde aan de al lang bestaande uitdaging met betrekking tot de complexiteit van het regelgevingskader en aan het feit dat, ondanks inspanningen om regels en procedures te vereenvoudigen, de complexiteit van de regelgeving van de Unie en het naast elkaar bestaan van nationale en regionale vereisten nog steeds aanzienlijke administratieve lasten meebrengt en bijdraagt aan een hoog foutenpercentage; herinnert er echter aan dat het cohesiebeleid een belangrijke rol heeft gespeeld bij het verkleinen van economische, sociale en territoriale verschillen en bij het bevorderen van convergentie en stabiliteit in de hele Unie, wat aantoont dat het de belastingbetalers in de Unie meerwaarde biedt, die verder kan worden vergroot door hardnekkige tekortkomingen aan te pakken; merkt op dat er weliswaar vereenvoudigde kostenopties zijn ingevoerd om de rapportageverplichtingen te verminderen, maar dat het gebruik ervan beperkt blijft, vooral in het EFRO; wijst nogmaals op de aanhoudende tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen van de lidstaten; plaatst vraagtekens bij het plan van de Commissie om meer op nationale systemen te vertrouwen en benadrukt dat deze tekortkomingen moeten worden verholpen voordat een dergelijk toekomstig uitgavenmodel in het kader van het volgende MFK wordt ingevoerd; benadrukt dat er voordat met de uitvoering wordt begonnen, duidelijke en bindende toezichts- en controleverantwoordelijkheden moeten worden vastgesteld voor zowel de Commissie als de lidstaten; is van mening dat de Commissie zich niet alleen op de controlesystemen van de lidstaten dient te baseren, maar minimumvereisten en verificatiemechanismen moet vaststellen, vergelijkbaar met die voor gedeeld beheer, om niet-naleving van nationale en EU-regels te voorkomen, zoals gevraagd door de Rekenkamer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer in haar Speciaal verslag 22/2025 getiteld “Financiële correcties in het cohesiebeleid” heeft vastgesteld dat de Commissie niet de vereiste financiële correcties toepast om de begroting van de Unie te beschermen tegen onregelmatige uitgaven in het kader van het cohesiebeleid, en dat de Commissie, ondanks het feit dat de uitgaven voor cohesie jaar na jaar een aanzienlijk aantal fouten vertonen, er meer dan tien jaar over heeft gedaan om in september 2025 haar eerste financiële correctie voor de periode 2014-2020 vast te stellen; wijst erop dat het rechtskader voor het correctiemechanisme complex is, dat de richtsnoeren en criteria voor de beoordeling van ernstige tekortkomingen niet duidelijk genoeg zijn en niet consequent worden toegepast, en dat er geen duidelijk omschreven tijdschema is voor de procedure;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>constateert met bezorgdheid dat de Rekenkamer tekortkomingen heeft vastgesteld in de planning en voorbereiding van de controlewerkzaamheden van de autoriteiten, zoals tekortkomingen in de steekproefbenaderingen en onvolledige checklists;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>herinnert eraan dat de Commissie, naar aanleiding van een met de kwijting verband houdend verzoek om toegang tot documenten betreffende contracten met dertig marktdeelnemers, door beperkingen in haar interne gegevenssystemen een uitgebreide en arbeidsintensieve identificatie moest uitvoeren, hetgeen resulteerde in de identificatie van honderden entiteiten met vergelijkbare of verwante namen; erkent de inspanningen van de diensten van de Commissie om snel en transparant te reageren; herinnert er voorts aan dat de Commissie met ingang van het volgende MFK gegevens die zijn opgeslagen in het Arachne-instrument voor datamining en risicoscoring zal moeten gebruiken ten behoeve van een gecentraliseerde website voor transparantie, en dat de lidstaten verplicht zullen zijn om geautomatiseerde toegang te verlenen tot relevante gegevens — een verplichting die zal gelden vanaf 2027 en waarvoor de Commissie reeds is begonnen met de voorbereidende werkzaamheden; dringt er bij de Commissie op aan bij het begin van het nieuwe MFK een interoperabel systeem in te voeren om op Europees niveau middelen te kunnen volgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer in haar Speciaal verslag 24/2025 getiteld “Financieringsinstrumenten in het cohesiebeleid — Revolverend gebruik van middelen werd ten dele gerealiseerd” heeft vastgesteld dat — hoewel een van de voordelen van financieringsinstrumenten in het cohesiebeleid ten opzichte van subsidies is dat teruggevloeide middelen kunnen worden gebruikt om extra eindontvangers te ondersteunen, hetgeen tot een efficiënter gebruik van overheidsfinanciering leidt — teruggevloeide middelen tijdens subsidiabiliteitsperioden slechts in beperkte mate worden hergebruikt, deels om aanvaardbare redenen, zoals het langetermijnkarakter van investeringen; merkt op dat teruggevloeide middelen na de subsidiabiliteitsperiode over het algemeen opnieuw worden gebruikt voor cohesiedoeleinden, maar met beperkingen; betreurt dat het rechtskader voor de verplichting tot hergebruik onvoldoende duidelijk en dubbelzinnig is en dat de Commissie onvoldoende toezicht houdt, hetgeen tot uiteenlopende praktijken bij de beheersautoriteiten van de lidstaten leidt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>is bezorgd over de opmerking van de Rekenkamer dat de uitvoering van de fondsen in het kader van het cohesiebeleid (EFRO, Cohesiefonds, ESF+), die goed zijn voor meer dan 90 % van de middelen in gedeeld beheer in het kader van de GB-verordening voor 2021-2027, gering bleef; merkt op dat wanneer de Rekenkamer de uitvoering (van voorfinanciering en tussentijdse betalingen) vergelijkt met de voorgaande programmeringsperiode, het totale absorptiepercentage van deze drie fondsen eind 2024 slechts 5 % bedroeg, ten opzichte van 14 % op het vergelijkbare punt van het vorige MFK (eind 2017); wijst erop dat de uitvoering van de huidige programmeringsperiode plaatsvindt onder bijzonder moeilijke omstandigheden, die worden gekenmerkt door opeenvolgende crises, inflatoire druk, verstoringen in de toeleveringsketens en een veranderend geopolitiek en economisch klimaat; erkent tegelijkertijd dat de programma’s voor de periode 2021-2027 zeven maanden later werden vastgesteld dan die van de programmeringsperiode 2014-2020 en dat de voorfinancieringspercentages in het kader van de programma’s voor de periode 2014-2020 hoger waren en op een ander moment werden verrekend dan die in het kader van het huidige MFK; merkt in dit verband op dat het absorptiepercentage in de vergelijkbare uitvoeringsfase, eind juni 2017, voor het EFRO, het CF en het ESF+ 3,49 % bedroeg, wat vergelijkbaar is met het percentage eind 2024; stelt bezorgd vast dat aangezien het einde van de subsidiabiliteitsperiode voor de onderliggende uitgaven<FOOTNOTE><FIELD> Artikel 63, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1060.</FIELD></FOOTNOTE> en de uiterste datum voor de betaling van het eindsaldo voor het MFK 2021-2027 een jaar eerder zijn vastgelegd dan in de voorgaande programmeringsperiode, de druk om Uniemiddelen te absorberen verder zal toenemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de door de Commissie verwachte vrijmakingen voor de periode 2025-2027 in 2024 zijn gestegen tot 8,8 miljard EUR in vergelijking met de prognose van 8,1 miljard EUR voor dezelfde periode in 2023 en dat deze stijging van de verwachte vrijmakingen voornamelijk werd veroorzaakt door de cohesieprogramma’s in het kader van het huidige MFK en door het Elfpo; merkt op dat Elfpo-vrijmakingen worden verwacht wanneer de programma’s van het vorige MFK in 2026 worden afgesloten, terwijl voor de cohesieprogramma’s voor het MFK 2021-2027 vanaf 2027 aanzienlijke risico’s op vrijmakingen bestaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>herinnert eraan dat in 2024 een aantal wijzigingen van het cohesiebeleid en het betreffende wetgevingskader in werking zijn getreden, namelijk STEP en Restore; benadrukt dat deze instrumenten van groot belang zijn om het concurrentievermogen van de Unie te vergroten en de gevolgen van natuurrampen aan te pakken; wijst er niettemin op dat voortdurende wijzigingen van het kader van het cohesiebeleid tot rechtsonzekerheid en instabiliteit leiden en de structurele doelstellingen van het cohesiebeleid op lange termijn, namelijk het verminderen van ongelijkheden in de Unie, dreigen te ondermijnen; benadrukt dat het cohesiebeleid een stabiel regelgevingskader vergt om de begunstigden voorspelbaarheid te bieden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>uit nogmaals zijn diepe bezorgdheid over de onevenredige gevolgen die de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne nog steeds heeft voor de oostelijke regio’s van de Unie die aan Rusland en/of Belarus grenzen; wijst op de kosten die deze regio’s moeten dragen als gevolg van hun gedeelde grens met vijandige buurlanden, met name doordat de betreffende lidstaten overheidsmiddelen moeten besteden aan veiligheid, defensie en paraatheid, terwijl er tegelijkertijd veel minder middelen beschikbaar zijn als gevolg van de verstoring van economische activiteiten, grensoverschrijdende handel en andere uitwisselingen; is tevens bezorgd over het verlies aan financiële steun van de Unie waarmee sommige grensregio’s worden geconfronteerd als gevolg van wijzigingen in de cohesiefondsen in de huidige programmeringsperiode, met name in EFRO-middelen die oorspronkelijk waren bestemd voor grensoverschrijdende samenwerking met Rusland en Belarus en middelen die zijn herverdeeld in het kader van de tussentijdse evaluatie van het cohesiebeleid in 2025;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>onderstreept dat voor territoriale cohesie de lokale economische veerkracht moet worden versterkt, bijvoorbeeld door middel van duurzaam toerisme, bescherming van cultuurgoederen, werkgelegenheid voor jongeren en ontwikkeling van beroepsvaardigheden, onder meer op het gebied van groene wederopbouw, energie-efficiëntie en diensten voor civiele bescherming; wijst op het belang van het cohesiebeleid van de Unie voor de economische en territoriale convergentie en ontwikkeling van de regio’s van de Unie, alsook voor de ondersteuning van de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten; benadrukt dat de toegang tot essentiële diensten in landelijke en afgelegen gebieden moet worden gewaarborgd, en verzoekt de Commissie te onderzoeken of de uitgaven van de Unie daadwerkelijk bevolkingskrimp helpen tegengaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>wijst op de toenemende blootstelling van bepaalde regio’s, waaronder kustgebieden en landinwaarts gelegen gebieden rond de Middellandse Zee, aan klimaatgerelateerde risico’s zoals stormen, overstromingen, kusterosie en droogtestress; benadrukt dat preventie- en aanpassingsmaatregelen kosteneffectiever zijn dan wederopbouw na rampen; benadrukt dat investeringen in risicopreventie, hydraulische veiligheid, hellingsstabiliteit, op de natuur gebaseerde oplossingen en klimaatbestendige infrastructuur, waaronder duurzame havens, intermodale logistiek, spoorconnectiviteit en veerkrachtige watersystemen, vermindering van lekkages, veerkrachtige irrigatie en slim waterbeheer, naar voren moeten worden gehaald om voor snelle en meetbare resultaten op het gebied van veerkracht te zorgen, de territoriale veerkracht te vergroten en de doeltreffendheid van de uitgaven van de Unie te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>wijst op de aanbeveling van de dienst Interne Audit (IAS) van de Commissie in zijn in 2024 uitgevoerde controle van processen van zekerheidsopbouw voor de fondsen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd, dat de éénauditstrategie van DG REGIO, DG EMPL en het directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij (DG MARE) moet worden geactualiseerd omdat bepaalde elementen in dit stadium van de programmeringsperiode niet duidelijk genoeg waren of onvoldoende zijn ontwikkeld; neemt ook kennis van de aanbeveling van de IAS dat DG REGIO, dat ook het Solidariteitsfonds van de EU in gedeeld en indirect beheer uitvoert, de opzet en het doeltreffende beheer ervan verder moet verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>merkt op dat de Commissie, na de vaststelling van haar kader<FOOTNOTE><FIELD> C/2024/4618, bijlage IV.</FIELD></FOOTNOTE> voor verminderingen en terugvorderingen in geval van fraude, corruptie en belangenconflicten die de financiële belangen van de Unie schaden en die niet door de lidstaat zijn gecorrigeerd, op 8 mei 2025 de eerste vermindering heeft toegepast, toen zij, na een aanbeveling van OLAF, haar eerste uitvoeringsbesluit vaststelde waarbij de steun aan Slowakije met 1 225 miljoen EUR in verband met een niet-gecorrigeerde onregelmatigheid werd verlaagd; neemt evenwel kennis van de bevinding van de Rekenkamer in Speciaal verslag 26/2025 dat de Commissie niet over een mechanisme beschikt om te controleren of bedragen die door nationale rechtbanken na strafrechtelijke vervolging moeten worden teruggevorderd, daadwerkelijk volledig in de begroting van de Unie worden teruggestort;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>104.</NO.P>spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de bevindingen in het verslag over de rechtsstaat 2025 met betrekking tot de situatie van de rechtsstaat in Hongarije, en met name de aanhoudende, systemische uitdagingen voor de rechterlijke macht en de media; stelt bezorgd vast dat de transparantie van de toewijzing van zaken in lagere rechtbanken niet is verbeterd en dat binnen de rechterlijke macht nog steeds op sommige rechters ongepaste druk wordt uitgeoefend, met name in verband met interne debatten over belangrijke kwesties in verband met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; stelt in dezelfde geest met bezorgdheid vast dat de uitvoering van de nationale strategie voor corruptiebestrijding 2024-2025 achterblijft, met de afname van het aantal veroordelingen voor corruptiemisdrijven, het uitblijven van vooruitgang wat betreft het leveren van betere prestaties op het gebied van corruptiezaken op hoog niveau, en de voortdurende melding door de Hongaarse integriteitsautoriteit van belemmeringen bij de effectieve uitvoering van haar toezichtstaken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>105.</NO.P>uit nogmaals zijn ernstige bezorgdheid over het besluit van de Commissie van 13 december 2023, waarin wordt geconcludeerd dat de Hongaarse regering heeft voldaan aan de vereisten van het Handvest met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en waarmee de opschorting van de uitbetaling van middelen voor de desbetreffende programma’s wordt opgeheven, waardoor Hongarije in aanmerking komt voor ongeveer 10,2 miljard EUR uit verschillende fondsen die onder de GB-verordening vallen; herinnert eraan dat het Europees Parlement op 25 maart 2024 beroep heeft ingesteld bij het Hof van Justitie om de wettigheid van het besluit van de Commissie te toetsen en te zorgen voor rechtszekerheid wat de uitvoering van het rechtsstaatmechanisme betreft; merkt op dat, hoewel het arrest van het HvJ-EU nog hangende is, de advocaat-generaal op 12 februari 2026 heeft voorgesteld dat het Hof van Justitie het besluit van de Commissie tot opheffing van de opschorting van de uitbetaling van middelen aan Hongarije nietig verklaart;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>106.</NO.P>stelt vast dat er van de 19,8 miljard EUR aan toewijzingen in het kader van de GB-verordening die aanvankelijk waren geblokkeerd vanwege problemen op het gebied van de grondrechten, in januari 2026 nog slechts 7,6 miljard EUR voor de Hongaarse regering is geblokkeerd; stelt voorts vast dat er van de 6,4 miljard EUR die aanvankelijk in het kader van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat was geblokkeerd vanwege bezorgdheid in verband met de rechtsstaat en corruptie, eind 2024 en 2025 respectievelijk 1 miljard en 1,1 miljard EUR is vrijgemaakt; uit zijn diepe bezorgdheid over het feit dat, terwijl in Hongarije de rechtsstaat blijft verslechteren en corruptie welig tiert via diepgewortelde oligarchische netwerken, het bedrag aan middelen van de Unie dat bevroren blijft vanwege bezorgdheid in verband met de rechtsstaat en corruptie, afneemt, waardoor de druk die de Commissie op de Hongaarse regering uitoefent om hervormingen door te voeren, gestaag afneemt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>107.</NO.P>neemt kennis van de verzoeken van de Hongaarse regering van 28 en 29 maart 2025 om 545 miljoen EUR over te dragen van twee cohesieprogramma’s naar nieuwe prioriteiten in het kader van het platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP), waarvan 395 miljoen EUR van de middelen die zijn bevroren omdat niet is voldaan aan de horizontale randvoorwaarde van het Handvest van de grondrechten; betreurt ten zeerste dat de Commissie de wijzigingen op 25 september 2025 heeft goedgekeurd, waardoor de Hongaarse regering ondanks het feit dat de terugbetalingen voor de nieuwe STEP-prioriteiten opnieuw zijn geblokkeerd wegens niet-naleving van de vereisten van het Handvest, toch toegang kreeg tot 317,3 miljoen EUR aan voorfinanciering; wijst er nogmaals op dat de overheveling of herschikking van bevroren kredieten naar andere programma’s of doelstellingen regeringen die zich niet houden aan de waarden van de Unie en aan hun verplichtingen om de financiële belangen van de Unie te beschermen, het signaal zou geven dat verliezen elders kunnen worden gecompenseerd; herinnert aan zijn standpunt dat middelen die zijn opgeschort overeenkomstig de conditionaliteitsverordening of wegens niet-naleving van horizontale randvoorwaarden, niet in aanmerking mogen komen voor programmawijzigingen of overdrachten; verzoekt de Commissie daarom gebruik te maken van haar initiatiefrecht en maatregelen voor te stellen om alle bestaande mazen in het wetgevingskader van de Unie te dichten die regeringen in staat kunnen stellen middelen over te dragen die zijn opgeschort wegens inbreuken op hun verplichtingen op het gebied van de rechtsstaat of andere verplichtingen uit hoofde van het Handvest van de grondrechten, en ervoor te zorgen dat er bij alle toekomstige financieringsinstrumenten geen regels meer kunnen worden omzeild;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>108.</NO.P>merkt op dat MOL Plc, een beursgenoteerd Hongaars petrochemisch conglomeraat, onder daadwerkelijk zeggenschap staat van drie zogeheten trusts van openbaar belang die banden hebben met de Hongaarse regering en elk een aandeel van 10 % hebben; herinnert eraan dat Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van 15 december 2022 de Commissie verbiedt om bij de uitvoering van de Uniebegroting in direct of indirect beheer nieuwe juridische verbintenissen aan te gaan met Hongaarse trusts van openbaar belang en entiteiten in hun bezit; merkt met bezorgdheid op dat er na de vaststelling van dat besluit minstens één financieringsovereenkomst tussen de Commissie en MOL lijkt te zijn gesloten; neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat zij de zaak onderzoekt en verwacht dat de Commissie de kwijtingsautoriteit onverwijld duidelijke uitleg geeft over de wijze waarop een dergelijke verbintenis kon worden ondertekend;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>109.</NO.P>merkt op dat de Hongaarse regering de op twee na grootste toewijzing in het kader van het SAFE-instrument zou moeten ontvangen, ten bedrage van 16,2 miljard EUR, die bedoeld is om grote investeringen in de defensie-industrie te ondersteunen; herinnert eraan dat de Commissie de bevoegdheid heeft om goedkeuring te onthouden aan investeringsplannen voor nationale defensie in het kader van SAFE wanneer er bezorgdheid bestaat over de bescherming van de financiële belangen van de Unie; merkt op dat de Hongaarse regering onlangs een meerderheidsbelang van 75 % van de stemmen + 1 in haar openbare defensieholding heeft verkocht aan 4iG, een onderneming waarvan algemeen wordt aangenomen dat zij dicht bij de regering staat; waarschuwt er met klem voor dat, in het licht van de voortdurende verslechtering van de rechtsstaat, de aanhoudende risico’s van corruptie en de systemische tekortkomingen in het toezicht zoals hierboven beschreven, de financiële belangen van de Unie niet als voldoende beschermd kunnen worden beschouwd als SAFE-financiering aan de Hongaarse regering wordt uitbetaald zonder dat er op zijn minst strikte voorwaarden worden gesteld waaraan moet worden voldaan voorafgaand aan de uitbetaling van middelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>110.</NO.P>wijst er met bezorgdheid op dat Slowakije sinds het rechtsstaatverslag 2024 een reeks wijzigingen van het wetboek van strafrecht heeft aangenomen, die in de tweede helft van 2024 zijn goedgekeurd, waaronder de ontbinding van gespecialiseerde corruptiebestrijdingsentiteiten, het nationale agentschap voor misdaadbestrijding en het speciale openbaar ministerie, hetgeen tot vertragingen in aan andere organen overgedragen onderzoeken en tot een aanzienlijke afname van het aantal corruptiezaken heeft geleid; neemt bezorgd kennis van het plan van de Slowaakse regering om het huidige bureau voor klokkenluiders te vervangen door een instelling waarvan de voorzitter rechtstreeks door de parlementsvoorzitter zou worden benoemd, waardoor het risico bestaat dat het bureau wordt gepolitiseerd, zijn werkzaamheden op de prioriteiten van de regering worden afgestemd, de bescherming van klokkenluiders wordt teruggeschroefd en het toezicht op de manier waarop de regering omgaat met middelen van de Unie wordt ondergraven; wijst erop dat deze ontwikkelingen een verhoogd, substantieel risico vormen voor een goed financieel beheer van de Uniebegroting; benadrukt dat de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat niet beperkt is tot maatregelen als laatste redmiddel, maar ook voorziet in vroegtijdige maatregelen met gedeeltelijke schorsingen wanneer schendingen van de rechtsstaat worden vastgesteld die een ernstig risico vormen voor een goed financieel beheer van de begroting van de Unie; staat volledig achter het besluit van de Commissie en verzoekt haar hieromtrent de eerste fase van het conditionaliteitsmechanisme te starten en een inbreukprocedure in te leiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>111.</NO.P>merkt in dit verband op dat na het werkbezoek van de Commissie begrotingscontrole aan Bratislava op 26-28 mei 2025 ongegronde publieke verklaringen van de premier van Slowakije en leden van de nationale raad hebben geleid tot bedreigingen aan het adres van het hoofd van de delegatie, waardoor politiebescherming nodig was; is van mening dat dergelijke incidenten eens te meer aantonen dat de rechtsstaatomgeving verslechtert en dat dit risico’s inhoudt voor de financiële belangen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>112.</NO.P>betreurt dat, volgens een analyse van het maatschappelijk middenveld, het overgrote deel van de aanbevelingen in het rechtsstaatverslag een herhaling is van de vorige aanbevelingen; is van mening dat dit aanleiding geeft tot bezorgdheid over de vraag of de aanbevelingen wel voldoende serieus worden genomen door de lidstaten en of de Commissie wel voldoende druk uitoefent om ervoor te zorgen dat zij daadwerkelijk worden uitgevoerd; wijst erop dat veel van de in het rechtsstaatverslag genoemde tekortkomingen rechtstreeks van invloed zijn op het goede financiële beheer van de begroting van de Unie en acht het derhalve vanuit het oogpunt van begrotingscontrole van essentieel belang dat de exercitie tastbare en meetbare resultaten oplevert; verzoekt de Commissie daarom de landspecifieke aanbevelingen uit haar jaarlijkse verslagen over de rechtsstaat om te zetten in concrete mijlpalen waaraan de lidstaten systematisch gevolg moeten geven, en de conditionaliteitsverordening in stelling te zetten wanneer er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen stelselmatige schendingen van de rechtsstaat, die in het kader van de pijlers van het verslag zijn vastgesteld, en de bescherming van de begroting van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>113.</NO.P>neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat het secretariaat-generaal (SG) het gebruik van drie verschillende instrumenten van de conditionaliteitsverordening, het rechtsstaatverslag, de RRF en de horizontale randvoorwaarden van de GB-verordening coördineert om te zorgen voor consistentie tussen alle programma’s, instrumenten en lidstaten, dat binnen elk instrument wordt gezorgd voor een leidende dienst die met de uitvoering is belast en dat relevante verwante diensten ook aan deze werkzaamheden bijdragen; neemt er voorts kennis van dat het directoraat-generaal Justitie en Consumentenzaken (DG JUST) en het SG samen de werkzaamheden met betrekking tot het rechtsstaatverslag leiden, dat DG EMPL de werkzaamheden met betrekking tot de horizontale randvoorwaarde van het Handvest leidt, dat SG REFORM samen met het directoraat-generaal Economische en Financiële Zaken (DG ECFIN) de werkzaamheden met betrekking tot de RRF leidt en dat het directoraat-generaal Begroting (DG BUDG) de werkzaamheden met betrekking tot de conditionaliteitsverordening leidt; verzoekt de Commissie de rol van alle besluitvormers in deze procedures verder te verduidelijken; onderstreept dat er op papier weliswaar een solide kader bestaat, maar dat de praktische toepassing van de procedures verder kan worden verbeterd; betreurt dat de Commissie in het verleden slechts het absolute minimum aan informatie heeft verstrekt, zonder belangrijke details, en niet de volledige documentatie heeft gedeeld, zelfs niet nadat het Parlement daarom had verzocht; benadrukt dat tijdige, alomvattende en proactieve informatie-uitwisseling van essentieel belang is om het in staat te stellen zijn verantwoordelijkheden op het gebied van begroting en toezicht doeltreffend uit te oefenen en om het vertrouwen van de burgers in de instellingen van de Unie en de geloofwaardigheid van de EU als geheel te behouden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>114.</NO.P>betreurt dat de Commissie meer dan twee jaar nodig heeft gehad om een inbreukprocedure tegen Malta in te leiden wegens niet-toepassing van het Unierecht op het gebied van onlinegokken; stelt met grote bezorgdheid vast dat als gevolg van de Maltese wetgeving die de uitvoering van geldige rechterlijke beslissingen uit andere lidstaten verhindert, ongeveer 100 000 burgers van de Unie die recht hebben op terugbetaling, geen verhaal hebben kunnen halen; merkt voorts op dat verschillende gokbedrijven met een vergunning in Malta activa naar andere entiteiten zijn beginnen over te dragen, waardoor de effectieve uitvoering van duizenden gerechtelijke uitspraken in gevaar komt, zelfs als de betwiste wetgeving zou worden ingetrokken; betreurt in dit verband ten zeerste de vertraging waarmee de Commissie een inbreukprocedure heeft ingeleid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>115.</NO.P>herinnert aan de bevindingen van het speciaal verslag van de Rekenkamer over digitalisering van de gezondheidszorg, in het bijzonder de vaststelling dat de steun van de Unie aan de lidstaten in het algemeen daadwerkelijk heeft bijgedragen aan bevordering van de digitale transformatie van de gezondheidszorgstelsels; stelt evenwel vast dat de lidstaten moeilijkheden hebben ondervonden bij het gebruiken van de voor dit doel vrijgemaakte Uniemiddelen, en betreurt dat de Commissie weliswaar toezicht uitoefent op de progressie die de lidstaten boeken bij de digitalisering van de gezondheidszorg, maar nog geen alomvattend inzicht heeft in hoe de middelen van de Unie worden gebruikt om deze activiteiten te ondersteunen; verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer volledig uit te voeren, met name door de richtsnoeren voor de lidstaten te verbeteren, de monitoring van en het prestatietoezicht op middelen van de Unie voor e‑gezondheid te versterken en ervoor te zorgen dat investeringen in e-gezondheid voldoen aan de hoogste normen op het gebied van gegevensbescherming, cyberbeveiliging en interoperabiliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>116.</NO.P>stelt vast dat het EU4Health-programma aan het InvestEU-programma heeft bijgedragen door blending met de garantie van de Unie, waardoor extra investeringen zijn gemobiliseerd; wijst in het bijzonder op de bijdrage van 110 miljoen EUR door een top-up van InvestEU ter ondersteuning van investeringen van de EIB in innovatieve biowetenschapsprojecten in verband met medische tegenmaatregelen; benadrukt dat het belangrijk is te zorgen voor transparantie, efficiënte coördinatie met nationale en EU-financieringsinstrumenten en brede toegang tot de lidstaten, zodat deze investeringen een sterke Europese toegevoegde waarde opleveren en de veerkracht van de gezondheidszorgstelsels van de Unie versterken; herinnert aan het belang van investeringen in medische innovatie en technologie op Europees niveau en aan het belang van nauwere samenwerking tussen onderzoeksinstellingen, particuliere medische bedrijven en overheidsinstanties om het algemeen belang beter te dienen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>117.</NO.P>betreurt het besluit van de Commissie om de exploitatiesubsidies ter ondersteuning van de gezondheidssector, die in 2024 iets meer dan 1 % van de begroting van EU4Health uitmaakten, stop te zetten; merkt op dat deze veranderingen afbreuk hebben gedaan aan de continuïteit van de bijdrage aan de Europese doelstellingen op het gebied van volksgezondheid; benadrukt dat voorspelbare en stabiele steunmechanismen belangrijk zijn voor belanghebbenden en maatschappelijke organisaties die actief zijn op het gebied van gezondheid; stelt voor dat de toekomstige financiering gebaseerd blijft op duidelijke criteria als Europese meerwaarde, transparantie, politieke neutraliteit en meetbare impact, om ervoor te zorgen dat de middelen worden ingezet waar ze het grootste voordeel opleveren voor de patiënten en de gezondheidszorgstelsels; vestigt de aandacht op de rol die belanghebbenden en actoren uit het maatschappelijk middenveld spelen door bij te dragen aan de doelstellingen en de uitvoering van het gezondheidsbeleid van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>118.</NO.P>merkt op dat de Commissie 8 miljoen EUR in 2024 en 20,9 miljoen EUR in 2025 heeft toegewezen voor oproepen tot het indienen van voorstellen voor de productie van inhoud over EU-aangelegenheden door consortia van nieuwsmediaorganisaties, en dat drie mediaconsortia momenteel financiering van de Unie ontvangen; herinnert eraan dat een vrije, onafhankelijke en pluralistische pers een hoeksteen is van de democratische verantwoordingsplicht; is van mening dat steun van de Unie voor de media kan bijdragen tot de versterking van de pluriformiteit van de media en een geïnformeerd openbaar debat in de hele Unie, op voorwaarde dat er strikte waarborgen zijn om volledige redactionele onafhankelijkheid en transparantie te waarborgen; benadrukt het belang van transparantie met betrekking tot alle financiële steun, met inbegrip van subsidies, overeenkomsten en indirecte financiering die aan mediaorganisaties wordt verstrekt, en dat dergelijke informatie gemakkelijk toegankelijk moet zijn en duidelijk moet worden gepresenteerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>119.</NO.P>betreurt dat de Commissie haar tussentijdse evaluaties van de vlaggenschipprogramma’s Erasmus+, Europees Solidariteitskorps en Creatief Europa niet binnen de wettelijk vastgestelde termijn heeft uitgevoerd; benadrukt dat evaluaties als basis moeten dienen voor de besluitvorming, zowel voor de huidige als voor de komende programmeringsperiode;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>120.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar jaarverslag om ervoor te zorgen dat:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>auditautoriteiten hun controle- en opsporingscapaciteit versterken door na te gaan of zij het steekproefonderzoek goed plannen, zich ervan vergewissen dat de naleving van de subsidiabiliteitscriteria wordt aangetoond, en de nodige documentatie bijhouden ter ondersteuning van het controlespoor;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>wanneer systematische tekortkomingen in (operationele) programma’s zijn ontdekt en er een vast percentage is opgelegd, de autoriteiten van de lidstaten het mechanisme voor forfaitaire correcties niet gebruiken om zich te onttrekken aan hun verantwoordelijkheid om de subsidiabiliteit van de uitgaven te controleren alvorens deze bij de Commissie te declareren, en zo nodig tot afzonderlijke terugvordering over te gaan;</ITEM></LIST></P></ACTION><ACTION><P><NO.P>121.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie voorts:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>het systemische probleem dat fouten op het niveau van de lidstaten bij uitgaven in het kader van het cohesiebeleid niet worden ontdekt, te blijven aanpakken met de effectieve uitvoering van het actieplan, dat gericht is op vergroting van de opsporingscapaciteit op het niveau van de lidstaten en de Commissie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de richtsnoeren, coördinatie en monitoring verder te versterken teneinde te zorgen voor meer rechtszekerheid en een doeltreffender hergebruik van teruggevloeide middelen in alle lidstaten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>nauw samen te werken met de lidstaten, met name lidstaten die te kampen hebben met structurele of capaciteitsbeperkingen, teneinde technische bijstand te verlenen, administratieve procedures te vereenvoudigen en voldoende flexibiliteit te bieden bij de uitvoering, zodat de cohesiemiddelen volledig en doeltreffend worden geabsorbeerd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>een methode te ontwikkelen om de totale financiële impact van EOM- en OLAF-onderzoeken te meten, met inbegrip van bedragen die zijn ingevorderd naar aanleiding van nationale rechterlijke uitspraken in strafzaken, en regelmatig informatie van de lidstaten te verkrijgen over de ontneming van vermogensbestanddelen en het aandeel dat terugvloeit naar de begroting van de Unie, zoals aanbevolen door de Rekenkamer;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>aanbevelingen uit het rechtsstaatverslag aan de uitvoering van concrete maatregelen door de betrokken lidstaat te koppelen om een sterker effect te sorteren en bij te dragen tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie, en verwijst in dit verband naar de aanbevelingen in de resolutie van het Parlement van 18 juni 2025 over het verslag 2024 van de Commissie over de rechtsstaat;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>de monitoring van de horizontale en thematische randvoorwaarden in alle lidstaten op te voeren om potentiële bedreigingen voor de bescherming van de Uniebegroting in kaart te brengen en meer transparantie en deelname van belanghebbenden te verzekeren bij de toepassing van dit instrument;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>het verslag over de rechtsstaat nauw af te stemmen op de conditionaliteitsverordening en meer in detail verslag uit te brengen over de schendingen van de beginselen van de rechtsstaat die als input kunnen worden gebruikt om de conditionaliteitsverordening in stelling te brengen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>gebruik te maken van haar initiatiefrecht en maatregelen voor te stellen om alle bestaande mazen in het wetgevingskader van de Unie te dichten die regeringen in staat kunnen stellen middelen over te dragen die zijn opgeschort op grond van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat of wegens het niet-voldoen aan horizontale randvoorwaarden, en ervoor te zorgen dat toekomstige financieringsinstrumenten adequate waarborgen bevatten tegen omzeiling;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>de verslechtering van de rechtsstaat en de risico’s voor de Uniebegroting in Hongarije dringend opnieuw te evalueren en aan te pakken, en alle nodige maatregelen te nemen overeenkomstig de conditionaliteitsverordening en andere beschikbare instrumenten, waaronder volledige opschorting van Uniemiddelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>een evaluatie achteraf uit te voeren van de financiële gevolgen van wijzigingen van het cohesiebeleid voor de oostelijke grensregio’s, met name de EFRO-middelen die oorspronkelijk waren bestemd voor grensoverschrijdende samenwerking met Rusland en Belarus, alsook de middelen die zijn herverdeeld in het kader van de tussentijdse evaluatie van het cohesiebeleid in 2025, waarbij wordt nagegaan in hoeverre EU-middelen die oorspronkelijk bestemd waren voor regio’s die een grens delen met Rusland en/of Belarus, uiteindelijk in die regio’s zijn gebleven of juist elders zijn ingezet, haar evaluatie te delen met de kwijtingsautoriteit en dringend gerichte financiële steun voor deze regio’s voor te stellen om de onevenredige gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen te gaan, en daarbij onder meer financiële verliezen te compenseren die zijn geleden als gevolg van wijzigingen in de huidige programmeringsperiode;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xi)</SYMBOL>de “single audit”-benadering te heroverwegen totdat de tekortkomingen die zijn vastgesteld bij de beheers- en auditautoriteiten in de lidstaten zijn aangepakt;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat in het kader van het EU4Health-programma exploitatiesubsidies worden verstrekt;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Natuurlijke hulpbronnen en milieu</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>122.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 3 “Natuurlijke hulpbronnen en milieu” 64,4 miljard EUR bedroeg (33,7 % van de Uniebegroting), en als volgt is verdeeld: 59,2 % van deze uitgaven ging naar het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) — rechtstreekse betalingen (38,1 miljard EUR) gevolgd door het Elfpo (15,5 miljard EUR, 24,0 %) en het Fonds voor een rechtvaardige transitie (6,2 miljard EUR, 9,5 %), Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) — marktgerelateerde uitgaven (2,7 miljard EUR, 4,1 %), maritieme zaken en visserij (1,3 miljard EUR, 2,0 %), milieu en klimaat (LIFE) (600 miljoen EUR, 0,9 %) en overige (200 miljoen EUR, 0,3 %);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>123.</NO.P>benadrukt dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in 2024 het grootste deel (87,3 %) van de uitgaven van de Unie voor natuurlijke hulpbronnen en milieu uitmaakte; herinnert eraan dat 2024 het tweede jaar was van het GLB 2023-2027, waarbij een nieuw model werd ingevoerd met prestatiegerelateerde elementen, die met de lidstaten zijn overeengekomen in strategische plannen, als grondslag voor betalingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>124.</NO.P>merkt op dat de betalingen uit het Elfpo voor de periode 2023-2027 eind 2024 6,3 miljard EUR bedroegen (in 2023: 700 miljoen EUR), hetgeen neerkomt op een absorptiepercentage van 9,5 % (vergeleken met 1 % in 2023); benadrukt dat vertraagde betalingen de inkomensstabiliteit van landbouwers ondermijnen; neemt nota van het absorptiepercentage van 32 % van het Fonds voor een rechtvaardige transitie; neemt bezorgd kennis van het lage absorptiepercentage van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EFMZVA), dat eind 2024 slechts 3 % bedroeg;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>125.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer in 19 lidstaten en het Verenigd Koninkrijk een steekproef van 228 verrichtingen heeft onderzocht die het volledige scala aan uitgaven onder deze MFK-rubriek bestrijkt; merkt met bezorgdheid op dat de Rekenkamer het foutenpercentage voor deze rubriek op 2,6 % schat (in 2023: 2,2 %); merkt voorts op dat de Rekenkamer acht kwantificeerbare fouten (d.w.z. fouten met directe financiële gevolgen voor de begroting van de Unie) heeft aangetroffen op het gebied van plattelandsontwikkeling, acht bij verrichtingen in het kader van de ecoregeling — een nieuw interventietype dat in het kader van het GLB 2023-2027 is ingevoerd ter ondersteuning van landbouwpraktijken die bijdragen aan de klimaat- en milieudoelstellingen en aan dierenwelzijn —, drie bij rechtstreekse betalingen exclusief ecoregelingen, twee bij marktmaatregelen en één bij een verrichting in gedeeld beheer in het kader van het EFMZVA; merkt op dat de Rekenkamer ook 19 andere nalevingsproblemen heeft ontdekt zonder financiële gevolgen voor de begroting van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>126.</NO.P>neemt kennis van de categorisering van fouten door de Rekenkamer, waarbij administratieve fouten 44 % van de fouten uitmaken, niet-subsidiabiliteitskwesties 28 %, niet-naleving van agromilieu-, klimaat- of ecoregelingverbintenissen 16 % en verstrekking van onjuiste informatie over gebieden of dieren 12 %;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>127.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Rekenkamer in het geval van 13 kwantificeerbare fouten van oordeel is dat de autoriteiten van de lidstaten over voldoende informatie beschikten om de fout te voorkomen of te ontdekken en te corrigeren voordat zij de uitgaven aanvaarden, en dat indien de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie alle informatie waarover zij beschikten naar behoren hadden gebruikt, het geschatte foutenpercentage voor deze rubriek 2,2 procentpunten lager zou hebben gelegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>128.</NO.P>wijst op de noodzaak van vereenvoudiging, verdere ontwikkeling en bevordering van digitale instrumenten, en strengere controles om het niveau van niet-subsidiabele uitgaven te verlagen; benadrukt het belang van vermindering van de administratieve lasten voor landbouwers om een gezond financieel beheer te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>129.</NO.P>is gerustgesteld door de conclusie van de Rekenkamer dat de rechtstreekse betalingen in het kader van het GLB, exclusief ecoregelingen, in 2024 geen materiële fouten bevatten; erkent het oordeel van de Commissie dat dit de belangrijke rol bevestigt die het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) speelt bij het voorkomen en verminderen van het risico op fouten, aangezien rechtstreekse betalingen door elke lidstaat worden beheerd via het GBCS waarmee databanken van bedrijven, steunaanvragen, dierregisters en landbouwarealen met elkaar worden verbonden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>130.</NO.P>herinnert eraan dat in het prestatiegerichte model van het GLB 2023-2027 de lidstaten de regels vaststellen waaraan eindbegunstigden moeten voldoen overeenkomstig het algemene kader van de Unie, terwijl de Commissie zich concentreert op de prestatieresultaten en de werking van de systemen die de lidstaten hebben opgezet om de naleving van die voorwaarden te waarborgen, en niet langer op afzonderlijke verrichtingen; herinnert er voorts aan dat de lidstaten dienovereenkomstig voor het GLB 2023-2027 verplicht zijn aan de Commissie verslag uit te brengen over output- en resultaatindicatoren met betrekking tot beleidsprestaties, en niet over controlestatistieken; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer in zijn Speciaal verslag 07/2024 getiteld “De systemen van de Commissie voor de invordering van onregelmatige EU-uitgaven” dat invorderingen met betrekking tot landbouwuitgaven relatief succesvol zijn geweest, wat deels toe te schrijven is aan de zogenaamde 50/50-regel die de lidstaten ertoe heeft aangezet middelen in te vorderen; merkt op dat deze regel niet is overgenomen in het GLB 2023-2027, en wijst op de waarschuwing van de Rekenkamer dat dit zou kunnen leiden tot een lager invorderingspercentage voor landbouwuitgaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>131.</NO.P>neemt kennis van de antwoorden van de Commissie aan de Rekenkamer dat zij van mening is dat de controlewerkzaamheden van de certificerende instanties een belangrijk element van zekerheid blijven voor de GLB-uitgaven in het kader van de strategische plannen; merkt voorts op dat de lidstaten voor het GLB 2023-2027 aan de Commissie verslag moeten uitbrengen over hun zekerheidspakketten, met inbegrip van de nieuwe jaarlijkse prestatieverslagen en het advies en de begeleidende verslagen van de verklarende instantie, waarop de Commissie zich vervolgens, samen met de resultaten van haar eigen controlebevindingen en die van de Rekenkamer, baseert om een conclusie te trekken over de zekerheid voor GLB-uitgaven; benadrukt dat de Commissie geen foutenpercentage of risico bij betaling berekent voor uitgaven in het kader van de strategische plannen van het GLB; neemt kennis van de uitleg van de Commissie dat, aangezien 74,8 % van de uitgaven van MFK-rubriek 3 in 2024 overeenkomt met prestatiegerichte uitgaven in het kader van de strategische plannen van het GLB, geen risico bij betaling kon worden bepaald voor deze rubriek en bijgevolg voor de EU-begroting als geheel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>132.</NO.P>merkt op dat het directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling (DG AGRI) voor 2024 82 % van de GLB-uitgaven voor 2023-2027 als laag risico beschouwt, 11 % als middelgroot risico en de resterende 7 % als hoog risico; neemt kennis van de verduidelijking van de Rekenkamer dat uitgaven met een laag risico overeenkomen met interventies die niet worden beïnvloed door mogelijke ernstige tekortkomingen in hun governancesystemen en dat de meeste uitgaven met een laag risico betrekking hebben op rechtstreekse betalingen en andere steun die onder het GBCS valt; merkt voorts op dat DG AGRI in zijn jaarlijks activiteitenverslag 2024 het resultaat van de prestatiegerichte en op naleving gebaseerde betalingen heeft gecombineerd en heeft geconcludeerd dat in totaal 77 % van de GLB-uitgaven in 2024 een laag risico had (vergeleken met 69 % van de GLB-uitgaven in 2023 en 72 % in 2022), 10 % een middelgroot risico en 13 % een hoog risico;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>133.</NO.P>neemt met bezorgdheid kennis van de punten van voorbehoud in het jaarlijks activiteitenverslag 2024 van DG AGRI, namelijk tien punten van voorbehoud voor negen lidstaten ten aanzien van GBCS-uitgaven in het kader van strategische GLB-plannen vanwege vastgestelde mogelijke ernstige tekortkomingen in de werking van de governancesystemen, zes punten van voorbehoud voor vijf lidstaten ten aanzien van niet-GBCS-uitgaven in het kader van strategische plannen van het GLB vanwege vastgestelde mogelijke ernstige tekortkomingen in de werking van de governancesystemen, zes punten van voorbehoud voor vier lidstaten ten aanzien van marktmaatregelen vanwege de significante hoeveelheid tekortkomingen in de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, waarbij het risicobedrag wordt geraamd op 14,92 miljoen EUR, één punt van voorbehoud voor één lidstaat betreffende rechtstreekse betalingen in het kader van het Programma van speciaal op een afgelegen en insulair karakter afgestemde maatregelen (Posei) vanwege de significante hoeveelheid tekortkomingen in de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, waarbij het risicobedrag wordt geraamd op 28,83 miljoen EUR, twaalf punten van voorbehoud voor tien lidstaten betreffende plattelandsontwikkeling vanwege de significante hoeveelheid tekortkomingen in de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, waarbij het risicobedrag wordt geraamd op 209,80 miljoen EUR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>134.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer in het kader van haar controle 2024 ook informatie over de invoering van jaarlijkse prestatieverslagen voor het GLB 2023-2027 heeft verzameld en geanalyseerd; is gerustgesteld door de algemene conclusie van de Rekenkamer dat de jaarlijkse prestatieverslaglegging grotendeels volgens plan is ingevoerd en dat zij geen problemen met de gerapporteerde gegevens heeft vastgesteld; is gerustgesteld door de bevinding van de Rekenkamer dat bij de negen door haar onderzochte betaalorganen overeenstemming kan worden vastgesteld tussen de gedane betalingen en de output die is vastgelegd in hun IT-systemen voor het opstellen van jaarlijkse prestatieverslagen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>135.</NO.P>neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer, op basis van haar onderzoek onder 19 lidstaten, dat de systemen voor prestatieverslaglegging van betaalorganen in 2024 nog steeds in ontwikkeling waren, waarbij 18 betaalorganen de productie van prestatie-indicatoren hadden geautomatiseerd en twee een handmatige of gedeeltelijk geautomatiseerde aanpak hanteerden om enkele belangrijke outputindicatoren voor hun jaarlijkse prestatieverslagen voor 2024 te produceren; merkt met bezorgdheid op dat de IT-systemen die worden gebruikt voor het opstellen van de jaarlijkse prestatieverslagen ten tijde van de controlewerkzaamheden van de Rekenkamer nog niet volledig waren getest om na te gaan of ze voldeden aan de internationale normen voor informatiebeveiliging (ISO 27001);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>136.</NO.P>herinnert eraan dat het GLB 2023-2027 is opgebouwd rond tien hoofddoelstellingen, waaronder het waarborgen van een leefbaar, eerlijk en stabiel inkomen voor landbouwers, het waarborgen van de voedselzekerheid en het versterken van de veerkracht van de landbouwsector; is van mening dat rechtstreekse inkomenssteun in het kader van het GLB beter moet worden gericht op landbouwers die actief betrokken zijn bij de landbouwproductie, waarbij de rechtszekerheid wordt gehandhaafd en buitensporige administratieve beperkingen worden vermeden, met bijzondere aandacht voor degenen die dit het hardst nodig hebben, zoals agrarische familiebedrijven en kleine landbouwbedrijven, landbouwbedrijven in gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen en jonge en vrouwelijke landbouwers; verzoekt de Commissie de efficiëntie en doelgerichtheid van de landbouwfondsen van de Unie te verbeteren en ervoor te zorgen dat alleen actieve landbouwers rechtstreekse inkomenssteun ontvangen, waarbij tegelijkertijd de evenredigheid wordt gewaarborgd en strenge controles worden gehandhaafd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>137.</NO.P>neemt kennis van de conclusies van de Rekenkamer van 2025 over EU-financiering ter bestrijding van bosbranden, namelijk dat de lidstaten steeds meer Uniefinanciering gebruikten voor preventie, maar dat de Commissie een onvolledig overzicht had van de totale uitgaven voor bosbranden en dat de monitoring van de resultaten zwak was, hetgeen een probleem is dat duidelijke gevolgen heeft voor de landbouw en het platteland; verzoekt de Commissie verbeteringen door te voeren wat betreft het verzamelen van gegevens over de uitgaven van de lidstaten voor bosbranden en wat betreft de monitoring van de resultaten en de duurzaamheid op de lange termijn van preventieve maatregelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>138.</NO.P>benadrukt dat de Commissie en de lidstaten in het licht van de toenemende kans op natuurrampen moeten waarborgen dat door de Unie gefinancierde preventieve maatregelen doelgericht zijn, gebaseerd zijn op actuele risicobeoordelingen en niet beperkt blijven tot eenmalige projectcycli, maar voor de lange termijn worden genomen, zodat met de investeringen blijvende voordelen worden gerealiseerd voor de landbouwsector en voor plattelandsgemeenschappen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>139.</NO.P>is bezorgd over de beschuldigingen van grootschalige fraude met landbouwfondsen van de Unie, die voor het eerst in februari 2025 in de media zijn verschenen en betrekking hebben op het Griekse orgaan voor de betaling van en het toezicht op de communautaire oriëntatie‑ en garantiesteun (OPEKEPE); herinnert eraan dat het EOM in mei 2025 een persbericht heeft gepubliceerd waarin werd bevestigd dat een onderzoek werd ingesteld naar vermeende georganiseerde fraude met landbouwfondsen en corruptie waarbij overheidsambtenaren van OPEKEPE betrokken waren; herinnert eraan dat het EOM volgens persberichten informatie aan het Griekse parlement heeft overhandigd met het oog op een onderzoek naar twee voormalige ministers die naderhand zijn afgetreden; neemt met bezorgdheid kennis van het persbericht van het EOM van 22 oktober 2025, waarin wordt uitgelegd dat in de loop van het voorlopige onderzoek door het EOM een georganiseerde criminele groepering is geïdentificeerd die betrokken zou zijn bij systematische grootschalige subsidiefraude en witwaspraktijken; erkent de door de Griekse autoriteiten onverwijld getroffen maatregelen, waaronder het besluit om een speciale onderzoekstaskforce op te richten, bestaande uit de financiële politie en de Onafhankelijke Autoriteit voor Overheidsinkomsten; onderstreept in dit verband dat vermogensbestanddelen in beslag zijn genomen van verschillende personen die verdacht worden van betrokkenheid bij de vermeende criminele activiteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>140.</NO.P>erkent dat DG AGRI in zijn jaarlijkse activiteitenverslag 2024 vier punten van voorbehoud heeft geformuleerd met betrekking tot de door OPEKEPE beheerde uitgaven; merkt op dat één zo’n voorbehoud betrekking heeft op alle GBCS-interventies in het kader van de strategische GLB-plannen, aangezien door de nalevingscontrole van DG AGRI en de werkzaamheden van de certificerende instantie een aantal potentiële ernstige tekortkomingen aan het licht zijn gebracht met betrekking tot de uitvoering van het identificatiesysteem voor landbouwpercelen, alsook met betrekking tot het ontwerp en de werking van het beheers- en controlesysteem; merkt op dat een ander voorbehoud werd gemaakt ten aanzien van niet-GBCS-uitgaven in het kader van de strategische GLB-plannen voor de wijnsector en de bijenteelt, vanwege mogelijke ernstige tekortkomingen met betrekking tot het ontwerp of de opzet van de systemen die niet voldoen aan de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en maatregelen ter voorkoming van dubbele financiering; merkt op dat het derde voorbehoud voor OPEKEPE betrekking heeft op plattelandsontwikkelingsprogramma’s 2014-2022, waarvoor het aangepaste foutenpercentage wordt geschat op 7,45 %, vanwege controles van DG AGRI in 2023 en 2024, waarbij verschillende tekortkomingen werden vastgesteld met betrekking tot het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen, tekortkomingen in de controles ter plaatse door OPEKEPE, ernstige tekortkomingen met betrekking tot het toezicht op en de controles van de plaatselijke actiegroepen, procedures om te controleren op de mogelijk kunstmatige creatie van voorwaarden, controles op dubbele financiering en overheidsopdrachten en tekortkomingen in de beoordeling van de redelijkheid van kosten en de verificatie van de kmo-status; neemt kennis van het vierde voorbehoud inzake marktmaatregelen buiten de strategische GLB-plannen met betrekking tot producentenorganisaties in de groente- en fruitsector en uitzonderlijke maatregelen, waarvoor een aangepast foutenpercentage van 10 % wordt geschat naar aanleiding van de controle van DG AGRI in 2024, waarbij tekortkomingen in administratieve controles en controles ter plaatse werden vastgesteld die van invloed waren op uitzonderlijke maatregelen, en naar aanleiding van het feit dat, op basis van de beoordeling van de certificerende instantie, aanpassingen werden aangebracht in de foutenpercentages voor producentenorganisaties in de groente- en fruitsector en afzetbevordering; erkent dat de Griekse autoriteiten een actieplan hebben opgesteld dat door DG AGRI is aanvaard als voldoende basis om de bovengenoemde tekortkomingen te verhelpen; herinnert eraan dat de Commissie voortdurend toezicht houdt op alle corrigerende maatregelen; dringt erop aan dat de Commissie aan de kwijtingsautoriteit verslag uitbrengt over de uitvoering van het actieplan en over meetbare verbeteringen in de controleprestaties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>141.</NO.P>neemt kennis van de schriftelijke antwoorden van de Commissie waarin werd gesteld dat DG AGRI in 2023 en nogmaals in juni 2024 de Griekse bevoegde autoriteit heeft verzocht de accreditatie van OPEKEPE voorwaardelijk te maken; neemt kennis van de toelichting in het jaarlijks activiteitenverslag van DG AGRI dat de certificerende instantie en DG AGRI tekortkomingen hebben vastgesteld die van invloed zijn op verschillende accreditatiecriteria, en dat de Griekse autoriteiten derhalve de accreditatie van OPEKEPE in september 2024 voorwaardelijk hebben gemaakt en een actieplan voor accreditatie hebben opgesteld; merkt voorts op dat de Commissie de voortgang van de uitvoering van dit verbeteractieplan volgt; dringt erop aan dat de Commissie het laatste herziene actieplan en haar beoordeling met de kwijtingsautoriteit deelt; erkent dat de Griekse autoriteiten onverwijld corrigerende maatregelen hebben genomen om de vastgestelde structurele tekortkomingen aan te pakken, de transparantie van de begunstigden te vergroten en de controles en fraudebestrijdingsmaatregelen te versterken; is in dit verband ingenomen met de hervorming die onlangs bij wet is doorgevoerd om OPEKEPE volledig over te dragen aan de Onafhankelijke Autoriteit voor Overheidsinkomsten (AADE);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>142.</NO.P>neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat zij in juni 2025 een financiële correctie van 415 miljoen EUR heeft toegepast voor de tekortkomingen die in de jaren 2015-2022 in het beheers- en controlesysteem in Griekenland zijn vastgesteld<FOOTNOTE><FIELD> Uitvoeringsbesluit (EU) 2025/1147 van de Commissie van 11 juni 2025 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die bepaalde lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L, 2025/1147, 13.6.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2025/1147/oj).</FIELD></FOOTNOTE>; stelt bezorgd vast dat de Commissie ten minste sinds 2021 op de hoogte was van ernstige tekortkomingen in verband met OPEKEPE, aangezien een toen lopend conformiteitsonderzoek in verband met accreditatie reeds in het jaarlijks activiteitenverslag van DG AGRI voor 2021 werd gemeld; betreurt het dat de Commissie niet eerder actie heeft ondernomen om de ernstige tekortkomingen die in verband met de werkzaamheden van OPEKEPE zijn vastgesteld, grondig te onderzoeken, risico’s te beperken en de begroting van de Unie beter te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>143.</NO.P>spreekt zijn bezorgdheid uit over het aantal onregelmatigheden en beschuldigingen van fraude in verband met door de Unie gefinancierde pensions; neemt kennis van de schriftelijke antwoorden van de Commissie waarin werd gesteld dat voor de programmeringsperiode 2014-2022 pensions samen met andere soorten investeringen werden gefinancierd in het kader van submaatregel voor plattelandsontwikkeling 6.4 (investeringen in het opzetten en ontwikkelen van niet-agrarische activiteiten) en het Leader-programma; betreurt het dat de Commissie de kwijtingsautoriteit geen overzicht kon geven van door de Unie gefinancierde pensionprojecten, aangezien de lidstaten geen verslag uitbrengen aan de Commissie over het aantal en het soort door deze maatregelen ondersteunde investeringen; merkt op dat de controles van de Commissie met betrekking tot maatregelen voor plattelandsontwikkeling systeemgericht zijn en geen beoordeling van de wettigheid en regelmatigheid van afzonderlijke verrichtingen inhouden; neemt kennis van het schriftelijke antwoord van de Commissie dat er in Hongarije, Slowakije (maatregel 6.4) en Griekenland (Leader) bevindingen zijn gedaan over het door de lidstaten uitgevoerde beheers- en controlesysteem in verband met gastenverblijven; is van mening dat de Commissie, gezien het aantal beschuldigingen van fraude in verband met gastenverblijven, ook toezicht moet houden op en controles moet uitvoeren van individuele gastenverblijfprojecten, waaronder het gebruik ervan na de uitvoeringsperiode van het project, en moet overwegen om de duurzaamheidsperiode voor dit soort projecten te verlengen om verder misbruik te voorkomen en om strikte controles op belangenconflicten in te voeren als voorwaarde voor de toewijzing van middelen van de Unie voor de bouw van gastenverblijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>144.</NO.P>herinnert eraan dat een voormalige premier van Tsjechië tijdens zijn vorige ambtstermijn in een situatie van belangenconflict bleek te verkeren en wijst op de daarmee verband houdende resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0530.</FIELD></FOOTNOTE>; neemt kennis van de schriftelijke antwoorden van de Commissie over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van het belangenconflict dat voortvloeide uit het bezit van een particuliere holding tijdens het bekleden van een openbaar ambt, en van het feit dat de Commissie in maart 2020 de betaling van één project ter waarde van 30 606,96 EUR heeft opgeschort; merkt op dat de Commissie in juni 2022 een financiële correctie van 3,3 miljoen EUR op Tsjechië heeft toegepast, waarvan een deel (30 606,96 EUR) betrekking had op de situatie van belangenconflict van de premier tijdens zijn mandaat dat in 2021 afliep<FOOTNOTE><FIELD> Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/908 van de Commissie van 8 juni 2022 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 157 van 10.6.2022, blz. 15, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2022/908/oj).</FIELD></FOOTNOTE>; dringt erop aan dat de Commissie toezicht blijft houden op mogelijke belangenconflicten die van invloed kunnen zijn op middelen van de Unie, met name in verband met gekozen functionarissen, en maatregelen neemt om de begroting van de Unie te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>145.</NO.P>merkt op dat na de nationale verkiezingen in december 2025 een nieuwe regering in Tsjechië is aangetreden; neemt kennis van publieke verklaringen van de premier waarin deze aangaf van plan te zijn afstand te doen van de eigendom van en zeggenschap over zakelijke belangen die mogelijk baat hebben bij middelen van de Unie door de oprichting van een naar verluidt onomkeerbare trustregeling; merkt echter op dat er medio januari 2026 nog geen openbaar beschikbare juridische documentatie is verstrekt die de daadwerkelijke vaststelling en operationele waarborgen van dergelijke regelingen aantonen, en dat de premier van Tsjechië op dit moment nog steeds eigenaar is van Agrofert en andere zakelijke belangen die mogelijk van EU-middelen zouden kunnen profiteren; wijst erop dat de loutere aankondiging van toekomstige regelingen onvoldoende is om bezorgdheid over belangenconflicten weg te nemen; benadrukt dat toekomstige afspraken ervoor moeten zorgen dat er daadwerkelijk een einde komt aan economische belangen en invloed, in overeenstemming met de regels van de Unie inzake belangenconflicten; is ingenomen met recente berichten in de media dat de Commissie de Tsjechische autoriteiten formeel om gedetailleerde informatie heeft verzocht over de maatregelen die zijn genomen om mogelijke belangenconflicten te voorkomen met betrekking tot bedrijven die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van de premier, en om garanties heeft gevraagd dat er geen verdere middelen van de Unie naar Agrofert gaan totdat de situatie volledig is opgehelderd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>146.</NO.P>herinnert eraan dat klimaat en biodiversiteit twee van de horizontale beleidsprioriteiten zijn voor de begroting van de Unie voor 2021-2027; merkt op dat de Commissie klimaat- en biodiversiteitsmainstreaming definieert als het systematisch rekening houden met klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen bij het ontwerp, de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van elk uitgavenprogramma;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>147.</NO.P>herinnert eraan dat in het Interinstitutioneel Akkoord 2020 een bindende doelstelling van 30 % voor klimaatuitgaven is vastgesteld, maar slechts een jaarlijkse “ambitie” van 7,5 % in 2025 en 10 % in 2026 en 2027 voor biodiversiteitsuitgaven; merkt op dat de Commissie de uitgaven van de Unie voor klimaat- en biodiversiteitsgerelateerde activiteiten aan de hand van specifieke methoden volgt; wijst erop dat de methoden voor het traceren van uitgaven op het gebied van klimaat en biodiversiteit systemen voor markering vooraf zijn die gebaseerd zijn op het verwachte effect van activiteiten en geen rekening houden met resultaten; herinnert eraan dat de mainstreaming van prioriteiten in de begroting van de Unie inhoudt dat in alle fasen van de begrotingscyclus rekening wordt gehouden met die prioriteit; benadrukt derhalve dat het traceren van uitgaven in verband met klimaat- of biodiversiteitsdoelstellingen slechts één stap is in een alomvattende groene begrotingscyclus, waarin klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen gedurende de hele levenscyclus van de begroting in aanmerking worden genomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>148.</NO.P>merkt op dat de Commissie op basis van haar methoden voor het traceren van uitgaven op het gebied van klimaat en biodiversiteit heeft berekend dat de Unie op koers ligt om haar doelstelling van 30 % klimaatuitgaven voor 2021-2027 en haar ambitie van 7,5 % biodiversiteitsuitgaven voor 2025 te halen; betreurt het dat zij niet op koers ligt om haar ambitie van 10 % voor biodiversiteitsuitgaven in 2026 en 2027 te halen; stelt voorts vast dat er een gemiddelde jaarlijkse financieringskloof van 21,4 miljard EUR is voor het halen van de Uniedoelstellingen inzake biodiversiteit<FOOTNOTE><FIELD> Europese Commissie, 2022, Biodiversity financing and tracking: Final report, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg (https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/793eb6ec-dbd6-11ec-a534-01aa75ed71a1/language-en).</FIELD></FOOTNOTE>; benadrukt dat hogere begrotingstoewijzingen gepaard moeten gaan met een grotere doeltreffendheid en een betere monitoring van biodiversiteitsresultaten, waarbij ervoor gezorgd wordt dat deze wijzigingen niet leiden tot onevenredige administratieve lasten voor landbouwers en lokale overheden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>149.</NO.P>is bezorgd over het feit dat de Rekenkamer bij verschillende controles heeft vastgesteld dat de bijdrage van de fondsen van de Unie aan de klimaatdoelstellingen onduidelijk was en mogelijk werd overschat vanwege tekortkomingen in de methoden van de Commissie voor het traceren van uitgaven; herinnert eraan dat de Rekenkamer in haar Speciaal verslag 09/2022 getiteld “Klimaatuitgaven in de EU-begroting 2014-2020” heeft geconstateerd dat de klimaatbijdrage van de begroting van de Unie in het MFK 2014-2020 met 72 miljard EUR was overschat, aangezien de gerapporteerde uitgaven niet altijd relevant waren voor klimaatactie, onder meer in het kader van het GLB; is zich ervan bewust dat de Commissie naar aanleiding van het bovengenoemde speciale verslag opdracht heeft gegeven tot een studie met het oog op de vaststelling van een meer wetenschappelijke aanpak om de klimaatbijdrage van het GLB te kwantificeren, en is van mening dat de studie openbaargemaakt moet worden; ziet uit naar het oordeel van de Rekenkamer over de follow-up door de Commissie van haar aanbevelingen in Speciaal verslag 09/2022 in 2026;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>150.</NO.P>neemt kennis van het schriftelijke antwoord van de Commissie dat de broeikasgasemissies van de landbouw in de EU tussen 2021 en 2023 met 3 % zijn gedaald, terwijl die van de energievoorziening en de industrie met 16 % zijn gedaald; is van mening dat alle beleidsterreinen en activiteiten een billijke bijdrage moeten leveren aan de vermindering van de emissies; neemt kennis van Speciaal verslag 20/2024 van de Rekenkamer over plannen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en van het antwoord van de Commissie; neemt met name kennis van de beoordeling van de Rekenkamer dat de strategische GLB-plannen 2023-2027 een verbetering vormen ten opzichte van de vorige programmeringsperiode, onder meer met betrekking tot klimaat- en milieuoverwegingen, maar dat het monitoring- en prestatiekader verder kan worden versterkt; is verheugd dat de Rekenkamer de Commissie ook aanbeveelt de bijdrage van het GLB aan de streefdoelen van de Green Deal in te schatten en het toekomstige monitoringkader van het GLB voor klimaat en milieu te versterken; benadrukt dat verdere verbeteringen van het monitoring- en prestatiekader niet mogen leiden tot extra administratieve lasten voor landbouwers of beheersautoriteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>151.</NO.P>neemt kennis van Speciaal verslag 14/2024 van de Rekenkamer getiteld “Groene transitie — Onduidelijke bijdrage uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit” en van het antwoord van de Commissie; neemt kennis van de bevindingen van de Rekenkamer waarin wordt gewezen op tekortkomingen en beperkingen in het ontwerp en de uitvoering van de RRF met betrekking tot de meting van de bijdrage van de faciliteit aan de klimaat- en milieudoelstellingen; stelt vast dat het traceren van klimaatuitgaven een aanzienlijke approximatie met zich meebrengt en dat sommige coëfficiënten tot mogelijke overschattingen leidden; is verheugd dat de Rekenkamer de Commissie aanbeveelt de methoden voor het ramen van de klimaatuitgaven in toekomstige financieringsinstrumenten verder te verfijnen en bij de opzet van toekomstige financieringsinstrumenten ter ondersteuning van de klimaat- en milieudoelstellingen en -streefdoelen rekening te houden met de geleerde lessen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>152.</NO.P>neemt kennis van Speciaal verslag 15/2024 van de Rekenkamer over klimaatadaptatie in de EU en van het antwoord van de Commissie; waardeert de conclusie van de Rekenkamer dat het algehele EU-kader voor het adaptatiebeleid solide is; is bezorgd over de bevinding dat de lidstaten soms verouderde wetenschappelijke gegevens gebruikten voor hun documenten met betrekking tot de nationale aanpassingsstrategie en dat de rapportage van de lidstaten over klimaatadaptatie ontoereikend was en weinig toegevoegde waarde had om vooruitgang te monitoren; is teleurgesteld over de bevindingen van de Rekenkamer dat een derde van projecten in de steekproef weinig of geen invloed had op het vergroten van het aanpassingsvermogen en dat bij twee projecten (van de 36) het risico bestond dat zij tot slechte aanpassing leiden; is ingenomen dat de Rekenkamer de Commissie ook aanbeveelt de rapportage over klimaatadaptatie te verbeteren door middel van gemeenschappelijke indicatoren om de voortgang te meten en follow-up te geven aan de vastgestelde tekortkomingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>153.</NO.P>herinnert eraan dat alle uitgaven van de Unie in overeenstemming moeten zijn met het horizontale beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, dat is neergelegd in punt 16 van het Interinstitutioneel Akkoord, waarin is bepaald dat de uitgaven van de Unie geen afbreuk mogen doen aan de zes milieudoelstellingen van artikel 17 van de taxonomieverordening<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/852/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, namelijk mitigatie van en adaptatie aan klimaatverandering, duurzaam gebruik en bescherming van watervoorraden, de circulaire economie, preventie en bestrijding van verontreiniging en bescherming van de biodiversiteit; is van mening dat, in het licht van de steeds terugkerende bevindingen van de Rekenkamer, de negatieve milieueffecten van de uitgaven van de Unie ook moeten worden getraceerd en gerapporteerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>154.</NO.P>herinnert eraan dat het emissiehandelssysteem van de EU (EU-ETS) een belangrijk onderdeel is van de Europese Green Deal en een van de belangrijkste instrumenten is om de klimaatambities van de Unie te verwezenlijken; is verheugd dat volgens het jaarlijks activiteitenverslag 2024 van het directoraat-generaal Klimaatactie (DG CLIMA), het EU-ETS het voorgaande jaar 43,6 miljard EUR aan inkomsten heeft gegenereerd voor investeringen in klimaatactie, waarvan 7,4 miljard EUR is verstrekt aan het Innovatiefonds en het moderniseringsfonds van het ETS en 2,8 miljard EUR aan het RRF, dat de lidstaten gebruiken om de transitie naar schone energie te bevorderen en de energiezekerheid te versterken; neemt kennis van de bevinding van de IAS-controle 2024 over de uitvoering van en het toezicht op het EU-ETS dat de medewerkers van DG CLIMA ondanks de hoge werkdruk, het complexe rechtskader en de schaarse middelen waarover zij beschikken, blijk hebben gegeven van toewijding bij de uitvoering van hun taken en de bereidheid om de efficiëntie van de processen in verband met het EU-ETS te verbeteren; waardeert de schriftelijke bevestiging van de Commissie dat DG CLIMA voornemens is de meeste aanbevelingen van de interne audit uiterlijk in 2025 en alle aanbevelingen uiterlijk medio 2028 op te volgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>155.</NO.P>herinnert eraan dat DG CLIMA sinds 2010 in al zijn jaarlijkse activiteitenverslagen een voorbehoud heeft gemaakt op basis van reputatie-, juridische en/of financiële overwegingen in verband met zwakke punten in de beveiliging die in het Unieregister voor het EU-ETS waren vastgesteld, welke in het jaarlijks activiteitenverslag 2024 is gehandhaafd; betreurt het dat de onderliggende tekortkomingen sinds 2010 niet zijn aangepakt; is verontrust over de schriftelijke verduidelijking van de Commissie dat het risiconiveau nauw samenhangt met de waarde van de activa die onder het EU-ETS vallen – een waarde die sinds 2017 is vertienvoudigd – en dat dit risico bovendien nog wordt vergroot door de verslechterende geopolitieke situatie; benadrukt dat de financiële gevolgen van het voorbehoud voor 2024 weliswaar niet kunnen worden gekwantificeerd, maar dat het Unieregister op het moment van het jaarlijks activiteitenverslag 2024 van DG CLIMA emissierechten ter waarde van meer dan 200 miljard EUR in lopende prijzen bevatte;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>156.</NO.P>neemt bezorgd kennis van het schriftelijke antwoord van de Commissie dat het risicolandschap zich systematisch sneller heeft ontwikkeld dan de Commissie in staat was beveiligingsmaatregelen te verbeteren; begrijpt dat volgens de beoordeling van de Commissie het in het Unieregister voor de EU-emissiehandel vastgestelde veiligheidsrisico alleen kan worden opgelost door meer middelen uit te trekken en, uiteindelijk, door het EU-register uit te besteden; is ontzet over het feit dat het voorstel om de zwakke punten in de beveiliging van het Unieregister aan te pakken, voornamelijk is vastgelopen door een gebrek aan passende personele en financiële middelen; neemt met bezorgdheid kennis van het schriftelijke antwoord van de Commissie dat deze middelen beschikbaar moeten komen door de invoering van vergoedingen voor diensten aan de lidstaten om de werking van het EU-ETS te financieren, maar aangezien eerst een geschikte rechtsgrondslag voor de invoering van een vergoeding voor diensten in de ETS-richtlijn moet worden voorgesteld, acht de Commissie het niet mogelijk om vóór 2028 een oplossing te vinden; acht het absoluut noodzakelijk dat er onverwijld passende middelen beschikbaar worden gesteld om de grote financiële, juridische en reputatierisico’s voor de Unie als gevolg van de zwakke punten in de beveiliging van het Unieregister aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>157.</NO.P>herinnert eraan dat democratie en pluralisme fundamentele waarden van de Unie zijn die zijn verankerd in artikel 2 VEU; herinnert er voorts aan dat de instellingen van de Unie overeenkomstig artikel 11 VEU de burgers en de representatieve organisaties de mogelijkheid moeten bieden hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden teneinde een open, transparante en regelmatige dialoog te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>158.</NO.P>erkent het belang van het LIFE-programma, het enige op zichzelf staande programma van de Unie voor milieu en klimaatactie, voor de ondersteuning van natuurbehoud, initiatieven op het gebied van de circulaire economie, klimaatactie en de transitie naar schone energie en, meer in het algemeen, voor de bevordering van duurzame ontwikkeling in de hele Unie; herinnert aan de bepalingen van de LIFE+-verordening, met inbegrip van artikel 11, lid 6, waarin is bepaald dat met exploitatiesubsidies steun kan worden verleend aan entiteiten zonder winstoogmerk die actief zijn op het gebied van de ontwikkeling, uitvoering en handhaving van wetgeving en beleid van de Unie; benadrukt echter dat dergelijke exploitatiesubsidies moeten worden toegekend met strikte inachtneming van de wettelijke, financiële en transparantievoorschriften van de Unie; benadrukt bovendien het belang van duidelijke waarborgen om ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie uitsluitend worden gebruikt voor de in het programma vastgestelde doelstellingen; stelt vast dat exploitatiesubsidies die in het kader van het LIFE-programma aan ngo’s worden toegekend, ongeveer 1 % van de totale begroting van het programma uitmaken; verzoekt de Commissie te zorgen voor robuuste monitoring, volledige verantwoordingsplicht en transparantie bij het gebruik van de middelen van de Unie, ook in het kader van belangenbehartigingsactiviteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>159.</NO.P>neemt kennis van de door bepaalde leden van het Parlement geuite bezorgdheid over het gebruik van exploitatie- en actiesubsidies in het kader van LIFE door bepaalde begunstigden, zoals maatschappelijke organisaties en bedrijven; benadrukt het belang van volledige transparantie wat betreft begunstigden en gefinancierde activiteiten, van voortdurende monitoring en, waar nodig, verdere verduidelijking van de bestaande waarborgen om ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie uitsluitend worden gebruikt voor de in het programma vastgestelde doelstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>160.</NO.P>merkt op dat uit een evaluatie van financieringscontracten in het kader van de kwijtingsprocedure blijkt dat activiteiten die verband houden met het beïnvloeden van overheidsbeleid of besluitvorming kunnen plaatsvinden bij verschillende categorieën begunstigden, waaronder ngo’s; uit zijn bezorgdheid over het feit dat ondernemingen die Uniefinanciering voor dergelijke activiteiten ontvangen, in sommige gevallen tegelijkertijd EU-besluitvormers in hun raad van bestuur kunnen hebben die een vergoeding ontvangen; benadrukt dat waarborgen ervoor moeten zorgen dat mogelijke belangenconflicten worden voorkomen en dat Uniemiddelen op transparante wijze worden beheerd, ongeacht het soort begunstigde; wijst erop dat moet worden gezorgd voor consistent toezicht en consistente verificatie bij alle begunstigden om te waarborgen dat de richtsnoeren van de Commissie van 2024 inzake activiteiten ter ondersteuning van de uitvoering, monitoring en handhaving van wetgeving en beleid van de Unie worden nageleefd; pleit daarom voor de invoering van een gestandaardiseerd beoordelingsproces voor aanvragen voor exploitatiesubsidies, waarbij ten minste twee leden van de Commissie of personeelsleden van het agentschap de aanvraagvoorstellen lezen en beoordelen, alsmede de vaststelling van een gestandaardiseerde reeks regels voor de selectie van externe deskundigen voor de beoordelingscommissie van exploitatiesubsidies;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>161.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>in samenwerking met de lidstaten de financiële en personele middelen beschikbaar te stellen die nodig zijn om de nog steeds bestaande, belangrijke zwakke punten in de beveiliging van het Unieregister van het EU-ETS met spoed te verhelpen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de lidstaten te ondersteunen bij het vereenvoudigen van ecoregelingen, zoals aanbevolen door de Rekenkamer, zonder hun milieuambities terug te schroeven;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>de lidstaten te ondersteunen bij het testen en upgraden van de IT-systemen die worden gebruikt om de jaarlijkse prestatieverslagen op te stellen, om ervoor te zorgen dat deze voldoen aan de toepasselijke internationale normen voor informatiebeveiliging;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de terugvorderingspercentages van landbouwuitgaven in het kader van het GLB voor de periode 2023-2027, en te overwegen nieuwe stimulansen voor de lidstaten in te voeren om middelen terug te vorderen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>samen met de lidstaten de middelen van het Elfpo sneller uit te betalen en maatregelen te nemen om de absorptie te verhogen als zich vertragingen blijven voordoen, om een evenwichtige steunverlening in alle regio’s te waarborgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>de lidstaten te ondersteunen bij het inzetten van middelen voor hoogwaardige preventieve maatregelen (zoals landschapsbeheer, onderhoud van brandstroken, herstel van aangetaste bodems, aankoop en levering van vaccins voor landbouwhuisdieren) en de verspreiding van goede praktijken en doeltreffende landbouwprojecten in de lidstaten te bevorderen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>het gezonde financiële beheer van het huidige en toekomstige GLB te verbeteren door ervoor te zorgen dat rechtstreekse inkomenssteun alleen wordt verleend aan actieve landbouwers, met bijzondere aandacht voor degenen die dit het hardst nodig hebben, zoals agrarische familiebedrijven en kleine landbouwbedrijven, landbouwbedrijven in gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen en jonge en vrouwelijke landbouwers;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>alle mogelijke maatregelen in te voeren om de negatieve effecten van de overeenkomst tussen de EU en Mercosur voor de Europese landbouw en de marktpositie van Europese producenten te beperken, en de omvang en de daadwerkelijke impact van deze effecten op betrouwbare wijze te monitoren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>financiële en nalevingsgerichte controles van door de Unie gefinancierde pensionprojecten op risicobasis uit te voeren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>nauwlettend toe te zien op het gebruik van door de Unie gefinancierde pensionprojecten na de uitvoeringsperiode van het project en te overwegen de houdbaarheidsperiode voor dit soort projecten te verlengen om verder misbruik te voorkomen en om strikte controles op belangenconflicten in te voeren als voorwaarde voor de toewijzing van middelen van de Unie voor de bouw van pensions;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xi)</SYMBOL>bij de autoriteiten van de lidstaten gegevens te verzamelen over het aantal pensionprojecten dat sinds 2021 uit de begroting van de Unie is gefinancierd, met vermelding van eventueel vastgestelde onregelmatigheden, en deze informatie met de kwijtingsautoriteit te delen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xii)</SYMBOL>toezicht te houden op mogelijke belangenconflicten die van invloed zijn op middelen van de Unie en ervoor te zorgen dat belangenconflicten daadwerkelijk worden opgelost, ook voor leden van de Europese Raad, en er met name voor te zorgen dat er geen middelen van de Unie direct of indirect aan begunstigden worden betaald wanneer er een belangenconflict is vastgesteld dat niet aantoonbaar en verifieerbaar is opgelost;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiii)</SYMBOL>de brief aan de Tsjechische autoriteiten te delen om het belangenconflict van de premier met de kwijtingsautoriteit op te helderen en de kwijtingsautoriteit volledig op de hoogte te houden van volgende stappen, waaronder eventueel de inleiding van een controleprocedure;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiv)</SYMBOL>alle relevante documenten met betrekking tot de follow-up door de Commissie van de zaak-OPEKEPE, met inbegrip van het geactualiseerde actieplan en de beoordeling ervan door de Commissie, zo nodig onder specifieke vertrouwelijke voorwaarden, met de kwijtingsautoriteit te delen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xv)</SYMBOL>lering te trekken uit de zaak-OPEKEPE, het controlesysteem van de landbouwfondsen van de Unie te versterken, de controleactiviteiten van de Commissie dienovereenkomstig te intensiveren en aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de genomen maatregelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xvi)</SYMBOL>haar methode voor het traceren van de uitgaven van de Unie voor klimaat- en biodiversiteitsgerelateerde activiteiten van het MFK 2021-2027 te verbeteren, onder meer door de relevante aanbevelingen in de speciale verslagen van de Rekenkamer op te volgen, alsook de monitoring en de verslaglegging over de daadwerkelijke resultaten van investeringen en de negatieve effecten van de uitgaven van de Unie op de milieu- en biodiversiteitsdoelstellingen te verbeteren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xvii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat er in het volgende MFK rekening wordt gehouden met klimaat- en milieuoverwegingen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xviii)</SYMBOL>een specifiek, gedetailleerd plan voor te stellen om te bewerkstelligen dat het streefcijfer voor biodiversiteitsuitgaven voor de jaren 2026 en 2027 wordt gehaald, financiële instrumenten te bevorderen om de financieringskloof te dichten, en volledig uitvoering te geven aan de milieuwetgeving en het mainstreamen van acties voor biodiversiteit in kernsectoren om de beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, onder meer om de uitvoering van de verordening natuurherstel te financieren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xix)</SYMBOL>te blijven verifiëren of financieringsovereenkomsten met alle soorten begunstigden in overeenstemming zijn met de richtsnoeren van de Commissie van mei 2024 voor de financiering van activiteiten in verband met de ontwikkeling, uitvoering, monitoring en handhaving van wetgeving en beleid van de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xx)</SYMBOL>te zorgen voor strikte naleving van artikel 61 van het Financieel Reglement door belangenconflicten doeltreffend te voorkomen, vast te stellen en te beheersen bij het sluiten van subsidieovereenkomsten, met name met begunstigden die beleidsmakers van de Unie in dienst hebben of belonen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xxi)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat alle subsidieovereenkomsten, met inbegrip van exploitatiesubsidies, voldoen aan de noodzakelijke vereisten inzake transparantie, traceerbaarheid en zichtbaarheid van de middelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xxii)</SYMBOL>in haar controles en systemen een op risicoanalyse gebaseerde verificatie op te nemen van de mate waarin ontvangers de waarden van de Unie naleven, om eventuele inbreuken op te sporen;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Migratie en grensbeheer </STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>162.</NO.P>merkt op dat de begroting van 2024 voor de programma’s onder MFK-rubriek 4 “Migratie en grensbeheer” 3,4 miljard EUR bedroeg (1,8 % van de begrotingsuitgaven van de Unie), die als volgt is verdeeld: 1,4 miljard EUR (40,1 %) voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), 1,3 miljard EUR (37,7 %) voor drie gedecentraliseerde agentschappen, het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) en het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA), en 0,8 miljard EUR (22,2 %) voor het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF), dat bestaat uit het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (BMVI) en het instrument voor douanecontroleapparatuur;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>163.</NO.P>herinnert eraan dat de AMIF-financiering voor 2014-2020 vóór juni 2024 moest zijn besteed en dat de definitieve rekeningen vóór 31 december 2024 moesten zijn ingediend; neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat ten tijde van haar controle een materieel bedrag aan financiering uit het AMIF voor de periode 2014-2020 nog moest worden goedgekeurd (12 % of 528 miljoen EUR) in afwachting van de aanvaarding van deze definitieve rekeningen door de Commissie; neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat de totale uitgaven die de lidstaten in de periode 2014-2020 hebben gedeclareerd, met inbegrip van de indiening van de definitieve rekeningen, 94 % van het AMIF bedroegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>164.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer een steekproef van 23 verrichtingen heeft onderzocht die niet groot genoeg wordt geacht om representatief te zijn voor de uitgaven onder de MFK-rubrieken 4 en 5, en daarom geen aparte schatting van het foutenpercentage voor deze rubrieken kan geven; merkt voorts op dat uit de controleresultaten van de Rekenkamer blijkt dat de uitgaven onder de MFK-rubrieken 4 en 5 fouten bevatten als gevolg van subsidiabiliteits- en aanbestedingskwesties en het ontbreken van bewijsstukken, en dat dit derhalve wordt beschouwd als een gebied met een hoog risico (8 van de 23 gecontroleerde verrichtingen bevatten fouten); vindt het zorgwekkend dat de Rekenkamer drie kwantificeerbare fouten heeft ontdekt met financiële gevolgen voor de begroting van de Unie, alsook zeven gevallen van niet-naleving van wettelijke en financiële bepalingen (zonder directe financiële gevolgen voor de Uniebegroting) en twee verrichtingen die niet in overeenstemming waren met de beginselen van goed financieel beheer vanwege ontoereikende bescherming van door de Unie gefinancierde uitrusting en terugbetaling van btw aan overheidsorganen boven gemaakte kosten in strijd met de richtsnoeren van de Commissie; stelt vast dat de Commissie schat dat het risico bij betaling in 2024 1,3 % bedroeg voor de uitgaven voor migratie en grensbeheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>165.</NO.P>is verheugd over de conclusie van de Rekenkamer dat de Commissie volledig gevolg heeft gegeven aan twee aanbevelingen die de Rekenkamer in haar jaarverslag 2021 had gedaan en aan één aanbeveling in haar jaarverslag 2022, die betrekking hadden op het verstrekken van nadere richtsnoeren aan de begunstigden van acties van de Unie en noodhulp en op het uitvoeren van gerichtere controles vooraf; is ingenomen met de goedkeuring van de herziene controlestrategie voor noodhulpprojecten in direct en indirect beheer in het directoraat-generaal Migratie en Binnenlandse Zaken (DG HOME) in december 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>166.</NO.P>spreekt zijn ontevredenheid uit over het feit dat de Rekenkamer nog steeds problemen ondervindt om van internationale organisaties die door de Unie gefinancierde projecten uitvoeren, de documentatie te verkrijgen die nodig is om haar mandaat uit te voeren; stelt met bezorgdheid vast dat sommige internationale organisaties de toegang van de Rekenkamer tot documenten hebben beperkt tot een tijdelijke elektronische raadpleging in een omgeving waarin alleen inzage mogelijk is, en van de conclusie van de Rekenkamer dat dit wijst op een gebrek aan precisie in de contractuele regelingen van de Commissie met internationale organisaties; neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat zij van mening is dat de bestaande contractuele overeenkomsten met de internationale organisaties reeds een kader bieden om de toegankelijkheid van documenten zodanig te waarborgen dat de vereiste controles mogelijk worden gemaakt; betreurt het feit dat de Commissie de aanbeveling van de Rekenkamer om deze terugkerende kwestie aan te pakken niet volledig heeft opgevolgd, met name gezien het feit dat de Rekenkamer sinds haar controle van het begrotingsjaar 2018 nog steeds problemen heeft met de controle van internationale organisaties die door de Unie gefinancierde projecten uitvoeren; dringt erop aan dat in de contractuele regelingen van de Commissie met partners de volledige controlerechten van de Rekenkamer worden gewaarborgd, met inbegrip van de mogelijkheid om bewijsmateriaal te downloaden en te bewaren dat nodig is voor controle, analyse, kwaliteitscontrole en follow-up;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>167.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat in het jaarlijks activiteitenverslag van DG HOME voor 2024 twee punten van voorbehoud ten aanzien van de betrouwbaarheidsverklaring zijn gemaakt; merkt op dat één voorbehoud betrekking heeft op de uitvoering van de AMIF- en ISF-programma’s voor de periode 2014-2020 in verschillende lidstaten vanwege ernstige tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen voor deze programma’s die door DG HOME zijn ontdekt; merkt voorts op dat het andere voorbehoud betrekking heeft op de AMIF-, BMVI- en ISF-programma’s voor de periode 2021-2027 in verschillende lidstaten vanwege ernstige tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen voor deze programma’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>168.</NO.P>merkt op dat de lidstaten in 2024 hun eerste nationale jaarrekeningen voor de AMIF- en BMVI-programma’s van de periode 2021-2027 hebben ingediend; merkt voorts op dat de Rekenkamer de werkzaamheden van vijf auditautoriteiten met betrekking tot hun jaarlijkse controleverslagen en controles van AMIF- en BMVI-uitgaven heeft beoordeeld; is ingenomen met de bevindingen van de Rekenkamer dat de auditautoriteiten gedetailleerde procedures hadden ontwikkeld en toegepast die van toereikende kwaliteit zijn om verslag uit te brengen over hun werkzaamheden in het jaarlijkse controleverslag;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>169.</NO.P>neemt verder kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat de door haar onderzochte auditautoriteiten over gedetailleerde controleprogramma’s beschikten en de checklists gebruikten om hun conclusies te onderbouwen; merkt met bezorgdheid op dat de Rekenkamer ook een aantal tekortkomingen in de werkzaamheden van de auditautoriteiten heeft vastgesteld; neemt er akte van dat de Commissie de aanbeveling van de Rekenkamer om de tekortkomingen in de werkzaamheden van de auditautoriteiten op te volgen, aanvaardt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>170.</NO.P>vindt het zorgwekkend dat het moeilijk is gedetailleerde en alomvattende informatie te krijgen over uitgaven van de Unie op het gebied van binnenlandse zaken, met name met betrekking tot projecten onder gedeeld beheer door de lidstaten, hetgeen gedegen toezicht door de begrotings- en kwijtingsautoriteit lastig maakt; dringt in dit verband aan op meer transparantie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>171.</NO.P>is ingenomen met de goedkeuring van het migratie- en asielpact in 2024 en wijst erop dat de uitvoering ervan een hoeksteen van het nieuwe systeem voor het beheer van migratie en asiel in de EU is, dat vanaf medio 2026 in alle lidstaten van toepassing zal zijn; is voorts ingenomen met de toewijzing van 2 miljard EUR extra aan MFK-rubriek 4 voor 2024-2027 in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK 2021-2027, ook om de volledige uitvoering van de nieuwe regels van het pact mogelijk te maken en de toenemende uitdagingen op het gebied van migratie en grensbeheer als gevolg van de huidige geopolitieke context aan te pakken; benadrukt dat het belangrijk is in voldoende financiering te voorzien om het pact doeltreffend uit te voeren, met inbegrip van nieuwe grensprocedures, en waardeert daarom de schriftelijke antwoorden van de Commissie waarin wordt bevestigd dat zij in het kader van het AMIF en het BMVI voor de jaren 2025-2027 nog eens 3 miljard EUR beschikbaar heeft gesteld om onder meer de lidstaten te ondersteunen die personen opvangen die de oorlog in Oekraïne ontvluchten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>172.</NO.P>wijst erop dat het beheer van de buitengrenzen van de Unie een pijler van het nieuwe migratie- en asielpact is en een essentiële voorwaarde voor een goed functionerend Schengengebied van vrij verkeer; onderkent dat door de EU gefinancierde projecten ter ondersteuning van de bescherming van de buitengrenzen dienen om de druk op de bescherming van de binnengrenzen te verlichten, zoals de commissaris voor Begroting, Fraudebestrijding en Openbaar Bestuur tijdens een hoorzitting in de Commissie begrotingscontrole op 8 december 2025 heeft verklaard; erkent dat het totale aantal migranten dat irregulier in de Unie aankomt in 2024 weliswaar met 38 % is gedaald, maar dat de migratiestromen over het continent zijn verschoven, waarbij het verkeer op bepaalde routes aanzienlijk is toegenomen, met name de route via de oostelijke grenzen, waar in 2024 een verdrievoudiging van het aantal grensoverschrijdingen werd gemeld; merkt op dat het BMVI de lidstaten in de voorste linie kan ondersteunen om ervoor te zorgen dat zij over de nodige middelen beschikken voor infrastructuur, voorzieningen en installaties die noodzakelijk zijn om de buitengrenzen van de Unie te beveiligen, waaronder betere elektronische grensbeveiliging en andere instrumenten voor grensbewaking zoals bepaald in bijlage III bij de BMVI-verordening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>173.</NO.P>is van mening dat de Unie kwetsbare personen beter moet beschermen tegen netwerken van mensensmokkel en -handel, en hybride aanvallen en de instrumentalisering van migratie door derde landen of vijandige niet-overheidsactoren moet aanpakken; merkt op dat de Commissie na de goedkeuring van haar mededeling van 11 december 2024<FOOTNOTE><FIELD> COM(2024)0570.</FIELD></FOOTNOTE> via het BMVI ongeveer 520 miljoen EUR heeft toegewezen aan de lidstaten die grenzen aan Rusland en Belarus, teneinde de grensbeheercapaciteiten te versterken en veiligheids- en migratiegerelateerde uitdagingen aan te pakken; wijst er met name op dat de lidstaten in de voorste linie steun moeten krijgen met het oog op de beveiliging van de buitengrenzen van de EU;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>174.</NO.P>huldigt de nagedachtenis van Mateusz Sitek, een Poolse grenswachter die op 6 juni 2024 om het leven kwam bij het verdedigen van de buitengrens van de Unie tegen een door het Belarussische regime georkestreerde hybride aanval; benadrukt dat de bescherming van de buitengrenzen van de Unie geen abstracte beleidsdoelstelling is maar een kwestie van leven en dood voor de mannen en vrouwen in de frontlinie; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat adequate financiële en operationele steun wordt verleend aan lidstaten in de voorste linie die worden geconfronteerd met hybride dreigingen aan de buitengrenzen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>175.</NO.P>neemt kennis van de lopende inspanningen van de Commissie om nauwer en op zinvolle wijze samen te werken met derde landen van herkomst en doorreis, en dan vooral met aan de Unie grenzende landen, om irreguliere migratie aan de bron aan te pakken; onderstreept dat passend toezicht moet worden uitgeoefend en dat zorgvuldigheid in acht moet worden genomen bij de toewijzing van middelen aan partners die betrokken zijn bij migratiebeheer buiten de EU, om ervoor te zorgen dat migratie op een wederzijds voordelige manier wordt beheerd en strookt met de Europese migratie- en asielstrategie, onder meer op het gebied van de grondrechten; verzoekt de Commissie met klem de transparantie en de verantwoording ten aanzien van de Uniefondsen op het gebied van binnenlandse zaken in derde landen te vergroten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>176.</NO.P>herinnert eraan dat solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, in overeenstemming met de Verdragen, kernbeginselen zijn die ten grondslag liggen aan het migratie- en asielbeleid van de Unie; neemt kennis van de lopende inspanningen van de Commissie om te zorgen voor meer solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, met name ten aanzien van de lidstaten die het meest met de migratie- en asielproblematiek te maken hebben, waaronder de instrumentalisering van migratie; benadrukt in dit verband de rol van het AMIF bij het ondersteunen van de lidstaten bij opvang, asielprocedures, integratiemaatregelen en hervestiging, ook voor personen die op de vlucht zijn voor conflicten en humanitaire crises; benadrukt dat voor een doeltreffende uitvoering van het migratie- en asielpact voldoende, goed beheerde en tijdige financiering nodig is om solidariteitsmaatregelen in de hele Unie te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>177.</NO.P>merkt op dat in 2024 37,7 % van de Uniefinanciering voor migratie en grensbeheer is toegewezen aan gedecentraliseerde agentschappen op het gebied van migratie en binnenlandse zaken; herinnert eraan dat gedecentraliseerde agentschappen juridisch en financieel onafhankelijk zijn van de Commissie, maar dat de Commissie verantwoordelijk blijft voor het toezicht op hun activiteiten; herhaalt dat migratiebeheer moet worden uitgevoerd met volledige inachtneming van het Unierecht, met inbegrip van de grondrechten; is ingenomen met de schriftelijke antwoorden van de Commissie waarin wordt benadrukt dat de monitoring- en verantwoordingsmechanismen verder moeten worden versterkt, ook met betrekking tot de activiteiten van Frontex;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>178.</NO.P>verzoekt de Rekenkamer een schatting te verstrekken van het foutenpercentage voor MFK-rubriek 4;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>179.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>de aanbevelingen van de Rekenkamer volledig uit te voeren, onder meer door ervoor te zorgen dat de controlerechten van de Rekenkamer in haar contractuele regelingen met internationale organisaties volledig worden geëerbiedigd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>samen met de autoriteiten van de lidstaten systeemgebreken aan te pakken in verband met de punten van voorbehoud in het jaarlijks activiteitenverslag 2024 van DG HOME, en indien nodig ook conformiteitsgoedkeuringsprocedures in te leiden en invorderingsopdrachten af te geven voor de bedragen die aan de lidstaten zijn betaald en door de Commissie als onregelmatig worden beschouwd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>de door de lidstaten en de agentschappen van de Unie vereiste stappen voor de volledige en tijdige uitvoering van het migratie- en asielpact tegen 2026 te blijven volgen en te controleren, en aan het Parlement verslag uit te brengen over de vooruitgang bij de uitvoering ervan en het Parlement toegang te geven tot alle relevante documenten om voor doeltreffend democratisch toezicht op het uitvoeringsproces te zorgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>lidstaten in de voorste linie steun te verlenen met het oog op de beveiliging van de buitengrenzen van de EU;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>de transparantie en verantwoordingsplicht met betrekking tot de programmering en uitvoering van de Uniefondsen op het gebied van binnenlandse zaken te vergroten door te zorgen voor gedetailleerde en uitgebreide gegevens, onder meer met betrekking tot middelen die in derde landen worden uitgegeven, en tegelijkertijd de rol van het Parlement bij het democratisch toezicht op de uitgaven van de Unie te waarborgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>transparante en onafhankelijke mechanismen te handhaven voor toezicht op de mensenrechten in het kader van Uniefondsen op het gebied van binnenlandse zaken in derde landen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>nauwlettend toe te zien op door de Unie gefinancierde grensbeheeracties, met name om ervoor te zorgen dat de verplichtingen van de Unie op het gebied van de grondrechten en het beginsel van non-refoulement volledig worden nageleefd;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Veiligheid en defensie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>180.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 5 “Veiligheid en defensie” in 2024 in totaal 2,1 miljard EUR bedroeg (1,1 % van de Uniebegroting), die als volgt is verdeeld: 800 miljoen EUR (36,9 %) voor het Europees Defensiefonds, 300 miljoen EUR (15,9 %) voor militaire mobiliteit, 300 miljoen EUR (13,3 %) voor defensie-instrumenten en het programma van de Unie voor beveiligde connectiviteit, 300 miljoen EUR (12,1 %) voor gedecentraliseerde agentschappen, namelijk het Drugsagentschap van de Europese Unie (EUDA), het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol), 300 miljoen EUR (11,9 %) voor nucleaire veiligheid, ontmanteling en andere gebieden, en 200 miljoen EUR (9,9 %) voor het Fonds voor interne veiligheid (ISF);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>181.</NO.P>herinnert eraan dat de middelen van het ISF voor 2014-2020 uiterlijk in juni 2024 moesten zijn besteed en dat de definitieve rekeningen uiterlijk op 31 december 2024 moesten zijn ingediend; neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat ten tijde van haar controle een materieel bedrag aan financiering uit het ISF nog moest worden goedgekeurd (16 % of 505 miljoen EUR) in afwachting van de aanvaarding van deze definitieve rekeningen door de Commissie; neemt kennis van het antwoord van de Commissie dat de totale uitgaven die de lidstaten in de periode 2014-2020 hebben gedeclareerd, met inbegrip van de indiening van de definitieve rekeningen, 94 % van het ISF bedroegen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>182.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer, om de redenen die zijn uiteengezet in het hoofdstuk over migratie en grensbeheer, geen afzonderlijke schatting kan geven van het foutenpercentage voor MFK-rubriek 5 “Veiligheid en defensie” en dat zij op basis van haar controleresultaten de uitgaven uit deze rubriek als zeer riskant beschouwt; merkt op dat de commissaris voor Defensie en Ruimtevaart tijdens zijn hoorzitting in de Commissie begrotingscontrole op 6 november 2025 heeft verduidelijkt dat het jaarverslag 2024 van de Rekenkamer geen fouten bevat die zijn aangetroffen bij defensieprojecten; stelt voorts vast dat de Commissie concludeert dat in 2024 het risico bij betaling minder dan 0,5 % bedroeg voor de uitgaven voor veiligheid en defensie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>183.</NO.P>herinnert eraan dat de zeer onstabiele geopolitieke situatie in de buurlanden van de Unie sinds het begin van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne tot grotere veiligheids- en defensie-uitdagingen, waaronder hybride dreigingen, heeft geleid en daarmee tot grotere investeringsbehoeften op het gebied van veiligheid, defensie en paraatheid; wijst erop dat MFK-rubriek 5, die bestemd is voor veiligheid en defensie, de kleinste van alle MFK-rubrieken is, en betreurt dat de huidige begroting van de Unie voor het waarborgen van de veiligheid en defensie van haar burgers niet berekend is op de uitdagingen die op korte of lange termijn moeten worden aangegaan; herhaalt zijn standpunt dat Rusland de grootste en voornaamste bedreiging vormt voor de Unie en haar lidstaten; herinnert eraan dat het Europees Parlement de Unie en haar lidstaten heeft verzocht een rechtskader tot stand te brengen op grond waarvan Rusland kan worden aangemerkt als staatssponsor van terrorisme;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>184.</NO.P>herinnert eraan dat de defensievermogens in de Unie te lijden hebben onder decennialange onderinvestering en dat de kloof op het gebied van defensie-uitgaven voor het komende decennium volgens de Commissie momenteel 500 miljard EUR bedraagt; is verheugd dat, vanwege de dringende noodzaak om de defensievermogens van de Unie te versterken, het aantal financieringsinstrumenten van de Unie op defensiegebied sinds de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne is toegenomen; merkt op dat de defensie-instrumenten van de Unie buiten de begroting gehouden instrumenten omvatten zoals de Europese Vredesfaciliteit (EPF) en het Optreden voor de veiligheid van Europa (SAFE), een tijdelijk leningsinstrument op het gebied van defensie; wijst er voorts op dat naast financieringsprogramma’s voor defensie ook andere programma’s van de Unie kunnen dienen voor tweeërlei gebruik, met name de component militaire mobiliteit van de Connecting Europe Facility (CEF) en het programma van de Unie voor beveiligde connectiviteit, dat in 2023 in de eerste plaats in het leven is geroepen om de lidstaten van de Unie gegarandeerde toegang te bieden tot zeer veilige, soevereine en mondiale connectiviteitsdiensten; merkt ook op dat de fondsen van het cohesiebeleid na de tussentijdse evaluatie in september 2025 ook kunnen worden gebruikt om de militaire mobiliteit te verbeteren en de defensie‑infrastructuur te ontwikkelen, met name in de oostelijke grensregio’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>185.</NO.P>waardeert de schriftelijke antwoorden van de Commissie waarin wordt erkend dat de veelheid aan defensiegerelateerde instrumenten heeft geleid tot een versnipperd financieringslandschap, met bepaalde overlappingen en lacunes; onderstreept dat er op het gebied van veiligheids- en defensiefinanciering een alomvattende langetermijnaanpak van de Unie nodig is, waarbij zowel conventionele militaire als niet-conventionele dreigingen worden aangepakt; wijst erop dat de defensiefinanciering door de Unie nog transparanter moet worden, onder meer door de controlerechten van de Rekenkamer voor alle instrumenten te waarborgen en ervoor te zorgen dat de kwijtingsautoriteit democratische controle kan uitoefenen op alle door de Unie gefinancierde activiteiten; benadrukt dat de gepubliceerde informatie over defensiefinanciering door de Unie gebruiksvriendelijker moet worden gemaakt, zodat ook aanvragers en begunstigden, met name kmo’s, ervan kunnen profiteren; onderstreept dat de deelname van kmo’s in alle lidstaten moet worden vergemakkelijkt en bevorderd en de eerlijke en billijke toegang van die kmo’s tot door de Unie gefinancierde projecten moet worden gewaarborgd; pleit voor duurzame investeringen in en steun voor kmo’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>186.</NO.P>wijst erop dat de snelle stijging van de defensie- en veiligheidsuitgaven van de Unie in 2024 gepaard moet gaan met evenredige controleregelingen, zodat de Rekenkamer, OLAF en het EOM effectieve toegang hebben tot alle relevante documentatie, met inbegrip van projecten met technologieën voor tweeërlei gebruik; herinnert eraan dat de Commissie zelf heeft erkend dat de toegang tot gerubriceerde documenten kan worden uitgesteld wanneer lidstaten voor die rubricering verantwoordelijk zijn, en onderstreept dat, wanneer om naar behoren gemotiveerde redenen, zoals de gerubriceerde aard van projecten, slechts beperkt kan worden gecontroleerd, passende maatregelen en constructieve oplossingen moeten worden nagestreefd om volledige naleving van de vereisten inzake financieel toezicht en een goed beheer van de middelen van de Unie te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>187.</NO.P>uit zijn diepe bezorgdheid over het besluit van de Commissie om over te gaan tot de goedkeuring van het ReArm Europe-plan zonder voorafgaande raadpleging van het Europees Parlement; betreurt dat een dergelijk besluit tegen het beginsel van institutioneel evenwicht indruist en de rol van het Parlement als medewetgever bij de vaststelling van strategische en budgettaire prioriteiten ondermijnt; dringt er bij de Commissie op aan geen substantiële beleidsinstrumenten in gang te zetten die van invloed zijn op de financiële en strategische architectuur van de Unie, zonder de prerogatieven van het Parlement volledig te eerbiedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>188.</NO.P>herinnert eraan dat de algemene doelstelling van het Europees Defensiefonds erin bestaat het concurrentievermogen, de efficiëntie en het innovatievermogen van de Europese industriële en technologische defensiebasis (EDTIB) in de hele Unie te bevorderen; merkt op dat, zoals uiteengezet in de schriftelijke antwoorden van de Commissie, financiering van het Europees Defensiefonds ten belope van 227,9 miljoen EUR werd toegewezen aan twintig projecten in verband met artificiële intelligentie en dat nog eens 171,1 miljoen EUR werd toegewezen aan 18 projecten die gericht zijn op luchtdronetechnologieën, terwijl vijftig projecten die gericht zijn op wat kan worden aangemerkt als traditioneel defensiematerieel, met betrekking tot grond-, lucht- en marinegevechten, onderwater- en luchtraketverdediging en chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN) risicobeperking, werden ondersteund met een totaalbedrag van 1,49 miljard EUR uit het Europees Defensiefonds; merkt op dat sinds 2021 minder dan 400 miljoen EUR uit het Europees Defensiefonds is besteed aan projecten op het gebied van artificiële intelligentie en dronetechnologieën, ondanks het feit dat de ervaring met lopende en recente conflicten erop wijst dat cybervermogens, artificiële intelligentie en onbemande systemen, waaronder drones, een steeds belangrijkere rol spelen kunnen in moderne oorlogvoering; is van mening dat bij de financiering van technologieën prioriteit moet worden gegeven aan technologieën die het grootste operationele voordeel opleveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>189.</NO.P>neemt kennis van Speciaal verslag 04/2025 van de Rekenkamer over militaire mobiliteit in de EU, en van het antwoord van de Commissie; is bezorgd over de algemene conclusie van de Rekenkamer dat het tweede EU-actieplan voor militaire mobiliteit, dat in november 2022 werd gepubliceerd, een onvoldoende solide basis had en dat de vooruitgang bij het bereiken van de doelstellingen ervan — namelijk te zorgen voor de snelle en naadloze verplaatsing van personeel, materieel en middelen op korte termijn en op grote schaal — varieerde als gevolg van tekortkomingen in de opzet van het plan en belemmeringen voor de uitvoering ervan; wijst met bezorgdheid op de opmerking van de Rekenkamer dat de Commissie geen robuuste beoordeling had verricht van de totale financiering die nodig is opdat de doelstellingen en streefcijfers van het plan haalbaar zouden zijn; neemt kennis van het door de Rekenkamer benadrukte feit dat parlementair toezicht op alle activiteiten van de Unie op het gebied van militaire mobiliteit niet altijd haalbaar is doordat niet alle projecten uit de begroting van de Unie worden gefinancierd, zoals het geval is met het Europees Defensieagentschap (EDA) of PESCO;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>190.</NO.P>uit zijn bezorgdheid over het feit dat na drie oproepen tot het indienen van voorstellen in 2021, 2022 en 2023 de volledige begroting voor militaire mobiliteit in het kader van de CEF voor de huidige programmeringsperiode reeds is opgebruikt, terwijl naar schatting ten minste 100 miljard EUR aan investeringen nodig is om de 500 hotspots in de Unie aan te pakken die dringend moeten worden gemoderniseerd<FOOTNOTE><FIELD> Gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 16 oktober 2025 getiteld “Vrede bewaren – routekaart voor defensiegereedheid 2030” (JOIN(2025)0027).</FIELD></FOOTNOTE>; neemt kennis van het schriftelijke antwoord van de Commissie dat bij de herziening van de TEN-T-verordening in 2024 elementen zijn ingevoerd om militaire mobiliteit in het vervoersbeleid van de Unie te integreren; merkt voorts op dat de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger het pakket inzake militaire mobiliteit 2025 hebben aangenomen; herhaalt dat het reactievermogen en de efficiëntie van militaire mobiliteit in de Unie verder moeten worden versterkt, en wel door de regelgeving en procedures minder complex te maken, de harmonisatie te verbeteren en de coördinatie te stroomlijnen om vertragingen te verminderen en de operationele paraatheid te verbeteren;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>191.</NO.P>verzoekt de Rekenkamer een schatting te verstrekken van het foutenpercentage voor MFK-rubriek 5;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>192.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>zich te blijven inspannen om de defensie-uitgaven van de Unie in alle relevante instrumenten transparanter te maken, onder meer door de controlewerkzaamheden van de Rekenkamer in overeenstemming met het toepasselijke rechtskader te vergemakkelijken en door ervoor te zorgen dat de kwijtingsautoriteit naar behoren wordt geïnformeerd, zodat tijdens de goedkeurings-, ontwerp- en uitvoeringsfase democratische controle kan worden uitgeoefend op door de Unie gefinancierde activiteiten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de kwijtingsautoriteit regelmatig geconsolideerde verslagen te verstrekken over de uitvoering van de begroting en de resultaten van alle defensiegerelateerde uitgaven uit de begroting van de Unie, buiten de begroting vallende instrumenten en alle andere relevante instrumenten, zoals programma’s inzake militaire mobiliteit en veiligheid, teneinde democratische controle mogelijk te maken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>het Parlement te voorzien van een systematischere follow-up van en verslaglegging over de maatregelen, uitvoering en financiering van de Unie op het gebied van defensie en militaire mobiliteit, met inbegrip van die welke verband houden met de samenwerking tussen de EU en de NAVO, de EPF, het EDA en de PESCO;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>de bijdrage van het Europees Defensiefonds aan een alomvattende Europese defensieaanpak te versterken door meer steun te verlenen aan projecten voor de aanpak van hybride dreigingen, waaronder artificiële intelligentie en cyber- en dronetechnologieën;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>de veiligheids- en defensiemaatregelen van de Unie verder te versterken door de beschikbare financiering voor de verbetering van vervoersinfrastructuurcorridors voor tweeërlei gebruik aanzienlijk te verhogen en door maatregelen te nemen om administratieve, procedurele en regelgevende belemmeringen voor grensoverschrijdende militaire verplaatsingen weg te nemen, onder meer door de harmonisatie van gezamenlijke en gemeenschappelijke aanbestedingen op defensiegebied, zoals bedoeld in Verordening (EU) 2025/2643 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2025 (de “EDIP-verordening”), en daarmee verband houdende procedures tussen de lidstaten om de interoperabiliteit, efficiëntie en strategische samenhang te verbeteren, waarbij prioriteit wordt gegeven aan financiering door de Unie van projecten die het best inspelen op het huidige Europese dreigingslandschap;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>verdere maatregelen te nemen om over de hele Unie een gelijk speelveld voor alle actoren in de defensie-industrie te waarborgen en de toegang tot Uniefinanciering te vereenvoudigen, onder meer voor kmo’s en de lidstaten die het gevoeligst zijn voor externe dreigingen;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Nabuurschap en internationaal beleid</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>193.</NO.P>merkt op dat de begroting voor de programma’s onder MFK-rubriek 6 “Nabuurschap en internationaal beleid” 15,4 miljard EUR bedroeg (8,0 % van de begrotingsuitgaven van de Unie met uitsluiting van de herstel- en veerkrachtfaciliteit), die als volgt is verdeeld: 62,4 % voor het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld (NDICI — Europa in de wereld), 15,9 % voor humanitaire hulp, 14,9 % voor pretoetredingssteun (IPA III), 2,7 % voor macrofinanciële bijstand plus Oekraïne en 4,1 % voor andere acties en programma’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>194.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer in 2024 een statistisch representatieve steekproef van 137 verrichtingen heeft onderzocht die alle uitgaven onder deze MFK-rubriek omvatte, waardoor zij voor het eerst een foutenpercentage kon berekenen; neemt met bezorgdheid kennis van het geschatte foutenpercentage van 4,9 %, waarmee de materialiteitsdrempel van 2,0 % aanzienlijk wordt overschreden; merkt voorts op dat 56 van de 137 verrichtingen (40,9 %) kwantificeerbare fouten bevatten die financiële gevolgen hebben voor de begroting van de Unie; merkt op dat deze fouten betrekking hadden op niet-subsidiabele kosten, ernstige inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten, het ontbreken van essentiële bewijsstukken, niet-subsidiabele begunstigden en niet daadwerkelijk gedane uitgaven; is van mening dat deze kwesties kunnen wijzen op tekortkomingen in de werking en betrouwbaarheid van controlesystemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>195.</NO.P>is verbaasd over het feit dat de Commissie in tien van de gevallen van kwantificeerbare fouten reeds over voldoende informatie beschikte om de fout te voorkomen of op te sporen en te corrigeren voordat zij de uitgaven aanvaardde; merkt op dat het geschatte foutenniveau met 1,4 procentpunt zou zijn verminderd als de Commissie deze informatie doeltreffend had gebruikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>196.</NO.P>merkt op dat, net als in voorgaande jaren, een aanzienlijk deel van de door de Rekenkamer ontdekte fouten betrekking had op contracten die in indirect beheer werden uitgevoerd door onder pijlerbeoordelingen vallende organisaties, waaronder internationale instellingen; merkt op dat de Commissie voor deze contracten uitgaven heeft aanvaard op basis van een financieel verslag en een beheersverklaring, waarbij de beheersverklaring een certificering is die de onder pijlerbeoordelingen vallende organisatie zelf heeft afgegeven, waarin de volledigheid, juistheid en conformiteit van de verstrekte financiële informatie wordt bevestigd; constateert met bezorgdheid dat 26 van de 42 door de Rekenkamer ontdekte gekwantificeerde fouten betrekking hadden op dergelijke contracten en 3,1 procentpunten bijdroegen aan het geschatte foutenniveau, hetgeen wijst op hardnekkige kwetsbaarheden in het zekerheidskader voor indirect beheer met onder pijlerbeoordelingen vallende entiteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>197.</NO.P>spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Rekenkamer opnieuw vertraging heeft opgelopen bij het verkrijgen van de gevraagde documentatie van bepaalde internationale organisaties en internationale financiële instellingen, waardoor de tijdige uitvoering van haar controlewerkzaamheden werd belemmerd, ondanks haar eerdere aanbeveling uit 2020; merkt op dat deze entiteiten bij 19 gecontroleerde verrichtingen de toegang tot documenten beperkten tot tijdelijke, uitsluitend voor inzage bestemde elektronische raadpleging, zonder de Rekenkamer toe te staan kopieën te bewaren, hetgeen een goede planning, uitvoering en kwaliteitscontrole van de controle belemmerde; betreurt dat deze belemmeringen bleven bestaan ondanks de inspanningen van de Commissie om de kwestie op te lossen door middel van voortdurende communicatie met de betrokken organisaties, zoals ook wordt benadrukt in het jaarverslag 2024 over de EOF’s;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>198.</NO.P>uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat er in 2024 geen resultaatgerichte controlemissies hebben plaatsgevonden als gevolg van de beëindiging van de twee bestaande dienstencontracten voor resultaatgerichte controle in 2025; benadrukt met bezorgdheid dat de geplande niet-openbare aanbesteding van 2024 voor de nieuwe generatie contracten voor resultaatgerichte controle moest worden geannuleerd omdat er geen kredieten voor uitgaven voor NDICI-steun beschikbaar waren, waardoor DG INTPA genoodzaakt was gebruik te maken van operationele kredieten en een op zichzelf staande NDICI-steunmaatregel te nemen om resultaatgerichte controles te financieren; merkt op dat in oktober 2025 opnieuw een niet-openbare aanbestedingsprocedure is uitgeschreven met een opschortende clausule, waarbij het nieuwe driejarige contract voor resultaatgerichte controle naar verwachting pas in april 2026 zal worden ondertekend; benadrukt dat deze verstoring van de financiering en aanbestedingen heeft geleid tot een volledige opschorting van het systeem voor resultaatgerichte controle sinds begin 2025, waardoor de onafhankelijke prestatiemonitoring van de uitvoering van de programma’s vertraging heeft opgelopen en de algemene resultaatgerichtheid van het externe optreden is verzwakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>199.</NO.P>merkt op dat de investeringen van de Unie in handelsgerelateerde bijstand aan de minst ontwikkelde landen (MOL’s) in de wereld zijn afgenomen, waarbij in 2022 slechts 12,0 % van de “hulp voor handel”-stromen in MOL’s aankwam, tegenover gemiddeld 18,0 % tussen 2010 en 2015; stelt met bezorgdheid vast dat deze ondermaatse prestaties aanhouden ondanks de uitgavendoelstelling van 25,0 % voor MOL’s die is vastgesteld in de herziene EU-strategie “hulp voor handel” van 2017; neemt kennis van de bevindingen van de Europese Rekenkamer in Speciaal verslag 17/2025 “EU-hulp voor handel aan de minst ontwikkelde landen”, waarin wordt geconcludeerd dat de EU-hulp voor handel niet op schema ligt om de doelstelling voor 2030 te halen; is verheugd dat de Commissie gehoor heeft gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer om de onderliggende oorzaken van deze neerwaartse trend te analyseren en merkt op dat deze beoordeling gepland is voor 2026, en wijst erop dat er tijdig corrigerende maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat de handelsbijstand van de Unie de meest behoeftigen bereikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>200.</NO.P>merkt op dat de door DG INTPA en DG NEAR gemelde begrotingssteun aan landen buiten de Unie in 2024 1,56 miljard EUR bedroeg; betreurt het dat er geen openbaar toegankelijke gegevens zijn om begunstigde landen te identificeren, aangezien de gepubliceerde statistieken alleen betrekking hebben op groepen regio’s of landen; betreurt het voorts dat er weinig transparantie is wat betreft het gebruik van deze middelen en de identificatie van de eindontvangers; benadrukt dat de begrotingsondersteuning moet worden afgestemd op de behoeften van de partnerlanden en de strategische beleidsdoelstellingen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>201.</NO.P>wijst erop dat steun van de Unie onder geen beding, direct dan wel indirect, mag worden gebruikt voor het financieren van terrorisme of activiteiten die onverenigbaar zijn met de in artikel 2 VEU verankerde waarden, en dat daarmee dus ook geen entiteiten die banden hebben met Hamas of andere terroristische of extremistische organisaties mogen worden gefinancierd; herinnert eraan dat het daartoe zowel legitiem als essentieel is om alle eindbegunstigden van bijstand van de Unie duidelijk te identificeren, ook in derde landen; benadrukt dat er streng toezicht moet worden gehouden op de verdeling en het gebruik van hulp om ervoor te zorgen dat er geen middelen worden misbruikt; dringt er voorts op aan de zorgvuldigheids-, monitoring- en controlemechanismen te versterken om elke vorm van ideologische infiltratie in door de Unie gefinancierde programma’s te voorkomen; onderstreept dat beveiligingsmechanismen tegen terrorisme en transparantievereisten streng moeten worden toegepast, zonder te raken aan humanitaire beginselen of de verlening van levensreddende bijstand;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>202.</NO.P>wijst erop dat onderwijs een centrale pijler is van vredesopbouw, co-existentie en voorbereiding op een via onderhandelingen tot stand gekomen tweestatenoplossing, en een belangrijk middel is om extremisme, onverdraagzaamheid en radicale ideologieën tegen te gaan; wijst erop dat de Unie met haar financiële bijstand en politiek engagement onderwijs moet ondersteunen waarmee vrede, verdraagzaamheid en co-existentie worden bevorderd; is ingenomen met de voortdurende samenwerking van de Commissie met de Palestijnse Autoriteit op het gebied van de hervorming van leerplannen en neemt akte van de tastbare vooruitgang die in 2025 is gemeld, waaronder de lopende herziening en wijziging van schoolboeken door het Palestijnse ministerie van Onderwijs en Hoger Onderwijs om ervoor te zorgen dat deze in overeenstemming zijn met de Unesco-normen; merkt met name op dat er enkele herzieningen in graad 12 en uitgebreidere herzieningen in de graden 1-4 hebben plaatsgevonden en dat er in december 2024 respectievelijk oktober 2025 nieuw lesmateriaal is gepubliceerd, dat de Unie momenteel evalueert; herinnert eraan dat de Palestijnse Autoriteit al het onderwijsmateriaal en alle inhoud die niet voldoen aan de Unesco-normen moet verwijderen, wat met name geldt voor materiaal dat antisemitisme bevat of waarin wordt aangezet tot geweld en de jihad en martelaarschap worden verheerlijkt, en waarin een vreedzame conflictoplossing wordt verworpen; herinnert de Commissie eraan dat zij haar evaluatie moet baseren op openbaar en verifieerbaar bewijs en het resultaat ervan moet publiceren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>203.</NO.P>merkt op dat er, net als in voorgaande jaren, in 2024 geen Uniefinanciering is gebruikt om de productie van Palestijnse schoolboeken te ondersteunen, en dat de rechtstreekse financiële bijstand van de Unie voor de Palestijnse Autoriteit via het Uniemechanisme Pegase in het kader van zowel het noodhulppakket voor 2024 als het meerjarig omvattend programma voor Palestijns herstel en veerkracht (2025-2027) strikt beperkt is tot traceerbare uitgavenposten zoals lonen, sociale uitkeringen en achterstallige betalingen aan ziekenhuizen; merkt op dat deze financiële ondersteuning van de Palestijnse Autoriteit gedeeltelijk gekoppeld is aan de verwezenlijking van hervormingen die in 2024 met de Palestijnse Autoriteit zijn overeengekomen in een ambitieuze hervormingsmatrix, die een geleidelijke en systemische evaluatie van leermateriaal omvat; herinnert eraan dat de Palestijnse Autoriteit al het onderwijsmateriaal en alle inhoud die niet voldoen aan de Unesco-normen moet verwijderen, wat met name geldt voor inhoud waarin antisemitisme wordt aangemoedigd en geweld voorkomt en waaraan Palestijnse kinderen niet zouden mogen worden blootgesteld; benadrukt dat de Unie financiële steun op het gebied van onderwijs moet verlenen aan de Palestijnse Autoriteit op voorwaarde dat de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat middelen van de Unie, zij het rechtstreeks of onrechtstreeks, niet worden gebruikt voor onderwijsmateriaal dat antisemitische boodschappen of voorbeelden bevat waarbij wordt aangezet tot haat en geweld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>204.</NO.P>dringt er bij de Commissie op aan om, in het kader van het verlenen van steun en humanitaire hulp aan de Palestijnse bevolking, samen te werken met betrouwbare partners ter plaatse om de ononderbroken en veilige verlening van humanitaire hulp te waarborgen en ervoor te zorgen dat er geen middelen van de Unie worden toegewezen aan personen of organisaties die banden hebben met terroristische of extremistische bewegingen die tegen de fundamentele waarden van de Unie zijn; herinnert er aan dat 19 van de 13 000 medewerkers van de UNRWA in Gaza ervan zijn beschuldigd betrokken te zijn geweest bij de verachtelijke terroristische aanslagen van Hamas van 7 oktober 2023 op Israël; neemt kennis van de reactie van de Verenigde Naties op deze beschuldigingen, waaronder de onderzoeken die zijn ingesteld door het Bureau voor Intern Toezicht van de VN (OIOS), waarna het dienstverband van negen medewerkers in het belang van de organisatie formeel is beëindigd, en wijst op de aanbevelingen uit het rapport-Colonna; merkt op dat de Commissie samen met de UNRWA heeft gewerkt aan het verbeteren van de neutraliteitsprocedures en controlesystemen binnen de organisatie, in overeenstemming met de bevindingen van de onderzoeken van het OIOS, en aan de monitoring van de toepassing van het door de UNRWA gepresenteerde actieplan; neemt kennis van het oordeel van de Commissie dat de UNRWA zich blijft inzetten voor de uitvoering van de overeengekomen aanbevelingen en voor de naleving van alle met de EU overeengekomen voorwaarden voor voortzetting van de financiering in 2024; spoort de Commissie in dit verband aan om zich te blijven inzetten en de vinger aan de pols te blijven houden om ervoor te zorgen dat financiering gepaard gaat met solide waarborgen inzake neutraliteit, transparantie en verantwoordingsplicht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>205.</NO.P>merkt op dat in de periode 2019-2024 zes van de negen functies in het hoger management bij DG NEAR gedurende langere perioden vacant is gebleven; merkt met name op dat de post van directeur-generaal 28 maanden vacant bleef, die van directeur A 25 maanden, die van directeur NEAR B (zuidelijk nabuurschap) 48 maanden, die van directeur NEAR D (Westelijke Balkan) 35 maanden, die van directeur van de steungroep voor Oekraïne 32 maanden en die van directeur R 22 maanden; benadrukt dat deze langdurige vacatures hun weerslag hadden op enkele van de politiek meest gevoelige en operationeel meest kritieke portefeuilles van de Unie, onder meer tijdens de Russische invasie in Oekraïne en de terroristische aanval van Hamas op Israël; neemt voorts kennis van de resultaten van de personeelsenquête van DG NEAR van april 2022, waaruit blijkt dat het vertrouwen in het leiderschap van het hoger management aanzienlijk was afgenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>206.</NO.P>merkt op dat de adjunct-directeur-generaal van DG NEAR tussen 2020 en 2023 tijdelijk leiding heeft gegeven aan de steungroep voor Oekraïne, naast haar vele andere functies; merkt voorts op dat de steungroep voor Oekraïne in 2023 is ontbonden en dat de portefeuilles zijn herverdeeld over de faciliteit voor Oekraïne en andere eenheden; merkt op dat de informatie die de Commissie in dit verband tijdens de gedachtewisseling met de kwijtingsautoriteit heeft verstrekt, onjuist was en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle leden van de Commissie duidelijk en nauwkeurig verslag uitbrengen aan het Parlement;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>207.</NO.P>neemt kennis van recente onderzoeksjournalistiek die in oktober 2025 door verschillende Europese mediakanalen openbaar werd gemaakt, met als strekking dat de Hongaarse inlichtingendiensten zich bezighielden met spionageactiviteiten in Brussel en dat pogingen zijn gedaan om bij de instellingen van de Unie werkzame Hongaren te werven; merkt op dat deze informatie betrekking heeft op de periode 2015-2019 en dat de Commissie heeft bevestigd dat zij deze beweringen intern onderzoekt; rekent erop dat de Commissie een grondige analyse en een grondig onderzoek uitvoert op basis van het bewijsmateriaal, en het Parlement op de hoogte brengt zodra het onderzoek is afgerond;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>208.</NO.P>merkt op dat leden van de Commissie over aanzienlijke politieke en regelgevende bevoegdheden beschikken en dat hun gedrag daarom moet voldoen aan de hoogste normen van onafhankelijkheid, transparantie, verantwoordingsplicht en ethisch gedrag; benadrukt dat strikte naleving van de gedragscode voor leden van de Europese Commissie van essentieel belang is om de integriteit, geloofwaardigheid en democratische legitimiteit van de uitvoerende macht van de Unie te waarborgen; onderstreept dat volledige naleving van de gedragscode ook onontbeerlijk is om belangenconflicten en ongepaste beïnvloeding te voorkomen en ervoor te zorgen dat besluiten enkel in het Europees belang worden genomen; is van mening dat de combinatie van de ernstige en langdurige tekortkomingen die zich hebben voorgedaan in het beheer van DG NEAR, de verstrekking van onjuiste informatie aan het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure en de hierboven beschreven bijkomende punten van zorg over gedrag en onafhankelijkheid wijst op een patroon dat onverenigbaar is met de normen op het gebied van verantwoordingsplicht, betrouwbaarheid en goed bestuur die van een lid van de Commissie worden verlangd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>209.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de financiering van de Unie aan Oekraïne over talrijke instrumenten en faciliteiten is verspreid, waardoor een versnipperd en complex financieringslandschap ontstaat; benadrukt dat het ontbreken van een geconsolideerd en transparant overzicht van de wijze waarop deze middelen, met inbegrip van door de MFK-marge gegarandeerde leningen, worden toegewezen en besteed, een belemmering vormt voor doeltreffend democratisch toezicht, verantwoordingsplicht en het vermogen om de algehele impact van de steun van de Unie te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>210.</NO.P>merkt op dat de Oekraïense gespecialiseerde corruptiebestrijdingsorganen (NABU, SAPO en HACC) doorgaan met onderzoeken en vervolgingen, en uitspraken doen in zaken op hoog niveau, waaruit blijkt dat onafhankelijke instellingen voor corruptiebestrijding beginnen te functioneren en dat het recente aftreden van beschuldigde ministers aantoont dat de regering in zekere mate reageert en verantwoording aflegt; prijst de hervormingen die door Oekraïne zijn doorgevoerd, ook terwijl het met een grootschalige invasie werd geconfronteerd; merkt op dat de pogingen om het NABU en het SAPO onder het gezag van de procureur-generaal te plaatsen, de onafhankelijkheid en doeltreffendheid van het kader voor corruptiebestrijding dreigden te ondermijnen; is verheugd dat deze wijzigingen na binnenlandse en internationale druk snel zijn teruggedraaid, maar is bezorgd over berichten afkomstig van instanties voor corruptiebestrijding en maatschappelijke organisaties dat het moeilijk is de effectiviteit en onafhankelijkheid van het corruptiebestrijdingskader in stand te houden; verzoekt de autoriteiten om achteruitgang te voorkomen, procedurele vertragingen en belemmeringen in zaken op hoog niveau aan te pakken en verjaringstermijnen te herzien in overeenstemming met de Europese normen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>211.</NO.P>wijst op de recente beschuldigingen van fraude in de Oekraïense energiesector; benadrukt dat deze beschuldigingen, indien bevestigd, wijzen op structurele kwetsbaarheden op het vlak van governance, toezicht en internecontrolesystemen; benadrukt dat het vertrouwen van het publiek moet worden gewonnen om de geloofwaardigheid van de hervormingen in Oekraïne te versterken door middel van robuuste systemen voor openbare aanbesteding en interne controle;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>212.</NO.P>merkt op dat de Commissie, om een goed financieel beheer van de faciliteit voor Oekraïne te waarborgen, in juni 2024 bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/1697 een speciaal auditcomité heeft ingesteld, bestaande uit door de Commissie benoemde onafhankelijke deskundigen; merkt op dat het auditcomité de taak heeft systemische tekortkomingen in het beheer en de controle door Oekraïne van middelen uit de faciliteit op te sporen, waaronder tekortkomingen op het vlak van fraudepreventie, corruptiebestrijdingswaarborgen en systemen ter voorkoming van belangenconflicten, en dergelijke kwesties rechtstreeks aan de Commissie te rapporteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>213.</NO.P>benadrukt dat het auditcomité, naast zijn toezichthoudende rol, aanbevelingen kan doen aan de Oekraïense autoriteiten over het aanpakken van financiële onregelmatigheden of structurele tekortkomingen in het beheer van middelen van de Unie; wijst erop dat Oekraïne, vertegenwoordigd door het ministerie van Economische Zaken, schriftelijk moet reageren op elke aanbeveling, waarbij ofwel uitvoeringsmaatregelen worden uiteengezet ofwel een gemotiveerde verklaring wordt gegeven voor het niet uitvoeren van de aanbeveling; benadrukt dat de bevindingen van het auditcomité aanzienlijke financiële gevolgen kunnen hebben; beklemtoont dat aanhoudende financiële steun van de EU gepaard moet gaan met goed financieel beheer, transparantie en prestatiemonitoring om een doeltreffend gebruik van de middelen van de Unie te waarborgen en de geloofwaardigheid van het uitbreidingsbeleid te behouden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>214.</NO.P>herinnert eraan dat regelmatige betalingen in het kader van de faciliteit voor Oekraïne afhankelijk zijn van verificatie door de Commissie van de uitvoering van het herstel- en hervormingsplan van Oekraïne en de voortdurende eerbiediging van democratische mechanismen, de rechtsstaat en de mensenrechten; merkt op dat de Commissie tot dusver vijf keer heeft geconcludeerd dat in het kader van de tranches 1 tot en met 5 niet aan afzonderlijke hervormingsstappen was voldaan, hetgeen heeft geleid tot opschorting van de overeenkomstige bedragen, en dat één van die tekortkomingen inmiddels is rechtgezet; is in dit verband ingenomen met de strikte conditionaliteitsbenadering van de Commissie en haar aangetoonde bereidheid om de uitvoering grondig te controleren en middelen in te houden wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>215.</NO.P>is ingenomen met het feit dat OLAF gerichte bijstand voor fraudebestrijding verleent aan autoriteiten en steunt de toetreding van Oekraïne tot het fraudebestrijdingsprogramma van de Unie; merkt op dat de kaderovereenkomst voor de faciliteit voor Oekraïne, die in juni 2024 in werking is getreden, voorziet in juridisch bindende regelingen voor het beheer, de controle, het toezicht, de monitoring, de evaluatie, de verslaglegging en de audit van middelen die zijn verstrekt uit hoofde van de faciliteit, evenals in maatregelen om onregelmatigheden, fraude, corruptie en belangenconflicten te voorkomen, te onderzoeken en te corrigeren, en in bepalingen over de rol van OLAF en het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>216.</NO.P>uit bezorgdheid over het feit dat toewijzingen uit het nieuwe financiële kader “Steun voor investeringen” van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling Plus (EFDO+) ten goede komen aan landen waar de Global Gateway-investeringen gemakkelijker kunnen worden uitgevoerd, ten koste van de prioritering van minst ontwikkelde landen en kwetsbare en door conflicten getroffen landen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>217.</NO.P>merkt op dat, ondanks langdurige financiering door de Unie om de Libische grens- en migratiecontroles te versterken, uit berichtgeving naar voren komt dat deze bijstand aanleiding blijft vormen tot serieuze operationele en humanitaire zorgen, naast zorgen met betrekking tot grondrechten en governance, waardoor de Unie mogelijk wordt blootgesteld aan reputatierisico’s; wijst op de noodzaak van strikte mechanismen voor toezicht, transparantie en verantwoordingsplicht om ervoor te zorgen dat migratiegerelateerde bijstand niet indirect bijdraagt aan verdere schade;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>218.</NO.P>merkt op dat de Europese Commissie het voormalige directoraat-generaal voor DG NEAR met ingang van 1 februari 2025 heeft gereorganiseerd en de verantwoordelijkheden heeft verdeeld over twee nieuw opgerichte directoraten: het directoraat-generaal Uitbreiding en Oostelijk Nabuurschap (DG ENEST), dat verantwoordelijk is voor kandidaat-lidstaten en het oostelijk nabuurschap, en het directoraat-generaal Midden-Oosten, Noord-Afrika en de Golfregio (DG MENA), dat nu het Middellandse Zeegebied bestrijkt;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>219.</NO.P>stelt vast dat, om de regelmatigheid van de verrichtingen te controleren, de Rekenkamer een steekproef heeft onderzocht van 85 verrichtingen die representatief waren voor alle soorten uitgaven in het kader van het EOF; merkt voorts op dat de steekproef bestond uit 16 verrichtingen met betrekking tot het EU-noodtrustfonds voor Afrika, 54 verrichtingen waarvoor toestemming was verleend door 14 delegaties van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> Burundi, Democratische Republiek Congo, Guinee-Bissau, Kenia, Malawi, Mauritanië, Mauritius, Mozambique, Namibië, Nigeria, Sierra Leone, Togo, Uganda, Zambia.</FIELD></FOOTNOTE>, 14 verrichtingen die zijn goedgekeurd door het hoofdkantoor van de Commissie en één verrichting met betrekking tot het Bêkou Trust Fund;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>220.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat van de 85 onderzochte verrichtingen er 34 (40,0 %) fouten bevatten, terwijl dit er 62 (44,3 %) waren in 2023 voor hetzelfde aantal verrichtingen; wijst er daarnaast op dat de Rekenkamer 27 fouten heeft gekwantificeerd (52 in 2023), op basis waarvan zij het foutenpercentage voor het begrotingsjaar 2024 op 6,5 % raamt (8,9 % in 2023);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>221.</NO.P>vindt het verontrustend dat de drie meest voorkomende soorten fouten in het begrotingsjaar 2024 betrekking hadden op: niet-subsidiabele uitgaven (40,0 %), het ontbreken van essentiële bewijsstukken (32,0 %) en de overmatige verrekening van voorfinanciering (14,0 %);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>222.</NO.P>stelt met verbazing vast dat de volledige boekhoudkundige afsluiting van het 9e Europees Ontwikkelingsfonds voor de periode 2000-2007 op 31 december 2024 nog steeds niet was afgerond, meer dan 17 jaar na de invoering van de vervalclausule, met acht nog lopende contracten, hetgeen de uitzonderlijke complexiteit en duur van bepaalde EOF-programma’s illustreert;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>223.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat de Commissie de berekening van geschatte afsluitingen heeft verbeterd door systematisch rekening te houden met verlengingen van contractuitvoeringsperioden na het verslagjaar, naar aanleiding van een aanbeveling van de Rekenkamer in haar jaarverslag 2023;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>224.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat, net als in voorgaande jaren, aanzienlijke voorfinancieringssaldi gedurende buitensporig lange perioden niet zijn vereffend, waaronder 446,0 miljoen EUR die al meer dan tien jaar uitstaat, grotendeels in verband met het EU-infrastructuurtrustfonds voor Afrika, waarvan de langetermijnoperaties tot een zeer trage verrekening van voorfinanciering leiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>225.</NO.P>merkt op dat DG INTPA naar aanleiding van de lopende evaluatie van zijn controlestrategie onder meer verwacht de richtsnoeren voor financiële verslaglegging en de controles vooraf te kunnen verbeteren en zo fouten te voorkomen, onder meer ten aanzien van overmatige verrekening;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>226.</NO.P>merkt op dat de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur-generaal in het jaarlijks activiteitenverslag 2024 van DG INTPA geen punten van voorbehoud bevat, waarmee een trend wordt voortgezet waarbij het directoraat-generaal de omvang van de punten van voorbehoud heeft teruggebracht van 16,0 % van de uitgaven in 2017 tot 1,0 % in 2018 en tot nul vanaf 2019; merkt voorts op dat DG INTPA het risicobedrag bij betaling raamt op 89,7 miljoen EUR (1,1 % van de uitgaven voor 2024) en het risicobedrag bij afsluiting op 78,6 miljoen EUR (0,97 %), en dat het verwacht dat 11,1 miljoen EUR (12,4 % van het risicobedrag bij betaling) in de daaropvolgende jaren door middel van eigen controles zal worden gecorrigeerd; merkt echter op dat uit de toetsing van de Rekenkamer is gebleken dat van de 5,0 miljoen EUR die in 2024 als teruggevorderd werd opgegeven, 0,2 miljoen EUR niet als uitgevoerd corrigerend vermogen had mogen worden meegeteld, hetgeen aanleiding geeft tot bezorgdheid over de betrouwbaarheid van de verslaglegging van het DG;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>227.</NO.P>merkt op dat DG INTPA in 2024 opdracht heeft gegeven tot zijn 13e studie van het restfoutenpercentage (RFP), een belangrijk onderdeel dat ten grondslag ligt aan de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur-generaal en de in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag bekendgemaakte informatie over de regelmatigheid; merkt op dat in de studie van 2024, op basis van een steekproef van 401 verrichtingen, een restfoutenpercentage van 0,48 % werd geschat, waarmee voor het negende achtereenvolgende jaar onder de materialiteitsdrempel van 2,0 % van de Commissie is gebleven; herinnert er echter aan dat de Rekenkamer herhaaldelijk methodologische tekortkomingen heeft vastgesteld die het werkelijke restfoutenpercentage kunnen onderschatten, met name wat betreft de behandeling van posten met een hoge waarde; merkt op dat de Commissie de RFP-methode vanaf 2025 weliswaar heeft herzien om bepaalde aspecten te verduidelijken en gebruikmaking van door het management uitgevoerde controles en het werk van andere auditors te beperken, maar dat het met de geactualiseerde methode nog steeds mogelijk is “op zichzelf staande” fouten bij de extrapolatie buiten beschouwing te laten; verwacht dat de Commissie de herziene methode strikt zal uitvoeren en kijkt uit naar de verificatie door de Rekenkamer in de volgende auditcyclus met betrekking tot de toepassing van de methode;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>228.</NO.P>herinnert eraan dat het EU-noodtrustfonds voor Afrika, dat is opgericht om de onderliggende oorzaken van ontheemding en irreguliere migratie aan te pakken, meer dan 5 miljard EUR heeft vrijgemaakt, waarvan 88 % uit het EOF en de begroting van de Unie; betreurt het gebrek aan transparantie bij het beheer en de toewijzing van deze middelen en de moeilijkheid bij de controle op de naleving van de beginselen van officiële ontwikkelingshulp, zoals benadrukt in Speciaal verslag 17/2024 van de Rekenkamer; dringt erop aan dat het EU-noodtrustfonds voor Afrika voldoende steun verleent aan de overeengekomen prioriteiten; neemt tevens met bezorgdheid kennis van de bevindingen in Speciaal verslag 20/2025 van de Rekenkamer over de steun van de Commissie voor de bestrijding van honger in Afrika bezuiden de Sahara, waarin tekortkomingen in de kostenbeoordeling en projectplanning werden vastgesteld, waaronder onvoldoende controle van begrotingen en gevallen van ongebruikt of ongeschikt materieel; benadrukt dat dergelijke tekortkomingen goed financieel beheer ondermijnen en verzoekt de Commissie beter te presteren op het vlak van kostenanalyse, de planning van aanbestedingen en een op behoeften gebaseerde uitvoering;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>229.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>de preventieve en corrigerende controles in rubriek 6 te versterken door terugkerende tekortkomingen aan te pakken, zoals niet-subsidiabele uitgaven, onregelmatigheden omtrent aanbestedingen, het ontbreken van ondersteunende documentatie en uitgaven die niet daadwerkelijk zijn gedaan; te zorgen voor betere richtsnoeren voor delegaties en uitvoerende partners;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>een uitgebreide evaluatie uit te voeren van het zekerheidskader voor indirect beheer, met name bij organisaties die pijlerbeoordelingen krijgen en internationale financiële instellingen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat het nieuwe contract voor resultaatgerichte controle (ROM) onverwijld operationeel is in april 2026, aangezien de onderbreking van resultaatgerichte controles het toezicht op de prestaties en de resultaatgerichtheid van de uitvoering van NDICI ondermijnt; toekomstige verstoringen van resultaatgerichte controles te voorkomen door stabiele financiering te waarborgen en ervoor te zorgen dat er gedurende de hele MFK-periode voortdurend controle-instrumenten beschikbaar zijn;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>de afname van de hulp voor handel-financiering voor MOL’s om te buigen, de geplande analyse voor 2026 onverwijld uit te voeren en corrigerende maatregelen voor te stellen om ervoor te zorgen dat hulp voor handel-middelen prioritair naar de meest behoeftige landen gaan;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>de aanbevelingen van de garantie voor extern optreden in aanvulling op de evaluatie van de Commissie in het nieuwe MFK-wetgevingsvoorstel op te nemen, met inbegrip van een intensiever gebruik van blending in MOL’s, kwetsbare of door conflict getroffen landen en betrokken coördinatie met belanghebbenden zoals het maatschappelijk middenveld;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>te zorgen voor onpartijdige en empirisch onderbouwde beoordelingen in de verslaglegging over uitbreiding, zodat politieke overwegingen niet zwaarder wegen dan objectieve beoordelingscriteria;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat er geen bijstand van de Unie voor derde landen ten goede komt aan entiteiten die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen, repressie of achteruitgang van de democratie, en de voorwaarden strikt toe te passen, onder meer door de bijstand op te schorten wanneer fundamentele waarden van de Unie worden ondermijnd; een gedetailleerd overzicht te verstrekken van de waarborgen, monitoringmechanismen en corrigerende maatregelen die zijn ingevoerd om de integriteit en verantwoordingsplicht van de externe bijstand van de Unie te handhaven;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>betrouwbare humanitaire partners te blijven ondersteunen, in combinatie met onafhankelijk toezicht door externe deskundigen en de Rekenkamer, om te zorgen voor doeltreffende controle op en vertrouwen in het gebruik van de middelen van de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>een geconsolideerd en transparant overzicht te geven van alle financiële steun van de Unie aan Oekraïne, met inbegrip van subsidies, leningen en garanties in het kader van diverse instrumenten en faciliteiten, teneinde de democratische controle te versterken en volledige verantwoording te waarborgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>de beschuldigingen van ernstige fraude in Oekraïne nauwlettend te volgen en conditionaliteit te blijven toepassen wanneer systeemrisico’s of misbruik van middelen worden vastgesteld; het Europees Parlement regelmatig op de hoogte te houden van de activiteiten en bevindingen van het auditcomité teneinde deugdelijk parlementair toezicht te waarborgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xi)</SYMBOL>verslag uit te brengen over de omvang van toegewezen en contractueel vastgelegde EFDO+-bedragen in MOL’s en te zorgen voor transparantie over de wijze waarop de quota voor toewijzingen binnen meerjarige indicatieve programma’s worden nageleefd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xii)</SYMBOL>aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de corrigerende maatregelen die zijn genomen na afronding van de lopende evaluatie door DG INTPA van zijn controlestrategie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiii)</SYMBOL>de afsluiting van het 9e EOF te versnellen, waarbij wordt opgemerkt dat het 17 jaar na de vervalclausule nog steeds open staat, en de redenen die hebben bijgedragen aan de verlengde uitvoeringscyclus te evalueren;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiv)</SYMBOL>samen te werken met de EIB om ervoor te zorgen dat haar kredietverleningsverrichtingen in niet-EU-landen in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het externe beleid van de Unie en vergezeld gaan van doeltreffende samenwerkingskaders met partnerlanden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xv)</SYMBOL>de transparantie te vergroten door toegankelijke dashboards te publiceren waarop contracten voor externe acties met een hoge waarde, prestatie-indicatoren en de status van de aanbevelingen van de Rekenkamer worden bijgehouden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xvi)</SYMBOL>financiële due diligence en aanbestedingswaarborgen met betrekking tot de Global Gateway versterken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xvii)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat uitvoerende partners zich strikt houden aan de zichtbaarheidsregels om transparante informatie aan het publiek te verstrekken en een striktere opvolging te verlangen in geval van herhaalde niet-naleving;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">Administratie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>230.</NO.P>merkt op dat MFK-rubriek 7 “Europees openbaar bestuur” goed was voor 13,3 miljard EUR, hetgeen overeenkomt met 6,9 % van de uitgaven op de begroting van de Unie in 2024; merkt op dat de Europese Commissie 8 miljard EUR uitgeeft, hetgeen neerkomt op 60,6 % van het totale bedrag; stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer ook voor 2024 concludeert dat administratieve uitgaven gekenmerkt worden door een laag risico; wijst erop dat de Commissie zonder aarzelen opvolging moet geven aan de kwesties die de Rekenkamer in haar jaarverslag 2024 heeft vastgesteld met betrekking tot de betaling voor IT-diensten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>231.</NO.P>blijft kritisch over het proces waarmee de Commissie in 2023 besloot 23 van haar kantoorgebouwen in Brussel te verkopen en er 17 terug te leasen voor een periode tot 2029; merkt op dat het besluit hiertoe kennelijk is genomen zonder duidelijke effectbeoordelingen van alle transacties; vindt het met name zorgwekkend dat de Commissie slechts één bod voor de transactie heeft ontvangen van een Belgisch staatsbedrijf, dat een indicatief bod had uitgebracht voordat de Commissie de oproep tot het indienen van aanvragen had gepubliceerd en dat het bod niet voldeed aan de vereisten in de aanbesteding betreffende de geldigheidsduur van een bankgarantie; uit zijn diepe bezorgdheid over het gebrek aan onafhankelijkheid van het evaluatiecomité van de Commissie, aangezien alle leden ondergeschikten waren van de ordonnateur; wijst in dit verband op de recente activiteiten van het EOM voor het verzamelen van bewijsmateriaal in verband met deze transactie, waardoor de ernstige twijfels over de behandeling en het beheer van de verkoop nog toenemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>232.</NO.P>merkt op dat de Commissie meldt dat er in de periode 2021-2024 54 verzoeken om bijstand op grond van artikel 24 van het Statuut zijn ingediend en dat er slechts acht zijn opgevolgd met de opening van een administratief onderzoek; vindt dat dit aantal zorgwekkend laag is, omdat dit betekent dat 85 % van de verzoeken zonder enige opvolging is afgewezen; is ingenomen met het feit dat het bureau van de hoofdvertrouwenspersoon is versterkt, aangezien ongeveer 300 personeelsleden van de Commissie het bureau in een jaar tijd bij gevallen van intimidatie om hulp hebben gevraagd; merkt voorts op dat 14 klachten rechtstreeks bij het Bureau voor onderzoek en disciplinaire zaken van de Commissie (IDOC) zijn ingediend, waarbij vier zaken na beoordeling als niet-zaken zijn gesloten en twee zaken na administratief onderzoek zonder opvolging zijn gesloten, pretuchtrechtelijke procedures leidden tot één waarschuwing, één schriftelijke waarschuwing en drie berispingen, één zaak zich nog in de pretuchtrechtelijke fase bevindt en twee zaken momenteel in behandeling zijn bij de tuchtraad, terwijl twee zaken rechtstreeks aan OLAF werden gemeld, die beide werden afgewezen op grond van onvoldoende verdenking; wijst erop dat deze aantallen zeer laag lijken voor een organisatie met meer dan 30 000 werknemers en moedigt de Commissie aan de mogelijkheden voor werknemers te verbeteren om gevallen van intimidatie in een veilige omgeving aan de orde te stellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>233.</NO.P>stelt vast dat personeelsleden van de Commissie in de periode 2021-2024 geen gevallen aan OLAF hebben gemeld waarbij de bron als klokkenluider kon worden aangemerkt; betreurt dat de Commissie geen informatie heeft verstrekt over de vraag of, en zo ja hoeveel, gevallen in plaats daarvan via interne hiërarchische kanalen of aan de secretaris-generaal zijn gemeld; is van mening dat bij gebrek aan volledige gegevens over het aantal aan de orde gestelde gevallen, de gebruikte kanalen en de follow-upmaatregelen die de Commissie in elk geval heeft genomen, niet kan worden beoordeeld of het klokkenluiderssysteem doeltreffend is; merkt in dit verband op dat de Commissie momenteel haar richtsnoeren inzake klokkenluiden herziet in het licht van de jurisprudentie en de praktische ervaring met de uitvoering van Richtlijn (EU) 2019/1937 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden in de lidstaten, teneinde deze zo nauw mogelijk op de richtlijn af te stemmen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>234.</NO.P>stelt met belangstelling vast dat de commissaris voor Begroting, Fraudebestrijding en Openbaar Bestuur in zijn opdrachtbrief de opdracht heeft gekregen om de organisatie en werking van de Commissie grondig te evalueren; is het er in beginsel mee eens dat het belangrijk is dat alle organisaties periodiek nagaan of hun organisatie en procedures actueel zijn; benadrukt dat het proces transparant moet blijven en dat de relevante organisaties die het personeel van de Commissie vertegenwoordigen en andere relevante actoren volledig bij het proces moeten worden betrokken, ook ter bevordering van het vertrouwen in en de aanvaarding van de uitkomst van de evaluatie door alle belanghebbenden, waaronder met name het betrokken personeel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>235.</NO.P>benadrukt dat transparantie in het bestuur en toegang tot informatie en documenten sleutelelementen zijn voor goed, verantwoordelijk en democratisch bestuur; betreurt in dit verband dat er de afgelopen jaren talrijke voorbeelden zijn geweest van gevallen waarin de Commissie niet aan redelijke transparantienormen heeft voldaan; neemt kennis van het arrest van het Gerecht in zaak T-36/23, Stevi en The New York Times/Commissie; is van mening dat informele uitwisselingen niet in de plaats mogen komen van officiële communicatie en dat alle informatie met betrekking tot besluitvorming of workflow via officiële kanalen moet worden doorgegeven, met volledige inachtneming van de transparantievereisten; benadrukt dat het voor de geloofwaardigheid van de Commissie belangrijk is dat zij zorgt voor een strikte toepassing van de richtsnoeren voor het gebruik van tekstberichten in verband met workflows; herinnert eraan dat door ambtenaren van de Unie verzonden of ontvangen tekstberichten op grond van Verordening (EG) nr. 1049/2001 alleen als documenten worden aangemerkt indien zij betrekking hebben op beleid of besluiten van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>236.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de Commissie in 2024 haar interne regels inzake de toegang van het publiek tot documenten heeft herzien; is van mening dat deze wijzigingen onverenigbaar zijn met het recht op toegang tot documenten dat is ontwikkeld in Verordening (EG) nr. 1049/2001; benadrukt dat in de regels bijvoorbeeld staat dat alleen “inhoud die belangrijke informatie is die geen korte levensduur heeft, wordt [...] geregistreerd” en wordt voorzien in het automatisch verdwijnen van tekstberichten; merkt op dat de wettigheid van deze regels momenteel wordt aangevochten voor het Europees Hof van Justitie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>237.</NO.P>wijst erop dat toegang tot documenten een belangrijk beginsel is om transparantie in het openbaar bestuur te waarborgen; wijst erop dat de Commissie helaas in veel situaties niet binnen de gestelde termijnen heeft geantwoord, met name wat betreft zaken in het kader van de confirmatieve verzoeken, waarbij de Europese Ombudsman systematische en aanzienlijke vertragingen in de reactie van de administratie van de Commissie heeft vastgesteld; benadrukt dat het voor de geloofwaardigheid van de Commissie van essentieel belang is dat journalisten en het grote publiek binnen de wettelijk toepasselijke termijnen toegang hebben tot documenten; benadrukt voorts dat transparantie niet alleen tijdige toegang vereist, maar ook dat de documenten zelf in duidelijke en begrijpelijke taal zijn opgesteld, aangezien al te technocratische communicatie een betekenisvolle toegang van burgers tot informatie in de weg zou kunnen staan, zelfs wanneer documenten beschikbaar zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>238.</NO.P>herinnert eraan dat de Europese Ombudsman gevallen van wanbeheer heeft vastgesteld in verband met verschillende wetgevingsvoorstellen die de Commissie in 2025 indiende; stelt met grote bezorgdheid vast dat deze gevallen onder meer betrekking hebben op het Omnibus I-pakket; wijst op het belang van naleving van de regels inzake betere wetgeving; onderstreept het belang van robuuste, duurzame en juridisch solide wetgeving die een stabiel en voorspelbaar regelgevingsklimaat waarborgt, ook met het oog op het versterken van de eengemaakte markt en het stimuleren van het mondiale concurrentievermogen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>239.</NO.P>uit zijn diepe bezorgdheid over een aantal beschuldigingen van corruptie in verband met de Commissie, waaronder voormalige leden van de Commissie en hoge ambtenaren; merkt met name op dat de Commissie, nadat het Europees Openbaar Ministerie eind 2024 een strafrechtelijk onderzoek had geopend naar beschuldigingen van corruptie waarbij een hoge ambtenaar van de Commissie betrokken was en naar aanleiding van de in 2024 door OLAF geformuleerde aanbeveling, haar eigen tuchtprocedure tegen die ambtenaar heeft ingeleid; merkt op dat de Commissie onlangs heeft bekendgemaakt dat zij de procedure heeft afgerond en heeft vastgesteld dat de betrokken ambtenaar de toepasselijke regels van het Statuut heeft geschonden, waaronder bepalingen inzake belangenconflicten, transparantie, aanvaarding van geschenken en openbaarmaking van documenten; herinnert eraan dat de tuchtprocedure werd ingeleid naar aanleiding van de bevindingen van OLAF betreffende een onderzoek naar beschuldigingen dat vertrouwelijke informatie over een belangrijke luchtvaartovereenkomst met de staat Qatar was uitgewisseld in ruil voor geschenken; merkt op dat de hoge ambtenaar, gezien zijn toenmalige functie als directeur-generaal bij het directoraat-generaal Mobiliteit en Vervoer van de Commissie, aanzienlijke invloed heeft uitgeoefend op het onderhandelingsproces en bijgevolg op de daaruit voortvloeiende luchtvervoersovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de staat Qatar, die op 18 oktober 2021 is ondertekend; is, gezien de aard van de feiten die de Commissie ertoe hebben gebracht een tuchtprocedure in te leiden en de aard van de maatregelen waartoe het college van commissarissen ten aanzien van die hoge ambtenaar heeft besloten, van mening dat de toepassing van die overeenkomst geëvalueerd en, zo nodig, geschorst moet worden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>240.</NO.P>herinnert eraan dat de gedragscode voor de leden van de Europese Commissie voorziet in een controleperiode van twee jaar voor voormalige leden van de Commissie voor beroepsactiviteiten die na afloop van hun ambtstermijn worden opgepakt; acht het van essentieel belang ervoor te zorgen dat voormalige leden van het college van commissarissen na afloop van hun ambtstermijn enkel activiteiten oppakken die verenigbaar zijn met artikel 245 VWEU; herinnert er tevens aan dat de gedragscode voorschrijft dat commissarissen zich moeten onthouden van activiteiten die hun onafhankelijkheid of de perceptie daarvan in het gedrang kunnen brengen, met name tijdens politiek gevoelige perioden zoals verkiezingscampagnes;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>241.</NO.P>neemt met grote bezorgdheid kennis van de onlangs gemelde uitwisselingen tussen personeelsleden van het directoraat-generaal Handel en Economische Veiligheid van de Commissie (DG TRADE) en vertegenwoordigers van de tabaksindustrie, die erop wijzen dat personeelsleden van DG TRADE mogelijk hebben gehandeld op manieren die een bedrijf in de sector ten goede zijn gekomen door derde landen ertoe aan te moedigen de regelgevingsbeperkingen en het belastingbeleid voor bepaalde tabaksproducten af te zwakken; merkt op dat de Europese Ombudsman in zijn besluit van 19 december 2023 heeft vastgesteld dat het verzuim van de Commissie om te zorgen voor een alomvattende, voor alle afdelingen geldende aanpak inzake transparantie tijdens vergaderingen met de tabaksindustrie neerkomt op wanbeheer; herinnert eraan dat de Unie, als partij bij de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik (FCTC), haar beleid moet beschermen tegen de commerciële en andere gevestigde belangen van de tabaksindustrie en de interactie moet beperken tot wat strikt noodzakelijk is voor regelgevingsdoeleinden; benadrukt daarom dat er geen interacties met betrekking tot het tabaksbestrijdingsbeleid van derde landen mogen worden toegestaan; betreurt dat de vergaderingen die naar verluidt hebben plaatsgevonden niet openbaar zijn gemaakt; dringt aan op de volledige toepassing van artikel 5, lid 3, van de FCTC, op grond waarvan interacties onderworpen zijn aan strikte beperkingen en volledig transparant moeten zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>242.</NO.P>betreurt de aanhoudende en kritieke technische, organisatorische en procedurele tekortkomingen in het functioneren van EPSO in de afgelopen jaren, die hebben geleid tot ernstige reputatieschade voor de algemene aanwervingsprocedure van de Unie en ernstige negatieve gevolgen hebben gehad voor veel kandidaten die aanzienlijke hoeveelheden tijd en middelen hebben geïnvesteerd in pogingen om deel te nemen aan selectieprocedures die zijn geannuleerd, vertraging opliepen of ernstige technische tekortkomingen vertoonden; herinnert eraan dat de Europese Ombudsman in verschillende afzonderlijke onderzoeken heeft geconcludeerd dat EPSO zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer bij de behandeling van klachten van kandidaten, met name met betrekking tot testprocedures op afstand, tekortkomingen van het platform en inconsistente communicatie over technische kwesties; benadrukt dat deze tekortkomingen de aantrekkelijkheid, geloofwaardigheid en administratieve capaciteit van de instellingen van de Unie op lange termijn dreigen te ondermijnen en daarom dringend corrigerende maatregelen vereisen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>243.</NO.P>spoort de Commissie en de leiding van EPSO aan om alle aspecten van de selectieprocedure te evalueren, met inbegrip van de governance, de digitale infrastructuur, de communicatie met kandidaten en de behandeling van door kandidaten ingediende klachten, om ervoor te zorgen dat de Commissie en andere instellingen van de Unie volledig en zonder vertragingen op EPSO kunnen vertrouwen voor de identificatie en selectie van hooggekwalificeerde en gemotiveerde kandidaten voor alle soorten functies bij de instellingen; moedigt de Commissie tegelijkertijd aan hardnekkige onevenwichtigheden in de geografische vertegenwoordiging van de diensten aan te pakken;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Europese Scholen </STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>244.</NO.P>merkt op dat de totale begroting voor de Europese Scholen voor 2024 439,5 miljoen EUR bedroeg, een stijging van 5,3 % ten opzichte van 2023; herinnert eraan dat de Europese Scholen voornamelijk worden gefinancierd door de Europese Commissie, andere Europese instellingen, de lidstaten en bijdragen van de ouders;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>245.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat noch de IAS, noch de eenheid interne controle (ICC) in 2024 bij hun audits en controles kritieke kwesties hebben aangetroffen; merkt echter op dat de vastgestelde tekortkomingen op het gebied van personeelsbeheer en openbare aanbestedingsprocedures met voorrang moeten worden aangepakt;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Opmerkingen over de kwijtingsprocedure</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>246.</NO.P>wijst erop dat het Parlement van de Commissie verwacht dat zij de gedetailleerde antwoorden op de kwijtingsresolutie indient vóór de aanvang van de kwijtingshoorzittingen voor het volgende jaar, die normaal gesproken begin november van start gaan; betreurt het dat de gedetailleerde antwoorden van de Commissie op de specifieke verzoeken van het Europees Parlement in het kwijtingsverslag voor het begrotingsjaar 2023 pas begin december 2025 zijn ontvangen; wijst erop dat dergelijke vertragingen de efficiëntie van de kwijtingsprocedure ondermijnen doordat de werkdruk voor beide instellingen erdoor wordt verhoogd en de focus van de parlementaire controle erdoor wordt afgezwakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>247.</NO.P>benadrukt dat wanneer tijdens een kwijtingshoorzitting in het Parlement mondelinge vragen niet rechtstreeks door de verantwoordelijke commissaris kunnen worden beantwoord, vervolgantwoorden binnen de overeengekomen termijn schriftelijk aan het Parlement moeten worden verstrekt; herinnert eraan dat het verstrekken van tijdige en substantiële antwoorden een kernonderdeel vormt van doeltreffende parlementaire controle en democratische verantwoordingsplicht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>248.</NO.P>stelt met tevredenheid vast dat de meeste commissarissen de kwijtingsprocedure naleven en op verzoek van de Commissie begrotingscontrole aan de hoorzittingen deelnemen; benadrukt dat de voorzitter van de Commissie in haar rol als hoofd van de Commissie een beslissende rol speelt bij de formulering en uitvoering van alle belangrijke initiatieven en beleidsvoorstellen van de Commissie; is van mening dat de voorzitter van de Commissie in die functie actief moet deelnemen aan de kwijtingsprocedure en benadrukt in dit verband dat het belangrijk is dat de voorzitter van de Europese Commissie deelneemt aan het plenaire debat over de kwijting;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen:</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>249.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie met name om:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>ervoor te zorgen dat toekomstige beslissingen over de verkoop of verkoop en terugleasing van gebouwen op basis van grondige effectbeoordelingen worden genomen, dat meer dan één bod wordt ontvangen en dat evaluatiecomités onafhankelijk zijn van de ordonnateurs;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de toekomstige fasen van de grootschalige evaluatie van de organisaties en activiteiten van de Commissie op transparante wijze vorm te geven en ervoor te zorgen dat relevante organisaties die het personeel van de Commissie vertegenwoordigen en andere relevante actoren volledig bij het proces worden betrokken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>de kwijtingsautoriteit alle relevante informatie en documentatie te verstrekken over de verkoop in 2023 van 23 van zijn gebouwen, met inbegrip van een gedetailleerde beschrijving van alle procedurele stappen die zijn genomen, zoals de gebruikte waarderingsmethode en de beoordeling van concurrerende inschrijvingen, in volledige transparantie en met inachtneming van het lopende onderzoek van het EOM;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>een externe studie te laten uitvoeren door onafhankelijke deskundigen onder auspiciën van de hoofdvertrouwenspersoon om het functioneren of het slecht functioneren van de formele intimidatieprocedure te analyseren en voorstellen te doen hoe de procedure doeltreffender kan worden gemaakt;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>de kwijtingsautoriteit voor de periode 2021-2025 een volledig overzicht te verstrekken van klokkenluiderszaken die door personeelsleden aan de orde zijn gesteld, waaronder het aantal zaken, de meldingskanalen die zijn gebruikt (met inbegrip van de respectieve hiërarchie, de secretaris-generaal en OLAF), de follow-upmaatregelen die per zaak zijn genomen, en de arbeidsstatus van de melders;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>in het kader van de herziening van de klokkenluidersrichtsnoeren alle nodige maatregelen te nemen om deze in overeenstemming te brengen met de normen van de richtlijn;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>richtsnoeren in te voeren voor het gebruik van tekstberichten met betrekking tot workflows, teneinde ervoor te zorgen dat alle informatie met betrekking tot besluitvorming of workflow wordt doorgegeven via officiële kanalen, met volledige inachtneming van de transparantievereisten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>de in 2024 gedane wijzigingen van de gedetailleerde voorschriften van de Commissie voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 te herzien en zijn reglement van orde te wijzigen om ervoor te zorgen dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 volledig wordt nageleefd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>te zorgen voor een tijdige en correcte behandeling van verzoeken om toegang tot documenten, in alle stadia van het proces;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>te zorgen voor een voorspelbare, consistente en niet-willekeurige toepassing van haar regels voor betere regelgeving door te voorzien in een definitie van “dringende” situaties die een afwijking van de in de regels vastgestelde vereisten rechtvaardigen en, indien afwijkingen worden toegestaan, een procedure vast te stellen om ervoor te zorgen dat de dringende voorbereiding van wetgevingsvoorstellen nog steeds voldoet aan de beginselen van een transparant, empirisch onderbouwd en inclusief wetgevingsproces;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xi)</SYMBOL>ervoor zorgen dat de beginselen van onafhankelijkheid en integriteit, zoals uiteengezet in de gedragscode voor de leden van de Europese Commissie, worden nageleefd met inachtneming van de hoogste normen inzake ethisch gedrag;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xii)</SYMBOL>de werkzaamheden op te voeren om ervoor te zorgen dat EPSO goed functioneert, zodat de instellingen van de Unie over voldoende hooggekwalificeerde kandidaten beschikken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiii)</SYMBOL>in samenwerking met EPSO en de andere instellingen van de Unie te zorgen voor de volledige en tijdige uitvoering van de aanbevelingen van de Ombudsman in relatie tot EPSO, en het vertrouwen in de eerlijkheid, toegankelijkheid en betrouwbaarheid van de selectieprocedures van EPSO te herstellen, en bij de kwijtingsautoriteit verslag te doen van de gemaakte voortgang;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiv)</SYMBOL>alle mogelijkheden te blijven onderzoeken om de aanzienlijke geografische onevenwichtigheid en wanverhoudingen op het vlak van gender in verschillende personeelscategorieën recht te trekken;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xv)</SYMBOL>meetbare normen voor heldere taal vast te stellen voor al haar publieke mededelingen en een actieplan te ontwikkelen om de toegankelijkheid van haar publicaties, met inbegrip van persberichten, programmadocumenten, jaarverslagen en jaarlijkse activiteitenverslagen, voor burgers in alle officiële talen van de Unie te verbeteren, en aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de uitvoering ervan;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xvi)</SYMBOL>in contact te treden met het Gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering (GSZV) om ervoor te zorgen dat het dekking gaat bieden voor een breder scala aan ziekten, met inbegrip van overige auto-immuunziekten, en een breder scala aan tests en behandelingen te vergoeden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xvii)</SYMBOL>een evaluatie uit te voeren van de luchtvervoersovereenkomst die in 2021 is gesloten tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de Staat Qatar, en deze zo nodig op te schorten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xviii)</SYMBOL>opvolging te geven aan de bevindingen van de Ombudsman en dringend onderzoek te doen naar de uitwisselingen tussen personeelsleden van DG TRADE en vertegenwoordigers van de tabaksindustrie, en over haar bevindingen verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit;</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on">HOOFDSTUK II – Herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF)</STRING></ACTINIT><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Opmerkingen van de Rekenkamer</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>250.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer voor het derde achtereenvolgende jaar een oordeel met beperking heeft afgegeven over de wettigheid en regelmatigheid van de RRF-uitgaven, na soortgelijke conclusies in 2022 en 2023; merkt op dat de Rekenkamer in 2024 een steekproef heeft genomen van 395 mijlpalen en streefdoelen voor 28 subsidiebetalingen, voor een bedrag van 53,5 miljard EUR op een totaal van 59,9 miljard EUR dat in 2024 is uitbetaald, en dat de Rekenkamer, hoewel zij geen foutenpercentage verstrekt vanwege het specifieke uitgavenmodel van de RRF, raamt dat de minimale financiële impact van haar bevindingen de materialiteitsdrempel overschrijdt; neemt met bezorgdheid kennis van de stijgende trend in de totale financiële impact van kwantitatieve bevindingen; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat volgens de vaststellingen van de Rekenkamer voor 6 van de 28 betalingen in 2024 kwantitatieve bevindingen gedaan zijn, en er in vijf van deze betalingen fouten van materieel belang voorkwamen; merkt op dat de Rekenkamer in haar oordeel, op die kwesties na, de aanvaarde RRF-uitgaven in de rekeningen voor het jaar 2024 op alle materiële punten heeft aangemerkt als wettig en regelmatig;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>251.</NO.P>neemt met bezorgdheid kennis van het feit dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat zes mijlpalen in het kader van vijf betalingen niet op bevredigende wijze zijn verwezenlijkt; merkt op dat de ontbrekende elementen in deze gevallen meer dan een minimaal aanvaardbare afwijking vormden en dat de Commissie niettemin is overgegaan tot de overeenkomstige betalingen; merkt voorts op dat de Commissie zich in een van de zes gevallen bij haar voorlopige beoordeling gebaseerd heeft op gegevens en controles die door de lidstaat waren ingediend, zonder verdere toetsingen uit te voeren om de betrouwbaarheid ervan te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>252.</NO.P>merkt voorts op dat de Rekenkamer nog eens twaalf gevallen van tekortkomingen in de beoordeling van de Commissie heeft vastgesteld die weliswaar geen invloed hadden op de bevredigende verwezenlijking van de betrokken mijlpaal of doelstelling, maar wel aan het licht brachten dat de Commissie onvoldoende controles had verricht om de betrouwbaarheid van de door de lidstaten verstrekte gegevens en controles te beoordelen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>253.</NO.P>merkt op dat betalingen door de Commissie aan de lidstaten in het kader van de RRF afhankelijk zijn van de bevredigende verwezenlijking van overeengekomen mijlpalen en streefdoelen, in plaats van van de verificatie van de naleving van de Unie- en nationale regels bij individuele uitgaven, wat het moeilijk maakt om de naleving van de toepasselijke wettelijke vereisten te beoordelen; stelt ook vast dat in de RRF-verordening geen criteria zijn gespecificeerd om het begrip “bevredigend” uit te leggen met betrekking tot de verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen, en dat deze beoordeling in het geval van kwalitatieve criteria afhangt van meerdere oordelen, die leiden tot verschillende mogelijke uitleggingen met betrekking tot de vraag of op bevredigende wijze aan de mijlpalen of streefdoelen is voldaan; stelt voorts vast dat gevallen waarin de mijlpalen of streefdoelen vaag zijn omschreven, zoals er zijn geïdentificeerd, ertoe leiden dat de criteria voor het beoordelen van de verwezenlijking ervan onduidelijk blijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>254.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer ook vier gevallen heeft aangetroffen van vaag gedefinieerde mijlpalen of streefdoelen die ook door de Commissie in haar voorlopige beoordeling waren vastgesteld en gedocumenteerd; merkt op dat wanneer mijlpalen en streefdoelen in vage termen worden gedefinieerd, de criteria voor de beoordeling van de naleving ervan onvermijdelijk ook vaag worden, hetgeen de robuustheid en duidelijkheid van het beoordelingsproces ondermijnt; merkt op dat de Commissie erkent dat in sommige gevallen de in de uitvoeringsbesluiten van de Raad vastgestelde mijlpalen en streefdoelen duidelijker hadden kunnen worden omschreven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>255.</NO.P>herinnert eraan dat in de supermijlpalen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit voor Polen specifieke hervormingen op het gebied van justitie waren voorgeschreven, waaronder ten eerste de ontmanteling van de tuchtkamer van het Hooggerechtshof en de vervanging ervan door een onafhankelijke kamer van het Hooggerechtshof, en ten tweede het recht voor alle rechters die door de beslissingen van de tuchtkamer waren getroffen, om hun zaak binnen een duidelijke termijn door de nieuwe kamer te laten herzien; is bezorgd over de aanhoudende weigering van de Poolse president om de in 2025 door de Poolse regering voorgestelde en door het Poolse parlement aangenomen hervormingen met betrekking tot de rechtsstaat, die tot doel hebben uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Commissie met betrekking tot de verwezenlijking van de gerechtelijke mijlpalen in het kader van het herstel- en veerkrachtplan, om te zetten in wetgeving; benadrukt dat het realiseren van de mijlpalen op het gebied van rechterlijke onafhankelijkheid, in overeenstemming met het Unierecht, met inbegrip van de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, essentieel is om de rechtszekerheid te waarborgen en de begroting van de Unie te beschermen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>256.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat projecten met betrekking tot één mijlpaal en drie streefdoelen voor twee betalingen vóór de subsidiabiliteitsperiode van start waren gegaan; merkt op dat in de verordening is bepaald dat alleen maatregelen die op 1 februari 2020 of later van start zijn gegaan, in aanmerking komen voor RRF-financiering, maar dat daarin niet nader wordt omschreven wat de “start” van een maatregel inhoudt; merkt op dat de Commissie in januari 2024 richtsnoeren heeft gepubliceerd waarin wordt gesteld dat zij de “start” van een maatregel interpreteert als het begin van de uitvoering van die maatregel ter plaatse, wanneer de kosten daadwerkelijk worden gemaakt; merkt echter op dat de start van een maatregel volgens de Rekenkamer de datum is van de eerste juridische verbintenis (zoals een contract, kooporder of financieringsbesluit), wat het begin van de eerste activiteit is in verband met de maatregel, terwijl de start volgens de Commissie het begin van de uitvoering ter plaatse is, wanneer de kosten daadwerkelijk worden gemaakt; stelt vast dat er verschillende interpretaties bestaan van wat de “start” van een maatregel in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>257.</NO.P>merkt op dat de uitstaande leningen van de Unie in 2024 met meer dan 30 % zijn gestegen, hetgeen het toegenomen gebruik van kapitaalmarkten door de Commissie voor de financiering van grootschalige programma’s zoals SURE en NGEU weerspiegelt; merkt op dat de totale uitstaande leningen tegen 2027 meer dan 900 miljard EUR kunnen bedragen, bijna tien keer het niveau van 2020, vóór de introductie van NGEU; merkt op dat de Commissie sinds december 2022 een gediversifieerde financieringsstrategie toepast als haar standaardmethode voor het aantrekken van middelen op de kapitaalmarkten, en dat de nominale waarde van de uitstaande leningen van de Unie eind 2024 601,3 miljard EUR bedroeg, een stijging ten opzichte van 458,5 miljard EUR in 2023; is bezorgd dat het stijgende schuldniveau en de daarmee samenhangende stijging van de rentekosten op lange termijn gevolgen zullen hebben voor de begrotingsstabiliteit van de Unie, hetgeen kan leiden tot grotere financiële druk en tot een vermindering van het vermogen van de Unie om te reageren op toekomstige uitdagingen of te investeren in belangrijke strategische prioriteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>258.</NO.P>stelt met bezorgdheid vast dat de jaarlijkse door NGEU gefinancierde RRF-subsidiebetalingen in 2024 55,9 miljard EUR bedroegen, hetgeen neerkomt op slechts ongeveer de helft van het door de Commissie in juni 2023 verwachte niveau (96,0 miljard EUR), als gevolg van aanhoudende vertragingen bij de indiening en verwerking van betalingsverzoeken; merkt echter op dat het momentum tegen het einde van het jaar toenam, met 15 lidstaten die in december 2024 betalingsverzoeken hebben ingediend voor een totaalbedrag van 58,5 miljard EUR;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>259.</NO.P>merkt op dat eind 2024 de betalingen in het kader van het RRF 197,5 miljard EUR bedroegen van de 358,9 miljard EUR aan vastgelegde subsidies, waardoor er uiterlijk eind 2026 nog 161,4 miljard EUR moet worden uitbetaald; merkt op dat dit aanzienlijke volume aan uitstaande betalingen, geconcentreerd in de laatste twee jaar van het instrument, het risico van knelpunten bij de uitvoering en verdere vertragingen vergroot, met name in lidstaten met structurele capaciteitsproblemen; wijst erop dat de tijdige absorptie van de resterende RRF-subsidies zal afhangen van de kwaliteit en rijpheid van hervormingen en investeringen, de stabiliteit van nationale governancesystemen, de beschikbaarheid van administratieve capaciteit en technische ondersteuning en het vermogen van de Commissie om een groot aantal betalingsverzoeken binnen een kort tijdsbestek efficiënt te verwerken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>260.</NO.P>neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat de uitvoering van de RRF-subsidies lager was dan verwacht, terwijl de absorptie van de NGEU-toeslag in 2024 versnelde; merkt op dat de jaarlijkse betalingen van RRF-subsidies in 2024 in totaal 55,9 miljard EUR bedroegen, waarvan 7,9 miljard EUR werd gefinancierd door REPowerEU en 48,0 miljard EUR door NGEU-subsidies, en dat de jaarlijkse betalingen voor door NGEU gefinancierde RRF-subsidies slechts de helft bedroegen van wat de Commissie in juni 2023 had verwacht (96 miljard EUR); benadrukt echter dat 15 lidstaten in december 2024 betalingsverzoeken hebben ingediend voor in totaal 58,5 miljard EUR; merkt op dat, met betalingen eind 2024 van 197,5 miljard EUR van de 358,9 miljard EUR aan gedane vastleggingen, in totaal maximaal 161,4 miljard EUR aan RRF-subsidies beschikbaar blijft voor betaling uiterlijk eind 2026;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>261.</NO.P>neemt bezorgd kennis van de erkenning door de Commissie, in haar verslag van 8 oktober 2025 over de uitvoering van de RRF, dat het tempo van de uitvoering aanzienlijk verschilt tussen de lidstaten, waarbij slechts zes lidstaten betalingen hebben ontvangen die overeenkomen met meer dan 65 % van hun totale RRF-toewijzing en nog eens vier lidstaten meer dan 50 % van hun toewijzing hebben ontvangen; uit zijn bezorgdheid over de aanzienlijke verschillen in de absorptie van RRF-subsidies tot dusver; wijst erop dat de tijdige en doeltreffende uitvoering van hervormingen en investeringen door de lidstaten steeds dringender is geworden, aangezien er minder dan zes maanden resteren tot de uiterste termijn van augustus 2026;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>262.</NO.P>uit nadrukkelijk zijn bezorgdheid over de bevindingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag 22/2024 over dubbele financiering als gevolg van het RRF-model; benadrukt dat de nationale plannen van de lidstaten zogenaamde “nulkostenmaatregelen” kunnen bevatten, d.w.z. maatregelen waarvoor naar schatting geen kosten door de RRF hoeven te worden gefinancierd, en waarbij er helemaal geen controle is op dubbele financiering, aangezien de Commissie van mening is dat maatregelen waarvoor geen RRF-middelen worden verstrekt, vanuit dat oogpunt geen risico inhouden; merkt op dat de Rekenkamer melding heeft gemaakt van mogelijke gevallen van dubbele financiering met betrekking tot RRF-maatregelen; herinnert eraan dat de gerapporteerde vaststelling in Kroatië betrekking heeft op een dergelijke nulkostenmaatregel, en dat noch de Commissie, noch de lidstaat van mening zijn dat er RRF-middelen zijn gedupliceerd; onderstreept dat de vaststelling van de Rekenkamer veeleer het gevolg is van verschillende interpretaties van wat “financiering” vormt dan van daadwerkelijke dubbele financiering; benadrukt niettemin dat “nulkostenmaatregelen” en het ontbreken van systematische kruiscontroles een structurele blinde vlek creëren die versterkte monitoring en begeleiding nodig maakt; verzoekt de Commissie de toepassing van de regels inzake dubbele financiering te blijven monitoren en de lidstaten hierover richtsnoeren te blijven verstrekken, met inachtneming van het in de RRF-verordening vastgestelde juridische en methodologische kader;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>263.</NO.P>herinnert eraan dat in de verordening is bepaald dat maatregelen en acties met betrekking tot eerder vervulde mijlpalen en streefdoelen niet mogen zijn teruggedraaid en dat de lidstaten deze niet-terugdraaiing moeten bevestigen in de beheersverklaringen bij hun betalingsverzoeken; betreurt dat het rechtskader voor de RRF de Commissie niet in staat stelt om terugdraaiingen na 31 december 2026 doeltreffend aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>264.</NO.P>benadrukt dat de Commissie, overeenkomstig artikel 12, lid 1, van de financieringsovereenkomst en artikel 21, lid 1, van de leningsovereenkomst, verificaties, herzieningen, controles en audits kan uitvoeren met het oog op de uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen wat betreft de informatie en motivering met betrekking tot de bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen in een betalingsverzoek, en dat dergelijke verificaties, herzieningen, controles en audits kunnen worden uitgevoerd gedurende een periode nadat de RRF is verstreken en kunnen helpen bij het vaststellen van gevallen waarin de informatie die ten grondslag ligt aan het betalingsverzoek zoals ingediend door een lidstaat, niet correct was;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>265.</NO.P>merkt op dat in het kader van het Europees Semester jaarlijks wordt toegezien op de uitvoering van de maatregelen in de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn, waarbij de lidstaten voortgangsverslagen indienen bij de Commissie; merkt op dat deze verslagen, overeenkomstig de richtsnoeren<FOOTNOTE><FIELD> Richtsnoer C/2024/3975, 21 juni 2024.</FIELD></FOOTNOTE> voor de lidstaten betreffende de informatievereisten voor de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn en voor de jaarlijkse voortgangsverslagen, gedurende de looptijd van de RRF informatie moeten bevatten over de voortgang bij de uitvoering van de hervormingen en investeringen in het kader van de herstel- en veerkrachtplannen die in de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn zijn opgenomen; onderstreept dat deze verslagen van essentieel belang zijn om transparantie, verantwoordingsplicht en een doeltreffend gebruik van Uniemiddelen te waarborgen, en verzoekt de Commissie na te gaan of de lidstaten volledige, tijdige en nauwkeurige informatie verstrekken in overeenstemming met de doelstellingen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>266.</NO.P>merkt op dat de Commissie sinds 2021 twintig definitieve controleverslagen over mijlpalen en streefdoelen heeft uitgebracht, die 591 aanbevelingen aan 15 lidstaten bevatten; is met name bezorgd over het feit dat voor de meeste (64 %) van de 136 aanbevelingen met betrekking tot kritieke en zeer belangrijke bevindingen de in het controleverslag vastgestelde uitvoeringstermijn al was verstreken; merkt op dat de Commissie erkent dat dergelijke vertragingen bij de uitvoering door sommige lidstaten goed zijn voor 22 % van het totale aantal aanbevelingen in verband met kritieke en zeer belangrijke bevindingen; neemt voorts kennis van de aanvaarding door de Commissie van de aanbeveling van de Rekenkamer om de redenen voor vertragingen bij de uitvoering door de lidstaten te analyseren en van haar lopende evaluatie van de status van alle openstaande aanbevelingen; verwacht dat de Commissie de vertragingen bij de uitvoering van haar aanbevelingen naar aanleiding van de controles achteraf dringend aanpakt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>267.</NO.P>herinnert eraan dat de Commissie controlemijlpalen is blijven toevoegen na de ontdekking van tekortkomingen in de controlesystemen van de lidstaten; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat de Commissie haar controles op overheidsopdrachten en staatssteun weliswaar heeft verbeterd, maar dat de controlesystemen van de lidstaten nog steeds onvoldoende doeltreffend zijn om naleving te garanderen; merkt op dat de Rekenkamer in 22 afzonderlijke openbare aanbestedingsprocedures tekortkomingen heeft vastgesteld, die een risico vormen voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie, waaronder een gebrek aan controles om belangenconflicten te voorkomen of op te sporen, tekortkomingen in de rechtvaardiging van het gebruik van spoedprocedures en tekortkomingen in de raming van de waarde van aanbestedingen en de duur van projecten, wat heeft geleid tot aanzienlijke verschillen tussen de aanbestedingsdocumenten en de daadwerkelijk ondertekende contracten; merkt op dat de Commissie haar richtsnoeren voor de lidstaten momenteel herziet om de desbetreffende controles op nationaal niveau te verbeteren; onderstreept dat de naleving van de regels inzake overheidsopdrachten en staatssteun weliswaar over het algemeen geen invloed heeft op de regelmatigheid van de door de Commissie aan de lidstaten verrichte RRF-betalingen, maar dat deze regels van cruciaal belang zijn om te zorgen voor een goed werkende interne markt; is daarom van mening dat financiering afhankelijk moet worden gesteld van de naleving van de toepasselijke internemarktregels; merkt op dat de commissaris voor Begroting, Fraudebestrijding en Openbaar Bestuur tijdens zijn hoorzitting in de Commissie begrotingscontrole op 8 december 2025 heeft erkend dat een van de tekortkomingen die niet mag worden herhaald, is dat de regels inzake overheidsopdrachten en staatssteun niet zijn opgenomen als betalingsvoorwaarden, en heeft toegezegd dat de Commissie dit zal corrigeren in het kader van het volgende MFK;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>268.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer voor vijf lidstaten tekortkomingen heeft vastgesteld in hun beheersverklaringen, die zekerheid moeten verschaffen dat de bij de betalingsverzoeken ingediende informatie volledig, nauwkeurig en betrouwbaar is; neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat de vijf lidstaten, namelijk Tsjechië, Spanje, Frankrijk, Kroatië en Slowakije, zich er bij de indiening van het betalingsverzoek van bewust waren dat er onvoldoende bewijs was voor de bevredigende verwezenlijking van sommige mijlpalen en streefdoelen, maar dat geen van hen in zijn beheersverklaring een voorbehoud heeft opgenomen waarin wordt benadrukt dat een mijlpaal/doelstelling ten tijde van het betalingsverzoek slechts gedeeltelijk was verwezenlijkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>269.</NO.P>spreekt zijn bezorgdheid uit over de bevindingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag 21/2025 getiteld “RRF-steun voor een beter ondernemingsklimaat”; benadrukt dat de hervormingen in de nationale plannen verschillen qua reikwijdte, aard en ambitie, en zich mogelijk niet altijd vertalen in structurele veranderingen in het ondernemingsklimaat; is ook teleurgesteld over het feit dat mijlpalen en streefdoelen over het algemeen beperkt zijn tot het meten van juridische “outputs”, meestal de goedkeuring van wetten, in plaats van de resultaten ervan, en dat de betalingsvoorwaarden dus vervuld waren zodra de wetten waren goedgekeurd, en niet wanneer de effecten van de wetten zichtbaar waren; merkt op dat veel hervormingen al vóór de RRF waren gepland, maar dat de financiële steun van de RRF ertoe heeft bijgedragen dat de hervormingen op dat moment werden uitgevoerd;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Audit en controle</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>270.</NO.P>neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat, wat betreft ernstige onregelmatigheden die niet door de lidstaat zijn gecorrigeerd, de directeur-generaal van DG ECFIN in zijn betrouwbaarheidsverklaring een voorbehoud heeft gemaakt naar aanleiding van het hoge risico dat in één lidstaat, namelijk Tsjechië, is vastgesteld als gevolg van twee afzonderlijke gevallen van belangenconflicten, waarvoor geen informatie beschikbaar is over bijkomende corrigerende maatregelen die Tsjechië al zou hebben genomen en waarvoor de Commissie nog geen corrigerende maatregelen heeft opgestart; merkt op dat dit voorbehoud betrekking heeft op twee RRF-betalingen en dat de Commissie ook 22 betalingen heeft beoordeeld als betalingen met een middelgroot risico en zes betalingen als betalingen met een laag risico op ernstige onregelmatigheden; neemt met bezorgdheid nota van het standpunt van de Rekenkamer dat, aangezien de risicobeoordelingscriteria grotendeels zijn afgestemd op degene die worden gehanteerd bij controles op gebieden als overheidsopdrachten en staatssteun, de algemene beoordeling mogelijk niet volledig het niveau van het onderliggende risico weergeeft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>271.</NO.P>is bezorgd over de melding van de Rekenkamer dat de Commissie slechts over beperkte informatie beschikt over opgespoorde fraude, en onderstreept dat de informatiestromen moeten worden verbeterd om de bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen, met name door middel van versterkte voorzorgsmaatregelen; benadrukt dat het EOM eind 2024 311 lopende zaken in verband met NextGenerationEU in behandeling had, die op vier na allemaal betrekking hadden op de RRF, hetgeen neerkomt op ongeveer 17 % van alle lopende onderzoeken naar uitgavenfraude; stelt vast dat de geraamde schade voor de financiële belangen van de Unie 2,8 miljard EUR bedraagt, hetgeen neerkomt op 30 % (2023: 25 %) van de totale geraamde schade als gevolg van alle fraude met uitgaven van de Unie; benadrukt echter dat het EOM de Commissie slechts officieel in kennis had gesteld van 75 zaken in verband met de RRF, en dat 80 % van deze gemelde zaken betrekking had op één maatregel in één lidstaat, Italië; neemt ook kennis van de bevinding van het EOM dat de nationale rechtshandhavingsinstanties de belangrijkste bron van meldingen bleven, aangezien 90 % van de nieuwe onderzoeken werd geopend op basis van hun informatie; maakt ook uit Speciaal verslag nr. 06/2026 van de Rekenkamer over fraudebestrijding in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit op dat de lidstaten vanaf het begin van de herstel- en veerkrachtfaciliteit in 2021 tot eind 2024 51 gevallen van vermoedelijke fraude aan DG ECFIN hadden gemeld; is bezorgd over het feit dat verslagen van instellingen, organen en instanties van de Unie, met inbegrip van de Commissie, goed zijn voor minder dan 1 % van de nieuwe EOM-onderzoeken die in 2025 zijn geopend, wat verdere bezorgdheid doet rijzen over het vermogen van de Commissie om toezicht te houden op de RRF; is ook bezorgd over het feit dat, aangezien de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit nog niet voor de helft is voltooid, het EOM verwacht dat het aantal zaken zal blijven toenemen; wijst erop dat de door het EOM gepresenteerde cijfers bevestigen dat het risico op fraude in de RRF aanwezig is; wijst erop dat deze situatie aantoont dat de nationale opsporings- en meldingscapaciteiten, de samenwerking met het EOM en de Commissie en de algemene doeltreffendheid en consistentie van fraudebestrijdingssystemen in de hele Unie verder moeten worden versterkt; benadrukt dat de bescherming van de middelen van de Unie en het geld van de belastingbetaler een degelijk, gecoördineerd en goed toegerust fraudebestrijdingskader vereist, zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>272.</NO.P>is ingenomen met de hervormingen die Bulgarije heeft uitgevoerd en de vooruitgang die in 2025 is geboekt, waarbij het land ongeveer 31 % van zijn totale toegewezen RRF-financiering heeft ontvangen, in twee tranches van in totaal 1,91 miljard EUR; neemt kennis van essentiële hervormingen op het gebied van overheidsopdrachten en justitiële transparantie; merkt op dat de Commissie op 3 november 2025 een uitvoeringsbesluit heeft vastgesteld over de gedeeltelijke opschorting van de uitbetaling van de tweede tranche van de niet-terugbetaalbare steun aan Bulgarije, omdat één mijlpaal in verband met de hervorming op het gebied van corruptiebestrijding volgens de beoordeling niet op bevredigende wijze was verwezenlijkt; neemt kennis van de inspanningen van de Bulgaarse regering om hervormingen door te voeren om te zorgen voor een politiek onafhankelijke benoeming van de commissie voor corruptiebestrijding; merkt voorts op dat in het uitvoeringsbesluit van de Commissie verder wordt opgemerkt dat de nationale vergadering een overheersende rol blijft spelen bij zowel de voordracht als de benoeming van het bestuur van de commissie voor corruptiebestrijding; merkt op dat Bulgarije zes maanden de tijd heeft om het wetgevingskader te herzien om te voldoen aan de vereiste drempel; onderstreept de opschorting pas mag worden opgeheven wanneer Bulgarije de nodige maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de mijlpaal op bevredigende wijze wordt verwezenlijkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>273.</NO.P>neemt kennis van de herhaalde bevindingen van de Rekenkamer dat bepaalde nationale rekenkamers tekortkomingen vertonen op het gebied van reikwijdte, kwaliteit, documentatie en verslaglegging; benadrukt dat er behoefte is aan een duidelijk kader van verantwoordelijkheden om kwaliteit en consistentie te waarborgen; dringt erop aan dat controleorganen in de lidstaten voldoen aan internationaal aanvaarde controlenormen; waarschuwt dat anders de betrouwbaarheid van hun werk wordt ondermijnd en er risico’s ontstaan voor de single-auditaanpak;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>274.</NO.P>betreurt de onvolledige controlesporen die de Rekenkamer heeft waargenomen in de herstel- en veerkrachtfaciliteit, die de traceerbaarheid verzwakken en het vermogen van het Parlement en de Rekenkamer om controle uit te oefenen beperken; wijst erop dat alle databanken en informatiesystemen van de Commissie die worden gebruikt voor het verzamelen, uitwisselen en controleren van gegevens tussen de Commissie en de lidstaten, toegankelijk moeten zijn voor de Rekenkamer; benadrukt dat de Rekenkamer rechtstreeks en onmiddellijk toegang moet hebben tot de oorspronkelijke gegevens zoals die in het systeem zijn geregistreerd, zonder voorafgaande wijziging, aggregatie of bewerking door nationale autoriteiten of diensten van de Commissie; benadrukt dat deze toegang essentieel is om de onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en doeltreffendheid van controles te waarborgen en de transparantie en verantwoordingsplicht bij de uitvoering van de begroting van de Unie te handhaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>275.</NO.P>spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat controles van de RRF en andere prestatiegerichte instrumenten gericht zijn op de controle van systemen in plaats van op de controle van daadwerkelijk gedane uitgaven; waarschuwt dat dergelijke systeemgerichte controles mogelijk geen licht werpen op onderliggende problemen die kunnen overslaan en het goede financiële beheer van de begroting van de Unie en de bescherming van de financiële belangen van de Unie ernstig kunnen ondermijnen; verzoekt de Commissie doortastende corrigerende maatregelen te nemen, de controle- en accreditatieprocedures te versterken en ervoor te zorgen dat soortgelijke systemische tekortkomingen zich niet meer kunnen voordoen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel met betrekking tot verslagleggings- en documentatieverplichtingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>276.</NO.P>is van mening dat de RRF een grondwettelijke toets vormt voor democratische verantwoording, gezien de omvang, de snelheid en het uitzonderlijke uitvoeringsmodel ervan; herinnert eraan dat de RRF wordt gefinancierd door middel van aanzienlijke gemeenschappelijke Europese leningen en dat er daarom de strengste normen voor moeten gelden op het gebied van financiële verantwoordelijkheid, transparantie en kosteneffectiviteit voor de belastingbetalers van de Unie; wijst erop dat de rol van het Parlement als kwijtingsautoriteit alleen zinvol is als de normen inzake transparantie, traceerbaarheid, objectieve toepassing van de regels en verificatie in alle lidstaten strikt en consequent worden toegepast en als de beoordeling van mijlpalen en streefdoelen op volledig objectieve en niet-gepolitiseerde wijze wordt uitgevoerd, met waarborging van de gelijke behandeling van de lidstaten; is van mening dat elke verschuiving naar op prestaties gebaseerde instrumenten gepaard moet gaan met parlementaire controle om de democratische verantwoordingsplicht te waarborgen; is gekant tegen elk voorstel dat het institutionele evenwicht zou verstoren en de rol van het Parlement als kwijtingsautoriteit zou ondermijnen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Transparantie</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>277.</NO.P>merkt op dat de Rekenkamer voor 2024 de nationale systemen van vijf lidstaten heeft beoordeeld om na te gaan of zij de RRF-middelen konden traceren van de nationale begroting tot bij de eindontvangers en verder, en of zij gegevens konden verstrekken over de door de eindontvangers gedane uitgaven; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat de traceerbaarheid van RRF‑middelen niet systematisch is in alle lidstaten en dat de bestaande systemen in twee lidstaten niet zorgden voor de systematische verzameling van gegevens over uitgaven van de eindontvangers van RRF-middelen; betreurt de bevinding van de Rekenkamer dat er, ondanks de richtsnoeren van de Commissie over de door de lidstaten te volgen methode voor het publiceren van de honderd grootste eindontvangers<FOOTNOTE><FIELD> COM(2024)0474, bijlage 5, bijlage bij het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, 10 oktober 2024.</FIELD></FOOTNOTE> aanzienlijke verschillen bestaan in het soort informatie dat wordt gepubliceerd; uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat dergelijke tekortkomingen op het gebied van transparantie en traceerbaarheid het vertrouwen van het publiek en een doeltreffende democratische controle van de uitgaven in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit dreigen te ondermijnen; merkt ook op dat twee lidstaten toegewezen (d.w.z. begrote) of uitbetaalde bedragen meldden, maar in sommige gevallen alleen op het niveau van intermediaire instanties, en in sommige gevallen gecombineerd met nationale financiering, en dat één lidstaat alleen gegevens heeft gerapporteerd met betrekking tot maatregelen met mijlpalen en streefdoelen die ter betaling aan de Commissie zijn voorgelegd, hetgeen de uitvoering van lopende maatregelen niet volledig weerspiegelde;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>278.</NO.P>herinnert eraan dat artikel 22, lid 2, punt d), ii), van de RRF-verordening (Verordening (EU) 2021/241) de lidstaten verplicht om, ten behoeve van de audit en controle, vergelijkbare informatie te verzamelen over het gebruik van RRF-middelen, met inbegrip van de namen van eindontvangers, contractanten en subcontractanten, en eindbegunstigden; herinnert er voorts aan dat de verordening de lidstaten weliswaar niet verplicht om informatie te verzamelen en te publiceren over uitgaven die eindontvangers hebben gedaan om mijlpalen of streefdoelen na te streven, noch om dergelijke informatie te verstrekken bij hun in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit ingediende betalingsverzoeken, maar dat zij deze informatie wel moeten publiceren voor de 100 “eindontvangers” die de grootste bedragen aan financiering in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit ontvangen; merkt op dat de Commissie in haar richtsnoeren voor herstel- en veerkrachtplannen een eindontvanger omschrijft als de “laatste entiteit die middelen ontvangt en geen contractant of subcontractant is”; is zeer bezorgd over deze interpretatie van het begrip “eindontvanger”, en herhaalt zijn standpunt dat die in strijd is met de bestaande wetgeving; benadrukt dat het van de Commissie verwacht dat zij de naleving van de bestaande wetgeving handhaaft en alle haar ter beschikking staande middelen aanwendt om ervoor te zorgen dat de lidstaten een volledige en zinvolle lijst van eindontvangers verstrekken, met uitsluiting van louter intermediaire entiteiten zoals ministeries of beheersautoriteiten; onderstreept dat het Parlement, om transparantie te waarborgen, alle beschikbare maatregelen zal overwegen om naleving af te dwingen en te voorkomen dat een soortgelijke interpretatie wordt toegepast op de transparantiebepalingen in andere financiële regelgeving; is van mening dat het aanhoudende verzuim om te zorgen voor een zinvolle publicatie van eindontvangers ernstige twijfels doet rijzen over het vermogen van het Parlement om met kennis van zaken kwijting te verlenen; herinnert eraan dat het Parlement in eerdere kwijtingsresoluties met betrekking tot de RRF herhaaldelijk ernstige bezorgdheid heeft geuit, onder meer over de transparantie met betrekking tot eindontvangers; is van mening dat de Commissie inbreukprocedures moet opstarten en ten aanzien van de lidstaten zonder onnodige vertraging ten volle haar bevoegdheden als hoedster van de Verdragen moet uitoefenen om ervoor te zorgen dat burgers en belanghebbenden volledige toegang hebben tot deze informatie; wijst erop dat het Parlement anders binnen zijn prerogatieven alle passende maatregelen zal overwegen om naleving te waarborgen, met inbegrip van gerechtelijke stappen; benadrukt dat volledige en betrouwbare informatie over de eindontvangers van essentieel belang is om misbruik van middelen te voorkomen, fraude op te sporen en gelijke normen inzake verantwoordingsplicht in alle lidstaten te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>279.</NO.P>herinnert de Commissie eraan dat de RRF-verordening zowel naar de letter als naar de geest strikt moet worden nageleefd en dat de vaststelling van richtsnoeren of andere interne documenten volledig in overeenstemming moet zijn met de resultaten van de onderhandelingen tussen de medewetgevers; is van mening dat dit niet het geval was toen de Commissie in haar richtsnoeren voor herstel- en veerkrachtplannen de bepalingen over de interpretatie van “eindontvanger” opnam;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>280.</NO.P>benadrukt voorts dat de leden van de Commissie begrotingscontrole de Commissie op 4 februari 2025 in verband met de kwijting uit hoofde van artikel 319 VWEU hebben verzocht om voor elke lidstaat de lijst te verstrekken van de honderd grootste natuurlijke personen of entiteiten die middelen ontvangen uit de RRF, met inbegrip van contractanten en subcontractanten; acht het onaanvaardbaar dat slechts zes lidstaten de gevraagde gegevens met de diensten van de Commissie hebben gedeeld en dat een lidstaat het voornemen te kennen heeft gegeven om de lijst te delen in de toekomst, terwijl drie andere lidstaten hebben aangegeven de gegevens niet te zullen verstrekken, met het argument dat het verzoek niet in overeenstemming was met de rapportagevereisten uit hoofde van de RRF-verordening, en dat de overige 17 lidstaten niet op het verzoek van de Commissie hebben gereageerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>281.</NO.P>wijst erop dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit een cruciale bijdrage heeft geleverd aan het voorkomen van een ernstige economische neergang en een sociale crisis als gevolg van de COVID-19-pandemie, en aan het vermogen van de faciliteit om te worden ingezet als krachtig crisisresponsinstrument;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING ITALIC="on">Aanbevelingen</STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>282.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar jaarverslag 2024 om ervoor te zorgen dat zij:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>voldoende gegevensgerichte controles uitvoert om de betrouwbaarheid te waarborgen van de informatie ter staving van de naleving door de lidstaten van de vereisten in de uitvoeringsbesluiten van de Raad bij haar beoordeling van mijlpalen en streefdoelen, voornamelijk op basis van monitoring- of uitvoeringsverslagen, in plaats van te vertrouwen op de gegevens en controles van de lidstaten;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>de redenen analyseert voor vertragingen bij de uitvoering door de lidstaten van aanbevelingen in verband met kritieke of zeer belangrijke bevindingen en overweegt forfaitaire verlagingen toe te passen;</ITEM></LIST></P></ACTION><ACTION><P><NO.P>283.</NO.P><LIST LEVEL="1" TYPE="LC"><INT.LI LEVEL="0">verzoekt de Commissie voorts:</INT.LI><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(i)</SYMBOL>nauwlettend toe te zien op de voortdurende naleving van mijlpalen en streefdoelen, met name die welke betrekking hebben op audit, monitoring en controle, en te zorgen voor een adequate monitoring van de stand van uitvoering van diverse mijlpalen en streefdoelen op verschillende tijdstippen na het verstrijken van de RRF, met de opties waarin voorzien is in de financierings- en leningsovereenkomsten en in het kader van het Europees Semester;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ii)</SYMBOL>nauw samen te werken met de lidstaten om ervoor te zorgen dat mijlpalen en streefdoelen, met name degene die een structureel karakter hebben of gekoppeld zijn aan landspecifieke aanbevelingen, volledig en zorgvuldig worden uitgevoerd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iii)</SYMBOL>strengere verificatiemechanismen in te voeren om te voorkomen dat reeds bestaande projecten die geen toegevoegde waarde bieden, worden opgenomen in het RRF-kader;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(iv)</SYMBOL>te zorgen voor volledige naleving van de mijlpalen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en alleen financiering uit te betalen als de mijlpalen voort worden gehaald;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(v)</SYMBOL>onverwijld een bindende interinstitutionele regeling te treffen om ervoor te zorgen dat de Rekenkamer volledige, systematische en realtimetoegang heeft tot alle relevante databanken, waaronder Arachne en FENIX;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vi)</SYMBOL>de bepalingen van de RRF-verordening met betrekking tot de “eindontvangers” consistent en nauwkeurig toe te passen door haar richtsnoeren over herstel- en veerkrachtplannen te herzien, met de lidstaten over de correcte toepassing van de definitie van “eindontvangers” te communiceren, ervoor te zorgen dat de lidstaten gegevens verzamelen en verstrekken over de laatste entiteiten die middelen ontvangen, met uitsluiting van intermediaire entiteiten zoals ministeries of beheersautoriteiten, en deze gegevens vóór de uiterste datum voor RRF-betalingen ter beschikking te stellen aan de kwijtingsautoriteit, en zo nodig inbreukprocedures in te leiden;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(vii)</SYMBOL>voor meer transparantie in de RRF te zorgen door de tijdige publicatie van beoordelingen van de Commissie, nationale verslagen, audits en terugvorderingsmaatregelen in een toegankelijk en verifieerbaar formaat, zodat het Parlement, de Rekenkamer en de burgers naar behoren toezicht kunnen uitoefenen; is voorstander van een gelaagde aanpak van toegang – volledige realtimetoegang voor de Rekenkamer, onbeperkte informatierechten voor het Parlement en transparante publieke toegang in overeenstemming met de uitspraken van het HvJ-EU – waarbij de naleving van de AVG en de regels van de Unie inzake gegevensbescherming wordt gewaarborgd; benadrukt dat gepubliceerde gegevens de daadwerkelijke uitvoering en resultaten van projecten moeten weerspiegelen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(viii)</SYMBOL>te zorgen voor consistente informatie over prestaties in het MFK voor de periode na 2027 door het vaststellen van één reeks duidelijk omschreven beleidsterreinen en een consistente methode om uitdagingen, doelstellingen, maatregelen, financiering en prestatie-indicatoren aan één of meer beleidsterreinen te koppelen, onder meer door het gebruik van geharmoniseerde rapportagekaders en meetbare, vergelijkbare indicatoren in alle lidstaten, teneinde een duidelijke beoordeling mogelijk te maken van de resultaten, efficiëntie en waarde voor de financiering van de Unie;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(ix)</SYMBOL>de bepalingen van de RRF-verordening strikt toe te passen, ook de bepalingen betreffende de opschorting van betalingen of de terugvordering van bedragen, met name indien de bescherming van de financiële belangen van de Unie niet wordt gewaarborgd;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(x)</SYMBOL>interoperabele, geautomatiseerde kruiscontroles tussen instrumenten in het kader van de RRF, cohesie en direct beheer verplicht te stellen en jaarlijks verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over ontdekte gevallen van dubbele financiering;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xi)</SYMBOL>nauw samen te werken met de lidstaten, met name die met structurele capaciteitsbeperkingen, door gerichte technische bijstand, richtsnoeren en administratieve ondersteuning te verlenen om de volledige en doeltreffende uitvoering van RRF-investeringen en -hervormingen in alle lidstaten te waarborgen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xii)</SYMBOL>de monitoringmechanismen te versterken en ervoor te zorgen dat de in het kader van de RRF gefinancierde hervormingen en investeringen operationeel blijven en een duurzaam effect sorteren na de uitbetalingsperiode, teneinde de financiële belangen van de Unie en het geld van de belastingbetaler te beschermen;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiii)</SYMBOL>voor herzieningen van instrumenten en van de verordening na 2026 voor te stellen dat de lidstaten verplicht worden vermoedelijke fraude en onregelmatigheden te melden aan de hand van een geharmoniseerde taxonomie die is afgestemd op de normen en behoeften van OLAF/het EOM;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xiv)</SYMBOL>een macro-economische evaluatie uit te voeren met als doel de doeltreffendheid en efficiëntie van de Uniesteun aan de lidstaten via de herstel- en veerkrachtfaciliteit te beoordelen, met inbegrip van de mate waarin de steun tijdig is verleend en in verhouding staat tot de beoogde doelstellingen van de faciliteit, met name het herstel van de COVID-19-crisis, en deze evaluatie te delen met de kwijtingsautoriteit;</ITEM><ITEM LEVEL="1"><SYMBOL>(xv)</SYMBOL>te verzoeken om de invoering van voorspellende analytische tools op basis van AI en machinaal leren, waarmee auditors in real time risicobeoordelingen kunnen uitvoeren en afwijkingen effectiever kunnen vaststellen.</ITEM></LIST></P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>