<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0135</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Kwijting 2024: Europees Openbaar Ministerie</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0050/2026 - Rapporteur: Pasquale Tridico)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><NR>1.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2155(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5734, 30.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5734/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 2 maart 2026 betreffende de aan het Europees Openbaar Ministerie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05749/2026 – C10‑0047/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD> PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 70,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 70,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 94,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD> PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/715/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 105,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 102 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0050/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>verleent de administratief directeur van het Europees Openbaar Ministerie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de administratief directeur van het Europees Openbaar Ministerie, de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L-serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><DECISION><TI><NR>2.</NR> <STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2026 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2155(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2024, vergezeld van de antwoorden van de agentschappen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5734, 30.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5734/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Rekenkamer<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2025/5407, 13.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5407/oj.</FIELD></FOOTNOTE> voor het begrotingsjaar 2024 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, opgesteld overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de aanbeveling van de Raad van 2 maart 2026 betreffende de aan het Europees Openbaar Ministerie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 (05749/2026 – C10‑0047/2026),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012<FOOTNOTE><FIELD> PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 70,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 70,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”)<FOOTNOTE><FIELD> PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 94,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD> PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/715/oj.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 105,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 102 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0050/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2024;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de administratief directeur van het Europees Openbaar Ministerie, de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het <STRING ITALIC="on">Publicatieblad van de Europese Unie</STRING> (L‑serie).</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST><TXTLST><RESOL><TI><NR>3.</NR> <STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2026 met opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2024 (2025/2155(DEC))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Openbaar Ministerie voor het begrotingsjaar 2024,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 102 van zijn Reglement en bijlage V bij dat Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0050/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het Europees Openbaar Ministerie (EOM) het onafhankelijke openbaar ministerie van de Unie is en verantwoordelijk is voor het onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden en het voor de rechter brengen van daders van en medeplichtigen aan strafbare feiten als bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2017/1371/oj).</FIELD></FOOTNOTE> (PIF-gerelateerde misdrijven) en die worden genoemd in Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj).</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het EOM bevoegd is voor verschillende soorten fraude, waaronder grensoverschrijdende btw-fraude met schade van meer dan 10 miljoen EUR, witwassen van geld, corruptie en andere strafbare feiten, waarbij het EOM de functie van aanklager uitoefent bij de bevoegde rechtbanken van de deelnemende lidstaten, tot het einde van de procedure;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat het EOM een van de onderdelen van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie is en dat de acties ervan als zodanig worden gecoördineerd met en een aanvulling vormen op die van de andere onderdelen van die architectuur, teneinde een gestroomlijnde, efficiënte coördinatie tot stand te brengen die de algehele doeltreffendheid van de architectuur bevordert;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat het EOM verankerd is in de nationale rechtsstelsels van de deelnemende lidstaten en prioritair bevoegd is om strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, te onderzoeken en te vervolgen, terwijl andere organisaties zoals het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) niet over de nodige bevoegdheden beschikken om de desbetreffende strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen uit te voeren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat de procedurele handelingen van het EOM onderworpen zijn aan rechterlijke toetsing door de nationale rechtbanken in overeenstemming met het nationale recht en dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (het “Hof van Justitie”) — door middel van een prejudiciële beslissing of rechterlijke toetsing — waakt over een consistente toepassing van het Unierecht, met name over de eenvormige uitlegging van Verordening (EU) 2017/1939 en Richtlijn (EU) 2017/1371;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat het EOM bestaat uit een centraal niveau, met hoofdkantoor in Luxemburg, bestaande uit de Europese hoofdaanklager, 24 Europese aanklagers (een per deelnemende lidstaat na de toetreding van Polen en Zweden tot het EOM, op respectievelijk 20 maart en 19 juli 2024) en de administratief directeur, en een gedecentraliseerd, nationaal niveau, bestaande uit de gedelegeerde Europese aanklagers in de 24 deelnemende lidstaten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de Europese hoofdaanklager en de 24 Europese aanklagers op centraal niveau het college van het EOM (“het college”) vormen en dat zij worden toegewezen aan 15 permanente kamers met als taak toezicht te houden op de onderzoeken en vervolgingen die worden uitgevoerd door de gedelegeerde Europese aanklagers op nationaal niveau, die volledig onafhankelijk opereren van hun nationale autoriteiten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de administratief directeur, als verantwoordelijke binnen het EOM, op grond van artikel 93 van Verordening (EU) 2017/1939 de begroting onder zijn eigen verantwoordelijkheid en binnen de in de begroting gestelde grenzen uitvoert, en dat hij de begrotingsautoriteit van de Unie jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van evaluatieprocedures toezendt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat de rekenplichtige van de Commissie overeenkomstig artikel 50, lid 2, van de financiële regels van het EOM ook optreedt als rekenplichtige van het EOM en verantwoordelijk is voor het opstellen van de jaarrekening, die samengevoegd wordt met die van de Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat de definitieve jaarrekening in het huidige kader door de Rekenkamer wordt onderzocht en dat de Raad een aanbeveling doet en het Parlement besluit of de administratief directeur van het EOM al dan niet kwijting wordt verleend voor de uitvoering van de begroting van een bepaald begrotingsjaar;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat bij het onderzoek van het beheer van de middelen van het EOM en de daarmee samenhangende uitgaven niet mag worden voorbijgegaan aan het onderzoek van de operationele activiteiten, met inbegrip van de methoden voor de uitvoering ervan en de gevolgen en impact daarvan, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van vervolging en onderzoek door middel van een voortdurende evaluatie om ervoor te zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar blijven en dat ze efficiënt worden besteed om de operationele doeltreffendheid te waarborgen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat het EOM pas sinds 24 juni 2021 zijn begroting zelfstandig uitvoert en zijn operationele activiteiten is begonnen op 1 juni 2021, hetgeen tevens de dies a quo is van de in artikel 119 van Verordening (EU) 2017/1939 genoemde termijn van vijf jaar, waarna de Commissie bij het Parlement en de Raad, alsmede bij de nationale parlementen een evaluatieverslag moet indienen over de uitvoering en de gevolgen van deze verordening, alsmede over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het EOM en zijn werkmethoden, samen met haar conclusies;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat in artikel 119, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1939 wordt bepaald dat de Commissie wetgevingsvoorstellen moet indienen bij het Parlement en de Raad indien zij concludeert dat het noodzakelijk is te kunnen beschikken over aanvullende of meer gedetailleerde regels met betrekking tot de opzet van het EOM, zijn functies of de voor zijn activiteiten, waaronder grensoverschrijdende onderzoeken, geldende procedures;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat elk voorstel van de Commissie tot herziening van het regelgevingskader van het EOM pas kan worden ingediend nadat naar behoren rekening is gehouden met de resoluties van het Parlement die sinds de start van de operationele activiteiten van het EOM zijn aangenomen, en rekening houdend met de rol van het EOM binnen de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie, waarvan de herziening in september 2025 door de Commissie is gestart, naar aanleiding van verzoeken daartoe van het Parlement;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>is ingenomen met het positieve advies van de Rekenkamer over de betrouwbaarheid van de rekeningen van het EOM voor het per 31 december 2024 afgesloten begrotingsjaar en over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende ontvangsten en betalingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>erkent dat het EOM van belang is om de financiële belangen van de Unie, en met name de begroting van de Unie, te beschermen; herinnert eraan dat het Parlement een sterk pleitbezorger was van de oprichting van het EOM en spreekt zijn waardering uit voor het werk dat het EOM verricht bij het onderzoeken en vervolgen van misdrijven zoals fraude, corruptie en ernstige grensoverschrijdende btw-fraude; wijst er nogmaals op dat het EOM een centrale rol speelt bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie en beklemtoont dat het orgaan een hoeksteen vormt van het fraudebestrijdingskader van de Unie en van het bredere governancesysteem dat gebaseerd is op integriteit, verantwoordingsplicht, transparantie en goed financieel beheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>beklemtoont dat het EOM met betrekking tot de rechtshandhaving van de Unie een unieke rol vervult als openbaar ministerie en wijst erop dat het EOM vanwege zijn aard verplicht is alle zaken die onder zijn bevoegdheid vallen te onderzoeken wanneer deze onder zijn aandacht worden gebracht; brengt in herinnering dat het EOM eind 2024 volgens het jaarverslag van het EOM 6 547 misdrijfmeldingen (56 % meer dan in 2023) en 2 666 lopende onderzoeken (ongeveer 38 % meer dan in 2023) had behandeld, met een geschatte schade van 24,8 miljard EUR (19,27 miljard EUR in 2023 en 14,1 miljard EUR in 2022), en dat rechters bevriezingsbevelen ter waarde van 2,42 miljard EUR hadden uitgevaardigd (tegenover 1,5 miljard EUR in 2023); beklemtoont dat de voortdurend toenemende cijfers bevestigen dat de middelen moeten worden afgestemd op de operationele behoeften om de onafhankelijkheid van het EOM te versterken; verzoekt de Commissie snel de nodige middelen beschikbaar te stellen zodat het EOM zijn taken kan uitvoeren en de voortgang en de tijdige afronding van onderzoeken kan waarborgen, waaronder het onderzoek naar de aankoop van het COVID-19-vaccin in de Unie, dat in 2022 van start is gegaan en nog steeds onder de geheimhoudingsregels valt, waardoor er geen informatie wordt vrijgegeven om het goede verloop van de procedure niet in gevaar te brengen; herinnert eraan dat transparantie in evenwicht moet zijn met het vermoeden van onschuld en eerbiediging van de lopende gerechtelijke procedures; spoort het EOM aan helder naar de buitenwereld te blijven communiceren waar dat juridisch geoorloofd is; benadrukt dat de personele en financiële middelen die aan het EOM worden toegewezen voor zeer complexe zaken met grote gevolgen voor de begroting en de reputatie ervoor moeten zorgen dat het onderzoek naarstig vordert en verantwoord over de stand van zaken en de conclusie ervan wordt gecommuniceerd, met volledige inachtneming van juridische beperkingen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Begrotings- en financieel beheer</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>merkt op dat de totale definitieve begroting die in 2024 aan het EOM was toegewezen 76 382 368 EUR bedroeg, hetgeen neerkomt op een aanzienlijke verhoging ten opzichte van de 65,9 miljoen EUR die in 2023 was toegewezen en de 51,2 miljoen EUR die in 2022 was toegewezen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>wijst erop dat de oorspronkelijke begroting voor 2024 (ten bedrage van 71 888 321 EUR) die door de begrotingsautoriteit van de Unie was goedgekeurd, 24 % lager was dan het bedrag dat het EOM in zijn raming van de ontvangsten en uitgaven voor 2024 had gevraagd, ook al was dit bedrag 9 % hoger dan in het voorgaande jaar; merkt op dat er in 2024 twee gewijzigde begrotingen zijn goedgekeurd en dat, na het verzoek van het EOM in februari 2024, de begroting in juni 2024 met 3 600 000 EUR is verhoogd, met financiële en personele middelen om de hogere kosten in verband met de deelname van Polen en Zweden aan het EOM te dekken; benadrukt dat de verhoging bedoeld was om de salarissen te dekken van de nieuwe gedelegeerde Europese aanklagers die in Polen en Zweden zouden worden aangesteld en van het personeel dat zou worden aangeworven, alsook de daarmee samenhangende operationele uitgaven, maar dat een deel van deze extra middelen werd toegewezen aan het personeel van het hoofdkantoor om het project voor IT-autonomie voor te bereiden dat noodzakelijk was doordat de IT-diensten van de Commissie werden stopgezet; merkt op dat met de tweede gewijzigde begroting in november 2024, op voorstel van de begrotingsautoriteit van de Unie, het niveau van de kredieten met 894 047 EUR is verhoogd om de hoge loonindexering in 2024 op te vangen en dat, aangezien het EOM reeds een deel van zijn eerste gewijzigde begroting had toegewezen om te anticiperen op de hoger dan verwachte loonindexering, de in de tweede begroting extra toegekende middelen werden herschikt naar uitgaven op het gebied van beveiliging; is van mening dat uit het feit dat steeds opnieuw toevlucht moet worden genomen tot gewijzigde begrotingen blijkt dat er behoefte is aan een meer realistische ex-antebegrotingsaanpak en aan een eerdere en meer gestructureerde samenwerking met het EOM tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>merkt op dat in 2024 drie begrotingsoverschrijvingen zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 26 van de financiële regels van het EOM, waardoor de Europees hoofdaanklager, op voorstel van de administratief directeur, kredieten kan overschrijven van de ene titel naar de andere, tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar en zonder beperking van het ene hoofdstuk naar het andere en binnen elk hoofdstuk; merkt op dat de totale nettowaarde van deze overschrijvingen 3,2 miljoen EUR bedroeg, tegenover 1,2 miljoen EUR in 2023, en dat deze overschrijvingen nodig waren voor de ontwikkeling van het programma voor IT-autonomie, de gevraagde regularisatie van de persoonsbeveiligingsdiensten in het kader van de overeenkomst inzake dienstverleningsniveau met het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid van de Commissie en de wijzigingen in de aanpassing van de bezoldigingen, om de hoger dan verwachte salarisindexering op te vangen, die 7,2 % bedroeg in vergelijking met de oorspronkelijke begrotingshypothese van 3,4 %;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>erkent dat de begrotingsbehoeften in verband met de activiteiten van het EOM nog altijd zeer moeilijk zijn in te schatten vanwege het bijzondere karakter van de activiteiten van het EOM, dat verband houdt met het onvoorspelbare niveau van de opsporing van fraude en de grote verscheidenheid van zijn zaken; is zich ervan bewust dat het EOM geen discretionaire bevoegdheid heeft met betrekking tot vervolgingen en dat het geen invloed heeft op de middelen en procedurele beperkingen van de nationale stelsels waarvan het afhankelijk is voor zijn onderzoeksactiviteiten; merkt op dat het ontbreken van een vast verband tussen het aantal onderzoeken en de kosten daarvan ook een prognose van de uitgaven hindert, maar herinnert eraan dat de te beschermen middelen van de Unie toenemen en dat de complexiteit van het regelgevingskader voor de inzet ervan de onderzoeken bemoeilijkt, niet alleen wat betreft de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de ongekende wijze waarop deze wordt uitgevoerd, maar ook wat betreft de grote hoeveelheid uitgaven; is van mening dat deze context erop wijst dat er extra middelen nodig zijn voor de financiering van de activiteiten van het EOM en herhaalt dat het EOM over voldoende middelen moet beschikken om zijn mandaat naar behoren te kunnen vervullen; meent dat een dergelijke onvoorspelbaarheid een grond kan vormen voor de instelling van een specifiek mechanisme voor noodmaatregelen op begrotingsvlak, onverminderd de behoefte aan een realistische voorafgaande begroting die overeenkomt met de werkbelasting, teneinde het EOM in staat te stellen doeltreffend te reageren op plotse stijgingen van de werklast;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>beseft dat 2024 een moeilijk jaar was voor het EOM, omdat het te maken kreeg met een toename van zijn werkdruk in de 22 deelnemende lidstaten, de uitbreiding naar Polen en Zweden in goede banen moest leiden en tegelijkertijd zelfstandig moest worden van de Commissie op het gebied van IT; merkt op dat het EOM in 2024 45 posten in de personeelsformatie heeft aangevraagd voor IT-autonomie, en later 37 posten in een gewijzigde begroting, maar dat beide verzoeken zijn afgewezen; merkt op dat met name het gebrek aan extra middelen voor het bereiken van IT-autonomie ertoe heeft geleid dat personeel dat oorspronkelijk bedoeld was om de activiteiten te ondersteunen, moest worden ingezet voor de IT-sector en dat een beroep moest worden gedaan op interne contractanten; is van mening dat het van essentieel belang blijft financiering toe te kennen om ervoor te zorgen dat het EOM op IT-vlak volledig autonoom is en om operationele verstoringen te voorkomen door middel van krachtige cyberbeveiliging; benadrukt dat de aanhoudende afhankelijkheid van externe contractanten en de toewijzing van IT-taken aan operationeel personeel, als gevolg van het gebrek aan posten in de personeelsformatie voor IT-autonomie, de onderzoekscapaciteit van het EOM en de institutionele veerkracht op lange termijn dreigen te ondermijnen; verzoekt de begrotingsautoriteit te zorgen voor gespecialiseerd, vast aangesteld personeel ten behoeve van de digitale autonomie van het EOM om zo de doeltreffendheid van het onderzoek en de cyberveiligheid te vrijwaren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>wijst erop dat het uitvoeringspercentage van de begroting voor het begrotingsjaar 2024 98,5 % bedroeg, hetgeen hoger is dan de verwachte prestatie-indicator van 95 % en in lijn is met de voorgaande jaren (99,6 % in 2023 en 98,1 % in 2022); waardeert het dat het EOM voor het tweede jaar op rij geen middelen heeft teruggestort aan de begrotingsautoriteit van de Unie, hetgeen erop wijst dat het een solide absorptievermogen heeft ten aanzien van de toegekende begroting; wijst erop dat, dankzij een intensiever gebruik van elektronische facturering, het totale uitvoeringspercentage voor betalingen in 2024 86,4 % van de definitieve begroting van het EOM bedroeg, met een gemiddelde betalingstermijn van 16,7 dagen, hetgeen een verbetering is ten opzichte van voorgaande jaren (in 2023 bedroeg het uitvoeringspercentage 85,3 %, met een gemiddelde betalingstermijn van 17 dagen, en in 2022 bedroeg het uitvoeringspercentage 76,6 % met een gemiddelde betalingstermijn van 23,8 dagen); merkt op dat het percentage te late betalingen stabiel en zeer laag is gebleven (0,85 % van het totale aantal betalingen in 2024, ten opzichte van 0,86 % in 2023, of 1,09 % van het totale bedrag aan betalingen in 2024, ten opzichte van 1,08 % in 2023);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>merkt op dat het EOM, in lijn met voorgaande jaren en met de strategie waarbij prioriteit wordt gegeven aan de beleidsuitgaven in verband met onderzoek, vervolging en veiligheidsmaatregelen, in 2024 44,6 % van zijn begroting heeft toegewezen aan operationele activiteiten (ten opzichte van 43 % in 2023 en 41 % in 2022), waarbij de bezoldiging van de gedelegeerde Europese aanklagers de voornaamste kostenfactoren waren, gevolgd door operationele ICT-activiteiten (19 %), zoals het onderhoud en de ontwikkeling van het casemanagementsysteem van het EOM, en de taalkundige diensten (10 %); merkt op dat de begroting van het EOM voornamelijk werd besteed aan uitgaven in verband met tijdelijke functionarissen (33,6 %, 25 671 160 EUR, ten opzichte van 32,2 % in 2023) en de bezoldiging van de gedelegeerde Europese aanklagers (23,9 %, 18 252 391 EUR, ten opzichte van 22,1 % in 2023), gevolgd door kosten voor taalkundige diensten (4,6 %, 3 491 000 EUR, ten opzichte van 6,2 % in 2023) en operationele ICT-hardware en -software (4,5 %, 3 426 711 EUR, ten opzichte van 5,5 % in 2023);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>merkt op dat de deelname van Polen en Zweden in 2024 werd aangekondigd en dat deze deelname slechts gedeeltelijk van invloed was op de begroting voor 2024, als gevolg van de geleidelijke inwerking van twee Europese aanklagers en een aantal gedelegeerde Europese aanklagers; merkt op dat de door de begrotingsautoriteit van de Unie goedgekeurde verhoging voor 2024 voorzag in twintig extra posten bij het hoofdkantoor en extra gedelegeerde Europese aanklagers in afwachting van de deelname van Polen en Zweden aan het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>merkt op dat de kosten voor operationele dienstreizen in 2024 nog licht verder zijn gestegen tot 1 292 000 EUR (ten opzichte van 1 175 000 EUR in 2023 en 980 000 EUR in 2022) en ongeveer 3,7 % uitmaken van de totale beleidskredieten (34,1 miljoen EUR), maar over het algemeen aansluiten bij de toenemende intensiteit van de onderzoeken en qua waarde stabiel zijn; is zich ervan bewust dat de totale reiskosten zijn gedaald, dat het EOM het gebruik van videoconferenties als een kosteneffectief en veilig alternatief voor dienstreizen van personeel bevordert en dat deelname aan onlinevergaderingen de standaardpraktijk is voor interne coördinatie en uitwisselingen met de autoriteiten van de lidstaten en de partners van de Unie, maar dat dienstreizen in operationele en justitiële context een noodzakelijke praktijk blijven om toe te zien op een eenvormige aanpak binnen het EOM, ten behoeve van training of de bewustmaking van belanghebbenden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 107 van Verordening (EU) 2017/1939 het vertaalwerk dat vereist is voor het administratief functioneren van het EOM op centraal niveau, wordt uitgevoerd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, maar dat operationele en dringende aangelegenheden de gedelegeerde Europese aanklagers toelaten om overeenkomstig het toepasselijke nationale recht te beslissen over de wijze waarop de vertalingen worden gemaakt; merkt op dat de kosten voor vertaal- en tolkdiensten in 2024 zijn gedaald tot 3 491 000 EUR, hetgeen overeenkomt met 10 % van de beleidskredieten (ten opzichte van 4 086 500 EUR, ofwel 14 %, in 2023); merkt op dat 88,8 % van de documenten van het casemanagementsysteem machinaal werd vertaald (8,8 % boven de prestatie-indicator) en waardeert de inspanningen van het EOM om de kosteneffectiviteit van zijn vertaaldiensten te verbeteren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>merkt op dat het EOM in 2024 15 aanbestedingen heeft uitgeschreven en negen opdrachten heeft gegund (vier procedures zijn geannuleerd) en dat twee daarvan openbare procedures waren, terwijl er twaalf onderhandelingsprocedures waren; neemt kennis van het intensieve gebruik van raamovereenkomsten door het EOM, hetgeen ertoe heeft geleid dat het EOM in 2024 288 specifieke overeenkomsten heeft ondertekend in het kader van bestaande raamovereenkomsten (ten opzichte van 234 in 2023), voor een totaalbedrag van meer dan 13 miljoen EUR (ten opzichte van 11 miljoen EUR in 2023), terwijl er geen enkele overeenkomst is gesloten via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van opdracht; merkt op dat in 2024 ongeveer 65 % van de rechtstreeks door het EOM gegunde opdrachten aan kmo’s werd gegund, die op drie na allemaal uit dezelfde lidstaat afkomstig waren; is zich ervan bewust dat het EOM zijn eigen aankoopcapaciteit heeft ontwikkeld, zijn eigen specifieke overeenkomsten heeft beheerd bij de uitvoering van bestaande raamovereenkomsten en zijn aankoopcapaciteit tegelijkertijd is blijven exploiteren door middel van overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau met andere instellingen, organen, en instanties van de Unie, en door zich aan te sluiten bij interinstitutionele overeenkomsten met verschillende marktdeelnemers; waardeert het dat in 2024 alle aanbestedingsprocedures en activiteiten op het gebied van contractbeheer van het EOM werden uitgevoerd met behulp van digitale IT-instrumenten, hetgeen in lijn is met de doelstelling van de prestatie-indicator; herinnert eraan dat het gebruik van interinstitutionele raamovereenkomsten het mogelijk maakt om schaalvoordelen te maximaliseren, waardoor enerzijds een gezond financieel beheer wordt gewaarborgd en anderzijds het gebrek aan beschikbare personele middelen wordt gecompenseerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>is ingenomen met de positieve trend in de overdracht van kredieten van het vorige begrotingsjaar (2023), die 9 392 990 EUR of 14,2 % bedroeg (ten opzichte van 10 969 680 EUR of 24,4 % in 2022) waarvan 96,9 % werd besteed (ten opzichte van 84,8 % in 2023 en 90,8 % in 2022) en slechts 3,1 % werd geannuleerd (ten opzichte van 15,2 % in 2023 en 9,2 % in 2022); merkt op dat de overdracht van betalingskredieten van 2024 naar 2025 9 200 802 EUR bedroeg, hetgeen relatief stabiel is in vergelijking met het bovenstaande bedrag van 2023 naar 2024; merkt op dat de overdrachten voornamelijk te wijten waren aan kredieten die tegen het einde van het jaar waren vastgelegd voor operationele digitale investeringen en aan openstaande bedragen van overeenkomsten met externe dienstverleners;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>herhaalt dat het financiële memorandum van 2017 niet langer geschikt is voor het beoogde doel; wijst erop dat het huidige financiële memorandum een tussentijdse begrotingsherziening door het EOM verhindert, waardoor het EOM verplicht is te wachten tot het einde van het goedkeuringsproces voor de begroting om vast te kunnen stellen hoeveel middelen het in het volgende jaar kan inzetten; benadrukt dat dit het vermogen van het EOM om te anticiperen op voorbereidende activiteiten voor de uitvoering van de begroting beperkt en dat dit met name gevolgen heeft voor de vroege start van de aanwerving, waardoor de verwezenlijking van een volledige bezetting en de algemene integratiecapaciteit van het EOM worden vertraagd, en waardoor het in feite onmogelijk wordt om een alomvattende personeelsstrategie uit te werken die niet voortvloeit uit jaarlijkse begrotingsonderhandelingen; wijst erop dat het bij de opbouw van een innovatief organisatiemodel zoals het EOM van cruciaal belang is om maximale flexibiliteit te bereiken; is van mening dat de herziening van het financiële memorandum moet plaatsvinden ongeacht de wijziging van het mandaat van het EOM, en dit uiterlijk in het kader van de herziening van Verordening (EU) 2017/1939, waarvoor de Commissie een evaluatie heeft gestart;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>waardeert het dat de administratieve capaciteit van het EOM voortdurend wordt versterkt, waardoor de aanvankelijke tekortkomingen die voortvloeien uit de aanpak van het EOM om niet-beleidsuitgaven tot essentiële ondersteunende diensten te beperken, geleidelijk worden verholpen; meent dat de aan het EOM toegewezen personele en begrotingsmiddelen naar verwachting toereikend zullen zijn om zijn mandaat efficiënt en succesvol uit te voeren en de desbetreffende administratieve procedures normaal af te handelen; herinnert eraan dat aanvullende financiering en de uitbreiding van het personeelsbestand van het EOM van cruciaal belang zijn om het EOM in staat te stellen btw-fraude doeltreffend te bestrijden, de financiële belangen van de EU te beschermen en de rechtsstaat te handhaven, hetgeen topprioriteiten van de EU zijn; verzoekt de Commissie andermaal het begrotingskader van het EOM samen met het EOM aan een toetsing te onderwerpen om passende manieren te vinden om het EOM bij zijn werkzaamheden te ondersteunen; herinnert eraan dat de Commissie zich er in nota van wijzigingen nr. 1/2022 toe heeft verbonden om het Parlement tegen eind 2023 een beoordeling van de personeelssituatie voor te leggen, en dat hierop werd gehamerd in paragraaf 5 van de resolutie van het Europees Parlement van 25 april 2024 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3 bij de algemene begroting 2024 ter versterking van het Europees Openbaar Ministerie in verband met de toetreding van Polen en de verwachte deelname van Zweden; betreurt dat de Commissie geen dergelijke beoordeling heeft voorgelegd, noch overleg heeft gepleegd of gecommuniceerd heeft met het EOM over de beoordeling van de personeelssituatie, en dat de Commissie de verzoeken van het EOM niet heeft onderschreven en geen dialoog is aangegaan om een geactualiseerde beoordeling van de werkelijke behoeften te maken; verzoekt de Commissie extra middelen toe te wijzen op grond van het toenemend aantal complexe zaken en benadrukt dat deze niet mogen afhangen van de herziening van Verordening (EU) 2017/1939 of van het mandaat van het EOM, maar van het belang van de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de bescherming van de financiële belangen van de Unie in het volgende meerjarig financieel kader (MFK);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>herhaalt dat de aan het EOM toegewezen budgettaire en personele middelen structureel ontoereikend blijven gezien de snel toenemende werklast van het EOM, met name wat betreft zaken in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit en grensoverschrijdende btw-fraude, die schadelijk zijn voor de interne markt en de eerlijke mededinging; dringt er bij de Commissie met klem op aan in overleg te gaan met het EOM om de personeelssituatie te beoordelen zoals aangekondigd in nota van wijzigingen 1/2022 met betrekking tot de behoeften aan middelen in overeenstemming met de operationele vereisten; benadrukt dat een herziening van het verouderde financieel memorandum van 2017 noodzakelijk is om reële werklastindicatoren weer te geven en dat deze herziening niet afhankelijk kan worden gesteld van een wijziging van het mandaat, gezien de uitbreiding van de financiële belangen van de Unie die op het spel staan; verzoekt de Commissie onverwijld een geactualiseerde personeels- en financieringsbeoordeling te presenteren, die in nauw overleg met het EOM is opgesteld en gebaseerd is op meetbare werklastindicatoren en zaken; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat toekomstige begrotingsvoorstellen gebaseerd zijn op geactualiseerde werklastindicatoren in plaats van op achterhaalde veronderstellingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>wijst erop dat de modus operandi van criminele organisaties steeds meer transnationaal is en berust op het herhaaldelijk gebruik van complexe bedrijfsstructuren die als dekmantel dienen en ondoorzichtige juridische constructies die worden ingezet in meerdere rechtsgebieden waar het Unierecht in verschillende mate wordt gehandhaafd; benadrukt dat de strategie van de georganiseerde misdaad erop gericht is om op frauduleuze wijze middelen van de Unie te verduisteren en de opbrengsten van misdrijven te verbergen door middel van witwasoperaties die de legale economie schaden en zich ook manifesteren als grootschalige grensoverschrijdende btw-fraude; wijst erop dat bij deze criminele praktijken systematisch misbruik wordt gemaakt van de versnippering van de regelgeving en de procedurele asymmetrieën tussen de lidstaten, alsook van de beperkingen die inherent zijn aan de nationale focus van de rechtshandhaving en de gerechtelijke autoriteiten; benadrukt in dit specifieke verband de meerwaarde van de acties van het EOM, die het mogelijk maken de leemte op te vullen die ontstaat door niet-gecoördineerde nationale initiatieven en die het meest doeltreffende instrument vormen om transnationale criminele activiteiten te verstoren en op te treden om de financiële belangen van de Unie en de interne markt te beschermen; dringt aan op concrete maatregelen om de operationele doeltreffendheid van EOM-onderzoeken te versterken, met name door het aanpakken van structurele obstakels die grensoverschrijdende onderzoeken blijven belemmeren; benadrukt dat er behoefte is aan een minimumniveau van procedurele harmonisatie tussen de deelnemende lidstaten op gebieden die rechtstreeks van invloed zijn op de werkzaamheden van de gedelegeerde Europese aanklagers, waaronder toegang tot bewijsmateriaal, termijnen voor rechterlijke toestemming en regels voor onderzoeksmaatregelen; dringt er bij de lidstaten op aan het EOM rechtstreekse en beveiligde toegang te verlenen tot belangrijke nationale databanken zoals douanesystemen, belastingregisters en registers van uiteindelijk begunstigden, en erover te waken dat de vereisten inzake gegevensbescherming volledig worden nageleefd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>neemt kennis van de conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer in haar Analyse 02/2025 “Prestatiegerichtheid, verantwoordingsplicht en transparantie — lessen die te trekken zijn uit de tekortkomingen van de RRF”<FOOTNOTE><FIELD> https://www.eca.europa.eu/ECAPublications/RV-2025-02/RV-2025-02_NL.pdf.</FIELD></FOOTNOTE>; dringt aan op een specifieke verhoging van de financiering in het kader van het volgende MFK om ervoor te zorgen dat het EOM zijn doelstellingen en verplichtingen kan blijven nakomen ondanks de toegenomen complexiteit van de financieringsinstrumenten, wat de middelen van de Unie aan een groter risico op fraude en wanbeheer kan blootstellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>merkt op dat de kosten in verband met de bepalingen van artikel 91, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939 (uitzonderlijk dure maatregelen die door de nationale autoriteiten worden uitgevoerd en door het EOM worden gedekt) in 2024 marginaal bleven (0,1 % van de operationele begroting, ten opzichte van 0,4 % in 2023); stelt vast dat er in 2023 een eerste financieringsovereenkomst is ondertekend in het kader van een proefproject voor de terugbetaling van verzoeken uit hoofde van artikel 91, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939, ter dekking van de maatregelen die namens het EOM op nationaal niveau worden uitgevoerd, en dat de Rekenkamer deze post in 2023 heeft gecontroleerd en deze wettig en regelmatig heeft bevonden; is van mening dat deze bepaling het EOM de mogelijkheid biedt om doeltreffend op te treden in transnationale onderzoeksscenario’s waarin een lidstaat zou kunnen aarzelen om zijn middelen in te zetten doordat het resultaat van de kosten-batenanalyse onevenwichtig is; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe het gebruik van deze optie door de lidstaten en het EOM strategisch effectiever kan worden gemaakt, en het EOM de nodige middelen hiertoe te verschaffen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Intern beheer en interne controle — prestaties</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>is zich ervan bewust dat het college verantwoordelijk is voor het algemene toezicht op de activiteiten van het EOM en voor het vaststellen van besluiten over strategische aangelegenheden, en dat het in 2024 twintig keer bijeen is gekomen en zeventig besluiten heeft vastgesteld; is van mening dat de besluiten van het college zorgen voor samenhang, efficiëntie en consistentie in het vervolgingsbeleid van het EOM in alle deelnemende lidstaten; is ingenomen met de besluiten die het college in 2024 heeft vastgesteld over de werkregelingen waarin de methoden voor samenwerking met het Parlement en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) zijn vastgelegd, en met de herziene bijlagen bij de overeenkomst met de Commissie; merkt op dat het college ook regels heeft gewijzigd met betrekking tot ander personeel dat ter beschikking wordt gesteld van het EOM maar niet in dienst is van het orgaan (nationale assistenten van gedelegeerde Europese aanklagers (NEDPA’s)), en een huisvestingstoelage heeft ingesteld voor bepaalde categorieën personeel die in Luxemburg zijn gehuisvest; merkt op dat het college, als tot aanstelling bevoegd gezag, gedelegeerde Europese aanklagers heeft benoemd in België, Bulgarije, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Polen en Zweden, en leden van de ethische commissie, leden van de tuchtraad voor gedelegeerde Europese aanklagers, en de administratief directeur ad interim heeft geselecteerd; neemt kennis van de besluiten van het college over begrotingsgerelateerde aangelegenheden in 2024, zoals de goedkeuring van het enkelvoudig programmeringsdocument 2024-2026 van het EOM, de definitieve rekeningen voor het begrotingsjaar 2023, het geconsolideerd jaarlijks activiteitenverslag 2023 van het EOM, het enkelvoudig programmeringsdocument voor de periode 2025-2027, de begroting voor 2025 en het bijbehorende financieringsbesluit voor het jaar 2025, en wijzigingen in de begroting en het enkelvoudig programmeringsdocument; merkt op dat het college tevens de beveiligingsvoorschriften die van toepassing zijn op de digitale communicatie- en informatiesystemen van het EOM, en de veiligheidsstrategie voor 2024-2028 heeft vastgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>merkt op dat de permanente kamers in 2024 491 vergaderingen hebben gehouden om de onderzoeken en vervolgingen door gedelegeerde Europese aanklagers, die onmiddellijk na registratie willekeurig worden toegewezen, te monitoren en aan te sturen, en om de coördinatie van onderzoeken en vervolgingen in grensoverschrijdende zaken, evenals de samenhang, efficiëntie en consistentie van het vervolgingsbeleid van het EOM in alle deelnemende lidstaten te waarborgen door de uitvoering van de door het college vastgestelde besluiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>is van mening dat de bestaande internecontrolesystemen over het algemeen doeltreffend zijn; merkt op dat er kernprestatie-indicatoren (KPI’s) zijn vastgesteld om de uitvoering van de jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s op kwartaalbasis te monitoren; merkt op dat bij de beoordeling van het internecontrolekader in 2024 is gebleken dat er meetbare vooruitgang is geboekt bij de invoering van interne controles en dat de risicobeoordeling voor het jaar 2025 is uitgevoerd met speciale workshops op operationeel en administratief niveau, gevolgd door een geactualiseerd risicobeheerbeleid dat op 26 februari 2025 door het college is goedgekeurd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>stelt dat de dienst Interne Audit van de Commissie (IAS) en de eenheid Interne Audit van het EOM hun acties moeten coördineren om het EOM te adviseren en bij te staan bij de vaststelling van zijn belangrijkste processen en de verwezenlijking van zijn doelstellingen; merkt op dat er in 2024 geen gezamenlijke adviesinitiatieven tussen de IAS en de eenheid Interne Audit zijn geweest; is verheugd dat na de benoeming van het nieuwe hoofd van de eenheid Interne Audit in september 2024 de inspanningen gericht zijn op de follow-up van de eerdere controleaanbevelingen, het opstellen van de operationele standaardprocedures van de eenheid Interne Audit en het opstellen en ter goedkeuring voorleggen van het strategisch controleplan 2025-2027 aan het college;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>herinnert eraan dat de IAS in 2023 een beperkte evaluatie van de bouwstenen van het zekerheidskader van het EOM in gang heeft gezet, die in 2024 is afgerond; merkt op dat alle aanbevelingen zijn opgevolgd, hetgeen heeft geleid tot verdere verbeteringen van het zekerheidskader en de governanceprocessen, waaronder de formalisering van procedures, verbeterde documentatie en digitalisering van plannings- en programmeringsprocessen, verfijningen van het internecontrolekader en een verbeterde aanpak van het risicobeheer; merkt op dat de IAS van november 2024 tot eind januari 2025 een adviesopdracht heeft uitgevoerd op het gebied van IT met het oog op de IT-autonomie van het EOM en dat het definitieve adviesrapport aan het einde van het jaar 2024 is uitgebracht; merkt op dat de aanbevelingen van externe en interne controles en de kwijtingsvereisten in 2024 regelmatig zijn gecontroleerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>merkt op dat het EOM zijn inspanningen heeft voortgezet om een systeem op te zetten om efficiëntiewinsten en kostenbesparingen te monitoren, en merkt op dat het EOM in 2024 is begonnen met een herziening van de strategische en operationele plannings- en monitoringprocessen (om beter te kunnen bijdragen aan de strategische focus van de activiteiten van het EOM en om een aanhoudend hoog uitvoerings- of absorptiepercentage van de beschikbare middelen te bereiken) en een strategische planning voor het personeelsbeleid op middellange termijn heeft opgesteld, om de personeelsformatie beter te kunnen invullen en tekorten aan personeel aan te pakken door middel van aanwervingen of professionele groei; merkt op dat het EOM in dat verband ook is begonnen specifiekere functiebeschrijvingskaders uit te werken zodat het personeel is afgestemd op de strategie en om bij te dragen tot een blijvende grote betrokkenheid van het personeel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>merkt op dat er met de benchmarking die door de eenheid Interne Audit met de personele middelen van het EOM is uitgevoerd, een beeld is geschetst van het EOM-personeel volgens dezelfde principes als in andere organisaties; merkt op dat door de ingezette personele middelen van het EOM te vergelijken met een reeks andere entiteiten van de Unie en nationale openbare ministeries aan de hand van een gestandaardiseerde reeks pijlers, tekorten in de personeelsbezetting in vergelijking met andere instellingen van de Unie konden worden vastgesteld; neemt er nota van dat dit model als referentie is gebruikt voor de begrotingsverzoeken van het EOM, maar alleen met betrekking tot administratieve en ondersteunende functies, omdat het unieke karakter van de kernactiviteiten van het EOM verhindert dat het als specifieke referentie voor het operationele gebied van het EOM wordt gebruikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>waardeert de inspanningen van het EOM om de internecontroleomgeving te verbeteren; merkt op dat er in 2024 een reeks gedragsnormen, processen en structuren is vastgesteld; verzoekt het EOM zo spoedig mogelijk de nog openstaande kwesties aan te pakken met betrekking tot het beleid inzake belangenconflicten, het beleid inzake opleiding en ontwikkeling, het beleid inzake interne mobiliteit, het beleid inzake kwetsbaarheid en patchbeheer, de opvolgingsplanning en de vertrekprocedures;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>merkt op dat de zelfbeoordeling van de interne controles voor 2024 gebaseerd was op de beoordeling van de interne controle-indicatoren en de toepassing van de fraudebestrijdingsstrategie 2023-2025 van het EOM, op de resultaten van het risicobeheerbeleid van het EOM en op de controles achteraf; waardeert het dat er, wat de beoordeling van de internecontroleonderdelen betreft, 55 (77 %) van de 71 nalevingscriteria volledig zijn vervuld, terwijl er 15 (22 %) gedeeltelijk zijn vervuld en verder moeten worden ontwikkeld en dat slechts voor één enkel criterium (1 %) geen significante uitvoering is vastgesteld; merkt op dat tien van de elf openstaande bevindingen follow-upitems zijn van eerdere beoordelingen, terwijl er één betrekking heeft op een in 2024 nieuw vastgesteld probleem, en dat vier tekortkomingen die in de beoordeling van 2023 aan het licht zijn gekomen, volledig zijn verholpen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>steunt de voortdurende inspanningen van het EOM om de risicobeheersing te verbeteren en zowel bestaande als opkomende risico’s proactief aan te pakken; is van mening dat de controleactiviteiten van het EOM voldoende zekerheid bieden wat betreft risicobeperking en merkt op dat de intern controleur in 2024 een reeks workshops heeft gehouden met de relevante managers om risico’s te beoordelen, waaronder opkomende en fraudegerelateerde risico’s, hetgeen heeft geleid tot de vaststelling van nieuwe opkomende risico’s, voornamelijk op het gebied van digitale diensten, beveiliging en operaties, die een weerspiegeling zijn van het veranderende risicolandschap;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>merkt op dat de fraudebestrijdingsstrategie 2023-2025 van het EOM, die in 2023 is geactualiseerd overeenkomstig de vereisten van Verordening (EU) 2017/1939 en de financiële regels van het EOM, gekoppeld is aan een actieplan dat deel uitmaakt van de internecontroleomgeving van het EOM, jaarlijks wordt gemonitord en in 2024 is herzien; merkt op dat de uitvoering in 2024 gericht was op bewustmaking, met 17 opleidingssessies over het ethisch kader, de fraudebestrijdingsstrategie en de code voor correct bestuurlijk gedrag van het EOM, waarbij een brede deelname van het personeel werd gewaarborgd; is ingenomen met de invoering van de klokkenluidersprocedure, die begin 2025 heeft plaatsgevonden; merkt op dat, in afwachting van de goedkeuring van een alomvattend beleid inzake belangenconflicten, de verplichtingen en meldingsprocedures van kracht blijven voor het hoger management en het personeel dat betrokken is bij financiële circuits, aanbestedingen en aanwervingen; dringt erop aan snel een alomvattend beleid inzake belangenconflicten vast te stellen om het vertrouwen van het publiek in het integriteitskader van het EOM te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>merkt op dat het EOM, met betrekking tot zijn onderzoeks- en vervolgingsfuncties, de interne processen ter ondersteuning van zijn onderzoeken heeft herzien, onder meer door instrumenten te ontwikkelen om zijn informatieverwerking en connectiviteit met meerdere partners efficiënter te maken, door speciale software te ontwikkelen, door de kwaliteit van de vertaaldiensten te verbeteren en de behoefte aan menselijke vertalingen en de daarmee gepaard gaande kosten te verminderen, door na te gaan hoe AI kan worden gebruikt om de enorme hoeveelheden informatie die het EOM verwerkt beter te beheren, en door deze vanuit technisch, juridisch en ethisch oogpunt te beoordelen; waardeert in dit verband de inspanningen van het EOM om KPI’s vast te stellen die zijn afgestemd op zijn specifieke bedrijfsmodel; is ingenomen met initiatieven om de verslaglegging over resultaten te verbeteren en beklemtoont het belang van tijdige, nauwkeurige en transparante verslaglegging aan het Parlement om de impact van acties van het EOM met betrekking tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie aan te tonen; houdt staande dat er nog steeds verslag moet worden uitgebracht over de in beslag genomen, geconfisqueerde en uiteindelijk door terugvordering naar de begroting van de Unie gevloeide bedragen, aangezien de bescherming van die begroting de eigenlijke bestaansreden is van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie, waarvan het EOM een belangrijk onderdeel is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>is zich ervan bewust dat monitoring- en follow-upmaatregelen, met inbegrip van verslaglegging over de resultaten van terugvorderingen, niet onder de bevoegdheid van het EOM vallen en dat hier middelen en specifieke prerogatieven voor nodig zijn; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in het kader van de herziening van de fraudebestrijdingsarchitectuur de meest geschikte kenmerken vast te stellen om een continue stroom van gegevens en informatie te waarborgen, zodat een deugdelijke analyse mogelijk is; wijst erop dat een beter monitoringsysteem en gedetailleerdere gegevens per soort wangedrag, per belangensector of per geografisch gebied noodzakelijk zijn om fraudepatronen in kaart te brengen en de impact van de onderzoeken van het EOM tastbaarder te maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>merkt op dat het EOM zijn bedrijfscontinuïteitsplan heeft vastgesteld; moedigt het EOM aan om ook zijn digitale strategie en het beleid inzake kwetsbaarheden en patchbeheer (beide momenteel in ontwikkeling) vast te stellen; merkt op dat het EOM nog steeds vooruitgang boekt met de ontwikkeling van KPI’s, die nog niet voor een specifiek gebied zijn vastgesteld, en met een gestructureerde evaluatie van risicotolerantieniveaus;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>wijst op de sterke en voortdurende toename van het aantal bij het EOM ingediende misdrijfmeldingen, dat op 31 december 2024 opliep tot 6 547 meldingen (56 % meer dan in 2023, toen er 4 187 waren), hetgeen leidde tot de instelling van 1 504 onderzoeken (bijna 10 % meer dan in 2023, toen het EOM 1 371 onderzoeken instelde, hetgeen 58 % meer was dan in 2022); merkt op dat deze stijging voornamelijk te danken is aan meldingen van particuliere partijen (4 623, hetgeen 85 % meer is dan in 2023 en aanzienlijk boven de prestatie-indicator ligt), alsook van nationale autoriteiten (1 760, hetgeen 12 % meer is dan in 2023); betreurt het dat het EOM in 2024 slechts 113 misdrijfmeldingen heeft ontvangen van instellingen, organen en instanties van de Unie (108 in 2023), waarvan het grootste deel (59) afkomstig was van OLAF (72 in 2023); blijft erbij dat, in vergelijking met de stijgende trend van onregelmatigheden en fraude, het opsporingsniveau nog steeds niet optimaal is, hetgeen erop wijst dat er geen significante verbetering is geboekt op het gebied van opsporing en rapportage;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>benadrukt dat het EOM op 31 december 2024 2 666 lopende onderzoeken had (ongeveer 38 % meer dan in 2023, toen dat er 1 927 waren) en dat het percentage grensoverschrijdende zaken, waarbij meerdere landen betrokken waren, stabiel was (29 % in 2024 en 28 % in 2023);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>wijst op de toename van de geschatte schade, die volgens het EOM eind 2024 24,8 miljard EUR bedroeg (ten opzichte van 19,27 miljard EUR in 2023, 14,1 miljard EUR in 2022 en 5,4 miljard EUR in 2021), waarvan 53 % betrekking zou hebben op btw-fraude (13,15 miljard EUR);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>wijst op het stijgende prestatieniveau van het EOM, zoals blijkt uit het stijgende aantal tenlasteleggingen (205 in 2024 ten opzichte van 139 in 2023, 87 in 2022 en 5 in 2021) en de verkregen bevriezingsbevelen (2,42 miljard EUR in 2024, tegenover 1,5 miljard EUR in 2023, 359,1 miljoen EUR in 2022 en 147 miljoen EUR in 2021); betreurt het dat het ontbreken van een duidelijk en afdwingbaar kader voor het toezicht op en de verslaglegging over in beslag genomen en teruggevorderde bedragen een volledige beoordeling van de gevolgen van EOM-onderzoeken voor de begroting in de weg blijft staan; herhaalt zijn oproep om wetgevings- en begrotingsoplossingen teneinde ervoor te zorgen dat bedragen die naar aanleiding van door het EOM geleide onderzoeken worden teruggevorderd, doeltreffend worden getraceerd, gerapporteerd en teruggestort in de begroting van de Unie; stelt vast dat er in 2024 102 zaken werden afgesloten met een gerechtelijke veroordeling (ten opzichte van 48 zaken in 2023 en 20 zaken in 2022); betreurt het dat het ontbreken van een duidelijk regelgevingskader het EOM heeft belet om actuele en betrouwbare gegevens over inbeslagnames voor het jaar 2024 te verstrekken (en herinnert eraan dat in 2023 60 miljoen EUR in beslag werd genomen, ten opzichte van 2 miljoen EUR in 2022);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>spreekt zijn bezorgdheid uit over het aantal onderzoeken dat is ingesteld naar de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit; benadrukt dat het EOM eind 2024 311 lopende zaken in verband met NextGenerationEU behandelde, waarvan er 307 voortvloeiden uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit (ten opzichte van 233 eind 2023), hetgeen overeenkomt met ongeveer 17 % van alle lopende onderzoeken naar uitgavenfraude, met een geschatte schade van 2,8 miljard EUR voor de financiële belangen van de Unie (hetgeen overeenkomt met 30 % van de totale geschatte schade voor uitgavenfraude, ten opzichte van 25 % in 2023); merkt op dat uit de onderzoeken van het EOM naar fraude met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit blijkt dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de lidstaten, die een weerspiegeling zijn van verschillen in de toewijzing van middelen, de mogelijkheden om misdrijven op te sporen en de uiteenlopende aard van de gepleegde fraude; is bezorgd over het feit dat de lidstaten niet verplicht zijn om zaken in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit aan de Commissie te melden via het beheerssysteem voor onregelmatigheden (IMS), waardoor de gestructureerde monitoring en risicoanalyse van zaken in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit onmogelijk wordt gemaakt; benadrukt het belang van samenwerking tussen de nationale autoriteiten, het EOM en de Commissie om de gestructureerde verslaglegging te verbeteren; maakt zich zorgen over het feit dat het aantal meldingen van zaken door instellingen van de Unie, waaronder de Commissie, nog geen 3 % van het totaal uitmaakt, hetgeen nog meer twijfels doet rijzen over het vermogen van de Commissie om toezicht te houden op de herstel- en veerkrachtfaciliteit; verzoekt de Commissie om deze tekortkomingen met spoed aan te pakken en, in samenwerking met het EOM, de interoperabiliteit van verslagleggingssystemen te verbeteren en de rollen te verduidelijken teneinde te zorgen voor een solide monitoring van onregelmatigheden in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>herhaalt dat de werkdruk van het EOM, die aanvankelijk was onderschat, aanzienlijk is toegenomen en naar verwachting zal blijven toenemen, met name met betrekking tot zaken in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit; neemt er kennis van dat het EOM de in zijn onderzoeken ontdekte criminele patronen meedeelt aan de lidstaten, de Commissie en de taskforce Herstel en veerkracht teneinde de preventie en opsporing te versterken en het risico op fraude te beperken; merkt op dat hoewel de onderzochte zaken betrekking hebben op uiteenlopende sectoren en specifieke initiatieven met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit, ze allemaal het gemeenschappelijke kenmerk hebben dat er sprake is van georganiseerde misdaad wanneer de frauduleuze constructie op grote schaal wordt opgezet en hoge illegale winsten oplevert;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>merkt op dat ongeveer 6 % van de door het EOM tegen eind 2024 onderzochte strafbare feiten betrekking had op deelname aan een criminele organisatie die zich toelegde op het plegen van strafbare feiten als bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/1371 (PIF-gerelateerde misdrijven); herhaalt dat alleen een versterkte samenwerking tussen de verschillende onderdelen van de fraudebestrijdingsarchitectuur het mogelijk maakt dergelijk frauduleus gedrag effectief te bestrijden en de verwezenlijking van de doelstellingen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en van het beleid van de Unie in het algemeen te waarborgen; is van mening dat alleen een gezamenlijke, gecoördineerde inzet van gerechtelijke en administratieve maatregelen de financiële belangen van de Unie kan beschermen, en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om het EOM adequate ondersteuning te bieden bij het bevorderen van de vaststelling van corrigerende maatregelen na het onafhankelijke onderzoek van en de onafhankelijke vervolging door het EOM van misdrijven met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit; dringt aan op een versterkt coördinatiekader waarbij het EOM, de Commissie en de lidstaten worden betrokken, met als doel het onderzoek naar en de preventie van fraude in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit te versterken, te zorgen voor een systematische follow-up van EOM-onderzoeken en de uitwisseling van relevante informatie te verbeteren; dringt er bij de Commissie op aan de begrotingsautoriteit van de Unie op de hoogte te houden van de resultaten van haar optreden;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Personele middelen, welzijn van het personeel en gelijkheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>merkt op dat de stijgende trend met betrekking tot het aantal personeelsleden zich in 2024 heeft voortgezet, met een totaal van 258 personeelsleden aan het einde van 2024 (ten opzichte van 58 in 2020, 122 in 2021, 217 in 2022 en 238 aan het einde van 2023), hetgeen neerkomt op een stijging van iets meer dan 9,5 %; is lovend over de hoge bezettingsgraad van ongeveer 96 % (eind 2023 was dit ongeveer 93 %) voor alle categorieën, met uitzondering van gedetacheerde nationale deskundigen, waar deze 83 % bedraagt; merkt op dat het aantal externe dienstverleners (32) en interne dienstverleners (10) in 2024 vrijwel ongewijzigd is gebleven (ten opzichte van respectievelijk 34 en 9 in 2023);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>is ingenomen met het feit dat de administratieve capaciteit van het EOM op het gebied van werving in 2024 is verbeterd en dat er toezicht is gehouden op vijftig selectieprocedures (in 2023 waren dat er 24), en dat daarnaast 47 nieuwe medewerkers (ten opzichte van 45 in 2023), zes gedetacheerde nationale deskundigen en zes stagiairs zijn aangesteld; is zich bewust van de uitdagende wervingsomstandigheden in Luxemburg, die samenhangen met de hoge kosten van levensonderhoud, met name voor het aannemen van lagere rangen, waarvoor het EOM wijst op het geringe aantal sollicitanten, een hoog percentage afwijzingen van de aanbiedingen die aan de geselecteerde kandidaten zijn gedaan en een chronisch zeer beperkte talentenpool met een klein aanbod aan gespecialiseerde vaardigheden; benadrukt dat de beperktere mogelijkheden voor telewerken, in vergelijking met wat andere werkgevers bieden, er ook toe kunnen leiden dat de functies minder aantrekkelijk zijn; herhaalt zijn verzoek aan het EOM en de Commissie om verdere maatregelen vast te stellen om het EOM aantrekkelijker te maken voor hooggekwalificeerde professionals met internationale ervaring;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>is zich ervan bewust dat het EOM in zijn personeelsformatie voor eind 2024 om 419 posten had verzocht en dat er uiteindelijk 289 posten zijn toegekend; wijst erop dat er voor 2025 om 513 posten was verzocht en dat er opnieuw slechts 307 zijn toegekend, waardoor de kloof tussen de benodigde middelen en de toegewezen middelen groter is geworden; is het met het EOM eens dat zonder de gevraagde personeelsuitbreiding het vermogen van het EOM om zijn mandaat efficiënt uit te voeren, in overeenstemming met de verwachtingen van de burgers van de Unie, aanzienlijk wordt beperkt, de achterstand in de behandeling van zaken zal blijven toenemen, de rechtspraak in zaken van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, zal worden vertraagd en de strijd tegen georganiseerde criminele groepen, die geld stelen uit de openbare financiën en de Europese economieën schaden, veel minder efficiënt zal zijn; neemt kennis van de opmerkingen van het EOM over de toenemende tendens dat personeel werktijdkrediet opbouwt als gevolg van de beperkte middelen en de toegenomen individuele werkdruk, hetgeen mogelijk risico’s voor de individuele veerkracht met zich meebrengt en tot een hoger personeelsverloop kan leiden; beklemtoont daarom dat het EOM voldoende personeel en begrotingsmiddelen moet krijgen, in overeenstemming met de aan het EOM toevertrouwde taken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>waardeert het feit dat de personeelsbezetting binnen het EOM gericht is op het maximaliseren van de prestaties en merkt op dat er eind 2024 van de 412 posten 319 bestemd waren voor operationele activiteiten, dat wil zeggen meer dan 77 % (ten opzichte van 80 % in 2023), terwijl 18 % bestemd was voor administratieve taken (ten opzichte van 14 % in 2023), hetgeen aansluit bij de aanpak van het EOM om prioriteit te geven aan de operationele activiteiten; merkt echter op dat het percentage personeel dat wordt toegewezen aan administratieve en ondersteunende taken is toegenomen; is zich ervan bewust dat dit voornamelijk het gevolg is van enkele recente wijzigingen in het beleid van de Commissie, zoals de stopzetting van de IT-diensten, waardoor het EOM gedwongen werd de meest cruciale taken met eigen personeel uit te voeren en dat personeel dus werd ingezet voor niet-operationele functies;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>is van mening dat de vooruitzichten van het EOM met betrekking tot de werkdruk extra middelen zullen vergen; wijst erop dat het voortdurend toenemende aantal zaken in verband met de herstel- en veerkrachtfaciliteit en btw-fraude, en de complexiteit van de onderzoeken naar grensoverschrijdende activiteiten van de georganiseerde misdaad, ook een toenemende werkdruk met zich zullen meebrengen voor de administratieve en centrale ondersteunende functies die onlosmakelijk verbonden zijn met de activiteiten van het EOM; is bezorgd over het risico dat de behoeften van het EOM worden onderschat en zijn vermogen om effectief op de toenemende vraag te reageren, wordt overschat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>merkt op dat het percentage personeelsleden dat het EOM vrijwillig heeft verlaten in december 2024 (sinds het begin van het jaar) 2,8 % bedroeg, hetgeen neerkomt op een beperkt verloop van zes personeelsleden in 2024 (ten opzichte van elf in 2023, of 4,62 %), voornamelijk in verband met de keuze van de betrokken personeelsleden om over te stappen naar andere entiteiten van de Unie, lokaal of in het buitenland, die betere arbeidsvoorwaarden bieden; merkt op dat de passende aandacht voor het welzijn van het personeel ook wordt bevestigd door de vele initiatieven die in 2024 waren gepland (en vervolgens grotendeels in 2025 zijn uitgevoerd) met betrekking tot de invoering van de huisvestingstoelage en opleiding en professionele ontwikkeling, waardoor het EOM een concurrerender pakket kan aanbieden dat in overeenstemming is met dat van de andere instellingen in Luxemburg; merkt op dat het aantal langdurig zieken zeer beperkt is;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>merkt op dat in 2024 een welzijnsbeleid is ontwikkeld om de tevredenheid van het personeel op het werk verder te verbeteren en beschermende factoren op het gebied van gezondheid te bevorderen; is in dit verband ingenomen met de overeenkomst met de psychosociale dienst van de Commissie om gratis psychosociale consultaties met specialisten van diverse aard voor alle medewerkers van het EOM mogelijk te maken; waardeert de verdere initiatieven van het EOM om het welzijn van het personeel te bevorderen, zoals de interne en externe selectieprocedures die het in 2024 mogelijk maakten dat tien medewerkers intern konden doorstromen, en de herziening van de arbeidsvoorwaarden, die uiteindelijk eind 2024 werden aangepast om het personeel van het EOM eerder dan voorheen de mogelijkheid te bieden op een loopbaan voor onbepaalde tijd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>wijst erop dat eind 2023 nieuwe richtsnoeren inzake het begrip “telewerkplek” zijn geactualiseerd bij het EOM, waardoor het personeel in 2024 meer autonomie heeft gekregen; merkt op dat er sindsdien een dialoog met het personeel gaande is, maar deze heeft in 2024 niet tot verdere aanpassingen geleid; herinnert eraan dat het EOM een flexibele werktijdregeling en een standaardregeling voor telewerk hanteert, die voorziet in één dag telewerk per week als basis en maximaal drie dagen per week, plus verlenging in het geval van ernstige beperkingen in verband met gezondheid of familieaangelegenheden; merkt op dat het huidige kader ook tien dagen telewerk per jaar buiten de standplaats omvat, die te gebruiken zijn zonder dat daarbij andere verlofdagen komen kijken; blijft erbij dat het personeel dankzij de huidige arbeidsomstandigheden bij het EOM gebruik kan maken van digitale oplossingen doordat ze voldoende autonomie hebben bij het beheer van werkpatronen, de verzoening van werk en privéleven vergemakkelijkt wordt en de teammoraal en teamgeest worden bevorderd — de effectbeoordeling ervan is uitgevoerd via voortdurende interactie met het personeel en het personeelscomité (ook met betrekking tot de monitoring en herzieningen in het algemeen);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>merkt tevreden op dat in 2024 en 2025 een adequaat genderevenwicht in leidinggevende functies werd bereikt (vier vrouwen, vijf mannen) door benoemingen van het ondervertegenwoordigde gender in het midden- en hoger management; merkt met betrekking tot het geografisch evenwicht op dat 26 EU-nationaliteiten in verschillende mate vertegenwoordigd zijn in het personeelsbestand, waarbij sommige nationaliteiten sterker vertegenwoordigd zijn dan andere; verzoekt het EOM zijn strategie voor diversiteit en inclusie, waarvan de uitvoering in 2023 is besloten, af te ronden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>onderkent dat de frontlinie van het EOM bestaat uit de gedelegeerde Europese aanklagers die op gedecentraliseerd niveau in 24 verschillende lidstaten werkzaam zijn; merkt op dat de kantoren van de gedelegeerde Europese aanklagers sinds 31 december 2024 in 44 steden in 22 lidstaten waren gevestigd; merkt op dat het EOM eind 2024 166 benoemde gedelegeerde Europese aanklagers telde, rekening houdend met het feit dat er in december 2024 tien gedelegeerde Europese aanklagers uit Zweden (twee) en Polen (acht) zijn benoemd, maar dat die pas in januari 2025 met hun operationele activiteiten zijn begonnen; wijst er nog eens op hoe belangrijk het is de volledige onafhankelijkheid van de gedelegeerde Europese aanklagers te waarborgen, op basis van een op verdiensten gebaseerde en objectieve benoemingsprocedure overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) 2017/1939 en het beginsel van nationale procedurele autonomie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>benadrukt dat het EOM had aangegeven dat er tegen eind 2024 in totaal 172 gedelegeerde Europese aanklagers zouden worden aangesteld, zonder rekening te houden met de aanvullende behoeften als gevolg van de uitbreiding met Polen en Zweden; wijst erop dat de begrotingsautoriteit van de Unie er slechts mee heeft ingestemd het aantal gedelegeerde Europese aanklagers te verhogen van 140 tot 166, met de toewijzing van 24 gedelegeerde Europese aanklagers aan Polen en twee aan Zweden; wijst erop dat de begrotingsautoriteit van de Unie middelen is blijven toekennen voor de bezoldiging van gedelegeerde Europese aanklagers, maar dat die middelen slechts overeenstemden met 80 % van het AD9-salaris in plaats van 100 %, zoals door het EOM was beslist om de functie aantrekkelijker te maken voor senior aanklagers met voldoende langdurige beroepservaring om de complexe zaken van het EOM te behandelen; begrijpt dat het EOM vanwege de financiële beperkingen als gevolg van dit tekort aan toegewezen middelen eind 2024 naast de twee gedelegeerde Europese aanklagers in Zweden slechts acht gedelegeerde Europese aanklagers in Polen (in plaats van de benodigde 24 gedelegeerde Europese aanklagers) en 156 gedelegeerde Europese aanklagers in de overige lidstaten kon inzetten; merkt op dat de vertraging bij het aantrekken van extra gedelegeerde Europese aanklagers negatieve gevolgen heeft voor het vermogen van het EOM om het toenemende aantal onderzoeken en vervolgingen in goede banen te leiden; merkt voorts op dat het EOM als gevolg van de financieringskloof ook investeringen in het casemanagementsysteem moest verminderen of uitstellen, waardoor het EOM zijn vermogen om grensoverschrijdende onderzoeken te voeren niet kon verbeteren; verzoekt de Commissie de situatie te beoordelen, rekening houdend met de toenemende werkdruk en de gevoeligheid van de behandelde zaken, en aan het Parlement verslag uit te brengen over de resultaten en de mogelijke oplossingen om het financiële tekort aan te vullen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>blijft erbij dat de benoeming van gedelegeerde Europese aanklagers een gedeelde verantwoordelijkheid is van het EOM en de lidstaten, omdat Europese aanklagers weliswaar door de lidstaten worden voorgedragen en vervolgens door de Raad worden benoemd, maar gedelegeerde Europese aanklagers door de lidstaten worden voorgedragen en door het college worden benoemd; moedigt de lidstaten aan bij te dragen aan de volledige onafhankelijkheid van de gedelegeerde Europese aanklagers en het EOM; merkt op dat het EOM zich heeft ingespannen om de arbeidsvoorwaarden van de gedelegeerde Europese aanklagers te verbeteren teneinde de functie aantrekkelijker te maken, bijvoorbeeld door de bezoldiging van gedelegeerde Europese aanklagers in overeenstemming te brengen met die van ambtenaren van de Unie met een gelijkwaardig verantwoordelijkheidsniveau (AD9), in plaats van 80 % van het salaris van ambtenaren van de Unie, zoals oorspronkelijk was beslist door de Commissie, rekening houdend met het feit dat de loopbaanontwikkeling van de gedelegeerde Europese aanklagers in hun nationale systemen onduidelijk blijft en in verschillende gevallen het nationale salaris van de meest ervaren nationale aanklagers hoger was dan het salaris dat voor de functie van gedelegeerde Europese aanklager werd aangeboden, waardoor het EOM moest ingrijpen met het oog op de uitvoering van artikel 16, lid 1, van de arbeidsvoorwaarden van de gedelegeerde Europese aanklagers, waarin is bepaald dat, indien het totale nettosalaris lager is dan het nationale salaris, een aanvullend bedrag wordt verstrekt om ervoor te zorgen dat de bezoldiging overeenkomt met het eerdere niveau; herhaalt zijn oproep om te voorzien in een duidelijk loopbaantraject voor de gedelegeerde Europese aanklagers en een gunstigere administratieve regeling op het gebied van sociale zekerheid en ziektekostenverzekering; dringt erop aan een specifieke status in te voeren voor gedelegeerde Europese aanklagers die aansluit bij de aard van hun gerechtelijke functie en verzoekt de Commissie om in het kader van de aanstaande herziening van Verordening (EU) 2017/1939 wijzigingen voor te stellen die ook betrekking hebben op de lacune in de dekking van de sociale zekerheid en ziektekostenverzekering van de gedelegeerde Europese aanklagers, die nog niet door alle lidstaten is opgelost door middel van wettelijke of administratieve regelingen, ook al is de invoering daarvan verplicht krachtens Verordening (EU) 2017/1939;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>begrijpt dat het EOM in 2024 de voorkeur gaf aan een interne enquête naar de tevredenheid van het personeel in plaats van een beroep te doen op een dure externe dienstverlener in het kader van de bestaande raamovereenkomst, maar betreurt het dat het personeelscomité hier niet bij was betrokken, hetgeen passender zou zijn geweest; merkt op dat terugkerende kwesties herhaaldelijk door het personeel in de enquête aan de orde werden gesteld, voornamelijk over het evenwicht tussen werk en privéleven en de interpretatie van de toegankelijkheid tot telewerken vanuit het buitenland om familiale of persoonlijke redenen; merkt op dat het EOM aangeeft dat zijn strenge telewerkbeleid een van de mogelijke belemmeringen voor aanwerving is en moedigt het EOM aan om verder te zoeken naar alternatieven die — zonder afbreuk te doen aan de doeltreffendheid van zijn werkmethoden en zonder de bedrijfscultuur in twijfel te trekken — een grotere mate van autonomie kunnen bieden, hetgeen op zijn beurt zou kunnen leiden tot een hogere mate van tevredenheid onder het personeel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>merkt op dat het EOM in 2024 1 504 blijken van belangstelling voor opleidingsprogramma’s heeft geregistreerd, waarvan er 851 met succes zijn afgerond, goed voor in totaal 13 984 opleidingsuren, hetgeen overeenkomt met 1 865 opleidingsdagen voor zowel interne als externe cursussen; merkt op dat het EOM voor gespecialiseerde externe opleidingen op juridisch en administratief gebied 42 blijken van belangstelling voor opleidingsprogramma’s heeft geregistreerd, waarvan er 22 nog lopen en 17 met succes zijn afgerond, hetgeen neerkomt op 992 opleidingsuren oftewel 132 opleidingsdagen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>merkt op dat de opleidingsstrategieën van het EOM ook in 2024 in overeenstemming waren met en relevant waren voor het mandaat van het EOM, aangezien zij gericht waren op de operationele gebieden (operationele workshops en andere opleidingen) en administratieve gebieden (opleidingen in het kader van overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau, op het gebied van digitale diensten, op het gebied van beveiliging en vele andere uiteenlopende opleidingen), in functie van de behoeften van de organisatie; neemt er nota van dat de opleiding in 2024 gericht was op gebieden zoals veiligheid, beveiliging (informatiebeveiliging en algemeen bewustzijn van ICT-beveiliging), ethiek, duurzaamheid (groene overheidsopdrachten en klimaatrisico’s) en op de verbetering van digitale vaardigheden (ook relevant in het kader van de voorbereiding van het project voor IT-autonomie van het EOM, dat uiteindelijk in 2025 werd gerealiseerd); is ingenomen met de aanpak van het EOM om de inhoud van het opleidingsaanbod strikt af te stemmen op de rol, verantwoordelijkheden en rangen van de doelgroep, met kleine informatiesessies voor specifieke teams op ad-hocverzoek, waarbij de nadruk ligt op bepaalde punten (bijvoorbeeld de rol van de vertrouwenspersonen);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>merkt op dat het personeel naar behoren op de hoogte werd gebracht van de opleidingsmogelijkheden via het intranet van het EOM, dat ook inhoud voor nieuwe medewerkers en andere gebruikersvriendelijke bronnen biedt; waardeert het dat het opleidingsaanbod in 2024 goed werd ontvangen en dat bijvoorbeeld tegen eind 2024 86,2 % van het personeel van het EOM (statutair personeel, gedetacheerde nationale deskundigen en interne contractanten) de opleiding over het fraudebestrijdingsbeleid had gevolgd, terwijl voor de acties op het gebied van intimidatie en klokkenluiden in 2024 twee algemene sessies over aanverwante onderwerpen werden georganiseerd voor het algemene personeel (met respectievelijk 34 en 16 deelnemers) en één voor leidinggevenden (negen deelnemers) en leden van het college (zes deelnemers);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>stelt tevreden vast dat er in 2024 geen gevallen van burn-out zijn gemeld; merkt op dat het EOM maatregelen heeft aangemoedigd om de voortdurend toenemende werkdruk te compenseren en zo het risico op burn-out te verminderen; merkt echter op dat er in 2024 geen beoordeling is uitgevoerd van de werkverdeling tussen de verschillende teams en personeelsleden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>merkt op dat het EOM in 2024 voorlichtingsbijeenkomsten over de bestrijding van intimidatie heeft georganiseerd voor het personeel, leidinggevenden en het college, en dat dergelijke bijeenkomsten op verzoek ad hoc zijn georganiseerd voor specifieke teams en specifieke eenheden, met inhoud die was afgestemd op de behoeften van elke doelgroep; waardeert het dat in 2024 de procedure voor het indienen van blijken van belangstelling voor vertrouwenspersonen is gestart, hetgeen heeft geleid tot de verkiezing (in samenwerking met het personeelscomité) van de vertrouwenspersonen in het eerste kwartaal van 2025; merkt op dat in 2024 het eerste geval van intimidatie binnen het EOM is gemeld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>merkt op dat in 2024, na de positieve conclusies van het proefproject dat in 2023 is uitgevoerd, een stagebeleid is vastgesteld en goedgekeurd, waarna, in hetzelfde jaar, de eerste groep stagiairs werd aangeworven; merkt op dat in 2024 acht stagiairs bij het EOM zijn ontvangen, die — zoals bepaald in het stagebeleid — volgens een werktijdregeling hebben gewerkt die is gekoppeld aan die van het statutaire personeel van het EOM, in dit geval overeenkomstig de bepalingen van Besluit C(2022)1788 final van de Commissie van 24 maart 2022 inzake arbeidstijd en hybride werken; waardeert het feit dat alle stagiairs bij het EOM een maandelijks inkomen (in de vorm van een beurs) ontvangen; benadrukt dat de hoge kosten van levensonderhoud in Luxemburg een aanzienlijk obstakel vormen voor potentiële stagiairs;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Ethisch kader en transparantie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>	is zich ervan bewust dat het ethisch kader van het EOM in het algemeen geleidelijk wordt opgebouwd; begrijpt dat het door de beperkte personele middelen niet mogelijk was om dit in 2024 te voltooien; dringt erop aan dat de voorbereidende werkzaamheden worden afgerond om een alomvattend beleid inzake belangenconflicten vast te stellen dat nodig is om de bestaande regels te consolideren en te verbeteren en alle relevante gevallen beter te dekken in één samenhangend document;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>waardeert het dat, naar aanleiding van verzoeken van het Parlement, het speciale opleidingsprogramma over het ethisch kader van het EOM verplicht is geworden voor alle functionarissen van het EOM, met inbegrip van Europese aanklagers en gedelegeerde Europese aanklagers, en dat in 2024 de verwachte hoge participatiegraad is bereikt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>merkt op dat er in 2024 in totaal 17 bewustmakingssessies zijn georganiseerd over het ethisch kader, de fraudebestrijdingsstrategie en de Code voor correct bestuurlijk gedrag van het EOM, waarbij een brede deelname van het personeel werd gewaarborgd, in het kader van de uitvoering van de fraudebestrijdingsstrategie 2023-2025, die op 1 maart 2023 is aangenomen en tot doel heeft fraude op alle niveaus van de organisatie, zelfs intern, tegen te gaan, met doelstellingen die gekoppeld zijn aan een specifiek actieplan en aan KPI’s als onderdelen van de internecontroleomgeving van het EOM, die jaarlijks door de interne controleur wordt gemonitord; merkt op dat er regels en procedures voor het melden van belangenconflicten bestaan voor het hoger management en het personeel dat betrokken is bij financiële circuits, aanbestedingen en aanwervingen; merkt op dat er jaarlijks een specifieke beoordeling van het risico op fraude wordt uitgevoerd om potentiële risico’s, waaronder belangenconflicten, vast te stellen en aan te pakken; waardeert het feit dat de richtsnoeren voor het personeel van het EOM inzake externe activiteiten en opdrachten van toepassing zijn op alle activiteiten van het personeel die geen verband houden met hobby’s of vrije tijd, maar die wel relevant zijn en buiten de bevoegdheid van het EOM vallen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>dringt er nogmaals op aan een robuuster draaideurbeleid in te voeren, met inbegrip van een langere afkoelingsperiode van ten minste twee jaar voor hoge ambtenaren van het EOM voordat zij in de particuliere sector een baan kunnen aannemen die verband houdt met de onderzoeksgebieden van het EOM; dringt er bij het EOM op aan een jaarlijkse evaluatie uit te voeren van de naleving van deze beperkingen na uitdiensttreding; herinnert eraan dat het voorkomen van draaideurconstructies moet worden opgenomen in het algemene ethische kader van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>is blij met de follow-up van het EOM met betrekking tot de meest recente resolutie van het Parlement over het verlenen van kwijting, waarin werd verzocht een speciale klokkenluiders- en antirepresailleprocedure vast te stellen, die de door het college vastgestelde uitvoeringsbepalingen bij het Statuut (Besluit 2021/077 van het college tot vaststelling van richtsnoeren inzake klokkenluiders die van toepassing zijn binnen het EOM) moet integreren en artikel 45, lid 12, van het financieel reglement van het EOM (waarin de in de gegeven omstandigheden te nemen maatregelen worden vastgesteld) moet aanvullen, teneinde een veilige en beschermde werkplek te garanderen; begrijpt dat in 2024 een speciale klokkenluiders- en antirepresailleprocedure is opgesteld die begin 2025 is goedgekeurd; moedigt het EOM aan om een intensieve interne dialoog over klokkenluiden te blijven voeren met de vertrouwenspersonen en om de NEDPA’s bij de inhoudelijke kwesties te betrekken; benadrukt dat de doeltreffende uitvoering van klokkenluiders- en antirepresailleprocedures van essentieel belang is om de interne integriteit en geloofwaardigheid van het EOM te vrijwaren; verzoekt het EOM aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de praktische werking van deze waarborgen, waarbij ook aandacht wordt besteed aan het inzicht en het vertrouwen van het personeel in het systeem;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>67.</NO.P>blijft erbij dat het interne kader inzake integriteit van het EOM van cruciaal belang is voor de externe perceptie van de onafhankelijkheid en autonomie van het EOM; is van mening dat door hoge ambtenaren, met inbegrip van de leden van het college, ertoe te verplichten al hun financiële belangen en externe activiteiten openbaar te maken, het risico van ongepaste beïnvloeding wordt beperkt en dat een periodieke herziening van deze verklaringen het mogelijk maakt om vooraf eventuele onopgemerkte risico’s vast te stellen; waardeert de bereidheid van het EOM om effectieve manieren te onderzoeken om dit doel te bereiken, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de gevoeligheid en specificiteit van de functie van openbaar aanklager;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>68.</NO.P>merkt op dat transparantie van cruciaal belang is in de interacties van het EOM met externe actoren; waardeert het dat het EOM bereid is om te onderzoeken hoe de transparantie van zijn interacties met externe actoren verder kan worden vergroot, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de gevoeligheid en specificiteit van de functie van openbaar aanklager, met inbegrip van het toezicht door rechterlijke instanties, en de noodzaak om de onafhankelijkheid van het EOM te beschermen; blijft van mening dat de invoering van een verplicht openbaar register van alle bijeenkomsten tussen ambtenaren van het EOM en vertegenwoordigers van derde partijen, met inbegrip van lobbyisten, zelfs als die zich bezighouden met belangenbehartigingsactiviteiten met betrekking tot zijn beleidsprioriteiten, en vertegenwoordigers van nationale regeringen, zou bijdragen tot het versterken van het vertrouwen van het publiek in de onafhankelijkheid van het EOM en zijn vermogen om meteen een onderzoek in te leiden bij elk geval van misbruik van overheidsmiddelen, op dusdanige wijze dat elke schijn van ongepaste beïnvloeding wordt voorkomen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Digitalisering, cyberbeveiliging en gegevensbescherming</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>69.</NO.P>	betreurt het dat geen gevolg is gegeven aan de verzoeken van het Parlement aan de Commissie om het besluit van het directoraat-generaal Digitale Diensten van de Commissie (“DG Digitale Diensten”, voorheen “DIGIT”) om de verlening van digitale diensten op de werkplek stop te zetten, te heroverwegen; waardeert het besluit van de Commissie om de verlening van IT-diensten tijdelijk te verlengen tot juni 2025 om de overgang te vergemakkelijken, maar betreurt het dat het eindresultaat een situatie is waarvan de financiële haalbaarheid op zijn zachtst gezegd twijfelachtig is en die qua prestaties suboptimaal is; herhaalt zijn overwegingen met betrekking tot de argumenten in verband met veiligheid en vertrouwelijkheid, en in verband met zuiver financiële aspecten, omdat uitbesteding veel duurder zou zijn dan de interne oplossing, waarbij de middelen moeten worden opgeteld die nodig zijn om de complexe administratieve aspecten op te lossen en zich aan te passen aan de gedecentraliseerde configuratie van het EOM met gedelegeerde Europese aanklagers en NEDPA’s op verschillende locaties in de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>70.</NO.P>benadrukt dat, hoewel het EOM pas in 2025 voldoende IT-autonomie bereikte, de voorbereidende werkzaamheden in 2024 de belangrijkste digitaliseringsinvesteringen in de geschiedenis van het EOM waren en dat het EOM, om IT-autonomie te bereiken en negatieve gevolgen voor de operationele activiteiten te voorkomen, tal van maatregelen heeft moeten nemen; herinnert eraan dat, zelfs als de Commissie het EOM tijdens de overgang naar IT-autonomie technische ondersteuning had geboden, het EOM vanuit budgettair oogpunt hoe dan ook middelen van operationele activiteiten naar IT moest overhevelen en dat de Commissie niet bereid was deze te compenseren; herinnert er in dit verband aan dat eind februari 2024 het verzoek van het EOM om een gewijzigde begroting voor 2024 (voor ongeveer 3 miljoen EUR en 37 vaste posten) is afgewezen en dat deze afwijzing volgt op de eerdere weigering van de Commissie in januari 2023 om 45 extra posten toe te kennen om de kloof als gevolg van de weggevallen dienstverlening van DG Digitale Diensten te overbruggen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>71.</NO.P>wijst erop dat het operationele ICT-budget van het EOM in 2024 6,61 miljoen EUR bedroeg, hetgeen neerkomt op 19 % van de totale operationele begroting (ten opzichte van 4,7 miljoen EUR in 2023 en 5,6 miljoen EUR in 2022); merkt op dat de stijging in absolute termen een weerspiegeling is van de aanzienlijke voorbereidende werkzaamheden die zijn verricht met het oog op IT-autonomie, waaronder de versterking van de interne capaciteiten op het gebied van cyberbeveiliging, het beheer van IT-diensten en de monitoring van de infrastructuur, alsook de technische overgang van diensten die voorheen door DG Digitale Diensten werden verleend; merkt op dat deze investeringen strategisch waren gericht op het waarborgen van de continuïteit, onafhankelijkheid en veiligheid van de digitale omgeving van het EOM en het leggen van de noodzakelijke basis om in juni 2025 IT-autonomie te bereiken; benadrukt dat, hoewel het aandeel van de IT-uitgaven in de operationele begroting stabiel is gebleven, 2024 werd gekenmerkt door een beslissende concentratie van inspanningen en middelen om de overgang van het EOM naar volledige digitale onafhankelijkheid voor te bereiden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>72.</NO.P>begrijpt dat het EOM, zelfs nadat het in 2025 IT-autonomie heeft bereikt, benadrukt dat de ondersteuning van de IT-autonomie extra personele en financiële middelen vereist die tot dusver niet zijn toegekend vanwege de beperkingen die voortvloeien uit de totale beschikbare begrotingsmiddelen voor de betreffende begrotingsonderdelen; verzoekt de Commissie haar besluit te heroverwegen en extra middelen toe te wijzen om ervoor te zorgen dat de doeltreffendheid en de juridische deugdelijkheid van de activiteiten van het EOM niet in het gedrang komen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>73.</NO.P>merkt op dat het EOM in 2024 op IT-gebied voortdurend heeft gewerkt aan de twee grote projecten van het programma voor IT-autonomie en het programma betreffende het casemanagementsysteem, waarbij het eerste project tot doel heeft een complete catalogus van volledig intern beheerde administratieve IT-diensten te bieden en het tweede project tot doel heeft vooruitgang te boeken bij de digitalisering op het kerngebied van onderzoeken en vervolgingen; is van mening dat de oplossing om interne contractanten aan te werven voor de uitvoering van deze projecten onmiddellijke operationele continuïteit biedt, maar niet mag worden beschouwd als een definitieve oplossing voor het EOM, gezien de uiterst gevoelige aard van zijn activiteiten en de noodzaak om de continuïteit en betrouwbaarheid van zijn digitale diensten te waarborgen, alsook het hoogste niveau van beveiliging van zijn IT‑infrastructuur, ‑systemen en ‑apparatuur; herhaalt zijn bezorgdheid over het risico dat de Commissie zich onvoldoende bewust is van de gevoeligheid van deze kwestie, hetgeen blijkt uit een oppervlakkige beoordeling van het probleem, wat een negatieve invloed kan hebben op de operationele activiteiten van het EOM en een potentieel reputatierisico voor de Unie inhoudt indien dit leidt tot een verzwakking van de operationele capaciteit van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>74.</NO.P>herinnert eraan dat de complexiteit van de IT-infrastructuur van het EOM voortvloeit uit de gedecentraliseerde structuur van het EOM, waardoor elke gedelegeerde Europese aanklager zowel het nationale casemanagementsysteem als het casemanagementsysteem van het EOM moet gebruiken, twee verschillende databases met verschillende toegangsrechten; wijst erop dat de verwerking en uitwisseling van informatie tussen de centrale diensten van de gedelegeerde Europese aanklagers en het EOM vereist dat de gedelegeerde Europese aanklagers de dossiers digitaliseren, waarbij zij verplicht zijn nationale digitale instrumenten te gebruiken in overeenstemming met het nationale recht, maar ook rekening moeten houden met de noodzaak om dergelijke digitale documenten te hebben in een formaat dat compatibel is met het centrale systeem van het EOM en met de systemen die worden gebruikt door andere gedelegeerde Europese aanklagers die partners zijn in de onderzoeksdossiers;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>75.</NO.P>houdt vol dat de integratie van het casemanagementsysteem van het EOM en de nationale casemanagementsystemen noodzakelijk is om de doeltreffendheid van de onderzoeken te vergroten en dat die integratie moet worden nagestreefd in het kader van de herziening van Verordening (EU) 2017/1939; verwacht dat er voor een dergelijke integratie een gemeenschappelijk, consistent digitaliseringsniveau in alle deelnemende lidstaten nodig is om een digitale werkomgeving te creëren die aan dezelfde normen voldoet als het hoofdkantoor van het EOM, met volledige inachtneming van nationale rechtskaders; herinnert eraan dat bij de begrotingsramingen en -prognoses rekening moet worden gehouden met de inherente gedeelde kosten voor de lidstaten en de Unie; waardeert de rol en bijdragen van de NEDPA’s bij het effectieve gebruik van en het invoeren van informatie in de systemen en stelt voor om bij de herziening van Verordening (EU) 2017/1939 te overwegen hen een specifieke status toe te kennen; benadrukt dat elke toekomstige integratie gebaseerd moet zijn op een evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de Unie en de lidstaten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>76.</NO.P>acht het van cruciaal belang dat de risico’s voor de structurele integriteit van de IT van het EOM worden beperkt, die voortvloeien uit de agressieve praktijken van de door het EOM onderzochte en vervolgde georganiseerde criminele organisaties, die geneigd zijn agressief te reageren op interventies van het EOM om hun criminele activiteiten te verstoren; is ingenomen met het feit dat de algemene verbeterde veiligheidsstrategie en het algemeen beleidskader voor informatiebeveiliging die in 2023 werden voorgesteld, in 2024 formeel zijn goedgekeurd en aangenomen; benadrukt dat fysieke en digitale veiligheid en de governance daarvan essentiële factoren zijn voor de operationele onafhankelijkheid en doeltreffendheid van het EOM, en middelen vereisen, zoals die welke zijn ingezet voor de oprichting van een speciale eenheid voor fysieke en cyberveiligheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>77.</NO.P>wijst erop dat het EOM wordt verzocht om een toenemend aantal zaken te behandelen waarbij hightechcomponenten en digitale criminele methoden een rol spelen, en dat het derhalve behoefte heeft aan moderne apparatuur en IT-systemen om de geavanceerde technologieën die vaak door zeer vakkundige criminele netwerken worden gebruikt, in de onderzoeksprocessen en analysen te kunnen integreren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>78.</NO.P>merkt op dat het EOM in operationele gebieden grote voorzichtigheid betracht bij het gebruik van artificiële intelligentie (AI) en is het ermee eens dat AI weliswaar kan helpen bij de gegevensverwerking, maar dat de beoordeling van bewijsmateriaal en de besluitvorming door het openbaar ministerie strikt onder de volledige verantwoordelijkheid van de mens blijven vallen; is ingenomen met deze aanpak, die van essentieel belang is om de grondrechten, de rechtszekerheid en de verantwoordingsplicht te beschermen; benadrukt dat het EOM AI niet beschouwt als een middel om de personeelsbehoefte te verminderen, maar eerder als een ondersteunend instrument om de toenemende werkdruk op te vangen; moedigt gerichte investeringen in AI-instrumenten — op voorwaarde dat het gebruik ervan evenredig blijft en ondergeschikt blijft aan menselijk toezicht — en AI-opleidingen aan, waarvan de budgettaire gevolgen moeten worden gecompenseerd door efficiëntiewinst bij vertalingen en andere ondersteunende processen; verzoekt het EOM richtsnoeren voor het personeel op te stellen over het gebruik van deze instrumenten, waarbij specifiek wordt ingegaan op de typische processen die inherent zijn aan het bijzondere mandaat van het EOM;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>79.</NO.P>is zich ervan bewust dat zaken van het EOM en bijbehorende dossiers en bewijsmateriaal in elke taal van de Unie aan het EOM worden voorgelegd en geregistreerd, en dat elke zaak honderden tot duizenden documenten kan omvatten, die in bulk worden ontvangen en die voor de analyse en het onderzoek van de zaak in de werktalen moeten worden vertaald, terwijl de verslagen en besluiten van het EOM, die in het Engels worden opgesteld, moeten worden terugvertaald naar de taal van de lidstaat-rapporteur voor verwijzing naar de nationale rechtbanken; neemt er kennis van dat dit proces wordt uitgevoerd door diensten voor machinevertaling die worden verleend door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT); merkt op dat de kosten van eTranslation-diensten in 2024 1 051 000 EUR bedroegen voor de tools voor machinevertaling, en 2 308 452 EUR voor menselijke vertalingen<FOOTNOTE><FIELD> Dit cijfer heeft geen betrekking op tolkdiensten die worden verleend in het kader van de overeenkomst inzake dienstverleningsniveau met het directoraat-generaal Tolken van de Commissie (DG Tolken) of, wanneer DG Tolken de gevraagde dienst weigert of niet kan verlenen, door freelancers in te huren die op de markt beschikbaar zijn (ad-hocuitzonderingen op de financiële regels). De kosten die in 2024 zijn gemaakt, bedragen in totaal 22 536 EUR, waarvan 9 360 EUR in het kader van de overeenkomst inzake dienstverleningsniveau met het DG Tolken en de rest voor ad-hocaankopen van diensten.</FIELD></FOOTNOTE>; verzoekt het EOM na te gaan of deze diensten voor machinevertaling, die tot dusver niet door AI worden ondersteund maar gebaseerd zijn op datasets met woordenlijsten die worden geleverd door de eTranslation-dienst van DG Digitale Diensten en jaarlijks worden geactualiseerd, beter kunnen worden benut;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>80.</NO.P>herhaalt zijn steun voor de verzoeken van het EOM om middelen voor de bescherming van zijn cyberbeveiliging en dringt erop aan snel een robuuste cyberbeveiligingsstrategie uit te voeren om de activiteiten en de integriteit van de gegevens van het EOM te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>81.</NO.P>merkt op dat de digitale strategie en het beleid inzake kwetsbaarheden en patchbeheer van het EOM momenteel worden ontwikkeld en dat de bestaande diensten zorgen voor de beoordeling van de kwetsbaarheid en geautomatiseerde scantools en meldingen voor de cruciale omgeving van het casemanagementsysteem; verzoekt het EOM prioriteit te geven aan maatregelen die van wezenlijk belang zijn om een veilige werkomgeving, de continuïteit van de activiteiten en de bescherming van relevante informatie te waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>82.</NO.P>is ingenomen met de voortdurende dialoog tussen de functionaris voor gegevensbescherming van het EOM en het contactpunt van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming voor het EOM, en met hun regelmatige bilaterale bijeenkomsten; moedigt het college, waarvan de besluiten een aanvulling vormen op het huidige rechtskader<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU) 2017/1939 (de “EOM-verordening”) en Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).</FIELD></FOOTNOTE>, aan om samen met de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming de bestaande praktijken en procedures periodiek te herzien, gezien de noodzaak om de bruikbaarheid van persoonsgegevens voor onderzoek en vervolging en tegelijkertijd de bescherming van persoonsgegevens te waarborgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Gebouwen en veiligheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>83.</NO.P>merkt op dat de huurovereenkomst op grond waarvan de Luxemburgse autoriteiten het gebouw waarin het hoofdkantoor van het EOM is gevestigd, kosteloos ter beschikking stellen, in 2024 niet is gewijzigd en dat het EOM in 2024 dezelfde jaarlijkse onderhoudskosten van 716 724 EUR heeft betaald als in 2023, zonder extra kosten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>84.</NO.P>merkt op dat het EOM momenteel tien verdiepingen in de toren en vier verdiepingen in het bijgebouw van toren B (TOB) in gebruik heeft; is zich ervan bewust dat sinds begin 2025 zeven extra verdiepingen door het gastland worden gerenoveerd, die in het vierde kwartaal van 2025 geleidelijk aan het EOM zullen worden opgeleverd; begrijpt dat de nieuwe verdiepingen zullen helpen om het huidige plaatsgebrek op te vangen en de mogelijkheid zullen bieden om de diensten van het EOM binnen het gebouw te verenigen en efficiënt te herverdelen; wijst op de aard van de activiteiten van het EOM en de inherente vertrouwelijkheid daarvan, en is dan ook ingenomen met de toewijzing van een individuele werkplek aan elk personeelslid in een kantoor voor één, twee of drie personen; waardeert de reeds bestaande maatregelen om de toegankelijkheid van de kantoren voor personen met beperkte mobiliteit of een andere handicap te waarborgen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Milieu en duurzaamheid</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>85.</NO.P>	is zich ervan bewust dat het EOM een deel van een gebouw in gebruik heeft dat door het gastland kosteloos ter beschikking wordt gesteld en dat de milieuparameters worden beheerd door de nationale autoriteiten, in overeenstemming met de lokale milieuvereisten; is ingenomen met de acties die de Luxemburgse autoriteiten hebben ondernomen om het EOM te ondersteunen bij het bevorderen van milieubeheer, resulterend in de installatie van twintig laadstations voor elektrische voertuigen in de ondergrondse parkeergarage en de vervanging van energiezuinige binnenverlichting en geveljaloezieën in het hele gebouw van het hoofdkantoor van het EOM om de energie-efficiëntie van het gebouw te verbeteren; merkt op dat op alle verdiepingen waterfiltermachines zijn geïnstalleerd, waardoor het gebruik van plastic flessen is afgenomen; merkt op dat het hoofdkantoor van het EOM is aangesloten op het Luxemburgse netwerk van gratis openbaar vervoer en derhalve gemakkelijk te bereiken is met vervoersmiddelen die een geringe impact hebben op het milieu en gratis zijn voor personeelsleden en bezoekers; voegt daaraan toe dat de ondergrondse parkeergarage een fietsenstalling heeft;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>86.</NO.P>merkt op dat het EOM Besluit C(2025) 2495 van de Commissie (handleiding voor dienstreizen en toegestane reizen) volgt, waarbij niet alleen groene reisoplossingen voor personeel op dienstreizen worden overwogen, maar ook systematisch wordt beoordeeld of dienstreizen noodzakelijk zijn in het licht van de haalbaarheid van onlinevergaderingen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Interinstitutionele samenwerking</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>87.</NO.P>	herhaalt dat binnen de architectuur die is ontworpen om de financiële belangen van de Unie te beschermen, de belangrijke rol van het EOM alleen effectief kan worden vervuld door intensieve samenwerking en coördinatie met de andere entiteiten die aanvullende taken hebben; wijst erop dat het EOM opereert in een complexe en heterogene omgeving waarin zijn onafhankelijkheid even cruciaal is als zijn vermogen om synergieën met zijn partners te creëren en zijn bereidheid om met de relevante belanghebbenden te communiceren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>88.</NO.P>is zich bewust van de inspanningen van het EOM om effectief samen te werken met Europol, OLAF en Eurojust, hetgeen gebeurt in overeenstemming met het mandaat van elke organisatie, via regelmatige bijeenkomsten op management- en technisch niveau, en via de “hit/no hit”-processen die worden gebruikt voor bidirectionele uitwisselingen van informatie en om dubbel werk te voorkomen; betreurt echter de beperkte omvang van de operationele samenwerking tussen OLAF en het EOM, hetgeen wordt bevestigd door het constant lage aantal zaken van het EOM dat door OLAF wordt ondersteund (vier zaken in 2023 en vijf zaken in 2024) in vergelijking met het aantal zaken waarvoor het EOM in 2024 ondersteuning heeft gekregen van Eurojust (25) en Europol (83); merkt op dat de samenwerking met Europol te lijden heeft onder beperkingen die voortvloeien uit het nationale strafprocesrecht en de toegankelijkheid van de gegevens van het EOM; is van mening dat de verdere versterking van de samenwerking met Europol synergieën en een optimale benutting van middelen mogelijk zou maken, ondanks de dringende noodzaak voor het EOM om zijn interne analyseplatform te ontwikkelen, dat van cruciaal belang is voor de snelle interpretatie van de tijdens zijn onderzoeken verzamelde gegevens en de vaststelling van operationele strategieën in grensoverschrijdende zaken waarvoor toegang tot het volledige casemanagementsysteem van het EOM vereist is; verzoekt alle partijen om adequate manieren te onderzoeken om synergieën te creëren, de samenwerking op operationeel niveau te versterken, dubbel werk te voorkomen en beter gebruik te maken van de bestaande analytische capaciteiten; is ingenomen met de oprichting van speciale werkgroepen voor de door de Commissie aangekondigde herziening van de fraudebestrijdingsarchitectuur en verwacht dat de debatten, waarbij alle onderdelen van de fraudebestrijdingsarchitectuur betrokken zijn, zullen leiden tot tastbare verbeteringen in de manier waarop zij samenwerken en hun activiteiten coördineren, die tegen eind 2026 door de Commissie zullen worden voorgesteld;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>89.</NO.P>neemt kennis van de goede samenwerking van het EOM met het Hof van Justitie, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Ombudsman in 2024; merkt op dat de Europese Ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar aanleiding van een klacht van een burger die had deelgenomen aan een selectieprocedure in 2024, maar dat bij dit onderzoek geen bewijs of gevallen van wanbeheer door het EOM aan het licht zijn gekomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>90.</NO.P>is van mening dat de herziening van de regelgevingskaders van OLAF en het EOM de gelegenheid biedt om veel aspecten van hun samenwerking te heroverwegen in het licht van de ervaringen die in de loop van hun operationele activiteiten zijn opgedaan; wijst erop dat de lessen die zijn getrokken bij het uitvoeren van zowel de aanvullende onderzoeken (voorgesteld door OLAF) als de ondersteunende onderzoeken (gevraagd door het EOM), een goede basis hebben opgeleverd voor het hervormen van hun samenwerkingsmodaliteiten; benadrukt dat uit dezelfde operationele ervaring is gebleken dat er behoefte is aan meer opsporing en betere rapportage; merkt op dat in 2024 de eerste internationale bijeenkomst van aanklagers van het EOM en onderzoekers van OLAF in het Parlement heeft plaatsgevonden; is van mening dat deze gedachtewisseling kan worden beschouwd als een proefproject voor een praktijk die periodiek zou moeten worden, op voorwaarde dat er financiële middelen beschikbaar zijn; herhaalt dat een adequate dialoog en samenwerking tussen de onderdelen van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie alleen kan worden bereikt door een verplicht interinstitutioneel forum in te stellen waar strategische kwesties kunnen worden besproken en behandeld teneinde de middelen te optimaliseren en tastbare resultaten te boeken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>91.</NO.P>merkt op dat btw-fraude een structurele kwetsbaarheid van de interne markt is geworden en dat, ondanks het terugkerende karakter van gestandaardiseerde carrouselfraude, de nationale belastingautoriteiten slechts een klein deel van de criminele netwerken kunnen opsporen en bestrijden; wijst op de unieke waarde van de operaties van het EOM, waarmee het orgaan complexe criminele transacties en illegale geldstromen kan reconstrueren en actie kan ondernemen door de betrokken activa in beslag te nemen en te bevriezen; verzoekt de Commissie voorts alle wijzigingen van de regelgeving voor te stellen die nodig zijn om een einde te maken aan een situatie waarbij de doeltreffendheid van de bestrijding van btw-fraude wordt belemmerd en de mogelijkheid voor synergieën tussen nationale en EU-autoriteiten wordt beperkt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>92.</NO.P>benadrukt dat toegang tot gegevens en het delen van informatie cruciale elementen zijn van elke actie ter bestrijding van fraude en dat het succes van de bescherming van de begroting van de Unie afhangt van de bevredigende verwezenlijking daarvan; verwijst naar de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 24/2015 over de aanpak van btw-fraude en in haar speciaal verslag 08/2025 “Btw-fraude bij invoer — De financiële belangen van de EU worden onvoldoende beschermd bij vereenvoudigde douaneprocedures voor invoer” en is in dit verband ingenomen met het voorstel dat de Commissie op 14 november 2025 heeft gedaan voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de toegang van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) tot gegevens over de belasting over de toegevoegde waarde op het niveau van de Unie<FOOTNOTE><FIELD> https://www.eca.europa.eu/ECAPublications/SR-2025-08/SR-2025-08_NL.pdf.</FIELD></FOOTNOTE>; benadrukt in dezelfde geest het belang van volledige en doeltreffende gegevensuitwisseling tussen het EOM, OLAF, Eurojust en Europol, en dat de oprichting van een gezamenlijke werkgroep het mogelijk zou maken toezicht te houden op de integratie van gegevens en de efficiëntie van het dossierbeheer bij deze organen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>93.</NO.P>steunt de oproep van het EOM om meer inspanningen te leveren om te zorgen voor een veel grotere en betere capaciteit voor gegevensanalyse op het niveau van de Unie, teneinde de enorme hoeveelheden gegevens die bij onderzoeken van het EOM worden verzameld, ten volle te benutten, en is het ermee eens dat vooruitgang op dit gebied de bestrijding van de georganiseerde misdaad in de Unie aanzienlijk zou verbeteren; merkt op dat de hoeveelheid verzameld bewijsmateriaal die wordt geanalyseerd exponentieel toeneemt naarmate het aantal door het EOM onderzochte zaken stijgt; wijst erop dat veel van deze informatie betrekking heeft op georganiseerde misdaad, witwassen en een breed scala aan illegale activiteiten die daar als onderliggende strafbare feiten, die buiten het mandaat en de onderzoeksbevoegdheid van het EOM vallen, verband mee houden; merkt op dat zich een soortgelijke situatie heeft voorgedaan na het Admiral-onderzoek, toen uit de analyse van een deel van de ten minste 638 TB aan in beslag genomen digitale gegevens verbanden met drugshandel, illegaal gokken, prostitutie en meer aan het licht kwamen, hetgeen heeft geleid tot de opening van meer strafrechtelijke procedures door de nationale openbare ministeries voor niet-PIF-misdrijven; merkt op dat zich eveneens een soortgelijke situatie heeft voorgedaan bij het Midas-onderzoek, dat heeft geleid tot de ontdekking van een complex crimineel ecosysteem, met lege vennootschappen, stromannen, fictieve identiteiten en versleutelde communicatie om andere criminele activiteiten te organiseren, waaronder drugshandel, wapenhandel en terrorismefinanciering, waarvoor de analyse van een deel van de minstens 418 TB aan digitale gegevens heeft geleid tot de indiening van 13 misdrijfmeldingen bij de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het onderzoek naar deze niet-PIF-misdrijven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>94.</NO.P>is verheugd over de instelling van een intern mechanisme om ervoor te zorgen dat het EOM kennisgevingen overeenkomstig artikel 103, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1939 op een efficiënte, tijdige en consistente wijze doorgeeft, omdat deze kennisgevingen van belang zijn voor administratieve terugvordering en voorzorgsmaatregelen, en over de herziening van de werkregeling met de Commissie ter gelegenheid van de derde jaarlijkse evaluatie op hoog niveau van de samenwerking tussen het EOM en de Commissie in oktober 2024; is van mening dat deze regelingen zullen leiden tot doeltreffendere maatregelen ter bescherming van de financiële belangen van de Unie; wijst daarnaast op de sterke toename van het aantal kennisgevingen aan de Commissie als gevolg van de nieuwe regelingen in 2024 en 2025 (respectievelijk + 147 % en + 85 % in vergelijking met 2022); wijst er echter op dat, teneinde een doeltreffende follow-up van zijn zaken te kunnen uitvoeren en een constante informatiestroom naar de Commissie te waarborgen ter ondersteuning van de vaststelling van administratieve maatregelen, het casemanagementsysteem en de capaciteit voor gegevensanalyse van het EOM verder moeten worden ontwikkeld, hetgeen niet mogelijk is in een situatie van structurele onderfinanciering; betreurt het dat de Commissie, ondanks duidelijke aanwijzingen van het EOM over de financiële behoeften, in haar nota van wijzigingen nr. 1/2024 slechts drie posten in de personeelsformatie en één arbeidscontractant heeft toegekend, hetgeen onvoldoende is; steunt de toekomstige verzoeken van het EOM om middelen die essentieel zijn om de door fraude verdwenen bedragen terug te brengen naar de begroting van de Unie; verzoekt de Commissie om zoveel mogelijk administratief teruggevorderde bedragen in de begroting van de Unie te storten, met inachtneming van de vertrouwelijkheid en het behoorlijke verloop van de onderzoeksacties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>95.</NO.P>is zich ervan bewust dat de terugvordering van middelen door nationale autoriteiten onder de verantwoordelijkheid van de Commissie blijft vallen, zoals vermeld in de opdrachtbrief aan de commissaris voor Begroting, Fraudebestrijding en Openbaar Bestuur, en benadrukt dat het EOM tot nu toe geen mandaat heeft om follow-up te geven aan het terugvorderingsproces; herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om nauwer samen te werken bij het terugvorderingsproces en zowel de Commissie als het EOM in kennis te stellen van definitieve confiscaties; blijft erbij dat een herziening van de desbetreffende verordeningen noodzakelijk is om de rol van het EOM in het terugvorderingsproces te verduidelijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>96.</NO.P>erkent dat de onderzoeken van het EOM alleen kunnen worden gestart als de informatie de openbare aanklagers heeft bereikt en verwacht dat de lidstaten aan de wettelijke verplichtingen voldoen en alle relevante zaken aan het EOM rapporteren; stelt bezorgd vast dat er in 2024 nog steeds bevoegdheidsconflicten en systemische belemmeringen bestonden voor onderzoeken van het EOM, waaronder zaken die aanleiding gaven tot bezorgdheid over de rechtsstaat; herinnert in dit verband aan de publieke verklaring van het EOM over een besluit inzake een bevoegdheidsconflict in Kroatië; roept de Commissie ertoe op deze belemmeringen systematisch op te volgen als onderdeel van haar verantwoordelijkheid om de naleving van het Unierecht te waarborgen en de financiële belangen van de Unie te beschermen; stelt met bezorgdheid vast dat bepaalde lidstaten strafbare feiten met gevolgen voor de financiële belangen van de Unie als nationale zaken hebben aangemerkt, en weigerden te erkennen dat zij onder het mandaat van het EOM vallen; spreekt zijn bezorgdheid uit over de mogelijke negatieve gevolgen van deze bevoegdheidsconflicten voor het onderzoek, door het verlies van bewijsmateriaal of door de laattijdige verzameling van bewijsmateriaal; verzoekt de Commissie informatie over gevallen van bevoegdheidsconflicten te verzamelen en te beoordelen, teneinde over relevante gegevens te beschikken voor de herziening van Verordening (EU) 2017/1939;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>97.</NO.P>merkt op dat ondanks het feit dat de bevoegdheid van het EOM duidelijk is omschreven in artikel 22, leden 1 en 2, en in artikel 23 van Verordening (EU) 2017/1939, er in 2024 opnieuw vragen rezen over de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale autoriteiten en de gedelegeerde Europese aanklagers; benadrukt dat deze zaken moeten worden behandeld in overeenstemming met artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1939, waarin wordt verwezen naar de nationale gerechtelijke autoriteit die bevoegd is om te beslissen over gevallen van bevoegdheidsconflicten tussen nationale aanklagers, op voorwaarde dat haar beslissing kan worden onderworpen aan een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie, zoals bepaald in artikel 42, lid 2, punt c), van Verordening (EU) 2017/1939, in overeenstemming met artikel 267 VWEU; herhaalt dat, aangezien in veel lidstaten de beslissing van de nationale autoriteit over het bevoegdheidsconflict niet het voorwerp kan zijn van een prejudiciële beslissing voor het Hof van Justitie, de huidige situatie juridisch onduidelijk is; moedigt lidstaten die twijfelen over de bevoegdheid van het EOM aan om een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU en artikel 42, lid 2, punt c), van Verordening (EU) 2017/1939 in te dienen bij het Hof van Justitie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>98.</NO.P>merkt op dat het EOM in 2024 de relevante kosten heeft gedragen voor de organisatie van de “EPPO Academy”, die samen met de Guardia di Finanza in Italië werd georganiseerd en bestond uit twee internationale cursussen ter plaatse van twee weken voor 49 onderzoekers; merkt op dat in sommige lidstaten speciale opleidingen voor rechtshandhavers zijn gegeven op het gebied van criminaliteit die onder het mandaat van het EOM valt; verzoekt de Commissie dit waardevolle opleidingsproject te ondersteunen en te financieren; merkt op dat in 2024 door de Europese aanklagers en gedelegeerde Europese aanklagers op gedecentraliseerd en centraal niveau verdere bewustmakingsacties werden gelanceerd voor nationale belanghebbenden, waarbij bij talrijke gelegenheden delegaties van justitie, openbare aanklagers en rechtshandhavingsinstanties zijn ontvangen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>99.</NO.P>herhaalt zijn bezorgdheid over het toenemende aantal zaken met betrekking tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit die niet op uniforme wijze zijn verdeeld over de lidstaten die al aanzienlijke uitkeringen hebben ontvangen; wijst erop dat de onevenwichtige verdeling van zaken het gevolg kan zijn van de ongelijke geschiktheid van de beheer- en controlesystemen van de lidstaten, of van een suboptimale doeltreffendheid van de opsporingsinspanningen en ondoorzichtige rapportagepraktijken; wijst erop dat de middelen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit afkomstig zijn uit de begroting van de Unie en dat de bescherming ervan onder de bevoegdheid van het EOM valt, en moedigt de Commissie en andere organen en autoriteiten van de Unie derhalve aan om de opsporingsinspanningen op te voeren en elke relevante situatie in dit verband aan het EOM te melden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>100.</NO.P>wijst erop dat het grote aantal lopende zaken waarbij middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit betrokken zijn in de toekomst waarschijnlijk zal stijgen doordat de uitbetalingen toenemen naarmate de einddatum nadert, en acht het van cruciaal belang dat de samenwerking en coördinatie tussen de relevante autoriteiten, met name met de taskforce Herstel en veerkracht, worden geïntensiveerd teneinde het monitorings- en controlemechanisme te versterken aan de hand van de analyse van de door het EOM onderzochte fraudezaken, en om mogelijke lacunes op het gebied van de controle of fraudepatronen die het gevolg zouden kunnen zijn van onoplettendheid of nalatigheid, op te sporen en aan te pakken door middel van de verminderings- en terugvorderingsmaatregelen die zijn opgenomen in bijlage IV bij de richtsnoeren voor herstel- en veerkrachtplannen van de Commissie, die op 22 juli 2024 zijn aangenomen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>101.</NO.P>is ingenomen met de overeenkomst van het college over de werkregelingen voor samenwerking met de commissie voor corruptiebestrijding van de Seychellen en het openbaar ministerie van het Vorstendom Andorra, en met de sluiting van de memoranda van overeenstemming met de Integrity Vice Presidency van de Wereldbank en de Ibero-Amerikaanse Vereniging van openbare aanklagers; is ingenomen met de ondertekening van de werkregeling met het Parlement in november 2024, waarin duidelijke afspraken worden gemaakt over samenwerking ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, en met de instemming van het college met de werkregelingen met de EDEO en de herziening van de bijlagen bij de overeenkomst met de Commissie, alsmede met de start, eveneens in 2024, van onderhandelingen over een werkregeling met de Europese Centrale Bank;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>102.</NO.P>neemt kennis van de intensieve activiteiten van het EOM om de doeltreffendheid van zijn onderzoeken op internationaal gebied en in verband met derde landen te waarborgen; is zich ervan bewust dat het EOM lid of waarnemer is van verschillende internationale netwerken en organisaties, zoals de Egmont-groep, het GlobE-netwerk, de OESO-werkgroep inzake omkoping, het Carin-netwerk, het Nadal-netwerk, het EACN/EPAC-netwerk, het Europees justitieel netwerk, het Comité van deskundigen inzake de werking van de Europese verdragen op strafrechtelijk gebied (PC-OC) van de Raad van Europa, en andere internationale netwerken en organisaties; merkt op dat het EOM werkregelingen heeft gesloten met tal van partners; beseft dat het EOM moeite heeft om doeltreffend op te treden bij gebrek aan een duidelijke rechtsgrondslag en waardeert het dat er in augustus 2023 aan de Commissie een lijst is toegezonden van derde landen die als prioritair worden beschouwd voor het sluiten van overeenkomsten die de samenwerking zouden kunnen vergemakkelijken; verzoekt de Commissie om de verzoeken van het EOM naar behoren in overweging te nemen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>103.</NO.P>merkt op dat het EOM is blijven gebruikmaken van interinstitutionele overeenkomsten en bilaterale overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau en dat het EOM eind 2024 actief deelnam aan 86 interinstitutionele raamovereenkomsten en 23 overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau of andere overeenkomsten met het openbaar bestuur van de Unie, teneinde tegen lagere kosten goederen en diensten af te nemen of om de begrotingsbesparingen uit de bestaande contractuele instrumenten te maximaliseren, in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>104.</NO.P>is zeer ingenomen met de deelname van Polen en Zweden aan het EOM; merkt op dat Denemarken zich nog steeds beroept op de opt-outregeling met betrekking tot het EOM uit hoofde van de protocollen nr. 21 en nr. 22 VWEU; is zich ervan bewust dat het EOM, na een eerste indicatie van de Ierse regering over haar mogelijke deelname aan de nauwere samenwerking, een speciale werkgroep heeft opgericht met vertegenwoordigers van de relevante diensten van het EOM om alle aspecten van de deelname te behandelen en de nationale autoriteiten bij het proces te begeleiden; merkt op dat er op verzoek van de lidstaat al verschillende informele bijeenkomsten zijn georganiseerd om de werking van het EOM toe te lichten; merkt echter op dat er in 2024 geen officiële uitwisselingen hebben plaatsgevonden met de Ierse werkgroep tussen agentschappen die is opgericht om de mogelijke toekomstige deelname van Ierland aan het EOM te onderzoeken; verzoekt de Commissie, het EOM en de Ierse autoriteiten met klem opnieuw een constructieve dialoog aan te gaan en een doeltreffende manier te vinden om vooruitgang te boeken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>105.</NO.P>betreurt het ten zeerste dat Hongarije de enige overblijvende lidstaat is die nog niet tot het EOM is toegetreden, hoewel er geen wettelijke of grondwettelijke belemmeringen zijn; dringt er bij de Hongaarse overheid met klem op aan onverwijld toe te treden tot het EOM; is van mening dat aanhoudende niet-deelname alleen kan worden opgevat als een opzettelijke poging om corruptie en misbruik van middelen van de Unie te onttrekken aan onafhankelijk Europees toezicht; is van mening dat met de toetreding van het land tot het EOM eindelijk tegemoet zou worden gekomen aan de reeds lang bestaande en legitieme eisen van het maatschappelijk middenveld en de burgers om de juridische waarborgen tegen fraude, corruptie en ander ernstig wangedrag te versterken en het vertrouwen in de bescherming van de financiële belangen van de Unie te herstellen, welke momenteel worden ondermijnd door aanhoudende tekortkomingen in de handhaving en die het positieve effect verzwakken van het beleid van de Unie ter ondersteuning van de groei, de cohesie en het welzijn van de Hongaarse burgers, kmo’s en lokale en regionale autoriteiten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>106.</NO.P>wijst op de verschillende pogingen van de Hongaarse regering om het personeel van de Europese Commissie en OLAF systematisch te bespioneren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>107.</NO.P>wijst erop dat de keuze van een lidstaat om niet samen te werken met het EOM, niches van immuniteit en voorrecht doet ontstaan die de verdediging van de financiële belangen van de Unie ongelijkmatig en inefficiënt maken en dringt er bij de Commissie op aan inbreukprocedures in te leiden tegen lidstaten die door het EOM gevoerde onderzoeken systematisch belemmeren; dringt er bij de Commissie op aan om er bij de toepassing van Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD> Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting (PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2092/oj).</FIELD></FOOTNOTE> mee rekening te houden dat niet-deelname aan het EOM een mogelijke dreiging voor de financiële belangen van de Unie kan vormen en verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de mate van samenwerking van de lidstaten met het EOM; betreurt in dat verband ten zeerste de in 2024 gemelde gevallen van bedreigingen van regeringen van lidstaten ten aanzien van OLAF- en EOM-onderzoekers bij de uitvoering van hun activiteiten ter plaatse; wijst erop dat dergelijke situaties de rechtsstaat ondermijnen, een ernstige schending vormen van het wederzijds vertrouwen en de loyale samenwerking tussen de lidstaten en de EU-instellingen en het optreden van de Unie verzwakken, en dringt erop aan krachtige preventieve en beschermende maatregelen in te voeren om personeel te beschermen wanneer het in risicovolle situaties wordt ingezet;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>108.</NO.P>benadrukt dat de activiteiten van het EOM moeten bijdragen tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie en tot het resultaat zouden moeten leiden dat uitgekeerde bedragen van de begroting van de Unie die vanwege criminele activiteiten niet zijn gebruikt voor het beoogde doel, worden teruggevorderd; merkt op dat het confiscatieproces, dat de terugvordering van dergelijke bedragen mogelijk maakt, onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten valt en dat de relevante geconfisqueerde bedragen of de waarde van de geconfisqueerde activa, die voortvloeien uit maatregelen die door de gedelegeerde Europese aanklagers in de lidstaten zijn genomen, terug moeten vloeien naar de begroting van de Unie, na aftrek van de kosten die de autoriteiten van de lidstaten hebben gemaakt om deze maatregelen uit te voeren, overeenkomstig artikel 38 van Verordening (EU) 2017/1939, dat verwijst naar activa of opbrengsten die moeten worden vervreemd overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, zonder afbreuk te doen aan de rechten van de Unie of van andere slachtoffers die voor de door hen geleden schade vergoed moeten worden; herinnert eraan dat de Commissie begrotingscontrole van het Parlement heeft voorgesteld om de potentiële inkomsten uit inbeslagneming en confiscatie in de begroting van de Unie op te nemen als ontvangsten zonder specifieke bestemming, onder een afzonderlijke begrotingslijn die door middel van een begrotingswijziging wordt gecreëerd; waardeert de toezegging van het EOM om samen te werken met de Commissie om alle inspanningen te ondersteunen die erop gericht zijn de uitvoering van het bovenstaande te waarborgen; acht het noodzakelijk artikel 38 te wijzigen om de effectieve uitvoering en monitoring ervan mogelijk te maken, teneinde de bescherming van de begroting van de Unie te waarborgen, en verzoekt de Commissie de nodige regelingen te treffen met de relevante nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat deze bedragen in de begroting van de Unie kunnen worden opgenomen en de nodige wetgevende oplossingen voor te stellen om dit effectief te handhaven;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>109.</NO.P>benadrukt het belang van de monitoring van en systematische rapportage over de follow-up van het onderzoek en de vervolging, met name met betrekking tot de vastgestelde financiële maatregelen (confiscatie en terugvordering), om een beter zicht te krijgen op de gevolgen van de acties van het EOM; merkt op dat het EOM en de Commissie zich ertoe hebben verbonden hun communicatie te stroomlijnen en af te stemmen op de mogelijke vaststelling van maatregelen om de door financiële misdrijven getroffen begroting van de Unie te herstellen; blijft erbij dat de Commissie het EOM moet bijstaan bij het toezicht op en de follow-up van de activiteiten van het EOM, om te voorkomen dat de beperkte middelen van het EOM worden onttrokken aan onderzoeks- en vervolgingstaken; is van mening dat het toezicht van het Parlement op de administratieve follow-up van zijn strafrechtelijke onderzoeken een essentiële bijdrage levert aan de verbetering van de efficiëntie van de fraudebestrijdingsarchitectuur van de Unie; moedigt de Commissie en alle onderdelen van de fraudebestrijdingsarchitectuur aan om een doeltreffende en efficiënte manier te vinden om de uitgevoerde acties te monitoren en verslag uit te brengen over het uiteindelijke resultaat ervan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>110.</NO.P>benadrukt de essentiële rol van de ontneming van vermogensbestanddelen en het afschrikkende effect ervan op de georganiseerde misdaad; merkt op dat de deelname van het EOM aan internationale netwerken zijn activiteiten in verband met ontneming van vermogensbestanddelen zou moeten bevorderen; herhaalt dat het tijdig en doeltreffend onderzoeken en vervolgen van financiële misdrijven moet leiden tot aanzienlijke besparingen voor de begroting van de Unie en de lidstaten;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Communicatie</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>111.</NO.P>waardeert de vele verbeteringen in de interne en externe communicatie van het EOM in 2024, met name de voorlichtingsbijeenkomsten over de bestrijding van intimidatie en met betrekking tot klokkenluiden, en andere bewustmakingsinitiatieven rond het ethisch kader van het EOM, dat nog wordt ontwikkeld; is ingenomen met de bijdrage aan de gedachtewisselingen in het Parlement tijdens de verschillende commissiedebatten, voornamelijk door de Europese hoofdaanklager (Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, Commissie begrotingscontrole, Commissie economische en monetaire zaken, Subcommissie belastingaangelegenheden);</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>112.</NO.P>merkt op dat het EOM slechts beperkte middelen tot zijn beschikking heeft voor communicatie en dat het beheer van de website van het EOM is overgeheveld naar een interne dienst, aangezien het EOM digitaal autonoom moet worden, waardoor er, na het wegvallen van de dienstverlening van DG Digitale Diensten, aanvullende middelen nodig zullen zijn; merkt op dat de begroting voor openbare communicatie- en promotieactiviteiten in 2024 235 382 EUR bedroeg en dat dit bedrag volledig is besteed, met name aan de aankoop van licenties voor mediamonitoring, andere communicatie-initiatieven en de vertaling van publicaties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>113.</NO.P>merkt op dat de socialemediastrategie van het EOM erop gericht is om verschillende doelgroepen, waaronder journalisten, institutionele belanghebbenden, juristen en rechtshandhavers, academici en het grote publiek, effectief te bereiken door de berichten af te stemmen op hun behoeften; merkt op dat het belangrijkste doel van de aanwezigheid van het EOM op sociale media is om vertrouwen op te bouwen door de zichtbaarheid te vergroten; verzoekt het EOM andermaal duidelijk het best mogelijke evenwicht te vinden tussen transparantie en openbaar belang enerzijds en vertrouwelijkheid en een goed verloop van het onderzoek anderzijds, en de neutraliteit van de communicatie over zijn activiteiten te waarborgen; moedigt het EOM aan om een geruststellende boodschap uit te dragen over de operationele dimensie van de waarden en beginselen van de Unie, die verankerd zijn in onafhankelijkheid en de naleving van de wet, en worden toegepast met transparantie en aandacht; merkt op dat effectieve communicatie door het EOM bijdraagt aan het versterken van de reputatie van de instellingen bij de burgers en het bewustzijn van de belastingbetalers vergroot over de complexiteit en het belang van de bescherming van de financiële belangen van de Unie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>114.</NO.P>wijst erop dat de inspanningen van het EOM om correcte en begrijpelijke informatie te verstrekken over de complexe zaken die worden vervolgd, een sterke stimulans kunnen zijn voor burgers van de Unie om mogelijk wangedrag aan het EOM te melden, en kunnen bijdragen tot een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld; waardeert de toewijding van het EOM om zijn werk voor journalisten, burgers en academici inzichtelijker te maken door middel van persbriefings in verschillende lidstaten, studiebezoeken en conferenties en door middel van regelmatige updates en rapporten over mijlpalen om alle doelgroepen op de hoogte te houden van het werk en de impact van het EOM; begrijpt dat de gevoeligheid van de zaken die worden onderzocht en de noodzaak om het vermoeden van onschuld van de vele partijen die bij zaken van het EOM betrokken zijn, te eerbiedigen, vereisen dat persberichten accuraat zijn en dat informatie alleen wordt verspreid nadat deze vooraf is geverifieerd door openbare aanklagers en getoetst is aan de wettelijke vereisten, waarna deze eventueel via e-mail, onlineplatforms en sociale media kan worden verspreid; merkt op dat directe communicatie via sociale media interpretatie door derden verhindert en het gemakkelijker maakt om de boodschappen van het EOM nauwkeurig en transparant over te brengen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>115.</NO.P>is van mening dat verbeterde strategische communicatie gepaard moet gaan met een betere toegankelijkheid tot de meldingsmogelijkheden en is ingenomen met het feit dat het EOM de meldingsmogelijkheid promoot in de biografieën van al zijn socialemedia-accounts en met het feit dat het EOM verzoekt om deze op te nemen in elke standaardpresentatie voor externe doelgroepen en bezoekers en op conferenties of toespraken, indien van toepassing;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De gevolgen van de Russische illegale aanvalsoorlog tegen Oekraïne</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>116.</NO.P>is ingenomen met het besluit om de wetgeving die in juli 2025 door het Oekraïense parlement, de Verchovna Rada, is aangenomen, niet goed te keuren, aangezien deze wetgeving de doeltreffendheid van de acties van het Oekraïense gespecialiseerde bureau voor corruptiebestrijding van de openbaar aanklager (SAPO) en het nationale bureau voor corruptiebestrijding (NABU) zou hebben verzwakt, met name gezien de recente gevallen van corruptie op hoog niveau die door de media zijn gemeld, waaruit duidelijk blijkt dat een voorzichtige en behoedzame aanpak noodzakelijk is bij de bestrijding van corruptiemisdrijven en dat de inspanningen van Oekraïne om transparantiedoelstellingen effectief na te streven, belangrijk zijn;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>117.</NO.P>is zich ervan bewust dat het EOM drie werkregelingen heeft ondertekend met het Oekraïense openbaar ministerie (PGO), NABU en SAPO, allemaal om de samenwerking bij respectieve onderzoeken op basis van het bestaande rechtskader te vergemakkelijken; merkt op dat het EOM in 2024 in zijn gebouwen vier opleidingen heeft georganiseerd voor Oekraïense openbare aanklagers en onderzoekers van NABU; herinnert eraan dat de bevoegdheid van het EOM onder specifieke omstandigheden kan worden uitgebreid tot middelen van de Unie, zelfs wanneer deze in derde landen worden aangewend, en zich ook kan uitstrekken tot het omzeilen van sancties van de Unie, voor zover deze onder het huidige mandaat van het EOM vallen en de omzeiling mogelijk schade toebrengt aan de financiële belangen van de Unie door ontduiking van douanerechten of heffingen; is zich ervan bewust dat de opsporing en melding van fraude door de bevoegde autoriteiten inderdaad een cruciale voorwaarde blijft voor verdere samenwerking en dat de uitwisseling van expertise die met het opleidingsaanbod op gang is gebracht, de Oekraïense autoriteiten verder zal helpen bij hun inspanningen om mogelijke fraude met middelen van de Unie op te sporen; waardeert de bereidheid van het EOM om de samenwerking te intensiveren door samen met de Oekraïense autoriteiten speciale taskforces op te richten om, waar dat nodig is, en rekening houdend met de omvang en reikwijdte van de gemelde misdrijven, onderzoeken te coördineren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>118.</NO.P>merkt op dat de toenemende financiële steun van de Unie aan Oekraïne, onder meer in het kader van de faciliteit voor Oekraïne, de komende jaren waarschijnlijk zal leiden tot extra onderzoeksverzoeken aan het EOM; benadrukt dat het belangrijk is op deze uitdagingen te anticiperen door middel van voldoende personeel, veilige digitale infrastructuur en versterkte samenwerkingskaders, teneinde de financiële belangen van de Unie te beschermen en Oekraïne doeltreffend te ondersteunen.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>