<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0164</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Harald Vilimsky</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0125/2026 - Rapporteur: David Cormand)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 19 mei 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Harald Vilimsky (2025/2158(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Harald Vilimsky dat werd ingediend door de Permanente Vertegenwoordiging van Oostenrijk bij de Europese Unie bij brief van 1 juli 2025, waarmee een verzoek van het openbaar ministerie te Wenen werd doorgezonden in verband met de strafrechtelijke vervolging van Harald Vilimsky, en van de ontvangst waarvan op 9 juli 2025 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Harald Vilimsky op 15 april 2026 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C 502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0125/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de Permanente Vertegenwoordiging van Oostenrijk bij de Europese Unie een verzoek van het openbaar ministerie te Wenen heeft doorgezonden met het oog op de opheffing van de immuniteit van Harald Vilimsky, een in Oostenrijk verkozen lid van het Europees Parlement, in verband met het vermoeden van meerdere strafbare feiten betreffende verduistering van middelen, zijnde strafbare feiten uit hoofde van artikel 153, leden 1 en 3, van het Oostenrijkse wetboek van strafrecht, op grond van zijn vermeende medeplichtigheid aan de strafbare feiten als bedoeld in artikel 12 van dat wetboek;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat het, overeenkomstig het verzoek, na eerdere verzoeken van het openbaar ministerie te Wenen in 2021 waarbij werd verzocht de immuniteit van Harald Vilimsky op te heffen en het besluit van het Europees Parlement van 11 november 2021 tot opheffing van zijn immuniteit, en in het licht van nieuwe feiten, passend is om ook met betrekking tot het nieuwe bewijs te verzoeken de immuniteit van Harald Vilimsky op te heffen; overwegende dat Harald Vilimsky, volgens informatie uit het onderzoek, ervan wordt verdacht zijn macht te hebben misbruikt door middelen van zijn politieke partij FPÖ (Freiheitliche Partei Österreichs - Die Freiheitlichen) te gebruiken voor doeleinden die geen verband houden met de activiteiten van die partij, op datums in 2013 die nog nauwkeurig moeten worden vastgesteld, met name door betalingen voor privédoeleinden toe te staan die geen verband houden met de activiteiten van de partij en die betrekking hebben op de installatie van een deur en een slot op zijn privéadres, waardoor het vermogen van de FPÖ een schade van in totaal 9 434 EUR heeft geleden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Harald Vilimsky bij de Europese verkiezingen van mei 2019 werd verkozen tot lid van het Parlement, hij werd herkozen in 2024, en hij dus geen lid van het Europees Parlement was ten tijde van de vermeende strafbare feiten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de vermeende strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Harald Vilimsky niet bestaan uit, respectievelijk geen verband houden met een mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement, tijdens de zittingsduur ervan, op het grondgebied van hun eigen lidstaat de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun lidstaat zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 57, leden 2 en 3, van de Oostenrijkse grondwet het volgende wordt bepaald:</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P>“2.	Leden van de Nationale Raad kunnen wegens een strafbaar feit slechts met toestemming van de Nationale Raad worden aangehouden, uitgezonderd in geval van betrapping op heterdaad bij het plegen van een misdrijf. Leden van de Nationale Raad zijn tevens immuun voor huiszoekingen, behalve met toestemming van de Nationale Raad.</P></CONS><CONS><P>3.	In alle andere gevallen kunnen leden van de Nationale Raad alleen zonder toestemming van de Nationale Raad worden vervolgd voor een strafbaar feit indien het feit kennelijk geen verband houdt met de politieke activiteiten van het betreffende lid. De vervolgingsautoriteit dient echter een besluit van de Nationale Raad te verkrijgen over het bestaan van een dergelijk verband indien het betreffende lid, of een derde van de leden van de permanente commissie die voor dergelijke zaken verantwoordelijk is, daarom verzoekt. Op een dergelijk verzoek dient de vervolgingsautoriteit onmiddellijk af te zien van verdere actie of elke reeds gestarte actie te staken.”;</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de immuniteit als genoemd in Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van zijn Reglement, geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Parlement in dit geval geen bewijs van <STRING ITALIC="on">fumus persecutionis</STRING> heeft gevonden, dat wil zeggen het lijkt er niet op dat de gerechtelijke procedure wordt gevoerd met de intentie de politieke activiteiten van Harald Vilimsky als lid van het Europees Parlement, en dus de onafhankelijkheid van het Parlement, te schaden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen en een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266, punt 91.</FIELD></FOOTNOTE>” kan worden aangemerkt;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Harald Vilimsky op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Republiek Oostenrijk en aan Harald Vilimsky.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>