<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0165</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Angelika Niebler</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0127/2026 - Rapporteur: Marcin Sypniewski)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 19 mei 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Angelika Niebler (2025/2175(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Angelika Niebler, dat door de Europees hoofdaanklager bij brief van 21 juli 2025 bij het Parlement werd ingediend en dat bij brief van 1 september 2025 werd bevestigd, in verband met een vooronderzoek tegen Angelika Niebler, en van de ontvangst waarvan op 10 september 2025 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Angelika Niebler op 15 april 2026 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie<FOOTNOTE><FIELD> PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.</FIELD></FOOTNOTE>, en met name artikel 29, lid 2,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 46 van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0127/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de Europees hoofdaanklager bij brief van 21 juli 2025 een verzoek tot opheffing van de immuniteit van Angelika Niebler, in Duitsland verkozen lid van het Europees Parlement, heeft ingediend en dit verzoek bij brief van 1 september 2025 heeft bevestigd, en dat dit verzoek verband houdt met vermeende strafbare feiten in de periode 2017‑2025;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat in het verzoek, dat gebaseerd is op informatie van een particuliere partij die van augustus 2021 tot september 2023 voor Angelika Niebler heeft gewerkt, wordt gesteld dat Angelika Niebler vanaf 2017 (van de 8e tot in de 10e zittingsperiode) ten onrechte om vergoeding van reiskosten zou hebben verzocht in verband met reizen naar Straatsburg en Brussel, tijdelijke geaccrediteerde parlementaire medewerkers en plaatselijke medewerkers zou hebben ingezet voor haar privédoeleinden of voor doeleinden die geen verband hielden met de rol van lid van het Europees Parlement of met de uitoefening van parlementaire werkzaamheden, en dat zij bovendien een plaatselijke medewerker in dienst zou hebben genomen van wie het salaris werd betaald door het Europees Parlement voor Angelika Niebler maar die uitsluitend zou hebben gewerkt voor een voormalig lid van het Europees Parlement van dezelfde partij; overwegende dat in het verzoek wordt gesteld dat de aangeleverde informatie grond biedt tot het vermoeden dat Angelika Niebler haar vergoeding voor parlementaire assistentie heeft gebruikt in strijd met artikel 29, lid 2, van het besluit van het Bureau van 11 september 2023 houdende de bepalingen ter uitvoering van het statuut van de leden van het Europees Parlement<FOOTNOTE><FIELD> Besluit van het Bureau van 11 september 2023 houdende de bepalingen ter uitvoering van het statuut van de leden van het Europees Parlement en tot intrekking van het besluit van het Bureau van 19 mei en 9 juli 2008 (PB C, C/2024/2814, 26.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/2814/oj).</FIELD></FOOTNOTE>; overwegende dat het bij de vermeende handelingen mogelijk gaat om het strafbare feit fraude in de zin van artikel 263, leden 1 en 3, van het Duitse wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Angelika Niebler bij de Europese verkiezingen van mei 2014 werd verkozen tot lid van het Europees Parlement en dat zij werd herkozen in mei 2019 en juni 2024, en dus lid van het Europees Parlement was ten tijde van de vermeende strafbare feiten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de vermeende strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Angelika Niebler niet bestaan uit, respectievelijk geen verband houden met, een mening of stem die zij in de uitoefening van haar ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement op het grondgebied van hun eigen lidstaat de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging van hun lidstaat zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 46, leden 2, 3, en 4, van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland het volgende is bepaald:</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P>“(2)	Een lid mag niet ter verantwoording worden geroepen of worden gearresteerd op grond van een strafbaar feit zonder dat de Bondsdag daarvoor toestemming verleent, tenzij in gevallen waarin hij op heterdaad of de dag volgend op het strafbare feit wordt aangehouden.</P></CONS><CONS><P>(3)	Beperking van de persoonlijke vrijheid van een lid of het inleiden van een procedure krachtens artikel 18 tegen een lid, is alleen geoorloofd na toestemming van de Bondsdag.</P></CONS><CONS><P>(4)	Een tegen een lid ingestelde strafrechtelijke vervolging, een procedure krachtens artikel 18, alsmede iedere vorm van hechtenis of andere beperking van de persoonlijke vrijheid van een lid worden op verzoek van de Bondsdag opgeschort.”;</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de immuniteit waarin Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voorziet, tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat in artikel 5, lid 2, van zijn Reglement wordt bepaald dat de parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het besluit over de opheffing van de immuniteit gebaseerd moet zijn op de in het betrokken geval verstrekte informatie en uitleg; overwegende dat er veel onduidelijkheid is met betrekking tot de feiten en motieven die ten grondslag liggen aan de klacht naar aanleiding waarvan het verzoek tot opheffing van de immuniteit werd ingediend, waaronder het feit dat het gaat om een anonieme klacht, waardoor het onmogelijk is om de klacht zorgvuldig te beoordelen en niet kan worden uitgesloten dat de klacht om politieke redenen werd ingediend door een particuliere persoon om Angelika Niebler in diskrediet te brengen; overwegende dat de timing en het selectieve karakter van de klacht eveneens twijfels doen rijzen, met name gezien de prominente politieke rol die Angelika Niebler speelt; overwegende dat de inconsistenties in het verzoek, zoals een opvallend gebrek aan nauwkeurigheid wat betreft de exacte bedragen die het betrokken lid onrechtmatig zou hebben gebruikt en de specifieke omstandigheden waarin het vermeende wangedrag zou hebben plaatsgevonden, doen vermoeden dat de aanklacht mogelijk bedoeld is om de reputatie van Angelika Niebler te schaden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat in dit geval dus kan worden aangenomen dat er sprake is van fumus persecutionis, dat wil zeggen dat er “concrete elementen”<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 17 september 2020, Troszczynski/Parlement, C‑12/19 P, ECLI:EU:C:2020:725, punt 26.</FIELD></FOOTNOTE> zijn die erop wijzen dat de strafrechtelijke procedure bedoeld is om de politieke activiteiten van Angelika Niebler, in haar hoedanigheid van lid van het Europees Parlement, en dus de onafhankelijkheid van het Parlement, te schaden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen en dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Angelika Niebler niet op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan het Europees Openbaar Ministerie en aan Angelika Niebler.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>