<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0166</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Nikos Pappas</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0128/2026 - Rapporteur: Marcin Sypniewski)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 19 mei 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Nikos Pappas (2025/2234(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Nikos Pappas d.d. 7 oktober 2025, dat door de adjunct-procureur-generaal bij het hooggerechtshof van de Helleense Republiek op verzoek van de openbaar aanklager bij de rechtbank van eerste aanleg te Athene werd ingediend in verband met een tegen Nikos Pappas in te leiden strafrechtelijke procedure, en van de ontvangst waarvan op 12 november 2025 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na Nikos Pappas op 15 april 2026 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0128/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de adjunct-procureur-generaal van het hooggerechtshof van de Helleense Republiek op verzoek van de openbaar aanklager bij de rechtbank van eerste aanleg te Athene een verzoek heeft ingediend tot opheffing van de immuniteit van Nikos Pappas, in Griekenland verkozen lid van het Europees Parlement, omdat deze ervan wordt verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan online belediging en bedreiging, wat strafbare feiten zijn op grond van artikel 94, artikel 361, lid 1, eerste en tweede zin, en artikel 333, lid 1, eerste zin, van het Griekse wetboek van strafrecht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat uit het verzoek blijkt dat tegen Nikos Pappas een klacht is ingediend waarin werd gesteld dat deze de klager op 11 juni 2025 had beledigd en bedreigd via directe berichten die hij verstuurd had vanaf zijn persoonlijke Instagramaccount;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Nikos Pappas bij de Europese verkiezingen van juni 2024 is verkozen tot lid van het Europees Parlement en dus ten tijde van de vermeende strafbare feiten lid was van het Europees Parlement; overwegende dat, volgens het verzoek, de klacht tegen hem dateert van 16 juli 2025;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de vermeende strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Nikos Pappas niet bestaan uit, respectievelijk geen verband houden met, een mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement op het grondgebied van hun eigen lidstaat de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging van hun lidstaat zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat uit hoofde van artikel 62 van de Griekse grondwet een parlementslid gedurende zijn ambtstermijn niet kan worden vervolgd, gearresteerd, gevangengezet of onderworpen aan andere vrijheidsbenemende maatregelen zonder toestemming van de Kamer van Afgevaardigden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de immuniteit waarin Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voorziet, tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat in artikel 5, lid 2, van zijn Reglement wordt bepaald dat de parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Parlement in dit geval geen bewijs van fumus persecutionis heeft gevonden en de gerechtelijke procedure in kwestie bijgevolg niet bedoeld lijkt om de politieke activiteiten van Nikos Pappas als lid van het Europees Parlement en dus de onafhankelijkheid van het Parlement schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Nikos Pappas op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Helleense Republiek en aan Nikos Pappas.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>