<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" STATUS="DEF1" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0167</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Alvise Pérez</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0129/2026 - Rapporteur: Pascale Piera)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 19 mei 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Alvise Pérez (2025/2236(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Alvise Pérez (Luis Pérez Fernandez), dat bij brief van 31 oktober 2025 werd ingediend door de hoogste rechterlijke instantie van Spanje in verband met een strafrechtelijke vervolging, en waarvan op 12 november 2025 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het feit dat Alvise Pérez wordt geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht om te worden gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van het Reglement van het Europees Parlement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 71, leden 1 en 2, van de Spaanse grondwet,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0129/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat de voorzitter van de hoogste rechterlijke instantie van Spanje bij brief van 31 oktober 2025 een verzoek tot opheffing van de immuniteit van Alvise Pérez, een in Spanje verkozen lid van het Europees Parlement, heeft ingediend in verband met het vermoeden van meerdere strafbare feiten die in 2024 zouden zijn gepleegd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat, volgens het verzoek, Alvise Pérez tussen 7 april 2024 en 27 mei 2024 banden zou hebben onderhouden met een adviseur die optreedt namens natuurlijke en rechtspersonen met het oog op het verkrijgen van economische voordelen door middel van fiscale optimaliseringsregelingen, met als doel een “portefeuille” te creëren om middelen te werven voor de financiering van de verkiezingscampagne van de door Alvise Pérez opgerichte politieke partij, genaamd “Se Acabó La Fiesta”; overwegende dat de adviseur die deze “portefeuille” heeft opgezet volgens het verzoek een voorschot van 100 000 EUR zou hebben betaald aan Alvise Pérez ten voordele van de genoemde politieke partij met het oog op de Europese verkiezingen; overwegende dat de vermeende feiten mogelijk kunnen worden aangemerkt als het strafbare feit van illegale financiering van een politieke partij in de zin van artikel 304 bis, lid 1, van het Spaanse wetboek van strafrecht en als een verkiezingsmisdrijf in de zin van artikel 149, lid 1, van organieke wet nr. 5/1985 van 19 juni 1985 houdende de algemene regeling voor de organisatie van verkiezingen in Spanje; overwegende dat het onderzoek is ingeleid bij beschikking van 20 september 2024;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Alvise Pérez bij de Europese verkiezingen van juni 2024 werd verkozen tot lid van het Europees Parlement, en dat hij dus geen lid van het Europees Parlement was ten tijde van de vermeende strafbare feiten;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de vermeende strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Alvise Pérez niet bestaan uit resp. geen verband houden met een mening of stem die Alvise Pérez in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur ervan op het grondgebied van hun eigen lidstaat de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun lidstaat zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 71, leden 1 en 2, van de Spaanse grondwet het volgende wordt bepaald:</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P>“1.	Afgevaardigden en senatoren genieten onschendbaarheid voor de in de uitoefening van hun taken geuite opvattingen.</P></CONS><CONS><P>2.	Afgevaardigden en senatoren genieten gedurende hun mandaat immuniteit en kunnen slechts worden aangehouden in het geval van ontdekking op heterdaad. Zij kunnen niet in staat van beschuldiging worden gesteld of worden vervolgd zonder voorafgaande toestemming van de desbetreffende parlementaire Kamer.”;</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de immuniteit als genoemd in Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de parlementaire immuniteit, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van zijn Reglement, geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op <STRING ITALIC="on">fumus persecutionis</STRING>, dat wil zeggen dat de strafrechtelijke procedure niet bedoeld lijkt om de politieke activiteiten van Alvise Pérez als lid van het Europees Parlement, en dus de onafhankelijkheid van het Europees Parlement, schade toe te brengen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T‑214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Alvise Pérez op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Spanje en aan Alvise Pérez.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>