<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0215</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Commissieverslag 2025 over Turkije</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0106/2026 - Rapporteur: Nacho Sánchez Amor)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Resolutie van het Europees Parlement van 17 juni 2026 over het Commissieverslag 2025 over Turkije (2025/2256(INI))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 en 18 april 2024, 30 juni 2023, 23 juni 2022, 24 juni 2021 en 12 december 2019, en alle relevante eerdere conclusies van de Raad en de Europese Raad,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het lidmaatschap van Turkije van de Raad van Europa en de NAVO,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Turkije inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven<FOOTNOTE><FIELD> PB L 134 van 7.5.2014, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2014/252/oj.</FIELD></FOOTNOTE>  (overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de leden van de Europese Raad van 25 maart 2021 over Turkije,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaringen EU-Turkije van 18 maart 2016 van de Raad en van 29 november 2015 van de Europese Raad,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het EU-kader voor onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de verklaring van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten van 21 september 2005 naar aanleiding van de verklaring die Turkije heeft afgelegd bij de ondertekening op 29 juli 2005 van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van de Raad van 11 december 2006 en 6 maart 2020 en de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Kopenhagen van 21 en 22 juni 1993, die ook wel bekendstaan als de criteria van Kopenhagen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Raad van 16 december 2025 over uitbreiding en de conclusies van de Raad van 17 december 2024 en van 12 december 2023,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het internationaal zeerecht zoals opgenomen in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos), waarin het rechtskader inzake maritieme zones en de soevereine rechten van kuststaten is vastgesteld,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 4 november 2025 getiteld “Mededeling inzake het uitbreidingsbeleid van de EU voor 2025” (COM(2025)0690) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld “Türkiye 2025 Report” (Verslag over Turkije 2025) (SWD(2025)0756),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Speciaal verslag 06/2024 van de Europese Rekenkamer van 24 april 2024 getiteld “De Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije – Gunstig voor vluchtelingen en gastgemeenschap, maar impact en duurzaamheid nog niet gewaarborgd”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 29 november 2023 (JOIN(2023)0050) en 22 maart 2021 (JOIN(2021)0008) over de stand van zaken met betrekking tot de politieke, economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en Turkije,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de mededeling van de Commissie van 25 september 2025, getiteld “Negende jaarverslag over de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije” (COM(2025)0517),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de resolutie van het Europees Comité van de Regio’s van 3 april 2025 over de arrestatie van Turkse burgemeesters en de aanval op de lokale democratie in Turkije,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Europees Comité van de Regio’s van 5 maart 2026 over het Uitbreidingspakket 2025 — Westelijke Balkan en Turkije,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de grondbeginselen van het internationaal recht en het Handvest van de Verenigde Naties, de overeenkomsten op hoog niveau tussen de leiders van de twee gemeenschappen in Cyprus van 1977 en 1979, en de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Cyprus, waaronder Resolutie 186 (1964) van 4 maart 1964, waarin de soevereiniteit van de Republiek Cyprus wederom wordt bevestigd, Resolutie 541 (1983) en Resolutie 550 (1984) van 11 mei 1984 over separatistische acties op Cyprus, Resolutie 789 (1992) van 25 november 1992, de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 23 juli 2021 over Varosha, en de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad en de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over de Vredesmacht van de Verenigde Naties op Cyprus (UNFICYP), waarvan het mandaat bij Resolutie 2815 (2026) tot 31 januari 2027 is verlengd,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 46 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), waarin staat dat de verdragsluitende partijen zich ertoe verbinden zich te houden aan de einduitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in zaken waarbij zij partij zijn, en gezien de daaruit voortvloeiende verplichting van Turkije om alle uitspraken van het EHRM ten uitvoer te leggen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de desbetreffende resoluties van het Comité van Ministers van de Raad van Europa,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien Verklaring 12(2025) van het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa van 27 maart 2025, getiteld “Dismissals of Mayors in Türkiye” (De afzetting van burgemeesters in Turkije),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag dat de Commissie van Venetië van de Raad van Europa tijdens haar zitting van 9 en 10 oktober 2025 heeft aangenomen over de gevolgen van de voorlopige hechtenis van burgemeesters voor de uitoefening van lokaal democratisch bestuur,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de door Verslaggevers zonder Grenzen gepubliceerde wereldindex voor persvrijheid van 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het monitoringverslag 2025 van Media Freedom Rapid Response,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het Verdrag van Istanbul,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de door Transparency International op 10 februari 2026 gepubliceerde corruptieperceptie-index 2025,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het document van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) van 22 november 2025 getiteld “Republic of Türkiye: Staff Concluding Statement of the 2025 Article IV Mission (Republiek Turkije: slotverklaring van het personeel ten aanzien van de artikel IV-missie van 2025)”,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het op 11 juni 2025 gepubliceerde Global Gender Gap Report 2025 (wereldwijd verslag over de genderkloof) van het World Economic Forum,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de Unesco-verklaring van 10 juli 2020 over de Hagia Sofia en de desbetreffende besluiten van Commissie voor het werelderfgoed van Unesco 44 COM 7B.58 (2021) en 45 COM 7B.58 (2023) over de historische delen van Istanbul, die respectievelijk tijdens de 44e en 45e zitting van het comité zijn aangenomen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 11 maart 2026 over de EU-uitbreidingsstrategie<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P10_TA(2026)0077.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 29 februari 2024 over verdieping van de EU-integratie met het oog op toekomstige uitbreidingen<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2024/6746, 26.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6746/oj<STRING ITALIC="on">.</STRING></FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 12 februari 2026 over de gerichte uitzettingen van buitenlandse journalisten en christenen in Turkije onder het mom van nationale veiligheid<FOOTNOTE><FIELD> Aangenomen teksten, P10_TA(2026)0047.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien al zijn eerdere resoluties over Turkije,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resoluties over Cyprus,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide<FOOTNOTE><FIELD> PB C 328 van 6.9.2016, blz. 2.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 55 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A10-0106/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat Turkije kandidaat blijft voor toetreding tot de EU; overwegende dat het EU-lidmaatschap het herhaaldelijk uitgesproken politieke doel van de Turkse regering blijft, hoewel de kloof met de waarden en beginselen die zijn verankerd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en sommige beleidsmaatregelen van de EU blijft toenemen; overwegende dat Turkije op geloofwaardige wijze blijk moet geven van zijn inzet voor nauwere betrekkingen met en afstemming op de Europese Unie, de criteria van Kopenhagen, met inbegrip van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, moet eerbiedigen en hoog moet houden, zijn betrekkingen met alle EU-lidstaten moet normaliseren en goede nabuurschapsbetrekkingen met de EU en al haar lidstaten moet nastreven en onderhouden om zijn Europees perspectief nieuw leven in te blazen; overwegende dat Turkije herhaaldelijk is verzocht zich te onthouden van elke handeling die een inbreuk vormt op de soevereiniteit en soevereine rechten van ongeacht welke EU-lidstaat en die in strijd is met het internationaal en EU-recht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat de onderhandelingen over toetreding tot de EU sinds 2018 feitelijk stilliggen wegens de verslechtering van de rechtsstaat en democratie in Turkije en de gespannen bilaterale betrekkingen in die periode;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat de Commissie in haar laatste voortgangsverslag van 2025 opnieuw een ernstige achteruitgang van de rechtsstaat en een verslechterende mensenrechtensituatie in Turkije heeft vastgesteld en vragen heeft gesteld over de naleving van fundamentele democratische beginselen ten opzichte van de vorige verslagperiode in 2024;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht nog steeds ernstige zorgen baart, ondanks de elf “pakketten van justitiële hervorming” die de Turkse regering sinds 2019 heeft aangenomen; overwegende dat de grondwettelijke orde van het land gevaar loopt doordat het gezag van het grondwettelijk hof wordt ondermijnd door lagere rechtbanken die weigeren zijn uitspraken ten uitvoer te leggen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat voor de wet duidelijk met twee maten wordt gemeten, zoals blijkt uit de zeer uiteenlopende behandeling van vergelijkbare zaken, met name in politieke of spraakmakende gerechtelijke procedures of in zaken die verband houden met aanklachten wegens belediging van overheidsfunctionarissen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat Turkije het strafrecht en de antiterreurwetgeving stelselmatig heeft ingezet om op te treden tegen gekozen functionarissen, oppositiepolitici en mensenrechtenverdedigers; overwegende dat de democratische normen en processen in Turkije de afgelopen tijd sterk achteruit zijn gegaan, zowel op lokaal als op nationaal niveau, als gevolg van rechterlijke uitspraken en druk van de overheid op burgemeesters en gemeenten waar de oppositie aan de macht is; overwegende dat sinds de lokale verkiezingen van maart 2024 ten minste 39 burgemeesters van oppositiepartijen, in het bijzonder 29 van de Republikeinse Volkspartij (CHP) en 10 van de Volkspartij voor gelijkheid en democratie (DEM), zijn gearresteerd en uit hun ambt zijn ontzet; overwegende dat in 13 gevallen burgemeesters zijn vervangen door bestuurders die door de regering zijn aangesteld;</P></CONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat, na een langdurige juridische procedure, een regionaal hof van beroep te Ankara op 21 mei 2026 een uitspraak heeft gedaan waarbij het partijcongres van de CHP van 2023 “absoluut nietig” (“mutlak butlan”) werd verklaard, met als gevolg dat de verkiezing waarbij Özgür Özel tot voorzitter werd gekozen en de huidige partijleiding aantrad, ongeldig is geworden; overwegende dat bij deze rechterlijke uitspraak, ondanks mogelijke beroepsprocedures, een specifiek bevel was gevoegd om de gekozen partijleiding daadwerkelijk uit haar functie te laten treden en haar bevoegdheden over te dragen aan de voormalige voorzitter, Kemal Kılıçdaroğlu, en de vorige partijvergadering; overwegende dat de Turkse oproerpolitie drie dagen later, op 24 mei 2026, op verzoek van het team van voormalig voorzitter Kılıçdaroğlu, het hoofdkantoor van de CHP in Ankara bestormde en met traangas en geweld de rechterlijke uitspraak afdwong om de gekozen partijleiding af te zetten en de vorige weer in functie te laten treden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat de democratisch verkozen burgemeester Ekrem İmamoğlu van Istanbul sinds 19 maart 2025 in de gevangenis zit op basis van valse beschuldigingen die erop wijzen dat er politieke druk is uitgeoefend, hetgeen een flagrante inbreuk vormt op de basisbeginselen van het strafrecht, zoals het beginsel van individuele verantwoordelijkheid; overwegende dat dit algemeen wordt beschouwd als een poging om de belangrijkste oppositiekandidaat buitenspel te zetten voor de komende presidentsverkiezingen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat er momenteel ongeveer 800 dossiers zijn ingediend bij de Grote Nationale Vergadering van Turkije (GNAT) waarin wordt verzocht om opheffing van de parlementaire immuniteit van huidige parlementsleden; overwegende dat de overgrote meerderheid daarvan parlementsleden van oppositiepartijen betreft, vooral van de partijen DEM en CHP;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat Turkije lid is van de Raad van Europa en daarom wettelijk gebonden is aan de uitspraken van het EHRM; overwegende dat er momenteel historische inbreukprocedures tegen Turkije lopen omdat het land heeft verzuimd om belangrijke uitspraken van het EHRM ten uitvoer te leggen; overwegende dat Turkije consequent tot de landen behoort die het vaakst de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals gewaarborgd door het EVRM, schenden; overwegende dat Turkije in januari 2026 het hoogste aantal aanhangige zaken bij het EHRM had, met meer dan een derde van het totale aantal zaken op de lijst;</P></CONS><CONS><P><NO.P>K.</NO.P>overwegende dat Turkije door Freedom House als “onvrij” wordt aangemerkt en dat het een van de landen in de wereld is waar de mate van vrijheid de afgelopen elf jaar het sterkst is gedaald; overwegende dat Turkije op de wereldindex voor persvrijheid 2025 nog verder is gezakt naar de 159e plaats van 180 landen voor persvrijheid, en dat in het verslag wordt benadrukt dat het autoritarisme in Turkije terrein wint, de pluriformiteit van de media ter discussie wordt gesteld en alle mogelijke middelen worden ingezet om critici te ondermijnen; overwegende dat volgens Verslaggevers zonder Grenzen (VZG) en de BIA Media Monitoring Reports in 2025 tussen de 20 en 29 journalisten gevangen zijn gezet, drie anderen maandenlang onder huisarrest zijn geplaatst en tientallen anderen zijn onderworpen aan gerechtelijk toezicht dat een inbreuk vormde op hun bewegingsvrijheid; overwegende dat in dezelfde periode in totaal 58 journalisten door de politie zijn aangehouden of gedwongen zijn meegenomen voor verhoor;</P></CONS><CONS><P><NO.P>L.</NO.P>overwegende dat Turkije in 2025 in de mondiale genderkloofindex van 146 landen op de 135e plaats stond, waaruit blijkt dat er sprake is van ernstige genderongelijkheid en systemische tekortkomingen bij de bescherming van vrouwenrechten; overwegende dat er volgens gegevens van het platform voor de beëindiging van femicide in 2025 sprake was van 297 verdachte sterfgevallen onder vrouwen en 294 femicides, terwijl andere bronnen cijfers rapporteerden van maar liefst 420 sterfgevallen; overwegende dat het aantal verdachte sterfgevallen onder vrouwen in Turkije in 2025 tot recordhoogte is gestegen; overwegende dat het ontbreken van een uitgebreid officieel systeem voor gegevensverzameling over femicide een ernstig punt van zorg blijft; overwegende dat Turkije eruit springt als een van de OESO landen die het sterkst te maken hebben met geweld tegen vrouwen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>M.</NO.P>overwegende dat het aantal gevangenen in Turkije volgens de lokale mensenrechtenorganisaties IHD en TIHV op 2 december 2025 een recordaantal van 433 543 had bereikt, wat neerkomt op een verzevenvoudiging in de afgelopen twee decennia, terwijl nog eens 460 921 mensen onder gerechtelijk toezicht stonden; overwegende dat deze organisaties ook 1 412 zieke gevangenen hebben geregistreerd, onder wie 335 ernstig zieken; overwegende dat Turkse gevangenissen boven hun capaciteit opereren, waardoor problemen zoals overbevolking, gebrekkige leefomstandigheden en beperkte toegang tot basisvoorzieningen worden verergerd; overwegende dat het aantal meldingen van mensenrechtenschendingen in gevangenissen is toegenomen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>N.</NO.P>overwegende dat Turkije volgens Transparency International 31 punten op een totaal van 100 scoort op haar corruptieperceptie-index 2025, wat neerkomt op een daling ten opzichte van 50 punten op een totaal van 100 in 2013 tot de laagste score ooit, waarmee Turkije momenteel op de 124e plaats van 180 landen staat; overwegende dat meer dan negen jaar na de goedkeuring van het vierde evaluatierapport van de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco) van de Raad van Europa over Turkije, slechts 3 van de 22 aanbevelingen uit het rapport volledig zijn uitgevoerd;</P></CONS><CONS><P><NO.P>O.</NO.P>overwegende dat Turkije een diverse, multi-etnische samenleving heeft in een complexe regio die gevoelig is voor spanningen;</P></CONS><CONS><P><NO.P>P.</NO.P>overwegende dat Turkije een politiek proces doormaakt met de naam “een terreurvrij Turkije”, waarvan het doel is een einde te maken aan politiek geweld en een politieke oplossing te vinden voor de Koerdische kwestie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Q.</NO.P>overwegende dat er behoefte is aan constructieve betrokkenheid bij de betrekkingen tussen de EU en Turkije die verder reikt dan het toetredingsproces; overwegende dat Turkije lid is van de NAVO en een belangrijke partner is voor de stabiliteit in het ruimere oostelijke Middellandse Zeegebied alsook op het gebied van handel, economische betrekkingen, veiligheid, migratie en samenwerking tegen terrorisme; overwegende dat bij de samenwerking met Turkije op een aantal beleidsterreinen van gemeenschappelijk belang vooruitgang wordt geboekt, onder meer door middel van dialogen op hoog niveau over het wegnemen van handelsbelemmeringen en nauwere samenwerking bij het voorkomen van omzeiling van sancties, en dat er verdere vooruitgang zou kunnen worden geboekt op een gefaseerde, evenredige en omkeerbare wijze die volledig in overeenstemming is met de conclusies van de Europese Raad van april 2024,</P></CONS><CONS><P><NO.P>R.</NO.P>overwegende dat Turkije nog steeds een van de grootste vluchtelingenpopulaties ter wereld opvangt; overwegende dat de samenwerking tussen de EU en Turkije inzake migratiebeheer, veiligheid en regionale stabiliteit van strategisch belang blijft en helpt om irreguliere en gevaarlijke overtochten via de oostelijke Middellandse Zeeroute naar Europa te verminderen en bijdraagt tot het redden van levens op zee; overwegende dat de EU sinds 2011 bijna 12,5 miljard EUR aan steun voor vluchtelingen en gastgemeenschappen in Turkije heeft verstrekt;</P></CONS><CONS><P><NO.P>S.</NO.P>overwegende dat de afstemming van Turkije op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU in 2025 een historisch dieptepunt van 4 % heeft bereikt, tegenover 6 % in 2024; overwegende dat dit veruit het laagste niveau van afstemming is van alle kandidaat-lidstaten; overwegende dat deze indicator niet alle niveaus van betrokkenheid van een bepaalde kandidaat-lidstaat op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid weergeeft;</P></CONS><CONS><P><NO.P>T.</NO.P>overwegende dat de spanningen tussen de EU en Turkije met betrekking tot de situatie in het oostelijk deel van de Middellandse Zee weliswaar zijn gede-escaleerd, maar nog niet zijn opgelost;</P></CONS><CONS><P><NO.P>U.</NO.P>overwegende dat Turkije nog steeds een belangrijke rol speelt in het Syrische conflict; overwegende dat Turkije grootschalige militaire operaties op Syrisch grondgebied heeft uitgevoerd, met name gericht tegen gebieden in Koerdische handen, en gebieden in het noorden van Syrië bezet houdt, waarbij beide acties in strijd zijn met het internationaal recht;</P></CONS><CONS><P><NO.P>V.</NO.P>overwegende dat de militaire operaties tegen het Iraanse regime gevolgen zullen hebben voor Turkije gezien zijn geografische nabijheid, onder meer in de vorm van overloopeffecten, met name wat betreft hernieuwde migratiedruk; overwegende dat Turkije te maken heeft gehad met verschillende raketdreigingen tegen zijn grondgebied vanuit Iran, die met succes zijn geneutraliseerd via het geïntegreerde lucht- en raketverdedigingssysteem van de NAVO;</P></CONS><CONS><P><NO.P>W.</NO.P>overwegende dat de handelsbetrekkingen tussen de EU en Turkije bijzonder uitgebreid zijn, met sterk geïntegreerde toeleveringsketens en een geschatte omzet van meer dan 210 miljard EUR in 2024, en dat Turkije de op vier na grootste handelspartner van de EU is en de EU verreweg de grootste handelspartner alsook de belangrijkste bron van directe buitenlandse investeringen van Turkije is;</P></CONS><CONS><P><NO.P>X.</NO.P>overwegende dat de Turkse economie te kampen heeft gehad met hoge inflatie, een instabiele munt en structurele uitdagingen, met directe gevolgen voor werknemers, huishoudens en de sociale cohesie; overwegende dat de negatieve trend de afgelopen twee jaar een halt is toegeroepen en is gecorrigeerd door middel van gezond macro-economisch beleid, dat echter tijd nodig heeft om effect te sorteren;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Y.</NO.P>overwegende dat Turkse onderdanen goed zijn voor het op één na hoogste aantal behandelde aanvragen voor EU-visa;</P></CONS><CONS><P><NO.P>Z.</NO.P>overwegende dat Turkije in november 2026 gastheer zal zijn van de 31e VN-klimaatconferentie in Antalya en daarom geloofwaardige inzet moet tonen om zijn CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-reductiedoelstellingen te verwezenlijken en om zijn klimaatbeleid ambitieuzer te maken;</P></CONS><CONS><P><NO.P>AA.</NO.P>overwegende dat prominente leden van de oppositie onlangs openlijk hebben gepleit voor een hernieuwde toenadering tussen de EU en Turkije; overwegende dat voormalig medevoorzitter van de Democratische Volkspartij HDP Selahattin Demirtaș ertoe heeft opgeroepen het toetredingsproces van Turkije te hervatten, vanuit de gedachte dat dit, ondanks al de huidige moeilijkheden en tekortkomingen, een impuls zou geven aan democratische hervormingen en een hefboomeffect zou kunnen creëren voor alle belanghebbenden; overwegende dat CHP-voorzitter Özgür Özel in een brief aan EU-belanghebbenden heeft gepleit voor een inclusievere en strategischere kijk op de samenwerking tussen de EU en Turkije, waarbij hij zijn steun voor een volwaardig EU-lidmaatschap opnieuw bevestigde en benadrukte dat diepere institutionele en economische integratie, onder meer in het kader van het “Made in Europe”-proces, een belangrijk hefboomeffect zal hebben op de versterking van de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat in Turkije; overwegende dat CHP-presidentskandidaat en burgemeester van Istanbul Ekrem İmamoğlu in een brief eveneens heeft aangegeven dat het verbreken van de banden met Turkije de steun van de EU voor de democratische transformatie in het land zou verzwakken; overwegende dat hij voorts heeft opgeroepen tot een principieel, stapsgewijs herstel van de betrekkingen, met inbegrip van regelmatig overleg op basis van de criteria van Kopenhagen en een spoedige start van onderhandelingen over de modernisering van de douane-unie, om Turkije nauw afgestemd te houden op de EU-normen en de transparantie, het concurrentievermogen en de rechtsstaat te versterken;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Inzet voor toetreding tot de EU </STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>spreekt nogmaals zijn waardering uit voor de reeds lang bestaande aspiraties van de meerderheid van de Turkse bevolking met betrekking tot toetreding tot de Europese Unie en het behoud van de status van Turkije als kandidaat-lidstaat van de EU, ondanks het aanhoudende gebrek aan vooruitgang en politieke wil; erkent de vermoeidheid die als gevolg daarvan blijft toenemen onder belanghebbenden aan beide zijden van het proces; benadrukt evenwel dat vorderingen in het toetredingsproces tastbare vooruitgang vereisen bij de bescherming van de rechtsstaat en democratische processen, en is van mening dat het EU-toetredingsproces van Turkije bij gebrek aan dergelijke vooruitgang niet kan worden hervat;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>benadrukt het op verdiensten gebaseerde, normatieve, niet-transactionele karakter van het EU-toetredingsproces, dat afhankelijk is van de naleving van de criteria van Kopenhagen en waarvoor geen termijn geldt; benadrukt dat hiervoor stabiele instellingen nodig zijn die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten, de eerbiediging en bescherming van minderheden, goede nabuurschapsbetrekkingen, de erkenning van alle lidstaten, de eerbiediging van het internationaal recht en afstemming op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU waarborgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>3.</NO.P>stelt tot zijn spijt vast dat, ondanks de herhaalde verklaringen van de Turkse regering waarin zij zich opnieuw stelt achter het doel van EU-lidmaatschap, de in zijn eerdere verslagen geuite aanhoudende en ernstige zorgen over tekortkomingen die van invloed zijn op het toetredingsproces nog altijd niet zijn weggenomen, onder meer over de aanhoudende ondermijning van de mensenrechten en de ruimte voor het maatschappelijk middenveld, en dat er de laatste tijd zelfs een verdere ernstige achteruitgang op het gebied van de rechtsstaat en een verslechtering van de grondrechten zijn gedocumenteerd, in het verlengde van de trend die het land de afgelopen tien jaar in de richting van een autoritair model heeft gedreven; beschouwt deze aanhoudende passiviteit als een duidelijke aanwijzing dat het de Turkse regering ontbreekt aan de echte politieke wil om hervormingen door te voeren of het toetredingsproces nieuw leven in te blazen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>4.</NO.P>verzoekt de Turkse regering woorden om te zetten in daden en om, in plaats van te klagen over hoe lang Turkije al door de EU aan het lijntje wordt gehouden, door middel van concrete en duidelijke maatregelen te laten zien dat het land oprecht bereid is de aanhoudende tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat, de mensenrechten, democratische normen, persvrijheid en andere fundamentele vrijheden, alsook met betrekking tot de eerbiediging van goede nabuurschapsbetrekkingen en het internationaal recht aan te pakken; benadrukt met name dat, naast andere dringende maatregelen, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht moet worden versterkt, de vrijheid van meningsuiting moet worden gewaarborgd, journalisten en de rechten van lokale overheden moeten worden beschermd en een einde moet worden gemaakt aan politiek gemotiveerde processen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>5.</NO.P>benadrukt desalniettemin nogmaals dat hoewel het toetredingsproces sinds 2018 stilligt, Turkije nog steeds een land van strategisch belang en NAVO-bondgenoot blijft, alsook een land waarmee de EU veelzijdige betrekkingen onderhoudt die uiteenlopen van handel, economie en migratiebeheer tot buitenlands, regionaal en veiligheidsbeleid; onderstreept het belang van Turkije voor het regionale veiligheidskader en de stabiliteit, alsook voor de veiligheid van Oekraïne in het licht van de Russische agressie; benadrukt echter dat de toenemende verschillen in buitenlands beleid nauwelijks verenigbaar zijn met de Europese veiligheids- en defensiearchitectuur; spreekt zijn krachtige steun uit voor de gefaseerde, evenredige en omkeerbare ontwikkeling van coöperatieve en wederzijds voordelige betrekkingen met Turkije op alle gebieden van gemeenschappelijk belang, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van april 2024 en gericht op de bevordering van het internationaal recht;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>6.</NO.P>hoopt dat de Turkse regering zich anders gaat opstellen bij de fundamentele kwesties die centraal staan in het proces van toetreding tot de EU, zodat de betrekkingen tussen de EU en Turkije zich kunnen ontwikkelen in de richting van een nauwer partnerschap met het oog op een mogelijke toekomstige heropening van het toetredingsproces;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>7.</NO.P>vindt het zwakke geluid en de schaarse verklaringen van andere EU-instellingen en van veel EU-lidstaten zeer zorgelijk in het licht van de uitholling van de rechtsstaat in Turkije; benadrukt dat het verzuim van hoge EU-functionarissen om de aanhoudende democratische achteruitgang consequent en in het openbaar aan de orde te stellen, met name tijdens officiële bezoeken aan het land, ertoe dreigt te leiden dat het Turkse maatschappelijk middenveld nog verder vervreemd raakt van de EU en dat het imago en de geloofwaardigheid van de EU worden geschaad, ook onder de meest pro-EU-gezinde segmenten van de Turkse samenleving, en wel zodanig dat het herstel veel tijd in beslag zal nemen; verzoekt de ambassadeur van de EU en de ambassadeurs van de EU-lidstaten in Turkije het bezoek aan prominente gedetineerden te hervatten, relevante processen bij te wonen, zich publiekelijk te verzetten tegen de aanhoudende aanvallen op politieke partijen en leden van de oppositie en afwijkende meningen, en in dit verband systematisch hun bezorgdheid te uiten bij de Turkse autoriteiten, zonder de nauwe samenwerking met het maatschappelijk middenveld te verliezen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">De kern van het toetredingsproces: democratie, de rechtsstaat en de grondrechten</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>8.</NO.P>toont zich zeer bezorgd over de aanhoudende ernstige uitholling van de rechtsstaat en de gebrekkige onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Turkije, in het kader van een diepgewortelde autoritaire interpretatie van het presidentieel stelsel; betreurt het harde optreden en de willekeurige gerechtelijke procedures van de Turkse rechterlijke macht tegen politici, journalisten, advocaten, activisten, kunstenaars en iedereen die het aandurft kritiek te uiten; betreurt voorts dat de mediavrijheid, het maatschappelijk engagement en het recht van vereniging in het land steeds meer aan banden worden gelegd en roept de regering op deze trend te keren voordat het te laat is; dringt aan op de vaststelling van structurele maatregelen die een aanzienlijke verbetering van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht mogelijk maken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>9.</NO.P>betreurt het gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid en het wijdverbreide meten met twee maten binnen de rechterlijke macht, zowel door aanklagers als door rechters, met name in zaken die verband houden met belediging van functionarissen of beschuldigingen van corruptie; merkt op dat aanhangers van de regering niet op dezelfde manier worden behandeld als leden van de oppositie; betreurt voorts de onrechtmatige praktijk van afzetting en willekeurige overplaatsing van rechters die zich bezighouden met politieke zaken, hetgeen de onpartijdigheid van het proces aanzienlijk aantast; verzoekt de Turkse rechterlijke macht om niet langer gebruik te maken van bewijs dat is verkregen van geheime getuigen, een praktijk die bijzonder vaak voorkomt bij prominente zaken, en van bewijs dat zonder natrekking wordt aanvaard, hetgeen neerkomt op een duidelijke schending van het recht op een eerlijk proces en in strijd is met de rechtspraak van het EHRM; wijst erop dat dit misbruik van gerechtelijke procedures leidt tot ernstige schendingen van het rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, hetgeen in strijd is met de internationale rechtsverplichtingen en het Turkse nationale recht; is verontrust over berichten die wijzen op een ernstige verslechtering van de kwaliteit van gerechtelijke procedures in Turkije, die met name tot uiting komt in de lage kwaliteit van de tenlasteleggingen, hetgeen in strijd is met zowel nationale als internationale rechtsnormen; wijst op erop dat de Turkse raad van rechters en aanklagers duidelijk niet onafhankelijk opereert van de regering bij de selectie, aanwerving en bevordering van rechters en aanklagers, wat een belangrijke factor is bij het doelbewust inzetten van de rechterlijke macht als wapen om afwijkende meningen te onderdrukken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>10.</NO.P>betreurt dat, hoewel het uitbreidingsbeleid van de EU momenteel weer aan momentum wint, Turkije deze kans laat liggen omdat democratische hervormingen uitblijven; merkt voorts op dat een eerste stap om deze kans te benutten, erin zou bestaan zich te houden aan de uitspraken van het EHRM en het Turkse grondwettelijk hof; blijft ontzet over het feit dat de Turkse autoriteiten, en met name de Turkse rechterlijke macht, belangrijke uitspraken van het EHRM en het grondwettelijk hof voortdurend negeren en weigeren ten uitvoer te leggen, wat de rechtszekerheid ondermijnt en systemische schendingen in stand houdt; neemt met spijt kennis van de lange duur van de inbreukprocedures van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, waardoor er geen doeltreffende maatregelen zijn genomen om de arresten van het EHRM te handhaven en te zorgen voor naleving ervan; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle diplomatieke kanalen te gebruiken om Turkije aan te sporen de relevante uitspraken van het EHRM ten uitvoer te leggen, en te overwegen de toekenning van financiering afhankelijk te maken van de tenuitvoerlegging van EHRM-uitspraken; veroordeelt in zo krachtig mogelijke bewoordingen het weloverwogen besluit van de Turkse autoriteiten om prominente figuren zoals de voormalige medevoorzitters van de HDP Selahattin Demirtaș en Figen Yüksekdağ (al meer dan negen jaar) en mensenrechtenverdediger Osman Kavala (al meer dan acht jaar) op politieke gronden onrechtmatig gevangen te houden, ondanks de desbetreffende uitspraken van het EHRM; vraagt dat zij onmiddellijk en onvoorwaardelijk worden vrijgelaten; is ontzet over het feit dat Selahattin Demirtaș, in plaats van onmiddellijk te worden vrijgelaten, op 6 januari 2026 tot nog eens meer dan een jaar gevangenisstraf is veroordeeld in een andere zaak, op basis van toespraken uit 2015, ondanks de drie belangrijke uitspraken die het EHRM in de tussentijd heeft gedaan waarin om zijn vrijlating werd verzocht, waarvan de laatste op 3 november 2025 onherroepelijk is geworden; beschouwt deze maatregelen als een ernstig geval van machtsmisbruik, waaruit een flagrante minachting van de rechtsstaat spreekt; dringt er nogmaals bij Turkije op aan om, overeenkomstig artikel 46 van het EVRM alsook de onvoorwaardelijke verplichtingen die voortvloeien uit artikel 90 van de Turkse grondwet, alle uitspraken van het EHRM volledig ten uitvoer te leggen, waaronder de uitspraak van het EHRM van 2023 in de zaak Yüksel Yalçınkaya tegen Turkije, en aanverwante zaken; neemt kennis van de beslissing van het EHRM om geen schadevergoeding toe te kennen of de proceskosten te vergoeden in de duizenden vervolgzaken, wat oneerlijk zou kunnen zijn voor verzoekers en in strijd zou kunnen zijn met de eerdere praktijk van het Hof; verzoekt Turkije ook uitspraken in verband met vermiste personen en eigendommen op Cyprus te eerbiedigen, met inbegrip van het arrest van het EHRM van 24 januari 2008 in de zaak van de moorden op Tassos Isaak en Solomos Solomou; verzoekt de Turkse autoriteiten de internationale aanhoudingsbevelen tegen de verdachten van deze moorden uit te voeren en hen aan de Republiek Cyprus uit te leveren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>11.</NO.P>is ernstig bezorgd over de groeiende constitutionele crisis in Turkije als gevolg van de weigering van gewone rechtbanken om zich te houden aan bindende uitspraken van het grondwettelijk hof of andere beslissingen van relevante hogere rechterlijke instanties, wat neerkomt op een duidelijke schending van de rechtsorde; veroordeelt de langdurige detentie van Can Atalay, verdachte in de Gezi-zaak, ondanks twee bindende uitspraken van het grondwettelijk hof, en veroordeelt met klem de onwettige ontneming van zijn parlementaire mandaat, die in flagrante strijd is met de grondwettelijke waarborgen en de democratische wil van het electoraat; veroordeelt de beslissing van de 13e hoge strafkamer van Istanbul om het bevel terzijde te schuiven waarin het grondwettelijk hof gelastte om de zaak van Tayfun Kahraman over te doen, eveneens een verdachte in de Gezi-zaak wiens gezondheid de laatste tijd ernstig is verslechterd, en om de verzoeken om de tenuitvoerlegging van de straf op te schorten en hem vrij te laten, te verwerpen; is ontzet over de recente veroordeling van Ayșe Barım, een bekende talentmanager, wegens vermeende betrokkenheid bij het Gezipark-protest van 13 jaar geleden, hoewel er geen enkel bewijs is voor wangedrag; betreurt voorts dat de 13e administratieve kamer van de regionale administratieve rechtbank van Ankara heeft geweigerd zich te houden aan de belangrijke uitspraak van de raad van state in de zaak van Hafize Öztürk Türkmen — de eerste uitspraak met betrekking tot een van de “wetenschappers voor vrede” — op grond waarvan hij zijn functie bij de universiteit had moeten terugkrijgen; dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle willekeurig vastgehouden personen, op intrekking van de aanklachten tegen personen die uitsluitend worden vervolgd wegens de uitoefening van hun grondrechten, en op beëindiging van het misbruik van terrorismebestrijdings- en gerechtelijke mechanismen om afwijkende meningen te onderdrukken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>12.</NO.P>veroordeelt het meedogenloze optreden van de Turkse regering tegen politieke partijen en leden van de oppositie, waarbij met name de belangrijkste oppositiepartij, de CHP, het afgelopen jaar bijzonder zwaar is getroffen, waardoor het beperkte aantal politieke partijen in Turkije nog verder afneemt en het land steeds meer richting een volledig autoritair bewind evolueert; spreekt met klem zijn afkeuring uit over de politiek gemanipuleerde afzetting van de gekozen CHP-voorzitter Özgür Özel en de partijleiding naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak waarbij het CHP-congres van 2023 nietig werd verklaard en waarbij werd bepaald dat de voormalige partijleiding in ere moest worden hersteld; dringt er bij de Turkse regering op aan een einde te maken aan deze misbruiktactieken, die een ernstige aanval vormen op het democratisch pluralisme, de rechtsstaat en de soevereine wil van partijleden en kiezers in Turkije; beschouwt deze zaak als het recentste voorbeeld van een breder patroon van onderdrukking van de oppositie, waarbij de rechterlijke macht wordt gebruikt om potentiële concurrenten bij toekomstige verkiezingen uit te schakelen, waardoor Turkije steeds verder verstrikt raakt in een volledig autoritair systeem; verzoekt de Commissie en de lidstaten zowel publiekelijk als in het kader van hun betrekkingen met de Turkse regering hun afkeuring uit te spreken tegen de schorsing van de partijleiding van de CHP en constructiever met de oppositiepartijen in Turkije samen te werken; uit zijn bezorgdheid over de risico’s van een langdurige interne crisis binnen de grootste oppositiepartij, indien er niet snel een partijcongres wordt gehouden dat de leden in staat zou stellen op democratische wijze hun partijleiding te kiezen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>13.</NO.P>veroordeelt opnieuw met klem de aanhoudende detentie en de ambtsontheffing van de burgemeester van de grootstedelijke gemeente Istanbul, Ekrem İmamoğlu, van de CHP, in wat inmiddels is uitgegroeid tot een omvangrijke politieke zaak met meer dan 400 verdachten, onder wie burgemeesters en functionarissen, van wie er momenteel 105 in voorlopige hechtenis zitten; verwerpt ten stelligste het besluit van de regionale rechtbank van Ankara van 21 mei 2026 om het besluit van het 38e gewone en 21e buitengewone congres van de CHP nietig te verklaren en de voormalige CHP-leider Kemal Kılıçdaroğlu opnieuw aan te stellen in plaats van de huidige leider Özgür Özel; beschouwt deze uitspraak als een flagrant voorbeeld van staatsinmenging in de interne aangelegenheden van de grootste oppositiepartij; veroordeelt bovendien de arrestatie, op 4 april 2026, van de gekozen oppositieburgemeester, Mustafa Bozbey, samen met verschillende leden van de CHP, naar verluidt op grond van valse beschuldigingen van corruptie en omkoping; beschouwt deze ontwikkelingen als verder bewijs van de systemische uitholling van het democratisch bestuur en het politieke pluralisme op lokaal niveau in Turkije; is ingenomen met de recente bezoeken aan Turkije van burgemeesters en vertegenwoordigers van steden uit de EU en leden van het Europees Comité van de Regio’s, waaruit hun solidariteit met en steun voor de verdachten blijkt; sluit zich aan bij hun oproep tot eerbiediging van de gemeentelijke vrijheden; is ernstig bezorgd over de aanvaarding van de onder leiding van de beruchte voormalige hoofdaanklager van Istanbul Akın Gürlek opgestelde, bijna 4 000 pagina’s tellende tenlastelegging, waarin İmamoğlu wordt beschuldigd van het leiden van een uitgebreid crimineel netwerk en het plegen van 142 strafbare feiten waarvoor hij kan worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tot wel 2 430 jaar; is ingenomen met de belangrijke beslissing van het EHRM om İmamoğlu’s verzoek inzake vermeende onrechtmatige detentie in het kader van de procedure voor “prioritaire zaken” in behandeling te nemen; veroordeelt de langdurige intimidatie van Ekrem İmamoğlu, de huidige presidentskandidaat van de CHP, via een kluwen van tientallen onderzoeken, elkaar overlappende rechtszaken en willekeurige administratieve beslissingen, waaronder een recente aanklacht wegens “politieke spionage” en de onrechtmatige en politiek gemotiveerde intrekking van zijn universitaire diploma, een vereiste om zich verkiesbaar te kunnen stellen voor het Turkse presidentschap; betreurt het besluit van de 5e administratieve rechtbank van Istanbul van 23 januari 2026 om İmamoğlu’s verzoek om vernietiging van het intrekkingsbesluit af te wijzen; is ernstig bezorgd over het duizelingwekkende aantal verzoeken dat bij de GNAT is ingediend om de parlementaire immuniteit van zittende parlementsleden op te heffen, overwegend van oppositiepartijen; benadrukt dat deze acties de vooruitzichten op een sterker en uitgebreider partnerschap tussen de EU en Turkije en op een algehele verbetering van de betrekkingen ondermijnen; verzoekt alle politieke actoren in Turkije zich serieus in te zetten voor de versterking van de GNAT als pluriforme kamer, de maatschappelijke uitdagingen in Turkije aan te pakken en de basis te leggen voor een democratische toekomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>14.</NO.P>maakt zich ernstig zorgen over de verdere achteruitgang van de lokale democratie in Turkije; veroordeelt ten stelligste de afzettingen en arrestaties van ten minste 39 verkozen burgemeesters van oppositiepartijen en tientallen lokale functionarissen, alsook de vervanging van 13 burgemeesters door bestuurders die door de regering zijn aangesteld, waarbij de Turkse antiterreurwetgeving vaak veel te ruim en willekeurig wordt toegepast of op grond van ongegronde beschuldigingen van corruptie; stelt zich nogmaals op het standpunt dat deze jarenlange praktijk om door de overheid aangestelde bestuurders te benoemen een flagrante aanval vormt op de meest fundamentele beginselen van de lokale democratie; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan onmiddellijk een einde te maken aan de onderdrukking van gemeenten waar de oppositie aan de macht is, onder meer door de selectieve inbeslagname van financiële activa, en het recht van kiezers om hun vertegenwoordigers vrij te verkiezen, te eerbiedigen, overeenkomstig de aanbevelingen van het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa en de Commissie van Venetië; is ernstig bezorgd over de recente wetshervorming, op grond waarvan lokale overheden, aan hen gelieerde entiteiten en gemeentelijke bedrijven verplicht zijn om presidentiële goedkeuring te verkrijgen alvorens bedrijven of coöperaties op te richten of andere strategische financiële beslissingen te nemen, waardoor de controle van de centrale uitvoerende macht over de lokale economische besluitvorming aanzienlijk wordt uitgebreid en de alsmaar kleiner wordende autonomie van lokale overheden verder wordt ondermijnd; wijst erop dat de ontmanteling van de lokale democratie de capaciteit van de staat aanzienlijk verzwakt, met name wat betreft de dienstverlening, de crisisrespons (zoals bij aardbevingen) en de sociale voorzieningen voor vluchtelingen en kwetsbare groepen, en daarmee de menselijke veiligheid in gevaar brengt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>15.</NO.P>veroordeelt de intimidatie van en aanvallen op strafrechtadvocaten vanwege hun beroepsactiviteiten, zoals de aanhoudende gevangenschap van Mehmet Pehlivan (de advocaat van Ekrem İmamoğlu) of de recente veroordeling van Ramazan Demir (de advocaat van Selahattin Demirtaș) tot elf jaar gevangenisstraf; beschouwt deze en andere acties tegen advocaten als een onaanvaardbare inmenging in het recht van verdediging en de advocatuur, die een van de fundamentele elementen vormt van een goed functionerende rechterlijke macht en de rechtsstaat; is verheugd over het feit dat de 26e zware strafrechtbank van Istanbul de voorzitter en tien leden van het bestuur van de orde van advocaten van Istanbul heeft vrijgesproken van terreurgerelateerde aanklachten, maar benadrukt dat deze strafzaak überhaupt niet had mogen plaatsvinden; verzoekt de Turkse autoriteiten waarborgen in te stellen voor de onafhankelijkheid, veiligheid en autonomie van advocaten en ervoor te zorgen dat advocaten en hun beroepsorganisaties niet worden onderworpen aan vervolging of andere ongepaste druk louter omdat zij hun wettelijke taken uitoefenen, en daarbij te garanderen dat de rechten van beroepsbeoefenaren zijn afgestemd op de normen van de Raad van Europa;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>16.</NO.P>betreurt nog steeds de aanhoudende en toenemende vervolging, censuur en intimidatie van journalisten en onafhankelijke media, waardoor hun de vrijheid is ontzegd om hun beroep uit te oefenen en het publiek te informeren, hetgeen van cruciaal belang is voor een goed functionerende democratische samenleving; is ernstig bezorgd over berichten dat tot 90 % van de nationale media thans regeringsgezind is of onder zeggenschap van de regering staat; betreurt in dit verband ten zeerste dat de Turkse regering TELE1, een van de weinige overgebleven kritische omroepen, heeft overgenomen en onder zeggenschap van een door de overheid aangestelde bestuurder heeft geplaatst, en beschouwt dit als een doelbewuste aanval op de mediavrijheid; veroordeelt de intimidatie van onafhankelijke journalisten, die in 2025 steeds vaker werden gearresteerd en vastgehouden, voornamelijk op beschuldiging van “lidmaatschap van een terreurorganisatie”, “belediging van de president” of vermeende schending van de wet op vergaderingen en demonstraties; volgt met grote bezorgdheid de zaken van, onder meer, Deutsche Welle-verslaggever Alican Uludağ, die werd gearresteerd vanwege socialemediaberichten van meer dan een jaar oud, ruim 90 dagen werd vastgehouden in een maximaal beveiligde gevangenis en die onlangs werd vrijgelaten, hoewel de aanklachten tegen hem niet zijn ingetrokken en zijn rechtszaak in september voortgezet zal worden, TELE1-hoofdredacteur Merdan Yanardağ, die momenteel gevangen zit op beschuldiging van “spionage”, Medyascope-verslaggever Furkan Karabay, die de afgelopen drie jaar herhaaldelijk is gearresteerd en onlangs twee maanden onder huisarrest is geplaatst, tv-presentatrice Sedef Kabaș, die nu opnieuw voor de rechter moet verschijnen vanwege haar socialemediaberichten, of de ervaren journalist Fatih Altayli, die onlangs is vrijgelaten in afwachting van zijn beroep tegen een veroordeling tot een gevangenisstraf van meer dan vier jaar op grond van de belachelijke beschuldiging van fysieke bedreiging van de Turkse president, BirGün-verslaggever İsmail Arı, die onlangs is gearresteerd voor zijn journalistieke werkzaamheden op grond van vermeende “disinformatie”, en de Zweedse journalist Joakim Medin; pleit ervoor dat alle journalisten die ten onrechte worden vastgehouden, onmiddellijk en onvoorwaardelijk worden vrijgelaten; betreurt ten zeerste dat de hoge raad voor radio en televisie, die onafhankelijk zou moeten zijn, wordt geïnstrumentaliseerd om onafhankelijke media verder te beknotten door middel van financiële en uitzendsancties, die overwegend worden opgelegd aan kritische media; betreurt de veelvuldige en stelselmatige maatregelen tegen de vrijheid van meningsuiting online, met inbegrip van herhaaldelijke beperkingen van de internettoegang, het beperken van de bandbreedte, uitzendverboden, het blokkeren van accounts op sociale netwerken, websites en duizenden nieuwsberichten, naast verzoeken om content te verwijderen met als doel journalisten en gewone burgers de mond te snoeren, vaak onder het mom van “de nationale veiligheid en de openbare orde”; veroordeelt de instrumentalisering van wettelijke bepalingen door de Turkse autoriteiten om de werkzaamheden van journalisten te beknotten en gerichte druk op hen uit te oefenen; verzoekt de Turkse autoriteiten onmiddellijk in te staan voor de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid, en te garanderen dat niemand uitsluitend vanwege de vreedzame uitoefening van zijn grondrechten van zijn vrijheid wordt beroofd, in overeenstemming met de internationale mensenrechtenverplichtingen van Turkije;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>17.</NO.P>blijft bezorgd over het vaak ongegronde verbod op vergaderingen en het buitensporige gebruik van geweld tegen vreedzame demonstranten; benadrukt dat deze praktijken in strijd zijn met de waarborgen inzake het recht van vreedzame vergadering krachtens artikel 34 van de Turkse grondwet en nog steeds niet voldoen aan de internationale mensenrechtennormen; is met name bezorgd over de gevolgen die deze schendingen van de individuele vrijheden hebben voor de studentenbeweging en over het feit dat een breed scala aan repressieve maatregelen, met inbegrip van willekeurige aanhoudingen, tuchtonderzoeken, het verlagen van studiebeurzen, uitzettingen uit studentenhuizen, mediacensuur en fysiek geweld, lijkt te worden ingezet om de aanwezigheid van jongeren in de publieke ruimte te beperken; betreurt het dat tal van personen zijn aangehouden of aan gerechtelijke controlemaatregelen zijn onderworpen vanwege hun lidmaatschap van maatschappelijke organisaties en orden van advocaten, of hun deelname aan demonstraties, met name demonstraties die plaatsvonden na de arrestatie en detentie van de burgemeester van Istanbul, Ekrem İmamoğlu, en protesten in verband met 1 mei, en de rechten van vrouwen- en lhbti+-personen; erkent dat er enkele positieve stappen zijn genomen, waaronder een aantal vrijspraken, maar dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan de vrijheid van vergadering en protest zonder onnodige beperkingen hoog te houden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>18.</NO.P>spreekt zijn groeiende bezorgdheid uit over de wijze waarop de Turkse autoriteiten een regressieve morele agenda opdringen met een religieuze insteek op alle gebieden van de samenleving, wat in schril contrast staat met de in de grondwet verankerde seculiere grondslagen van de Republiek Turkije; merkt op dat deze door de regerende coalitie bevorderde toenemende verschuiving terug te zien is in de wetgeving, het politieke debat, het onderwijs, het culturele leven en de media, en aanleiding geeft tot ernstige bezorgdheid over de uitholling van het secularisme, de pluriformiteit en de fundamentele vrijheden; is bezorgd over de beslissing van de Turkse regering om een rechtszaak aan te spannen tegen de 168 ondertekenaars van de verklaring “Samen verdedigen wij het secularisme”, onder wie journalisten, kunstenaars en academici;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>19.</NO.P>blijft ernstig bezorgd over de staat van de academische vrijheid en de institutionele onafhankelijkheid, zoals blijkt uit de verslechterende situatie aan de Bosporus-universiteit sinds de benoeming van de rector in 2021 bij besluit van de Turkse president; beschouwt deze uitbreiding van het “model van door de overheid aangestelde bestuurders” tot academische instellingen, die een duidelijk negatief effect heeft gehad op het academische leven en de prestaties van de instelling, als een verdere afwijking van de EU-normen inzake academische vrijheid en als een afspiegeling van de pogingen van de regering om haar grip op elke ruimte van mogelijk afwijkende meningen verder te verstevigen; verzoekt de Turkse autoriteiten te waarborgen dat de universiteiten in het land democratisch worden bestuurd en autonoom zijn en een einde te maken aan het harde optreden tegen studenten door middel van beperkingen op de vrijheid van vereniging en meningsuiting of op hun recht om volledig en zonder beperkingen deel te nemen aan het academische leven; spreekt zijn bezorgdheid uit over de zaak van de Bilgi-universiteit – die op 22 mei 2026 bij presidentieel besluit abrupt werd gesloten en drie dagen later weer werd geopend na hevige publieke verontwaardiging en wijdverbreide protesten van studenten en academici – als het zoveelste voorbeeld van bedreigingen voor de academische vrijheid en de institutionele autonomie, en van overheidsinmenging in het hoger onderwijs;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>20.</NO.P>blijft ernstig bezorgd over vrouwenrechten, en met name over de hoge mate waarin gendergerelateerd geweld voorkomt en over het grote aantal gevallen van femicide in Turkije; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan het wetgevingskader en de uitvoering ervan te verbeteren, ook door beschermingswet nr. 6284 volledig toe te passen, om alle vormen van geweld tegen vrouwen en de praktijk van zogenaamde eremoorden doeltreffend aan te pakken, te zorgen voor krachtiger beschermingsmechanismen en een einde te maken aan het aanhoudende beleid van straffeloosheid, door daders voor de rechter te brengen; betreurt het dat de Turkse regering, hoewel zij 2025 heeft uitgeroepen tot “Jaar van het gezin”, een zeer ideologische en regressieve koers vaart waarin zij gendergelijkheid als een bedreiging ziet, waardoor vrouwen nog minder zichtbaar zijn geworden in de openbare ruimte en geweld tegen vrouwen en meisjes vaak wordt afgedaan als een privéaangelegenheid die alleen de familie aangaat, wat ertoe bijdraagt dat daders vaak vrijuit gaan; herhaalt zijn krachtige veroordeling van de terugtrekking van Turkije uit het Verdrag van Istanbul bij presidentieel besluit, en herhaalt zijn oproep om dit besluit terug te draaien en het verdrag opnieuw te ratificeren; is bezorgd over het feit dat maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met vrouwenrechten steeds verder onder druk komen te staan, onder meer door middel van systematische administratieve intimidatie en rechtsvervolging; dringt er bij de Turkse regering op aan het aanhoudende gebrek aan gendergelijkheid in het economische leven aan te pakken, aangezien Turkije tot de OESO-landen met de laagste arbeidsparticipatie onder vrouwen behoort, alsook een aanhoudend lage participatie van vrouwen in besluit- en beleidsvormingsprocessen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>21.</NO.P>blijft de aanhoudende schendingen en het gebrek aan bescherming van de grondrechten van lhbti+-personen in Turkije veroordelen, met inbegrip van willekeurige detenties, niet-aflatende haatzaaiende uitlatingen, haatmisdrijven, fysieke aanvallen en discriminerende retoriek, alsook de aanhoudende stereotypering en stigmatisering van seksuele gerichtheid en genderidentiteit door de media; betreurt het dat de Turkse autoriteiten, in plaats van deze aanhoudende discriminatie aan te pakken, hun repressie zelfs hebben geïntensiveerd door het “Jaar van het gezin”-initiatief aan te grijpen als podium om zich specifiek te richten tegen de lhbti+-gemeenschap en de rechten ervan; is ernstig bezorgd over verschillende wetsontwerpen die het afgelopen jaar zijn uitgelekt, waarin voor het eerst in de geschiedenis van de Turkse Republiek elke uiting van lhbti+-identiteit en elke seksuele handeling tussen personen van hetzelfde geslacht met wederzijdse instemming strafbaar werden gesteld; verzoekt de Turkse autoriteiten het Turkse wetboek van strafrecht niet te hervormen op een manier die in strijd zou zijn met de internationale verplichtingen van Turkije, waaronder die uit hoofde van het EVRM; betreurt ten zeerste dat de Turkse regering in 2025 het Kuir-festival en de Pride-mars in Istanbul en elders, alsook vele andere activiteiten tegen homofobie, opnieuw heeft verboden, terwijl zij tegelijkertijd officiële toestemming verleende voor anti-lhbti+-protesten en -demonstraties die uitsluiting en discriminatie bevorderen; betreurt de gerechtelijke ontbinding van de in İzmir gevestigde lhbti+-vereniging Genç, tegen de achtergrond van toenemende intimidatie van maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor lhbti+-kwesties wegens “obsceniteit”, een beschuldiging die in toenemende mate wordt gebruikt tegen activisten en kunstenaars, onder wie de Turkse popzanger Mabel Matiz; is ingenomen met de beslissing van 33n rechtbank in Ankara van 23 februari 2026 om mensenrechtenverdediger en lhbti+-activist Enes Hocaoğulları vrij te spreken van alle aanklachten; betreurt zijn ongerechtvaardigde vervolging, waarbij hij 35 dagen in voorlopige hechtenis doorbracht omdat hij zijn vrijheid van meningsuiting had uitgeoefend tijdens een conferentie van de Raad van Europa in maart 2025;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>22.</NO.P>verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Commissie (HV/VV) om, gezien de bovengenoemde ernstige achteruitgang met betrekking tot de democratie, restrictieve maatregelen te overwegen in het kader van de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten, met inbegrip van de bevriezing van activa in de EU, tegen Turkse functionarissen die verantwoordelijk zijn voor ernstige en opzettelijke schendingen van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van functionarissen die de functie van bestuurder op zich nemen of bestuurders aanstellen of die sleutelfiguren zijn in de repressieve structuren van de staat, zoals de voormalige hoofdaanklager van Istanbul Akın Gürlek; is ontzet over zijn recente promotie tot minister van Justitie, wat erop wijst dat hij gedurende zijn hele loopbaan altijd een politieke speler is geweest die een politieke agenda volgde; betuigt zich zeer solidair met het Turkse maatschappelijk middenveld, mensenrechten-, vrouwen- en lhbti+-organisaties, jongereninitiatieven, beroepsorganisaties, orden van advocaten en vakbonden; herhaalt zijn standpunt dat de financiële en technische bijstand van de EU gericht moet blijven op deze groepen en moet worden opgevoerd;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>23.</NO.P>veroordeelt de gemelde gevallen van grensoverschrijdende onderdrukking van Turkse onderdanen in het buitenland, met inbegrip van intimidatie, gedwongen terugkeer en misbruik van internationale samenwerkingsmechanismen; veroordeelt de activiteiten van Turkije die de Europese sociale cohesie, veiligheid en democratische processen hebben ondermijnd, waaronder inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van lidstaten via diasporagemeenschappen en het gebruik van zijn overheidsagentschap Anadolu als propagandakanaal; blijft bezorgd dat de racistische extremistische beweging Ülkü Ocakları, ook wel bekend als de Grijze Wolven, die nauwe banden heeft met de Partij van Nationalistische Actie (MHP) in de regeringscoalitie, niet alleen in Turkije zelf, maar ook in de EU-lidstaten steeds meer aanhang krijgt; verzoekt de EU en de lidstaten na te gaan of het mogelijk is hun afdelingen in de EU-landen te verbieden; veroordeelt het beleid van de Turkse autoriteiten van politieke, financiële, media- en logistieke steun aan bewegingen, netwerken, verenigingen, liefdadigheidsinstellingen en onderwijsinstellingen die banden hebben met de Moslimbroederschap en actief zijn op het grondgebied van verschillende EU-lidstaten en in de buurlanden van de EU, waardoor zij activiteiten kunnen uitvoeren die ideologische invloed, financiering en rekrutering inhouden; verzoekt Turkije een einde te maken aan alle vormen van steun voor deze organisaties;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>24.</NO.P>spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het gebrek aan verbetering van de schrijnende situatie in Turkse gevangenissen als gevolg van de enorme overbevolking en de slechte leefomstandigheden, alsook over de meldingen, waaronder die van de Raad van Europa, van grootschalige foltering en mishandeling, en van het feit dat gevangenen slechts in zeer beperkte mate toegang hebben tot basisvoorzieningen zoals sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en informatie; neemt kennis van meldingen dat zwangere vrouwen in voorlopige hechtenis zitten, met inbegrip van gevallen waarin vrouwen in hechtenis zijn bevallen; dringt er bij Turkije op aan in het geval van zwangere vrouwen voorrang te geven aan niet-vrijheidsbenemende maatregelen en te zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van de VN-regels van Bangkok inzake vrouwelijke gevangenen; is ernstig bezorgd over de detentieomstandigheden van minderjarigen, ouderen en ernstig zieke gevangenen, die naar verluidt niet in overeenstemming zijn met de normen die zijn vastgesteld door het Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen van de Raad van Europa; neemt kennis van de recente hervorming van de wet inzake gevangenisstraffen, die de weg heeft vrijgemaakt voor de vervroegde of voorwaardelijke vrijlating van duizenden gevangenen; verzoekt de Turkse autoriteiten deze hervormingen niet aan te grijpen voor discriminatie op politieke gronden en bij wijze van prioriteit kwetsbare gedetineerden, onder wie ouderen, zieken, personen met een handicap en moeders met kinderen, vrij te laten; verzoekt de Turkse autoriteiten hun gevangenisbeleid te hervormen om de ontoereikende wettelijke waarborgen ter voorkoming van foltering en mishandeling aan te pakken en beter te reageren op zaken waarin gevallen van foltering, mishandeling en misbruik aan de kaak worden gesteld; is bezorgd over berichten van lokale mensenrechtenorganisaties die waarschuwen voor een hernieuwde toename van gedwongen verdwijningen sinds 2016;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>25.</NO.P>prijst de Turkse autoriteiten en politieke partijen voor hun inspanningen in het kader van het lopende initiatief voor een terreurvrij Turkije, dat de weg heeft gebaand voor bijzondere doorbraken, zoals de aangekondigde ontbinding van de terreurorganisatie de Koerdische Arbeiderspartij (PKK); betreurt desalniettemin het gebrek aan tijdige en doortastende maatregelen van de kant van de Turkse regering, die met haar uitstelgedrag ten aanzien van de volgende stappen het proces kwetsbaarder en gevoeliger voor externe ontwikkelingen heeft gemaakt, en tegelijkertijd ruimte heeft gecreëerd voor verdere polarisatie; benadrukt dat de brede toepassing van de antiterreurwetgeving niet mag worden aangegrepen om legitieme politieke activiteiten, vreedzaam verzet, het werk van het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media te beperken; betreurt het feit dat het initiatief gepaard gaat met een sfeer van onderdrukking en inperking van democratisch lokaal bestuur; betreurt de aanhoudende politieke repressie, gerechtelijke intimidatie en inperking van rechten op het vlak van cultuur en taal van Koerdische burgers, die de democratische beginselen en de sociale cohesie ondermijnen; neemt kennis van het eindrapport van de binnen de GNAT opgerichte commissie voor nationale solidariteit, broederschap en democratie; hoopt dat er verdere vooruitgang zal worden geboekt met het proces, met een prominente rol voor het Turkse parlement, totdat er een vreedzame en duurzame oplossing voor de Koerdische kwestie is gevonden, zowel in politiek, sociaal en democratisch opzicht als wat betreft de veiligheid, en dat het zal leiden tot verzoening tussen de verschillende groepen in de Turkse samenleving; benadrukt dat dit proces moet worden aangegrepen om slepende problemen met betrekking tot de mensenrechten aan te pakken en de democratische instellingen te versterken; moedigt alle belanghebbenden, met name de Turkse regering, aan dit proces ten volle te benutten om hervormingen te bevorderen en de bescherming van de mensenrechten te versterken, door wetgeving ter bestrijding van terrorisme, dat een belangrijk gebied van samenwerking met de EU blijft, en andere wetgeving en de uitvoering daarvan in overeenstemming te brengen met de mensenrechtennormen van de EU en de Raad van Europa, en de op veiligheid gerichte aanpak die het afgelopen decennium domineerde, achter zich te laten; beschouwt een aantal recente ontwikkelingen, zoals de voortzetting van het systeem van door de overheid aangestelde bestuurders of de nieuwe veroordelingen van Selahattin Demirtaș, zijn advocaat Ramazan Demir en burgemeester Ahmet Özer van het district Esenyurt in Istanbul, die tot meer dan zes jaar gevangenisstraf is veroordeeld wegens “lidmaatschap van een terreurorganisatie” vanwege zijn rol in een informele politieke alliantie tussen zijn partij, de CHP, en de DEM-partij bij de lokale verkiezingen van 2024, als tegenstrijdige en verontrustende signalen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>26.</NO.P>verzoekt de Turkse autoriteiten een institutioneel kader vast te stellen als integraal onderdeel van elk duurzaam vredesproces, om gedwongen verdwijningen, gedwongen ontheemding en andere ernstige schendingen van de mensenrechten als gevolg het decennialange conflict rond de Koerdische kwestie aan te pakken; dringt aan op de instelling van pluriforme toezichtsmechanismen en op de daadwerkelijke betrokkenheid van mensenrechtenorganisaties en actoren uit het maatschappelijk middenveld, onder meer bij de uitvoering van de aanbevelingen van de commissie voor nationale solidariteit, broederschap en democratie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>27.</NO.P>erkent dat Turkije over het algemeen toereikende wettelijke waarborgen biedt voor de vrijheid van godsdienst of overtuiging en dat de vrijheid van godsdienst in het land over het algemeen wordt geëerbiedigd; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan om de resterende tekortkomingen met betrekking tot de bescherming van de rechten van etnische en religieuze minderheden aan te pakken, met name wat betreft hun rechtspersoonlijkheid, de ontoereikende bescherming en bevordering van minderheidstalen, de beperkte toegang tot onderwijsondersteuning, de beperkingen ten aanzien van de opleiding, benoeming en opvolging van geestelijken, de beperkte toegang tot media en openbare reclame in minderheidstalen, alsook aanhoudende complicaties bij het uitoefenen van eigendomsrechten; verzoekt Turkije uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, de resoluties van de Raad van Europa en alle relevante uitspraken van het EHRM in dit verband, onder meer met betrekking tot de Grieks-orthodoxe bevolking van de eilanden Gökçeada (Imbros) en Bozcaada (Tenedos); stelt met bezorgdheid vast dat vertegenwoordigers van verschillende geloofsovertuigingen, waaronder niet-moslim- en alevitische gemeenschappen, nog steeds te maken hebben met bureaucratische belemmeringen wanneer zij gebedshuizen proberen te registreren; verzoekt Turkije de langverwachte wetgeving aan te nemen inzake de verkiezing van bestuursleden in niet-islamitische stichtingen van minderheden die gemeenschapsziekenhuizen beheren; herhaalt zijn verzoek aan Turkije om de belangrijke rol van het Oecumenisch Patriarchaat voor orthodoxe christenen over de hele wereld en de rechtspersoonlijkheid ervan te erkennen, en het algemeen gebruik van de kerkelijke titel van de oecumenische patriarch te erkennen in overeenstemming met de desbetreffende aanbeveling van de Commissie van Venetië; verzoekt Turkije de bijzondere universele waarde (“outstanding universal value”) van de Hagia Sofia en het Chora-museum, die op de werelderfgoedlijst van Unesco staan, volledig te eerbiedigen en te beschermen; stelt met bezorgdheid vast dat Turkije nog steeds geen uitvoering heeft gegeven aan twee besluiten van de Commissie voor het werelderfgoed van Unesco uit 2021 en 2023 met betrekking tot zijn verplichting om speciale maatregelen te nemen om deze monumenten te beschermen; betreurt dat het klooster Panagia Soumela, dat is voorgedragen voor de werelderfgoedlijst van Unesco, onvoldoende wordt beschermd; is ernstig bezorgd over het voortduren van het vandalisme tegen en de vernieling van gebedshuizen van minderheden; veroordeelt ten stelligste de aanhoudende haataanvallen op alevitische, christelijke en joodse minderheden; verzoekt de Turkse autoriteiten doeltreffend onderzoek te doen naar en vervolging in te stellen tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor haatmisdrijven, met inbegrip van haatzaaiende uitlatingen, en alle vormen van discriminatie van minderheden, en ervoor te zorgen dat regelgevende instanties voor de media normen toepassen tegen opruiing en haatzaaiende uitlatingen, onder meer tegen religieuze gemeenschappen, met name de alevitische, christelijke en joodse gemeenschappen; is ingenomen met de voorgenomen heropening van het sinds 1971 gesloten Halki-seminarie als belangrijke positieve stap in de erkenning van de rechten van religieuze groepen en minderheden, en roept ertoe op dat alle obstakels voor de goede werking ervan worden weggenomen; betreurt het dat er de afgelopen jaren administratieve maatregelen, zoals de codes “N-82” en “G-87”, zijn opgelegd aan honderden buitenlandse christelijke predikanten, missionarissen en hun familieleden, waarbij zij zonder bewijs, proces of doeltreffende voorzieningen in rechte als bedreiging voor de nationale veiligheid werden aangemerkt, met als gevolg dat zij uit Turkije zijn uitgezet of dat hun terugkeer naar het land is geweigerd; dringt er bij de Turkse regering op aan alle nodige maatregelen te nemen om volledige vrijheid van godsdienst en non-discriminatie te waarborgen conform het VN-kader en in overeenstemming met het EU-<STRING ITALIC="on">acquis</STRING> en de EU-beginselen; verzoekt Turkije om zich te onthouden van verklaringen of handelingen die kunnen worden uitgelegd als inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van EU-lidstaten met betrekking tot de situatie van de moslimminderheid in Thracië, gezien de desbetreffende uitspraken van het EHRM;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Sociaaleconomische en duurzaamheidshervormingen</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>28.</NO.P>verwelkomt het lopende programma voor macro-economische stabilisatie en hervormingen van de Turkse autoriteiten en hun toezegging om de inflatie terug te dringen en tegelijkertijd groei te beschermen, wat heeft geleid tot een afname van de inflatie en een groter vertrouwen in de Turkse lira, zoals ook blijkt uit de recente artikel IV-overlegrondes van het IMF in Turkije; merkt op dat de economische situatie ondanks deze inspanningen kwetsbaar en volatiel blijft en dat de gevolgen van het onorthodoxe monetaire beleid nog steeds van invloed zijn op de kosten van levensonderhoud; merkt op dat, aangezien er een streng monetair beleid en een verstandig begrotingsbeleid nodig zullen zijn om deze koers vast te houden, maatregelen moeten worden genomen ter bescherming van de meest kwetsbare groepen, met name gepensioneerden;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>29.</NO.P>merkt op dat de voortdurende uitholling van de rechtsstaat en de rechtszekerheid onvermijdelijk negatieve gevolgen zal hebben voor het vertrouwen van investeerders en voor de economie; benadrukt dat duurzame economische ontwikkeling sterke democratische instellingen, de rechtsstaat, rechtszekerheid en eerbiediging van de grondrechten vereist; wijst op de enorme financiële gevolgen die onwettige acties van de autoriteiten kunnen hebben, zoals blijkt uit de arrestatie van de burgemeester van Istanbul in maart 2025, die financiële onrust en een grote kapitaaluitstroom veroorzaakte, waardoor de bevoegde autoriteiten buitengewone maatregelen moesten nemen om de val van de lira een halt toe te roepen, het vertrouwen van investeerders te herstellen en de financiële stabiliteit te behouden, ten koste van een aanzienlijke afname van de officiële reserves; is bezorgd over het uitgebreide gebruik van de buitengewone bevoegdheden die zijn toegekend aan het depositoverzekeringsfonds (TMSF), dat de zeggenschap over honderden particuliere bedrijven, waaronder grote conglomeraten en mediabedrijven zoals TELE1, heeft overgenomen en bestuurders heeft aangesteld, waardoor het TMSF een van de grootste zakelijke spelers van het land is geworden; merkt op dat de uittocht van getalenteerde mensen uit Turkije vanwege bezorgdheden in verband met de rechtsstaat en de fundamentele vrijheden de economische en sociale situatie verder kan verergeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>30.</NO.P>neemt kennis van de recente belangrijke ontdekking door de Turkse regering van grote reserves aan zeldzame aardmetalen in de provincie Eskișehir, waardoor Turkije een belangrijke speler zou kunnen worden op een strategische wereldwijde markt; benadrukt het potentieel van deze ontdekking om bij te dragen aan de diversificatie en weerbaarheid van de wereldwijde toeleveringsketens voor zeldzame aardmetalen, evenals de grote uitdagingen die hiermee gepaard gaan, waaronder de toegang tot geavanceerde winnings- en verwerkingstechnologieën en de noodzaak om te zorgen voor hoge normen op het gebied van milieubescherming en duurzaam hulpbronnenbeheer;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>31.</NO.P>verzoekt de Turkse autoriteiten uitvoering te geven aan de internationale verplichtingen van Turkije op het gebied van corruptiebestrijding, met name het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie en de desbetreffende verdragen van de Raad van Europa, en te zorgen voor een doeltreffende opvolging van de aanbevelingen van GRECO, onder meer door de nodige wetgeving vast te stellen, hetgeen een van de resterende benchmarks voor visumliberalisering is; wijst erop dat de integriteit van de procedures voor overheidsopdrachten, de financiering van politieke partijen, de rechterlijke macht, het openbaar bestuur en de bouwsector moet worden verbeterd, aangezien deze sectoren nog steeds bijzonder kwetsbaar zijn voor corruptie; betreurt ten zeerste dat de recente corruptiezaken op hoog niveau die door de autoriteiten in gang zijn gezet, uitsluitend gericht waren tegen burgemeesters uit de oppositie en gemeenten, waardoor het vertrouwen in de doeltreffendheid en de daadwerkelijke bereidheid van de autoriteiten om corruptie te bestrijden, verder is afgenomen; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan om bij hun strijd tegen corruptie te zorgen voor onpartijdigheid en transparantie; verzoekt de Turkse autoriteiten om de strijd tegen namaak op te voeren en het stelsel van eigendomsrechten in overeenstemming met internationale normen te herstellen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>32.</NO.P>verwelkomt de schrapping van Turkije van de grijze lijst van de Financiële-actiegroep (FATF) in juni 2024, na aanzienlijke vooruitgang bij de verbetering van zijn regeling voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering; verzoekt Turkije zich nauwer aan te passen aan het EU-acquis en de aanbevelingen van de FATF om zijn kader voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering verder te versterken, onder meer wat betreft de traceerbaarheid van overmakingen en het voorkomen van misbruik van nieuwe betalings- en cryptoactivakanalen voor illegale financiering;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>33.</NO.P>wijst erop dat een aantal cruciale uitdagingen op de arbeidsmarkt nog steeds niet zijn aangepakt, zoals informele werkgelegenheid, de genderloonkloof en inkomensongelijkheid; blijft bezorgd over de geringe dekking van collectieve onderhandelingen en de ernstige belemmeringen voor vakbondsvorming in de particuliere sector; is van mening dat er meer inspanningen nodig zijn om de mechanismen voor sociale dialoog te versterken en nieuwe uitdagingen op het gebied van veiligheid op het werk aan te pakken; herinnert eraan dat vakbondsvrijheid en sociale dialoog cruciaal zijn voor de ontwikkeling en welvaart van een pluralistische samenleving; verzoekt de Turkse autoriteiten om belemmeringen weg te nemen die het recht op vakbondsvorming en collectieve onderhandelingen beperken, door effectief gebruik te maken van mechanismen voor sociale dialoog, en om het stakingsrecht voor ambtenaren te erkennen; betreurt het feit dat vakbondsleden in Turkije louter en alleen omdat zij hun taken hebben uitgevoerd regelmatig worden opgesloten; veroordeelt in dit verband de recente detentie van Mehmet Türkmen, voorzitter van de vakbond voor de textielsector BİRTEK-SEN, op 15 maart 2026, waarbij moet worden opmerkt dat hij in 2025 ook meer dan een maand gevangen is gezet; dringt aan op zijn onmiddellijke vrijlating en op beëindiging van de gerechtelijke intimidatie tegen hem;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>34.</NO.P>neemt kennis van de nieuwe Turkse klimaatwet van 2025, die in juli 2025 van kracht is geworden, en is ingenomen met de opname van een emissiehandelssysteem, maar merkt op dat er nog enkele verbeteringen moeten worden doorgevoerd, bijvoorbeeld met betrekking tot de certificatenplafonds; betreurt het dat Turkije op het gebied van klimaatmitigatie nog steeds zeer slecht presteert en verzoekt de Turkse regering om te werken aan een geloofwaardig rechtskader voor emissiereductie; benadrukt dat het plan van het ministerie van Energie en Natuurlijke Hulpbronnen om subsidies voor binnenlandse steenkoolcentrales en koolstofintensieve elektriciteitsopwekking te handhaven, de voortgang bij de uitrol van hernieuwbare energiebronnen vertraagt; verzoekt de Turkse regering om, mede in het licht van het feit dat zij in 2026 gastheer zal zijn van de 31e VN-klimaatconferentie, een traject voor de uitfasering van steenkool vast te stellen en de CO<STRING SUBSCRIPT="on">2</STRING>-piek te vervroegen ten opzichte van 2038; verzoekt de EU en de Turkse autoriteiten om de samenwerking op het gebied van de Green Deal te intensiveren en prioriteit te geven, met name wat betreft de koolstofbeprijzing in het kader van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie, de gevolgen voor Turkse exporteurs aan te pakken, de financiering van de decarbonisatie van de industrie en de modernisering van het net te ondersteunen, evenals het beleid voor een rechtvaardige transitie;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>35.</NO.P>spreekt zijn bezorgdheid uit over het welzijn van dieren tijdens het vervoer vanuit en door de Republiek Turkije; dringt aan op naleving van internationale normen en het voorkomen van overbezetting en warmtestress; is bezorgd over berichten dat zwerfhonden en -katten worden mishandeld en afgemaakt; dringt aan op de beperking van de populatie van zwerfhonden en -katten in overeenstemming met internationale normen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>36.</NO.P>blijft Turkije prijzen voor de opvang van ongeveer 2,7 miljoen vluchtelingen, waaronder in januari 2026 2,3 miljoen Syriërs die tijdelijke bescherming genieten; merkt op dat volgens de rapportage van Frontex van januari 2025 de irreguliere migratie langs de grens tussen Turkije en de EU met ongeveer een kwart is afgenomen in absolute aantallen; herhaalt hoe belangrijk de medewerking van Turkije is voor een doeltreffend en ordelijk beheer van migratiestromen; merkt daarnaast op dat de EU sinds 2011 met bijna 12,5 miljard EUR heeft bijgedragen aan deze inspanningen van Turkije op het gebied van de ondersteuning van vluchtelingen en gastgemeenschappen; is voorstander van voortzetting van de EU-financiering om de gezondheidszorg, het onderwijs, de bescherming en de integratie van vluchtelingen in Turkije te blijven ondersteunen; verzoekt de EU en de lidstaten de financiële bijstand voor de humanitaire en beschermingsruimte in Turkije te handhaven en waar mogelijk op te voeren, en meer inspanningen te leveren om Turkse maatschappelijke organisaties en door vluchtelingen geleide organisaties te ondersteunen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>37.</NO.P>spreekt zijn bezorgdheid uit over de verslechtering van de beschermingssituatie voor Syrische vluchtelingen in Turkije, waaronder de opschorting van ziektekostenverzekeringen, de sluiting van vluchtelingenkampen zonder adequate alternatieven en de inkrimping van de verleende diensten van internationale niet-gouvernementele organisaties en de VN; blijft zich ernstige zorgen maken over de situatie van minderheidsgroepen, vluchtelingen en migranten die in 2025 nog steeds te maken hadden met discriminatie, geweld en gedwongen terugkeer; benadrukt dat Turkije Syrische vluchtelingen moet blijven beschermen totdat aan de voorwaarden voor hun terugkeer is voldaan; verzoekt de Turkse autoriteiten opnieuw bezichtigingsbezoeken of soortgelijke mechanismen in te voeren die gefundeerde terugkeerbesluiten mogelijk maken; is verontrust over geloofwaardige berichten inzake ernstige mensenrechtenschendingen in door de EU gefinancierde verwijderingscentra in Turkije, en verzoekt de Commissie over deze kwestie een transparant en onafhankelijk onderzoek te starten; verzoekt de Commissie voor maximale transparantie en precisie te zorgen bij de toewijzing van deze financiële middelen, en erop toe te zien dat door de EU gefinancierde projecten, met name projecten in verband met verwijderingscentra en grenscontroles, voldoen aan alle relevante mensenrechtennormen; verzoekt Turkije de volledige, niet-discriminatoire uitvoering te garanderen van de Verklaring EU-Turkije uit 2016 en de overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije ten aanzien van alle lidstaten; benadrukt echter dat migratie niet mag worden ingezet voor politieke doeleinden tegen de EU of haar lidstaten; dringt er bij Turkije op aan om in goed vertrouwen te blijven samenwerken met de EU-lidstaten op het gebied van migratie, en ervoor te zorgen dat er een duidelijk signaal wordt afgegeven aan mensensmokkelaars, om hen af te houden van verdere illegale migratiestromen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>38.</NO.P>herhaalt zijn verzoek aan Turkije om zijn nabuurschapsbeleid constructief te voeren in plaats van assertief of agressief; is verheugd over de voortzetting van de dialoog tussen Griekenland en Turkije, waaronder bijeenkomsten op hoog niveau zoals de topontmoeting tussen premier Mitsotakis en president Erdoğan in februari 2026, die een constructieve sfeer en verdere de-escalatie in het oostelijk Middellandse Zeegebied kan bevorderen, hetgeen van cruciaal belang is gezien de gevaarlijke escalatie van conflicten in de regio; herhaalt groot belang te hebben bij stabiliteit en veiligheid in de regio en moedigt alle partijen aan om verder te gaan op de ingeslagen weg van dialoog en samenwerking, met als doel alle nog openstaande geschillen en meningsverschillen op te lossen binnen het kader van het internationaal recht; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het feit dat Turkije blijft vasthouden aan een formele oorlogsdreiging tegen Griekenland, hetgeen ondenkbaar is tussen bondgenoten en goede buren – als dit land zou besluiten zijn wettige recht uit hoofde van artikel 3 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee uit te oefenen en zijn territoriale wateren in de Egeïsche Zee tot 12 zeemijl uit te breiden; betreurt het feit dat Turkije de soevereiniteit en soevereine rechten van EU-lidstaten, zoals Griekenland en de Republiek Cyprus, blijft schenden, onder meer door de bevordering van de “Blauwe Vaderland”-doctrine, de aanzienlijke toename van het aantal schendingen van de Griekse territoriale wateren en het Griekse luchtruim ten opzichte van 2024, hoewel het aantal schendingen van het luchtruim op een relatief laag niveau blijft –, de inzet van het NAVTEX-systeem als politiek drukmiddel, de schending van het Griekse continentaal plat en de Griekse exclusieve economische zone door de voortgang van projecten voor EU-connectiviteit te belemmeren, zoals de Great Sea Interconnector en de EastMed Pipeline, die zijn aangemerkt als een EU-project van gemeenschappelijk belang, de afwijzing van de publicatie van de Griekse maritieme ruimtelijke planning, die is opgesteld uit hoofde van de richtlijn maritieme ruimtelijke planning<FOOTNOTE><FIELD> Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/89/oj).</FIELD></FOOTNOTE> en de publicatie van een Turkse maritieme ruimtelijke planning die gebieden bestrijkt die onder de soevereiniteit en jurisdictie van Griekenland vallen, het bezwaar tegen de oprichting door Griekenland van een marien park in de Egeïsche Zee dat volledig binnen de Griekse territoriale wateren ligt en de aankondiging in augustus 2025 van de oprichting van twee Turkse mariene parken die zich uitstrekken tot gebieden onder Griekse jurisdictie, of de aanzienlijke toename, sinds 2024, van illegale visserijactiviteiten door Turkse vaartuigen binnen de Griekse territoriale wateren; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het voorstel voor een wetsontwerp dat is opgesteld door het Nationaal Centrum voor de zee en het zeerecht van de Universiteit van Ankara (DEHUKAM), waarin de “Blauwe Vaderland”-doctrine zou worden gecodificeerd en dat mogelijk rechtstreeks in strijd is met het bestaande internationaal recht; herhaalt zijn oproep aan Turkije om de soevereiniteit van alle EU-lidstaten over hun territoriale wateren en luchtruim alsook hun soevereine rechten volledig te eerbiedigen, in overeenstemming met het EU-recht en het internationaal recht, met inbegrip van UNCLOS, en het recht om het continentaal plat en de exclusieve economische zones af te bakenen, alsmede het recht op de exploratie en exploitatie van hun natuurlijke hulpbronnen; verzoekt Turkije in dit verband geen wetten vast te stellen die in strijd zouden kunnen zijn met deze beginselen; herhaalt zijn standpunt dat het Memorandum van overeenstemming tussen Turkije en Libië inzake de afbakening van maritieme rechtsgebieden in de Middellandse Zee een inbreuk vormt op de soevereine rechten van derde landen, niet in overeenstemming is met het zeerecht, en geen rechtsgevolgen kan hebben voor derde staten;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>39.</NO.P>bekrachtigt zijn standpunt dat de enige oplossing voor de kwestie-Cyprus een eerlijke, alomvattende, levensvatbare en democratische regeling is, binnen het overeengekomen kader van de VN, op basis van een federatie van twee gemeenschappen en twee zones met één internationale rechtspersoonlijkheid, één soevereiniteit, één burgerschap en politieke gelijkheid, overeenkomstig de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, de overeengekomen convergentiegebieden en het kader van de secretaris-generaal van de VN, en met inachtneming van het internationaal recht en de beginselen en waarden waarop de Unie is gegrondvest; dringt erop aan dat de onderhandelingen over de hereniging van Cyprus onder auspiciën van de secretaris-generaal van de VN zo snel mogelijk worden hervat op het punt waar deze in 2017 in Crans-Montana zijn afgebroken; verzoekt Turkije af te zien van het onaanvaardbare voorstel voor een tweestatenoplossing in Cyprus en terug te keren naar de overeengekomen basis voor een oplossing en het VN-kader;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>40.</NO.P>verwelkomt de stappen die de secretaris-generaal van de VN onlangs heeft genomen om de besprekingen over een alomvattende regeling te hervatten, waaronder de benoeming van een persoonlijke gezant voor Cyprus; verzoekt de Commissie snel een nieuwe speciale gezant van de Europese Commissie voor Cyprus te benoemen; is verheugd over de twee informele bijeenkomsten die in een bredere samenstelling, onder auspiciën van de secretaris-generaal van de VN, in maart 2025 in Genève en in juli 2025 in New York zijn gehouden, alsook over de verschillende ontmoetingen op Cyprus tussen president Nikos Christodoulides en de leider van de Turks-Cypriotische gemeenschap, Tufan Erhürman, waaronder de ontmoeting in december 2025, waarbij in een gezamenlijke verklaring werd benadrukt dat het werkelijke doel de oplossing van de kwestie-Cyprus is, met politieke gelijkheid zoals beschreven in de resoluties van de VN-Veiligheidsraad; verwelkomt daarnaast het standpunt van beide partijen, dat voortbouwt op het feit dat er een nieuwe leider van de Turks-Cypriotische gemeenschap is, hetgeen heeft bijgedragen tot hernieuwde hoop op het scheppen van een gunstig klimaat voor de hervatting van de onderhandelingen over een regeling; is zeer verheugd over de overeenkomst inzake verdere vertrouwenwekkende maatregelen, die als een positieve en relevante stap worden beschouwd, en moedigt hen aan om voortgang te boeken met de uitvoering daarvan; is een groot voorstander van de voortzetting van de contacten tussen beide partijen onder auspiciën van de secretaris-generaal van de VN en van het werk van zijn persoonlijke gezant voor Cyprus; verzoekt de EU en haar lidstaten om de voortzetting van deze dialoog krachtig te ondersteunen en bereid te zijn om het mogelijke welslagen van dit proces op alle mogelijke manieren te ondersteunen; moedigt alle partijen aan om dit momentum te benutten om de onderhandelingen te hervatten en deze kans niet voorbij te laten gaan;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>41.</NO.P>verzoekt Turkije om de status van de bufferzone en het mandaat van de UNFICYP te eerbiedigen en alle unilaterale acties en schendingen binnen en in de nabijheid van de bufferzone te staken en terug te draaien, en zich te onthouden van verdere vergelijkbare acties en provocaties, waaronder het intimideren van landbouwers; herhaalt zijn oproep tot samenwerking tussen de Republiek Cyprus, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en de VN met het oog op concrete maatregelen voor demilitarisering van de bufferzone, om de spanningen te verminderen en bij te dragen aan een gunstig klimaat voor de hervatting van de door de VN geleide onderhandelingen; verzoekt Turkije om zich terug te trekken uit Strovilia en de volledige uitvoering van het Memorandum van Pyla te faciliteren; roept Turkije voorts op zijn troepen terug te trekken uit Cyprus en zich te onthouden van unilateraal optreden dat ervoor zorgt dat de permanente opdeling van het eiland dichterbij komt, en geen handelingen te verrichten die het demografische evenwicht wijzigen; veroordeelt ten zeerste de pogingen van Turkije om de status van de afscheidingsbeweging in het bezette deel van Cyprus te verbeteren, onder meer via de Organisatie van Turkse Staten en de Organisatie van Islamitische Samenwerking, en verzoekt alle staten om de soevereiniteit van Cyprus te eerbiedigen overeenkomstig de resoluties van de VN-Veiligheidsraad; veroordeelt de voortdurende pogingen van Turkije om Varosha “open te stellen” en daar anderen zich te laten vestigen dan de eigen inwoners, hetgeen in strijd is met de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad; verzoekt Turkije om zijn onrechtmatige maatregelen ongedaan te maken en het gebied Varosha over te dragen aan de rechtmatige bewoners, onder tijdelijk bestuur van de VN, waartoe werd opgeroepen in de resoluties 550(1984) en 789(1992) van de VN-Veiligheidsraad; betreurt de pogingen om van Varosha een attractie voor “duister toerisme” te maken, waarbij de tragedie wordt gesensationaliseerd en de waardigheid en rechten van de rechtmatige bewoners worden geschonden; veroordeelt de voortdurende onrechtmatige inbezitneming, verkoop en illegale bebouwing van onroerend goed dat toebehoort aan Grieks-Cyprioten in de bezette gebieden; blijft zeer bezorgd over de onderwijs- en religieuze beperkingen en belemmeringen waarmee in enclaves wonende Grieks-Cyprioten worden geconfronteerd; verzoekt Turkije zijn samenwerking met de Raad van Europa en zijn relevante organen en instellingen te intensiveren, hun belangrijkste aanbevelingen uit te voeren, het EVRM volledig uit te voeren op het gebied van de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van mening en meningsuiting, het recht op het belijden van een godsdienst, met inbegrip van het recht om religieuze vieringen te houden, het recht op toegang tot en het genot van cultureel erfgoed, en een einde te maken aan de opzettelijke vernietiging van cultureel en religieus erfgoed; prijst het werk van het technisch comité voor cultureel erfgoed van beide gemeenschappen bij het herstel van veel van de getroffen monumenten; betreurt dat Turkije blijft weigeren zich te houden aan de internationale burgerluchtvaartwetgeving en een communicatiekanaal in te richten tussen de luchtverkeersleidingscentra in Turkije en de Republiek Cyprus, hetgeen volgens het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart en de Internationale Federatie van verenigingen van luchtvaartpiloten tot reële veiligheidsrisico’s en gevaren leidt; verzoekt Turkije eens te meer te voldoen aan zijn verplichting van een volledige, niet-discriminatoire uitvoering van het aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara ten aanzien van alle lidstaten, met inbegrip van de Republiek Cyprus, en om de verplichtingen na te komen die het ten aanzien van de EU is aangegaan overeenkomstig het onderhandelingskader van oktober 2005;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>42.</NO.P>verzoekt Turkije in dit kader nogmaals de Turks-Cypriotische gemeenschap de nodige ruimte te geven om overeenkomstig haar rol als rechtmatige gemeenschap van het eiland te kunnen optreden, een recht dat is vastgelegd in de grondwet van de Republiek Cyprus; roept de Commissie nogmaals op haar inspanningen op te voeren met betrekking tot de samenwerking met de Turks-Cypriotische gemeenschap met het oog op het oplossen van de kwestie-Cyprus, en wijst erop dat Cyprus bij de Europese Unie hoort; roept alle partijen op meer moed aan de dag te leggen bij het samenbrengen van de gemeenschappen; benadrukt dat de EU-wetgeving na een alomvattende oplossing van de kwestie-Cyprus op het hele eiland ten uitvoer moet worden gelegd; neemt kennis van het jaarverslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en de secretaris-generaal van de VN over Cyprus; blijft bezorgd over de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid, onder meer door middel van geweld of bedreigingen met geweld tegen Turks-Cypriotische mensenrechtenactivisten en met name journalisten die kritiek hebben geuit op de invloed van Turkije, zoals de Turks-Cypriotische journalist Şener Levent en de voorzitter van de Turks-Cypriotische journalistenbond Ali Kişmir; neemt kennis van het belangrijke werk van het Comité inzake Vermiste Personen in Cyprus, en dringt erop aan dat het Turkse leger betere toegang verleent tot militaire zones, zijn militaire archieven en informatie over de verplaatsing van stoffelijke resten naar nieuwe begraafplaatsen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>43.</NO.P>benadrukt dat het van belang is de samenwerking tussen de EU en Turkije op het gebied van regionale veiligheidskwesties te versterken, met name in het licht van het veranderende geopolitieke landschap; bevestigt in dit verband het strategische en geopolitieke belang van Turkije, mede als bondgenoot binnen de NAVO, en de toenemende aanwezigheid, invloed en bemiddelende en faciliterende rol van het land in gebieden die van cruciaal belang zijn voor de internationale veiligheid en de strategische belangen van de EU, zoals het Zwarte Zeegebied, met inbegrip van Oekraïne, de Zuidelijke Kaukasus en het Midden-Oosten, alsmede op andere relevante terreinen voor samenwerking zoals migratiebeheer, contraterrorisme en energieveiligheid; erkent dat Turkije actief blijft deelnemen en een substantiële bijdrage blijft leveren aan crisisbeheersingsmissies en -operaties van de EU; wijst erop dat de pragmatische samenwerking met Turkije op het gebied van veiligheid en defensie kan worden versterkt wanneer dit in wederzijds strategisch belang is; blijft niettemin ernstig bezorgd over het feit dat Turkije een lidstaat blijft uitsluiten van samenwerking met de NAVO; verzoekt Turkije zijn NAVO-lidmaatschap niet te gebruiken om de samenwerking tussen de EU en de NAVO te blokkeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>44.</NO.P>betreurt de lage mate van afstemming van Turkije op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de EU, dat is gedaald van 6 % in 2024 tot een historisch dieptepunt van 4 % in 2025; merkt echter op dat deze indicator, die uitsluitend is gebaseerd op statistieken over de afstemming op de verklaringen van de HV/VV en de besluiten van de Raad inzake sancties, mogelijk niet alle niveaus van betrokkenheid en dialoog in het kader van de samenwerking op het gebied van buitenlandse zaken en veiligheid volledig weergeeft; is in dit verband verheugd over de recentelijk intensievere dialoog met de EU en over de actieve deelname en substantiële bijdrage aan crisisbeheersingsmissies en -operaties van de EU in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; neemt kennis van de toenemend antiwesterse houding van de Turkse autoriteiten; spreekt zijn bezorgdheid uit over de mogelijke gevolgen hiervan voor de belangen van de EU in de Westelijke Balkan, het Zwarte Zeegebied, de Zuidelijke Kaukasus, het Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten; is echter van mening dat het, gezien het huidige geopolitieke landschap, van belang is om de mogelijkheden voor samenwerking met Turkije te onderzoeken in het kader van het huidige en toekomstige EU-beleid op het gebied van veiligheid en defensie; dringt er niettemin bij de Turkse autoriteiten op aan om het uiterst lage niveau van afstemming van het land op het gebied van het GBVB met spoed aan te pakken en andere belangrijke belemmeringen weg te nemen die het opbouwen van het nodige vertrouwen tussen partners en bondgenoten in de weg staan, zoals het handhaven van een casus belli tegen een EU-lidstaat, het ondergraven van de soevereiniteit van andere landen of het behouden van het in Rusland geproduceerde S-400-luchtverdedigingssysteem; merkt met bezorgdheid op dat Turkije het lidmaatschap van BRICS+ heeft aangevraagd, terwijl het momenteel de status van partner heeft, en overweegt hetzelfde te doen voor de Shanghai-samenwerkingsorganisatie; uit zijn ernstige bezorgdheid over de fundamentele onverenigbaarheid van het potentiële volledige lidmaatschap van Turkije van BRICS+ met het EU-toetredingsproces; benadrukt dat een dergelijke samenwerking, die een niet-liberaal model van mondiaal en regionaal bestuur weerspiegelt, de inspanningen voor een uitgebreider partnerschap tussen de EU en Turkije zou kunnen bemoeilijken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>45.</NO.P>erkent, wat betreft de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne, de inspanningen van Turkije op het gebied van bemiddeling en mogelijke bemiddelingsrol, zoals blijkt uit het feit dat het land in Istanbul verschillende rechtstreekse gesprekken tussen beide partijen heeft georganiseerd, alsook uit de verlening van militaire, diplomatieke en humanitaire bijstand aan Oekraïne, waaronder defensiematerieel, dat heeft bijgedragen aan de verdedigingsinspanningen van Oekraïne; is ervan op de hoogte dat Turkije van oudsher het standpunt inneemt dat het geen steun verleent aan sancties die buiten het kader van de VN worden vastgesteld; blijft echter betreuren dat Turkije zich niet aansluit bij de beperkende maatregelen van de EU tegen Rusland, maar is tevreden met de maatregelen die het land heeft genomen om te voorkomen dat sancties via Turks grondgebied worden omzeild, zoals het tegengaan van de wederuitvoer van goederen met gemeenschappelijke hoge prioriteit, die tot enige resultaten leiden, en roept op tot aansluiting bij het sanctiekader van de EU tegen Rusland; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan hun inspanningen op te voeren om ontduiking van beperkende maatregelen op te sporen en te voorkomen, met name wat betreft geavanceerde technologie die door Rusland voor militaire doeleinden wordt gebruikt, om te voorkomen dat deze goederen via Centraal-Azië onder het mom van “doorvoer” naar Rusland worden vervoerd, deze maatregelen uit te breiden tot andere economisch kritieke goederen, om het gebruik van energiebronnen afkomstig uit Rusland te verminderen en de risico’s aan te pakken die verband houden met de Russische “schaduwvloot” op het gebied van maritieme en milieuveiligheid; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat Turkije de activiteiten van door de Russische staat gecontroleerde media niet aan banden heeft gelegd in het kader van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne; wijst op de wijdverbreide aanwezigheid van pro-Russische standpunten en aan Rusland gelieerde desinformatie in de Turkse informatieruimte, met name met betrekking tot Oekraïne, de NAVO en energiezekerheid; verzoekt Turkije om de inspanningen ter bestrijding van buitenlandse informatiemanipulatie en desinformatie te intensiveren; merkt met bezorgdheid op dat Turkije, via de TurkStream- en Blue Stream-pijpleidingen, een belangrijke importeur van aardgas uit Rusland is, en tevens een belangrijke bron van olie en aardolieproducten; herhaalt zijn bezorgdheid over de nauwe samenwerking tussen Turkije en Rusland bij de ontwikkeling van grote kerncentrales, waaronder de kerncentrale van Akkuyu, die naar verwachting in 2026 in gebruik zal worden genomen en die eigendom is van en geëxploiteerd zal worden door het Russische staatsbedrijf voor kernenergie Rosatom; dringt er bij de Turkse regering op aan zich aan te sluiten bij het Verdrag van Espoo, op grond waarvan de partijen verplicht zijn buurlanden te informeren over grote geplande projecten die naar verwachting een beduidend negatief grensoverschrijdend effect op het milieu hebben;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>46.</NO.P>is bezorgd over de nauwe diplomatieke, economische en energiebanden van Turkije met de Islamitische Republiek Iran, waaronder regelmatige contacten op hoog niveau, aanhoudende handelsbetrekkingen en de voortdurende invoer van Iraans gas; betreurt het feit dat Turkije zich niet heeft aangesloten bij de reactie van de EU op het harde optreden van Iran tegen demonstranten, waaronder beperkende maatregelen tegen de Islamitische Revolutionaire Garde (IRG); neemt kennis van de recente juridische ontwikkelingen in de Verenigde Staten met betrekking tot Halk Bankası A.Ş. (Halkbank), waaronder procedures in verband met het omzeilen van sancties en witwaspraktijken; verzoekt Turkije om zich geleidelijk aan te sluiten bij de standpunten en het sanctieregime van het GBVB van de EU; merkt met bezorgdheid op dat de militaire operaties tegen het Iraanse regime gevolgen zullen hebben voor Turkije, gezien de geografische nabijheid van dat land, onder meer door overloopeffecten, met name wat betreft hernieuwde migratiedruk; benadrukt in dit verband het belang van regionale coördinatie en nauwe samenwerking met Turkije en andere internationale partners;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>47.</NO.P>is ingenomen met het standpunt dat Turkije al geruime tijd inneemt ten gunste van een tweestatenoplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict, dat aansluit bij het standpunt van de EU, en met zijn actieve deelname aan de “wereldwijde alliantie voor de implementatie van de tweestatenoplossing” voor de uitvoering daarvan; is ingenomen met de bijdrage van Turkije aan de bemiddelingsinspanningen met het oog op een staakt-het-vuren in Gaza en in verband met de vredestop over Gaza in oktober 2025 in Sharm-el-Sheikh; veroordeelt de actieve steun van de Turkse autoriteiten aan de door de EU op de lijst geplaatste terreurgroep Hamas en hun weigering om deze als terroristische organisatie aan te merken, hetgeen niet strookt met het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU; betreurt het feit dat Turkije de aanval van 7 oktober 2023 op Israël door Hamas niet heeft veroordeeld; waarschuwt voor de banden van Turkije met regionale actoren die banden hebben met extremistische agenda’s, en wijst erop dat dergelijke banden de betrekkingen tussen de EU en Turkije kunnen bemoeilijken en de regionale stabiliteit kunnen aantasten; verzoekt Turkije om stevig verankerd te blijven in het multilaterale systeem, met de Verenigde Naties als kern, als het essentiële kader voor het bevorderen van een alomvattende, rechtvaardige en duurzame oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>48.</NO.P>merkt op dat Turkije na de val van het regime van Assad meer invloed heeft gekregen op de ontwikkelingen in Syrië en nauw samenwerkt met de huidige Syrische overgangsautoriteiten, onder meer door hen militaire training en advies te verstrekken; blijft bezorgd over de aanhoudende aanwezigheid van Turkse troepen in het land en over de betrokkenheid van door Turkije gesteunde gewapende groeperingen bij de recente geweldsuitbarstingen in het noorden en noordoosten van Syrië, onder meer tegen groepen die een doorslaggevende rol hebben gespeeld bij de internationale bestrijding van Da’esh; veroordeelt de aanleg van permanente militaire infrastructuur en bestuurlijke structuren in de door Turkije bezette gebieden; roept Turkije op om constructief samen te werken met de Syrische autoriteiten, de soevereiniteit en territoriale integriteit van Syrië te eerbiedigen en zijn veiligheidsbelangen te behartigen met volledige inachtneming van het internationaal recht en ervoor te zorgen dat alle Syriërs, met inbegrip van Koerden, veiligheid en grondrechten genieten, en zich te onthouden van elke inmenging in de interne aangelegenheden van Syrië; veroordeelt de aanvallen op de burgerbevolking tijdens de laatste geweldsuitbarsting tussen het Syrische leger en de door Koerden geleide Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF), die tot talrijke doden en de ontheemding van grote aantallen burgers hebben geleid, evenals het gebrek aan toegang tot humanitaire hulp; spreekt de hoop uit dat de recente overeenkomst tussen de Syrische overgangsregering en de SDF, die voorziet in de geleidelijke integratie van Koerdische strijdkrachten en instellingen in de staat en de historische erkenning van Koerdische culturele, taalkundige en burgerrechten, zal leiden tot stabiliteit in het noordoosten van Syrië, hetgeen van cruciaal belang is voor het welslagen van een inclusieve politieke overgang in het land; waarschuwt dat een ernstige verslechtering van de regionale veiligheid een heropleving van Da’esh in de hand kan werken; benadrukt dat elke overbrenging naar Turkije, of via Turkije, van volwassen Da’esh-strijders of verdachten afkomstig uit detentiecentra in Syrië onderworpen moet blijven aan doeltreffende regelingen inzake bewaking, toezicht en informatie-uitwisseling, ook bij grensoverschrijdende overbrengingen; wijst op de aanzienlijke investeringen die nodig zijn voor de wederopbouw van de Syrische economie en erkent dat Turkije bereid is aan deze inspanningen bij te dragen; spreekt zijn steun uit voor een nauwe en constructieve samenwerking tussen de EU en Turkije op dit gebied;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>49.</NO.P>bevestigt opnieuw zijn steun voor de normalisering van de betrekkingen tussen Armenië en Turkije in het belang van verzoening, goede nabuurschapsbetrekkingen, regionale stabiliteit en veiligheid, en sociaaleconomische ontwikkeling, en is ingenomen met de tot dusver geboekte vooruitgang, waaronder de versoepeling van bepaalde visumprocedures, de voorbereidingen voor de aanstaande openstelling van de grens voor onderdanen van derde landen en houders van diplomatieke paspoorten, en de hervatting van de rechtstreekse vluchten van Turkish Airlines; moedigt Turkije aan om dit proces op eigen kracht vastberaden voort te zetten, zonder het afhankelijk te maken van zijn betrekkingen met een derde land; verzoekt beide landen om te blijven werken aan een betere connectiviteit, teneinde de verbinding over land tussen Europa en Azië te vergemakkelijken, historische verzoening te bevorderen, het ondernemingsklimaat te verbeteren en de contacten tussen de bevolkingen te versterken; steunt de inspanningen van de Commissie om een interregionale connectiviteitsagenda van de EU op te stellen waarbij Turkije, Armenië en Azerbeidzjan betrokken zijn, met inbegrip van projecten zoals de spoorlijn Kars-Tbilisi-Bakoe, die een grote bijdrage kan leveren aan de regionale stabiliteit en de economische en sociale ontwikkeling; moedigt Turkije aan het vredesproces tussen Armenië en Azerbeidzjan te ondersteunen en spoort Turkije er opnieuw toe aan de Armeense genocide te erkennen, zodat de weg wordt geëffend voor een daadwerkelijke verzoening tussen het Turkse en het Armeense volk, en om zich volledig te houden aan zijn plicht om het Armeense culturele erfgoed te beschermen;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Ruimere betrekkingen EU-Turkije</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>50.</NO.P>herhaalt zijn vaste overtuiging dat Turkije, los van het toetredingsproces, dat momenteel stilligt vanwege het niet voldoen aan de criteria van Kopenhagen en het gebrek aan democratische hervormingen, een land van strategisch belang is; benadrukt dat het belangrijk is een constructieve dialoog te handhaven en de samenwerking op gebieden van wederzijds strategisch belang te verdiepen, onder meer met betrekking tot Cyprus, en op een gefaseerde, evenredige en omkeerbare wijze, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van april 2024; bevestigt dat de EU zich blijft inzetten voor de best mogelijke betrekkingen met Turkije op basis van dialoog, respect en wederzijds vertrouwen, in overeenstemming met het internationaal recht en goede nabuurschapsbetrekkingen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>51.</NO.P>is in dit verband ingenomen met de verdieping van de betrekkingen tussen de EU en Turkije, die verder gaan dan het toetredingsproces, op gebieden van wederzijds belang, in overeenstemming met de aanbevelingen van de gezamenlijke mededeling betreffende de betrekkingen tussen de EU en Turkije van 23 november 2023, en wel op een gefaseerde, evenredige en omkeerbare wijze; is voorts ingenomen met de recente dialogen op hoog niveau over handel en economie, migratie en veiligheid, klimaat, en wetenschap, onderzoek, technologie en innovatie; dringt er opnieuw op aan dat alle relevante dialogen op hoog niveau worden hervat en dat er, indien nodig, gestructureerde dialogen op hoog niveau over sectorale samenwerking worden opgezet om andere gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>52.</NO.P>steunt de verdieping van de connectiviteitsagenda met Turkije op het gebied van energie, vervoer, digitale zaken en interpersoonlijke contacten, in overeenstemming met het EU- en het internationale recht, als een voorbeeld van goede, pragmatische en wederzijds voordelige samenwerking die vrede en stabiliteit in de regio kan bevorderen; wijst op het strategische belang van een versnelde voltooiing van belangrijke infrastructuurprojecten die de connectiviteit tussen de EU en Turkije verbeteren, in overeenstemming met de uitgebreide trans-Europese netwerken; benadrukt het belang van Turkije voor de ontwikkeling en het functioneren van transcontinentale connectiviteitsinitiatieven, waaronder de steeds belangrijker wordende alternatieve handelsroute tussen Europa en Azië (de Middencorridor), die een aanzienlijke bijdrage zou kunnen leveren aan het versterken van de veerkracht van de toeleveringsketens en de economische samenwerking van de EU en een belangrijke rol kan spelen bij het bevorderen van de bredere doelstellingen van de EU op het gebied van strategische autonomie; dringt aan op de tijdige aanleg van de ringsnelweg rond de Zwarte Zee en spoorverbindingen; is verheugd over de bereidheid van Turkije om te investeren in de aanleg van een Zwarte Zee-snelweg die Turkije, Bulgarije en Roemenië met elkaar verbindt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>53.</NO.P>verzoekt de Commissie om, in navolging van de positieve ervaringen met andere kandidaat-lidstaten, de nodige maatregelen te nemen teneinde het programma “roaming tegen thuistarief” zo spoedig mogelijk ook uit te breiden naar Turkije; verzoekt de Commissie te overwegen om te werken aan de uitbreiding van de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte en andere relevante programma’s, teneinde interpersoonlijke contacten te versterken; is verheugd over de goede vooruitgang die in de verslagperiode is geboekt op het gebied van samenwerking op het gebied van wetenschap en onderzoek, met name in verband met de deelname aan Horizon Europa; steunt de deelname van Turkije aan het EU-mechanisme voor civiele bescherming en verzoekt om verdieping van de samenwerking tussen de EU en Turkije op het gebied van civiele bescherming en veerkrachtige infrastructuur, waarbij de nadruk wordt gelegd op de noodzaak om de gedecentraliseerde gemeentelijke capaciteit, de participatie van het maatschappelijk middenveld, een betere coördinatie en de communicatie met het publiek te versterken;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>54.</NO.P>herhaalt zijn standpunt dat de douane-unie van de EU volledig moet worden uitgevoerd en gemoderniseerd, met name gezien het huidige geopolitieke landschap; is zich bewust van het belang dat grote delen van de EU- en de Turkse economie hechten aan de actualisering van dit instrument, dat al meer dan dertig jaar van kracht is; is bereid steun te verlenen aan een vernieuwde douane-unie met een ruimer, voor beide partijen voordelig toepassingsgebied, die aanzienlijke economische en strategische voordelen voor beide partners zou kunnen opleveren, de veerkracht van de handel, investeringen en toeleveringsketens zou versterken, de digitale en groene transitie, overheidsopdrachten en toezeggingen op het gebied van duurzame ontwikkeling zou stimuleren, en zou bijdragen aan de economische veiligheid van zowel de EU als Turkije; benadrukt echter dat een dergelijke modernisering gebaseerd moet zijn op strenge voorwaarden in verband met mensenrechten en fundamentele vrijheden, eerbiediging van het internationaal recht, aansluiting bij het GBVB en goede nabuurschapsbetrekkingen, zodat het Parlement aan het einde van het proces zijn goedkeuring kan geven, met inbegrip van de volledige toepassing door Turkije van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara ten aanzien van alle lidstaten, zonder uitzondering en op niet-discriminerende wijze, en met inbegrip van maatregelen door Turkije om de groene transitie te ondersteunen en kleine en middelgrote ondernemingen te helpen om zich aan te passen; verwelkomt de positieve ontwikkelingen, waaronder de afbouw van handelsbelemmeringen, die de afgelopen periode zijn waargenomen, mede naar aanleiding van de dialoog op hoog niveau over handel;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>55.</NO.P>benadrukt het belang voor de handel tussen de EU en Turkije van aanstaande initiatieven van de Commissie, zoals de verordening industriële versnelling en de “Made in Europe”-aanpak, die mogelijk strenge eisen met zich meebrengen die uiteindelijk een grondige herziening van de EU-aanbestedingsregels zouden kunnen vereisen en ernstige gevolgen zouden kunnen hebben voor de reeds verouderde douane-unie tussen de EU en Turkije; is verheugd over het feit dat er in het voorstel van de Commissie voor de verordening industriële versnelling reeds in is voorzien dat goederen afkomstig van partners waarmee de Unie een overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone of een douane-unie heeft gesloten, zoals Turkije, worden geacht van oorsprong uit de EU te zijn; steunt deze aanpak en dringt erop aan dat ook toekomstige relevante wetgeving in dezelfde geest wordt voorgesteld, waarbij rekening gehouden blijft worden met het belang van een verdere integratie van de markten en economieën van de kandidaat-lidstaten, met name die welke een douane-unie met de EU hebben;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>56.</NO.P>betreurt ten zeerste dat Turkije geen vooruitgang heeft geboekt bij het voldoen aan de vereiste benchmarks voor visumliberalisering; toont zich opnieuw bereid om een begin te maken met het visumliberaliseringsproces zodra de Turkse autoriteiten volledig, op niet-discriminerende wijze, voldoen aan de zes duidelijk vastgestelde resterende benchmarks ten aanzien van alle EU-lidstaten en zich aansluiten bij het visumbeleid van de EU; betreurt het dat Turkse burgers problemen ondervinden met visumaanvragen voor EU-lidstaten als gevolg van de aanzienlijke toename van de vraag en de vrees voor misbruik van het systeem; erkent echter het politieke engagement om de toegang tot visa te verbeteren en dringt aan op meer inspanningen aan beide zijden om de resterende technische en administratieve belemmeringen aan te pakken; verzoekt de lidstaten meer middelen voor deze kwestie uit te trekken; steunt maatregelen op het gebied van visumversoepeling, met name met betrekking tot zakelijke activiteiten en Erasmus-studenten; betreurt ten zeerste de voortdurende pogingen van de Turkse autoriteiten om de EU er de schuld van te geven dat zij geen vooruitgang heeft geboekt met betrekking tot dit dossier, zonder dat zij zelf de nodige stappen ondernemen om aan de resterende benchmarks te voldoen; herinnert Turkije eraan dat het gebrek aan tastbare en cumulatieve vooruitgang met betrekking tot de hangende voorwaarden rechtstreekse gevolgen heeft voor bedrijfsactiviteiten en Erasmus-studenten; betreurt het misbruik door de Turkse regering van speciale paspoorten, waarvan het aantal onbekend is, zonder de nodige maatregelen te nemen om vooruitgang te boeken in de richting van een kader dat de hele bevolking ten goede zou kunnen komen; verzoekt de Turkse regering de resterende belemmeringen weg te nemen die de heropening van de dialoog over visumliberalisering in de weg staan, en verzoekt tevens de Raad om zijn steentje bij te dragen zodra deze stappen zijn gezet; neemt kennis van het besluit van de EU en de lidstaten om op 15 juli 2025 een cascaderegeling voor visa in te voeren;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>57.</NO.P>is verheugd over de hervatting van de activiteiten van de Europese Investeringsbank in Turkije en over het investeringsplatform voor Turkije in het kader van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling+, dat een krachtigere investeringssteun mogelijk maakt via garantieprogramma’s op het gebied van de drie overkoepelende beleidsprioriteiten, namelijk de Green Deal, de Global Gateway-strategie en werkgelegenheid en groei, overeenkomstig de relevante voorwaarden inzake eerbiediging van de waarden van de EU; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat geen enkel EU-programma ten goede komt aan entiteiten in Turkije die de fundamentele waarden van de EU niet eerbiedigen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>58.</NO.P>steunt het besluit van de EU-component in de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Turkije om haar 82e vergadering, die op 14 en 15 april 2025 in Ankara zou plaatsvinden, uit te stellen naar aanleiding van de aanhouding en arrestatie van de burgemeester van Istanbul, Ekrem İmamoğlu, en anderen; blijft van mening dat de parlementaire dialoog een cruciaal onderdeel blijft van de betrekkingen tussen de EU en Turkije en spreekt de hoop uit dat de werkzaamheden van de Gemengde Parlementaire Commissie spoedig zullen worden hervat zodra de omstandigheden dat toelaten; betreurt het besluit van de Turkse autoriteiten om het Europees Parlement niet uit te nodigen om de presidents- en parlementsverkiezingen in mei 2023 te observeren, tegen de achtergrond van beschuldigingen van oneerlijke behandeling, en merkt op dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en de Parlementaire Vergadering van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa wel zijn uitgenodigd; spreekt de hoop uit dat een delegatie van het Europees Parlement zal worden uitgenodigd om toezicht te houden op eventuele komende verkiezingen in het land;</P></ACTION></ACTLST><ACTLST><ACTINIT><STRING BOLD="on"><STRING ITALIC="on">Te volgen koers in de betrekkingen tussen de EU en Turkije</STRING></STRING></ACTINIT><ACTION><P><NO.P>59.</NO.P>herhaalt zijn standpunt dat de Turkse regering heeft nagelaten de nodige stappen te ondernemen om de fundamentele democratische tekortkomingen in het land aan te pakken en blijft er dan ook bij dat het onder de huidige omstandigheden niet mogelijk is het toetredingsproces van Turkije tot de EU te hervatten, maar erkent de democratische en pro-Europese aspiraties van een groot deel van de Turkse samenleving; neemt kennis van recente oproepen van betrokken Turkse oppositieleden om dit proces nieuw leven in te blazen en de toetredingsonderhandelingen te hervatten; spreekt zijn waardering uit voor deze innovatieve en gedurfde aanpak; blijft echter sceptisch over steun hieraan, tenzij de Turkse regering door middel van concrete en geloofwaardige maatregelen duidelijk te kennen geeft dat zij bereid is zich opnieuw te committeren aan het EU-traject;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>60.</NO.P>herinnert eraan dat, net als bij elke andere kandidaat-lidstaat, het toetredingsproces afhankelijk is van de volledige naleving van de criteria van Kopenhagen en van de normalisering van de betrekkingen met alle EU-lidstaten; benadrukt dat de constructieve inzet van Turkije, ook met betrekking tot de Cyprus-kwestie, van cruciaal belang blijft om nauwere samenwerking tussen de EU en Turkije te bevorderen; is in dit verband van mening dat de Turkse autoriteiten, bij het nastreven van hun uitgesproken EU-ambities, minder nadruk zouden moeten leggen op de capaciteiten van het land op het gebied van veiligheid en defensie, en in plaats daarvan aandacht zouden moeten besteden aan de ernstige toestand waarin de democratie in het land verkeert; zet zich ervoor in om het toetredingsproces vooruit te helpen, op voorwaarde dat de Turkse regering de genoemde noodzakelijke stappen onderneemt;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>61.</NO.P>dringt er bij de Turkse regering op aan om constructief samen te werken met de EU-instellingen en de lidstaten en te blijven streven naar een nauwer, dynamischer en strategischer partnerschap, dat verder reikt dan het momenteel bevroren toetredingsproces, op basis van de desbetreffende conclusies van de Raad en de Europese Raad en de vastgestelde voorwaarden; hamert erop dat er behoefte is aan een reflectiefase over de manier waarop dit nieuwe constructieve en progressieve kader voor de betrekkingen tussen de EU en Turkije, gegrondvest op eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat en de grondrechten, de belangen van alle betrokken partijen kan vertegenwoordigen; benadrukt de noodzaak om het partnerschap tussen de EU en Turkije te versterken, bijvoorbeeld door de modernisering en verbetering van de huidige associatieovereenkomst;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>62.</NO.P>is niettemin van mening dat een voortdurende achteruitgang van de democratie en de rechtsstaat in de nabije toekomst het land alleen maar verder van de EU zal doen afdrijven, waardoor het vertrouwen wordt ondermijnd dat nodig is voor een daadwerkelijke versterking van de samenwerking en ons partnerschap op gebieden van wederzijds belang, zoals handel, energie of veiligheid;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>63.</NO.P>is van mening dat het in het belang van de EU is om opnieuw te bekijken op welke manieren Turkije niet alleen wat betreft normen, maar ook wat betreft waarden en beginselen aan de EU verbonden kan blijven, en om politieke initiatieven te ontwikkelen die op dat doel zijn afgestemd; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat er zich in de achtertuin van de EU geleidelijk een nieuw autocratisch regime aan het vestigen is, aangezien dergelijke ontwikkelingen directe en verstrekkende gevolgen hebben voor de langetermijnbelangen en de stabiliteit van de Unie; dringt er bij alle EU-instellingen, de lidstaten en de Europese Raad op aan zich uit te spreken als het erom gaat de hardnekkige achteruitgang van de democratie en de schendingen van de mensenrechten in Turkije aan te pakken, met name wat betreft de aanhoudende ontmanteling van de pluralistische democratie, aangezien dit niet onverenigbaar is met het streven naar de best mogelijke betrekkingen tussen de EU en het land; verzoekt de Commissie en de EDEO ervoor te zorgen dat op de agenda’s van hoge ambtenaren die Turkije bezoeken, een brede vertegenwoordiging van politieke en maatschappelijke actoren is opgenomen, teneinde een vollediger beeld van het land te verkrijgen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>64.</NO.P>herhaalt met klem steun te zullen blijven geven aan het onafhankelijke maatschappelijk middenveld van Turkije; verzoekt de Commissie haar politieke en financiële steun aan het levendige en prodemocratische maatschappelijk middenveld in Turkije te handhaven en op te voeren, omdat de inspanningen van dit middenveld kunnen helpen de politieke wil te creëren die nodig is om de betrekkingen tussen de EU en Turkije te verdiepen; is van mening dat op stimulansen en transacties gebaseerde benaderingen weliswaar op veel terreinen van de samenwerking tussen de EU en Turkije hun vruchten afwerpen, maar dat zij er niet in zijn geslaagd de democratisering van het land te bevorderen; benadrukt in dit opzicht dat de hervatting van het toetredingsproces voornamelijk afhangt van de niet-aflatende politieke wil van de Turkse autoriteiten en de Turkse samenleving om een volwaardige democratie te worden, iets wat niet door de EU kan worden opgedrongen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>65.</NO.P>pleit er wederom voor de wederzijdse kennis en het wederzijds begrip tussen de samenlevingen van Turkije en de EU te versterken en te verdiepen, culturele groei en sociaal-culturele uitwisselingen te bevorderen en alle manifestaties van maatschappelijke, religieuze, etnische en culturele vooroordelen tegen te gaan; benadrukt in dit verband het belang van toegankelijke interpersoonlijke uitwisselingen voor de betrekkingen tussen de EU en Turkije, met name voor de bevordering van democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten; moedigt Turkije en de EU aan gedeelde waarden te bevorderen, met name door jongeren te ondersteunen;</P></ACTION><SEPARATION><P>°</P><P>°	°</P></SEPARATION><ACTION><P><NO.P>66.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad en de Commissie; verzoekt deze resolutie in het Turks te vertalen en voor te leggen aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Turkije.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST></SDOCTA>