<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0236</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Siegbert Frank Droese</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0193/2026 - Rapporteur: Adrián Vázquez Lázara)</STRING></HIDDEN><TXTLST><DECISION><TI><STRING BOLD="on">Besluit van het Europees Parlement van 7 juli 2026 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Siegbert Frank Droese (2026/2019(IMM))</STRING></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Siegbert Frank Droese, dat bij brief d.d. 15 januari 2026 werd ingediend door het Duitse federale ministerie van Justitie en Consumentenbescherming naar aanleiding van een verzoek daartoe van de regionale rechtbank te Dresden (Landesgericht Dresden) d.d. 2 december 2025, en van de ontvangst waarvan op 11 februari 2026 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het feit dat Siegbert Frank Droese wordt geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht om te worden gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van het Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 46 van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0193/2026),</P></VISA></GRVISA><GRCONS><CONS><P><NO.P>A.</NO.P>overwegende dat het Duitse federale ministerie van Justitie en Consumentenbescherming op 15 januari 2026 op verzoek van de regionale rechtbank te Dresden een verzoek heeft ingediend tot opheffing van de immuniteit van Siegbert Frank Droese, een in Duitsland verkozen lid van het Europees Parlement, in verband met een door hem ingesteld hoger beroep in een strafrechtelijke procedure;</P></CONS><CONS><P><NO.P>B.</NO.P>overwegende dat Siegbert Frank Droese bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dresden (Amtsgericht Dresden) van 26 april 2024 schuldig werd bevonden aan het plegen van het strafbare feit belediging (meerdaadse samenloop) en werd veroordeeld tot betaling van een boete; overwegende dat tegen dit vonnis door de raadsman van Siegbert Frank Droese hoger beroep werd ingesteld door middel van het indienen van een verklaring van hoger beroep d.d. 3 mei 2024;</P></CONS><CONS><P><NO.P>C.</NO.P>overwegende dat Siegbert Frank Droese bij de Europese verkiezingen van juni 2024 werd verkozen tot lid van het Europees Parlement; overwegende dat hij ten tijde van de veroordeling bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dresden van 26 april 2024 en op het moment waarop hoger beroep tegen dit vonnis werd ingesteld nog geen lid was van het Europees Parlement; overwegende dat na de verkiezing van Siegbert Frank Droese tot lid van het Europees Parlement, zoals in het verzoek van de regionale rechtbank te Dresden wordt gesteld, opheffing van de immuniteit van Siegbert Frank Droese noodzakelijk is om de beroepsprocedure doorgang te laten vinden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>D.</NO.P>overwegende dat de vermeende strafbare feiten hebben plaatsgevonden voordat Siegbert Frank Droese lid van het Europees Parlement was en dat de vermeende strafbare feiten en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van zijn immuniteit derhalve niet bestaan uit, respectievelijk geen verband houden met een mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft geuit of uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;</P></CONS><CONS><P><NO.P>E.</NO.P>overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement op het grondgebied van hun eigen lidstaat de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun lidstaat zijn verleend;</P></CONS><CONS><P><NO.P>F.</NO.P>overwegende dat in artikel 46, leden 2, 3, en 4, van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland het volgende is bepaald:</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P>“2)	Een lid mag slechts ter verantwoording worden geroepen of worden gearresteerd op grond van een strafbaar feit als de Bondsdag daarvoor toestemming verleent, behalve in gevallen waarin hij op heterdaad of op de dag volgend op het strafbare feit wordt aangehouden.</P></CONS><CONS><P>3)	Beperking van de persoonlijke vrijheid van een lid of het inleiden van een procedure tegen een lid krachtens artikel 18 is alleen geoorloofd na toestemming van de Bondsdag.</P></CONS><CONS><P>4)	Een tegen een lid ingestelde strafrechtelijke vervolging, een procedure krachtens artikel 18, alsmede iedere vorm van hechtenis of andere beperking van de persoonlijke vrijheid van een lid worden op verzoek van de Bondsdag geseponeerd.”;</P></CONS></GRCONS><GRCONS><CONS><P><NO.P>G.</NO.P>overwegende dat de immuniteit, zoals voorzien in Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>H.</NO.P>overwegende dat volgens artikel 5, lid 2, van het Reglement parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;</P></CONS><CONS><P><NO.P>I.</NO.P>overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen en dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt<FOOTNOTE><FIELD> Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.</FIELD></FOOTNOTE>;</P></CONS><CONS><P><NO.P>J.</NO.P>overwegende dat het er in dit geval op lijkt dat van <STRING ITALIC="on">fumus persecutionis</STRING>, dat wil zeggen dat de gerechtelijke procedure in kwestie ten doel heeft de politieke activiteiten van de betrokkene als lid van het Europees Parlement, en dus de onafhankelijkheid van het Parlement, te schaden, geen sprake is;</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF> <ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>besluit de immuniteit van Siegbert Frank Droese op te heffen;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland en aan Siegbert Frank Droese.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></DECISION></TXTLST></SDOCTA>