<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><SDOCTA xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="TA.xsd"><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TA(2026)0241</STRING></IDENT><TI><STRING BOLD="on">Internationale personenvervoerdiensten over de weg per touringcar en autobus in de grensgebieden: cabotageactiviteiten tussen Oostenrijk en Zwitserland</STRING></TI><HIDDEN><STRING HIDDEN="on" ITALIC="on">(A10-0174/2026 - Rapporteur: Elissavet Vozemberg-Vrionidi)</STRING></HIDDEN><TXTLST><RESOL><TI><STRING BOLD="on">Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2026 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot machtiging van Oostenrijk om zijn bilaterale overeenkomst met Zwitserland inzake wegvervoer te wijzigen zodat cabotageactiviteiten worden toegestaan tijdens het verrichten van internationale personenvervoersdiensten over de weg per touringcar en autobus in de grensgebieden tussen beide landen (COM(2025)0773 – C10-0367/2025 – 2025/0407(COD))</STRING></TI><NOTE>(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)</NOTE><TEXT><PREAMBLE><PRINIT><STRING ITALIC="on">Het Europees Parlement,</STRING></PRINIT><GRVISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2025)0773),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 294, lid 2, artikel 2, lid 1, en artikel 91 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C10‑0367/2025),</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 10 juni 2026 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2026<FOOTNOTE><FIELD> PB C, C/2026/1970, 28.4.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/1970/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>na raadpleging van het Comité van de Regio’s,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien de artikelen 60 en 41 van zijn Reglement,</P></VISA><VISA><P><NO.P>–</NO.P>gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A10-0174/2026),</P></VISA></GRVISA></PREAMBLE><DISPOSITIF><ACTLST><ACTION><P><NO.P>1.</NO.P>stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;</P></ACTION><ACTION><P><NO.P>2.</NO.P>verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de nationale parlementen.</P></ACTION></ACTLST></DISPOSITIF></TEXT></RESOL></TXTLST><TXTLST><IDENT><STRING BOLD="on">P10_TC1-COD(2025)0407</STRING></IDENT><TCONSOLID><TI><STRING BOLD="on">Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 7 juli 2026 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2026/... van het Europees Parlement en de Raad tot machtiging van Oostenrijk om zijn bilaterale overeenkomst met Zwitserland inzake wegvervoer te wijzigen zodat cabotageactiviteiten worden toegestaan tijdens het verrichten van internationale personenvervoerdiensten per touringcar en autobus in de grensgebieden tussen beide landen</STRING><BRK/></TI><TEXT><PREAMBLE><PRINIT>HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,</PRINIT><GRVISA><VISA><P>Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91,</P></VISA><VISA><P>Gezien het voorstel van de Europese Commissie,</P></VISA><VISA><P>Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,</P></VISA><VISA><P>Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité<FOOTNOTE><FIELD>PB C, C/2026/1970, 28.4.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/1970/oj.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA><VISA><P>Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,</P></VISA><VISA><P>Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure<FOOTNOTE><FIELD>Standpunt van het Europees Parlement van 7 juli 2026.</FIELD></FOOTNOTE>,</P></VISA></GRVISA><GRCONS><GRCINIT>Overwegende hetgeen volgt:</GRCINIT><CONS><P><NO.P>(1)</NO.P>Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederen- en personenvervoer per spoor en over de weg<FOOTNOTE><FIELD>PB L 114 van 30.4.2002, blz. 91, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2002/309(3)/oj.</FIELD></FOOTNOTE> (de “overeenkomst EU-Zwitserland”) is personenvervoer met touringcars en autobussen tussen twee punten op het grondgebied van dezelfde overeenkomstsluitende partij bij de overeenkomst EU-Zwitserland door vervoerders die op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij zijn gevestigd (cabotage) niet toegestaan.</P></CONS><CONS><P><NO.P>(2)</NO.P>Overeenkomstig artikel 20, lid 2, van de overeenkomst EU-Zwitserland kunnen bestaande cabotagerechten die voortvloeien uit bilaterale overeenkomsten die zijn gesloten tussen lidstaten en Zwitserland en die van kracht waren toen de overeenkomst EU-Zwitserland op 21 juni 1999 werd gesloten, , verder worden uitgeoefend mits er op geen enkele wijze tussen in de Unie gevestigde vervoerders wordt gediscrimineerd en er geen concurrentievervalsing is. Volgens de bilaterale overeenkomst inzake wegvervoer tussen Oostenrijk en Zwitserland van 22 oktober 1958<FOOTNOTE><FIELD>Oostenrijks federaal staatsblad nr. 123/1959.</FIELD></FOOTNOTE> (de “Oostenrijks-Zwitserse overeenkomst”) is cabotage tijdens het verlenen van internationale personenvervoerdiensten per touringcar en autobus tussen beide landen niet toegestaan. Daarom behoort het recht op het verrichten van dergelijke activiteiten niet tot de rechten die worden vermeld in artikel 20, lid 2, van de overeenkomst EU-Zwitserland.</P></CONS><CONS><P><NO.P>(3)</NO.P>Internationale verbintenissen op grond waarvan in Zwitserland gevestigde vervoerders cabotage mogen verrichten binnen de Unie kunnen gevolgen hebben voor artikel 20 van de overeenkomst EU-Zwitserland, voor zover dat artikel dergelijke activiteiten niet toestaat.</P></CONS><CONS><P><NO.P>(4)</NO.P>Bovendien mag volgens Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad<FOOTNOTE><FIELD>Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 88, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1073/oj).</FIELD></FOOTNOTE> cabotage binnen de Unie onder bepaalde voorwaarden uitsluitend worden verricht door vervoerders die houder zijn van een communautaire vergunning. Internationale verbintenissen op grond waarvan vervoerders uit derde landen die geen houder zijn van een dergelijke vergunning activiteiten van die aard mogen uitvoeren, kunnen gevolgen hebben voor die verordening.</P></CONS><CONS><P><NO.P>(5)</NO.P>Bijgevolg vallen dergelijke internationale verbintenissen onder de exclusieve externe bevoegdheid van de Unie. De lidstaten kunnen alleen over dergelijke verbintenissen onderhandelen of deze aangaan als zij daartoe door de Unie zijn gemachtigd overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).</P></CONS><CONS><P><NO.P>(6)</NO.P>Cabotageactiviteiten die worden verricht binnen de Unie door vervoerders uit derde landen die geen houder zijn van een communautaire vergunning als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1073/2009, zijn nadelig voor het functioneren van de interne markt voor touringcar- en autobusdiensten, zoals die door die verordening tot stand is gebracht. Daarom moet een machtiging op grond van artikel 2, lid 1, VWEU worden verleend door de Uniewetgever overeenkomstig de wetgevingsprocedure van artikel 91 VWEU.</P></CONS><CONS><P><NO.P>(7)</NO.P>In een brief van 17 maart 2025 heeft Oostenrijk de Unie verzocht het te machtigen om de Oostenrijks-Zwitserse overeenkomst te wijzigen zodat cabotage wordt toegestaan tijdens het verlenen van internationale personenvervoerdiensten per touringcar en autobus in de grensgebieden van Oostenrijk en Zwitserland, waardoor een grotere territoriale samenhang wordt bevorderd.</P></CONS><CONS><P><NO.P>(8)</NO.P>Cabotage maakt internationale personenvervoerdiensten per touringcar en autobus economisch efficiënter omdat de benuttingsgraad van de voertuigen wordt verhoogd. Daarom is het aangewezen dergelijke activiteiten toe te staan tijdens het verlenen van internationale personenvervoerdiensten per touringcar en autobus in de grensgebieden van Zwitserland en Oostenrijk. Dat kan de nauwe integratie van die grensregio's verder versterken.</P></CONS><CONS><P><NO.P>(9)</NO.P>Om te waarborgen dat de desbetreffende cabotageverrichtingen de werking van de interne markt voor touringcar- en busdiensten, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1073/2009, niet al te sterk wijzigen, mag de toestemming van die cabotageactiviteiten alleen worden gegeven op voorwaarde dat er geen discriminatie tussen in de Unie gevestigde vervoerders en geen concurrentievervalsing is.</P></CONS><CONS><P><NO.P>(10)</NO.P>Om dezelfde reden mogen cabotageactiviteiten alleen worden toegestaan in de grensregio’s van Oostenrijk tijdens het verrichten van internationale personenvervoerdiensten per touringcar en autobus tussen Oostenrijk en Zwitserland. Daartoe moeten de grensgebieden van Oostenrijk in de zin van dit besluit op zodanige wijze worden vastgesteld dat rekening wordt gehouden met de werking van Verordening (EG) nr. 1073/2009, terwijl tegelijk de efficiëntie van de desbetreffende verrichtingen kan worden verhoogd,</P></CONS></GRCONS></PREAMBLE><DISPOSITIF><DINIT>HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:</DINIT><GR.ART><ARTICLE><TI.ART><STRING ITALIC="on">Artikel 1</STRING></TI.ART><PARAG>Oostenrijk wordt hierbij gemachtigd om de bilaterale overeenkomst tussen Oostenrijk en Zwitserland van 22 oktober 1958 (de “Oostenrijks-Zwitserse overeenkomst”) te wijzigen zodat cabotageactiviteiten in de grensgebieden van Oostenrijk en Zwitserland worden toegestaan tijdens het verrichten van internationale personenvervoerdiensten per touringcar en autobus tussen beide landen, mits er niet tussen in de Unie gevestigde vervoerders wordt gediscrimineerd en er geen concurrentievervalsing is.</PARAG><PARAG>De districten Bludenz, Bregenz, Dornbirn en Feldkirch in de regio Vorarlberg en het district Landeck in de regio Tirol worden beschouwd als grensregio’s van Oostenrijk in de zin van de eerste alinea.</PARAG></ARTICLE><ARTICLE><TI.ART><STRING ITALIC="on">Artikel 2</STRING></TI.ART><PARAG>Oostenrijk stelt de Commissie in kennis van de op grond van artikel 1 van dit besluit uitgevoerde wijziging van de Oostenrijks-Zwitserse overeenkomst en van de tekst van de gewijzigde overeenkomst.</PARAG><PARAG>De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis.</PARAG></ARTICLE><ARTICLE><TI.ART><STRING ITALIC="on">Artikel 3</STRING></TI.ART><PARAG>Dit besluit is gericht tot de Republiek Oostenrijk.</PARAG></ARTICLE></GR.ART><SIGNATURE><P>Gedaan te …, …</P><P><STRING ITALIC="on">Voor het Europees Parlement	Voor de Raad</STRING></P><P><STRING ITALIC="on">De voorzitter	De voorzitter</STRING></P></SIGNATURE></DISPOSITIF></TEXT></TCONSOLID></TXTLST></SDOCTA>